Gerecht EU 22 maart 2018, T-581/16, ECLI:EU:T:2018:169

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

22 maart 2018 ( *1 )

„Openbare dienst – Ambtenaren – Oproep tot het indienen van blijken van belangstelling – Secretaris-generaal bij het Bureau van de Europese Ombudsman – Advies van het adviescomité – Advies buiten beschouwing gelaten – Schending van de selectieprocedure – Kennelijke beoordelingsfouten – Gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Aansprakelijkheid”

In zaak T‑581/16,

Costas Popotas, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Unie, wonende te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door V. Christianos en S. Paliou, advocaten,

verzoeker,

tegen

Europese Ombudsman, vertegenwoordigd door L. Papadias, P. Dyrberg en A. Antoniadis als gemachtigden, bijgestaan door A. Duron, advocaat,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste strekkende tot nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van G. in het ambt van secretaris-generaal bij het Bureau van de Ombudsman, van het besluit van 9 november 2015 tot afwijzing van de klachten die verzoeker tegen dat besluit heeft ingediend en van het besluit van de Ombudsman om hem niet uit te nodigen voor een gesprek, en ten tweede tot vergoeding van de schade die verzoeker als gevolg van die besluiten zou hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva en R. Barents (rapporteur), rechters,

griffier: S. Spyropoulos, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 september 2017,

het navolgende

Arrest

I. Toepasselijke wetgeving

1 Artikel 27, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt: „De aanwerving is erop gericht de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten [van de Europese Unie] zijn aangeworven met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis.”

2 Op 19 februari 2015 heeft de Europese Ombudsman een oproep bekendgemaakt voor het indienen van blijken van belangstelling met het oog op de aanwerving van een secretaris-generaal van de rang AD 15/16 bij het Bureau van de Ombudsman (OMB/2/2015) (hierna: „OBB”).

3 In punt 6 van de OBB worden de volgende selectiecriteria genoemd: „– Ervaring op het gebied van de samenwerking met of het werk binnen een instelling of een orgaan van de EU, of op het gebied van de samenwerking met of het werk binnen het Bureau van een nationale ombudsman of een vergelijkbare instantie; — goede kennis van Europese zaken, instellingen en wetgeving; — relevante ervaring en aantoonbaar succes als leidinggevende op een gebied dat overeenkomt met de activiteiten van het Bureau; — goed begrip van de rol van een ombudsman binnen de overheid; — bewezen ervaring bij de uitvoering van een strategische wijziging; — kennis van management en budgetplanning; — kennis van moderne human resources strategieën en procedures; — kennis van moderne IT-strategieën en -processen; — uitstekende communicatie-, netwerk- en motivatievaardigheden van het personeel; — enorme betrokkenheid bij een EU die naar de burgers luistert; — enorme betrokkenheid bij de visie en de strategie van de Ombudsvrouw; — het vermogen om effectief te communiceren in het Engels en het Frans is om praktische redenen noodzakelijk. Kennis van andere officiële talen van de Europese Unie is een voordeel.”

4 Punt 7 van de OBB, „Selectieprocedure”, vermeldt: „Alle kandidaten ontvangen een ontvangstbevestiging. Een adviescomité zal het tot aanstelling bevoegd gezag bijstaan en de sollicitaties met hulp van de eenheid ‚Personeelszaken, administratie en begroting’ beoordelen. Dit comité zal een lijst voorstellen van kandidaten die worden uitgenodigd voor een gesprek. Het adviescomité kan aanbevelen om het aantal kandidaten dat voor een gesprek wordt uitgenodigd te beperken. De Ombudsvrouw kan besluiten om alleen bepaalde kandidaten op de door het adviescomité aanbevolen lijst uit te nodigen. Alle kandidaten worden op de hoogte gebracht van de uitkomst van de selectieprocedure.”

5 De uiterste termijn voor de ontvangst van de sollicitaties was volgens punt 8 van de OBB 22 maart 2015 om 12.00 uur ’s middags.

6 Voorts bepaalt punt 8 van de OBB dat de sollicitaties het volgende moeten omvatten: „a) een volledig ingevuld sollicitatieformulier, dat vooraf op de website van de Ombudsman is gedownload […]; b) een in het Engels geschreven brief waarin de motivatie van de kandidaat wordt uiteengezet en de redenen waarom hij denkt te beschikken over de vaardigheden, kennis en bekwaamheden die nodig zijn voor de functie; c) een kopie van het curriculum vitae van de kandidaat; d) een kopie van een officieel document om de nationaliteit van de kandidaat te kunnen vaststellen; e) een kopie van de diploma’s (een beëdigde vertaling is niet noodzakelijk, maar een Franse of Engelse vertaling wordt op prijs gesteld); f) bewijzen van de beroepservaring van de kandidaat, met duidelijke begin- en einddatum en de exacte aard van de activiteiten, zodat kan worden vastgesteld of de kandidaat over de nodige kwalificaties en kennis beschikt zoals uiteengezet in het hoofdstuk ‚selectiecriteria’; g) de kandidaten moeten ook een verklaring en, indien mogelijk, een bewijs van hun taalvaardigheid verstrekken; h) voor ambtenaren van andere instellingen van de EU, een kopie van hun laatste drie beoordelingsrapporten (indien beschikbaar); i) een geldig e-mailadres dat het Bureau van de Ombudsman voor zijn communicatie zal gebruiken. Voor verificatiedoeleinden kunnen later originele versies worden gevraagd van de documenten vermeld [onder d), e), f), g) en h)]. Onvolledige sollicitaties of sollicitaties die (ten dele of geheel) zijn ingediend na de uiterste datum voor indiening daarvan, worden niet in aanmerking genomen.”

II. Voorgeschiedenis van het geding

7 Op 19 maart 2015 heeft de Ombudsman de lijst bekendgemaakt van de leden van het adviescomité voor de selectieprocedure OMB/2/2015, welk comité bestond uit de volgende leden: A., D., S. en H. Voorts werden een waarnemer en een secretaresse ten behoeve van dit comité aangewezen.

8 Op 20 maart 2015 heeft verzoeker, Costas Popotas, per e-mail de volledige documentatie met betrekking tot zijn sollicitatie naar de functie van secretaris-generaal doorgestuurd, waarbij hij preciseerde dat zijn beoordelingsrapport over 2014 op dat moment werd afgerond.

9 Bij e-mail van 24 maart 2015 heeft de Ombudsman de ontvangst van verzoekers sollicitatie bevestigd.

10 Op 27 maart 2015 heeft verzoeker zijn laatste beoordelingsrapport doorgezonden, dat diezelfde dag was opgesteld en het jaar 2014 betrof. Hij voegde hieraan toe dat ofschoon dit beoordelingsrapport na de uiterste termijn was toegezonden, hij het niettemin op prijs zou stellen indien dit werd voorgelegd aan het adviescomité.

11 Op 9 april 2015 heeft het adviescomité de Ombudsman per e-mail laten weten dat het de beoordeling van alle, aan hem voorgelegde sollicitaties had afgerond. Voorts heeft het in alfabetische volgorde de lijst opgesteld van de twaalf kandidaten die zijns inziens moesten worden uitgenodigd voor een gesprek bij de Ombudsman. Op deze in alfabetische volgorde opgestelde lijst was verzoeker op de elfde en G. op de zevende plaats opgenomen.

12 Bij e-mail van diezelfde dag heeft de Ombudsman de waarnemer van het adviescomité meegedeeld dat hij had besloten om slechts acht van de twaalf door dat comité voorgestelde kandidaten uit te nodigen voor een gesprek, waaronder G. en met uitsluiting van verzoeker.

13 Bij e-mail van 10 april 2015 heeft het hoofd van de eenheid Personeelszaken, Administratie en Begroting verzoeker meegedeeld dat het adviescomité had besloten om hem ondanks zijn aanzienlijke verdiensten niet aan te bevelen voor een gesprek. Er werd eveneens gepreciseerd dat indien verzoeker het niet eens was met dit besluit, hij tot en met 17 april 2015 een met redenen omkleed verzoek om herziening van dat besluit kon indienen.

14 Op 17 april 2015 hebben de gesprekken plaatsgevonden met de acht, door de Ombudsman geselecteerde kandidaten en op 22 april 2015 hebben drie van hen opnieuw een gesprek gehad.

15 Op 8 mei 2015 heeft verzoeker door raadpleging van de website van het tijdschrift Politico kennis gekregen van het feit dat G. was aangesteld als secretaris-generaal van de Ombudsman. Op 4 mei 2015 was diezelfde informatie meegedeeld aan het adviescomité.

16 Op 18 mei 2015 heeft verzoeker bij de Ombudsman een verzoek ingediend om toegang tot de documenten betreffende procedure OMB/2/2015, met name tot de verslagen van het adviescomité dat was benoemd om het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) bij te staan en het voorstel dat laatstgenoemd gezag ter beoordeling was voorgelegd.

17 Op 26 mei 2015 heeft de Ombudsman verzoeker meegedeeld dat het adviescomité „geen verslag van zijn bijeenkomst [had] opgesteld, zodat hij geen mogelijke toegang van het publiek tot dat document kon overwegen/onderzoeken”. Met betrekking tot verzoekers verzoek om toegang tot het voorstel dat ter beoordeling van het TABG was voorgelegd gaf de Ombudsman aan dat „het adviescomité geen afzonderlijk document met een dergelijk voorstel [had] ingediend, maar zijn beoordeling langs de administratieve weg aan de Ombudsman kenbaar [had] gemaakt middels de relevante onderdelen van de bovengenoemde nota van 13 mei 2015”.

18 Op 3 juni 2015 heeft de Ombudsman verzoeker naar aanleiding van zijn verzoek om toegang tot bepaalde documenten de nota van 13 mei 2015 toegezonden, betreffende selectieprocedure OMB/2/2015 voor de aanwerving van een secretaris-generaal. Deze nota, die het hoofd van de eenheid Personeelszaken, Administratie en Begroting op 13 mei 2015 had opgesteld en die was goedgekeurd door de Ombudsman, gaf een korte samenvatting van de selectieprocedure die was gevolgd sinds de bekendmaking van de OBB tot en met het besluit om de functie aan te bieden aan G. De nota bevatte drie bijlagen: de eerste betrof de geschiktheid van de kandidaten, de tweede de punten die het adviescomité aan de geschikte kandidaten had toegekend en de derde de punten die het adviescomité had toegekend aan de acht kandidaten die aan de eerste ronde van gesprekken hadden deelgenomen.

19 Op 4 juni 2015 heeft verzoeker de Ombudsman gevraagd om opheffing van de anonimiteit van zijn sollicitatie in bijlage 2 bij de nota van 13 mei 2015.

20 Op 9 juni 2015 is verzoeker door de diensten van de Ombudsman ervan op de hoogte gesteld dat zijn sollicitatie nummer 51 was.

21 Op 10 juni 2015 heeft verzoeker de Ombudsman gevraagd om toegang tot de volgende documenten: – „[de] kopieën van de [curricula vitae] van de kandidaten nrs. 3, 7 en 47 (indien nodig anoniem gemaakt) en van G.; – de criteria om de kandidaten op te roepen voor een gesprek, zoals uiteengezet in bijlage 3 [bij] de nota van de Ombudsman van 13 mei 2015 […]; – [de] kopieën van alle e-mails of brieven (indien nodig anoniem gemaakt) die vanaf 10 april aan de kandidaten met de nrs. 7 en 47 zijn gezonden.”

22 Op 11 juni 2015 heeft verzoeker de Ombudsman laten weten dat hij van mening was dat de aan hem toegekende punten geen verband hielden met de overgelegde documentatie.

23 Verzoeker heeft derhalve gevraagd om „van het adviescomité specifieke motiveringen te ontvangen met betrekking tot: – de subcriteria die [waren] toegepast voor de beoordeling van de elementen A, G en H van bijlage 2, met name de redenering die het mogelijk [had] gemaakt om bepaalde kandidaten het maximumaantal punten te geven; – de elementen van [zijn] dossier op grond waarvan het niet mogelijk [was] geweest om voor onderdeel A het maximumaantal punten te krijgen; – de redenen waarom het comité, gelet op het feit dat [hij] vrijwel voortdurend betrokken was bij kwesties op het gebied van het personeelsbeheer, met name op interinstitutioneel niveau, het niet passend [had] geacht om hem het maximumaantal punten te geven, of zelfs meer dan 3,50 voor onderdeel G; – de criteria toegepast op [zijn] dossier die [hadden] geresulteerd in bijzonder lage punten voor onderdeel H, gelet op het feit dat [hij] het comité had gewezen op specifieke studies in de informatica, een voortdurende betrokkenheid bij de informatica toegepast op de door hem uitgeoefende activiteiten, geavanceerde opleidingen en publicaties op dat gebied en de deelneming aan verenigingen van hoog niveau op dat gebied.”

24 Verzoeker voegde hieraan toe dat hij in het register van de Ombudsman tegelijkertijd verzoek INC2015‑005124 om toegang tot documenten had gedaan.

25 Bij brief van 17 juni 2015, welke verzoeker is toegezonden bij e-mail van 18 juni 2015, heeft de Ombudsman in antwoord op verzoekers verzoek van 10 juni 2015 het curriculum vitae van G. toegezonden, waarbij hij preciseerde dat de curricula vitae van de andere kandidaten hem niet konden worden toegezonden wegens rechten in verband met de bescherming van persoonsgegevens. Bovendien ontving verzoeker, conform zijn verzoek, een kopie van de correspondentie met de kandidaten nrs. 7 en 47.

26 Op 26 juni 2015 heeft het Bureau van de Ombudsman verzoeker in antwoord op zijn e-mail van 11 juni 2015 laten weten dat een antwoord op zijn verzoek werd uitgewerkt en hem zo spoedig mogelijk zou worden toegezonden.

27 Verzoeker heeft de Ombudsman meegedeeld dat hij in beginsel ten laatste op 10 juli 2015 het antwoord verwachtte.

28 Op 10 juli 2015 heeft verzoeker uit voorzorg een klacht ingediend uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Ten eerste stelde hij dat de procedure werd gekenmerkt door fouten en incoherenties die aanwijzingen waren voor misbruik van procedure, met name als gevolg van het feit dat hij niet was uitgenodigd voor een mondeling onderhoud, en dit in tegenstelling tot kandidaat nr. 47, met wie hij ex aequo de negende positie innam, zonder dat daarvoor enige objectieve rechtvaardiging kan worden gegeven. Ten tweede was hij van mening dat er beoordelingsfouten waren gemaakt ten aanzien van zijn kwalificaties wat de onderdelen „G. Kennis van moderne strategieën en procedures op het gebied van human resources” en „H. Kennis van moderne strategieën en procedures op het gebied van informatietechnologieën” betreft, gelet op de bij zijn sollicitatie verstrekte elementen en het daarbij gevoegde curriculum vitae. Hij heeft het TABG derhalve verzocht om de fasen van de selectieprocedure na de nota van 13 mei 2015 nietig te verklaren, met name de benoeming van G. in het ambt van secretaris-generaal bij het Bureau van de Ombudsman, en om de door hem geleden materiële en immateriële schade te vergoeden.

29 Op 17 juli 2015 heeft het Bureau van de Ombudsman de ontvangst van die klacht bevestigd.

30 Op 21 september 2015 heeft verzoeker om een kopie gevraagd van het besluit tot aanstelling van G., welke hem is toegezonden bij e-mail van 5 oktober 2015.

31 Op 14 oktober 2015 heeft verzoeker een tweede klacht op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend, waarin hij de in zijn eerste klacht geformuleerde grieven handhaafde (zie punt 28 hierboven). Hij voegde daar echter aan toe dat voor de uiteindelijk gekozen kandidaat rekening was gehouden met niet-voorziene beoordelingselementen, hetgeen strijdig was met het beginsel van gelijke behandeling. Voorts stelde hij dat de selectieprocedure globaal niet voldeed aan de regels voor behoorlijk bestuur die een instelling als de Ombudsman moeten leiden. Hij verzocht derhalve om nietigverklaring van de fasen van de selectieprocedure na de nota van 13 mei 2015, met name de aanstelling van G. in het ambt van secretaris-generaal bij het Bureau van de Ombudsman welke had plaatsgevonden bij besluit van de Ombudsman van 16 juli 2015. Voorts handhaafde hij zijn verzoek om vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade.

32 Bij besluit van 9 november 2015 (hierna: „bestreden besluit”) heeft de Ombudsman verzoeker laten weten dat zijn klachten van 10 juli en 14 oktober 2015 waren afgewezen.

III. Procedure en conclusies van partijen

33 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 17 februari 2016, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

34 De Ombudsman heeft op 26 juni 2016 een verweerschrift ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken neergelegd.

35 Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), is de onderhavige zaak in de stand waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevond, overgedragen aan het Gerecht. Zij is ingeschreven onder nummer T‑581/16 en toegewezen aan de Achtste kamer.

36 Verzoeker heeft op 3 januari 2017 zijn repliek ter griffie van het Gerecht neergelegd en de Ombudsman heeft op 16 maart 2017 zijn dupliek neergelegd.

37 Bij op 7 april 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoek heeft verzoeker het Gerecht uit hoofde van artikel 85, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering gevraagd om bijlage D 1 uit het dossier te verwijderen en geen rekening te houden met de daarop betrekking hebbende argumenten van de Ombudsman.

38 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang verzoeker schriftelijk een vraag gesteld, waarop hij binnen de gestelde termijn heeft geantwoord.

39 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit, waarbij de Ombudsman zijn klachten heeft afgewezen, nietig te verklaren; – het besluit van 10 april 2015, waarbij verzoeker is uitgesloten van een onderhoud, en het besluit van 16 juli 2015 tot aanstelling van G. in het ambt van secretaris-generaal bij het Bureau van de Ombudsman, nietig te verklaren; – de Ombudsman te gelasten om hem het bedrag van 112472,64 EUR te betalen ter vergoeding van de door hem geleden materiële schade; – de Ombudsman te gelasten om hem het bedrag van 30000 EUR te betalen ter vergoeding van de door hem geleden immateriële schade; – de Ombudsman te verwijzen in alle kosten.

40 De Ombudsman verzoekt het Gerecht: – het beroep ten dele niet-ontvankelijk te verklaren; – de vordering op alle onderdelen af te wijzen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

41 Ter terechtzitting heeft verzoeker allereerst een verklaring afgelegd waarmee hij aangaf dat hij het bedrag van zijn verzoek betreffende de financiële schade wilde beperken en dat hij niet langer om betaling van het bedrag van 112472,64 EUR vroeg. Hij preciseerde dat de door hem aangevoerde financiële schade verband hield met het verlies van een kans, zodat hij het Gerecht thans vroeg om ex aequo et bono een forfaitair bedrag te bepalen, waarvan het Gerecht akte heeft genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

IV. In rechte

A. Ontvankelijkheid

42 Zonder een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert de Ombudsman een aantal middelen van niet-ontvankelijkheid aan tegen bepaalde door verzoeker aangevoerde middelen.

43 Ten eerste stelt hij dat de regel van overeenstemming, die vereist dat een voor de Unierechter aangevoerd middel reeds in het kader van de precontentieuze procedure is aangevoerd, in casu niet is geëerbiedigd. Zo hadden de grieven tegen de elementen verstrekt in de nota van 13 mei 2015, welke verzoeker op 3 juni 2015 is toegezonden, en tegen het curriculum vitae van G., dat hem op 18 juni 2015 is toegezonden, reeds in het kader van die procedure moeten worden aangevoerd. De grieven die vóór de instelling van het onderhavige beroep hadden kunnen worden aangevoerd, zijn derhalve niet-ontvankelijk.

44 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 91, lid 2, van het Statuut bepaalt dat een beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen ontvankelijk is indien van tevoren een klacht bij het TABG is ingediend.

45 Volgens vaste rechtspraak vereist de regel van overeenstemming tussen de klacht in de zin van artikel 91, lid 2, van het Statuut en het daaropvolgende verzoekschrift, op straffe van niet-ontvankelijkheid, dat een voor de Unierechter aangevoerd middel reeds in het kader van de precontentieuze procedure is aangevoerd, zodat het TABG kennis kan nemen van de door de belanghebbende tegen het bestreden besluit ingebrachte bezwaren (zie arrest van 25 oktober 2013, Commissie/Moschonaki, T‑476/11 P, EU:T:2013:557, punt 71en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Deze regel wordt gerechtvaardigd door het doel van de precontentieuze procedure, namelijk een minnelijke regeling mogelijk maken van de tussen de ambtenaren en de administratie gerezen geschillen (zie arrest van 25 oktober 2013, Commissie/Moschonaki, T‑476/11 P, EU:T:2013:557, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Blijkens vaste rechtspraak volgt hieruit dat in ambtenarenzaken de voor de Unierechter voorgedragen conclusies enkel bezwaren kunnen bevatten die op dezelfde grond berusten als die waarop de in de klacht geformuleerde bezwaren berusten, met dien verstande dat deze bezwaren voor de Unierechter nader kunnen worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijkerwijs in de klacht moeten voorkomen, doch er wel nauw bij aansluiten (zie arrest van 25 oktober 2013, Commissie/Moschonaki, T‑476/11 P, EU:T:2013:557, punt 73en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 De Ombudsman beroept zich allereerst op de niet-ontvankelijkheid van een deel van het eerste middel, dat, zoals verzoeker in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft gepreciseerd, ontleend is aan schending van de selectieprocedure. Zo kan verzoeker zijns inziens niet meer het feit ter discussie stellen dat de kandidaten tijdens de fase voorafgaand aan het onderhoud op grond van bepaalde selectiecriteria zijn beoordeeld, dat twee gespreksronden en zes criteria met wegingsfactoren zijn gebruikt om de gesprekken te beoordelen en dat de taalvaardigheden van de kandidaten niet overeenkomstig de OBB zijn beoordeeld. Op het moment van indiening van zijn eerste klacht was verzoeker volgens de Ombudsman perfect op de hoogte van het volgende: „– er [zijn] acht selectiecriteria gebruikt tijdens de fase voorafgaande aan de gesprekken; — [verzoeker] is beoordeeld op grond van die criteria; — de beoordeling heeft ertoe geleid dat [verzoeker] is uitgesloten van de volgende fasen van de selectieprocedure; — er zijn twee gespreksronden geweest; — er waren zes beoordelingscriteria van de gesprekken; — er zijn zowel tijdens de fase voorafgaand aan de gesprekken als tijdens de fase van de gesprekken wegingsfactoren toegepast; — de taalvaardigheden zijn tijdens de fase van de gesprekken beoordeeld, en — de talen van de voor de functie gekozen kandidaat waren Engels, Frans en Duits.”

49 Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoeker in zijn eerste klacht heeft gepreciseerd dat de procedure werd gekenmerkt door fouten en incoherenties die erop wezen dat de selectieprocedure niet in acht was genomen, waarbij hij als voorbeeld aangaf dat hij niet voor een mondeling gesprek was uitgenodigd, in tegenstelling tot de kandidaat met wie hij ex aequo de 47e plaats innam. In zijn tweede klacht heeft hij hieraan toegevoegd dat voor de uiteindelijk gekozen kandidaat rekening was gehouden met niet-voorziene beoordelingselementen, hetgeen in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling.

50 Vastgesteld zij dat de door verzoeker genoemde fouten en incoherenties precies en noodzakelijkerwijs alle grieven omvatten die hij in het kader van zijn eerste middel heeft aangevoerd, welke alle betrekking hebben op schending van de selectieprocedure, en waaraan de Ombudsman heeft herinnerd (zie punt 48 hierboven). Hieruit volgt dat die grieven, zelfs al komen zij niet expressis verbis voor in verzoekers eerste klacht, verband houden met de grief betreffende de schending van de selectieprocedure en dat zij dus niet, zoals de Ombudsman stelt, een „submiddel” vormen, maar argumenten ter onderbouwing van het reeds aangevoerde middel.

51 Het eerste niet-ontvankelijkheidsmiddel moet derhalve worden afgewezen.

52 Ten tweede beroept de Ombudsman zich op de niet-ontvankelijkheid van het „submiddel” dat hij bij de selectiecriteria wegingsfactoren zou hebben gebruikt die in de OBB niet waren voorzien.

53 Wederom moet worden vastgesteld dat deze grief ontegenzeglijk deel uitmaakt van het middel ontleend aan schending van de selectieprocedure, aangezien de Ombudsman wordt verweten dat hij niet de door hemzelf vastgestelde selectiecriteria heeft geëerbiedigd. Deze grief kan dus evenmin als „submiddel” worden aangemerkt, welke kwalificatie bijzonder ongeschikt lijkt.

54 Hieruit volgt dat het tweede niet-ontvankelijkheidsmiddel eveneens moet worden afgewezen.

55 Ten derde stelt de Ombudsman dat de grief betreffende het hanteren van een criterium van de „algehele indruk” niet-ontvankelijk is, aangezien verzoeker dat bezwaar in het kader van zijn klacht had kunnen aanvoeren, daar hij sinds 3 juni 2015 op de hoogte was van dit criterium.

56 Verzoeker betoogt dat de „algehele indruk” niet een criterium was dat was opgenomen in de OBB.

57 Opgemerkt zij dat verzoeker in zijn tweede klacht van 14 oktober 2015 de Ombudsman nu juist verwijt dat hij rekening heeft gehouden met niet-voorziene beoordelingselementen. Hieruit volgt dat verzoeker met het verwijt aan de Ombudsman dat hij rekening heeft gehouden met het criterium van de „algehele indruk”, slechts het middel verder uitwerkt dat hij in zijn tweede klacht reeds had genoemd. De stelling van de Ombudsman dat die grief niet in het kader van de precontentieuze procedure is aangevoerd, is dus kennelijk onjuist.

58 Het derde middel van niet-ontvankelijkheid moet dus worden afgewezen.

59 In de tweede plaats moet met betrekking tot de grieven tegen de vermeende fouten die in de latere fasen van de selectieprocedure zijn gemaakt en die geen verband houden met verzoekers geval, worden opgemerkt dat die grieven, in tegenstelling tot hetgeen de Ombudsman beweert, niet niet-ontvankelijk zijn, maar mogelijkerwijs niet kunnen slagen, zodat zij dus in het kader van het onderzoek van de middelen ten gronde onderzocht moeten worden.

60 In de derde plaats voert de Ombudsman een niet-ontvankelijkheidsmiddel aan, aangezien verzoeker, hoewel hij de mogelijkheid had om het adviescomité en de Ombudsman vóór 17 april 2015 bij een met redenen omkleed verzoek te vragen om zijn sollicitatie opnieuw in overweging te nemen en hij uitdrukkelijk daarvan op de hoogte was gesteld, dit niet heeft gedaan, terwijl dit toch in zijn belang was. Deze heroverweging zou niet zinloos zijn geweest, aangezien andere kandidaten ervan zouden hebben geprofiteerd, zelfs al was het negatieve besluit jegens hen bevestigd.

61 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verzoeker bij e-mail van 10 april 2015 ervan op de hoogte is gesteld dat het adviescomité hem niet had aanbevolen voor een gesprek.

62 Het adviescomité heeft hier inderdaad aan toegevoegd dat indien verzoeker het niet eens was met dit besluit, hij vóór 17 april 2015 een met redenen omkleed verzoek kon indienen om zijn sollicitatie opnieuw te onderzoeken.

63 Het is vaste rechtspraak dat wanneer een kandidaat wiens verzoek om toelating tot een vergelijkend onderzoek is afgewezen op basis van een bepaling die de administratie bindt, een nieuw onderzoek van dat besluit vraagt, het door de jury na een nieuw onderzoek genomen besluit het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, of, in voorkomend geval, van artikel 91, lid 1, van het Statuut is. Het is eveneens dit na een nieuw onderzoek genomen besluit dat de klacht- en de beroepstermijn doet ingaan, zonder dat in een dergelijk geval behoeft te worden nagegaan of dat besluit eventueel kan worden aangemerkt als een louter bevestigende handeling (arresten van 23 januari 2002, Gonçalves/Parlement, T‑386/00, EU:T:2002:12, punt 39, en 7 juni 2005, Cavallaro/Commissie, T‑375/02, EU:T:2005:199, punt 58).

64 Deze bevoegdheid om te vragen om een besluit tot afwijzing van een sollicitatie opnieuw te onderzoeken kan echter niet aldus worden uitgelegd, dat een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een klacht niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een voorafgaand verzoek daartoe. Een voorafgaand verzoek om heroverweging vormt immers geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van de e-mail van 10 april 2015, waarin uitdrukkelijk wordt aangegeven dat verzoeker de mogelijkheid heeft om een met redenen omkleed verzoek om heroverweging in te dienen.

65 Bijgevolg moet dit middel van niet-ontvankelijkheid eveneens worden afgewezen.

66 In de vierde plaats moet met betrekking tot de middelen van niet-ontvankelijkheid die de Ombudsman in dupliek, en met name in bijlage D 1, en niet in het verweerschrift heeft aangevoerd, worden opgemerkt dat deze noodzakelijkerwijs niet-ontvankelijk zijn, daar zij in het stadium van de dupliek zijn aangevoerd en niet van openbare orde zijn, terwijl zij in het stadium van het verweerschrift hadden kunnen worden aangevoerd. De Ombudsman heeft echter op geen enkele wijze gesteld dat hij die middelen pas in het stadium van de dupliek heeft kunnen aanvoeren wegens informatie die hij pas na de indiening van de repliek door verzoeker heeft verkregen.

67 Hieruit volgt dat alle door de Ombudsman aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

B. Ten gronde

1. Vordering tot nietigverklaring

68 Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan. Het eerste is ontleend aan misbruik van de selectieprocedure, het tweede aan een kennelijk onjuiste beoordeling, het derde aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en het vierde aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.

69 Gepreciseerd moet worden dat verzoekers vorderingen gezamenlijk zullen worden onderzocht, aangezien hij, zoals blijkt uit de door hem aangevoerde middelen, op dit punt geen enkel onderscheid maakt.

a) Eerste middel: misbruik van de selectieprocedure

70 Verzoeker voert in het kader van het eerste middel vier grieven aan. Ten eerste heeft de Ombudsman bij de beoordeling van de kandidaten geen rekening gehouden met de in de OBB opgenomen criteria. Ten tweede heeft de Ombudsman de selectiecriteria beoordeeld middels niet in de OBB voorziene coëfficiënten. Ten derde heeft de beoordeling plaatsgevonden op basis van niet in de OBB voorziene criteria en ten vierde heeft de Ombudsman toegegeven dat hij geen rekening heeft gehouden met het advies van het door hemzelf in de OBB ingestelde adviescomité en dat er sprake was van onregelmatigheden bij de beoordeling van verzoeker.

71 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, zoals verzoeker ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft erkend, het eerste middel, dat is ontleend aan „misbruik van de selectieprocedure”, aldus moet worden begrepen dat het is ontleend aan „schending van de selectieprocedure”, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Het is overigens in die zin dat de Ombudsman verzoekers eerste middel heeft beantwoord, zodat hij ter terechtzitting geen opmerking heeft gemaakt over deze herkwalificatie door het Gerecht.

1) Eerste en tweede grief: ten eerste heeft de Ombudsman bij de beoordeling van de kandidaten geen rekening gehouden met de in de OBB voorziene criteria, en ten tweede heeft hij de selectiecriteria beoordeeld middels niet in de OBB voorziene coëfficiënten

72 Verzoeker betoogt in wezen dat ofschoon punt 6 van de OBB twaalf criteria bevatte (zie punt 3 hierboven), alleen de eerste acht in aanmerking zijn genomen. Door slechts acht van de twaalf genoemde criteria in aanmerking te nemen, heeft de Ombudsman de OBB geschonden. Voorts heeft hij op elk van die criteria een wegingscoëfficiënt toegepast, ofschoon dit in de OBB niet was voorzien.

73 Er zij aan herinnerd dat de Ombudsman volgens vaste rechtspraak de door hem vastgestelde OBB dient te eerbiedigen, aangezien die oproep de voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt bepaalt. De OBB heeft dus tot doel, enerzijds de betrokkenen zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereiste voorwaarden voor de vervulling van het betrokken ambt, teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of er voor hen aanleiding is te solliciteren en, anderzijds het wettigheidskader te bepalen waarbinnen de instelling de verdiensten van de kandidaten wil vergelijken. Houdt hij bij het onderzoek van de sollicitaties rekening met andere voorwaarden dan die welke zijn opgenomen in de OBB, dan eerbiedigt de Ombudsman dit wettigheidkader niet (zie in die zin arrest van 11 februari 1999, Leite Mateus/Commissie, T‑21/98, EU:T:1999:28, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 In dit verband moet worden opgemerkt dat in de OBB alle criteria worden genoemd die in aanmerking moeten worden genomen, dat wil zeggen twaalf (zie punt 3 hierboven), zonder dat echter de wegingscoëfficiënt voor elk van die criteria wordt bepaald noch het stadium waarin die criteria in aanmerking moesten worden genomen.

75 De Ombudsman beschikt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden echter over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Wanneer de OBB, zoals in casu, niet in beoordelingscriteria voorziet, staat het hem derhalve vrij om dergelijke criteria vast te stellen of om het stadium te bepalen waarin de criteria in aanmerking moeten worden genomen, indien dit niet in de OBB is opgenomen (zie in die zin arresten van 26 februari 1981, Authié/Commissie, 34/80, EU:C:1981:57, punt 14; 13 december 1990, Gonzalez Holguera/Parlement, T‑115/89, EU:T:1990:84, punt 53, en 14 juli 1995, Pimley-Smith/Commissie, T‑291/94, EU:T:1995:142, punt 48).

76 In dit verband staat vast dat het adviescomité en de Ombudsman de sollicitaties hebben beoordeeld in het kader van de tweede fase, dat wil zeggen de beoordeling van alleen de curricula vitae, aan de hand van de volgende criteria: „– Ervaring op het gebied van de samenwerking met of het werk binnen een instelling of een orgaan van de EU, of op het gebied van de samenwerking met of het werk binnen het Bureau van een nationale ombudsman of een vergelijkbare instantie; — goede kennis van Europese zaken, instellingen en wetgeving; — relevante ervaring en aantoonbaar succes als leidinggevende op een gebied dat overeenkomt met de activiteiten van het Bureau; — goed begrip van de rol van een ombudsman binnen de overheid; — bewezen ervaring bij de uitvoering van een strategische wijziging; — kennis van management en budgetplanning; — kennis van moderne human resources strategieën en procedures; — kennis van moderne IT-strategieën en -processen”.

77 De laatste vier criteria die in punt 3 hierboven zijn genoemd, zijn echter niet in het kader van de tweede, maar in die van de derde fase in aanmerking genomen, dat wil zeggen alleen bij het gesprek met de geselecteerde kandidaten.

78 Verzoekers grief dat de Ombudsman de OBB niet in acht heeft genomen, omdat bij het onderzoek van de sollicitaties op basis van het curriculum vitae van de kandidaten slechts acht criteria in aanmerking zijn genomen, kan niet slagen.

79 Blijkens de nota van 13 mei 2015 en het bestreden besluit zijn immers alle in de OBB genoemde criteria in aanmerking genomen in het kader van de selectieprocedure en is geen enkel daarin genoemd criterium niet in aanmerking genomen in de loop van die procedure.

80 De omstandigheid dat de eerste acht, in punt 3 hierboven genoemde criteria in het kader van de tweede fase en de laatste vier in het kader van de gesprekken in aanmerking zijn genomen, maakt deel uit van de beoordelingsbevoegdheid van de Ombudsman die, aangezien in de OBB niets hierover werd gezegd, dus vrijelijk kon beslissen in welk stadium die criteria in aanmerking moesten worden genomen.

81 Voorts moet worden vastgesteld dat de laatste vier criteria, te weten „uitstekende communicatie-, netwerk- en motivatievaardigheden van het personeel”, „enorme betrokkenheid bij een EU die naar de burgers luistert”, „enorme betrokkenheid bij de visie en de strategie van de Ombudsvrouw” en „het vermogen om effectief te communiceren in het Engels en het Frans [(...), waarbij] kennis van andere officiële talen van de Europese Unie een voordeel [is]”, criteria zijn die zich er bij uitstek voor lenen om tijdens gesprekken te worden beoordeeld.

82 In het kader van gesprekken kan de Ombudsman immers, gelet op de gestelde vragen en de antwoorden van de kandidaten daarop, met name een beeld krijgen van hun betrokkenheid bij een Unie die naar de burgers luistert of bij de visie en de strategie van de Ombudsman dan wel van hun vermogen om te communiceren in het Engels, het Frans of een andere taal van de Unie.

83 Aangaande verzoekers grief over de wegingscoëfficiënt die op de verschillende criteria is toegepast – op de eerste vijf criteria is namelijk een coëfficiënt 10 toegepast en op de laatste drie een coëfficiënt 5 – moet worden vastgesteld dat de Ombudsman, aangezien de OBB op dit punt niets bepaalde, op die criteria verschillende wegingscoëfficiënten mocht toepassen, aangezien dit deel uitmaakt van de hem door de rechtspraak erkende ruime beoordelingsbevoegdheid (arrest van 16 mei 2013, Canga Fano/Raad, T‑281/11 P, EU:T:2013:252, punt 123; zie eveneens in die zin arrest van 19 april 1988, Santarelli/Commissie, 149/86, EU:C:1988:179, punt 10).

84 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen enkel element noch aanwijzing heeft gegeven ten bewijze van het feit dat de Ombudsman bewust heeft geprobeerd om zijn sollicitatie niet in aanmerking te nemen ten voordele van die van G. (zie in die zin arrest van 25 mei 2000, Elkaïm en Mazuel/Commissie, T‑173/99, EU:T:2000:142, punt 121).

85 Bijgevolg moeten de eerste en de tweede grief worden afgewezen.

2) Derde grief: de Ombudsman heeft de beoordeling uitgevoerd op basis van niet in de OBB voorziene criteria

86 Ten eerste verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij de kandidaten die aan de tweede gespreksronde deelnamen, heeft gevraagd om persoonlijke aanbevelingen te verstrekken, een vereiste dat niet tot de selectiecriteria behoorde.

87 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat die grief niet kan slagen, aangezien verzoekers sollicitatie in een stadium vóór dat van de gesprekken is afgewezen, zodat het feit dat die aanbevelingen mogelijkerwijs in aanmerking zijn genomen hem niet kan hebben benadeeld. Zoals de Ombudsman ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft gepreciseerd, is dit vereiste met betrekking tot kandidaat G. overigens pas gesteld aan het einde van de aanwervingsprocedure.

88 In elk geval moet worden opgemerkt dat verzoeker zelf in zijn curriculum vitae namen van personen heeft genoemd die zijn sollicitatie konden aanbevelen.

89 Ten tweede verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij een relatief voordeel heeft verleend aan kandidaten die hadden gewerkt in instellingen die frequent contact hebben met de Ombudsman, terwijl dit criterium niet is opgenomen in de OBB.

90 De Ombudsman heeft in het bestreden besluit inderdaad geschreven: „Ik heb eveneens een relatief voordeel verleend aan kandidaten die werkzaam zijn geweest in instellingen die frequent contact hebben met de instelling van de Ombudsman. U hebt weinig ervaring met de Europese Ombudsman, terwijl andere kandidaten over veel meer ervaring beschikten.”

91 Het is juist dat, zoals verzoeker aanvoert, het criterium van „frequent contact met de Ombudsman” als zodanig niet een van de in de OBB genoemde criteria is.

92 Vastgesteld zij echter dat dit criterium in verband kan worden gebracht met dat van „een goed begrip van de rol die de Ombudsman binnen de overheid speelt”, zoals de Ombudsman in antwoord op een vraag van het Gerecht ook heeft aangevoerd.

93 Een persoon die frequent contact heeft gehad met de Ombudsman zal natuurlijk beter op de hoogte zijn van de taken en de problemen die met deze functie verbonden zijn, dan een persoon die werkzaam is geweest in een instelling of orgaan van de Unie met afstandelijker of zelfs geen enkele professionele relatie met de Ombudsman.

94 Verzoeker is er echter niet in geslaagd aan te tonen dat hij in het kader van zijn werkzaamheden binnen het Hof van Justitie van de Europese Unie frequent contact met de Ombudsman had gehad.

95 Bij wijze van voorbeeld noemt hij slechts drie zaken waarvan hij kennis heeft gehad toen hij referendaris was. Afgezien van het feit dat de kennis van bepaalde zaken niet de frequentie van het contact met de Ombudsman kan aantonen, moet worden opgemerkt dat de eerste zaak heeft geleid tot de beschikking van 4 juni 2015, Mirelta Ingatlanhasznosító/Commissie en Ombudsman (C‑576/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:370), waarbij de hogere voorziening deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, zonder dat de hogere voorziening aan de Ombudsman is betekend. Wat de door het Gerecht gewezen zaken betreft, namelijk de zaken die hebben geleid tot het arrest van 24 september 2008, M/Ombudsman (T‑412/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:397), en de beschikking van 5 september 2006, O’Loughlin/Ombudsman en Ierland (T‑144/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:237), deze zijn afkomstig van het Gerecht, waarbij verzoeker niet werkzaam is geweest als referendaris. De zaak die heeft geleid tot de beschikking van 5 september 2006, O’Loughlin/Ombudsman en Ierland (T‑144/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:237), is overigens evenmin betekend aan de Ombudsman, en het beroep is door het Gerecht verworpen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid. Voorts moet worden vastgesteld dat het feit dat verzoeker heeft gewerkt aan dossiers betreffende de Ombudsman, niet betekent dat er sprake is van „frequent contact” met hem.

96 De Ombudsman heeft dus niet de selectieprocedure geschonden door rekening te houden met het feit dat kandidaten werkzaam waren geweest in instellingen die frequent contact met hem hadden.

97 Ten derde betoogt verzoeker dat de Ombudsman in het bestreden besluit kandidaten met hogere kaderposten gunstiger heeft beoordeeld dan kandidaten met minder hoge kaderposten.

98 Verzoeker verwijt de Ombudsman dat hij in het bestreden besluit het volgende heeft gesteld: „Ik heb een relatief voordeel verleend aan kandidaten die hogere kaderfuncties hebben vervuld ten opzichte van kandidaten met minder hoge kaderfuncties. U bent hoofd van een eenheid geweest, terwijl een aantal andere kandidaten de functie van directeur heeft uitgeoefend.”

99 Dienaangaande zij opgemerkt dat het ambt van secretaris-generaal bij de Ombudsman, de hoogste kaderfunctie binnen het Bureau van de Ombudsman, ontegenzeglijk leidinggevende kwaliteiten vereist, zodat het niet onjuist is om, zoals de Ombudsman betoogt, belang toe te kennen aan kandidaten die reeds hoge kaderfuncties hadden uitgeoefend.

100 In elk geval blijkt uit het curriculum vitae van G. dat zij eveneens hoofd van een eenheid was en dus geen kaderfunctie uitoefende, zodat dit criterium niet als criterium ter uitsluiting, maar ter boordeling van de sollicitaties is gebruikt.

101 De Ombudsman heeft dus evenmin de selectieprocedure geschonden door rekening gehouden met het feit dat de kandidaten hoge kaderfuncties hadden vervuld.

102 Ten vierde verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij in het kader van de gesprekken rekening heeft gehouden met het criterium van de „algehele indruk”, terwijl dit niet in de OBB voorkwam.

103 Vastgesteld zij dat deze grief niet kan slagen, aangezien verzoekers sollicitatie is afgewezen in een stadium vóór de gesprekken, zodat het feit dat eventueel rekening is gehouden met een „algehele indruk”, en dat alleen in de fase van de gesprekken, hem niet kan hebben benadeeld.

104 In elk geval moet dit criterium worden opgevat als een samenvatting van de prestaties van de kandidaten op basis van alle andere criteria en niet als een nieuw of zelfstandig criterium.

105 Hieruit volgt dat de gehele derde grief moet worden afgewezen, omdat deze deels niet kan slagen en deels ongegrond is.

3) Vierde grief: de Ombudsman heeft erkend geen rekening te hebben gehouden met het advies van het door hemzelf in de OBB ingestelde adviescomité en onregelmatigheden te hebben begaan bij de beoordeling van verzoeker

106 Verzoeker verwijt de Ombudsman ten eerste dat hij geen rekening heeft gehouden met het advies van het adviescomité, dat hij nochtans zelf had ingesteld, aangezien hij op het moment waarop hij acht kandidaten uitnodigde voor een gesprek, niet op de hoogte was van hun volgorde van indeling door dat comité, zodat hij zijn verplichting om rekening te houden met dat advies niet is nagekomen. Ten tweede verwijt hij de Ombudsman onregelmatigheden bij zijn beoordeling.

107 De Ombudsman heeft in het bestreden besluit immers geschreven: „Via mijn kabinetschef heeft het [adviescomité] mij vervolgens een lijst toegezonden van de twaalf beste kandidaten, in alfabetische volgorde […] Op basis van de sollicitaties en van dezelfde acht criteria als door het [adviescomité] gebruikt, heb ik zelf de acht kandidaten geselecteerd die op 17 april 2015 voor een gesprek dienden te worden uitgenodigd en mijn keuze kenbaar gemaakt in een antwoord op de e-mail van mijn kabinetschef. Ik heb ervoor gekozen om slechts acht kandidaten uit te nodigen, aangezien ik op basis van mijn beoordeling van de sollicitaties tot de conclusie ben gekomen dat de andere op de lijst opgenomen kandidaten niet over de voor de vacante post vereiste kwaliteiten beschikten. Ik wil beklemtonen dat mijn vergelijkende beoordeling losstond van de indeling en van de door het [adviescomité] gegeven punten. Ik ben van mening dat ik bij de selectie van de kandidaten die ik voor een gesprek wilde ontvangen, niet gehouden was aan die indeling.”

108 Uit dit antwoord blijkt duidelijk dat de Ombudsman zich heeft gebaseerd op zijn eigen beoordeling van de twaalf kandidaten die het adviescomité op de in alfabetische volgorde opgestelde lijst had voorgesteld, en niet op de punten die dat comité aan elk van die twaalf kandidaten had toegekend noch op hun indeling door dat comité.

109 De Ombudsman stelt in zijn verweerschrift dat hij „feitelijk” heeft gehandeld conform het advies van het adviescomité en preciseert dat hij „zijn keus niet heeft gemaakt door eenvoudigweg een lijst goed te keuren die in volgorde van verdienste is opgesteld”.

110 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een instelling of een orgaan een niet in het Statuut voorgeschreven adviescomité opricht teneinde haar of hem bij de aanwerving in bepaalde ambten te adviseren over de kwalificaties en de geschiktheid van de kandidaten, deze maatregel ervoor dient te zorgen dat er voor dit orgaan, in zijn hoedanigheid van TABG, een betere basis is voor de vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de kandidaten. Dit betekent dat het advies dat dit adviescomité in de vorm van een aanbeveling met het oog op een onderhoud geeft, voor zover het hiermee daadwerkelijk die aanbeveling doet, deel uitmaakt van de elementen die het TABG in aanmerking moet nemen als basis voor zijn eigen beoordeling van de ambtenaren, zelfs al meent het hiervan te moeten afwijken (zie in die zin arresten van 9 juli 1987, Hochbaum en Rawes/Commissie, 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, EU:C:1987:348, punten 16 en 17; 30 januari 1992, Schönherr/ESC, T‑25/90, EU:T:1992:8, punten 27 en 28, en 18 september 2003, Pappas/Comité van de Regio’s, T‑73/01, EU:T:2003:237, punt 60).

111 Ter terechtzitting heeft de Ombudsman in antwoord op een vraag van het Gerecht erkend dat het adviescomité, anders dan was aangegeven in de e-mail van 10 april 2015 waarbij verzoeker was meegedeeld dat het adviescomité had besloten om hem niet aan te bevelen voor een gesprek, wel degelijk twaalf kandidaten had geselecteerd voor een gesprek, waaronder verzoeker. De Ombudsman heeft hieraan toegevoegd dat hijzelf had besloten om slechts acht van die twaalf kandidaten uit te nodigen voor een gesprek, waaronder G. en met uitsluiting van verzoeker. Hij heeft echter gepreciseerd dat het om een nalatigheid ging.

112 In casu staat vast dat de OBB in punt 7 bepaalde dat een adviescomité de Ombudsman zou bijstaan, een lijst van kandidaten zou opstellen die werden uitgenodigd voor een gesprek en de aanbeveling kon doen om het aantal kandidaten dat voor zo’n gesprek in aanmerking kwam te beperken. Er was eveneens bepaald dat de Ombudsman kon beslissen om slechts bepaalde kandidaten op de door het adviescomité aanbevolen lijst uit te nodigen voor een gesprek.

113 Voorts staat in casu vast dat de Ombudsman acht van de twaalf door het adviescomité aanbevolen kandidaten heeft uitgenodigd voor een gesprek, zonder dat hij op het moment van die uitnodiging kennis had van de punten en de verdiensten die dat comité aan elke kandidaat had toegekend, aangezien hij slechts kennis had van de alfabetische lijst van kandidaten. Uit de feiten blijkt echter dat de Ombudsman dezelfde eerste zeven kandidaten heeft uitgenodigd als het adviescomité had aanbevolen. De door de Ombudsman uitgenodigde achtste kandidaat stond echter ex aequo met verzoeker op de negende plaats. Noch de achtste kandidaat op de lijst in volgorde van verdiensten die het adviescomité had opgesteld noch verzoeker is uitgenodigd voor een gesprek.

114 Hieruit volgt dat de Ombudsman het advies van het adviescomité heeft gevolgd, aangezien hij alleen kandidaten die door dat comité waren voorgesteld op de alfabetische lijst welke hem op 9 april 2015 was toegezonden, heeft uitgenodigd voor een gesprek. Door niet de achtste kandidaat in volgorde van verdiensten van de lijst van het adviescomité uit te nodigen, maar de negende van die lijst, heeft de Ombudsman echter niet het advies van het adviescomité gevolgd.

115 Ten eerste moet worden vastgesteld dat de Ombudsman heeft aangegeven dat hij pas kennis heeft genomen van de rangschikking nadat hij de acht door hem geselecteerde kandidaten had uitgenodigd voor een gesprek. Deze stelling is door verzoeker niet betwist, zodat de Ombudsman alleen kandidaten voor een gesprek heeft opgeroepen die op de door het adviescomité opgestelde lijst stonden. Dit betekent dat de Ombudsman niet is afgeweken van de alfabetische lijst.

116 Ten tweede moet worden opgemerkt dat de Ombudsman zelf stelt dat hij niet alleen een lijst in volgorde van verdiensten behoefde goed te keuren.

117 Er moet dus worden bepaald of de Ombudsman in de omstandigheden van het geval, door af te wijken van de indeling op volgorde van verdiensten in het door het adviescomité uitgebrachte advies, geen fout heeft gemaakt die de procedure zo kon aantasten dat verzoeker werd benadeeld.

118 Vastgesteld moet worden dat de Ombudsman, daar het advies louter raadgevend was, daarvan mocht afwijken, aangezien hij aangaf waarom hij besloot om een andere volgorde te volgen dan die welke het adviescomité had vastgesteld (zie de in punt 110 hierboven aangehaalde rechtspraak).

119 De Ombudsman heeft rekening gehouden met de sollicitaties van de eerste zeven kandidaten op de lijst in volgorde van verdiensten die het adviescomité had opgesteld, doch heeft niet de achtste door dat comité voorgedragen kandidaat voor een gesprek opgeroepen, maar de kandidaat die op plaats negen stond, met dien verstande dat de Ombudsman op dat tijdstip geen kennis had van de volgorde van verdiensten.

120 In het bestreden besluit heeft de Ombudsman uiteengezet dat hij ervoor had gekozen om slechts die acht kandidaten uit te nodigen, omdat zijn beoordeling hem tot de overtuiging had gebracht dat de andere op de lijst opgenomen kandidaten niet de kwalificaties hadden die voor aanwerving in de vacante post waren vereist.

121 Vastgesteld zij dat de Ombudsman alleen kandidaten die voorkwamen op de door het adviescomité opgestelde lijst, heeft opgeroepen voor een gesprek. Bovendien was hij, gelet op de in de OBB opgenomen procedure (zie punt 112 hierboven), niet verplicht om slechts een in volgorde van verdiensten opgestelde lijst goed te keuren en was het niet ongepast om de op de lijst opgenomen kandidaten die zijns inziens niet over de kwalificaties beschikten die voor aanwerving in de vacante post waren vereist, niet uit te nodigen.

122 Hieruit volgt dat ofschoon de Ombudsman geen rekening heeft gehouden met de door het adviescomité vastgestelde volgorde, deze vaststelling niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit.

123 Zelfs al had de Ombudsman de volgorde op de door het comité vastgestelde lijst gevolgd, dan nog zou niet verzoeker, maar de als achtste geplaatste kandidaat zijn opgeroepen en was de als negende geplaatste kandidaat, die ex aequo met verzoeker was ingedeeld, niet opgeroepen.

124 Uit het voorgaande volgt dat de vierde grief en daarmee het eerste middel in zijn geheel dienen te worden afgewezen.

b) Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling

125 Verzoeker betoogt ten eerste dat de Ombudsman zijn curriculum vitae op willekeurige wijze heeft onderzocht, en wel omdat hij op het moment van zijn sollicitatie referendaris en niet hoofd van een eenheid was. Hiermee heeft de Ombudsman een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.

126 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat de Ombudsman er in het bestreden besluit slechts aan heeft herinnerd dat verzoeker „hoofd van een eenheid” en niet „directeur” was zoals andere kandidaten. De Ombudsman heeft daarentegen niet gesteld dat verzoeker op het moment van zijn sollicitaties de functie van referendaris uitoefende.

127 Hieruit volgt dat deze grief feitelijk onjuist is.

128 Overigens is het juist dat verzoeker, zoals blijkt uit zijn curriculum vitae, in de loop van zijn carrière „hoofd van een eenheid” is geweest.

129 Wat de functie van referendaris bij het kabinet van de president van het Hof betreft, volgt uit verzoekers curriculum vitae dat hij zich binnen dat kabinet bezighield met de „verdere afhandeling van procesincidenten, [de] voorbereiding van de toewijzing van binnenkomende zaken, [het] volgen van de rechtspraak van de Grote kamer, [het] volgen van de administratieve activiteit van de instelling [en de] deelneming aan comités namens de president”. Verzoekers beoordelingsrapport van 27 maart 2015 bevat als omschrijving van de werkzaamheden verbonden aan het ambt van de beoordeelde ambtenaar het volgende: „Referendaris (met name belast met administratieve zaken, de afhandeling van procesincidenten tot en met de toewijzing van zaken en daarnaast de rechtspraak van de Grote kamer)”.

130 Hieruit volgt dat de Ombudsman dienaangaande geen enkele kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

131 Ten tweede betoogt verzoeker dat het cijfer dat hij heeft gekregen voor het beoordelingscriterium betreffende de goede kennis van zaken, de instellingen en de wetgeving van de Unie, hoger had moeten zijn dan het punt dat G. heeft gekregen.

132 In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke het TABG heeft te beoordelen of een kandidaat voldoet aan de voorwaarden die in de kennisgeving van vacature zijn gesteld, en die beoordeling slechts in geval van een kennelijke dwaling kan worden aangevochten. Bijgevolg kan het Gerecht zich niet in de plaats van het TABG stellen door diens beoordeling van de beroepsbekwaamheden van de kandidaten te toetsen; het kan slechts een kennelijke beoordelingsfout vaststellen (arrest van 13 december 1990, Kalavros/Hof van Justitie, T‑160/89 en T‑161/89, EU:T:1990:86, punt 29; zie in die zin arrest van 30 mei 1984, Picciolo/Parlement, 111/83, EU:C:1984:200, punt 16).

133 Uit de OBB volgt dat de functie van secretaris-generaal was omschreven als volgt: „De secretaris-generaal is belast met het algemeen beheer van het Bureau en de uitvoering van de strategie van de Ombudsvrouw. Hij/zij rapporteert rechtstreeks aan haar en geeft leiding aan haar managementteam. Hij/zij werkt nauw samen met het kabinet van de Ombudsvrouw en vertegenwoordigt het Bureau daarbuiten.”

134 Aangaande de „goede kennis van zaken, instellingen en wetgeving van de Unie” moet worden vastgesteld dat uit het curriculum vitae van G. blijkt dat zij, afgezien van verschillende werkzaamheden als journaliste, verschillende functies binnen de Commissie heeft vervuld, zoals woordvoerder van het lid van de Commissie belast met de gezondheid en consumentenbescherming (1999‑2004), adviseur op het gebied van communicatiestrategie bij een vicevoorzitter van de Commissie (2004‑2006), assistent van een directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) Communicatie van de Commissie (2006‑2007), hoofd van een eenheid op het gebied van human resources en informatietechnologieën binnen het DG Justitie van de Commissie (2007‑2011) en hoofd van een eenheid bij de directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij (sinds 2011).

135 Gezien deze gevarieerde ervaring in verschillende diensten van de Commissie, moet worden vastgesteld dat het adviescomité geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door G. een hoger cijfer te geven. Het feit dat G. niet in het bezit is van een juridisch diploma kan, gelet op haar gevarieerde ervaring, niet aantonen dat het adviescomité een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

136 Overigens moet de „goede kennis van zaken, instellingen en wetgeving van de [Unie]” niet autonoom worden onderzocht, maar aan de hand van de in de OBB omschreven werkzaamheden, die gericht zijn op de strategie van de Ombudsman en de leiding van zijn team, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de gezochte kandidaat geen specialist in het recht van de Unie was, maar een persoon die diverse functies heeft vervuld in verschillende sectoren van activiteit.

137 Aangaande verzoekers grief dat de Ombudsman niet kon stellen dat hij „geen praktische ervaring op het gebied van het personeelsbeheer” had, moet worden opgemerkt dat de Ombudsman in het bestreden besluit het volgende heeft geschreven: „Ik heb eveneens een relatief voordeel gegeven aan kandidaten met praktische ervaring op het gebied van human resources, met name met de uitvoering van herstructureringen van organisatorische entiteiten. Bepaalde kandidaten hadden een grote ervaring op dit gebied, maar u niet.”

138 De Ombudsman heeft derhalve vastgesteld dat verzoeker, in tegenstelling tot andere kandidaten, geen grote praktische ervaring op het gebied van het personeelsbeheer had, met name op het gebied van herstructureringen, en niet, zoals verzoeker stelt, dat hij geen enkele ervaring ter zake had.

139 Verzoeker heeft echter op geen enkele wijze gesteld dat hij een dergelijke ervaring had, zodat deze grief moet worden afgewezen.

140 Verzoeker betoogt vervolgens dat zijn functie van hoofd van de eenheid „Statutaire Rechten, Sociale en Medische Zaken, Arbeidsvoorwaarden” bij uitstek betrekking had op het personeelsbeheer.

141 Dienaangaande blijkt uit zijn curriculum vitae dat zijn voornaamste werkzaamheden en verantwoordelijkheden bestonden in het „beheer van de statutaire rechten van het personeel van het Hof, [de] coördinatie van sociale acties, [het] administratief toezicht op de medische dienst”, het „beheer van de rechten van de leden van de instellingen voortvloeiende uit het Statuut van het Hof en van de financiële regeling van de leden”, de rol van „voorzitter van het voorbereidend comité sociale zaken bij het [college van hoofden van de administratie] (tot in 2013)”, van „lid van het voorbereidend comité statutaire aangelegenheden”, van „voormalig voorzitter van het comité voor het beheer van het multifunctionele centrum voor kinderen”, van „voorzitter van het [comité van beheer van de ziektekostenverzekering]” en van „plaatsvervangend lid van het comité voor het Statuut”.

142 Ofschoon deze activiteiten zeker verband houden met het „personeelsbeheer”, hebben zij echter noch rechtstreeks betrekking op de strategieën of organisatie van verschillende human resources noch met name op de uitvoering van herstructureringen van organisatorische entiteiten.

143 Wat het feit betreft dat de werkzaamheden als referendaris binnen het kabinet van de voorzitter van het Hof „afgezien van die welke verband houden met het juridische werk van het Hof, vooral betrekking [hadden] op het toezicht op het administratief functioneren van het Hof, namens de president van het Hof, hetgeen personeelsaangelegenheden [omvatte] (daaronder begrepen kwesties van vermindering van het personeel), de voorbereiding van de begroting, de IT-organisatie van het Hof, de infrastructuur en, meer in het algemeen, het gehele functioneren van de administratie”, moet worden vastgesteld dat al deze activiteiten niet worden genoemd in het curriculum vitae van verzoeker die, zoals in punt 129 hierboven reeds is aangegeven, alleen melding heeft gemaakt van de afhandeling van procesincidenten, de voorbereiding van de toewijzing van binnenkomende zaken, het volgen van de rechtspraak van de Grote kamer, het volgen van de administratieve activiteit van de instelling en de deelneming aan comités namens de president van het Hof. Zij worden evenmin genoemd in verzoekers beoordelingsrapporten welke zijn opgesteld op 17 maart 2015 (perioden 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013) en 27 maart 2015 (periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014). In de eerste twee rapporten wordt verzoekers functie omschreven als „hoofd van de eenheid Statutaire Rechten, Sociale en Medische Zaken, Arbeidsvoorwaarden”, en in het laatste rapport als „referendaris (met name belast met administratieve zaken, de afhandeling van procesincidenten tot en met de toewijzing van zaken en daarnaast het volgen van de rechtspraak van de Grote kamer)”.

144 Hieruit volgt dat de Ombudsman geen kennelijke beoordelingsfout kan worden verweten.

145 Ten slotte verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij volgens hem over verouderde kennis en ervaring op het gebied van informatietechnologieën beschikte.

146 In het bestreden besluit heeft de Ombudsman geschreven: „Ik heb een relatief voordeel verleend aan kandidaten met recente ervaring op IT-gebied in de laatste tien jaren (een gebied dat constant in beweging is en waarin de ontwikkelingen snel gaan, zodat een oudere ervaring minder relevant is in het kader van de actuele problemen). U hebt in de laatste tien jaar geen IT-ervaring opgedaan en de door u in een verder verleden opgedane ervaring op dat gebied is minder relevant voor de huidige behoeften van mijn instelling.”

147 Verzoeker beroept zich weliswaar op de verschillende opleidingen die hij binnen het Hof heeft gevolgd, doch hij betwist niet dat zijn werkzaamheden slechts van 1981 tot 2007 betrekking hadden op informatietechnologieën.

148 In dit verband kan niet worden betwist dat het gebied van de informatica een gebied is waarin de ontwikkeling ontzettend snel gaat, zodat de ervaring die in een verre periode is opgedaan minder relevant is dan een recent opgedane ervaring.

149 Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker weliswaar stelt dat zijn ervaring zich heeft uitgestrekt tot in 2007, doch dat de werkzaamheid van referendaris van een rechter van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 2005 tot 2007 niet kan worden opgevat als een medewerking aan de uitvoering van informatietechnologieën.

150 De Ombudsman heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat verzoekers ervaring op het gebied van informatietechnologieën verouderd was en minder relevant dan recent opgedane ervaring.

151 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.

c) Derde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling

152 Verzoeker verwijt de Ombudsman ten eerste dat hij de door elk van de kandidaten verstrekte aanbevelingen willekeurig heeft beoordeeld en met misbruik van een procedure die hij zelf had vastgelegd in de OBB. Aangezien de aanbevelingen slechts voor de drie kandidaten die voor het laatste gesprek waren uitgenodigd, in aanmerking zijn genomen, heeft de Ombudsman het beginsel van gelijke behandeling geschonden.

153 Zoals in punt 75 hierboven in herinnering is gebracht, beschikt de Ombudsman over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, zodat hij, wanneer de OBB, zoals in casu het geval is, niet de methode preciseert waarop elk van de beoordelingscriteria in aanmerking moet worden genomen, deze zelf bepaalt (zie in die zin arresten van 13 december 1990, Gonzalez Holguera/Parlement, T‑115/89, EU:T:1990:84, punt 53, en 14 juli 1995, Pimley-Smith/Commissie, T‑291/94, EU:T:1995:142, punt 48).

154 Opgemerkt zij dat, zoals de Ombudsman ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Hof heeft gepreciseerd, de verplichting om aanbevelingen te verstrekken slechts is gesteld ten aanzien van kandidate G., en wel aan het einde van de aanwervingsprocedure.

155 Derhalve volstaat in elk geval de vaststelling dat deze grief niet kan slagen, aangezien verzoekers sollicitatie is afgewezen in een fase vóór die van de gesprekken, zodat de omstandigheid dat die aanbevelingen eventueel in aanmerking zijn genomen niet tot gevolg kan hebben dat hij wordt benadeeld (zie punt 87 hierboven).

156 Ten tweede verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door in strijd met het kader dat hij zichzelf had gesteld, in de loop van de selectieprocedure de selectiecriteria te wijzigen. Zo is het criterium van de „goede kennis van Europese zaken, instellingen en wetgeving” niet objectief onderzocht en is het criterium van de „kennis van andere officiële talen van de Unie” slechts onderzocht voor wat de acht kandidaten betreft die voor een gesprek waren uitgenodigd.

157 Vastgesteld zij dat die twee grieven samenvallen met de eerste twee grieven die in het kader van het eerste middel zijn aangevoerd, zodat zij moeten afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 73 tot en met 83 en 131 tot en met 136 hierboven zijn genoemd.

158 Wat meer specifiek de grief betreffende het criterium van de „goede kennis van Europese zaken, instellingen en wetgeving” betreft, dat door de Ombudsman niet objectief zou zijn onderzocht, moet tevens worden vastgesteld dat verzoeker hoe dan ook niet heeft aangegeven waarom dit criterium niet objectief zou zijn onderzocht, zodat deze grief, voor zover zij niet samenvalt met de andere, door verzoeker aangevoerde grieven waarop het Gerecht is ingegaan in de hierboven onderzochte middelen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het Gerecht kan door het louter noemen van deze grief immers niet de ware aard ervan bepalen.

159 Uit het voorgaande volgt dat het derde middel moet worden afgewezen.

d) Vierde middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

160 In het kader van dit middel voert verzoeker twee grieven aan.

161 Er zij aan herinnerd dat het beginsel van behoorlijk bestuur volgens vaste rechtspraak het bevoegde gezag ertoe verplicht, de teksten correct toe te passen (arresten van 14 juni 1988, Christianos/Hof van Justitie, 33/87, EU:C:1988:300, punt 23, en 18 september 2008, Angé Serrano e.a./Parlement, T‑47/05, EU:T:2008:384, punt 159).

162 Ten eerste verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij zonder enige motivering is uitgesloten van de fase van de gesprekken, terwijl het verzoek om herziening met redenen omkleed moest zijn en binnen een korte termijn moest worden ingediend, zodat hij niet daadwerkelijk bezwaar kon indienen. De Ombudsman heeft hiermee het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.

163 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de Ombudsman verzoeker weliswaar slechts heeft meegedeeld dat hij ondanks zijn verdiensten niet werd opgeroepen voor een gesprek, doch dat verzoeker de Ombudsman niet om nadere preciseringen heeft gevraagd teneinde een verzoek om herziening te kunnen indienen.

164 Onder deze omstandigheden kan verzoeker niet stellen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, terwijl hijzelf de administratie niet om preciseringen heeft gevraagd en in afwachting daarvan evenmin heeft gevraagd om de termijn voor de indiening van een verzoek om herziening te verlengen.

165 Ten tweede verwijt verzoeker de Ombudsman dat hij hem onnauwkeurige, onsamenhangende en onjuiste informatie heeft verstrekt.

166 Het is juist dat de Ombudsman in het bestreden besluit heeft erkend dat bepaalde informatie die verzoeker was gegeven, inderdaad onjuist of niet exact was, zodat dit voor hem waarschijnlijk de reden was geweest om een klacht in te dienen.

167 Vastgesteld zij echter dat deze onnauwkeurigheden niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit kunnen leiden, aangezien deze rectificatie juist in het stadium van het antwoord op verzoekers klachten heeft plaatsgevonden (zie in die zin arrest van 25 mei 2000, Elkaïm en Mazuel/Commissie, T‑173/99, EU:T:2000:142, punt 103).

168 Derhalve moet het vierde middel worden afgewezen.

169 Hieruit volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit moet worden afgewezen, zonder dat rekening behoeft te worden gehouden met bijlage D 1 bij de dupliek. Er behoeft dus geen uitspraak te worden gedaan over verzoekers in punt 37 hierboven genoemde verzoek van 7 april 2017.

2. Vordering tot schadevergoeding

170 Verzoeker stelt dat hij door het bestreden besluit materiële en immateriële schade heeft geleden.

171 Volgens vaste rechtspraak moet een vordering tot schadevergoeding worden afgewezen wanneer zij nauw verband houdt met een vordering tot nietigverklaring die zelf hetzij als niet-ontvankelijk hetzij als ongegrond is afgewezen (zie arrest van 30 september 2003, Martínez Valls/Parlement, T‑214/02, EU:T:2003:254, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).

172 Aangezien er in casu sprake is van een nauw verband tussen de vordering tot nietigverklaring en de vordering tot schadevergoeding en eerstgenoemde vordering is afgewezen, moet de vordering tot schadevergoeding eveneens worden afgewezen.

173 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.

V. Kosten

174 Volgens artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 135, lid 1, van dit Reglement kan het Gerecht bij wijze van uitzondering evenwel beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij, behalve in haar eigen kosten, slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij of daarin zelfs niet dient te worden verwezen.

175 In de omstandigheden van het geval merkt het Gerecht allereerst op dat de Ombudsman een door hemzelf erkende nalatigheid heeft begaan door verzoeker ten onrechte aan te geven dat zijn sollicitatie niet was aanbevolen voor een gesprek. Voorts is het Gerecht van oordeel dat de Ombudsman verzoeker niet voldoende nauwkeurig heeft uiteengezet waarom hij niet de in volgorde van verdiensten opgestelde lijst van kandidaten heeft gevolgd, die hem was voorgelegd door het door hemzelf ingestelde adviescomité.

176 In deze omstandigheden kan worden aangenomen dat de onderhavige procedure ten dele het gevolg is van de gedraging van de Ombudsman.

177 Dergelijke omstandigheden vormen een uitzonderlijke reden die rechtvaardigt dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

HET GERECHT (Achtste kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Costas Popotas en de Europese Ombudsman worden elk verwezen in hun eigen kosten.

Collins Kancheva Barents Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 maart 2018. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Grieks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken