Gerecht EU 14 juni 2018, T-568/16, ECLI:EU:T:2018:347
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
14 juni 2018 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Overlijden van een echtgenoot-ambtenaar – Rechthebbenden van de overleden ambtenaar – Overlevingspensioen – Wezenpensioen – Wijziging van ambt van de ambtenaar, overlevende echtgenoot – Aanpassing van het salaris – Berekeningsmethode van het overlevings- en het wezenpensioen – Artikel 81 bis van het Statuut – Kennisgeving van wijziging van pensioenrechten – Bezwarend besluit in de zin van artikel 91 van het Statuut – Artikel 85 van het Statuut – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Voorwaarden – Verzoek tot vergoeding van de materiële en de immateriële schade”
In de gevoegde zaken T‑568/16 en T‑599/16,
Alberto Spagnolli, wonende te Parma (Italië),
Francesco Spagnolli, wonende te Parma,
Maria Alice Spagnolli, wonende te Parma,
Bianca Maria Elena Spagnolli, wonende te Parma,
vertegenwoordigd door C. Cortese en B. Cortese, advocaten,
verzoekers,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en F. Simonetti als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, in zaak T‑568/16 strekkende tot nietigverklaring van de kennisgeving van wijziging nr. 3 PMO/04/LM/2015/ARES van het Bureau beheer en afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Commissie van 6 februari 2015, waarin de nieuwe bedragen worden vermeld van het aan verzoekers toegekende overlevings- en wezenpensioen, en in zaak T‑599/16 tot nietigverklaring van besluit PMO/04/LM/2015/ARES/3406787 van het PMO van 17 augustus 2015 tot terugvordering van de bedragen die uit hoofde van het overlevings- en het wezenpensioen ten onrechte aan verzoekers zijn betaald alsmede tot vergoeding van de schade die verzoekers zouden hebben geleden,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise (rapporteur) en R. da Silva Passos, rechters,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 november 2017,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Artikel 79, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), bepaalt: „Overeenkomstig hoofdstuk 4 van bijlage VIII heeft de overlevende echtgenoot van een ambtenaar of van een gewezen ambtenaar recht op een overlevingspensioen ten bedrage van 60 % van het ouderdomspensioen dat of van de invaliditeitsuitkering die haar echtgenoot genoot of genoten zou hebben indien hij, ongeacht zijn diensttijd of leeftijd, op het tijdstip van zijn overlijden daarop aanspraak had kunnen maken.”
2 Artikel 79, tweede alinea, van het Statuut luidt: „Het overlevingspensioen van de overlevende echtgenoot van een ambtenaar die is overleden terwijl hij zich in een der in artikel 35 vermelde standen bevond, kan niet minder bedragen dan het minimum voor levensonderhoud of dan 35 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar.”
3 Artikel 80, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: „Indien de ambtenaar of degene die recht op een ouderdoms- of invaliditeitsuitkering heeft, is overleden zonder een echtgenoot na te laten die recht heeft op overlevingspensioen, hebben de kinderen die op het ogenblik van het overlijden te zijnen laste zijn in de zin van artikel 2 van bijlage VII, recht op wezenpensioen overeenkomstig artikel 21 van bijlage VIII.”
4 Artikel 80, derde alinea, van het Statuut luidt: „Indien de ambtenaar of degene die recht op een ouderdomspensioen of een invaliditeitsuitkering heeft, is overleden, zonder dat voldaan wordt aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden, hebben de kinderen, van wie erkend is dat zij te zijnen laste komen in de zin van artikel 2 van bijlage VII, recht op een wezenpensioen onder de voorwaarden, vastgesteld in artikel 21 van bijlage VIII; het pensioen bedraagt evenwel de helft van het overeenkomstig laatstgenoemd artikel berekende bedrag.”
5 Artikel 81, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: „Degene die recht heeft op ouderdomspensioen, op een invaliditeitsuitkering of op overlevingspensioen, heeft onder de in bijlage VII vermelde voorwaarden recht op de in artikel 67 bedoelde gezinstoelagen; de kostwinnerstoelage wordt berekend op de grondslag van het pensioen of de uitkering van de rechthebbende. Wie een overlevingspensioen ontvangt, heeft alleen uit hoofde van de kinderen die op het ogenblik van het overlijden van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar te zijnen laste zijn, recht op deze toelagen.”
6 Artikel 81, tweede alinea, van het Statuut luidt: „Het bedrag van de kindertoelage waarop degene die een overlevingspensioen geniet recht heeft, is echter gelijk aan het dubbele van het bedrag van de in artikel 67, lid 1, onder b), vermelde toelage.”
7 Artikel 81 bis, lid 1, onder a), van het Statuut bepaalt: „1. Ongeacht alle andere bepalingen en met name die betreffende de minimumbedragen voor de rechthebbenden op een overlevingspensioen, mag het totale bedrag van de overlevingspensioenen, vermeerderd met de gezinstoelagen en verminderd met de belasting en de andere verplichte inhoudingen, waarop de weduwe en de andere rechthebbenden aanspraak kunnen maken, niet meer bedragen dan: a) in geval van overlijden van een ambtenaar die zich in één der in artikel 35 genoemde standen bevond, het bedrag van het basissalaris waarop de betrokkene in dezelfde rang en salaristrap recht zou hebben gehad wanneer hij in leven was gebleven, vermeerderd met de gezinstoelagen die hem in dat geval zouden zijn uitgekeerd en na aftrek van de belasting en de andere verplichte inhoudingen; [...]”
8 Artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut luidt: „De ambtenaar geniet onder de in de leden 2 en 3 vermelde voorwaarden voor ieder kind te zijnen laste een maandelijkse toelage van 372,61 EUR.”
9 Artikel 2, lid 2, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt: „Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden.”
10 Artikel 21 van bijlage VIII bij het Statuut luidt: „1. Het in artikel 80, eerste, tweede en derde alinea, van het Statuut genoemde wezenpensioen bedraagt voor de eerste wees 8/10e van het overlevingspensioen waarop de overlevende echtgenoot van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar die recht heeft op een ouderdomspensioen of een invaliditeitsuitkering, recht zou hebben gehad; hierbij blijft de aftrek ingevolge artikel 25 [van bijlage VIII bij het Statuut] buiten beschouwing. Het wezenpensioen mag, behoudens het bepaalde in artikel 22 [van deze bijlage bij het Statuut], niet minder bedragen dan het minimum voor levensonderhoud. 2. Het aldus vastgestelde pensioen wordt vanaf het tweede kind voor ieder ten laste komend kind verhoogd met een bedrag gelijk aan tweemaal de kindertoelage. [...] 3. Het aldus verkregen totaal van pensioen en toelagen wordt gelijkelijk onder de rechthebbende wezen verdeeld.”
11 Artikel 82, lid 1, van het Statuut bepaalt: „De pensioenen worden vastgesteld op de grondslag van de salarisschalen die gelden op de eerste dag van de maand waarin het pensioen ingaat. Op de pensioenen wordt geen aanpassingscoëfficiënt toegepast. In euro uitgedrukte pensioenen worden uitbetaald in een van de in artikel 45 van bijlage VIII bedoelde valuta’s.”
12 Artikel 41 van bijlage VIII bij het Statuut luidt: „In geval van vergissingen of verzuimen van welke aard ook kunnen de pensioenen te allen tijde worden herzien. Zij kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien toekenning in strijd was met de voorschriften van het Statuut en van deze bijlage.”
13 Artikel 85, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: „Een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen.”
14 Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (PB 1968, L 56, blz. 8), luidt: „De belasting is maandelijks verschuldigd over de salarissen, lonen en emolumenten van welke aard ook, die door de Gemeenschappen aan de belastingplichtige worden betaald.”
Voorgeschiedenis van het geding
15 Francesco Spagnolli, Maria Alice Spagnolli en Bianca Maria Elena Spagnolli, drie van de verzoekers, respectievelijk geboren op 10 mei 1997, 23 maart 1999 en 3 december 2001, zijn kinderen van Alberto Spagnolli, die eveneens verzoeker is, en zijn echtgenote Elisa Simonazzi.
16 Simonazzi is van 16 juli 2005 tot 22 april 2011, de datum waarop zij te Parma (Italië) is overleden, als ambtenaar van de Europese Unie van de rang AD 6, salaristrap 3, werkzaam geweest bij de Europese Commissie.
17 Op het moment van overlijden van zijn echtgenote vervulde Alberto Spagnolli een ambt van ambtenaar van de rang AD 12, salaristrap 1, bij het directoraat-generaal (DG) Maritieme Zaken en Visserij van de Commissie.
18 Op 29 juli 2011 heeft de eenheid PMO.4 Pensioenen (hierna: „eenheid PMO.4”) van het Bureau beheer en afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Commissie Alberto Spagnolli kennisgegeven van het met name krachtens de artikelen 79 en 80 van het Statuut genomen besluit om hem met ingang van 1 augustus 2011 het recht op een overlevingspensioen toe te kennen en aan zijn drie kinderen het recht op een wezenpensioen. Diezelfde dag zijn de bedragen van die pensioenen gepreciseerd bij de kennisgeving tot vaststelling van de rechten op een overlevings- en een wezenpensioen PMO/04/MAG/2011/ARES, in de bijlage waarvan de gedetailleerde berekening van die pensioenen was opgenomen (hierna gezamenlijk: „kennisgeving nr. 1”).
19 Op 10 oktober 2011 heeft de directeur-generaal van het DG Maritieme Zaken en Visserij een besluit genomen waarbij hij met ingang van 16 oktober 2011 en voor een aanvankelijke periode van vijf jaar op verzoek van Alberto Spagnolli diens detachering bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) te Parma toestond. In de overeenkomst van tijdelijk functionaris die Alberto Spagnolli met EFSA sloot, was bepaald dat hij werd ingedeeld in de rang AD 9, salaristrap 2.
20 Op 17 april 2012 heeft de eenheid PMO.4 Alberto Spagnolli bij kennisgeving van wijziging nr. 2 (PMO/04/MAG/2012/ARES) en bij de bijlage daarbij, waarin de details van de berekeningen waren opgenomen (hierna gezamenlijk: „kennisgeving nr. 2”), een bijgewerkte versie toegezonden van het bedrag van het overlevings- en het wezenpensioen met ingang van 1 november 2011. Deze bijgewerkte versie was nodig wegens de wijziging van ambt en salaris van Alberto Spagnolli en diende ter correctie van een berekeningsfout in kennisgeving nr. 1.
21 Diezelfde dag heeft de eenheid PMO.4 Alberto Spagnolli een document toegezonden dat de berekeningen van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen in kennisgeving nr. 1 verving (hierna: „kennisgeving nr. 1 bis”).
22 In oktober 2013 is Alberto Spagnolli, die was ingedeeld in de rang AD 9, salaristrap 2, overgegaan naar de salaristrap 3. De plaatsing in die hogere salaristrap heeft tot een verhoging van zijn maandelijkse basissalaris bij EFSA geleid.
23 Op 6 februari 2015 is Alberto Spagnolli telefonisch benaderd door de eenheid PMO.4 die hem op de hoogte stelde van een nieuwe herziening van de berekening van de globale bedragen van het overlevingspensioen en de wezenpensioenen, als gevolg van de progressieve index die van toepassing was op zijn nieuwe salaris en een berekeningsfout in kennisgeving nr. 2. Diezelfde dag heeft hij een e-mail van die eenheid ontvangen waarin werd aangegeven dat zijn pensioenrechten opnieuw moesten worden berekend als gevolg van zijn wijziging van salaristrap en een vergissing in kennisgeving nr. 2. Bij die e-mail stelde de eenheid PMO.4 Alberto Spagnolli eveneens op de hoogte van de noodzaak om het bedrag van 40000 EUR, dat ten onrechte aan overlevings- en wezenpensioen was uitgekeerd, terug te vorderen. Bij die e-mail waren een kennisgeving nr. 3 (PMO/04/LM/2015/ARES) en bijlagen gevoegd (hierna: „kennisgeving nr. 3”), met daarin nieuwe berekeningen van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen met ingang van 1 juli 2012 en 1 oktober 2013, zodat de vergissing in kennisgeving nr. 2 was gecorrigeerd en rekening was gehouden met de toepasselijke progressieve index.
24 Op 5 mei 2015 heeft Alberto Spagnolli krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen kennisgeving nr. 3 en tegen het in de e-mail van 6 februari 2015 opgenomen verzoek tot terugbetaling van het bedrag van ongeveer 40000 EUR dat hem tussen 2012 en 2015 ten onrechte aan overlevings- en wezenpensioen zou zijn betaald.
25 Bij besluit HR.D.2/ON/ac/Ares(2015) van 3 augustus 2015 (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015”) heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) de klacht weliswaar ontvankelijk verklaard, maar deze afgewezen, zowel wat de nieuwe berekening van de bedragen van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen als wat het verzoek om terugbetaling van het bedrag van ongeveer 40000 EUR betrof.
26 Op 17 augustus 2015 heeft het hoofd van de eenheid PMO.4 het besluit tot inhouding op het pensioen PMO/04/LM/ARES/2015/3406787 (hierna: „besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde”) genomen, waarbij Alberto Spagnolli ervan op de hoogte werd gesteld dat hij de Commissie naar aanleiding van kennisgeving nr. 3 een bedrag van 22368,19 EUR verschuldigd was en, voor elk van zijn kinderen, een bedrag van 5922,72 EUR. Voorts werd hem meegedeeld dat die bedragen zouden worden teruggevorderd door maandelijkse inhoudingen op het overlevings- en het wezenpensioen.
27 Op 16 november 2015 hebben Alberto Spagnolli, voor eigen rekening en voor die van zijn twee minderjarige dochters, en Francesco Spagnolli, die meerderjarig was, elk uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde.
28 Op 4 maart 2016 heeft het TABG besluit HR.E.2/RO/ac/Ares(2016) vastgesteld tot afwijzing van de klacht (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016”).
Procedure
29 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op13 november 2015, heeft Alberto Spagnolli, namens en voor rekening van hemzelf en, krachtens zijn wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid, namens en voor rekening van zijn minderjarige kinderen Maria Alice Spagnolli en Bianca Maria Elena Spagnolli, en, op grond van een speciaal vertegenwoordigingsmandaat, namens en voor rekening van Francesco Spagnolli, de meerderjarige zoon die bij hem woont, een onder nummer F‑140/15 ingeschreven beroep ingesteld tot nietigverklaring van kennisgeving nr. 3.
30 Op 3 februari 2016 heeft de Commissie een memorie van antwoord ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken neergelegd.
31 Op 4 april 2016 hebben verzoekers binnen de gestelde termijn geantwoord op maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht voor ambtenarenzaken had vastgesteld krachtens artikel 69 van zijn Reglement voor de procesvoering, en hebben zij hun schriftelijke opmerkingen ingediend over de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsmiddelen.
32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 14 juni 2016, hebben verzoekers krachtens artikel 270 VWEU en artikel 91 van het Statuut een onder nummer F‑29/16 ingeschreven beroep ingesteld, dat met name strekt tot nietigverklaring van het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde.
33 Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), zijn de zaken F‑140/15 en F‑29/16 in de stand waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevonden, overgedragen aan het Gerecht. De zaken zijn ingeschreven onder nummer T‑568/16 respectievelijk T‑599/16 en toegewezen aan de Negende kamer.
34 Op 12 september 2016 heeft de Commissie haar memorie van antwoord in zaak T‑599/16 ter griffie van het Gerecht neergelegd.
35 Op 9 december 2016 hebben verzoekers in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang die het Gerecht op 7 november 2016 had vastgesteld, gevraagd om in zaak T‑568/16 een terechtzitting te houden.
36 Op 20 december 2016 hebben verzoekers hun repliek in zaak T‑599/16 ingediend.
37 Op 2 februari 2017 heeft de Commissie haar dupliek in zaak T‑599/16 ingediend.
38 Op 2 oktober 2017 heeft de president van de Negende kamer besloten om de zaken te voegen voor de mondelinge behandeling en het arrest.
39 Op 25 oktober 2017 heeft de Commissie geantwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht op 3 oktober 2017 had vastgesteld.
40 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 november 2017.
Conclusies van partijen
41 In zaak T‑568/16 verzoeken verzoekers het Gerecht: – kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
42 In diezelfde zaak verzoekt de Commissie het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; – Alberto Spagnolli te verwijzen in de kosten.
43 In zaak T‑599/16 verzoeken verzoekers het Gerecht: – het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016 nietig te verklaren; – voor zover nodig, het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de door Francesco Spagnolli ingediende klacht nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekers hebben geleden door de schending van hun recht op behoorlijk bestuur en de niet-nakoming door de administratie van haar zorgplicht, ter hoogte van, respectievelijk: – het verschil tussen de bezoldiging die Alberto Spagnolli als tijdelijk functionaris van EFSA van de rang AD 9 ontvangt en de bezoldiging die hij als ambtenaar van de Commissie van de rang AD 12 zou ontvangen, voor de periode van een jaar; – het bedrag van de terugvordering die verzoekers in het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde wordt gevraagd, vermeerderd met het verschil tussen het bedrag van de pensioenen zoals vastgesteld in kennisgeving nr. 2 en het bedrag zoals vastgesteld in kennisgeving nr. 3, vanaf de datum van inwerkingtreding van kennisgeving nr. 3 en tot het moment waarop het gezin zich opnieuw in de vroegere woonplaats zal kunnen vestigen, welke termijn in redelijkheid kan worden vastgesteld op een jaar vanaf de afhandeling van de onderhavige zaak; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
44 In diezelfde zaak verzoekt de Commissie het Gerecht: – de vordering tot nietigverklaring ongegrond te verklaren; – de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; – Alberto Spagnolli te verwijzen in de kosten.
In rechte
Zaak T‑568/16
Ontvankelijkheid
45 Ter terechtzitting heeft de Commissie aangegeven afstand te doen van het eerste niet-ontvankelijkheidsmiddel, ontleend aan het feit dat het beroep, gelet op het feit dat Alberto Spagnolli namens en voor rekening van zijn minderjarige kinderen geen verplichte voorafgaande klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft ingediend tegen kennisgeving nr. 3, niet ontvankelijk is voor wat die kinderen betreft. In het proces-verbaal van de terechtzitting is akte genomen van die afstand.
46 In casu wordt dus niet meer betwist dat met betrekking tot de minderjarige kinderen van Alberto Spagnolli is voldaan aan de vereisten van artikel 90, lid 2, van het Statuut.
47 De Commissie handhaaft echter haar tweede niet-ontvankelijkheidsmiddel, ontleend aan het feit dat het beroep niet gericht is tegen een handeling die voor verzoekers bezwarend is in de zin van artikel 91 van het Statuut, maar tegen een handeling, namelijk kennisgeving nr. 3, die slechts een bevestiging vormt van een voorgaande handeling, namelijk kennisgeving nr. 1, waarbij hun pensioenrechten zijn vastgesteld.
48 In dit verband stelt de Commissie dat verzoekers ten onrechte kennisgeving nr. 3 hebben aangewezen als een voor hen bezwarende handeling in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut, daar die kennisgeving slechts een bevestiging vormt van kennisgeving nr. 1 en slechts de berekeningsmethode toepast die bij die laatste kennisgeving is vastgesteld, welke methode inhoudt dat het wezenpensioen wordt opgenomen in het bedrag van de inkomsten waarvoor de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens geldt.
49 Verzoekers betwisten het door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsmiddel en stellen dat het tegen kennisgeving nr. 3 gerichte beroep betrekking heeft op een handeling die voor hen, doordat hun pensioenrechten worden gewijzigd, bezwarend is in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut en dus niet alleen een bevestigende handeling is.
50 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de niet-ontvankelijkheid van een beroep dat gericht is tegen een louter bevestigend besluit, voortvloeit uit de tardiviteit van het beroep en niet uit de aard van de bestreden handeling (zie in die zin arrest van 18 december 2007, Weißenfels/Parlement, C‑135/06 P, EU:C:2007:812, punt 54), zodat de Commissie niet het bezwarend karakter van kennisgeving nr. 3 ter discussie kan stellen alleen op grond dat die kennisgeving slechts een bevestiging van kennisgeving nr. 1 vormt.
51 In elk geval is een beroep tot nietigverklaring van een handeling die slechts de bevestiging is van een eerder besluit dat niet binnen de termijnen is betwist, volgens vaste rechtspraak niet-ontvankelijk, met dien verstande dat die kwalificatie veronderstelt dat de handeling, vergeleken met dat besluit, geen enkel nieuw element bevat en niet is voorafgegaan door een nieuw onderzoek van de situatie van degene tot wie het is gericht (zie arresten van 29 september 1999, Neumann en Neumann-Schölles/Commissie, T‑68/97, EU:T:1999:238, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak; 28 juni 2006, Grünheid/Commissie, F‑101/05, EU:F:2006:58, punt 34en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 september 2011, A/Commissie, F‑12/09, EU:F:2011:136, punt 119en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Bovendien is geoordeeld dat een administratieve klacht en het daaropvolgende beroep beide moeten zijn gericht tegen een voor de verzoeker bezwarende handeling in de zin van artikel 90, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Statuut, waarbij de bezwarende handeling de handeling is die bindende rechtsgevolgen teweegbrengt die de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen raken, omdat zij zijn situatie rechtens kenmerkend wijzigen (zie arrest van 28 juni 2006, Grünheid/Commissie, F‑101/05, EU:F:2006:58, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Om te beoordelen of de Commissie terecht ervan uitgaat dat kennisgeving nr. 3 slechts een bevestiging van kennisgeving nr. 1 vormt, moet worden onderzocht of kennisgeving nr. 3 niet is vastgesteld op basis van nieuwe elementen en niet is voorafgegaan door een nieuw onderzoek van verzoekers’ situatie.
54 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de Commissie kennisgeving nr. 1 tweemaal opnieuw heeft onderzocht. De eerste keer was naar aanleiding van de stappen die Alberto Spagnolli heeft ondernomen tussen november 2011 en maart 2012. Dit nieuwe onderzoek heeft tot gevolg gehad dat de Commissie kennisgeving nr. 1 heeft gecorrigeerd, door op 17 april 2012 eerst kennisgeving nr. 2 vast te stellen en vervolgens kennisgeving nr. 1 bis. Een tweede nieuw onderzoek heeft volgens de Commissie zelf plaatsgevonden toen Alberto Spagnolli in een hogere salaristrap werd geplaatst, namelijk van de rang AD 9, salaristrap 2, in de rang AD 9, salaristrap 3. Bij dit nieuwe onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat kennisgeving nr. 2 een berekeningsfout bevatte en dus een onverschuldigde betaling. Om die reden heeft zij kennisgeving nr. 3 vastgesteld, die nieuwe berekeningen bevatte van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen met ingang van 1 juli 2012 en 1 oktober 2013.
55 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat zowel de ontdekking van een vergissing in kennisgeving nr. 2 als de wijziging van salaristrap van Alberto Spagnolli nieuwe feiten vormen die de reden zijn voor de nieuwe berekeningen van verzoekers’ pensioenrechten in kennisgeving nr. 3, dat wil zeggen een wijziging van verzoekers’ situatie rechtens.
56 Deze overwegingen kunnen niet ter discussie worden gesteld door het feit dat de kennisgevingen nrs. 1 en 3 dezelfde berekeningsmethode van de pensioenrechten toepassen, voor wat betreft het opnemen van de wezenpensioenen in het bedrag van de inkomsten waarvoor de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens geldt.
57 Hieruit volgt dat aangezien kennisgeving nr. 3 is vastgesteld na een nieuw onderzoek van verzoekers’ situatie rechtens en op basis van nieuwe feiten, zij in tegenstelling tot hetgeen de Commissie beweert niet kan worden aangemerkt als een handeling die kennisgeving nr. 1 slechts bevestigt. Integendeel, kennisgeving nr. 3 vormt een handeling die, aangezien zij in de plaats komt van eerdere handelingen, verzoekers’ situatie rechtens kenmerkend wijzigt, hun belangen rechtstreeks en onmiddellijk raakt en voor hen dus bezwarend is in de zin van artikel 90, lid 2, en artikel 91 van het Statuut.
58 Bijgevolg moet het tweede niet-ontvankelijkheidsmiddel van de Commissie, ontleend aan het feit dat kennisgeving nr. 3 geen voor beroep vatbare handeling is, worden afgewezen en moet de gegrondheid van het beroep worden beoordeeld.
Ten gronde
59 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige betekenis heeft, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend (arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, EU:T:2006:110, punt 43). Daar het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 in casu geen zelfstandige betekenis heeft, het bevestigt in wezen immers slechts de bestreden handeling, dat wil zeggen kennisgeving nr. 3, moet het beroep worden aangemerkt als gericht tegen laatstgenoemde handeling.
60 In het verzoekschrift voeren verzoekers drie middelen aan ontleend aan de onwettigheid van kennisgeving nr. 3. Het eerste is ontleend aan een verkeerde beoordeling van de bovengrens die in artikel 81 bis van het Statuut aan het wezenpensioen wordt gesteld. Het tweede is ontleend aan de ongerechtvaardigde uitsluiting van de gezinstoelagen van de berekening van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens van de pensioenen. Het derde is ontleend aan de ontoereikende en tegenstrijdige motivering van kennisgeving nr. 3.
61 In antwoord op een ter terechtzitting door het Gerecht gestelde vraag, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting, hebben verzoekers bevestigd dat zij, gelet op de antwoorden die de Commissie op 25 oktober 2017 heeft gegeven op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht op 3 oktober 2017 had vastgesteld, afzien van de argumenten die de materialiteit van de feiten beogen te betwisten, namelijk de in aanmerking genomen bedragen en de berekeningen van de Commissie in de verschillende kennisgevingen, met name in kennisgeving nr. 2. Zij zien echter niet af van de betwisting van de wettigheid van de berekeningsmethode van de pensioenrechten die de Commissie in die kennisgevingen heeft toegepast. Zij zien dus af van het tweede middel van het beroep in deze zaak.
62 Het derde middel moet het eerst worden onderzocht.
– Derde middel
63 Met het derde middel betogen verzoekers dat kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, gebrekkig is omdat de motivering ervan ontoereikend en tegenstrijdig is.
64 In dit verband stellen zij dat noch kennisgeving nr. 3 noch het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 hen in staat stelt om de gevolgde redenering en de berekeningen van de Commissie te begrijpen. De motivering van kennisgeving nr. 3 geeft weliswaar, evenals de eerdere besluiten, aan dat voor de vaststelling van de in artikel 81 bis, lid 1, onder a), van het Statuut bedoelde bovengrens rekening moet worden gehouden met een bedrag dat volgt uit de som van het nettosalaris van de overledene en dat van zijn overlevende echtgenoot op het moment van overlijden, daaronder begrepen de toelagen voor de drie ten laste komende kinderen waarop de overlevende echtgenoot recht heeft. Aangezien uit de berekeningen van kennisgeving nr. 3 echter volgt dat het nettosalaris van de overlevende echtgenoot geen rekening houdt met de gezinstoelage en de toelagen voor een kind ten laste, is de motivering van kennisgeving nr. 3 in strijd met het dictum ervan.
65 Voorts stellen verzoekers dat het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 geen nadere verduidelijking van de motivering van kennisgeving nr. 3 geeft. Het TABG verwijst immers naar de cumulatie van het inkomen van de overleden ambtenaar, indien zij in leven was gebleven, en van het „netto-inkomen van de weduwnaar”, zonder uitdrukkelijk te preciseren of het in dat geval gaat om het reële nettosalaris van de weduwnaar, dat wil zeggen het reëel ontvangen salaris na het overlijden van Simonazzi, dan wel om het fictieve salaris van de weduwnaar, dat wil zeggen zijn salaris berekend volgens de hypothese dat zijn echtgenote in leven was gebleven. Het „netto-inkomen van de weduwnaar” in de zin van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 kan niet overeenkomen met het reële salaris, dat niet in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens, noch met het fictieve salaris van Alberto Spagnolli, aangezien in het in kennisgeving nr. 3 aangegeven bedrag van het „netto-inkomen van de weduwnaar” niet de gezinstoelagen zijn opgenomen waarop hij recht zou hebben gehad indien zijn echtgenote in leven was gebleven. Verzoekers leiden hieruit af dat de door het TABG toegevoegde motivering in elk geval strijdig is met de inhoud van kennisgeving nr. 3.
66 Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat de cumulatie van salarissen die de Commissie toepast voor de vaststelling van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens wanneer het gaat om twee echtgenoten die beiden ambtenaar van de Unie zijn, zoals deze volgt uit de verschillende kennisgevingen van vaststelling van pensioenrechten, in het kader van de onderhavige zaak door verzoekers niet wordt betwist. Deze cumulatie van salarissen van de betrokken ambtenaren dient voor de vaststelling van de bovengrens die voor de inkomsten van het gezin van de overlevende ambtenaar geldt, teneinde de verrijking van dat gezin als gevolg van het overlijden te vermijden. De Commissie heeft de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens dus berekend door het salaris van de overleden echtgenote op te tellen bij het salaris van de overlevende echtgenoot. Deze methode volgt niet expliciet uit de bewoordingen van artikel 81 bis van het Statuut, dat voor de vaststelling van die niet te overschrijden bovengrens uitsluitend spreekt van het salaris van de overleden echtgenoot. Zoals blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 en door de Commissie zelf ter terechtzitting is bevestigd, heeft zij echter voor deze methode gekozen om de inkomsten van het gezin in termen van belasting verder te beschermen.
67 In casu betwisten verzoekers enerzijds het bedrag van het inkomen van Alberto Spagnolli, dat in de verschillende kennisgevingen van pensioenrechten voor de vaststelling van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens wordt toegevoegd aan het salaris van zijn overleden echtgenote. Meer bepaald zijn zij van mening dat de Commissie bij dat inkomen rekening houdt met een verkeerd bedrag van de toelagen voor een kind ten laste. Anderzijds komen verzoekers op tegen het feit dat de Commissie bij de berekeningen van de pensioenrechten artikel 81 bis van het Statuut toepast op de wezenpensioenen en deze pensioenen dus beperkt. De eerbiediging van de motiveringsplicht moet derhalve worden onderzocht in het licht van die betwistingen.
68 Dienaangaande herinnert het Gerecht eraan dat het in artikel 296 VWEU gestelde vereiste van motivering, dat ook is neergelegd in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, tot doel heeft, de Unierechter in staat te stellen de wettigheid van bezwarende besluiten te toetsen en de betrokkene voldoende aanwijzingen te geven om te kunnen uitmaken of deze besluiten rechtmatig zijn, dan wel een gebrek vertonen op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Hieruit volgt dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld en dat het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de redenen voor het besluit (zie arrest van 4 november 2008, Marcuccio/Commissie, F‑41/06, EU:F:2008:132, punt 61en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Ook is geoordeeld dat een eventueel motiveringsgebrek kan worden verholpen door een adequate motivering die in het stadium van het antwoord op de klacht wordt gegeven, waarbij deze laatste motivering wordt geacht samen te vallen met de motivering van het besluit waartegen de klacht is gericht (zie arrest van 4 november 2008, Marcuccio/Commissie, F‑41/06, EU:F:2008:132, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Uit de vaste rechtspraak blijkt tevens dat een ontoereikende – maar niet een geheel ontbrekende – motivering zelfs in de loop van het geding kan worden verholpen, wanneer de betrokkene vóór de instelling van zijn beroep reeds over elementen beschikte die een begin van een motivering vormden. Voorts kan een besluit als toereikend gemotiveerd worden aangemerkt wanneer het is genomen in een context die de betrokken ambtenaar bekend was en waardoor hij de strekking ervan kan begrijpen (zie arrest van 15 februari 2011, Marcuccio/Commissie, F‑81/09, EU:F:2011:13, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de argumenten waarmee wordt betoogd dat de motivering van kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, ontoereikend is, op grond dat uit die twee handelingen niet kan worden opgemaakt welke berekeningsmethode de Commissie heeft toegepast, betrekking hebben op de schending van wezenlijke vormvoorschriften, waarvan het onderzoek voorafgaat aan dat van de gegrondheid van de motivering.
72 Dienaangaande blijkt ten eerste uit kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, dat deze een nieuwe berekening bevat van verzoekers’ rechten op het overlevings- en het wezenpensioen, en wel omdat de voorafgaande kennisgeving, dat wil zeggen kennisgeving nr. 2, een berekeningsfout bevatte en omdat Alberto Spagnolli in oktober 2013 van de rang AD 9, salaristrap 2, in de rang AD 9, salaristrap 3, was geplaatst, daaronder begrepen voor wat betreft de index die op 1 juli 2012 en 1 oktober 2013 van toepassing was op zijn salaris.
73 Ten tweede blijkt uit lezing van alle kennisgevingen, en met name de kennisgevingen nrs. 2 en 3 met de uitleg die in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 is verstrekt, dat de fout in kennisgeving nr. 2 het gevolg is van het feit dat in het bedrag van het nettosalaris van Alberto Spagnolli dat is gebruikt om zijn „fictieve inkomen” (hierna: „bedrag A”) te bepalen, dat wil zeggen het inkomen berekend volgens de hypothese dat zijn echtgenote nog in leven was, rekening is gehouden met zes toelagen voor een kind ten laste, in plaats van drie.
74 Ten derde moet worden opgemerkt dat verzoekers zelf eraan herinneren dat de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode erin bestaat dat enerzijds rekening wordt gehouden met een „bedrag A”, overeenkomende met de „fictieve inkomsten” en bestaande in de som van de nettobezoldiging van de overledene indien zij in leven was gebleven en de nettobezoldiging van de overlevende echtgenoot op het moment van overlijden, daaronder begrepen de toelagen voor drie kinderen ten laste, en anderzijds een bedrag overeenkomende met de „reële inkomsten” die de echtgenoot zou ontvangen indien de beperking van artikel 81 bis van het Statuut niet was toegepast en bestaande in de som van de netto-inkomsten van de overlevende echtgenoot, het overlevingspensioen en de wezenpensioenen (hierna: „bedrag B”). Voorts kan zowel uit de berekeningen in kennisgeving nr. 3 als uit die in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 worden opgemaakt dat het verschil tussen de bedragen A en B leidt tot het bedrag dat evenredig in mindering moet worden gebracht op het overlevings- en het wezenpensioen.
75 Ten vierde wordt in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 eveneens uiteengezet dat de cumulatie van het nettosalaris van Alberto Spagnolli en dat van zijn overleden echtgenote te wijten is aan de noodzaak om rekening te houden met de toepassing van de belasting van de Unie op het inkomen, overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 260/68, en dat de berekeningsmethode die de Commissie heeft gekozen voor de berekening van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen, die is welke het inkomen van het gezin, in termen van belasting, beter beschermt.
76 Verzoekers kunnen derhalve niet stellen dat de motivering ontoereikend is geweest op grond dat het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, waar dit verwijst naar de cumulatie van het „nettosalaris van de weduwnaar” met dat van de overledene, hen niet in staat stelt om te begrijpen of het gaat om het reële inkomen, dat wil zeggen bedrag B, of om het fictieve inkomen van de weduwnaar, en dus bedrag A. Uit de in dat besluit gegeven uitleg blijkt immers duidelijk dat het om het fictieve inkomen gaat, aangezien wordt verwezen naar het inkomen dat, tezamen met het salaris dat de overledene zou hebben ontvangen, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de bovengrens die niet mag worden overschreden in de zin van artikel 81 bis van het Statuut, dat wil zeggen bedrag A.
77 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de motivering van kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, toereikend is, aangezien deze verzoekers in staat stelt om de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode, het door haar beoogde doel en de uitkomst van de beoordeling van hun pensioenrechten te begrijpen.
78 Verzoekers’ argumenten dat de motivering van kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, ontoereikend was, omdat deze hen niet in staat stelde de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode te begrijpen, moeten dus worden afgewezen. Overigens moet worden vastgesteld dat de betrokken motivering verzoekers in staat heeft gesteld bij het Gerecht op te komen tegen de gegrondheid van die methode.
79 In de tweede plaats moet, aangaande verzoekers’ argumenten dat er een tegenstrijdigheid zou zijn tussen de motivering en het dictum van kennisgeving nr. 3 als gevolg van het ontbreken van overeenstemming tussen de in kennisgeving nr. 3 toegepaste berekeningen en het dictum ervan, zoals aangevuld bij het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, eraan worden herinnerd dat verzoekers, zoals is gepreciseerd in punt 61 hierboven, niet langer de materialiteit van de feiten betwisten, namelijk de details van de berekeningen die de Commissie in de verschillende kennisgevingen, waaronder kennisgeving nr. 3, heeft gemaakt. Ter terechtzitting hebben zij gepreciseerd dat dit argument, dat is ontleend aan een tegenstrijdigheid van de motivering, aldus moest worden opgevat dat het beoogde te stellen dat er sprake was van een niet-nakoming van de motiveringsplicht als gevolg van het niet meedelen van de details van de in kennisgeving nr. 3 toegepaste berekeningen, waardoor zij niet de fout konden begrijpen die in de berekening van de pensioenrechten was gemaakt.
80 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de motivering van een besluit niet inhoudt dat alle details van de berekening in dat besluit expliciet worden aangegeven. Het volstaat dat de betrokkenen de redenen kunnen begrijpen die tot de vaststelling van het op hen betrekking hebbende besluit hebben geleid, het doel dat met het besluit wordt nagestreefd en de methode die daarin wordt toegepast om de bedragen van hun rechten vast te stellen. De vermelding van alle berekeningen van de bedragen in kennisgeving nr. 3 is immers, hoe nuttig en wenselijk zij ook is, niet onmisbaar om ervan uit te gaan dat aan de verplichting tot motivering is voldaan, waarbij dient te worden aangetekend dat de Commissie, door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen, zich niet kan onttrekken aan de correcte beoordeling van verzoekers’ pensioenrechten naargelang de omstandigheden van het geval (zie in die zin en naar analogie arrest van 2 oktober 2003, Salzgitter/Commissie, C‑182/99 P, EU:C:2003:526, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Het feit dat alleen door de overlegging van deze cijfergegevens bepaalde berekeningsfouten kunnen worden ontdekt, volstaat overigens niet om de motivering van een litigieus besluit als ontoereikend te beschouwen, aangezien de Unierechter bij de toetsing van een dergelijk besluit alle informatie kan opvragen die hij nodig acht voor een grondige controle van de toegepaste berekeningswijze (zie in die zin en naar analogie arrest van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 150).
82 Aangezien uit het onderzoek in de punten 72 tot en met 77 hierboven volgt dat kennisgeving nr. 3, zoals aangevuld bij de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015, verzoekers in staat heeft gesteld om de redenen die tot de vaststelling van het op hen betrekking hebbende besluit hebben geleid, het daarmee beoogde doel en de daarin toegepaste methode om de bedragen van hun rechten vast te stellen, te begrijpen, moeten de door hen aangevoerde argumenten dat er sprake zou zijn van niet-nakoming van de motiveringsplicht als gevolg van de niet-vermelding van de details van de berekeningen van hun pensioenrechten worden afgewezen.
83 Het derde middel moet derhalve worden afgewezen.
– Eerste middel
84 Met het eerste middel stellen verzoekers dat kennisgeving nr. 3 onwettig is en nietig moet worden verklaard, aangezien zij, door de wezenpensioenen op te nemen in het bedrag van het inkomen waarvoor de in artikel 81 bis van het Statuut gestelde grens geldt, heeft geleid tot een ongerechtvaardigde verlaging van het bedrag van het aan hen toegekende overlevings- en wezenpensioen.
85 In de eerste plaats stellen verzoekers dat de uitdrukkingen „overlevingspensioenen” in het meervoud en „de weduwe en andere rechthebbenden” die de wetgever in artikel 81 bis van het Statuut heeft gebruikt, niet betrekking hebben op het wezenpensioen, maar op situaties van co-existenties tussen de overlevende echtgenoot en de ex-echtgenoot of tussen de overlevende echtgenoot en de kinderen die uit een eerder huwelijk zijn geboren, situaties die worden bedoeld in de artikelen 27 en 28 van bijlage VIII bij het Statuut respectievelijk artikel 22, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut.
86 In de tweede plaats merken verzoekers op dat wanneer de wetgever verwijst naar het ene of het andere soort pensioen, dit duidelijk blijkt uit de bewoordingen van de bepalingen van het Statuut, zoals dit met name het geval is in artikel 80, leden 3 en 4, van het Statuut, artikel 21, leden 1 en 2, en artikel 24 van bijlage VIII bij het Statuut.
87 In de derde plaats wijzen zij op het feit dat het overlevingspensioen en het wezenpensioen een ander doel nastreven. Het overlevingspensioen is bedoeld om de overlevende echtgenoot een aanvulling op het inkomen van het gezin te garanderen, teneinde tegemoet te komen aan het verlies van de inkomsten van de overleden echtgenoot. Het wezenpensioen is daarentegen een afzonderlijke solidariteitsbijdrage, bedoeld om de zelfstandigheid te verzekeren van kinderen die wees zijn geworden. Het verschillende doel van de twee soorten pensioenen wordt bevestigd door het Statuut dat enerzijds bepaalt dat wezen, wanneer zij meerderjarig zijn geworden, kunnen vragen om hun pensioen over te maken op een andere rekening dan die van de ouder die recht heeft op het overlevingspensioen, en anderzijds dat het verlies van het overlevingspensioen niet leidt tot het verlies van het wezenpensioen, maar juist leidt tot de verdubbeling van het bedrag daarvan. Het verschillende doel van de twee soorten pensioenen rechtvaardigt een verschillende behandeling van de inkomsten uit het overlevingspensioen en die uit het wezenpensioen, zodat artikel 81 bis van het Statuut niet moet worden toegepast op het laatste pensioen.
88 De onwettige opneming van het wezenpensioen in het bedrag van de inkomsten waarvoor de grens van artikel 81 bis van het Statuut geldt, heeft geleid tot een verlaging van het bedrag van hun overlevings- en wezenpensioen voor de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2013 en de periode na 1 oktober 2013. De verlaging van die bedragen volgde immers uit de overschrijding van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens met een bedrag van 1629,27 EUR voor de eerste periode en van 1576,92 EUR voor de tweede periode. Voor de toepassing van de verlagingen van de bedragen van de aan verzoekers betaalde pensioenen is doorslaggevend geweest dat bij de bepaling van de inkomsten waarvoor die bovengrens gold, het bedrag van het wezenpensioen van 2088,90 EUR in aanmerking is genomen.
89 Ten slotte betogen verzoekers dat aangezien de kennisgevingen die zijn voorafgegaan aan kennisgeving nr. 3, dezelfde fout als kennisgeving nr. 3 bevatten, namelijk de onjuiste toepassing van artikel 81 bis van het Statuut op de wezenpensioenen, de Commissie de gevolgen zal moeten trekken uit het arrest van het Gerecht waarbij kennisgeving nr. 3 nietig wordt verklaard en dus op grond van artikel 41 van bijlage VIII bij het Statuut verzoekers’ overlevings- en wezenpensioen met terugwerkende kracht opnieuw zal moeten berekenen.
90 De Commissie weerlegt verzoekers’ argumenten en stelt dat artikel 81 bis van het Statuut zowel betrekking heeft op het overlevingspensioen als op het wezenpensioen.
91 Derhalve moet de vraag worden beantwoord of artikel 81 bis van het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat het eveneens betrekking heeft op het wezenpensioen.
92 Ten eerste moet eraan worden herinnerd dat, zoals in punt 7 hierboven is aangegeven, artikel 81 bis, lid 1, onder a), van het Statuut luidt als volgt: „1. Ongeacht alle andere bepalingen en met name die betreffende de minimumbedragen voor de rechthebbenden op een overlevingspensioen, mag het totale bedrag van de overlevingspensioenen, vermeerderd met de gezinstoelagen en verminderd met de belasting en de andere verplichte inhoudingen, waarop de weduwe en de andere rechthebbenden aanspraak kunnen maken, niet meer bedragen: a) in geval van overlijden van een ambtenaar die zich in een der in artikel 35 genoemde standen bevond, het bedrag van het basissalaris waarop de betrokkene in dezelfde rang en salaristrap recht zou hebben gehad wanneer hij in leven was gebleven, vermeerderd met de gezinstoelagen die hem in dat geval zouden zijn uitgekeerd en na aftrek van de belasting en de andere verplichte inhoudingen; [...]”
93 Wat ten tweede het ter terechtzitting opnieuw ter sprake gebrachte argument van de Commissie betreft dat uit een arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken blijkt dat het wezenpensioen krachtens artikel 81 bis, lid 1, onder c), van het Statuut is opgenomen in het globale bedrag van de nettopensioenen die aan de rechthebbenden van de overleden ambtenaar worden uitgekeerd, dat wil zeggen het bedrag waarvoor de in dat artikel bedoelde bovengrens kan gelden (arrest van 5 februari 2016, Bulté en Krempa/Commissie, F‑96/14, EU:F:2016:10, punt 53), moet worden opgemerkt dat in die zaak de wettigheid van de toepassing van artikel 81 bis van het Statuut op de wezenpensioenen door de betrokken partijen niet werd betwist, zodat dat Gerecht daarover niet definitief heeft kunnen beslissen.
94 Allereerst moet worden opgemerkt dat de wezenpensioenen zijn opgenomen in artikel 80 van het Statuut, dat deel uitmaakt van titel V, hoofdstuk 3, van het Statuut, genaamd „Pensioenen en invaliditeitsuitkering”. Zoals eveneens uit de rechtspraak volgt, vormen die pensioenen echte pensioenen die als zodanig zijn onderworpen aan de in het Statuut bedoelde pensioenregeling (zie in die zin en naar analogie arrest van 23 maart 1994, Huet/Rekenkamer, T‑8/93, EU:T:1994:35, punt 30).
95 Ook moet worden opgemerkt dat de berekeningswijzen van de wezenpensioenen zijn vastgelegd in hoofdstuk 4, artikel 21, van bijlage VIII bij het Statuut, en wel op grond van de verwijzing in artikel 84 van het Statuut, en dat dit hoofdstuk „Overlevingspensioen” heet. Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de uitdrukking „overlevingspensioen” door de wetgever niet alleen wordt gebruikt om het pensioen van de overlevende echtgenoot van de overleden ambtenaar te bepalen, namelijk het overlevingspensioen stricto sensu, maar ook voor bepalingen betreffende de wezenpensioenen. Ook al is het juist dat, zoals verzoekers betogen, bepaalde voorschriften expliciet verwijzen naar de wezenpensioenen, dit neemt dus niet weg dat voor zover andere bepalingen dit niet expliciet doen, zij toch daarop kunnen worden toegepast, aangezien wezenpensioenen echte pensioenen zijn en uit dien hoofde zijn onderworpen aan de bepalingen van het Statuut die algemeen gelden voor pensioenen.
96 Aangezien artikel 81 bis van het Statuut een van de laatste bepalingen is van titel V, hoofdstuk 3, van het Statuut en is opgenomen onder de bepalingen die van toepassing zijn op de pensioenen, waarvan de in artikel 80 voorziene pensioenen deel uitmaken, kan artikel 81 bis van het Statuut niet aldus worden uitgelegd dat het wezenpensioenen uitsluit. Het gebruik, in die bepaling, van de uitdrukking „overlevingspensioenen” in het meervoud moet immers, zoals de Commissie terecht betoogt, worden opgevat als verwijzende naar alle soorten „pensioenen” waarvan de aanleiding het overlijden van een ambtenaar is, zoals niet alleen het geval is voor het overlevingspensioen, maar ook voor het wezenpensioen. Zoals de Commissie voorts terecht opmerkt, houden het overlevingspensioen en het wezenpensioen op grond van artikel 80, eerste tot en met derde alinea, van het Statuut en artikel 21 van bijlage VIII bij het Statuut verband met elkaar, aangezien het bedrag van het tweede pensioen afhankelijk is van het bedrag van het eerste.
97 De toepassing van artikel 81 bis van het Statuut op wezenpensioenen kan niet ter discussie worden gesteld door verzoekers’ argumenten dat de in artikel 81 bis van het Statuut gebruikte uitdrukkingen „overlevingspensioenen” en „rechthebbenden” betrekking hebben op situaties van co-existentie tussen de overlevende echtgenoot en een of meer ex-echtgenoten of tussen meerdere gescheiden echtgenoten enerzijds, welke situaties worden beheerst door de artikelen 27 en 28 van bijlage VIII bij het Statuut, en tussen de overlevende echtgenoot en de wezen uit een eerder huwelijk van de overleden echtgenoot anderzijds, welke situaties worden bedoeld in artikel 22, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut.
98 Artikel 28 van bijlage VIII bij het Statuut, de in casu relevante bepaling, bepaalt immers dat in situaties van co-existentie tussen de overlevende echtgenoot en een of meerdere ex-echtgenoten of tussen meerdere ex-echtgenoten, hetzelfde overlevingspensioen evenredig wordt verdeeld tussen verschillende rechthebbenden. Daar het om een en hetzelfde pensioen gaat, kan de in artikel 81 bis, lid 1, van het Statuut opgenomen uitdrukking „overlevingspensioenen” in het meervoud dus geen betrekking hebben op bovengenoemde situaties.
99 Indien artikel 81 bis, lid 1, van het Statuut door het gebruik van de uitdrukking „pensioenen” en „rechthebbenden” zag op situaties van co-existentie tussen de overlevende echtgenoot en de wezen uit een eerder huwelijk van de overleden ambtenaar, met uitsluiting van de kinderen uit het huwelijk van de overleden ambtenaar en de overlevende echtgenoot, zou dit, zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van verschillende kinderen van de overleden ambtenaar opleveren. Terwijl de wezenpensioenen van de kinderen uit het huwelijk van de overleden ambtenaar met de overlevende echtgenoot niet zouden worden beperkt, aangezien artikel 81 bis, lid 1, van het Statuut niet voor die pensioenen zou gelden, zouden de wezenpensioenen van kinderen uit een eerder huwelijk op grond van die laatste bepaling wel worden beperkt. Een dergelijk verschil in behandeling, dat ongerechtvaardigd is en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, kan niet worden toegestaan.
100 Ten slotte moet met betrekking tot verzoekers’ argument dat het overlevingspensioen en het wezenpensioen deels andere doelstellingen nastreven, worden opgemerkt dat dit, zelfs al zou dit het geval zijn, gelet op het voorgaande niet volstaat om ervan uit te gaan dat artikel 81 bis, lid 1, onder a), van het Statuut niet van toepassing is op wezenpensioenen.
101 Verzoekers’ argumenten dat het deels andere doel van het overlevings- en het wezenpensioen wordt bevestigd door het feit dat wezen, wanneer zij meerderjarig zijn geworden, kunnen vragen om hun pensioen over te maken op een andere rekening dan die van de ouder die recht heeft op het overlevingspensioen, en voorts het verlies van het overlevingspensioen niet leidt tot het verlies van het wezenpensioen, maar juist tot de verdubbeling van het bedrag ervan, kunnen niet afdoen aan de toepassing van artikel 81 bis van het Statuut op het wezenpensioen. Die twee soorten pensioenen maken gezamenlijk immers deel uit van het inkomen dat het gezin Spagnolli ontvangt wegens het overlijden van een van de echtgenoten en waarvan het globale bedrag, volgens de door de Commissie toegepaste berekeningswijze, in aanmerking wordt genomen ter eerbiediging van het beginsel dat de verrijking van het gezin wegens het overlijden moet worden voorkomen.
102 Bovendien moet worden opgemerkt dat in de rechtspraak is erkend dat het in artikel 80, vierde alinea, van het Statuut bedoelde wezenpensioen, dat wil zeggen het pensioen dat wordt uitgekeerd aan personen die worden gelijkgesteld met kinderen ten laste, tot doel heeft de meerkosten te compenseren die de ambtenaar voor het onderhoud van het kind draagt (arrest van 30 januari 2003, C/Commissie, T‑307/00, EU:T:2003:21, punt 53), en dat ervan moet worden uitgegaan dat dit ook geldt voor de wezenpensioen die met name worden bedoeld in artikel 80, derde alinea, van het Statuut, dat in casu ter discussie staat voor het pensioen dat aan de kinderen van Alberto Spagnolli moet worden verleend.
103 Het doel van het wezenpensioen, dat wil zeggen de meerkosten te compenseren die de overlevende echtgenoot voor het onderhoud van kinderen ten laste heeft, draagt bij tot het streven om, zoals verzoekers stellen, een economische zelfstandigheid van die kinderen tot stand te brengen. Aangezien het wezenpensioen de mogelijkheid biedt om de met het onderhoud van kinderen verband houdende meerkosten te compenseren, maakt het deel uit van de inkomsten van het gezin en ontsnapt het niet aan de regel die de verrijking wegens het overlijden van de ouder-ambtenaar verbiedt, waarvan de eerbiediging wordt verzekerd door de toepassing van de in artikel 81 bis van het Statuut genoemde bovengrens.
104 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat artikel 81 bis van het Statuut zowel betrekking heeft op het overlevings- als op het wezenpensioen. De door de Commissie toegepaste berekeningsmethode van de pensioenrechten, die de wezenpensioenen opneemt in het reële inkomen waarvoor de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens geldt, is dus in overeenstemming met die bepaling.
105 Het eerste middel dient derhalve te worden afgewezen.
106 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zaak T‑568/16 in zijn geheel worden verworpen.
Zaak T‑599/16
107 In zaak T‑599/16 betwisten verzoekers het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde, dat de Commissie heeft vastgesteld om de bedragen van het overlevings- en het wezenpensioen terug te vorderen die verzoekers ten onrechte waren betaald, omdat er haars inziens een fout was gemaakt in kennisgeving nr. 2 die is gecorrigeerd in de nieuwe berekeningen van hun pensioenrechten in kennisgeving nr. 3.
108 Evenals in zaak T‑568/16 (zie punt 61 hierboven) en waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting, hebben verzoekers in deze zaak ter terechtzitting afstand gedaan van de argumenten waarmee zij de materialiteit van de feiten betwisten, namelijk de bedragen en de berekeningen van de Commissie in de verschillende kennisgevingen en met name in kennisgeving nr. 2, zonder echter afstand te doen van de betwisting van de wettigheid van de berekeningsmethode van de pensioenrechten die de Commissie in die kennisgevingen heeft toegepast.
109 Voorts hebben verzoekers ter terechtzitting afstand gedaan van de betwisting van de mogelijkheid, voor de Commissie, om gebruik te maken van een bij het verweerschrift gevoegd document bestaande in een printscreen van de uitkomst van de berekening van het nettosalaris van een ambtenaar van de rang AD 9, salaristrap 2, middels een tool genaamd „calculette” (rekenmachine).
110 In het verzoekschrift voeren verzoekers in wezen drie middelen aan.
111 Het eerste en het tweede middel zijn ontleend aan schending van artikel 85 van het Statuut. In dat verband betogen verzoekers dat in casu niet wordt voldaan aan de in artikel 85 van het Statuut opgenomen voorwaarden, namelijk het bestaan van een onverschuldigde betaling en de kennis of de duidelijkheid van de onregelmatige betaling, die het gevolg is van een fout in kennisgeving nr. 2.
112 Het derde middel is ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht. In dit verband vragen verzoekers eveneens om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij daardoor geleden zouden hebben.
113 De Commissie stelt dat de schadevordering wegens het ontbreken van elke grondslag niet-ontvankelijk is. Voorts betwist zij de andere middelen en argumenten die verzoekers ter onderbouwing van hun vordering tot nietigverklaring hebben aangevoerd, en stelt zij dat deze wegens ongegrondheid moeten worden afgewezen.
Vordering tot nietigverklaring
– Eerste middel
114 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, evenals in zaak T‑568/16 (zie punt 59 hierboven), het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016 in casu geen zelfstandige betekenis heeft, aangezien het in wezen slechts het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bevestigt. Het beroep moet derhalve worden aangemerkt als gericht tegen laatstgenoemd besluit (zie in die zin arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, EU:T:2006:110, punt 43).
115 Met hun eerste middel beroepen verzoekers zich op schending van artikel 85 van het Statuut, omdat er in casu geen sprake is van een onverschuldigde uitkering. Dit middel bestaat uit drie onderdelen: ten eerste stellen zij dat het ontbreken van de onverschuldigde uitkering volgt uit het ontbreken van een fout in het bedrag van de toelagen voor een kind ten laste in kennisgeving nr. 2; ten tweede volgt het ontbreken van de onverschuldigde betaling uit de onwettigheid van kennisgeving nr. 3 omdat daarin de wezenpensioenen zijn opgenomen in de berekening van het bedrag waarvoor de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens geldt; ten derde volgt het ontbreken van de onverschuldigde betaling uit de omstandigheid dat in diezelfde kennisgeving de gezinstoelagen ten onrechte niet zijn opgenomen in het bedrag van de fictieve inkomsten (bedrag A) van Alberto Spagnolli.
116 De Commissie stelt dat de drie onderdelen van het eerste middel ongegrond zijn en moeten worden afgewezen. In dupliek voegt zij hieraan toe dat het tweede onderdeel niet-ontvankelijk is, aangezien het te laat is aangevoerd.
117 Aangezien verzoekers met het eerste onderdeel van het eerste middel de in zaak T‑568/16 uiteengezette argumenten overnemen waarmee zij opkwamen tegen het feit dat in het fictieve inkomen (bedrag A) van Alberto Spagnolli twee keer rekening was gehouden met het bedrag van de gezinstoelagen, en aangezien zij, zoals in punt 108 hierboven in herinnering is gebracht, ter terechtzitting hebben afgezien van de betwisting van de materialiteit van de feiten, namelijk de berekeningen van de Commissie in de verschillende kennisgevingen, moet ervan worden uitgegaan dat zij eveneens afstand hebben gedaan van dit onderdeel van het eerste middel.
118 In elk geval moet worden gepreciseerd dat dankzij de antwoorden die de Commissie op 25 oktober 2017 op de maatregelen ter organisatie van de procesgang heeft gegeven, is vastgesteld dat het bedrag van het fictieve inkomen (bedrag A) van Alberto Spagnolli, zijnde 8937,32 EUR, dat voorkwam in kennisgeving nr. 2, zoals de Commissie betoogt, rekening hield met zes toelagen voor een kind ten laste in plaats van drie. Verzoekers’ argumenten dat in het bedrag van 8937,32 EUR rekening was gehouden met enkelvoudige toelagen voor een kind ten laste waren dus hoe dan ook ongegrond.
119 Aangaande het tweede onderdeel van het eerste middel moet worden vastgesteld dat verzoekers hun in zaak T‑568/16 uiteengezette argumenten herhalen betreffende de tekstuele, systematische en teleologische uitlegging van artikel 81 bis van het Statuut, leidende tot de vaststelling dat de berekeningsmethode van de Commissie, bestaande in de toepassing van die bepaling op de wezenpensioenen in kennisgeving nr. 3, die kennisgeving onwettig maakt, zodat die niet het bestaan van een onverschuldigde uitkering kan aantonen.
120 Die argumenten zijn in het kader van zaak T‑568/16 echter reeds ongegrond verklaard (zie de punten 92‑104 hierboven). Zij kunnen dus niet bij wijze van incident slagen, zoals verzoekers in het kader van deze zaak vragen. Het tweede onderdeel moet derhalve ongegrond worden verklaard, zonder dat een uitspraak behoeft te worden gedaan over het niet-ontvankelijkheidsmiddel dat de Commissie in verband daarmee heeft aangevoerd (zie punt 116 hierboven).
121 Met het derde onderdeel van het eerste middel stellen verzoekers dat er wegens de berekeningsfouten in kennisgeving nr. 3 geen sprake is van een onverschuldigde betaling en zij nemen daartoe de argumenten over die zij reeds hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun tweede middel in zaak T‑568/16.
122 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verzoekers na de antwoorden van de Commissie op de maatregelen tot organisatie van de procesgang op 25 oktober 2017 hebben afgezien van de betwisting van de materialiteit van de feiten, namelijk de details van de berekeningen van de Commissie in de verschillende kennisgevingen. Zij hebben immers met name afgezien van hun tweede middel in zaak T‑568/16, waarmee zij dezelfde argumenten aanvoerden als die welke zij in het kader van het derde onderdeel van het eerste middel in deze zaak hebben uiteengezet, namelijk argumenten waarmee zij stellen dat de berekening in kennisgeving nr. 3 fouten bevatte door het opnemen van de toelagen voor een kind ten laste (zie punt 115 hierboven). Er moet dus van worden uitgegaan dat verzoekers tevens hebben afgezien van de argumenten die in de punten 115 en 121 hierboven in herinnering zijn gebracht.
123 In elk geval moet eraan worden herinnerd dat kennisgeving nr. 3 noch een fout bevat betreffende de toepassing van artikel 81 bis van het Statuut (zie punt 104 hierboven) noch een berekeningsfout voor wat de verwerking van de toelagen voor een kind ten laste betreft. Artikel 81 bis van het Statuut moet immers aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op wezenpensioenen. Voorts bevatten de berekeningen in kennisgeving nr. 3, waar deze drie toelagen voor een kind ten laste opnemen in het fictieve inkomen (bedrag A) van Alberto Spagnolli, en zoals volgt uit de antwoorden die de Commissie op 25 oktober 2017 op de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft gegeven, niet de door verzoekers aangevoerde fouten. Verzoekers’ argumenten dat er als gevolg van berekeningsfouten in kennisgeving nr. 3 geen sprake was van een onverschuldigde betaling, zijn dus in elk geval ongegrond.
124 In repliek voegen verzoekers hier ten eerste aan toe dat zelfs al wordt de in punt 109 hierboven genoemde methode van de „calculette” gebruikt, er geen sprake is van een onverschuldigde betaling. De verwerking van het fictieve inkomen, namelijk bedrag A, en van het reële inkomen, namelijk bedrag B, van Alberto Spagnolli is niet in overeenstemming met artikel 81 bis van het Statuut en kan, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie stelt, niet beantwoorden aan de noodzaak van een cumulatieve belasting van de inkomsten. De Commissie kon de Uniebelasting weliswaar berekenen door het salaris van Alberto Spagnolli en het bedrag van het overlevingspensioen bij elkaar op te tellen, doch zij mocht bij de toepassing van artikel 81 bis van het Statuut geen rekening houden met die cumulatie. De cumulatie van de inkomsten van de twee echtgenoten is doorslaggevend, aangezien deze tot gevolg heeft dat bij de berekening van het reële inkomen (bedrag B) rekening wordt gehouden met het bedrag vermeerderd met de toelagen voor een kind ten laste die Alberto Spagnolli ontvangt, ofschoon hij deze vóór het overlijden van zijn echtgenote reeds ontving krachtens artikel 67 van het Statuut. Die cumulatie is dus onjuist.
125 Ten tweede stellen verzoekers dat de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens moet worden opgevat als een vergelijking tussen enerzijds de in die bepaling genoemde solidariteitsbijdragen, welke uitsluitend op grond van dat artikel worden verleend, en anderzijds de inkomsten van de overleden ambtenaar, welke fictief worden bepaald alsof hij nog in leven was. Huns inziens moet de toe te passen methode dus verschillen naargelang de overlevende echtgenoot al dan niet zelf ambtenaar is die reeds vóór het overlijden de gezinstoelage en de enkelvoudige toelagen voor een kind ten laste ontving. Is de overlevende echtgenoot zelf ambtenaar, dan bestaan de inkomsten die hem worden verleend wegens het overlijden van zijn echtgenoot-ambtenaar in de som van de bedragen van het overlevingspensioen en de enkelvoudige toelagen voor een kind ten laste en verzoekers leiden hieruit af dat het reële inkomen (bedrag B) in casu slechts die twee bedragen moet omvatten.
126 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de in de punten 124 en 125 hierboven genoemde argumenten nieuwe middelen betreffende de onwettigheid van kennisgeving nr. 3 beogen aan te voeren. Zoals in punt 124 hierboven in herinnering is gebracht, zijn die middelen van onwettigheid voor het eerst aangevoerd in de repliek in zaak T‑599/16, die met name strekt tot nietigverklaring van het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Zoals in punt 66 hierboven is uiteengezet, komen die middelen niet voor in het beroep in zaak T‑568/16, dat strekt tot nietigverklaring van kennisgeving nr. 3, noch in het in zaak T‑599/16 neergelegde verzoekschrift.
127 In het kader van zaak T‑599/16 kunnen verzoekers middels een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU, en ervan uitgaande dat zij dit hebben willen doen, echter niet de wettigheid van kennisgeving nr. 3 betwisten. Indien zij van mening waren dat hiertoe reden was, hadden zij de betrokken nieuwe middelen moeten aanvoeren in het kader van zaak T‑568/16, betreffende die kennisgeving. De vraag of die middelen, gelet op de bepalingen van artikel 84 van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht, voldoen aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid, is overigens slechts in dat kader relevant.
128 In elk geval moet worden opgemerkt dat aangezien verzoekers tijdens de terechtzitting hebben gesteld niet af te zien van de betrokken argumenten en hebben gepreciseerd dat hun tardiviteit werd gerechtvaardigd door het feit dat zij te laat de informatie hebben ontvangen over de berekeningen die de Commissie heeft toegepast voor de bepaling van hun pensioenrechten, en dat zij dus te laat de door haar toegepaste berekeningswijze hebben begrepen, geen enkel nieuw element feitelijk en rechtens betreffende kennisgeving nr. 3, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers tijdens de terechtzitting hebben betoogd, de mogelijkheid rechtvaardigt om de termijn voor een beroep tot nietigverklaring van die kennisgeving opnieuw te doen ingaan.
129 Ten eerste blijkt uit het beroep in zaak T‑568/16 dat verzoekers hebben begrepen dat de Commissie het door de overlevende echtgenoot en de overleden echtgenoot ontvangen salaris bij elkaar had opgeteld (zie punt 74 hierboven). In het kader van het beroep in zaak T‑568/16 zetten verzoekers immers zelf uiteen dat de Commissie enerzijds rekening hield met het fictieve inkomen (bedrag A), bestaande uit de som van het nettosalaris van de overledene indien zij in leven was gebleven en het nettosalaris van de overlevende echtgenoot op het moment van overlijden, daaronder begrepen de toelagen voor de drie kinderen ten laste, en anderzijds met het bedrag overeenkomende met het reële inkomen (bedrag B) dat de echtgenoot zou ontvangen indien de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens niet was toegepast en dat bestaat uit de som van het nettosalaris van de overlevende echtgenoot, het overlevingspensioen en de wezenpensioenen.
130 Ten tweede werd in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 aangegeven dat aangezien de ratio legis van artikel 81 bis van het Statuut inhield dat de verrijking van het gezin wegens het overlijden van een ambtenaar moet worden voorkomen, de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode bestond in het berekenen van het verschil tussen het reële inkomen (bedrag B) en het fictieve inkomen (bedrag A), teneinde dit verschil naar evenredigheid in mindering te brengen op het overlevings- en het wezenpensioen.
131 Ten derde is het inderdaad juist dat de samenstelling van de twee bedragen overeenkomende met de „nettosalarissen” van Alberto Spagnolli die deel uitmaken van de fictieve inkomsten (bedrag A), zoals aangegeven in kennisgeving nr. 3, namelijk enerzijds het bedrag van 7722,61 EUR en anderzijds dat van 8084,74 EUR, niet werd genoemd in kennisgeving nr. 3 noch in het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016 noch in het verweerschrift van de Commissie. Een dergelijk verzuim, zowel in kennisgeving nr. 3 als in de andere kennisgevingen, verhinderde echter niet dat verzoekers de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode, bestaande in het bij elkaar optellen van het salaris van de overlevende echtgenoot en dat van de overleden echtgenoot, begrepen en daar dus tijdig tegen opkwamen, namelijk in het kader van het beroep tot nietigverklaring van kennisgeving nr. 3 in zaak T‑568/16. Noch de vaststelling van het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde noch de mededeling van de details van de berekeningen van de fictieve salarissen in de verschillende kennisgevingen kunnen dus nieuwe feiten vormen op grond waarvan verzoekers, die niet tijdig gebruik hebben gemaakt van de beroepsmogelijkheden waarover zij ten aanzien van de voor hen bezwarende handeling beschikten, nieuwe middelen tot nietigverklaring van kennisgeving nr. 3 kunnen aanvoeren en de beroepstermijn tegen die kennisgeving kunnen omzeilen.
132 Hieruit volgt dat de in de punten 124 en 125 hierboven genoemde argumenten, die voor het eerst in de repliek in zaak T‑599/16 zijn aangevoerd, in strijd met artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering in elk geval te laat zijn aangevoerd, en dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (zie naar analogie arresten van 6 juli 2000, AICS/Parlement, T‑139/99, EU:T:2000:182, punten 59 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T‑340/04, EU:T:2007:81, punt 164en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Gelet op het voorgaande, kan het eerste middel niet slagen.
– Tweede middel
134 Met hun tweede middel stellen verzoekers dat de duidelijkheid van de onregelmatigheid van de uitkeringen die zij uit hoofde van het overlevings- en het wezenpensioen ontvingen, als in artikel 85 van het Statuut bedoelde grondslag voor een besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde, in casu ontbreekt.
135 In dit verband stellen zij ten eerste dat de in het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016 genoemde arresten in casu irrelevant zijn. In die arresten ging het om andere situaties dan die van verzoekers, namelijk die van een ambtenaar, ontvanger van de onverschuldigde betalingen, die bij de betrokken administratie onjuiste verklaringen had afgelegd, of van een ambtenaar die, terwijl hij ziet dat hij een onverschuldigde betaling ontvangt, deze vergissing niet meldt noch zijn twijfel over het bestaan van deze vergissing aan de administratie uit, zodat zij de nodige verificaties kan verrichten. In tegenstelling tot de situaties bedoeld in de arresten genoemd in het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016, is in casu verschillende keren contact opgenomen met de administratie met eerbiediging van de van de ambtenaar verlangde zorgvuldigheidsplicht. Die contacten beoogden met name aan de orde te stellen dat het overlevings- en het wezenpensioen te laag waren geschat. Juist om die reden heeft de administratie kennisgeving nr. 2 vastgesteld en de pensioenrechten verhoogd.
136 Ten tweede is het onredelijk van de Commissie om te verlangen dat verzoekers, nadat zij de wijziging hadden bewerkstelligd van de bovengrens van de pensioenrechten waarop zij recht meenden te hebben, de administratie blijven benaderen om na te gaan of zij zich niet heeft vergist bij de berekening van het bedrag van hun pensioenrechten. Ofschoon kennisgeving nr. 2 een vergissing ten gunste van verzoekers bevat, kan de Commissie niet stellen dat Alberto Spagnolli niet aan zijn zorgvuldigheidsplicht heeft voldaan door de ontvangen bedragen met de administratie te bespreken noch dat hij op de een of andere wijze had moeten begrijpen dat er een vergissing in zijn voordeel was gemaakt.
137 Ten derde houdt verzoekers’ situatie verband met de beantwoording van complexe juridische vragen, zoals de vraag of de toelagen voor een kind ten laste al dan niet moeten worden meegenomen bij de berekening van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens. Door die complexiteit kan niet worden gesteld dat de eventuele vergissing van de administratie „zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen”.
138 Ten vierde kan de administratie niet stellen dat uit lezing van kennisgeving nr. 2 twijfel had moeten blijken over het bestaan van een vergissing die heeft geleid tot de ontvangst van een onverschuldigde betaling, aangezien in de rechter kolom van het centrale deel van die bijlage, genaamd „nieuw netto van de heer B. Spagnolli”, rekening was gehouden met zes toelagen voor een kind ten laste. Die kolom verwees immers naar de berekening van het reële inkomen (bedrag B) waarin terecht rekening was gehouden met zes toelagen voor een kind ten laste.
139 Ten vijfde volgt uit de klacht die tegen kennisgeving nr. 3 is ingediend, duidelijk dat er geen kennis bestond van de in kennisgeving nr. 2 gemaakte vergissing. Uit die klacht blijkt immers dat verzoekers ervan waren uitgegaan dat de in kennisgeving nr. 2 voorziene verhoging verband hield met de verlaging van het salaris van Alberto Spagnolli als gevolg van zijn detachering en met de correctie van de berekeningsfout die eerder in kennisgeving nr. 1 in zijn nadeel was gemaakt. Die verhoging was door verzoekers niet in verband gebracht met een vermeende vergissing van de administratie ten voordele van Alberto Spagnolli bij de berekening van de toelagen voor een kind ten laste in zijn fictieve inkomen (bedrag A).
140 Ten zesde bestond er, aangezien Alberto Spagnolli op het moment van overlijden van zijn echtgenote ambtenaar in de rang AD 12 was, terwijl hij op het moment van vaststelling van kennisgeving nr. 2 ambtenaar van de rang AD 9 was, wegens de bewoordingen die de administratie zowel in kennisgeving nr. 2 als in kennisgeving nr. 3 heeft gebruikt, namelijk „nettosalaris van de heer Spagnolli op het moment van overlijden”, geen enkele reden om het vreemd te vinden dat het nettosalaris op het moment van overlijden hoger was dan het actuele salaris.
141 De Commissie stelt in de eerste plaats dat aangezien Alberto Spagnolli betrokken is geweest bij de definitie van een andere berekening van de bovengrens van het overlevings- en het wezenpensioen, die heeft geleid tot een hoger nettobedrag van die pensioenen in kennisgeving nr. 2, hij wist dat de andere berekening van de toelagen voor een kind ten laste in de definitie van het fictieve inkomen (bedrag A) de oorzaak was voor de wijziging van het bedrag van die pensioenen in die kennisgeving. Met andere woorden, aangezien het verschil tussen de onjuiste bedragen in kennisgeving nr. 2 en de juiste bedragen in kennisgeving nr. 3 uitsluitend het gevolg was van het opnemen van die toelagen voor een kind ten laste in het fictieve inkomen – waarin die toelagen ten onrechte twee keer zijn meegenomen – en de medewerking van Alberto Spagnolli aan de rectificatie door de Commissie in kennisgeving nr. 2 beslissend is geweest, is in casu voldaan aan de voorwaarde dat er kennis bestond van de onregelmatigheid van de betaling van verzoekers’ pensioenen.
142 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de vergissing in kennisgeving nr. 2 in elk geval zó voor de hand lag dat Alberto Spagnolli daarvan kennis moest hebben. Uit lezing van het bedrag van het fictieve inkomen en dat van het reële inkomen blijkt immers al dat het tweede bedrag, ofschoon daarin rekening was gehouden met dubbele toelagen voor een kind ten laste, lager was dan het eerste. Een zorgvuldig ambtenaar had hierdoor gewaarschuwd moeten zijn en had contact moeten opnemen met de administratie om die vergissing te melden. Voorts zou lezing van artikel 66 van het Statuut al hebben aangetoond dat het basissalaris van de overlevende echtgenoot van de rang AD 9 nauwelijks overeenkwam met het in kennisgeving nr. 2 genoemde bedrag, hetgeen overigens ook wordt bevestigd door de geprinte versie van de berekening middels de in punt 109 hierboven genoemde „calculette”, waarvan een kopie is opgenomen in het verweerschrift.
143 Ook kon van Alberto Spagnolli, gelet op de hoge rang die hij als ambtenaar vóór zijn overplaatsing naar Parma had bereikt, namelijk de rang AD 12, de nodige oplettendheid worden verlangd.
144 Aangezien elke ambtenaar wordt geacht op de hoogte te zijn van de statutaire regels betreffende, in casu, het bedrag van het salaris van een ambtenaar van de rang AD 9 (artikel 66 van het Statuut) en dat van de toelagen voor een kind ten laste (artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, artikel 67 en artikel 81, tweede alinea, van het Statuut), kan Alberto Spagnolli evenmin met succes stellen dat de berekeningsfout betreffende de vaststelling van de bovengrens van de overlevingspensioenen waarvan hij met zijn kinderen begunstigde was, niet voor de hand liggend was in de zin van artikel 85, eerste alinea, van het Statuut. Daar aan deze voorwaarde is voldaan is het besluit tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde volgens de Commissie terecht vastgesteld en moet het beroep ongegrond worden verklaard.
145 In casu moet worden beoordeeld of de Commissie gerechtigd is om krachtens artikel 85 van het Statuut te verlangen dat de bedragen die verzoekers ten onrechte hebben ontvangen, worden terugbetaald. Artikel 85 bepaalt dat „[e]en onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen”. Uit deze tekst volgt dat voor de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag moet worden bewezen dat de bevoordeelde daadwerkelijk kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of dat de onregelmatigheid daarvan zo voor de hand lag dat hij daarvan kennis had moeten dragen (arresten van 11 oktober 1979, Berghmans/Commissie, 142/78, EU:C:1979:233, punt 9; 9 september 2008, Ritto/Commissie, F‑18/08, EU:F:2008:110, punt 29, en 21 november 2013, Roulet/Commissie, F‑72/12 en F‑10/13, EU:F:2013:184, punt 46).
146 Volgens artikel 85 van het Statuut heeft de administratie dus in twee gevallen de mogelijkheid om een onverschuldigd ontvangen bedrag terug te vorderen, namelijk ten eerste wanneer de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling en ten tweede wanneer die onregelmatigheid zo voor de hand lag dat hij daarvan kennis had moeten dragen.
147 Wat het eerste geval betreft en zelfs al wordt aangenomen dat de Commissie zich in het besluit tot afwijzing van de klacht van 4 maart 2016 op dit terrein heeft willen begeven, staat het aan de administratie om aan te tonen dat de bevoordeelde daadwerkelijk kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling (arrest van 26 juni 2013, Achab/EESC, F‑21/12, EU:F:2013:95, punt 44).
148 Wat het tweede geval betreft moet in elk concreet geval rekening worden gehouden met het vermogen van de betrokken ambtenaar om het nodige onderzoek te verrichten (zie arrest van 26 juni 2013, Achab/EESC, F‑21/12, EU:F:2013:95, punt 45en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 In casu dient de Commissie, wat het eerste geval betreft en om aan te nemen dat het bewijs is geleverd dat Alberto Spagnolli daadwerkelijk kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling, aan te tonen dat hij ten eerste wist dat in het in kennisgeving nr. 2 genoemde fictieve inkomen (bedrag A) rekening was gehouden met een dubbel bedrag van de toelagen voor een kind ten laste, ten tweede dat dit bedrag ten onrechte was meegeteld en ten derde dat hierdoor de op basis van kennisgeving nr. 2 verrichte betalingen van het overlevings- en het wezenpensioen onregelmatig waren.
150 De stellingen van de Commissie dat Alberto Spagnolli op de hoogte was van het feit dat in het fictieve inkomen zoals aangegeven in kennisgeving nr. 2 rekening was gehouden met een dubbel bedrag van de toelagen voor een kind ten laste, en wel wegens de contacten die hij met de administratie had gehad om de wijziging te bewerkstelligen van de berekeningen van zijn rechten op het overlevings- en het wezenpensioen zoals opgenomen in kennisgeving nr. 1, tonen echter niet aan dat in casu was voldaan aan de voorwaarde betreffende de kennis van de onregelmatigheid van de betaling, dat wil zeggen dat de drie in punt 149 hierboven genoemde voorwaarden waren vervuld. Ten eerste zijn die stellingen immers slechts gebaseerd op een vermoeden. Ten tweede hadden de contacten tussen verzoekers en de administratie betrekking op de berekeningsfouten in kennisgeving nr. 1, en niet op de berekeningsmethode die was toegepast in kennisgeving nr. 2. Ten derde kan de Commissie, wegens de door het TABG zelf erkende dubbelzinnigheid in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 van de uitdrukking „nettosalaris van de heer Spagnolli op het moment van overlijden” die in kennisgeving nr. 2 wordt gebruikt om het fictieve inkomen (bedrag A) aan te duiden, en het ontbreken van gedetailleerde informatie over de bedragen die in dat inkomen waren opgenomen, niet stellen dat Alberto Spagnolli ervan op de hoogte was dat in dit inkomen rekening was gehouden met zes toelagen voor een kind ten laste noch, a fortiori, dat hij wist dat dit onjuist was en dat hij bovendien wist dat dit tot de onverschuldigde uitkeringen had geleid.
151 Nu de Commissie niet heeft aangetoond dat er kennis van de vergissing bestond in de zin van artikel 85 van het Statuut, moet dus worden nagegaan of de Commissie er in casu van mocht uitgaan dat de onregelmatigheid van de betaling zo voor de hand lag dat Alberto Spagnolli daarvan kennis had moeten hebben, dat wil zeggen dat moet worden nagegaan of verzoekers’ situatie die is welke wordt bedoeld in het tweede, in punt 146 hierboven genoemde geval.
152 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de betrokkene volgens vaste rechtspraak niet in het geheel niets behoeft te overdenken of te controleren, maar dat terugbetaling verschuldigd is wanneer het gaat om een vergissing die een normaal zorgvuldige ambtenaar, die wordt geacht de regels omtrent zijn salaris te kennen, niet ontgaat (arresten van 11 juli 1979, Broe/Commissie, 252/78, EU:C:1979:186, punt 13, en 17 januari 1989, Stempels/Commissie, 310/87, EU:C:1989:9, punt 10).
153 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de elementen die de Unierechter in dat verband in aanmerking neemt om de duidelijkheid van de vergissing van de administratie te beoordelen, naast het niveau van de verantwoordelijkheid van de ambtenaar verband houdende met zijn rang en anciënniteit, de mate van duidelijkheid van de statutaire bepalingen is waarin de voorwaarden voor de toekenning van de aan de betrokkene verschuldigde uitkeringen zijn vastgelegd alsmede de omvang van de wijzigingen in zijn persoonlijke of gezinssituatie, wanneer de betaling van het betrokken bedrag verband houdt met de beoordeling door de administratie van die situatie (zie in die zin arresten van 27 februari 2015, EESC/Achab, T‑430/13 P, EU:T:2015:122, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 januari 2016, DF/Commissie, T‑782/14 P, EU:T:2016:29, punten 25 en 27).
154 Uit onderzoek van deze rechtspraak volgt dat aan het criterium van de diensttijd niet meer belang kan worden toegekend dan aan de andere criteria. Integendeel, hieruit volgt dat alle elementen in aanmerking moeten worden genomen, waarbij de omstandigheden van het concrete geval kunnen rechtvaardigen dat bepaalde criteria zwaarder meetellen dan andere (arrest van 27 februari 2015, EESC/Achab, T‑430/13 P, EU:T:2015:122, punt 43).
155 Voorts is het volgens vaste rechtspraak niet nodig dat de betrokken ambtenaar bij de nakoming van de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht de omvang van de door de administratie begane vergissing nauwkeurig kan bepalen. Het volstaat in dat verband dat hij twijfels heeft over de gegrondheid van de betrokken betalingen om hem te verplichten zich tot de administratie te wenden teneinde haar de nodige verificaties te doen verrichten (zie arrest van 21 november 2013, Roulet/Commissie, F‑72/12 en F‑10/13, EU:F:2013:184, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
156 Ten eerste moet worden opgemerkt dat de beoordeling van de duidelijkheid van een onregelmatigheid van de administratie bij de vaststelling van pensioenrechten, in tegenstelling tot de beoordeling van de inachtneming van de motiveringsplicht van de kennisgeving van wijziging van die rechten, moet worden beoordeeld op basis van de elementen die de betrokkene ter beschikking had op het moment van die onregelmatigheid, dat wil zeggen in dit geval op het moment van vaststelling van kennisgeving nr. 2, aan de hand van de met zijn rang verband houdende capaciteiten en bekwaamheden, op basis van de zorgvuldigheidsplicht die redelijkerwijs van hem mag worden verwacht en de duidelijkheid van de bepalingen die zijn rechten regelen.
157 Ten tweede moet worden opgemerkt dat de beoordeling van een „vermeende kennis” van de onregelmatigheid van de door verzoekers ontvangen betalingen in casu nauw verband houdt met het inzicht in de berekeningen van de pensioenrechten die de administratie zelf heeft uitgevoerd, op grond waarvan met name kan worden begrepen welk bedrag van de toelagen voor een kind ten laste moet worden meegenomen in het fictieve inkomen (bedrag A). Voorts veronderstelt die „vermeende kennis” dat er toegang is tot de details van de berekening die ten grondslag ligt aan de vaststelling van het nettosalaris van Alberto Spagnolli dat in aanmerking is genomen in het fictieve inkomen (bedrag A).
158 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de berekening van de pensioenrechten die de Commissie heeft uitgevoerd, niet duidelijk blijkt uit de bewoordingen van de in casu toepasselijke bepalingen.
159 Artikel 81 bis van het Statuut bepaalt niet met zoveel woorden dat de salarissen van de overlevende en de overleden echtgenoot bij elkaar moeten worden opgeteld. Die optelling, die volgt uit de uiteenzettingen in het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 die de Commissie tijdens de terechtzitting heeft bevestigd, heeft plaatsgevonden in het belang van verzoekers (zie punt 66 hierboven). Dat artikel verwijst voor de berekening van de bovengrens die niet mag worden overschreden teneinde de verrijking van het gezin als gevolg van het overlijden te vermijden, niet naar het inkomen van Alberto Spagnolli, en het bevat evenmin informatie over de bedragen die in dat inkomen moeten worden meegenomen, met name wat de toelagen voor een kind ten laste betreft.
160 Artikel 81, tweede alinea, van het Statuut, volgens hetwelk „het bedrag van de kindertoelage waarop degene die een overlevingspensioen geniet recht heeft, gelijk is aan het dubbele van het bedrag van de in artikel 67, lid 1, onder b), vermelde toelage”, kon verzoekers eveneens in verwarring brengen. Wegens het overlijden van de echtgenote van Alberto Spagnolli mochten zij immers aannemen dat de Commissie, ter behoud van de nuttige werking van die bepaling, niet alleen voor de vaststelling van het reële inkomen (bedrag B) rekening moest houden met een dubbel bedrag van de toelage voor een kind ten laste, maar eveneens voor de bepaling van het fictieve inkomen (bedrag A) van de overlevende echtgenoot. Door de in de verschillende kennisgevingen gebruikte formulering om dat laatste bedrag aan te duiden, namelijk het „nettosalaris van de heer Spagnolli op het moment van overlijden met drie kinderen ten laste”, kan nog moeilijker worden begrepen hoe het fictieve inkomen (bedrag A) van Alberto Spagnolli is samengesteld. Die formulering kan immers aldus worden begrepen dat het fictieve inkomen (bedrag A) moet worden berekend „op het moment van overlijden” en dus door rekening te houden met dat overlijden – hetgeen betekent dat volgens artikel 81, tweede alinea, van het Statuut een dubbel bedrag van de toelage voor een kind ten laste moet worden meegeteld – en niet door dat overlijden buiten beschouwing te laten – hetgeen juist betekent dat een enkelvoudig bedrag van de toelage voor een kind ten laste moet worden meegeteld.
161 Bovendien moet worden beklemtoond dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, er geen algemene uitvoeringsbepalingen of dienstnota’s bestaan die uitleg kunnen geven over de wijze waarop artikel 81 bis van het Statuut in de praktijk moet worden toegepast in het geval waarin zowel de overlevende als de overleden echtgenoot ambtenaar van de Unie is, zoals dat in casu het geval is. Pas in het stadium van het besluit tot afwijzing van de klacht tegen kennisgeving nr. 3, dat wil zeggen op 3 augustus 2015, wordt uitleg gegeven over de berekeningen van de Commissie in kennisgeving nr. 2. Uitsluitend in dat stadium zet het TABG uiteen dat bij de verwerking van de inkomsten van Alberto Spagnolli in de berekening van de in artikel 81 bis van het Statuut bedoelde bovengrens (bedrag A), voor de vaststelling van die bovengrens rekening is gehouden met het inkomen van Alberto Spagnolli dat op dynamische wijze is berekend, dat wil zeggen volgens zijn rang op het moment van de berekening, op basis van een fictie, dat wil zeggen door ervan uit te gaan dat het overlijden van zijn echtgenote niet heeft plaatsgevonden en dat in dat inkomen dus een enkelvoudig bedrag van de toelage voor een kind ten laste moet worden meegeteld.
162 In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat noch kennisgeving nr. 1, noch kennisgeving nr. 1 bis, noch kennisgeving nr. 2 details gaf over de samenstelling van de fictieve inkomsten van Alberto Spagnolli (bedrag A). Er kan derhalve niet worden gesteld dat verzoekers over voldoende gegevens beschikten om vast te stellen of althans te vermoeden dat de Commissie ten eerste in het fictieve inkomen (bedrag A) van Alberto Spagnolli een dubbel bedrag van de toelage voor een kind ten laste had opgenomen, ten tweede dat dit onjuist was en ten derde dat dit tot een onverschuldigde betaling had geleid.
163 Aangezien kennisgeving nr. 1 verkeerde berekeningen bevatte en is gecorrigeerd bij kennisgeving nr. 1 bis welke dezelfde dag is vastgesteld als kennisgeving nr. 2, kon Alberto Spagnolli op basis van kennisgeving nr. 1 bovendien niet de details van de berekeningen in kennisgeving nr. 2 begrijpen. Kennisgeving nr. 1 bis, die rekening hield met een ander salaris en is vastgesteld na de stappen die Alberto Spagnolli heeft ondernomen omdat zijn pensioenrechten waren ondergewaardeerd, vormt evenmin een handeling op grond waarvan mag worden aangenomen dat hij wel moest begrijpen dat kennisgeving nr. 2 een berekeningsfout bevatte die tot een onverschuldigde uitkering had geleid, dan wel dat hij ertoe heeft bijgedragen dat die berekeningsfout is gemaakt en verzoekers zodoende een onverschuldigde uitkering ontvingen.
164 Bovendien blijkt uit de reconstructie van de berekeningen in kennisgeving nr. 2, die mogelijk was dankzij de documenten die de Commissie op 25 oktober 2017 in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft overgelegd, dat de opneming van de dubbele toelage voor een kind ten laste, dat wil zeggen zes in plaats van drie toelagen voor een kind ten laste, in het fictieve inkomen (inkomen A), eveneens gevolgen heeft gehad voor de bepaling van de op dat inkomen toepasselijke belasting. Dit betekent dat het verschil tussen het bedrag dat verzoekers op basis van kennisgeving nr. 2 ten onrechte hebben ontvangen en het bedrag dat zij hadden moeten ontvangen, niet eenvoudigweg volgt uit de aftrek van drie toelagen voor een kind ten laste. Ofschoon de Commissie tracht om de vergissing in kennisgeving nr. 2 eenvoudiger voor te stellen door deze terug te brengen tot het meetellen van zes in plaats van drie toelagen voor een kind ten laste, is dit niet de realiteit en was die vergissing, gezien het ontbreken van details over de berekening die aan het fictieve inkomen (bedrag A) ten grondslag ligt, allesbehalve duidelijk.
165 Overigens moet worden beklemtoond dat het TABG in het kader van het besluit tot afwijzing van de klacht van 3 augustus 2015 zelf uitdrukkelijk stelt dat op basis van het onderzoek van de verschillende kennisgevingen tot vaststelling van pensioenrechten moet worden erkend, dat de door de Commissie toegepaste methode „niet zonder meer begrijpelijk was”.
166 Bovendien moet worden opgemerkt dat de ambtenaren van de Commissie, dat wil zeggen ambtenaren van de eenheid PMO.4, die in het kader van hun werk worden geacht de methode voor de berekening van de rechten op het overlevings- en het wezenpensioen te kennen en toe te passen, verschillende malen fouten hebben gemaakt bij de berekening van verzoekers’ rechten, hetgeen blijkt uit de verschillende opeenvolgende kennisgevingen. Kennisgeving nr. 1 van 29 juli 2011 is immers gecorrigeerd bij kennisgeving nr. 1 bis van 17 april 2012 en bij kennisgeving nr. 2 van diezelfde dag. Die kennisgeving is op haar beurt gecorrigeerd bij en vervangen door kennisgeving nr. 3 van 6 februari 2015. Zelfs al zou men willen erkennen dat Alberto Spagnolli zich kon beroepen op de in punt 109 hierboven genoemde calculette, dit bewijst niet dat er sprake was van een dermate voor de hand liggende vergissing dat hij daarvan wel op de hoogte moest zijn. Overigens veronderstelt de mogelijkheid om de calculette te gebruiken dat men op de hoogte is van de details van de door de Commissie toegepaste berekeningen, aangezien de verschillende bedragen waarmee voor de bepaling van de pensioenrechten rekening is gehouden, handmatig moeten worden ingegeven.
167 Wat ten slotte de zorgvuldigheid betreft die van een ambtenaar van een rang als die van Alberto Spagnolli mag worden verwacht, moet worden opgemerkt dat deze, bij gebreke van verschillende relevante gegevens in de betrokken kennisgevingen tot vaststelling van rechten, bij gebreke van duidelijkheid van de statutaire bepalingen en gelet op de verschillende vergissingen die de administratie in de loop der tijd zelf heeft gemaakt, niet kan meebrengen dat de betrokken ambtenaar, die reeds verschillende stappen heeft ondernomen, bij de administratie navraag blijft doen teneinde nogmaals de door haar uitgevoerde berekeningen te laten controleren, wanneer hij, met name na de door hem ondernomen stappen, tevreden is met het verkregen resultaat. In een situatie als de onderhavige mag in redelijkheid van de Commissie worden verwacht dat zij, nadat Alberto Spagnolli een aantal malen contact met haar heeft opgenomen, zijn situatie correct heeft beoordeeld en geen onregelmatige betalingen doet. Het zou indruisen tegen hetgeen van Alberto Spagnolli uit hoofde van zijn zorgvuldigheidsplicht mag worden verwacht om van hem te verlangen dat hij bij de administratie navraag blijft doen, zelfs wanneer hij redelijkerwijs mag verwachten dat hij een correcte beoordeling van zijn rechten op het overlevings- en het wezenpensioen heeft gekregen, aangezien zij, met name na zijn stappen, de fouten in de kennisgeving tot vaststelling van pensioenrechten heeft gecorrigeerd.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 23 november 2011, T-320/07, ECLI:EU:T:2011:686
- Gerecht EU 12 juli 2011, T-80/09, ECLI:EU:T:2011:347
- HvJ EU 11 mei 2010, F-30/08, ECLI:EU:F:2010:43
- HvJ EU 4 november 2008, F-41/06, ECLI:EU:F:2008:132
- HvJ EU 21 februari 2008, C-348/06, ECLI:EU:C:2008:107
- Gerecht EU 8 maart 2007, T-340/04, ECLI:EU:T:2007:81
- HvJ EU 9 november 2006, C-243/05, ECLI:EU:C:2006:708
- Gerecht EU 6 april 2006, T-309/03, ECLI:EU:T:2006:110
- HvJ EU 2 oktober 2003, C-182/99, ECLI:EU:C:2003:526
- HvJ EU 2 oktober 2003, C-199/99, ECLI:EU:C:2003:531
- Gerecht EU 6 juli 2000, T-139/99, ECLI:EU:T:2000:182
- HvJ EU 16 september 1997, C-362/95, ECLI:EU:C:1997:401