Gerecht EU 17 mei 2018, T-701/16, ECLI:EU:T:2018:276

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)

17 mei 2018 ( *1 )

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Medisch onderzoek – Onvolledige verklaringen bij het medisch onderzoek – Retroactieve toepassing van het medisch voorbehoud – Geen recht op de invaliditeitsuitkering – Uitvoering van een arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken waarbij het oorspronkelijke besluit nietig is verklaard”

In zaak T‑701/16 P,

betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 21 juli 2016, AV/Commissie (F‑91/15, EU:F:2016:170), strekkende tot vernietiging van dit arrest,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Berardis-Kayser, C. Ehrbar en T. Bohr, vervolgens door C. Ehrbar en T. Bohr als gemachtigden,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

AV, voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie, vertegenwoordigd door J.‑N. Louis en N. de Montigny, advocaten,

verzoeker in eerste aanleg,

wijst

HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),

samengesteld als volgt: M. Jaeger, president, M. Prek (rapporteur) en A. Dittrich, rechters,

griffier: G. Predonzani, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 januari 2018,

het navolgende

Arrest

1 Met haar krachtens artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingestelde hogere voorziening vraagt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 21 juli 2016, AV/Commissie (F‑91/15, EU:F:2016/170; hierna: „bestreden arrest”), waarbij dat Gerecht nietig heeft verklaard haar besluit van 16 september 2014 om de aanstelling van AV vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud voorzien in artikel 32 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”).

Feiten van het geding

2 De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn in de punten 3 tot en met 30 van het bestreden arrest uiteengezet als volgt: „3 Op 18 maart 2005 heeft [AV] zich onderworpen aan het medisch onderzoek met het oog op aanwerving door de Commissie als tijdelijk functionaris in het kader van een overeenkomst voor bepaalde tijd voor de periode van 16 april 2005 tot 15 april 2009. Tijdens dat onderzoek heeft [AV] een formulier ondertekend waarin werd aangegeven dat hij geen enkele persoonlijke risicofactor vormde, afgezien van een vorm van dyslipidemie, dat hij geen pathologische antecedenten had en geen enkele farmacologische therapie volgde. 4 De raadgevend arts die het medisch onderzoek bij aanwerving uitvoerde, dokter A, heeft een advies van lichamelijke geschiktheid [van AV] afgegeven voor de uitoefening van de functie waarvoor hij zou worden aangeworven. 5 Op 16 april 2005 is [AV] in dienst van de Commissie getreden en tewerkgesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) te Ispra (Italië). 6 Op 26 juni 2005 heeft de raadgevend arts van de medische dienst te Ispra bij [AV] een psychiatrische ziekte vastgesteld. Op 21 juli daaraanvolgend heeft de betrokkene het hoofd van de medische dienst te Ispra meegedeeld dat hij sinds 15 jaar een behandeling voor die ziekte volgde. Bovendien blijkt uit een rapport dat het hoofd van de medische dienst te Ispra tijdens een onderhoud met [AV] op 5 december 2005 had opgesteld, dat laatstgenoemde in antwoord op een vraag had toegegeven dat hij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving niets over zijn ziekte had gezegd. 7 [AV] is talloze malen met ziekteverlof geweest, hetgeen voor de Commissie aanleiding was om hem op 12 september 2008 krachtens artikel 16 RAP onbezoldigd verlof te verlenen. 8 Op 17 november 2008 heeft de raadsman [van AV] gevraagd om de invaliditeitscommissie in te schakelen. 9 Bij schrijven van 16 februari 2009 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag [AV] meegedeeld dat het bij besluit van 4 februari 2009 had besloten om zijn geval voor te leggen aan de invaliditeitscommissie. 10 Op 9 mei 2009 heeft de invaliditeitscommissie unaniem vastgesteld [dat AV] wegens zijn psychiatrische ziekte als blijvend en volledig invalide moest worden aangemerkt waardoor hij niet meer een bij zijn functie behorende werkzaamheid kon uitoefenen. 11 Op 24 juli 2009 heeft het hoofd van de medische dienst te Ispra de raadsman [van AV] op de hoogte gesteld van de conclusies van de invaliditeitscommissie, van het besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van 9 juli 2009 om met terugwerkende kracht tot de dag van zijn indiensttreding het medisch voorbehoud [op AV] toe te passen, en van het besluit van dat gezag van 13 juli 2009 om de taken [van AV] wegens zijn blijvende invaliditeit te beëindigen en hem geen recht te geven op een invaliditeitsuitkering. 12 [AV] heeft een klacht ingediend tegen de besluiten van 9 en 13 juli 2009. Naar aanleiding van die klacht heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag op 5 februari 2010 die besluiten ingetrokken. 13 Bij schrijven van 5 februari 2010 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag [AV] zijn standpunt kenbaar gemaakt over het feit dat hij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving geen melding had gemaakt van ‚een ziekte waaraan hij toch sinds vele jaren [leed] en waarvoor hij zelfs op het moment [waarop hij het formulier tijdens het onderzoek bij aanwerving ondertekende] een behandeling [volgde]’. 14 [AV] heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt in een schrijven van 15 februari 2010, dat nader is uitgewerkt in een schrijven van zijn raadsman van 16 februari daaraanvolgend. [AV] stelde onder andere dat zijn gezondheidstoestand op het moment van het medisch onderzoek bij aanwerving ‚optimaal’ was, dat hij ‚vele jaren in particuliere ondernemingen in verantwoordelijke functies’ had gewerkt en dat zijn ziekte op het moment van aanwerving ‚slechts een herinnering was’. 15 Bij interne nota van 3 maart 2010 heeft het hoofd van de medische dienst van Ispra, dokter B, de directeur-generaal van het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid meegedeeld dat indien [AV] tijdens het onderzoek bij aanwerving melding had gemaakt van zijn ziekte, de artsen een advies van ‚ongeschiktheid’ hadden gegeven voor de post van geschoold arbeider of van ‚geschiktheid met voorbehoud’ voor een louter administratieve post (hierna: ‚nota van 3 maart 2010’). 16 Op 12 april 2010 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag besloten om met terugwerkende kracht tot de datum van zijn aanstelling het medisch voorbehoud in de zin van artikel 32, eerste alinea, RAP [op AV] toe te passen, op grond dat, kort samengevat, indien [hij] bij het medisch onderzoek bij aanwerving melding had gemaakt van de reeds bestaande ziekte, ‚op hem het medisch voorbehoud zou zijn toegepast’ (hierna: ‚besluit van 12 april 2010’). 17 Op 16 april 2010 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag besloten om ‚op 30 april 2010 de dienst [van AV] te onderbreken’ wegens zijn als volledig aangemerkte invaliditeit en hem geen recht te geven op een invaliditeitsuitkering, omdat zijn invaliditeit ‚dezelfde was als die ten aanzien waarvan het medisch voorbehoud [was] gemaakt’ (hierna: ‚besluit van 16 april 2010’). 18 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 31 maart 2011 en ingeschreven onder zaaknummer F‑4/11, heeft [AV] gevraagd om nietigverklaring van de besluiten van 12 en 16 april 2010. 19 Bij arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96; hierna: ‚arrest van 10 juli 2012’), heeft het Gerecht het besluit van 12 april 2010 en dat van 16 april 2010, voor zover bij dat laatste besluit was geweigerd om [AV] de invaliditeitsuitkering toe te kennen, nietig verklaard. 20 Het Gerecht heeft met name geoordeeld dat ‚in het bijzondere geval waarin na het medisch onderzoek bij aanwerving blijkt dat een functionaris de vragen die de raadgevend arts bij dat onderzoek over zijn gezondheid heeft gesteld, niet eerlijk en volledig heeft beantwoord, het het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag vrijstaat om zijn oorspronkelijke besluit om het medisch voorbehoud niet toe te passen in te trekken en een nieuw besluit te nemen om dat voorbehoud met terugwerkende kracht toe te passen’. Het Gerecht heeft hieraan toegevoegd dat ‚[d]at gezag echter wel eerst de procedure van artikel 32 [RAP] [dient] te eerbiedigen, namelijk, ten eerste, de raadgevend arts te raadplegen zodat hij een advies uitbrengt over de vraag of de ziekte of handicap een reden zou hebben opgeleverd om bij de aanstelling van de betrokkene een medisch voorbehoud te maken en, ten tweede, de functionaris op de hoogte te stellen van het besluit dat het op basis van dat advies heeft genomen, zodat hij eventueel bezwaar kan maken bij de invaliditeitscommissie’. Volgens het Gerecht ‚is een dergelijke vraag, die beoogt te bepalen of de ziekte of aandoening binnen een termijn van vijf jaar na de indiensttreding bij de instelling tot de invaliditeit of het overlijden van de functionaris kon leiden, immers een vraag van medische aard en behoort deze tot de uitsluitende bevoegdheid van de raadgevend arts en, in tweede instantie, van de invaliditeitscommissie’ (arrest van 10 juli 2012, punt 34). 21 Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie kon stellen [dat AV] de vragen die de raadgevend arts tijdens het onderzoek bij aanwerving had gesteld, niet volledig en eerlijk had beantwoord (arrest van 10 juli 2012, punt 36), maar dat noch de raadgevend arts noch de invaliditeitscommissie was benaderd met de vraag of de medische dienst, indien tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving melding was gemaakt van de ziekte, zich op het standpunt had gesteld dat dit een van de ziekten was waarvoor, gelet op de gevolgen ervan, een medisch voorbehoud moest worden gemaakt (arrest van 10 juli 2012, punten 37 tot en met 40). Ten aanzien van de nota van 3 maart 2010 heeft het Gerecht met name vastgesteld dat de Commissie uitdrukkelijk had gesteld dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag zich voor de vaststelling van het besluit van 12 april 2010 niet op die nota had gebaseerd (arrest van 10 juli 2012, punt 39). 22 Bij brief van 20 juli 2012 heeft de Commissie [AV] ervan op de hoogte gesteld dat zij van mening was dat ‚de juiste uitvoering van het arrest [van 10 juli 2012] bestond in het opnieuw inschakelen van de invaliditeitscommissie, zodat zij de in de punten 37 [tot en met] 40 bedoelde vraag kon beantwoorden, namelijk die of de ziekte [van AV], indien tijdens het onderzoek bij aanwerving daarvan melding was gemaakt, de toepassing van een medisch voorbehoud had gerechtvaardigd’. Bij diezelfde brief verzocht de Commissie [AV] om een arts aan te wijzen teneinde hem binnen de invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen. 23 Op 7 februari 2013 heeft [AV] een arts aangewezen om hem binnen de invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen. Nadat de Commissie in maart 2013 een arts had aangewezen, is de invaliditeitscommissie op 30 april 2013 bijeengekomen. 24 Bij brief van 16 december 2013, heeft [AV] de arts die de Commissie in de invaliditeitscommissie had vertegenwoordigd, gevraagd om hem de conclusies van die commissie toe te zenden en eventueel het besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag. 25 Bij brief van 10 april 2014 heeft de Commissie [AV] de conclusies van de invaliditeitscommissie toegezonden, volgens welke ‚de raadgevend arts’, indien [AV] tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving melding had gemaakt van zijn ziekte, ‚het [tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag] zou hebben gevraagd om [overeenkomstig] [artikel] 32 [RAP] een [...] medisch voorbehoud toe te passen’. 26 Bij brief van 10 april 2014 heeft [AV] de Commissie gevraagd om hem mee te delen waarom er een vertraging was opgetreden bij de kennisgeving van de conclusies van de invaliditeitscommissie en of het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag naar aanleiding van die conclusies een besluit had genomen. 27 Op 16 september 2014 heeft de Commissie besloten om het in artikel 32 RAP voorziene medisch voorbehoud [op AV] toe te passen, en wel voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van zijn indiensttreding als tijdelijk functionaris, namelijk 16 april 2005, en hem geen recht op een invaliditeitsuitkering te geven, daar zijn invaliditeit dezelfde was als die waarvoor het medisch voorbehoud was gemaakt (hierna: ‚[litigieus] besluit’). 28 Op 22 december 2014 heeft [AV] krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie een klacht ingediend tegen het [litigieuze] besluit. Bovendien vroeg [hij] ‚zich baserend op de conclusies van de invaliditeitscommissie van 30 april 2013’ om zijn dienst te beëindigen en om hem een invaliditeitsuitkering toe te kennen. Ten slotte vroeg hij om een schadevergoeding van 50000 EUR wegens schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 29 Bij besluit van 21 april 2015 heeft de Commissie de klacht [van AV] afgewezen. 30 Op 22 juni 2015 heeft [AV] gevraagd om op basis van artikel 110 van het Reglement voor de procesvoering in aanmerking te komen voor rechtsbijstand teneinde beroep in te stellen tegen het [litigieuze] besluit. Bij beschikking van de president van het Gerecht van 9 september 2015 is dit verzoek toegewezen.”

3 De relevante toepasselijke wetgeving is opgenomen in punt 2 van het bestreden arrest.

Procedure in eerste aanleg en bestreden arrest

4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 19 oktober 2015, heeft AV een onder nummer F‑91/15 ingeschreven beroep ingesteld, ten eerste strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 september 2014 om op hem het medisch voorbehoud van artikel 32 RAP toe te passen en hem geen recht op de invaliditeitsuitkering te geven (hierna: „besluit van 16 september 2014”), en ten tweede tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een vergoeding van 50000 EUR voor zijn immateriële schade.

5 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het besluit van 16 september 2014 nietig verklaard en de Commissie veroordeeld tot betaling van een bedrag van 2000 EUR aan AV ter vergoeding van zijn immateriële schade alsmede tot betaling van de door haarzelf en AV gemaakte kosten.

6 Allereerst heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken eraan herinnerd dat „de verplichting om in administratieve procedures een redelijke termijn in acht te nemen, een algemeen beginsel van het Unierecht vormt waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert”, en dat dit beginsel in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is overgenomen als „onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur” (bestreden arrest, punt 44).

7 Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft echter aangegeven dat „de niet-eerbiediging van het beginsel van inachtneming van de redelijke termijn” in het algemeen „niet de nietigverklaring rechtvaardigt van het besluit dat na afloop van een administratieve procedure is genomen”, en dat „alleen wanneer het buitensporige tijdsverloop invloed [kan] hebben op de inhoud van het genomen besluit [...] de niet-inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn de geldigheid van de administratieve procedure aantast” (bestreden arrest, punt 45).

8 Anders dan de Commissie stelde, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geoordeeld dat „de datum die in aanmerking moest worden genomen voor de beantwoording van de vraag of de procedure binnen een redelijke termijn [was] afgerond”, niet 17 november 2008 was (de datum waarop AV zijn verzoek om inleiding van de invaliditeitsprocedure had ingediend), maar „5 december 2005, namelijk de datum waarop [AV] duidelijk en ondubbelzinnig [had] erkend dat hij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving geen melding had gemaakt van zijn psychiatrische ziekte” (bestreden arrest, punt 47).

9 Na eraan te hebben herinnerd dat „tussen partijen, althans vanaf laatstgenoemde datum, niet [werd] betwist dat het [tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag] kennis had [gehad] van het feit dat dit onderzoek was gebaseerd op onvolledige informatie”, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken overwogen dat „[dat gezag] als gevolg van deze belangrijke en duidelijke onregelmatigheid zeer wel in staat was om de juridische consequenties te trekken voor wat de geldigheid van de overeenkomst [van AV] en de eventuele toepassing van het medisch voorbehoud betrof”. Het heeft echter opgemerkt dat „de eerste standpuntbepaling van [dat gezag] over de opportuniteit om [op AV] met terugwerkende kracht tot de dag van zijn indiensttreding het medisch voorbehoud toe te passen, pas had plaatsgevonden op 9 juli 2009, dat wil zeggen drie jaar en zeven maanden nadat [het betrokken gezag] ervan op de hoogte [was] gesteld [dat AV] had erkend dat hij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving geen melding had gemaakt van zijn ziekte” (bestreden arrest, punten 47 en 48).

10 Bijgevolg heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geoordeeld dat „een dergelijke termijn, waarvoor de Commissie geen verklaring [kon] geven, niet als redelijk [kon] worden aangemerkt en dus in strijd [was] met het recht op behoorlijk bestuur” (bestreden arrest, punt 49).

11 Vervolgens heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken eraan herinnerd dat „artikel 32 RAP veronderstelt dat het [tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag] een definitief besluit neemt over de eventuele toepassing van het medisch voorbehoud op basis van de informatie die de raadgevend arts tijdens het onderzoek bij aanwerving heeft verkregen of, in de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak, zodra het over relevante aanvullende informatie beschikt die de tijdens dat onderzoek verkregen informatie substantieel zou wijzigen”. Het heeft beklemtoond dat „de Commissie” in casu „haar eerste besluit om [op AV] het medisch voorbehoud toe te passen pas [had] genomen op 9 juli 2009, dat wil zeggen bijna drie maanden nadat zijn overeenkomst was afgelopen en ongeveer acht maanden na zijn verzoek om de invaliditeitscommissie in te schakelen” (bestreden arrest, punt 50).

12 Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft vastgesteld dat „die termijn reeds invloed had kunnen hebben op de inhoud van het besluit van 9 juli 2009 om met terugwerkende kracht het medisch voorbehoud [op AV] toe te passen, aangezien er niet alleen drie jaar en zeven maanden waren verstreken nadat het [tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag] kennis had genomen van de ziekte [van AV], maar vooral nadat de invaliditeitscommissie op 9 mei 2009 had geconcludeerd [dat AV] was getroffen door een blijvende en volledige invaliditeit waardoor hij niet zijn functie kon uitoefenen”. Het heeft geoordeeld dat „het besluit om een medisch voorbehoud toe te passen feitelijk [was] omgezet in een besluit om [AV] met onmiddellijke ingang uit te sluiten van de waarborgen die op het gebied van invaliditeit zijn voorzien en wel voor een invaliditeit die reeds was ontstaan” (bestreden arrest, punt 51).

13 Ten slotte heeft het Gerecht ten aanzien van het besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) van 12 april 2010 om met terugwerkende kracht tot de datum van zijn indiensttreding het medisch voorbehoud op AV toe te passen (hierna: „besluit van 12 april 2010”), geoordeeld dat „dit besluit, dat in wezen gelijk was aan dat van 9 juli 2009, [was] genomen vier jaar en vier maanden nadat het TAOBG kennis had gekregen van de ziekte [van AV] en dat het TAOBG vier dagen later de dienst van [AV] wilde beëindigen wegens diens invaliditeit” (bestreden arrest, punt 52).

14 Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft beklemtoond dat waar de door hem vastgestelde onredelijke termijn „de Commissie belette om het medisch voorbehoud [op AV] toe te passen”, „het besluit [van 16 september 2014], dat [in wezen] gelijk [was] aan de besluiten van 9 juli 2009 en 12 april 2010, [was] genomen bijna negen jaar nadat de Commissie ervan kennis [had] gekregen dat het medisch onderzoek bij aanwerving niet regelmatig was verlopen” en dat „dit besluit dus noodzakelijkerwijs dezelfde onregelmatigheid [bevatte]” (bestreden arrest, punt 53).

15 Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft in dit verband opgemerkt dat „het feit dat het besluit van 12 april 2010 wegens een procedurefout nietig is verklaard, [AV] niet de mogelijkheid [ontnam] om in het kader van het arrest ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring een beroep te doen op een middel ten gronde dat was aangevoerd in het beroep dat tot het arrest houdende nietigverklaring heeft geleid”. Het heeft gepreciseerd dat „uit punt 29 van het arrest van 10 juli 2012 [bleek] [dat AV] in het kader van die zaak wel degelijk een middel ontleend aan schending van het beginsel van rechtszekerheid had aangevoerd” (bestreden arrest, punt 54).

Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

16 Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2016, heeft de Commissie de onderhavige hogere voorziening ingesteld.

17 Op 24 februari 2017 heeft AV een memorie van antwoord neergelegd, waarin hij tevens incidentele hogere voorziening heeft ingesteld.

18 Bij op 29 maart 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft de Commissie gevraagd om repliek te mogen indienen, hetgeen de president van de Kamer voor hogere voorzieningen bij beslissing van 3 april 2017 heeft toegestaan.

19 Op 12 mei 2017 heeft de Commissie haar repliek ingediend.

20 Op 12 juli 2017 heeft AV dupliek ingediend. Bij brief van diezelfde dag heeft AV afstand gedaan van de incidentele hogere voorziening. Op 4 augustus 2017 heeft de Commissie aangegeven geen opmerkingen over die afstand te hebben.

21 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 september 2017, heeft AV verzocht om op grond van artikel 207 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te worden gehoord in de mondelinge behandeling van de procedure. De Commissie heeft binnen de in diezelfde bepaling daartoe voorziene termijn geen verzoek tot het houden van een terechtzitting ingediend.

22 Op 21 november 2017 heeft de Tweede kamer op voorstel van de rechter-rapporteur besloten om de mondelinge behandeling te openen.

23 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht dat in eerste aanleg uitspraak doet; – de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

24 AV verzoekt het Gerecht: – de hogere voorziening kennelijk ongegrond te verklaren; – in het kader van de incidentele hogere voorziening, de Commissie te veroordelen tot betaling van het bedrag van 50000 EUR ter vergoeding van zijn materiële en immateriële schade; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

25 Het Gerecht neemt akte van het feit dat AV afstand heeft gedaan van zijn incidentele hogere voorziening. Het kan zich derhalve niet langer uitspreken over zijn vordering om de Commissie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 50000 EUR ter vergoeding van zijn materiële en immateriële schade.

In rechte

26 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan. In het kader van het eerste middel stelt zij dat het Gerecht voor ambtenarenzaken, door te oordelen dat de buitensporige vertraging bij de vaststelling van het besluit van 16 september 2014 de inhoud van dat besluit had kunnen beïnvloeden, het beginsel van de redelijke termijn verkeerd heeft toegepast en de motiveringsplicht niet is nagekomen. Het tweede middel is ontleend aan schending van het beginsel van het gezag van gewijsde van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96).

27 Het Gerecht is van oordeel dat eerst het tweede middel en daarna het eerste middel moet worden onderzocht.

Tweede middel: schending van het beginsel van het gezag van gewijsde

28 In het kader van het tweede middel stelt de Commissie dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het gezag van gewijsde van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), heeft geschonden.

29 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen, als een goede rechtspleging te garanderen, het van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht (arrest van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 38), en dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden, om die reden gezag van gewijsde genieten.

30 Voorts moet worden beklemtoond dat het gezag van gewijsde geldt voor de feitelijke en rechtspunten die door het betrokken arrest daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (zie in die zin beschikking van 17 december 2009, Nijs/Rekenkamer, T‑567/08 P, EU:T:2009:523, punt 32, en arrest van 25 februari 2015, Walton/Commissie, T‑261/14 P, EU:T:2015:110, punt 36), en dat dit gezag niet alleen geldt voor het dictum van die beslissing, maar ook voor de overwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden zijn (arrest van 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C‑221/10 P, EU:C:2012:216, punt 87).

31 Ten slotte is geoordeeld dat zelfs al komen de ter onderbouwing van een beroep aangevoerde grieven tot op zekere hoogte overeen met die welke in het kader van een eerder beroep zijn aangevoerd, het tweede beroep geen herhaling van het eerste vormt, maar een nieuw beroep, voor zover het eveneens gebaseerd is op andere middelen feitelijk en rechtens (arrest van 13 september 2011, Michail/Commissie, F‑100/09, EU:F:2011:132, punt 31; zie eveneens in die zin arrest van 12 december 1996, Altmann e.a./Commissie, T‑177/94 en T‑377/94, EU:T:1996:193, punt 52).

32 In casu moet worden opgemerkt dat de nietigverklaring van het besluit van 12 april 2010 en die van het besluit van 16 september 2014 bij het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), respectievelijk bij het bestreden arrest, niet gebaseerd zijn op dezelfde gronden.

33 In het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), dat gezag van gewijsde heeft gekregen, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken zijn beslissing om het besluit van 12 april 2010 nietig te verklaren immers gebaseerd op de niet-eerbiediging van de procedure van artikel 32 RAP. In die context heeft het zonder enige dubbelzinnigheid beklemtoond dat het niet nodig was om de grief ontleend aan schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn te onderzoeken.

34 De vraag rijst echter of het Gerecht voor ambtenarenzaken in de rechtsoverwegingen van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), die de nodige ondersteuning aan het dictum ervan bieden, reeds een standpunt had ingenomen over de vraag of er sprake was van schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn en eventueel over het gevolg van die schending voor de vaststelling van een nieuw besluit overeenkomstig de procedure van artikel 32 RAP.

35 Vastgesteld zij dat uit geen enkele rechtsoverweging van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), blijkt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken direct of indirect een standpunt heeft willen innemen over de vraag of er sprake was van schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn en, a fortiori, over de gevolgen daarvan.

36 Anders dan de Commissie in wezen stelt, kan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), het besluit van 12 april 2010 nietig heeft verklaard op basis van schending van artikel 32 RAP, niet aldus worden uitgelegd dat het daarmee impliciet de vraag heeft beantwoord of er sprake was van schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn, en dat het zodoende het TAOBG toestemming heeft gegeven om het besluit van 12 april 2010 in te trekken en volgens de procedure van artikel 32 RAP een nieuw besluit te nemen, waardoor elke eventuele discussie over de vraag of er sprake was van schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn en, a fortiori, over de gevolgen daarvan, definitief wordt verhinderd.

37 Een dergelijke uitlegging is des te minder verdedigbaar daar deze in strijd is met punt 42 van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), waarin het Gerecht voor ambtenarenzaken, zoals in punt 33 hierboven in herinnering is gebracht, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het het niet nodig achtte om de andere middelen van het verzoekschrift te onderzoeken.

38 Hieruit volgt dat de Commissie is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat het Gerecht voor ambtenarenzaken zich in het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), had uitgesproken over het middel ontleend aan schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn.

39 Bovendien moet worden opgemerkt dat de rechtsoverwegingen die de noodzakelijke ondersteuning aan het dictum van het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), bieden, in casu slechts betrekking hadden op artikel 32 RAP. Zelfs al had het Gerecht voor ambtenarenzaken het middel ontleend aan schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn onderzocht en had het geconcludeerd dat hiervan geen sprake was of dat die schending geen gevolg had voor het besluit dat het voorwerp van het beroep vormde, geen van de op dat middel betrekking hebbende rechtsoverwegingen had dus gezag van gewijsde gekregen, aangezien zij niet de noodzakelijke ondersteuning aan het dictum van dat arrest boden.

40 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.

Eerste middel: onjuiste toepassing van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn en niet-nakoming van de motiveringsplicht

41 In het kader van het eerste middel stelt de Commissie dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn onjuist heeft toegepast. Om te beginnen heeft het geen rekening gehouden met het feit dat een besluit slechts bij wijze van uitzondering wegens schending van dat beginsel nietig wordt verklaard. Voorts heeft het ten onrechte geoordeeld dat de buitensporige vertraging bij de vaststelling van het besluit van 16 september 2014 van invloed kon zijn op de inhoud daarvan. Ten slotte is het bestreden arrest in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd, aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken niet heeft aangegeven waarom het buitensporige tijdsverloop de inhoud van dat besluit heeft beïnvloed.

42 AV betwist de argumenten van de Commissie. Om te beginnen stelt hij dat het bestreden arrest toereikend is gemotiveerd, aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken in de punten 44 tot en met 51 daarvan duidelijk heeft aangegeven waarom het van oordeel was dat in casu de redelijke termijn was overschreden en waarom het buitensporige tijdsverloop invloed had kunnen hebben op de inhoud van het besluit van 16 september 2014. Voorts stelt hij dat hij, gezien het buitensporige tijdsverloop, onmogelijk zinvolle preciseringen heeft kunnen geven over de verklaringen die hij tijdens het onderzoek bij aanwerving heeft afgelegd. Hij verwijt de Commissie dat zij de arts die dat onderzoek en het jaarlijks medisch onderzoek van 2006 heeft verricht, niet heeft gevraagd om te preciseren hoe het onderzoek was verlopen noch om aan te geven waarom hij in 2006 zonder voorbehoud een advies van geschiktheid had uitgebracht, terwijl hij op de hoogte was van zijn ziekte. Voorts beklemtoont hij dat de Commissie op zijn aanstelling pas het medisch voorbehoud heeft toegepast nadat was vastgesteld dat hij getroffen was door een blijvende en volledige invaliditeit waardoor hij niet meer zijn functie kon uitoefenen. Bovendien stelt hij vast dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de invaliditeitscommissie zich niet had uitgesproken over de afzonderlijke vraag of zijn ziekte reden was geweest voor de toepassing van een medisch voorbehoud. Hij betoogt in die context dat de Commissie door haar stilzitten gedurende drie jaar en zeven maanden het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn heeft geschonden. Ten slotte heeft de Commissie artikel 266 VWEU geschonden door niet de maatregelen te treffen die het arrest van 10 juli 2012, AV/Commissie (F‑4/11, EU:F:2012:96), meebracht, aangezien zij ten onrechte heeft nagelaten om een raadgevend arts het mandaat te geven, te onderzoeken of zijn ziekte reden zou zijn geweest voor de toepassing van het medisch voorbehoud.

43 Om te beginnen moet worden beklemtoond dat de Commissie in repliek duidelijk en expliciet heeft aangegeven dat „de vaststelling van het [Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest dat] de termijn om met terugwerkende kracht het medisch voorbehoud toe te passen buitensporig was, niet [werd] betwist”, en heeft gepreciseerd dat „[d]e kritiek op het bestreden arrest betrekking [had] op de conclusies die [dat Gerecht] uit die vaststelling [had] getrokken, namelijk de nietigverklaring van het [litigieuze] besluit”.

44 Derhalve moet worden opgemerkt dat de Commissie niet betwist dat zij, door pas drie jaar en zeven maanden nadat zij erover was geïnformeerd dat verzoeker zelf had erkend dat hij bij het medisch onderzoek bij aanwerving niet had gesproken over zijn ziekte het besluit van 9 juli 2009 vast te stellen, het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn heeft geschonden. Zij betwist evenmin dat de besluiten van 12 april 2010 en 16 september 2014 daardoor evenmin binnen een redelijke termijn zijn vastgesteld. Zij stelt echter de vaststellingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest ter discussie dat het buitensporige tijdsverloop invloed kon hebben gehad op de inhoud van het besluit van 16 september 2014.

45 Volgens de rechtspraak vormt de verplichting om in administratieve procedures een redelijke termijn in acht te nemen een algemeen beginsel van het Unierecht, waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert en dat overigens in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten is overgenomen als een bestanddeel van het recht op behoorlijk bestuur (arresten van 11 april 2006, Angeletti/Commissie, T‑394/03, EU:T:2006:111, punt 162, en 6 december 2012, Füller-Tomlinson/Parlement, T‑390/10 P, EU:T:2012:652, punt 115).

46 De schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn rechtvaardigt in de regel evenwel niet de nietigverklaring van het besluit dat aan het einde van een administratieve procedure is genomen. De niet-inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn tast immers alleen de geldigheid van de administratieve procedure aan, wanneer het buitensporige tijdsverloop invloed heeft kunnen hebben op het besluit dat aan het einde van de administratieve procedure wordt genomen (arresten van 6 december 2012, Füller-Tomlinson/Parlement, T‑390/10 P, EU:T:2012:652, punt 116, en 12 mei 2016, Guittet/Commissie, F‑92/15, EU:F:2016:118, punt 76).

47 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat in het bijzondere geval waarin na het medisch onderzoek bij aanwerving blijkt dat een functionaris de vragen die de raadgevend arts bij dat onderzoek over zijn gezondheid heeft gesteld, niet eerlijk en volledig heeft beantwoord, het het TAOBG vrijstaat om zijn oorspronkelijke besluit om het medisch voorbehoud niet toe te passen in te trekken en een nieuw besluit te nemen om dat voorbehoud met terugwerkende kracht toe te passen (arrest van 20 juli 2016, HC/Commissie, F‑132/15, EU:F:2016:158, punt 85).

48 In het licht van deze rechtspraak moet het eerste middel worden onderzocht.

49 Eerst moet de grief van de Commissie worden onderzocht dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd, aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken daarin niet heeft aangeven waarom het van oordeel was dat het buitensporige tijdsverloop de inhoud van het besluit van 16 september 2014 had kunnen beïnvloeden.

50 Er zij aan herinnerd dat de arresten van het Gerecht voor ambtenarenzaken voldoende gemotiveerd moeten zijn om het Gerecht in staat te stellen zijn rechterlijke toezicht uit te oefenen. De motivering kan impliciet zijn, mits de betrokken partij de redenen kan kennen waarom de rechter in eerste aanleg zijn argumenten heeft afgewezen en de rechter in hogere voorziening over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arresten van 16 december 2010, Lebedef/Commissie, T‑52/10 P, EU:T:2010:543, punten 83 en 84, en 23 april 2015, BX/Commissie, T‑352/13 P, EU:T:2015:225 punt 44). De motiveringsplicht is overigens een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67, en 21 april 2004, M/Hof van Justitie, T‑172/01, EU:T:2004:108, punt 61).

51 In casu bevatten de punten 50 tot en met 54 van het bestreden arrest de redenen waarom het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft geoordeeld dat het buitensporige tijdsverloop invloed had kunnen hebben op de inhoud van het besluit dat na afloop van de administratieve procedure is genomen, namelijk het besluit van 16 september 2014. Dat Gerecht heeft immers uiteengezet dat het eerste besluit om op de aanstelling van AV het medisch voorbehoud toe te passen, namelijk het besluit van 9 juli 2009, bijna drie maanden na de beëindiging van zijn overeenkomst was genomen, acht maanden na zijn verzoek om de invaliditeitscommissie in te schakelen, meer dan drie jaar en zeven maanden nadat het TAOBG kennis had genomen van zijn ziekte en na de bevestiging door de invaliditeitscommissie dat hij wegens die ziekte blijvend en volledig invalide was. Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft op grond hiervan vastgesteld dat het besluit van 9 juli 2009 feitelijk was omgezet in een besluit om AV met onmiddellijke ingang uit te sluiten van de waarborgen die op het gebied van invaliditeit zijn voorzien. In wezen heeft het dus geoordeeld dat het buitensporige tijdsverloop noodgedwongen invloed had gehad op de inhoud van dat besluit.

52 Die motivering stelt het Gerecht in staat om zijn rechterlijke toezicht uit te oefenen en geeft de Commissie inzicht in de redenen waarom het Gerecht voor ambtenarenzaken haar argumenten niet heeft aanvaard. Hieruit volgt dat de grief van de Commissie ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht moet worden afgewezen.

53 Ten gronde moet worden onderzocht of het Gerecht voor ambtenarenzaken terecht heeft kunnen oordelen dat de schending van het beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn invloed had kunnen hebben op de inhoud van het besluit van 16 september 2014.

54 Allereerst moet eraan worden herinnerd dat het TAOBG in het besluit van 16 september 2014 heeft aangegeven dat het zich had gebaseerd op de conclusies van de artsen die lid waren van de invaliditeitscommissie, welke op 30 april 2013 waren vastgesteld. Volgens deze conclusies „was de ziekte van [AV], indien hij deze had gemeld aan de arts die hem tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving daarnaar vroeg, reden geweest voor de toepassing van het medisch voorbehoud voorzien in artikel 32 RAP”. Uit het besluit van het TAOBG volgt dus dat het besluit om op de aanstelling van AV het medisch voorbehoud toe te passen uitsluitend was gebaseerd op de ziekte die hij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving had moeten melden, maar niet op het verloop van die ziekte na het onderzoek.

55 Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft in de punten 50 tot en met 53 van het bestreden arrest nochtans geoordeeld dat het buitensporige tijdsverloop tussen het moment waarop het TAOBG kennis had genomen van het bestaan van de ziekte van AV en het besluit van 9 juli 2009 waarbij op zijn aanstelling het medisch voorbehoud is toegepast, invloed had gehad op de inhoud van dat besluit (en dientengevolge op de inhoud van de besluiten van 12 april 2010 en 16 september 2014). Het heeft immers verschillende omstandigheden genoemd die zich gedurende dat buitensporige tijdsverloop hadden voorgedaan, namelijk dat het besluit van 9 juli 2009 is genomen na de beëindiging van de overeenkomst, na het verzoek van AV om de invaliditeitscommissie in te schakelen, een aantal jaren nadat het TAOBG kennis had gekregen van zijn ziekte en nadat de invaliditeitscommissie had bevestigd dat hij blijvend en volledig invalide was. Door die gebeurtenissen tijdens die lange periode was het besluit om met terugwerkende kracht tot de dag van zijn indiensttreding het medisch voorbehoud op AV toe te passen, naar het oordeel van het Gerecht feitelijk omgezet in een besluit om hem met onmiddellijke ingang voor een reeds bestaande invaliditeit uit te sluiten van de waarborgen die op het gebied van invaliditeit zijn voorzien.

56 Vastgesteld moet worden dat het Gerecht voor ambtenarenzaken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op basis van de in punt 55 hierboven omschreven omstandigheden te oordelen dat het buitensporige tijdsverloop invloed had gehad op het besluit van 16 september 2014.

57 Opgemerkt zij immers dat het TAOBG in casu twee afzonderlijke besluiten heeft genomen, namelijk een krachtens artikel 33 RAP genomen besluit om AV wegens blijvende en volledige invaliditeit te pensioneren en een krachtens artikel 32 RAP genomen besluit om op zijn aanstelling het medisch voorbehoud toe te passen. De besluiten zijn dus op basis van de criteria van elk van die bepalingen genomen.

58 Ofschoon het besluit om op een aanstelling een medisch voorbehoud toe te passen chronologisch gezien wordt genomen tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving en dus in beginsel voorafgaat aan de conclusies van de invaliditeitscommissie en het besluit van het TAOBG over de pensionering wegens invaliditeit van een functionaris, is het besluit om op de aanstelling het medisch voorbehoud toe te passen alleen wegens de bijzondere omstandigheden van het geval pas genomen na de conclusies over zijn pensionering wegens invaliditeit en na de beëindiging van zijn overeenkomst.

59 Door te oordelen dat het besluit van 16 september 2014„feitelijk [was] omgezet” in een besluit om AV met onmiddellijke ingang uit te sluiten van de waarborgen die op het gebied van invaliditeit zijn voorzien, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken zich in casu gebaseerd op het vermoeden dat wanneer een besluit om de aanstelling wegens ziekte vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud, wordt genomen na de conclusies om de betrokkene om diezelfde redenen te pensioneren wegens invaliditeit en na de beëindiging van de overeenkomst, die omstandigheden automatisch gevolgen hebben voor de inhoud van dat besluit. Gelet op het feit dat het besluit om op de aanstelling het medisch voorbehoud toe te passen uitsluitend was gebaseerd op informatie die verzoeker tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving had moeten vermelden, kan op grond van de omstandigheden dat het besluit om de aanstelling vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud, is genomen na de beëindiging van de overeenkomst en na de conclusies van de invaliditeitscommissie over de pensionering wegens invaliditeit, op zich niet worden vastgesteld dat het buitensporige tijdsverloop invloed heeft gehad op de inhoud van dat besluit.

60 Zoals in punt 47 hierboven is opgemerkt, moet er voorts aan worden herinnerd dat in het bijzondere geval waarin na het medisch onderzoek bij aanwerving blijkt dat een functionaris de vragen die de raadgevend arts hem tijdens dat onderzoek over zijn gezondheidstoestand heeft gesteld, niet eerlijk en volledig heeft beantwoord, het het TAOBG vrijstaat om zijn oorspronkelijke besluit om het medisch voorbehoud niet toe te passen in te trekken en een nieuw besluit te nemen waarbij dat voorbehoud met terugwerkende kracht wordt toegepast (arrest van 20 juli 2016, HC/Commissie, F‑132/15, EU:F:2016:158, punt 85).

61 Het bestreden arrest bevat geen enkel concreet onderdeel om, zoals de in punt 46 hierboven aangehaalde rechtspraak dat vereist, te kunnen vaststellen dat het buitensporige tijdsverloop juridisch of feitelijk gezien invloed had kunnen hebben op het besluit om de aanstelling vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud.

62 Met andere woorden, op grond van de omstandigheden waarop het Gerecht voor ambtenarenzaken zich in het bestreden arrest heeft gebaseerd kan niet worden vastgesteld dat het besluit van 16 september 2014 een andere inhoud had kunnen hebben, indien het vóór de conclusies van de invaliditeitscommissie of vóór de beëindiging van de overeenkomst was genomen.

63 Bij gebreke van elk concreet element ten bewijze van de reële of potentiële invloed van het buitensporige tijdsverloop op het besluit van 16 september 2014, kan de uitsluiting van AV van de waarborgen op het gebied van invaliditeit niet worden aangemerkt als het resultaat van een feitelijke omzetting van het besluit om de aanstelling vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud. Integendeel, die uitsluiting kan in dit stadium niet anders worden uitgelegd dan dat zij het gevolg is van twee afzonderlijke besluiten, namelijk het eerste om de aanstelling van AV vergezeld te doen gaan van het medisch voorbehoud wegens de ziekte die vóór zijn aanstelling bestond en ten aanzien waarvan de invaliditeitscommissie had vastgesteld dat deze, indien zij tijdens het medisch onderzoek bij aanwerving was vermeld, een reden zou zijn geweest voor de toepassing van het medisch voorbehoud, en het tweede om AV, die wegens die ziekte blijvend en volledig invalide was verklaard, wegens invaliditeit te pensioneren.

64 Gelet op het voorgaande is het eerste middel gegrond. De hogere voorziening moet derhalve worden toegewezen en het bestreden arrest moet worden vernietigd.

Gevolgen van de vernietiging van het bestreden arrest

65 Artikel 4 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), bepaalt dat indien het Gerecht een beslissing van het Gerecht voor ambtenarenzaken vernietigt, maar van oordeel is dat de zaak niet in staat van wijzen is, het de zaak verwijst naar een andere kamer dan die welke op de hogere voorziening uitspraak heeft gedaan.

66 In casu heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken noch het eerste middel onderzocht, dat was ontleend aan schending van artikel 32 RAP, noch het tweede, dat was ontleend aan schending van de voorwaarden voor de intrekking van een handeling waardoor subjectieve rechten ontstaan. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat het niet over de zaak kan beslissen. Mitsdien moet de zaak worden verwezen naar een andere kamer van het Gerecht dan die welke op de onderhavige hogere voorziening uitspraak heeft gedaan.

Kosten

67 Daar de zaak wordt verwezen naar een andere kamer van het Gerecht dan die welke op de onderhavige hogere voorziening uitspraak heeft gedaan, moet de beslissing omtrent de kosten van deze procedure in hogere voorziening worden aangehouden.

HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen), rechtdoende, verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 21 juli 2016, AV/Commissie (F‑91/15), wordt vernietigd.

2) De zaak wordt verwezen naar een andere kamer van het Gerecht dan die welke op de onderhavige hogere voorziening uitspraak heeft gedaan.

3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Jaeger Prek Dittrich Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 mei 2018. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in