Gerecht EU 15 april 2011, T-297/05, ECLI:EU:T:2011:185

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑297/05

IPK International – World Tourism Marketing Consultants GmbH

tegen

Europese Commissie

„Bijdrage aan financiering van project op gebied van milieuvriendelijk toerisme – Heimelijke afspraken – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Bescherming van financiële belangen van Europese Gemeenschappen – Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – Verjaring – Geen stuiting”

Samenvatting van het arrest

1. Eigen middelen van Europese Unie – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Unie – Administratieve maatregelen – Voorschriften betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – Werkingssfeer – Maatregelen tot ontneming van middels onregelmatigheid wederrechtelijk verkregen voordeel – Intrekking van beslissing waarbij dat voordeel is toegekend – Daaronder begrepen

(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 1, leden 1 en 2, en 4, leden 1 tot en met 3)

2. Eigen middelen van Europese Unie – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Unie – Onregelmatigheid – Begrip – Inbreuk op gelijkheid van kansen en op transparantiebeginsel – Heimelijke afspraken tussen aanvrager van financiële bijstand en met dossier belaste ambtenaar waardoor financiële bijstand van Unie kon worden verkregen – Daaronder begrepen

(Verordeningen van de Raad nr. 2988/95, art. 1, lid 2, en 4, lid 1, en nr. 1605/2002, art. 109, lid 1)

3. Eigen middelen van Europese Unie – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Unie – Vervolging van onregelmatigheden – Verjaringstermijn

(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 3, lid 1, eerste alinea)

4. Eigen middelen van Europese Unie – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Unie – Voortdurende of voortgezette onregelmatigheid – Beoordelingscriteria

(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 3, lid 1, tweede alinea)

1. De verplichting om een door een onregelmatige praktijk ten onrechte ontvangen voordeel terug te betalen, is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Deze verplichting vormt immers geen sanctie, maar is het loutere gevolg van de vaststelling dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het uit de Unieregeling voortvloeiende voordeel, kunstmatig zijn gecreëerd, zodat het ontvangen voordeel niet verschuldigd was en dus moet worden terugbetaald. Anders dan de administratieve sancties, waarvoor een specifieke wettelijke grondslag buiten de algemene regeling van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen vereist is, moeten de bepalingen van artikel 4, leden 1 tot en met 3, juncto artikel 1, leden 1 en 2, van die verordening dus worden geacht een relevante en toereikende wettelijke grondslag te vormen voor elke maatregel die erop gericht is een middels een onregelmatigheid wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen, en bijgevolg voor intrekking van de beslissing waarbij dat voordeel was toegekend.

Hoe dan ook, zelfs bij gebreke van een specifieke bepaling daartoe, vloeit uit de algemene beginselen van het Unierecht voort dat de overheid in beginsel een wederrechtelijk vastgestelde begunstigende bestuurshandeling met terugwerkende kracht mag intrekken. Met name artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2988/95 doet niet anders dan toepassing geven aan deze beginselen op het niveau van het afgeleide recht.

(cf. punten 117‑118)

2. Blijkens artikel 109, lid 1, van verordening nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, geschiedt de toekenning van subsidies met inachtneming van met name het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, hetgeen veronderstelt dat potentiële aanvragers van financiële bijstand, gelet op het beperkte budget dat beschikbaar is voor de financiering van dergelijke subsidies, gelijk worden behandeld ten aanzien van, ten eerste, de mededeling, in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen, van relevante informatie over de criteria voor de selectie van de in te dienen projecten en, ten tweede, de vergelijkende beoordeling van die projecten die tot de selectie ervan zal leiden en tot de toekenning van de subsidie.

Op begrotingsgebied heeft de verplichting tot transparantie, als het logische uitvloeisel van het beginsel van gelijke behandeling, in essentie tot doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de begrotingsautoriteit wordt uitgebannen. Deze verplichting impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de toekenningsprocedure op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen worden geformuleerd. Alle informatie die relevant is voor een goed begrip van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen moet dus zo snel mogelijk ter beschikking worden gesteld van alle marktdeelnemers die er potentieel een belang bij hebben om deel te nemen aan een procedure voor de toekenning van subsidies, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvragers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en, anderzijds, de begrotingsautoriteit in staat is om metterdaad na te gaan of de voorgestelde projecten beantwoorden aan de vooraf bekendgemaakte selectie‑ en toekenningscriteria. Derhalve vormt elke inbreuk op de gelijkheid van kansen en op het transparantiebeginsel een onregelmatigheid die de toekenningsprocedure aantast.

De verkrijging van financiële bijstand afkomstig uit de algemene begroting van de Gemeenschappen middels heimelijke afspraken die kennelijk in strijd zijn met de voor de toekenning van dergelijke bijstand geldende dwingende voorschriften, tussen de aanvrager van de financiële bijstand en de ambtenaar die belast is met de voorbereiding van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen en met de beoordeling en de selectie van het te financieren project, vormt dus een onregelmatigheid in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, zonder dat behoeft te worden beoordeeld of die handelwijze tevens voldoet aan de criteria voor actieve of passieve corruptie of voor een inbreuk op een andere strafrechtelijk voorschrift.

(cf. punten 122, 124‑126)

3. Met de vaststelling van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en in het bijzonder artikel 3, lid 1, eerste alinea, ervan, heeft de communautaire wetgever invoering beoogd van een ter zake toepasselijke algemene verjaringsregel, waarmee hij enerzijds een in alle lidstaten toegepaste minimumtermijn wilde vastleggen, en anderzijds wilde afzien van de mogelijkheid om, na het verstrijken van een periode van vier jaar na het begaan van de onregelmatigheid waardoor de litigieuze betalingen zijn aangetast, ten onrechte uit de gemeenschapsbegroting ontvangen bedragen terug te vorderen. Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vanaf de datum van inwerkingtreding van genoemde verordening elk ten onrechte uit de gemeenschapsbegroting ontvangen voordeel in beginsel en uitgezonderd sectoren waarvoor de communautaire wetgever een kortere termijn heeft voorzien, kunnen terugvorderen binnen een termijn van vier jaar. Wat de voordelen betreft die ten onrechte uit de gemeenschapsbegroting zijn ontvangen wegens vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2988/95 begane onregelmatigheden, heeft de communautaire wetgever met de vaststelling van artikel 3, lid 1, van deze verordening, en onverminderd lid 3 van dit artikel, een algemene verjaringsregel vastgelegd waardoor hij de periode gedurende welke de autoriteiten van de lidstaten, handelend in naam en voor rekening van de gemeenschapsbegroting, dergelijke ten onrechte ontvangen voordelen zouden of hadden moeten terugvorderen, bewust tot vier jaar heeft verkort.

Krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 moet met betrekking tot elk bedrag dat een marktdeelnemer ten onrechte heeft ontvangen wegens een vóór de inwerkingtreding van deze verordening begane onregelmatigheid, de verjaring bijgevolg in beginsel worden geacht te zijn ingetreden wanneer enige handeling ontbreekt waardoor die verjaring in de vier jaar nadat een dergelijke onregelmatigheid is begaan, is gestuit, welke stuitingshandeling volgens artikel 3, lid 1, derde alinea, van deze verordening moet worden gezien als een ter kennis van de betrokkene gebrachte onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit.

Deze beginselen zijn mutatis mutandis van toepassing wanneer de betrokken maatregel door de Commissie is vastgesteld krachtens artikel 4, leden 1 tot en met 3, juncto artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 2988/95, daar deze verordening een algemene regeling is die is gericht tot elke – nationale dan wel communautaire – autoriteit waarvoor de vereisten gelden van goed financieel beheer en van controle of de begrotingsmiddelen van de Gemeenschappen voor de vastgestelde doelen worden gebruikt, als bedoeld in de derde en de dertiende overweging van de considerans van die verordening.

(cf. punten 148‑150)

4. Een onregelmatigheid is voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, wanneer zij is begaan door een marktdeelnemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht.

(cf. punt 153)

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

van 15 april 2011(*)

„Bijdrage aan financiering van project op gebied van milieuvriendelijk toerisme – Heimelijke afspraken – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Bescherming van financiële belangen van Europese Gemeenschappen – Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – Verjaring – Geen stuiting”

In zaak T‑297/05,

IPK International – World Tourism Marketing Consultants GmbH, gevestigd te München (Duitsland), vertegenwoordigd door H.‑J. Prieß, M. Niestedt en C. Pitschas, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Schima als gemachtigde, bijgestaan door C. Arhold, advocaat,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 13 mei 2005 [ENTR/01/Audit/RVDZ/ss D(2005) 11382] houdende intrekking van de beschikking van de Commissie van 4 augustus 1992 (003977/XXIII/A3 – S92/DG/ENV8/LD/kz) waarbij in het kader van het Ecodata-project een subsidie van 530 000 ecu is toegekend,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi (rapporteur), kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen, rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 juni 2010,

het navolgende

Arrest

Toepasselijke bepalingen

1 Punt 20 van de considerans van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1; hierna: „financieel reglement”), in de op de feiten van het onderhavige geval toepasselijke versie, vermeldt onder meer:

„[...] Wanneer het [...] om fraude gaat moet in deze verordening worden verwezen naar de geldende bepalingen aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen en de bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten betrokken zijn.”

2 Artikel 72, lid 2, van het financieel reglement luidt:

„De instelling kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan staten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 256 [EG] vormt.”

3 In artikel 109 van het financieel reglement, met het opschrift „Beginselen voor de toekenning van subsidies”, is bepaald:

„1. De toekenning van subsidies geschiedt met inachtneming van het transparantiebeginsel, het beginsel van gelijke behandeling, het cumulatieverbod, het verbod van werking met terugwerkende kracht en het medefinancieringsbeginsel.

2. De subsidie mag niet tot doel of tot gevolg hebben dat zij de begunstigde winst oplevert.”

4 Artikel 119, lid 2, van het financieel reglement luidt:

„Indien de begunstigde zijn wettelijke en contractuele verplichtingen niet nakomt, wordt de subsidie opgeschort en verlaagd of ingetrokken in de in de uitvoeringsvoorschriften bepaalde gevallen, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren.”

5 Artikel 183, lid 1, sub a, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van [het financieel reglement] (PB L 357, blz. 1; hierna: „uitvoeringsvoorschriften”), dat betrekking heeft op artikel 119 van het financieel reglement en het opschrift „Opschorting en verlaging van subsidies” draagt, luidt in de op de feiten van het onderhavige geding toepasselijke versie:

„1. De bevoegde ordonnateur schort de betalingen op en, afhankelijk van het stadium van de procedure, verlaagt de subsidie of verzoekt om terugbetaling daarvan naar evenredigheid door de begunstigde of begunstigden:

a) wanneer de actie of het goedgekeurde werkprogramma niet, slecht, gedeeltelijk of laattijdig wordt uitgevoerd;”

6 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1), titel 1, „Algemene beginselen”, luidt als volgt:

„Artikel 1

1. Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het gemeenschapsrecht aangenomen.

2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

Artikel 2

1. Controles en administratieve maatregelen en sancties worden ingesteld voor zover deze voor een juiste toepassing van het gemeenschapsrecht nodig zijn. Zij moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, teneinde een adequate bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen te verzekeren.

2. Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan gemeenschapsbesluit. Ingeval van latere wijziging van de bepalingen van een gemeenschapsbesluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast.

3. Het gemeenschapsrecht bepaalt de aard en de draagwijdte van de administratieve maatregelen en sancties die voor een juiste toepassing van de betrokken regeling nodig zijn rekening houdend met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, het toegekende of ontvangen voordeel evenals de mate van schuld.

4. Onder voorbehoud van het toepasselijke gemeenschapsrecht worden de procedures betreffende de toepassing van de communautaire controles, maatregelen en sancties door het nationale recht van de lidstaten geregeld.

Artikel 3

1. De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De sectoriële regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma’s loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten.

De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1.

2. Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop het besluit definitief wordt.

De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld.

3. Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.”

7 In titel II van verordening nr. 2988/95, „Administratieve maatregelen en sancties”, is bepaald:

„Artikel 4

1. Iedere onregelmatigheid leidt in de regel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

– door de verplichting de verschuldigde bedragen te betalen of de wederrechtelijk geïnde bedragen terug te betalen;

– [...]

2. De toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt beperkt tot de ontneming van het verkregen voordeel, vermeerderd met de rente – die forfaitair kan worden vastgesteld – in geval van een daartoe strekkende bepaling.

3. Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, wordt, naargelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.

4. De in dit artikel bedoelde maatregelen worden niet als sancties beschouwd.

Artikel 5

1. Opzettelijk of uit nalatigheid begane onregelmatigheden kunnen tot de volgende administratieve sancties leiden:

[...]

c) volledige of gedeeltelijke intrekking van een bij de communautaire regeling toegekend voordeel, ook al heeft de betrokkene dit voordeel slechts ten dele wederrechtelijk genoten;

d) uitsluiting of intrekking van het voordeel voor een periode die volgt op die waarin de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden;

[...]

Artikel 6

1. Onverminderd de communautaire administratieve maatregelen en sancties die zijn vastgesteld op basis van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande sectoriële regelingen, kan de oplegging van financiële sancties, zoals administratieve boetes, bij besluit van de bevoegde autoriteit worden geschorst, indien tegen de betrokkene ter zake van dezelfde feiten een strafprocedure is ingesteld. De schorsing van de administratieve procedure heeft schorsing van de in artikel 3 bedoelde verjaringstermijn tot gevolg.

[...]

Artikel 7

Communautaire administratieve maatregelen en sancties kunnen worden opgelegd aan de in artikel 1 bedoelde marktdeelnemers – natuurlijke personen, rechtspersonen of andere eenheden die naar nationaal recht als rechtssubject worden aangemerkt – die de onregelmatigheid hebben begaan. Zij kunnen ook worden opgelegd aan de personen die aan het begaan van de onregelmatigheid hebben deelgenomen, alsmede aan de personen die voor de onregelmatigheid aansprakelijk kunnen worden gesteld of die het begaan ervan hadden moeten voorkomen.”

8 In het Protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1996, C 313, blz. 2; hierna: „protocol bij de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen”), is in artikel 2, lid 1, „Passieve corruptie”, bepaald:

„Voor de toepassing van dit protocol bestaat passieve corruptie in het feit dat een ambtenaar opzettelijk, onmiddellijk of middellijk, voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander aanneemt of vraagt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad.”

9 Artikel 3, lid 1, van dat protocol, met het opschrift „Actieve corruptie”, luidt als volgt:

„Voor de toepassing van dit protocol bestaat actieve omkoping in het feit dat iemand opzettelijk een ambtenaar onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft of verstrekt, om in strijd met zijn ambtsplicht een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad.”

Feiten

Procedure van uitnodiging tot het indienen van voorstellen en uitvoering van het Ecodata-project

10 Bij de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1992 besliste het Europees Parlement, dat „een bedrag van ten minste 530 000 ecu zou worden gebruikt voor ondersteuning van een informatienetwerk over milieuvriendelijke vormen van toerisme in Europa” [hoofdstuk B2, artikel 7100 (toerisme)] (PB L 26, blz. 1, 659; hierna: „definitieve algemene begroting 1992”).

11 Op 26 februari 1992 publiceerde de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een uitnodiging tot het indienen van voorstellen op het gebied van toerisme en milieu (PB C 51, blz. 15). Daarin verklaarde zij, dat het haar bedoeling was om daaraan in totaal 2 miljoen ecu te besteden en ongeveer 25 projecten uit te kiezen die in aanmerking zouden komen voor financiering ten belope van 60 % van de totale kosten ervan.

12 Op 22 april 1992 diende verzoekster, IPK International – World Tourism Marketing Consultants GmbH (hierna: „IPK”), een in Duitsland gevestigde onderneming die werkzaam is op het gebied van het toerisme, een verzoek om financiële bijstand in voor een project inzake het creëren van een gegevensbestand over milieuvriendelijk toerisme in Europa, dat „Ecodata” (hierna: „Ecodata-project”) werd genoemd. IPK zou de coördinatie van het project voor haar rekening nemen. Voor de uitvoering van de werkzaamheden zou zij echter samenwerken met drie partners, namelijk de Franse onderneming Innovence, de Italiaanse onderneming Tourconsult en de Griekse onderneming 01‑Pliroforiki. Het voorstel bevatte geen enkele aanwijzing over de taakverdeling tussen die ondernemingen, maar vermeldde slechts dat zij allen „adviseurs gespecialiseerd in toerisme en in projecten in verband met voorlichting en toerisme” waren.

13 Bij brief van 4 augustus 1992 (hierna: „toekenningsbeschikking”) heeft de Commissie IPK, op voorstel van G. Tzoanos, hoofd van eenheid 3 „Toerisme” van directoraat A „Verbetering van het bedrijfsklimaat” van het directoraat-generaal „Ondernemingenbeleid, handel, toerisme en sociale economie” (DG XXIII) voor het Ecodata-project financiële bijstand ten bedrage van 530 000 ecu toegekend (hierna: „litigieuze financiële bijstand”). Zij vroeg IPK om ondertekening en terugzending van de bij de toekenningsbeschikking gevoegde „verklaring van de ontvanger van de financiële bijstand”, waarin de voorwaarden voor het ontvangen van die bijstand waren opgenomen. In deze verklaring was bepaald dat 60 % van het bijstandsbedrag zou worden uitbetaald zodra de Commissie de door IPK naar behoren ondertekende verklaring zou hebben ontvangen, en het saldo na ontvangst en aanvaarding door de Commissie van de verslagen betreffende de uitvoering van het project. Punt 7 van de verklaring vermeldde dat de begunstigde bereid was van het eventuele resterende bedrag af te zien indien de in de punten 4 en 5 gestelde termijnen voor overlegging van de verslagen over de vorderingen van het project en de benutting van de financiële steun, niet werden nageleefd. Volgens punt 8 van deze verklaring was de begunstigde bereid om indien het kostenoverzicht de benutting van het bedrag van de financiële bijstand niet rechtvaardigde, de Commissie, op haar verzoek, de reeds uitgekeerde bedragen terug te betalen. De verklaring is door IPK op 23 september 1992 ondertekend en ingeschreven bij DG XXIII van de Commissie op 29 september 1992.

14 Op 24 november 1992 nodigde Tzoanos IPK en 01‑Pliroforiki uit voor een vergadering zonder de twee andere partners in het project. Tzoanos stelde tijdens die vergadering voor het belangrijkste deel van het werk en het meeste geld aan 01‑Pliroforiki toe te bedelen. IPK heeft zich verzet tegen dat vereiste.

15 Het eerste deel van de financiële bijstand, 318 000 ecu (60 % van de totale subsidie van 530 000 ecu), is uitbetaald in januari 1993.

16 Eind februari 1993 werd het dossier betreffende het Ecodata-project Tzoanos afgenomen. Vervolgens zijn tegen hem een tuchtprocedure en interne onderzoeken ter zake van door hem beheerde dossiers ingesteld. De tuchtprocedure leidde tot zijn tuchtrechtelijk ontslag per 1 augustus 1995. Het interne onderzoek over de administratieve procedure die tot de toekenningsbeschikking heeft geleid, bracht daarentegen geen enkele onregelmatigheid aan het licht.

17 Na een negatief beoordelingsverslag betreffende de uitvoering van het Ecodata-project heeft de Commissie bij beschikking van 3 augustus 1994 (hierna: „weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994” of „litigieuze beschikking”) geweigerd het tweede deel van de financiële bijstand, ten bedrage van 212 000 ecu, te betalen en gaf zij aan langer te willen nadenken over een eventuele beslissing om terugbetaling te vorderen van het eerste deel van die bijstand.

Litigieuze procedure over de weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994

18 IPK heeft beroep ingesteld tot nietigverklaring van de weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994, hetgeen tot een eerste litigieuze procedure voor de gemeenschapsrechters heeft geleid (hierna: „eerste litigieuze procedure”).

19 Bij arrest van 15 oktober 1997, IPK/Commissie (T‑331/94, Jurispr. blz. II‑1665), heeft het Gerecht dat beroep verworpen.

20 Ter onderbouwing van deze verwerping stelde het Gerecht in punt 47 van dat arrest het volgende vast:

„[...] [IPK kan] de Commissie niet verwijten de vertragingen bij de uitvoering van het [Ecodata-]project te hebben veroorzaakt. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat [IPK] tot maart 1993 heeft gewacht alvorens met haar partners te gaan onderhandelen over de taakverdeling voor de uitvoering van het project, ofschoon zij de coördinerende onderneming was. [IPK] heeft dus de helft van de voor de uitvoering van het project voorziene tijd laten verlopen zonder dat zij redelijkerwijs met het echte werk kon beginnen. [IPK] heeft weliswaar aanwijzingen verschaft, dat een of meer ambtenaren van de Commissie zich in de periode van november 1992 tot februari 1993 op hinderlijke wijze met het project hebben bemoeid, maar zij heeft geenszins aangetoond, dat die inmenging haar elke mogelijkheid heeft ontnomen om vóór maart 1993 effectief met haar partner te gaan samenwerken.”

21 Nadat IPK hogere voorziening had ingesteld, heeft het Hof het arrest van het Gerecht vernietigd en de zaak naar hem terugverwezen (arrest Hof van 5 oktober 1999, IPK/Commissie, C‑433/97 P, Jurispr. blz. 6795).

22 Ter fundering van zijn arrest oordeelde het Hof als volgt:

„15 Het Hof stelt vast, dat, zoals blijkt uit punt 47 van het bestreden arrest, [IPK] aanwijzingen heeft verstrekt betreffende een inmenging in het beheer van het project door bepaalde ambtenaren van de Commissie, welke in de punten 9 en 10 van het bestreden arrest wordt gepreciseerd, en gevolgen kan hebben gehad voor een goed verloop van het project.

16 In die omstandigheden was het aan de Commissie om aan te tonen, dat [IPK] ondanks deze inmenging nog steeds in staat was, het project op bevredigende wijze uit te voeren.

17 Het Gerecht heeft derhalve het recht geschonden, door te eisen dat [IPK] bewijst dat het optreden van de ambtenaren van de Commissie haar elke mogelijkheid had ontnomen om tot een effectieve samenwerking met haar partners in het project te komen.”

23 Na de terugverwijzing heeft het Gerecht het beroep bij arrest van 6 maart 2001, IPK-München/Commissie (T‑331/94, Jurispr. blz. II‑779) toegewezen.

24 In dat arrest stelde het Gerecht onder het opschrift „Het voorwerp van het geschil” het volgende vast:

„34 In het kader van het onderhavige beroep wordt het Gerecht verzocht zich uit te spreken over de wettigheid van de beschikking van de Commissie tot weigering van betaling van het tweede deel van de [financiële bijstand] die aan verzoekster was toegekend voor de uitvoering van het Ecodata-project. De redenen voor die weigering zijn uiteengezet in de [litigieuze] beschikking en in de brief van 30 november 1993 waar genoemde beschikking naar verwijst.

35 Vastgesteld moet evenwel worden, dat de brief van 30 november 1993 uit twee delen bestaat. Een eerste deel, namelijk de punten 1 tot en met 5 van de brief, betreft de weigering van de Commissie om het tweede deel van de [financiële bijstand] te betalen en bevat dus de motivering van de [litigieuze] beschikking. Het tweede deel, namelijk de punten 6 tot en met 12 van de brief, betreft de eventuele terugvordering van de reeds betaalde 60 % van de [financiële bijstand]. Tot op heden heeft de Commissie over die terugvordering echter nog geen beslissing genomen.

36 Hieruit volgt dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, de punten 6 tot en met 12 van de brief van 30 november 1993 geen deel uitmaken van de motivering van de [litigieuze] beschikking. Deze punten zijn uitsluitend te zien in de context van een eventuele toekomstige beslissing van de Commissie om terugbetaling van het reeds betaalde deel van de [financiële bijstand] te eisen. De door verzoekster in haar verzoekschrift uitgewerkte argumenten betreffende de punten 6 tot en met 12 van de brief van 30 november 1993, moeten derhalve als niet-ontvankelijk worden beschouwd.”

25 Ten gronde heeft het Gerecht zich met name als volgt uitgesproken:

„85 Om die redenen, en bij gebrek aan andere argumenten van de Commissie, moet worden geconstateerd dat [de Commissie] niet heeft bewezen dat ondanks haar inmenging, met name met het oogmerk om Studienkreis bij het [...] project te betrekken, ‚[IPK] in staat bleef het [Ecodata-]project op bevredigende wijze te beheren’.

86 Aangezien de Commissie er vanaf de zomer van 1992 tot minstens 15 maart 1993 bij [IPK] op heeft aangedrongen dat Studienkreis bij het [...] project werd betrokken – ook al is er in [het] voorstel [van IPK] en in de [toekenningsbeschikking] geen sprake van deelname van deze onderneming aan het [Ecodata-]project –, hetgeen de uitvoering ervan noodzakelijkerwijze moet hebben vertraagd, en de Commissie bovendien niet heeft bewezen dat [IPK] ondanks deze inmenging in staat bleef het project op bevredigende wijze te beheren, moet worden vastgesteld, dat de Commissie het beginsel van goede trouw heeft geschonden door storting van het tweede deel van de [financiële bijstand] te weigeren op grond dat het project op 31 oktober 1993 niet was voltooid.”

26 Het Gerecht heeft vervolgens het argument van de Commissie onderzocht dat was ontleend aan heimelijke afspraken tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en IPK, dat door de Commissie was aangevoerd in het stadium van het verweerschrift en waarop zij vervolgens nader is ingegaan in de latere stukken. Het stelde met name vast:

„88 Niettemin moet, voor zover de Commissie met betrekking tot laatstgenoemde inmenging wijst op de onrechtmatige heimelijke afspraken tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en [IPK] [...], nog uitspraak worden gedaan over de toepassing van het beginsel fraus omnia corrumpit, dat volgens de Commissie een verwerping van het onderhavige beroep rechtvaardigt.

89 De Commissie verklaart dienaangaande [...] dat de [toekennings]beschikking het gevolg is van onrechtmatige heimelijke afspraken tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en [IPK]. Tot staving van haar argument verwijst de Commissie naar processen-verbaal van ondervragingen in het kader van het onderzoek van de Belgische justitie tegen Tzoanos [...]. Zij wijst erop dat de heer Freitag, bestuurder en eigenaar van [IPK], heeft verklaard dat Tzoanos van Freitag verlangde dat hij hem tot stille vennoot van ETIC [European Travel Intelligence Center], een van zijn vennootschappen, zou benoemen en daarbij heeft laten verstaan dat [IPK] dan in de toekomst gemakkelijker contracten met de Commissie zou krijgen [...]. Bovendien heeft Tzoanos volgens haar aan Freitag te kennen gegeven, dat een project dat door laatstgenoemde tijdens de vergadering van DG XXIII in Lissabon in mei 1992 werd genoemd, ‚zou kunnen doorgaan’ als hem een provisie van 30 000 ecu zou worden betaald [...]. Tot staving van haar argument meldt de Commissie nog, dat de Lex Group vanaf juni 1992 ETIC in Griekenland vertegenwoordigde (brochure nr. 1/92 van ETIC). Volgens de Commissie was Tzoanos oprichter van de Lex Group en had mevrouw Sapountzaki, destijds zijn verloofde en later zijn echtgenote, de verantwoordelijkheid voor de contacten met de klanten van die vennootschap. 01‑Pliroforiki is volgens de Commissie de Lex Group opgevolgd als vertegenwoordiger van ETIC in Griekenland. De Commissie verwijst bovendien naar de verklaring van de heer Franck, medewerker van ETIC, waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en [IPK] heimelijke afspraken zijn gemaakt [...]. Volgens haar is veelzeggend dat Innovence, [de] enige partner [van IPK] in het project die geen banden met Tzoanos of Freitag had, niet was uitgenodigd voor de vergadering van 24 november 1992 [...], die in het kantoor van ETIC werd gehouden. Verder merkt de Commissie op, dat Tzoanos beschikte over het privételefoonnummer van Freitag. Tijdens het telefoongesprek van von Moltke met Freitag op 10 maart 1993, heeft laatstgenoemde volgens de Commissie Tzoanos gedekt, zodat hij medeplichtige is geworden. Ter terechtzitting verwees de Commissie nog naar het arrest van het Tribunal de grande instance [de Paris] (twaalfde kamer) van 22 september 2000, waarbij Tzoanos volgens haar wegens corruptie tot vier jaar gevangenisstraf is veroordeeld.

90 Het Gerecht stelt vast, dat er noch in de [litigieuze] beschikking, noch in de brief van 30 november 1993 waarnaar in de [litigieuze] beschikking is verwezen, heimelijke afspraken tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en [IPK] worden genoemd als reden om haar het tweede deel van de [financiële bijstand] niet uit te betalen. De [litigieuze] beschikking en de brief van 30 november 1993 bevatten bovendien geen enkele indicatie dat de Commissie van mening zou zijn dat de [financiële bijstand] op onrechtmatige wijze aan [IPK] is toegekend. Om deze reden kan de uitleg van de Commissie over de beweerde onrechtmatige heimelijke afspraken tussen de betrokken partijen niet worden beschouwd als een tijdens de beroepsprocedure gegeven toelichting op de motivering die in de [litigieuze] beschikking is vermeld [...].

91 Aangezien het Gerecht zich op grond van artikel [230 EG] moet beperken tot de wettigheidstoetsing van de [litigieuze] beschikking op basis van de daarin vermelde motivering, kan het argument van de Commissie betreffende het beginsel fraus omnia corrumpit niet worden aanvaard.

92 Hieraan zij toegevoegd, dat de Commissie, indien zij na de [litigieuze] beschikking tot de zienswijze was gekomen dat de onder bovenstaand punt 89 genoemde aanwijzingen volstonden om te concluderen dat er sprake was van onrechtmatige heimelijke afspraken tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en [IPK] waardoor de procedure voor subsidietoekenning ten gunste van het Ecodata-project ongeldig werd, in plaats van tijdens de onderhavige procedure een motivering te geven die in genoemde beschikking niet voorkwam, deze beschikking had kunnen intrekken en een nieuwe beschikking had kunnen vaststellen die niet alleen een weigering tot uitbetaling van het tweede deel van de [financiële bijstand] zou inhouden, maar ook een bevel om het reeds betaalde deel terug te betalen.”

27 De Commissie en IPK hebben beide hogere voorziening ingesteld tegen dat arrest van het Gerecht. Tot staving van haar hogere voorziening voerde de Commissie met name een vijfde middel aan dat was ontleend aan het verzuim om het beginsel fraus omnia corrumpit in het onderzoek te betrekken. IPK vorderde vernietiging van het bestreden arrest voor zover dit in de punten 34 tot en met 36 ervan uitgaat dat de punten 6 tot en met 12 van de motivering van de brief van de Commissie van 30 november 1993 geen deel uitmaakten van de motivering van de weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994.

28 Bij arrest van 29 april 2004, IPK‑München en Commissie (C‑199/01 P en C‑200/01 P, Jurispr. blz. I‑4627) heeft het Hof de hogere voorziening van IPK niet-ontvankelijk en die van de Commissie ongegrond verklaard.

29 Met betrekking tot het vijfde middel van de Commissie oordeelde het Hof als volgt:

„62 Met het tweede en het vijfde middel, die tezamen als eerste moeten worden onderzocht, verwijt de Commissie het Gerecht in de eerste plaats, te zijn voorbijgegaan aan de overwegingen in de punten 15 en 16 van het arrest van het Hof van 5 oktober 1999, IPK/Commissie [C‑433/97, Jurispr. blz. 6795], met name betreffende de relevantie van de beweerde onrechtmatige heimelijke afspraken tussen [Tzoanos], 01‑Pliroforiki en IPK.

63 De Commissie stelt dat deze heimelijke afspraken de uitvoering van het project minstens tot februari 1993 hebben vertraagd, enerzijds doordat de partners van het project het niet eens konden worden over de door [Tzoanos] geëiste toedeling van middelen aan de Griekse partner, hetgeen ertoe leidde dat het project in het slop geraakte, en anderzijds doordat IPK het optreden van [Tzoanos] uitdrukkelijk dekte. Ingevolge de punten 15 en 16 van het arrest van het Hof van 5 oktober 1999, IPK/Commissie [C‑433/97 P, Jurispr. blz. 6795], had het Gerecht moeten nagaan of de Commissie heeft aangetoond dat IPK ondanks dit optreden nog in staat was het project naar tevredenheid te leiden. Nu het Gerecht haar argument betreffende deze heimelijke afspraken terzijde heeft gelaten, heeft het volgens de Commissie het recht verkeerd toegepast.

64 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat het Gerecht met zijn constatering dat het geen strafrechter is en over die heimelijke afspraken niet kon oordelen, het beginsel dolo agit qui petit quod statim redditurus est en het beginsel fraus omnia corrumpit verkeerd heeft toegepast.

65 IPK benadrukt daarentegen dat er tussen [Tzoanos], 01‑Pliroforiki en haarzelf geen onrechtmatige heimelijke afspraken zijn geweest. Hoe dan ook moet de rechtmatigheid van de beschikking uitsluitend worden beoordeeld op basis van de motivering waarmee zij is gegeven, en bevat de litigieuze beschikking geen enkele constatering van enige vermeende onrechtmatige heimelijke afspraak van IPK met [Tzoanos] en 01‑Pliroforiki, zoals het Gerecht heeft geoordeeld.

66 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, ten doel het Hof in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Hieruit volgt dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld en dat het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor het Hof kennis krijgt van de redenen voor het besluit [...].

67 Voorts moet het Gerecht zich ingevolge [artikel 230 EG] beperken tot het toetsen van de wettigheid van de litigieuze beschikking op basis van de in die handeling gegeven motieven.

68 In casu heeft de Commissie bij de litigieuze beschikking om de in de brief van 30 november 1993 genoemde redenen geweigerd aan IPK de resterende 40 % van de financiële bijstand van 530 000 ecu uit te betalen die zij voor het project had uitgetrokken. In die brief heeft de Commissie IPK meegedeeld dat zij van mening was dat het werk tot 31 oktober 1993 niet voldoende overeenkwam met hetgeen in het voorstel was voorzien, en heeft zij de redenen die haar tot deze beslissing hadden gebracht, gedetailleerd uiteengezet in de punten 1 tot en met 6 van die brief.

69 Zoals uit punt 15 van het onderhavige arrest blijkt, wordt noch in de brief van 30 november 1993, noch in de litigieuze beschikking melding gemaakt van het bestaan van heimelijke afspraken tussen [Tzoanos], 01‑Pliroforiki en IPK. Het Gerecht heeft in punt 90 van het bestreden arrest die afspraken dus terecht niet beschouwd als een van de gronden voor de litigieuze beschikking.

70 Overigens heeft het Gerecht met zijn oordeel dat de brief van 30 november 1993 en de litigieuze beschikking geen aanwijzingen bevatten dat de Commissie van mening was dat de financiële bijstand ten onrechte aan IPK was verstrekt, terecht geconcludeerd dat de uiteenzetting van de Commissie over de onrechtmatige heimelijke afspraken die tussen de betrokkenen zouden bestaan, niet kon worden beschouwd als een tijdens de procedure aangebrachte verduidelijking van de in de litigieuze beschikking gegeven gronden, en dat de rechtspraak die in punt 66 van het onderhavige arrest is genoemd, in casu van toepassing was.

71 In die omstandigheden heeft het Gerecht het recht dus niet verkeerd toegepast door om al deze redenen in punt 91 van het bestreden arrest te concluderen dat het argument van de Commissie betreffende het beginsel fraus omnia corrumpit niet kon worden aanvaard.”

Administratieve procedure die tot vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid

30 Bij brief van 30 september 2004, heeft de Commissie IPK onder verwijzing naar het arrest IPK‑München en Commissie, punt 28 supra, te kennen gegeven dat zij een diepgaand onderzoek betreffende Tzoanos had verricht, waaruit was gebleken dat hij met regelmaat projecten toekende waarin door hem voorgestelde Griekse ondernemingen partners waren, en dat hij zichzelf daarbij verrijkte. De Commissie stelt de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de procedure voor toekenning van de litigieuze financiële bijstand opnieuw te hebben onderzocht en tot de slotsom te zijn gekomen dat de toekenningsbeschikking onrechtmatig was voor zover zij voortkwam uit heimelijke afspraken tussen Tzoanos en Freitag, directeur en eigenaar van IPK. De Commissie is dus voornemens de toekenningsbeschikking te „annuleren”.

31 Bij brieven van 26 november en 23 december 2004 alsmede van 21 februari 2005 heeft IPK haar opmerkingen over de brief van 30 september 2004 ingediend. In haar brieven van 23 december 2004 en 21 februari 2005 heeft IPK tevens geëist dat het tweede deel van de litigieuze financiële bijstand zou worden betaald. IPK heeft deze vordering formeel herhaald bij brief van 20 juli 2005.

32 Bij brief van 13 mei 2005 [ENTR/01/Audit/RVDZ/ss D(2005) 11382], gericht aan IPK en in het bijzonder aan Freitag (hierna: „bestreden beschikking”), heeft de Commissie met name het volgende uiteengezet:

„Daarop heeft [de Commissie] de procedure voor toekenning van de [litigieuze] financiële bijstand opnieuw onderzocht teneinde de rechtmatigheid en de regelmatigheid ervan te controleren.

Om de redenen die in de punten a tot en met k hieronder zullen worden uiteengezet [zie punt 33 hierna], is [de Commissie] tot de slotsom gekomen dat de toekenning van de [litigieuze] financiële bijstand onrechtmatig en onregelmatig was voor zover deze was voortgekomen uit heimelijke afspraken tussen Tzoanos en [Freitag].

Om deze reden heeft de Commissie besloten de eerdere beschikking om in het kader van het Ecodata-project een financiële bijstand van 530 000 ecu toe te kennen, in te trekken [...].

Overeenkomstig deze beslissing weigert de Commissie om te beginnen het tweede deel van de [litigieuze financiële bijstand], die 212 000 ecu bedraagt, te betalen en wijst zij uw verzoek om betaling van vertragingsrente af.

Voorts vordert de Commissie het voorschot van 318 000 ecu, vermeerderd met rente, terug.

Dit bevel tot terugvordering wordt thans opgesteld en zal u te zijner tijd worden toegezonden.”

33 Volgens de bestreden beschikking waren de heimelijke afspraken tussen Tzoanos en Freitag bewezen door de volgende elementen:

„a) Het voorstel voor het Ecodata-project werd ingediend na de aankondiging op 26 februari 1992 in Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 51, blz. 16) van een uitnodiging tot het indienen van voorstellen op het gebied van toerisme en milieu. Punt D van deze uitnodiging tot het indienen van voorstellen, met het opschrift „Selectiecriteria”, noemde vijf prioritaire onderwerpen voor de projecten. De creatie van een gegevensbestand, waarop het Ecodata-project betrekking heeft, bevond zich niet onder die vijf onderwerpen. Indien men zich op de officiële tekst van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen baseert, is niet te begrijpen waarom u een voorstel heeft ingediend dat betrekking heeft op dit gegevensbestand. Rekening gehouden met uw vroegere betrekkingen met de heer Tzoanos en met het bewijs van contacten tussen u beiden op het tijdstip van het voorstel dat hieronder zal worden genoemd, is de enige verklaring dat de heer Tzoanos u erover heeft geïnformeerd dat een dergelijk project niettegenstaande de tekst van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen zou kunnen worden gesubsidieerd.

b) De feitelijke selectie van het Ecodata-project door de heer Tzoanos [...] was onregelmatig. Teneinde transparantie, eerlijke concurrentie, gelijke behandeling en gelijke toegang tot communautaire financiering te garanderen, moeten de beoordeling en de selectie van de voorstellen met het oog op financiering ervan worden gebaseerd op in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen bekendgemaakte criteria. Dit is klaarblijkelijk niet het geval geweest voor het Ecodata-project, omdat het met geen van de vijf in de uitnodiging genoemde onderwerpen overeenkwam. De punten a en b vormen beide duidelijke aanwijzingen voor onrechtmatige praktijken.

c) De in het Publicatieblad [van de Europese Gemeenschappen] bekendgemaakte uitnodiging tot het indienen van voorstellen vermeldde dat het voor financiering beschikbare bedrag, dat in totaal 2 (twee) miljoen ecu bedroeg, over ongeveer 25 projecten zou worden verdeeld. Bijgevolg bedroeg de gemiddelde te verwachten financiële bijstand ongeveer 80 000 ecu. U heeft een voorstel ingediend met het oog op een communautaire bijdrage van 600 000 ecu (30 % van het totale voor financiering beschikbare bedrag). Dit voorstel zou volledig onrealistisch zijn geweest indien de heer Tzoanos u er niet vooraf over had geïnformeerd dat u een gunstige uitkomst kon verwachten.

d) De [definitieve algemene] begroting 1992 bevatte een aantekening betreffende het budget voor toerisme waarin was bepaald dat een minimumbedrag van 530 000 ecu moest worden besteed aan de creatie van een informatiesysteem betreffende milieuvriendelijk toerisme. Dit onderwerp stond echter niet in de op 26 februari 1992 gepubliceerde uitnodiging tot het indienen van voorstellen. U had geen enkele reden te geloven dat de Commissie dat gedeelte van de begroting, niettegenstaande het ontbreken in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen van elke verwijzing naar een ‚gegevensbestand of informatiesysteem’ of naar de aantekening in de begroting betreffende de noodzaak van een informatiesysteem, op dat tijdstip bedoelde te gebruiken. De enig mogelijke verklaring zou zijn dat [de heer Tzoanos] u heeft geïnformeerd over zijn bedoeling, waardoor de selectieprocedure een oneerlijke en onregelmatige procedure werd, waarin elke mededinging werd uitgesloten.

e) Tijdens het onderzoek van de Commissie heeft de heer Franck, president van de vennootschap ETIC, twee ambtenaren van de Commissie erover geïnformeerd dat de volledige tekst van het verzoek om [financiële bijstand] (het voorstel voor het Ecodata-project) u was toegezonden door de heer Tzoanos. Uw enige taak in dat stadium was [...] eenvoudigweg de tekst te kopiëren op papier met het briefhoofd van IPK en aan de Commissie terug te zenden. Volgens [de heer Franck] was er op dat moment geen enkele reële deelname door u aan het project voorzien; de verdeling van de middelen over de partners moest 10 % voor u zijn en 90 % voor de andere partners, waaronder 01‑Pliroforiki, een door de heer Tzoanos voorgesteld Grieks bedrijf. Het is duidelijk dat een dergelijke manier van voorbereiding van een voorstel de selectieprocedure manipuleert en een heimelijke afspraak tussen een corrupte ambtenaar en een kennelijk welwillende derde vormt.

f) De verklaringen van de heer Franck zijn gedeeltelijk bevestigd door een van uw concurrenten, volgens wie u heeft beweerd dat u, alvorens het voorstel in te dienen, met de heer Tzoanos had gesproken en hij u te kennen had gegeven dat u de financiële bijstand zou krijgen indien u drie door hem aangewezen projectpartners zou aanvaarden. Dit was duidelijk een onaanvaardbaar voorstel van een communautaire ambtenaar en had onmiddellijk bij de verantwoordelijke autoriteiten moeten worden gemeld. Door in contact te blijven met deze ambtenaar heeft u blijk gegeven van uw bereidheid tot illegale handelwijzen ten nadele van de Commissie, niettegenstaande het feit dat u sinds lange tijd contractuele betrekkingen met deze instelling heeft.

g) Tijdens de uitvoering van het Ecodata-project heeft u ruimschoots de mogelijkheid gehad om openbaar te maken dat de heer Tzoanos de selectieprocedure had gemanipuleerd en dat hij had getracht de toekenning van de middelen op onrechtmatige wijze te beïnvloeden. Bij uw contacten met de ambtenaren van DG XXIII [...] heeft u echter nooit uw ongerustheid geuit en heeft u de heer Tzoanos integendeel beschermd en verdedigd. Toen u in februari 1995 door de Belgische politie bent ondervraagd, heeft u evenwel verklaard dat de heer Tzoanos zowel in de periode van 1989‑1990 als in 1992 reeds voorstellen had gedaan, onder meer over het Ecodata-project, waaruit zijn corruptiebedoelingen duidelijk bleken. Hoewel u tijdens de ondervraging door de politie heeft ontkend op die voorstellen te zijn ingegaan, is het feit dat u die pogingen tot omkoping niet bij de autoriteiten en evenmin bij de ambtenaren van DG XXIII heeft aangegeven, maar de samenwerking met de heer Tzoanos juist heeft voortgezet, een serieuze aanwijzing voor onrechtmatig gedrag van uw zijde.

h) Toen de algemeen directeur van DG XXIII u in maart 1993 vroeg of u tijdens de opstelling van uw voorstel contacten heeft gehad met de heer Tzoanos, heeft u elke manipulatie van dat project door de heer Tzoanos vóór de indiening van het voorstel ontkend, en heeft u verklaard dat [...] 01‑Pliroforiki was voorgesteld op aanbeveling van de heer Tzoanos tijdens gesprekken met hem toen u uw voorstel voorbereidde. Daar u heeft erkend dat de heer Tzoanos zich eerder had ingelaten met pogingen tot corruptie, vormt de aanvaarding van deze aanbeveling vóór de indiening van uw voorstel, dat nadien voor de toekenning van de [litigieuze financiële bijstand] moest worden beoordeeld en goedgekeurd door de heer Tzoanos zelf, nog een element waaruit blijkt dat de toekenningsprocedure onregelmatig was en was gemanipuleerd.

i) Het proces-verbaal van de ondervraging van de heer Tzoanos door de Belgische politie vermeldt dat er in de periode waarin het voorstel voor het Ecodata-project werd voorbereid, volgens de agenda van de heer Tzoanos een bijeenkomst heeft plaatsgevonden tussen u en de heer Tzoanos alsmede tussen laatstgenoemde en een van uw medewerkers. Deze vermelding komt overeen met de in de punt e en f genoemde verklaringen. Bijgevolg vormt het faxbericht dat u op 31 maart 1993, op zijn verzoek, aan de directeur-generaal [van DG XXIII] heeft gezonden, waarin is vermeld dat u gedurende in periode waarin het voorstel werd voorbereid geen contact met de heer Tzoanos had gehad, een valse verklaring.

j) Een vergadering die in november 1992 tussen de heer Tzoanos en de [partners in het] Ecodata-project heeft plaatsgevonden in het kantoor van ETIC, een van uw vennootschappen, te Brussel, over de verdeling van de middelen over de projectpartners, lijkt een voorbeeld te zijn van deze heimelijke afspraken. Innovence, de enige vennootschap van het consortium die geen banden had met u of met de heer Tzoanos, was niet uitgenodigd voor deze belangrijke vergadering. De Italiaanse partner, Tourconsult, werd door u vertegenwoordigd als aandeelhouder van deze vennootschap.

k) Dat de verloofde van de heer Tzoanos (die zijn echtgenote is geworden) als Griekse vertegenwoordigster van ETIC (opgericht door IPK) binnen Lex Group (opgericht door Tzoanos) werkte, bevestigt dat er tussen uzelf en de heer Tzoanos van oudsher betrekkelijk nauwe banden bestonden.”

Beschikking tot terugvordering van het eerste deel van de financiële bijstand

34 Nadat IPK een debetnota en een herinnering tot betaling die de Commissie hem op respectievelijk 13 juni en 31 augustus 2005 had toegezonden, had betwist, heeft de Commissie beschikking C(2006) 6452 van 4 december 2006 (hierna: „terugvorderingsbeschikking”) vastgesteld.

35 In die beschikking bepaalt de Commissie in artikel 1, dat IPK haar op 31 oktober 2006 een hoofdsom van 318 000 EUR verschuldigd is, te vermeerderen met vertragingsrente vanaf 25 juli 2005. In artikel 3 van de terugvorderingsbeschikking wijst de Commissie IPK erop dat zal worden overgegaan tot gedwongen tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 256 EG indien niet binnen vijftien dagen na kennisgeving van de terugvorderingsbeschikking wordt betaald. In artikel 4 van die beschikking is bepaald dat zij een executoriale titel vormt in de zin van artikel 256, eerste alinea, EG.

36 Op 15 mei 2007 heeft IPK, zonder een verplichting tot betaling te erkennen, de Commissie de in de terugvorderingsbeschikking verlangde som terugbetaald.

Strafrechtelijke vervolging tegen Tzoanos op nationaal niveau

37 De strafrechtelijke vervolging tegen Tzoanos in België, met name met betrekking tot zijn gedragingen in verband met het Ecodata-project, heeft geleid tot een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 6 mei 2008 houdende vaststelling van de niet-ontvankelijkheid wegens verjaring.

38 De strafrechtelijke vervolging tegen Tzoanos in Frankrijk, die niet zijn gedragingen in verband met het Ecodata-project betroffen, heeft geleid tot zijn veroordeling bij verstek door het Tribunal de grande instance de Paris, bij vonnis van 22 september 2000 (zaak nr. 9508001053), tot vier jaar gevangenisstraf en een strafrechtelijke boete wegens een reeks frauduleuze handelingen. Deze veroordeling is bevestigd door de Cour d’appel de Paris bij arrest van 3 november 2005 (zaak nr. 04/06084). Het cassatieberoep van Tzoanos tegen deze uitspraak is door de Cour de cassation verworpen bij arrest van 20 december 2006.

Procesverloop en conclusies van partijen

39 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 juli 2005, heeft IPK het onderhavige beroep ingesteld.

40 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2006, heeft IPK in kort geding verzocht om schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging van de terugvorderingsbeschikking tot het Gerecht een uitvoerbare beslissing in de onderhavige zaak zou hebben gegeven. Dit verzoek is ingeschreven onder nummer T‑297/05 R.

41 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 februari 2007, heeft IPK beroep ingesteld tot nietigverklaring van de terugvorderingsbeschikking, dat is ingeschreven onder nummer T‑41/07.

42 Bij beschikking van 2 mei 2007, IPK International – World Tourism Marketing Consultants/Commissie (T‑297/05 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft de president van het Gerecht het in punt 40 hierboven bedoelde verzoek in kort geding uitgelegd als een verzoek om opschorting van de uitvoering van de bestreden beschikking (punt 18 van genoemde beschikking van de president), en heeft hij dit verzoek wegens het ontbreken van spoedeisendheid afgewezen.

43 Bij beschikking van het Gerecht van 20 november 2009, IPK International – World Tourism Marketing Consultants/Commissie (T‑41/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15), heeft het Gerecht onder toepassing van artikel 113 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten dat het geen uitspraak meer behoefde te doen in zaak T‑41/07, daar IPK het in de terugvorderingsbeschikking geëiste bedrag aan de Commissie had terugbetaald, zodat het beroep dus zonder voorwerp was geraakt.

44 IPK verzoekt het Gerecht:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

45 De Commissie verzoekt het Gerecht:

– het beroep te verwerpen;

– IPK te verwijzen in de kosten.

46 Verzoekster verzoekt het Gerecht verschillende personen te horen als getuige. Voorts verzoekt zij overeenkomstig artikel 64, leden 3, sub d, en 4, van het Reglement voor de procesvoering om overlegging van bepaalde documenten van de Commissie. Zij verzoekt het Gerecht dus in wezen de Commissie te gelasten met name „de stukken afkomstig van DG XXIII en van het directoraat-generaal voor de controle van de financiën betreffende het project en alle stukken betreffende de onderzoeken inzake de maatregelen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn” over te leggen en de stukken betreffende de eerste litigieuze procedure voor het Gerecht (T‑331/94) te onderzoeken, daar deze stukken „relevant zijn voor het onderhavige beroep”. Ook de Commissie noemt de naam van verschillende personen die kunnen worden opgeroepen als getuigen en stelt het Gerecht voor zich te baseren op het dossier in zaak T‑331/94.

47 Bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht partijen bij brief van 30 april 2010 gevraagd bepaalde documenten over te leggen en hun vragen gesteld met het verzoek daarop schriftelijk te antwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen gevolg gegeven aan deze maatregelen tot organisatie van de procesgang.

48 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

49 Partijen zijn ter terechtzitting van 9 juni 2010 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht. Voorts heeft het Gerecht, bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering, partijen ter terechtzitting verzocht bepaalde documenten en bepaalde stukken over te leggen en schriftelijk een aantal preciseringen te verschaffen. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen gevolg gegeven aan deze maatregelen tot organisatie van de procesgang. Nadat partijen hun opmerkingen over de overgelegde documenten en stukken hadden ingediend alsmede de preciseringen hadden verschaft, is de mondeling behandeling op 2 september 2010 beëindigd.

In rechte

Opmerkingen vooraf

50 Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Het eerste middel is eraan ontleend dat de voorwaarden voor intrekking van een beschikking waarbij financiële bijstand wordt toegekend niet zijn vervuld. Het tweede en het derde middel betreffen schending van respectievelijk het beginsel van goed bestuur en de motiveringplicht in de zin van artikel 253 EG. Het vierde middel, dat subsidiair is aangevoerd, is ontleend aan het „verbod om nietigverklaarde beschikkingen opnieuw te geven”.

51 Het Gerecht acht het nuttig om eerst alle argumenten betreffende het bewijs van de heimelijke afspraken uiteen te zetten, waarop vooral het eerste middel is gebaseerd, en om die argumenten vervolgens samen met dat middel te beoordelen.

Bewijs van heimelijke afspraken en eerste middel

Argumenten van partijen

– Bewijs van aan IPK toerekenbare heimelijke afspraken

52 IPK betwist het bestaan van de in de bestreden beschikking verweten heimelijke afspraken. Deze redenering, die door de Commissie is geformuleerd na haar falen in het kader van de eerste litigieuze procedure (zie punten 18‑28 hierboven), heeft uitsluitend tot doel de illegale handelingen die binnen de Commissie zijn begaan, toe te rekenen aan IPK, die er het eigenlijke slachtoffer van is.

53 IPK betoogt in wezen dat zij op de hoogte was gekomen van het Ecodata-project via 01‑Pliroforiki tijdens een telefoongesprek op 16 maart 1992, naar aanleiding waarvan 01‑Pliroforiki haar op 3 april 1992, een eerste schets van het project had gezonden. IPK heeft het in die schets vervatte concept in grote mate uitgewerkt en heeft op 22 april 1992 bij de Commissie haar eerste voorstel voor het Ecodata-project ingediend, waarin was voorzien in samenwerking met de bedrijven Innovence, Tourconsult en 01‑Pliroforiki. Ter terechtzitting heeft IPK in antwoord op een vraag van het Gerecht echter erkend dat zij de eerste projectschets van 01‑Pliroforiki pas op 20 april 1992 had ontvangen, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

54 Pas na de toekenningsbeschikking heeft Tzoanos voor het eerst getracht erop aan te dringen, echter tevergeefs dankzij het verzet daartegen van IPK, dat een wezenlijk deel van de taken en middelen zou worden toegekend aan 01‑Pliroforiki als grote onderneming in de sector gegevensbestanden. Anders dan de Commissie stelt was er vóór de toekenningsbeschikking tussen IPK en Tzoanos geen enkele overeenstemming bereikt over dat project en was niet voorzien dat 10 % van de financiële bijstand aan IPK en de resterende 90 % aan de andere partners in het Ecodata-project zou worden toebedeeld. De contacten tussen IPK en Tzoanos daterend van vóór de toekenningsbeschikking hielden immers geen enkel verband met dat project en waren irrelevant voor de onderhavige procedure. IPK heeft zich altijd loyaal gedragen jegens de Commissie en heeft bij de superieuren van Tzoanos tevergeefs verzocht om een vertrouwelijk onderhoud om over diens handelwijze te klagen.

55 Met betrekking tot de negende alinea, sub a, van de bestreden beschikking, te weten dat er geen specifieke uitnodiging was voor het indienen van een voorstel voor de ontwikkeling van een gegevensbestand zoals dat wat in het Ecodata-project is voorgesteld, betoogt IPK dat de oproep tot het indienen van voorstellen geen limitatieve selectiecriteria bevatte zodat, afgezien van de daarin vermelde uitdrukkelijk beperkingen en op basis van afdeling B van die uitnodiging, alle innovatieve projecten die een milieuvriendelijke ontwikkeling van het toerisme stimuleren, konden worden ingediend. In deze context bestond er een duidelijk verband tussen de in de definitieve algemene begroting 1992 voorziene middelen en de uitnodiging tot het indienen van voorstellen. Aldus was het niet verbazingwekkend dat IPK het Ecodata-project heeft ingediend.

56 Met betrekking tot de negende alinea, sub b, van de bestreden beschikking, betreffende de vermeende onregelmatigheid van de selectie van het Ecodata-project door Tzoanos, merkt IPK op dat zij geen enkele invloed op een dergelijke handeling had, welke een zuiver interne handeling van de Commissie is, op basis waarvan hoe dan ook niet de slotsom kan worden bereikt dat er sprake was van heimelijke afspraken. IPK begrijpt overigens niet waarom de toekenningsbeschikking onregelmatig zou zijn, omdat, ten eerste, het Ecodata-projectvoorstel volledig passend was voor de behoefte aan een informatienetwerk over milieuvriendelijke vormen van toerisme in Europa, zoals aangekondigd in de definitieve algemene begroting 1992, en, ten tweede, zoals de Commissie zelf heeft erkend door de bewoordingen van de bestreden beschikking te wijzigen ten opzichte van de bewoordingen in haar brief van 30 september 2004, de selectie niet verplicht uitsluitend op basis van de – als voorbeeld – in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen vermelde criteria hoefde te worden gemaakt.

57 Wat de negende alinea, sub c, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt IPK had gevraagd om het onrealistische bedrag van 600 000 ecu aan financiële bijstand, hetgeen 30 % van de voor ongeveer 25 projecten voorziene totale toewijzing vertegenwoordigt, verwerpt IPK de redenering van de Commissie als „strijdig met de geboden economische benadering”. Een dergelijke benadering sluit bij voorbaat uit dat de communautaire steun gelijkelijk over alle projecten wordt verdeeld. Daar IPK de kosten van het Ecodata-project op 1 miljoen ECU had geraamd, heeft zij een verzoek ingediend ten belope van het percentage van de communautaire medefinanciering (60 %).

58 Met betrekking tot de negende alinea, sub d, van de bestreden beschikking, volgens welk punt alleen de bedoeling van Tzoanos, welke aan IPK was meegedeeld, om het Ecodata-project te kiezen, het verzoek van IPK kon verklaren, voert IPK in wezen aan dat zowel de tekst van de definitieve algemene begroting 1992 als de tekst van de uitnodiging voor het indienen van voorstellen was meegedeeld en toegankelijk was voor het publiek. Om de onjuiste stelling van de Commissie over vermeende informatielekken te ondersteunen, hadden deze teksten vertrouwelijke teksten moeten zijn.

59 IPK betwist de negende alinea, sub e, van de bestreden beschikking, welk punt is gebaseerd op de getuigenis van Franck, volgens welke, ten eerste, de tekst van het verzoek om financiële bijstand volledig was voorbereid door Tzoanos en door IPK was gekopieerd op papier met haar briefhoofd voordat het naar de Commissie werd gezonden, en, ten tweede, er geen enkele reële deelname van IPK werd verwacht, en zij 10 % van de litigieuze financiële bijstand moest ontvangen, terwijl de overige 90 % met name aan 01‑Pliroforiki moest worden betaald, waarvan de deelname was voorgesteld door Tzoanos. Er is geen bewijs voor deze stelling. Integendeel, de eerste schets voor het Ecodata-project was oorspronkelijk opgezet door 01‑Pliroforiki, in de persoon van haar president, voordat die schets aan IPK werd gezonden.

60 Vóór de toekenningsbeschikking was er bovendien nooit sprake van geweest dat IPK 10 % van het bedrag van de bijstand zou ontvangen zonder een tegenprestatie te leveren. Pas na deze beschikking heeft Tzoanos tevergeefs getracht zich te mengen in de verhoudingen tussen de partners van het Ecodata-project. De Commissie baseert haar onjuiste veronderstellingen alleen op de – niet geloofwaardige – getuigenis van de heer Franck. Die is echter nooit in dienst van IPK geweest en heeft haar evenmin ooit vertegenwoordigd, daar zijn rol beperkt bleef tot het beheer van een adviesbureau dat kantoorruimte verhuurde in Brussel (België) en waarmee IPK gedurende ongeveer één jaar banden had middels een huurcontract voor kantoorruimte. IPK heeft dat contract opgezegd nadat door Franck ten koste van haar ernstige onregelmatigheden waren begaan. Vervolgens heeft Franck getracht een vennootschap met de naam IPK International in te schrijven in Luxemburg, waartegen IPK zicht heeft verzet. Deze feiten liggen ten grondslag aan de valse beschuldigingen van Franck jegens IPK.

61 IPK betwist tevens de negende alinea, sub f, van de bestreden beschikking, volgens welk punt Tzoanos IPK vóór de toekenningsbeschikking heeft gedwongen drie door hem aangewezen partners te aanvaarden. De Commissie noemt niet de naam van de concurrent van IPK van wie deze onjuiste stelling afkomstig is. IPK meent evenwel dat het om Studienkreis gaat, die er vanwege haar dreigende insolventie alle belang bij had om deel te nemen aan de uitvoering van het Ecodata-project en op wier deelname de Commissie had aangedrongen (arrest IPK-München/Commissie, punt 23 supra, punt 75). Deze feiten volstaan om de betrouwbaarheid van deze stelling in twijfel te trekken. Ten slotte is deze stelling zeer zeker niet kenmerkend voor heimelijke afspraken van IPK, maar staaft zij integendeel de onwettigheid van de handelwijze van de Commissie die een onrechtmatige belangengemeenschap had gevormd met Studienkreis.

62 Wat de negende alinea, sub g, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt IPK had nagelaten bij de Commissie aangifte te doen van de frauduleuze handelwijze van Tzoanos, betoogt IPK dat deze redenering de grief ontleend aan vermeende heimelijke afspraken niet kan staven, omdat alle aangevoerde elementen van na de toekenningsbeschikking dateren. Deze grief is bovendien ongegrond, daar IPK had getracht in de hogere rangen van de Commissie een klacht in te dienen over de handelwijze van Tzoanos, waarvan zij het slachtoffer was. Hiertoe heeft zij in augustus 1992 verzocht om een onderhoud met de heer von Moltke, directeur-generaal van DG XXIII, zonder deelname van Tzoanos. Von Moltke had niettemin Tzoanos uitgenodigd bij het onderhoud op 30 september 1992 en had aan IPK te kennen gegeven dat de toekenningsprocedure regelmatig was geweest. Voor zover de Commissie naar gebeurtenissen uit de jaren 1989, 1990 en 1992 verwijst, betoogt IPK dat zij destijds niet over bewijzen of overtuigende aanwijzingen beschikte waarmee zij zich tot de Commissie kon richten. Voorts hielden deze gebeurtenissen geen verband met het Ecodata-project en hadden zij geen invloed op de toekenningsbeschikking.

63 Om de in punt 53 hierboven genoemde redenen wijst IPK ook de stelling in de negende alinea, sub h, van de bestreden beschikking van de hand, volgens welke het feit dat zij in maart 1993 de vermeende manipulatie van het Ecodata-project door Tzoanos vóór de indiening ervan bij de Commissie, had ontkend, een aanwijzing vormde voor heimelijke afspraken van IPK.

64 Zo betwist IPK ook de negende alinea, sub i, van de bestreden beschikking, waarin wordt gesteld dat zij een valse verklaring had afgelegd, die door het door de Belgische politie opgestelde proces-verbaal van de ondervraging van Tzoanos werd weersproken, door in een faxbericht van 31 maart 1993 aan von Moltke te vermelden dat noch Freitag noch zijn medewerker contact had gehad met Tzoanos gedurende de voorbereidingsfase van het Ecodata-project. Dergelijke contacten hebben immers niet plaatsgevonden. IPK voegt daaraan toe dat indien er contact was geweest, dit zou zijn geweest tussen Tzoanos en Franck, waarbij laatstgenoemde dan zonder toestemming en zonder medeweten van IPK heeft gehandeld.

65 Met betrekking tot de negende alinea, sub j, van de bestreden beschikking, volgens welk punt er in november 1992 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en IPK, die tegelijkertijd Tourconsult vertegenwoordigde, stelt IPK dat zij niet wist dat de bedrijven Innovence en Tourconsult niet waren uitgenodigd. Zij kon ook niet weten dat die bijeenkomst de verdeling van de taken over de deelnemende ondernemingen tot doel had. Voor het overige vormden de pogingen tot inmenging van Tzoanos tijdens die bijeenkomst geen aanwijzing voor de vermeende heimelijke afspraken aangezien die bijeenkomst van na de toekenningsbeschikking dateerde. IPK voegt daaraan toe dat zij weliswaar een symbolisch aandeel van 1 000 EUR in Tourconsult bezat – waar zij zich nog niet van heeft kunnen ontdoen –, doch dat zij deze vennootschap niet heeft vertegenwoordigd tijdens die bijeenkomst middels Freitag, die daarvoor geen machtiging had. Tourconsult werd integendeel geleid en vertegenwoordigd door F., die voor rekening van Tourconsult heeft gehandeld in het kader van andere voor de Commissie gerealiseerde projecten. In antwoord op een vraag van het Gerecht preciseert IPK dat zij tevergeefs bij F. heeft getracht terugbetaling te verkrijgen van haar kapitaalinbreng van 1 000 EUR en dat zij er uiteindelijk van af heeft gezien daartoe beroep in te stellen bij de rechter.

66 Wat ten slotte de negende alinea, sub k, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt Sapountzaki, verloofde en toekomstige echtgenote van Tzoanos, als Griekse vertegenwoordigster van het door IPK opgerichte bedrijf ETIC, binnen Lex Group werkte, die zelf door Tzoanos is opgericht, welke omstandigheid bevestigde dat er van oudsher betrekkelijk nauwe banden tussen Freitag en Tzoanos bestonden, betoogt IPK dat zij niet op de hoogte was van de persoonlijke banden tussen Tzoanos en zijn verloofde, dat laatstgenoemde als vermeende eigenaar van Lex Group, voor IPK slechts een contactpersoon in Griekenland was en dat een dergelijk gegeven hoe dan ook niet de conclusie rechtvaardigde dat er van oudsher betrekkelijk nauwe banden tussen haarzelf en de partners Tzoanos bestonden.

67 Naast het feit dat de Commissie haar stellingen rechtvaardigde door zich te baseren op de twijfelachtige verklaringen van Tzoanos, die in Frankrijk en in België strafrechtelijk werd vervolgd, en van Franck, die onregelmatigheden had begaan in het kader van zijn activiteiten voor rekening van IPK, had de Commissie bovendien verzuimd voldoende rekening te houden met bepaalde ontlastende gegevens die het bestaan van heimelijke afspraken weerspraken. Zo is er nooit een strafrechtelijk onderzoek ingesteld jegens IPK en waren de Franse en Belgische autoriteiten tot de slotsom gekomen dat er niet de minste verdenking bestond dat Freitag zich schuldig zou hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Voorts hadden de interne onderzoeken van de Commissie niet aangetoond dat de toekenning van de betrokken financiële bijstand onregelmatig was.

68 Uit de eerste litigieuze procedure blijkt integendeel dat de Commissie onrechtmatige druk had uitgeoefend op IPK (arrest IPK-München/Commissie, punt 23 supra, punten 75 en 85). Bovendien heeft IPK op een vroeg tijdstip gewezen op de handelwijze van Tzoanos en heeft zij al in augustus 1992 getracht hierover een vertrouwelijk onderhoud met von Moltke te krijgen.

69 IPK preciseert dat het onderzoek van de Belgische politie was voortgekomen uit een op 27 april 1994 door IPK ingediende klacht tegen von Moltke en uit een interview dat zij op 4 mei 1994 voor de het dagblad The European had gegeven. IPK zou geen klacht hebben ingediend indien zij had moeten vrezen voor een vervolging, zodat de enige plausibele verklaring voor deze stap erin bestaat dat er geen sprake was van heimelijke afspraken tussen haar en Tzoanos. IPK heeft zich integendeel verzet tegen de eisen van Tzoanos en heeft zelf gezorgd voor de verwezenlijking en de coördinatie van het grootste deel van het Ecodata-project, anders dan Tzoanos had verwacht, die 01‑Pliroforiki wilde begunstigen. Daar IPK eigen middelen in het Ecodata-project heeft geïnvesteerd, waarvan de totale kosten meer dan een miljoen EUR bedroegen, had zij er persoonlijk en onmiddellijk belang bij dat het project zou slagen. Indien de gestelde heimelijke afspraken echt hadden bestaan, dan waren de gebeurtenissen anders verlopen. In het bijzonder zou IPK zich in dat geval aan de vermeende afspraken hebben gehouden teneinde een deel van de financiële bijstand te verkrijgen zonder tegenprestatie te leveren.

70 De Commissie meent dat het onderhavige geding moet worden teruggeplaatst in het eind jaren tachtig begin jaren negentig door het voormalige hoofd van de eenheid „Toerisme” van DG XXIII, Tzoanos, opgezette systeem van corruptie. Dat systeem bestond er in wezen in dat er „honoraria”, evenredig aan de door de Commissie toegekende subsidie, werden betaald aan adviesbureaus waarin Tzoanos of zijn verloofde, Sapountzaki, later zijn echtgenote, de zeggenschap hadden. De Commissie wijst erop dat Tzoanos wegens dit soort strafbare feiten definitief is veroordeeld in Frankrijk en dat in België een strafrechtelijke procedure tegen hem en zijn echtgenote gaande is.

71 Tzoanos wordt gezocht met een internationaal aanhoudingsbevel en wordt verondersteld zich in Griekenland te bevinden, welk land weigert hem over te leveren. De corrumpeerbaarheid van Tzoanos, die de bijnaam „meneer dertig procent” had, was in de betrokken kringen bekend en was met name bekend bij de directeur en eigenaar van IPK, Freitag. Volgens verschillende door de Belgische politie opgestelde processen-verbaal hadden Freitag en Tzoanos sinds 1989 contacten met elkaar. Zo had Tzoanos Freitag voorgesteld om stille vennoot te worden in zijn vennootschap European Travel Monitor teneinde het voor haar makkelijker te maken om contracten te verkrijgen van de Commissie. De door Freitag gecontroleerde bedrijven hadden overigens alleen al voor het tijdvak 1991‑1992 van de Commissie 949 365 ecu aan subsidies ontvangen.

72 Wat het Ecodata-project betreft herhaalt de Commissie haar stelling dat Tzoanos Freitag had geïnformeerd over de mogelijkheid om een groot bedrag aan financiële bijstand te krijgen voor een informatiesysteem over projecten voor milieuvriendelijk toerisme. Tzoanos had laten weten dat IPK deze financiële bijstand kon krijgen indien zij daartoe een verzoek indiende in een van tevoren opgestelde vorm. Zij zou dan alleen daarvoor 10 % van de gelden ontvangen. Het restant van de middelen zou worden verdeeld over de andere partners in het project, en zou met name worden toegekend aan 01‑Pliroforiki, een Griekse onderneming, die net als de vennootschap Lex Group, onder invloed stond van Tzoanos en op onrechtmatige wijze door hem werd begunstigd (arrest Gerecht van 19 maart 1998, Tzoanos/Commissie, T‑74/96, JurAmbt. blz. I‑A‑129 en II‑343, punten 252‑255).

73 Rekening gehouden met het feit dat de andere marktdeelnemers bij het ontbreken van een uitdrukkelijke uitnodiging tot het indienen van voorstellen daarvoor, niet konden vernemen dat deze mogelijkheid van financiële bijstand bestond, was IPK de enige die een verzoek om financiële bijstand heeft ingediend voor de creatie van een gegevensbestand over projecten voor milieuvriendelijk toerisme. Gedurende de zomervakantieperiode was het makkelijk voor Tzoanos om de bijstand aan IPK toe te kennen, zelfs niettegenstaande de door Studienkreis – die reeds met de Commissie had samengewerkt voor een soortgelijk project – geuite verbazing over het op handen zijn van die toekenning, die plaatsvond zonder uitnodiging tot het indienen van voorstellen.

74 Nog vóór de toekenningsbeschikking werd de door IPK opgerichte vennootschap ETIC in Griekenland vertegenwoordigd door Lex Group, die voor 10 % in handen was van Tzoanos (arrest Tzoanos/Commissie, punt 72 supra, punten 58‑79). De voor klantenrelaties verantwoordelijke persoon was Sapountzaki, destijds verloofde en nadien echtgenote van Tzoanos.

75 Na de toekenningsbeschikking voelde Freitag zich niet langer gebonden door de afspraak met Tzoanos, zodat laatstgenoemde gedwongen was druk uit te oefenen op IPK om de verwezenlijking van het project zoals aanvankelijk gepland gedaan te krijgen.

76 Toen het Ecodata-project eenmaal was afgenomen van Tzoanos, op 26 maart 1993, zijn IPK, 01‑Pliroforiki en de twee andere partners het eens geworden over de financiële en technische verdeling van het project, dat onder die omstandigheden niet meer binnen de gestelde termijnen kon worden voltooid. Daarop heeft de Commissie bij haar weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994 (zie punt 17 hierboven) besloten om het tweede deel van de financiële bijstand niet uit te betalen.

77 Nadat IPK na de eerste litigieuze procedure nietigverklaring van de weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994 had verkregen, heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld, waarbij zij zich enerzijds baseerde op de informatie betreffende de heimelijke afspraken tussen Tzoanos en Freitag, die was vergaard sinds de vaststelling van die weigeringsbeschikking, en anderzijds op de mogelijkheid „waarop uitdrukkelijk was gewezen door de gemeenschapsrechters” (arrest IPK-München/Commissie, punt 23 supra, punt 92; conclusie van advocaat- generaal Mischo bij het arrest IPK‑München en Commissie, punt 28 supra, Jurispr. blz. I‑4630, punt 101), om ingevolge het beginsel fraus omnia corrumpit terugbetaling van alle financiële bijstand te eisen.

78 Wat meer in het bijzonder de negende alinea, sub a, van de bestreden beschikking betreft, inzake het ontbreken van een specifieke uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor het creëren van een gegevensbestand zoals het Ecodata-project, betoogt de Commissie dat krachtens de op het gebied van de financiële bijstand geldende beginselen de uitnodiging tot het indienen van voorstellen bepalend is voor de vraag of het project in aanmerking komt voor bijstand. Het voorstel van IPK kwam met geen enkel selectiecriterium in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen overeen. Wat het argument van IPK betreft dat in de definitieve algemene begroting 1992 een bedrag van 530 000 ecu was voorzien voor het opzetten van een informatienetwerk over milieuvriendelijke vormen van toerisme in Europa, waarvan de band met de uitnodiging tot het indienen van voorstellen „vanzelfsprekend” zou zijn, antwoordt de Commissie dat het voor een „normale” aanvrager onmogelijk was in te zien dat de uitnodiging tot het indienen van voorstellen tevens betrekking had op de financiële bijstand die in één zin op bladzijde 659 van die algemene begroting stond. De Commissie voegt daaraan toe dat punt B van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen specifiek verwijst naar de criteria van punt D. IPK heeft in het verzoek om financiële bijstand echter niet eens geprobeerd te bewijzen dat het voorgestelde project voldeed aan de selectiecriteria, zoals was verlangd in punt C 2 van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen. Volgens de Commissie geeft dit verzuim er blijk van dat IPK er zeker van was dat zij de gevraagde financiële bijstand zou krijgen. Alleen Tzoanos, de persoon die feitelijk over de toekenning van de bijstand besliste, kon de bron van deze zekerheid zijn. In die omstandigheden wekt het geen verbazing dat IPK de enige marktdeelnemer was die een voorstel indiende dat overeenkwam met de beschrijving op bladzijde 659 van de definitieve algemene begroting 1992, en dat Studienkreis, die toch een bijzondere interesse voor dit type projecten had, dat niet heeft gedaan.

79 Indien het verband tussen de definitieve algemene begroting 1992 en de uitnodiging tot het indienen van voorstellen zo duidelijk was als IPK stelt, dan is het volgens de Commissie verbazingwekkend dat het, naar IPK zelf beweert, 01‑Pliroforiki was, en niet zijzelf, die het idee heeft gehad voor het Ecodata-project, of, volgens een andere door haar aangevoerde versie, de Griekse ondernemer C., in april 1992. Ook is het vreemd dat Freitag in maart 1993 nog per telefoon en schriftelijk aan von Moltke heeft verklaard dat het initiatief voor het Ecodata-project alleen van hem kwam. Deze tegenstrijdige beschrijvingen ondermijnen de geloofwaardigheid en de aannemelijkheid van de stellingen van IPK. De verklaringen van de vertegenwoordigers van 01‑Pliroforiki tegenover de functionarissen van de Commissie die op 18 oktober 1993 een audit van haar boekhouding verrichtten, volgens welke het IPK was die hen voor het eerst over het Ecodata-project had gesproken, komen evenmin overeen met de versie van IPK. Volgens de Commissie is het aldus waarschijnlijk dat Tzoanos, de ambtenaar die verantwoordelijk was voor de uitnodiging tot het indienen van voorstellen en die een beslissende rol had bij de toekenningsbeschikking, de uitnodiging tot het indienen van voorstellen zelf zodanig heeft opgesteld dat deze exact overeenkwam met de financiële bijstand vermeld op bladzijde 659 van de definitieve algemene begroting 1992. Deze situatie was precies toegesneden op het door Tzoanos opgezette frauduleuze systeem, dat erin bestond financiële bijstand te verstrekken tegen provisies.

80 Wat de negende alinea, sub b, van de bestreden beschikking betreft, inzake de onregelmatigheid van de selectie van het Ecodata-project door Tzoanos, merkt de Commissie op dat IPK weliswaar niet zelf de toekenningsbeschikking kon geven doch wel in staat was de beslissing te manipuleren door in het kader van een door deze bevoegde ambtenaar opgelegd voorafgaand akkoord te aanvaarden om samen te werken met 01‑Pliroforiki. Alleen dit voorafgaande akkoord kan verklaren dat Tzoanos uit de 301 voorstellen in antwoord op de uitnodiging tot het indienen van voorstellen, waarvan er slechts 25 konden worden gekozen, het voorstel van IPK heeft gekozen, temeer daar Tzoanos wist dat het project van Studienkreis, dat al door de Gemeenschap werd gefinancierd, dicht bij het Ecodata-project lag. Hoe dan ook geeft IPK hiervoor geen enkele andere, overtuigende verklaring.

81 Wat de negende alinea, sub c, van de bestreden beschikking betreft, waarin wordt gewezen op het door IPK gevraagde irrealistische bedrag van 600 000 ecu aan financiële bijstand, dat 30 % van de totale omvang van 2 miljoen ecu voor in totaal 25 projecten vertegenwoordigde, voert de Commissie aan dat dit er een duidelijke aanwijzing voor vormt dat de zaak vooraf was besloten. Een dergelijk verzoek, dat een derde van het totale ter beschikking gestelde bedrag betreft, is immers uiterst zeldzaam voor één project.

82 Wat de negende alinea, sub d, van de bestreden beschikking betreft, stelt de Commissie dat alleen een voorafgaande uitnodiging van Tzoanos aan IPK de indiening kan verklaren van haar verzoek om financiële bijstand, waarvan de inhoud niet voldeed aan de bekend gemaakte objectieve criteria voor toekenning en waarvan het gevraagde bedrag kennelijk onevenredig was ten opzichte van de totale omvang van het betrokken subsidieprogramma. Daar de opstelling van elk verzoek om financiële bijstand immers tijd en geld kost, zou geen enkele bezonnen marktdeelnemer aldus hebben gehandeld zonder vooruitzicht op resultaat. IPK voert geen enkel steekhoudend argument aan tegen deze aanwijzingen. Haar pogingen tot een verklaring blijven abstract, onrealistisch en tegenstrijdig.

83 Wat de negende alinea, sub e, van de bestreden beschikking betreft, waarin met name wordt gewezen op de getuigenis van Franck, wijst de Commissie de stelling van IPK van de hand dat Franck niet voor haar in Brussel werkte. Hij heeft, op verzoek van Freitag, de vennootschap ETIC Headquarters Bruxelles opgericht, die contacten met de gemeenschapsinstellingen moest aangaan en ontwikkelen. In deze context heeft Franck Tzoanos ontmoet en kennis genomen van het Ecodata-project. Franck was aldus een van de deskundigen van IPK bij het verzoek om financiële bijstand voor dat project. Zijn getuigenis is dus beslissend voor de vaststelling van de feiten. Dat is dan ook de reden waarom IPK zich inspant om de geloofwaardigheid ervan te ondermijnen.

84 Wat de negende alinea, sub f, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt Tzoanos IPK vóór de toekenningsbeschikking had gedwongen drie door hem aangewezen projectpartners te aanvaarden, betwist de Commissie de stelling van IPK dat 01‑Pliroforiki het initiatief had genomen om IPK een eerste schets van het project aan te bieden. De beschrijving van de feiten door IPK wordt weersproken door de verklaringen van Franck en Bausch, die onderling overeenstemmen en beide geloofwaardig zijn, en die overeenstemmen met een faxbericht dat op 31 maart 1993 door Freitag aan von Moltke was gezonden, waarin stond dat IPK de initiatiefneemster van het Ecodata-project was en haar partners had gekozen.

85 Wat de negende alinea, sub g, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt, met name, IPK gedurende de gehele procedure had verzuimd in de hogere rangen van de Commissie aangifte te doen van de frauduleuze handelingen van Tzoanos, betoogt de Commissie dat dit verzuim een duidelijke aanwijzing vormt – of zelfs de enige aannemelijke verklaring – voor de heimelijke afspraken van Tzoanos en Freitag bij de vaststelling van de toekenningsbeschikking. Door bij de superieuren van Tzoanos een klacht in te dienen had IPK immers het risico gelopen dat het werkelijke verloop van de feiten bekend zou zijn geworden waardoor zij de litigieuze financiële bijstand zou zijn kwijtgeraakt. Wat het vermeende verzoek van IPK om een vertrouwelijk onderhoud met von Moltke te verkrijgen zonder aanwezigheid van Tzoanos, voegt de Commissie toe dat het zou hebben volstaan dat IPK hem had opgebeld.

86 Wat de negende alinea, sub h, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt Tzoanos het Ecodata-project had gemanipuleerd alvorens het bij de Commissie in te dienen, en 01‑Pliroforiki had aanbevolen als partner, preciseert de Commissie dat Freitag in een telefoongesprek met von Moltke in maart 1993 heeft verklaard dat hij gedurende de voorbereidingsfase tussen april en juni 1992 met Tzoanos had gesproken over de in het project op te nemen landen en ondernemingen, hetgeen had geleid tot de aanbeveling van Tzoanos om 01‑Pliroforiki te kiezen. Deze verklaring druist echter in tegen de herhaalde stelling van IPK dat het idee voor het Ecodata-project afkomstig was van 01‑Pliroforiki. Voorts bewijst deze verklaring van Freitag op zich de heimelijke samenwerking tussen Tzoanos en IPK.

87 Wat de negende alinea, sub i, van de bestreden beschikking betreft, waarin wordt gesteld dat IPK een valse verklaring had afgelegd, die door de processen-verbaal van de ondervraging van Tzoanos door de Belgische politie werd weersproken, door in een faxbericht van 31 maart 1993 aan von Moltke te vermelden dat noch Freitag noch zijn medewerkers met Tzoanos contact hadden gehad gedurende de voorbereidingsfase van het Ecodata-project, preciseert de Commissie dat deze valse verklaring, waarvan de valsheid voortvloeit uit verschillende stukken van het dossier, een bijkomende aanwijzing is voor de heimelijke afspraken tussen Tzoanos en IPK. De Commissie voegt daaraan toe dat de verdedigingslijn van IPK in dit opzicht niet geheel duidelijk is, temeer daar zij niet ontkent dat er gedurende de periode voorafgaand aan de indiening van het Ecodata-project bij de Commissie ontmoetingen tussen Freitag en/of Franck en Tzoanos zijn geweest.

88 Wat de negende alinea, sub j, van de bestreden beschikking betreft, volgens welk punt er in november 1992 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden tussen Tzoanos, 01‑Pliroforiki en IPK, preciseert de Commissie dat het door IPK genoemde feit dat die bijeenkomst na de toekenningsbeschikking heeft plaatsgevonden, er niet aan afdoet dat dit een aanwijzing is voor de gestelde heimelijke afspraken, daar de poging tot inmenging van Tzoanos inzake de verdeling van de taken en de middelen tijdens deze bijeenkomst, strookt met hetgeen vooraf was overeengekomen.

89 Wat de negende alinea, sub k, van de bestreden beschikking betreft, dat de aanstelling van Sapountzaki, verloofde en toekomstig echtgenote van Tzoanos, als vertegenwoordigster van ETIC bevestigde dat er van oudsher betrekkelijk nauwe banden tussen Freitag en Tzoanos bestonden, brengt de Commissie in herinnering dat IPK sinds lange tijd op de hoogte was van de corrumpeerbaarheid van Tzoanos, hetgeen haar stelling dat zij zich uitsluitend tot hem had gewend als hoofd van een eenheid van de Commissie om een aanbeveling te verkrijgen, ongeloofwaardig maakt.

90 De Commissie betwist dat de door IPK aangevoerde elementen (zie punt 67 hierboven) kunnen afdoen aan de aanwijzingen die de heimelijke afspraken aantonen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het ontbreken van een strafrechtelijke vervolging tegen Freitag. Een dergelijke omstandigheid staat niet in de weg aan optreden door de Commissie wanneer er voldoende aanwijzingen voor een heimelijke afspraak bestaan (conclusie van advocaat-generaal Mischo bij het arrest IPK‑München en Commissie, punt 28 supra, punt 101).

91 Dit geldt ook voor de interne onderzoeken van de Commissie die verband houden met Tzoanos. Naast het feit dat IPK niet preciseert naar welke onderzoeken zij verwijst en evenmin hoe dergelijke onderzoeken haar kunnen disculperen, betoogt de Commissie dat de Belgische strafprocedure tegen Tzoanos nog steeds gaande is en dus nieuwe gegevens kan opleveren. Ook de interne onderzoeken van de Commissie zijn slechts voorlopig beëindigd. Voorts heeft IPK het arrest IPK-München/Commissie, punt 23 supra (punten 75 en 85) verdraaid weergegeven. Dat arrest bevat in werkelijkheid geen element tot staving van haar argument.

92 Met betrekking tot de door IPK ingediende klacht beklemtoont de Commissie dat die klacht, waarvan IPK niet de tekst heeft overgelegd, was gericht tegen von Moltke, en niet tegen Tzoanos. Op die manier heeft IPK getracht de op Tzoanos rustende verdenkingen weg te leiden naar von Moltke, en die welke op 01‑Pliroforiki rustten, naar Studienkreis. De klacht van IPK vormde dus integendeel een bijkomende aanwijzing voor de heimelijke afspraken.

93 Wat de door IPK geboden weerstand tegen de door Tzoanos uitgeoefende druk betreft, voert de Commissie aan dat op basis van een dergelijke weerstand, die pas na de beschikking tot toekenning van de litigieuze financiële bijstand werd geboden, niet de slotsom kan worden bereikt dat er vóór die beschikking geen sprake was van heimelijke afspraken.

94 Aangaande ten slotte de inbreng van eigen kapitaal van IPK voor de uitvoering van het Ecodata-project betoogt de Commissie dat een dergelijke inbreng een noodzakelijke voorwaarde was voor verkrijging van medefinanciering van de Commissie.

– Eerste middel: noodzakelijke voorwaarden voor intrekking van een beschikking houdende toekenning van financiële bijstand waren niet vervuld

95 Primair betoogt IPK dat in casu niet is voldaan aan de relevante voorwaarden, bepaald bij verordening nr. 2988/95, om een beschikking waarbij gemeenschapsmiddelen worden toegekend, met terugwerkende kracht in te trekken. De bestreden beschikking schendt verordening nr. 2988/95, met name doordat de toekenningsbeschikking niet berust op een onregelmatigheid in de zin van deze verordening. Subsidiair voert IPK hoe dan ook verjaring in de zin van artikel 3 van deze verordening aan, zodat de Commissie niet het recht had om de bestreden beschikking vast te stellen.

96 Volgens IPK is deze verordening blijkens de derde en vierde overweging van de considerans ervan van toepassing op alle communautaire beleidsgebieden en dus ook op de terugvordering van gemeenschapsgelden door de organen van de Gemeenschappen. Blijkens de opzet en het doel van die verordening kan de werkingssfeer ervan worden uitgebreid tot door de Commissie genomen maatregelen zodra de financiële belangen van de Gemeenschappen in het geding zijn, ongeacht of het om het gecentraliseerde dan wel het gedecentraliseerde beheer van gemeenschapsrecht gaat. Bovendien is, zoals in de rechtspraak is bevestigd, deze verordening in casu van toepassing met terugwerkende kracht en ongeacht het feit dat de toekenning van de betrokken financiële bijstand heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding ervan.

97 IPK betoogt dat de vaststelling van een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, te weten in casu de onwettigheid van de toekenningsbeschikking, de voorafgaande voorwaarde voor ontneming van het voordeel ingevolge artikel 4, lid 1, van die verordening is. Voor de toekenningsbeschikking geldt echter een vermoeden van wettigheid en de Commissie heeft niet het bewijs geleverd, hetgeen haar taak is, van de onwettigheid ervan wegens met name de in de bestreden beschikking gestelde heimelijke afspraken.

98 In dit verband betwist IPK het bestaan van de door de Commissie in de bestreden beschikking gestelde heimelijke afspraken (zie punten 33 en 52‑67 hierboven). Voorts heeft de Commissie verzuimd rekening te houden met een groot aantal elementen die aantonen dat er geen sprake was van heimelijke afspraken.

99 Hoe dan ook, zelfs gesteld al dat er sprake is van een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2988/95, meent IPK dat de verjaring als bedoeld in artikel 3, lid 1, van die verordening in de weg stond aan intrekking van de toekenningsbeschikking bij de bestreden beschikking. Anders dan de Commissie stelt, geldt de verjaring niet alleen voor sancties, maar tevens voor administratieve maatregelen, hetgeen wordt bevestigd in de rechtspraak.

100 IPK betoogt immers dat de verjaringstermijn van vier jaar, die ingaat vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan, was verstreken toen, op 13 mei 2005, de bestreden beschikking werd vastgesteld, voor zover de gestelde heimelijke afspraken waren gemaakt vóór de toekenningsbeschikking, die was vastgesteld op 4 augustus 1992. In dit verband betwist IPK dat er sprake is van een voortdurende of voortgezette inbreuk die volgens de Commissie de gestalte kreeg van de schending van een vermeende, op iedere ontvanger van communautaire bijstand rustende informatie‑ en loyaliteitsverplichting. Indien een dergelijke stelling wordt aanvaard heeft dat tot gevolg dat de verjaringstermijn van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 nooit zou ingaan daar die informatie‑ en loyaliteitsverplichting voor elke onregelmatigheid zou gelden. Voorts betoogt IPK dat de Commissie haar grief inzake de heimelijke afspraken op feiten heeft gebaseerd waarvan zij sinds 1996 op de hoogte was, zodat zij zich al lang geleden daarop had kunnen beroepen in het kader van een nieuwe beschikking betreffende de intrekking van de toekenningsbeschikking. Daar de Commissie heeft nagelaten op deze wijze te handelen, heeft IPK, meer dan elf jaar na de geslaagde uitvoering van het Ecodata-project, het recht op herstel van de rechtszekerheid.

101 Bovendien was de verjaringstermijn in casu niet gestuit. IPK merkt immers op, ten eerste, dat de weigeringsbeschikking van 3 augustus 1994, naast het feit dat zij niet was gebaseerd op een grief ontleend aan heimelijke afspraken, niet hetzelfde voorwerp had als de bestreden beschikking, omdat daarbij enkel werd geweigerd het tweede deel van de financiële bijstand te betalen, en, ten tweede, dat zij geen onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid vormde welke ter kennis was gebracht van IPK in die zin van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95. Voorts was de grief ontleend aan heimelijke afspraken, die door de Commissie in het kader van zaak T‑331/94 voor het eerst was aangevoerd in het stadium van haar opmerkingen nadat het Hof de zaak naar het Gerecht had verwezen, te laat ingediend, viel deze buiten het voorwerp van het geding en was dus niet-ontvankelijk (arrest IPK-München/Commissie, punt 23 supra, punt 90). Bijgevolg was de verjaringstermijn evenmin gestuit in het kader van de procedure in zaak T‑331/94.

102 Gesteld al dat de verjaringstermijn was gestuit, dan nog was volgens IPK de maximale termijn van acht jaar als bedoeld in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 verstreken op het tijdstip waarop de bestreden beschikking werd vastgesteld, daar de Commissie geen sanctie had opgelegd en evenmin de administratieve procedure had geschorst.

103 Subsidiair meent IPK dat, indien toepassing van verordening nr. 2988/95 van de hand zou worden gewezen – niettegenstaande het feit dat het een lex specialis is – en de algemene beginselen zouden moeten worden toegepast, in casu niet is voldaan aan de strikte voorwaarden die gelden voor de intrekking met terugwerkende kracht van een onrechtmatige administratieve handeling.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in