Gerecht EU 28 april 2010, T-456/05, ECLI:EU:T:2010:168

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Gevoegde zaken T‑456/05 en T‑457/05

Gütermann AG en

Zwicky & Co. AG

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt voor industrieel garen – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Concrete weerslag op markt – Duur van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking tijdens administratieve procedure – Evenredigheid – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten”

Samenvatting van het arrest

1. Gemeenschapsrecht – Uitlegging – Handelingen van instellingen – Motivering

2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Inbreuken – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die als één inbreuk kunnen worden behandeld – Aansprakelijkstelling van onderneming wegens deelneming aan inbreuk die in haar geheel wordt beschouwd – Toelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG)

3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Toerekening aan onderneming – Aansprakelijkheid voor gedragingen van andere ondernemingen in kader van zelfde inbreuk – Toelaatbaarheid – Criteria

(Art. 81, lid 1, EG)

4. Mededinging – Administratieve procedure – Beëindiging van inbreuken – Bevoegdheid van Commissie – Bevelen aan ondernemingen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 7, lid 1)

5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag

(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, en nr. 1/2003, art. 23, lid 2)

6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte en duur van inbreuk – Mogelijkheid om hoogte van geldboeten op te trekken om afschrikkende werking ervan te vergroten

(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, en nr. 1/2003, art. 23, lid 2)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Passend karakter – Rechterlijke toetsing

(Art. 229 EG en 253 EG; verordeningen nr. 17, art. 17, en nr. 1/2003, art. 31)

8. Beroep tot nietigverklaring – Rechterlijke toetsing – Grenzen van geding

(Art. 233 EG)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Concrete weerslag op markt – Beoordelingscriteria

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Duur van inbreuk – Langdurige inbreuken

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 B, eerste alinea)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomst – Beoordeling aan hand van individueel gedrag van elke onderneming

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punten 1 A, eerste alinea, en 3)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Onderneming die louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was

(Art. 81 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punten 2 en 3)

13. Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Voorwaarden – Nieuw middel – Begrip

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Voorwaarden – Beoordelingsvrijheid van Commissie

(Verordening nr. 17 van de Raad; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, titel D, punt 2)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Vaststelling van geldboete in verhouding tot factoren die bij beoordeling van zwaarte van inbreuk in aanmerking zijn genomen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

1. Het dispositief van een handeling is onafscheidelijk verbonden met de motivering ervan, zodat het, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid.

(cf. punt 41)

2. Een schending van artikel 81, lid 1, EG kan niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging. Tegen deze uitlegging kan niet worden ingebracht dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging ook op zich en afzonderlijk een schending van deze bepaling kunnen opleveren.

Een enkele en voortgezette inbreuk omvat vaak een reeks opeenvolgende handelingen die op zich, op het ogenblik waarop zij worden verricht, eveneens een inbreuk op de mededingingsregels kunnen vormen. Het bijzondere aan deze handelingen is dat zij deel uitmaken van een algemene strategie.

(cf. punten 45‑46)

3. Een onderneming die aan één enkele samengestelde inbreuk op de mededingingsregels heeft deelgenomen door eigen gedragingen die een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormen en die een bijdrage tot de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beogen te leveren, kan voor de gehele duur van haar deelname aan deze inbreuk tevens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk, wanneer vaststaat dat de betrokken onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.

Een onderneming kan het verbod van artikel 81, lid 1, EG schenden wanneer haar gedrag, zoals zij dit heeft afgestemd op dat van andere ondernemingen, tot doel heeft de mededinging op een specifieke relevante markt binnen de gemeenschappelijke markt te beperken, zonder dat dit noodzakelijkerwijze veronderstelt dat zij zelf op deze relevante markt actief is.

(cf. punten 50, 53)

4. De bevoegdheid van de Commissie om bevelen te geven moet zijn afgestemd op de aard van de vastgestelde inbreuk.

Voor zover een onderneming geen activiteiten in de betrokken sector meer uitoefent, wordt zij in feite niet geraakt door het bevel om de inbreuken te beëindigen. Er kan dus geen sprake zijn van een schending van het evenredigheidsbeginsel.

De toepassing van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag kan het verbod omvatten om bepaalde activiteiten, praktijken of toestanden waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, voort te zetten, maar ook het verbod om zich in de toekomst op soortgelijke wijze te gedragen of enige maatregel met een soortgelijk doel of gevolg te nemen.

Wanneer de betrokken onderneming zich niet ertoe heeft verbonden, haar mededingingsverstorende gedragingen niet te herhalen, is de Commissie gerechtigd om in de beschikking het bevel op te nemen om zich in de toekomst te onthouden van elke maatregel die een soortgelijk doel of gevolg kan hebben, ook al oefent deze onderneming geen activiteit meer uit in de sector waarop de mededingingsregeling betrekking heeft.

Dergelijke maatregelen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

(cf. punten 61, 63, 65, 67)

5. Ter bepaling van het begrip „voorafgaand boekjaar” moet de Commissie in elk concreet geval, rekening houdend met de context en de doelstellingen van de sanctieregeling die is ingesteld bij verordening nr. 17 en verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, beoordelen wat de beoogde weerslag op de betrokken onderneming is, met name door rekening te houden met een omzet die de werkelijke economische situatie van deze onderneming in de periode waarin de inbreuk is begaan, weergeeft.

Uit de doelstellingen van het systeem waarvan artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 deel uitmaken en uit de rechtspraak vloeit evenwel voort dat de toepassing van het plafond van 10 % veronderstelt dat de Commissie beschikt over de omzet voor het laatste boekjaar dat voorafgaat aan de datum waarop de beschikking wordt vastgesteld, alsmede dat deze gegevens op een volledig boekjaar van normale economische activiteit gedurende een periode van twaalf maanden betrekking hebben.

Indien bijvoorbeeld het boekjaar is geëindigd vóór de vaststelling van de beschikking, maar de jaarrekening van de betrokken onderneming nog niet is opgesteld of nog niet aan de Commissie is meegedeeld, heeft de Commissie dus het recht, en zelfs de verplichting, voor de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 uit te gaan van de in een vroeger boekjaar behaalde omzet. Evenzo mag de Commissie, indien een onderneming wegens een reorganisatie of een wijziging van de boekhouding voor het voorafgaande boekjaar een rekening heeft overgelegd die een periode van minder dan twaalf maanden bestrijkt, voor de toepassing van deze bepalingen uitgaan van de in een vroeger volledig boekjaar behaalde omzet. Hetzelfde geldt wanneer een onderneming geen economische activiteit heeft uitgeoefend in het voorafgaande boekjaar en de Commissie dus niet beschikt over een omzetcijfer dat betrekking heeft op een economische activiteit die deze onderneming in dat boekjaar heeft uitgeoefend. De omzet in deze periode verschaft immers, anders dan de rechtspraak vereist, geen enkele aanwijzing over de omvang van deze onderneming, zodat hij niet als basis kan dienen voor de bepaling van het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde plafond.

Zelfs in een boekjaar waarin een normale economische activiteit wordt ontplooid kan de omzet van een onderneming aanzienlijk, zo niet substantieel, dalen in vergelijking met vroegere jaren, dit om diverse redenen, zoals moeilijke economische omstandigheden, een crisis in de betrokken sector, een ongeval of een staking. Zodra een onderneming werkelijk een omzet heeft behaald in een volledig boekjaar waarin zij – zij het verminderde – economische activiteiten heeft uitgeoefend, moet de Commissie evenwel bij de vaststelling van het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond rekening houden met deze omzet. Bijgevolg is de Commissie, althans in situaties waarin er geen enkele aanwijzing is dat een onderneming haar commerciële activiteiten heeft gestaakt of haar omzet verborgen heeft gehouden om een zware geldboete te voorkomen, verplicht om de bovengrens van de geldboete vast te stellen op basis van het laatst beschikbare omzetcijfer dat op een volledig jaar van economische activiteit betrekking heeft.

(cf. punten 89‑90, 94‑97)

6. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, is één van de middelen die aan de Commissie zijn verleend om haar in staat te stellen, de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak uit te oefenen.

Deze taak omvat de verplichting om individuele inbreuken te onderzoeken en te bestraffen, maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop gericht is, de door het Verdrag vastgelegde beginselen op het gebied van de mededinging toe te passen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen. Zij omvat dus ook de verplichting om ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan en herhaling daarvan te voorkomen.

Hieruit volgt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de geldboeten afschrikkende werking hebben.

(cf. punten 79, 91)

7. Wat de beroepen betreft tegen beschikkingen waarbij de Commissie aan ondernemingen geldboeten oplegt wegens schending van de mededingingsregels, is de gemeenschapsrechter in het kader van de volledige rechtsmacht die hem bij artikel 229 EG, artikel 17 van verordening nr. 17 en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag is verleend, bevoegd om te beoordelen of passende geldboeten zijn opgelegd. Deze beoordeling kan rechtvaardigen dat aanvullende gegevens worden overgelegd en in aanmerking genomen die als zodanig niet in de boetebeschikking hoeven te worden vermeld op grond van de motiveringsplicht van artikel 253 EG.

(cf. punten 105‑106)

8. Wanneer een adressaat van een beschikking een beroep tot nietigverklaring instelt, kan de gemeenschapsrechter enkel oordelen over de onderdelen van de beschikking die deze adressaat betreffen. De onderdelen die betrekking hebben op andere adressaten en waartegen geen beroep is ingesteld, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de gemeenschapsrechter te beslechten geschil.

(cf. punt 112)

9. De Commissie moet bij de beoordeling van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt uitgaan van de mededinging zoals die normalerwijze zonder inbreuk zou hebben bestaan. Om een weerslag op de markt te kunnen vaststellen, volstaat het dat de overeengekomen prijzen als uitgangspunt hebben gediend voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen en aldus de onderhandelingsmarge van de klanten hebben beperkt.

Daarentegen kan, wanneer de uitvoering van een kartel is vastgesteld, van de Commissie niet worden verlangd dat zij stelselmatig aantoont dat de afspraken de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in staat hebben gesteld een hogere transactieprijs te bereiken dan zonder het kartel het geval zou zijn geweest. Het zou buitensporig zijn een dergelijk bewijs – waarmee aanzienlijke middelen gemoeid zouden zijn – te verlangen, aangezien daarvoor hypothetische berekeningen moeten worden gemaakt op grond van economische modellen waarvan de juistheid door de rechter slechts moeilijk is na te gaan en waarvan de onfeilbaarheid geenszins is bewezen. Voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk is namelijk beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen is gebeurd, kan zijn beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden. De leden van het kartel kunnen externe factoren die hun inspanningen hebben gedwarsboomd, niet in hun voordeel aanvoeren als elementen die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen.

De feitelijke houding die een bepaalde onderneming naar eigen zeggen heeft aangenomen, is irrelevant voor de beoordeling van de weerslag van een kartel op de markt. Enkel de gevolgen van de inbreuk in haar geheel dienen in aanmerking te worden genomen. Zo wordt het mededingingsverstorende gedrag van een betrokken onderneming in aanmerking genomen ter beoordeling van haar individuele situatie, maar dit element kan geen enkele invloed hebben op de indeling van de inbreuk in de categorie van de „zeer zware” inbreuken.

Voor inbreuken van lange duur is het weinig waarschijnlijk dat de betrokken ondernemingen van mening waren dat zij volstrekt ondoeltreffend en nutteloos waren.

De aard van de inbreuk speelt met name bij de kwalificatie van de inbreuken als „zeer zwaar” een vooraanstaande rol. In dit verband volgt uit de beschrijving van de zeer zware inbreuken in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die met name strekken tot vaststelling van de prijzen, reeds op grond van hun aard als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd, en dat hiervoor niet nodig is dat zij een bijzondere uitwerking hebben of een bepaald geografisch gebied bestrijken. In de beschrijving van „zeer zware” inbreuken staat niet dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt of van gevolgen die zich in een bepaald geografisch gebied doen gevoelen.

(cf. punten 126, 128‑130, 133‑134, 136‑137)

10. De duur van de inbreuk vormt een van de factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete die dient te worden opgelegd aan ondernemingen die zich schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk op de mededingingsregels. Wat inbreuken van lange duur betreft, kan de Commissie het maximale verhogingspercentage van 10 % van het wegens de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag per jaar dat de inbreuk heeft geduurd automatisch toepassen. Ook al voorziet punt 1 B, eerste alinea, derde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, niet in een automatische verhoging, wordt immers aan de Commissie dienaangaande een beoordelingsmarge gelaten.

Niets in de richtsnoeren verbiedt om bij de berekening van het bedrag van de geldboete de werkelijke duur van de inbreuk in aanmerking te nemen. Een dergelijke benadering is volstrekt logisch en redelijk en valt binnen de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie.

Wanneer vaststaat dat een onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, wordt zij voor de gehele duur van haar deelneming aan de inbreuk eveneens aansprakelijk geacht voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk. De Commissie kan impliciet oordelen dat de duur van de inbreuk niet hoeft te worden opgedeeld naargelang van de intensiteit van de deelneming van de verzoekende onderneming aan de inbreuk op de betrokken markten. Indien de rol die de betrokken onderneming in het kader van het kartel heeft gespeeld, correct in aanmerking is genomen bij de bepaling van het uitgangsbedrag van de geldboete, kan het feit dat de onderneming niet aan alle bestanddelen van het kartel heeft deelgenomen niet opnieuw in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de duur van de inbreuk.

De verhoging van het bedrag van de geldboete op basis van de duur van de inbreuk geschiedt door toepassing van een bepaald percentage op het uitgangsbedrag dat op basis van de zwaarte van de gehele inbreuk wordt bepaald en dus reeds de uiteenlopende intensiteit van de inbreuk weerspiegelt. Het is dus niet logisch om voor de verhoging van dit bedrag wegens de duur van de inbreuk een variatie in de intensiteit van de inbreuk in de betrokken periode in aanmerking te nemen. Er moet steeds een onderscheid worden gemaakt tussen de effectieve werkingsduur van de mededingingsregeling en de zwaarte van deze inbreuk zoals die volgt uit de aard ervan.

(cf. punten 147‑148, 150, 152, 156‑157, 159‑160)

11. De verzachtende omstandigheden die worden genoemd in punt 3 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, zijn allemaal gebaseerd op het eigen gedrag van elke onderneming. Bij de beoordeling van deze verzachtende omstandigheden moet geen rekening worden gehouden met de gevolgen van de inbreuk in haar geheel, die in aanmerking moeten worden genomen bij de evaluatie van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt ter beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk, maar met het individuele gedrag van elke onderneming, om het relatieve gewicht van de deelneming van elke onderneming aan de inbreuk te onderzoeken.

De ondernemingen moeten dus andere argumenten aanvoeren die kunnen aantonen dat zij zich tijdens de periode waarin zij partij waren bij de inbreukmakende overeenkomsten, daadwerkelijk aan de toepassing ervan hebben onttrokken door zich concurrentieel te gedragen op de markt, of, althans, dat zij zo duidelijk en in aanzienlijke mate zijn tekortgeschoten in hun verplichting tot toepassing van deze mededingingsregeling dat zij de werking zelf ervan hebben verstoord.

(cf. punten 178, 180)

12. Een passieve rol houdt in dat de betrokken onderneming zich „op de achtergrond” houdt, dat wil zeggen niet actief deelneemt aan de uitwerking van de mededingingsverstorende overeenkomst of overeenkomsten. Als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een mededingingsregeling kunnen onder meer in aanmerking worden genomen het feit dat zij de bijeenkomsten veel minder regelmatig heeft bijgewoond dan de gewone kartelleden, het feit dat zij pas later actief is geworden op de markt waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelneming hieraan, of het feit dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een uitdrukkelijke verklaring in die zin hebben afgelegd.

Slechts in bepaalde bijzondere omstandigheden vormt de geringe omvang van een onderneming een belangrijke in aanmerking te nemen factor. Wanneer de bestuurders van deze onderneming verschillende bijeenkomsten voorzitten en organiseren, concludeert de Commissie terecht dat geen sprake is van een passieve houding: vaststaat dat het bijeenroepen van dergelijke bijeenkomsten, het voorstellen van een agenda en het distribueren van voorbereidende documenten voor de bijeenkomsten onverenigbaar zijn met de rol van een passieve meeloper die zich op de achtergrond houdt. Dergelijke initiatieven geven blijk van een welwillende en actieve houding van de betrokken ondernemingen met betrekking tot de instelling en de handhaving van en het toezicht op het kartel.

De Commissie is niet gebonden door haar beschikkingspraktijk: het feit dat zij in eerdere zaken de economische situatie van de sector als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, betekent nog niet dat zij deze praktijk noodzakelijkerwijs moet blijven volgen. De Commissie moet de omstandigheden van elk geval individueel onderzoeken, zonder dat zij daarbij gebonden is aan eerdere beschikkingen die betrekking hadden op andere marktdeelnemers, andere product‑ en dienstenmarkten of andere geografische markten op andere tijdstippen.

(cf. punten 184‑185, 189, 193‑195)

13. Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet evenwel ontvankelijk worden verklaard.

(cf. punten 198‑199)

14. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de methode voor de berekening van de geldboeten en kan daarbij rekening houden met een groot aantal factoren, waaronder de medewerking van de betrokken ondernemingen tijdens het door de diensten van deze instelling gevoerde onderzoek. De medewerking die een onderneming aan de Commissie verleent, kan een vermindering van de geldboete op grond van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen slechts rechtvaardigen indien zij de taak van de Commissie, die erin bestaat een inbreuk vast te stellen en daaraan een einde te maken, vergemakkelijkt.

De Commissie is niet gebonden door haar vroegere beschikkingspraktijk wanneer zij voor een bepaald gedrag een bepaalde verlaging toekent; zij is niet verplicht, de geldboete met eenzelfde percentage te verlagen bij de beoordeling van een soortgelijk gedrag in het kader van een latere administratieve procedure.

De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid bij de waardering van de kwaliteit en het nut van de door een onderneming verleende medewerking, met name in vergelijking met de bijdragen van andere ondernemingen. In deze context moet de Commissie ingewikkelde feitelijke beoordelingen verrichten, onder meer met betrekking tot de medewerking van elk van de betrokken ondernemingen. De in punt D 2 van de mededeling inzake medewerking opgesomde omstandigheden die aanleiding geven tot een verlaging van de geldboete, vormen slechts voorbeelden.

De Commissie kan het nut van de verstrekte inlichtingen, dat noodzakelijkerwijs wordt afgemeten aan de reeds in haar bezit zijnde bewijselementen, niet buiten beschouwing laten. Wanneer een onderneming slechts op een minder duidelijke en expliciete wijze bepaalde informatie bevestigt die een andere onderneming reeds heeft verstrekt, vergemakkelijkt dit de taak van de Commissie niet aanzienlijk en is een verlaging van het bedrag van de geldboete wegens medewerking uitgesloten.

De Commissie stelt zich mild op ter beloning van ondernemingen die de vaststelling van de inbreuk vergemakkelijken, en dit ongeacht het stadium waarin de onderneming haar steun heeft verleend en ongeacht of deze steun bestond in de verstrekking van nieuwe gegevens en bewijzen dan wel in de erkenning van feiten of van de juridische kwalificatie hiervan.

Of de geldboete wegens medewerking wordt verlaagd hangt voornamelijk af van de kwaliteit en het nut van de verleende medewerking, die de Commissie in het kader van haar ruime beoordelingsvrijheid evalueert, en alleen een kennelijk buitensporig gebruik van deze vrijheid kan worden afgekeurd.

Bij haar beoordeling van de medewerking van de ondernemingen mag de Commissie niet ingaan tegen het beginsel van gelijke behandeling, dat wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

De evaluatie van het nut van de medewerking berust niet op een wiskundige formule die automatisch leidt tot een verlaging van ten minste 20 % indien punt D, eerste en tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van toepassing is.

(cf. punten 219‑225, 238, 246, 248)

15. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel.

Wat de berekening van de geldboeten betreft, moet de zwaarte van de inbreuken worden bepaald aan de hand van een groot aantal factoren en mag aan geen daarvan een belang worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingselementen.

In deze context impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen.

De Commissie is aldus niet gehouden om bij de bepaling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de deficitaire situatie van een onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt. Ook al zou een maatregel van een gemeenschapsinstantie de vereffening van de onderneming in haar huidige rechtsvorm teweegbrengen en kan een dergelijke maatregel afbreuk doen aan de financiële belangen van de eigenaren, aandeelhouders of houders van deelbewijzen, betekent dat hoe dan ook nog niet dat de persoonlijke, materiële en immateriële componenten van de onderneming ook hun waarde zouden verliezen.

Noch verordening nr. 17, noch verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, noch de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bepalen dus dat het bedrag van de geldboeten rechtstreeks op basis van de omvang van de getroffen markt dient te worden vastgesteld. Deze omvang is slechts een van de relevante factoren.

De richtsnoeren schrijven weliswaar niet voor dat het bedrag van de geldboeten moet worden berekend op basis van de totale omzet of van de omzet van de ondernemingen op de betrokken markt, maar zij verzetten zich er evenmin tegen dat de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de geldboete van dergelijke omzetcijfers uitgaat om de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht in acht te nemen of wanneer de omstandigheden dit vereisen. De omzet uit de verkoop van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, kan een juiste aanwijzing vormen van de omvang van de inbreuk en van de aansprakelijkheid van elk van de kartelleden op de betrokken markten. Deze omzet geeft immers als objectieve maatstaf de schadelijkheid van de betrokken gedragingen voor de normale mededinging correct weer en vormt dus een goede aanwijzing van de macht van elk van de betrokken ondernemingen om schade te veroorzaken. Er bestaat evenwel geen algemeen toepasselijk beginsel volgens hetwelk de sanctie evenredig moet zijn aan de omzet van de onderneming uit de verkoop van het product waarop de inbreuk betrekking heeft.

Wanneer de Commissie geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, is zij niet verplicht ervoor te zorgen dat het definitieve bedrag van de geldboeten die haar berekening oplevert, elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun totale omzet of hun omzet op de markt van het betrokken product weerspiegelt. De Commissie hoeft bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete geen rekening te houden met de omvang van de betrokken ondernemingen; er is geen enkele reden om kleine en middelgrote ondernemingen anders te behandelen dan andere ondernemingen, aangezien hun grootte hen niet ontslaat van de verplichting de mededingingsregels in acht te nemen.

(cf. punten 260‑261, 264, 266‑267, 275, 277‑283)

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

28 april 2010 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt voor industrieel garen – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Concrete weerslag op markt – Duur van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking tijdens administratieve procedure – Evenredigheid – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten”

In de gevoegde zaken T‑456/05 en T‑457/05,

Gütermann AG, gevestigd te Gutach-Breisgau (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Burrichter, B. Kasten en S. Orlikowski-Wolf, advocaten,

verzoekster in zaak T‑456/05,

Zwicky & Co. AG, gevestigd te Wallisellen (Zwitserland), vertegenwoordigd door J. Burrichter, B. Kasten en S. Orlikowski-Wolf, advocaten,

verzoekster in zaak T‑457/05,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, M. Schneider en K. Mojzesowicz, vervolgens door F. Castillo de la Torre en K. Mojzesowicz als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2005) 3452 van de Commissie van 14 september 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.337 – PO/Garen), zoals gewijzigd bij beschikking C(2005) 3765 van de Commissie van 13 oktober 2005, en, subsidiair, tot verlaging van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Prek (rapporteur) en V. M. Ciucǎ, rechters,

griffier: T. Weiler, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 december 2008,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1. Voorwerp van het geding

1 Bij beschikking C(2005) 3452 van 14 september 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.337 – PO/Garen; hierna: „bestreden beschikking”), zoals gewijzigd bij beschikking C(2005) 3765 van de Commissie van 13 oktober 2005, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 januari 2008 (PB C 21, blz. 10), heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verzoeksters, Gütermann AG (hierna: „Gütermann”) en Zwicky & Co. AG (hierna: „Zwicky”), respectievelijk in de periode van januari 1990 tot september 2001 en van januari 1990 tot november 2000 hebben deelgenomen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor garen voor industriële afnemers in de Benelux en de Noordse landen.

2 De Commissie heeft Gütermann en Zwicky een geldboete van respectievelijk 4,021 miljoen EUR en 0,174 miljoen EUR opgelegd wegens hun deelneming aan de mededingingsregeling inzake industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

2. Administratieve procedure

3 Op 7 en 8 november 2001 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht in de kantoren van verschillende producenten van naaigaren, dit naar aanleiding van informatie die haar in augustus 2000 door The English Needle & Tackle Co. Ltd was verstrekt.

4 Op 26 november 2001 heeft Coats Viyella plc (hierna: „Coats”) krachtens de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”) een clementieverzoek ingediend. Bij dit verzoek waren stukken gevoegd die het bewijs dienden te leveren van het bestaan van de volgende mededingingsregelingen: ten eerste, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de Europese Economische Ruimte (EER), ten tweede, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor industriële afnemers in het Verenigd Koninkrijk en, ten derde, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor industriële afnemers in de landen van de Benelux en Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden (hierna samen: „Noordse landen”).

5 Op basis van de tijdens de inspecties gevonden documenten en de door Coats meegedeelde documenten heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 in maart en augustus 2003 de betrokken ondernemingen om inlichtingen verzocht.

6 Op 15 maart 2004 heeft de Commissie aan verschillende ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar toegezonden wegens hun deelneming aan een of meerdere van de hierboven in punt 4 bedoelde mededingingsregelingen, waaronder die op de markt voor garen voor industriële afnemers in de Benelux en de Noordse landen.

7 Alle ondernemingen die adressaat waren van de mededeling van punten van bezwaar hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Gütermann heeft in eigen naam en in naam van Zwicky geantwoord.

8 Op 19 en 20 juli 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

9 Op 24 september 2004 werd de partijen toegang verleend tot de niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar en op de opmerkingen die de partijen tijdens de hoorzitting hadden gemaakt. Er werd hun tevens een termijn verleend om verdere opmerkingen te maken.

10 Op 14 september 2005 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld.

3. Bestreden beschikking

Afbakening van de betrokken markten

Productmarkt

11 De Commissie merkt in de bestreden beschikking op dat de garensector in twee segmenten kan worden verdeeld, namelijk die van industrieel garen voor het naaien of borduren van verschillende soorten kledingstukken of andere artikelen, zoals lederwaren, textielbekleding voor auto’s en matrassen, en het segment van het huishoudgaren, dat door particulieren voor naai‑ en herstelwerk en voor hobbydoeleinden wordt gebruikt.

12 Wat het segment van het industriële garen betreft, dit kan in drie categorieën worden onderverdeeld naargelang van het gebruik dat van het garen wordt gemaakt: naaigaren voor de confectiesector, dat wordt gebruikt voor verschillende soorten kleding, borduurgaren, dat op geautomatiseerde industriële borduurmachines wordt gebruikt ter verfraaiing van kledingstukken, sportschoeisel en huislinnen, en speciaal garen, dat in verschillende sectoren wordt gebruikt, zoals de schoenen‑, de lederwaren‑ en de automobielsector.

13 Volgens de Commissie kan industrieel garen aan de aanbodzijde als één enkele productmarkt worden beschouwd, aangezien er geen strikte overeenstemming is tussen het uiteindelijke gebruik en het soort vezel en/of de structuur van het garen.

14 De Commissie maakt evenwel een onderscheid tussen garen voor afnemers uit de automobielsector en garen voor andere industriële afnemers dan die uit de automobielsector. Zij is immers van mening dat de productieprocessen voor deze twee soorten garen weliswaar vergelijkbaar of gemakkelijk onderling uitwisselbaar zijn, maar dat de vraagzijde in de automobielsector wordt gevormd door grote cliënten die specifiekere eisen stellen aan bepaalde van de door hen gebruikte producten – bijvoorbeeld aan garen voor veiligheidsgordels – en die belang hechten aan de uniformiteit van de producten in de verschillende landen waar zij dit garen nodig hebben voor hun productie.

15 In de onderhavige zaken is de productmarkt waarvoor de aan verzoeksters verweten inbreuk wordt onderzocht die van garen voor industriële afnemers met uitzondering van afnemers uit de automobielsector (hierna: „industrieel garen”).

Geografische markten

16 De Commissie stelt in de bestreden beschikking vast dat de betrokken geografische markt voor industrieel garen volgens de door de partijen verstrekte informatie regionaal is. Zij voegt hieraan toe dat een regio naargelang van het geval meerdere landen van de EER kan bestrijken, bijvoorbeeld de landen van de Benelux of de Noordse landen, of één enkel land, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk.

17 In casu bestrijkt de geografische markt waarop de aan verzoeksters verweten inbreuk betrekking heeft, de Benelux en de Noordse landen.

Omvang en structuur van de betrokken markten

18 Volgens de bestreden beschikking bedroeg de omzet van industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen in 2000 ongeveer 50 miljoen EUR en in 2004 ongeveer 40 miljoen EUR.

19 Uit de beschikking blijkt tevens dat met name Gütermann, Zwicky, Amann und Söhne GmbH & Co. KG (hierna: „Amann”), Barbour Threads Ltd, vóór de overname ervan door Coats, Belgian Sewing Thread NV (hierna: „BST”) en Coats eind jaren negentig de belangrijkste leveranciers van industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen waren.

Beschrijving van de inbreukmakende gedragingen

20 De Commissie merkt in de bestreden beschikking op dat de gebeurtenissen die verband houden met de mededingingsregeling op de markt voor garen voor industriële afnemers in de Benelux en de Noordse landen, zich hebben afgespeeld van 1990 tot 2001.

21 Volgens de Commissie zijn de betrokken ondernemingen ten minste één keer per jaar bijeengekomen en werden deze bijeenkomsten in twee sessies opgedeeld: één sessie gewijd aan de markt van de Benelux-landen, en één sessie gewijd aan de Noordse landen. Deze bijeenkomsten hadden voornamelijk tot doel, de prijzen op elk van deze twee markten hoog te houden.

22 De deelnemers hebben prijslijsten uitgewisseld, alsook informatie over kortingen, over verhogingen van de catalogusprijzen, over verlagingen van kortingen en over de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde cliënten. Tevens werden overeenkomsten gesloten over de toekomstige prijslijsten, over het maximale kortingspercentage, over de verlagingen van de kortingen en over de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde cliënten, en werd overeengekomen om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen en de clientèle onder elkaar te verdelen (bestreden beschikking, punten 99‑125).

Dispositief van de bestreden beschikking

23 In artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat acht ondernemingen, waaronder Gütermann en Zwicky, artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst hebben geschonden door in de periode van januari 1990 tot september 2001 – in het geval van Gütermann – en in de periode van januari 1990 tot november 2000 – in het geval van Zwicky – deel te nemen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

24 Volgens artikel 2, eerste alinea, van de bestreden beschikking zijn voor de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen met name aan de volgende ondernemingen de volgende geldboeten opgelegd:

– Coats: 15,05 miljoen EUR;

– Amann: 13,09 miljoen EUR;

– BST: 0,979 miljoen EUR;

– Gütermann: 4,021 miljoen EUR;

– Zwicky: 0,174 miljoen EUR.

25 In artikel 3 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de in de beschikking bedoelde ondernemingen gelast, onmiddellijk een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken, voor zover dat nog niet was gebeurd, en zich in de toekomst te onthouden van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde handelingen en van enige handeling of gedraging met een gelijksoortig doel of gevolg.

Procesverloop en conclusies van partijen

26 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2005, hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld.

27 In zaak T‑456/05 concludeert Gütermann dat het het Gerecht behage:

– artikel 1 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de Commissie hierin vaststelt dat zij in de periode van januari 1990 tot september 2001 of, subsidiair, in de periode van januari 1990 tot en met december 1993 op de Finse, de Noorse en de Zweedse markt inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst;

– artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de Commissie haar een geldboete van 4,021 miljoen EUR heeft opgelegd of, subsidiair, het bedrag van deze geldboete passend te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

28 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– Gütermann te verwijzen in de kosten.

29 In zaak T‑457/05 concludeert Zwicky dat het het Gerecht behage:

– artikel 1 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de Commissie hierin vaststelt dat zij in de periode van januari 1990 tot november 2000 of, subsidiair, in de periode van januari 1990 tot en met december 1993 op de Finse, de Noorse en de Zweedse markt inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst;

– artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de Commissie haar een geldboete van 0,174 miljoen EUR heeft opgelegd of, subsidiair, het bedrag van deze geldboete passend te verlagen;

– artikel 3 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op haar;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

30 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– Zwicky te verwijzen in de kosten.

31 Bij beschikking van 9 december 2008 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht, na de partijen te hebben gehoord, beslist de zaken T‑456/05 en T‑457/05 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te voegen voor de mondelinge behandeling en het arrest.

In rechte

32 In de eerste plaats voeren verzoeksters twee middelen betreffende de inbreuken aan. Als eerste middel voeren zij aan dat artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) is geschonden. Zwicky voert als tweede middel aan dat het bevel om een einde te maken aan de inbreuk en deze niet te herhalen ongerechtvaardigd is.

33 In de tweede plaats voeren verzoeksters een reeks middelen aan met het oog op de intrekking of de verlaging van de geldboete. Om te beginnen verwijt Zwicky de Commissie dat het bedrag van de haar opgelegde geldboete het plafond van 10 % van haar omzet overschrijdt. Voorts voeren verzoeksters vijf middelen aan: onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk vanuit het oogpunt van de gevolgen ervan, onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuk, niet-inachtneming van bepaalde verzachtende omstandigheden, onjuiste toepassing van de mededeling inzake medewerking en onevenredigheid van de geldboete.

1. Middelen ter betwisting van de vaststelling dat er inbreuken zijn gepleegd, alsook van de bevelen om deze te beëindigen en niet te herhalen

Door Gütermann en Zwicky aangevoerd middel inzake schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003

Argumenten van partijen

34 Volgens verzoeksters heeft de Commissie artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 geschonden, dat bepaalt dat „[w]anneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG] vaststelt, [...] zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen [kan] gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken”. Voor zover de Commissie Gütermann en Zwicky verwijt dat zij inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst door respectievelijk in de periode van januari 1990 tot september 2001 en van januari 1990 tot november 2000 deel te nemen aan overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markten voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen, heeft zij immers geen rekening gehouden met het feit dat de EER-Overeenkomst pas op 1 januari 1994 in werking is getreden en dat de bepalingen van deze Overeenkomst vóór deze datum dus niet van toepassing waren in Finland, Noorwegen en Zweden. Finland en Zweden zijn ook pas op 1 januari 1995 tot de Europese Gemeenschap toegetreden, zodat artikel 81 EG pas op die datum rechtstreeks toepasselijk is geworden.

35 Voorts zijn verzoeksters van mening dat de Commissie terecht ervan is uitgegaan dat hun gedrag in Finland, Noorwegen en Zweden pas vanaf 1 januari 1994 een inbreuk in juridische zin, dat wil zeggen een schending van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst kon vormen. De Commissie heeft dus en vergissing begaan door vanuit juridisch oogpunt uit te gaan van het bestaan van een inbreuk die alleen maar intenser is geworden. De Commissie maakt geen onderscheid tussen de materiële beoordeling van het gedrag van verzoeksters, beschouwd als één enkele voortgezette mededingingsregeling die voor Gütermann heeft geduurd van januari 1990 tot september 2001, en voor Zwicky van januari 1990 tot november 2000, en de juridische beoordeling van dit gedrag, beschouwd als een schending van de mededingingsregels tijdens deze twee periodes.

36 Verder zijn verzoeksters van mening dat hun middel inzake schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 ontvankelijk is. De Commissie stelt immers ten onrechte dat dit middel niet-ontvankelijk is omdat zij niet aanvoeren dat zij bij de kwalificatie van hun gedrag als één enkele en voortgezette mededingingsregeling een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Volgens hen is de Commissie bij de kwalificatie van hun gedrag als één enkele en voortgezette mededingingsregeling uitgegaan van de feiten. Met het onderhavige middel komen zij niet op tegen deze kwalificatie. Daarentegen bevat artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking een juridische beoordelingsfout, aangezien Zwicky niet aanwezig was op de markt voor industrieel garen in de Noordse landen en er voor Finland, Noorwegen en Zweden van januari 1990 tot december 1993 geen sprake kon zijn van een schending van de mededingingsregels.

37 De Commissie voert primair de niet-ontvankelijkheid van dit middel van verzoeksters aan en betwist subsidiair de gegrondheid ervan.

Beoordeling door het Gerecht

38 Naar het oordeel van het Gerecht dient de gegrondheid van het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 te worden beoordeeld, zonder dat de ontvankelijkheid ervan hoeft te worden onderzocht.

39 In de eerste plaats stelt de Commissie in artikel 1, lid 1, sub g en h, van de bestreden beschikking vast dat Gütermann en Zwicky artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst hebben geschonden door respectievelijk in de periode van januari 1990 tot september 2001 en van januari 1990 tot november 2000 deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markten voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

40 Vastgesteld moet worden dat dit artikel, op zich beschouwd, de indruk zou kunnen wekken dat de Commissie heeft vastgesteld dat verzoeksters een inbreuk hebben gepleegd door van januari 1990 tot december 1993, dus vóór de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst, deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor industrieel garen in Finland, Noorwegen en Zweden. Vaststaat evenwel dat er tijdens deze periode geen rechtsgrondslag bestond op basis waarvan de Commissie zou kunnen stellen dat verzoeksters een dergelijke inbreuk hebben gepleegd.

41 Volgens de rechtspraak is het dispositief van een handeling evenwel onafscheidelijk verbonden met de motivering ervan, zodat het, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (arrest Hof van 15 mei 1997, TWD/Commissie, C‑355/95 P, Jurispr. blz. I‑2549, punt 21, en arrest Gerecht van 13 juni 2000, EPAC/Commissie, T‑204/97 en T‑270/97, Jurispr. blz. II‑2267, punt 39).

42 Dienaangaande blijkt duidelijk uit de punten 246, 295 tot en met 298 en 331 van de bestreden beschikking dat de mededingingsregeling, voor zover zij betrekking had op Finland, Noorwegen en Zweden, pas vanaf 1 januari 1994, datum van de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst, een inbreuk op de mededingingsregels van de Gemeenschap en de EER vormde. Artikel 1, lid 1, sub g en h, van de bestreden beschikking dient derhalve te worden gelezen in het licht van deze duidelijke en ondubbelzinnige motivering. Het dispositief van de bestreden beschikking dient dus in die zin te worden opgevat dat voor Finland, Noorwegen en Zweden pas vanaf 1 januari 1994 één enkele, voortgezette inbreuk tot stand is gekomen.

43 In de tweede plaats stellen verzoeksters ten onrechte dat de Commissie in de bestreden beschikking een onderscheid heeft gemaakt tussen de juridische beoordeling van een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst en de materiële beoordeling in de punten 264 tot en met 277 van de bestreden beschikking van hun gedrag, dat als één enkele en voortgezette inbreuk is gekwalificeerd. Zij leiden hier, eveneens ten onrechte, uit af dat, aangezien er voor Finland, Noorwegen en Zweden pas vanaf 1 januari 1994 sprake kon zijn van een inbreuk „in juridische zin”, de Commissie een vergissing heeft begaan door vast te stellen dat er sprake was van een inbreuk die alleen maar intenser is geworden.

44 Ten eerste hebben verzoeksters niet betwist dat er sprake is van één enkele en voortgezette inbreuk op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

45 Voorts kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging. Tegen deze uitlegging kan niet worden ingebracht dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging ook op zich en afzonderlijk een schending van deze bepaling kunnen opleveren (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 81, en arrest Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punt 155).

46 Zo omvat een enkele en voortgezette inbreuk vaak een reeks opeenvolgende handelingen die op zich, op het ogenblik waarop zij worden verricht, eveneens een inbreuk op de mededingingsregels kunnen vormen. Het bijzondere aan deze handelingen is dat zij deel uitmaken van een algemene strategie. Dit heeft de Commissie in wezen vastgesteld in de punten 264 tot en met 277 van de bestreden beschikking met betrekking de mededingingsregeling inzake de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

47 Anders dan verzoeksters stellen, bestaan de overwegingen in bovengenoemde punten van de bestreden beschikking niet uitsluitend in een loutere vaststelling van feiten, maar worden hierin objectieve redenen aangevoerd die de Commissie nopen tot de conclusie dat de inbreuk op de markt voor industrieel garen in de Noordse landen, samen met de inbreuk op de markt voor industrieel garen in de Benelux, één enkele en voortgezette inbreuk heeft gevormd.

48 Het feit dat de rechtsgrondslag waarop de Commissie de vaststelling van de inbreuk op de markten voor industrieel garen in Finland, Noorwegen en Zweden heeft gebaseerd, pas na het begin van de inbreuk tot stand is gekomen, is in dit verband zonder belang, aangezien het gedrag van verzoeksters op deze markt, zoals blijkt uit de motivering van de bestreden beschikking, pas vanaf 1 januari 1994 in aanmerking is genomen.

49 In de tweede plaats dient de door Zwicky opgeworpen grief dat zij niet aanwezig was op de markt van de Noordse landen, te worden verworpen. Zoals hierboven in punt 44 is opgemerkt, heeft Zwicky bevestigd dat zij niet opkomt tegen de kwalificatie van de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen als één enkele en voortgezette inbreuk.

50 Volgens de rechtspraak kan een onderneming die aan één enkele samengestelde inbreuk heeft deelgenomen door eigen gedragingen die een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormen en die een bijdrage tot de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beogen te leveren, voor de gehele duur van haar deelname aan deze inbreuk tevens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk, wanneer vaststaat dat de betrokken onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 45, punt 203; arrest Gerecht van 20 maart 2002, Brugg Rohrsysteme/Commissie, T‑15/99, Jurispr. blz. II‑1613, punt 73).

51 In casu betwist Zwicky niet dat zij regelmatig heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten over industrieel garen op de markt van de Noordse landen. Zij betwist evenmin de vaststelling van de Commissie dat zij, voordat er sprake was van één enkele inbreuk, actief was geweest op deze markt voor industrieel garen in de Noordse landen, en ontkent niet dat zij heeft deelgenomen aan de inbreuken op de markt voor industrieel garen in de Benelux. Zij betwist ook niet dat deze inbreuken pasten in een algemene strategie en dus slechts enkele onderdelen vormden van één enkele voortgezette inbreuk op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.

52 Hieruit volgt dat het loutere feit dat Zwicky in de periode waarin één enkele en voortgezette inbreuk werd gepleegd, niet aanwezig was op de markt voor industrieel garen in de Noordse landen, haar niet kan bevrijden van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen van de andere ondernemingen in het kader van dezelfde inbreuk op deze geografische markt.

53 Voor zover de grief van Zwicky aldus dient te worden opgevat dat enkel de ondernemingen die op de geografische markt van de Noordse landen actief zijn als concurrenten, aanbieders of vragers, als (mede)daders van een overtreding hun gedrag onderling kunnen afstemmen, dient te worden opgemerkt dat een onderneming het verbod van artikel 81, lid 1, EG kan schenden wanneer haar gedrag, zoals zij dit heeft afgestemd op dat van andere ondernemingen, tot doel heeft de mededinging op een specifieke relevante markt binnen de gemeenschappelijke markt te beperken, zonder dat dit noodzakelijkerwijze veronderstelt dat zij zelf op deze relevante markt actief is (zie naar analogie arrest Gerecht van 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, Nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 122).

54 Gelet op de hierboven in punt 51 verrichte vaststellingen kan Zwicky niet met succes betwisten dat zij eveneens als mededader aansprakelijk is voor een inbreuk op de mededingingsregels wegens het kartel voor industrieel garen op de markt van de Noordse landen.

55 Bijgevolg moet het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 worden verworpen.

Door Zwicky aangevoerd middel inzake het ongerechtvaardigde karakter van het bevel om een einde te maken aan de inbreuk en deze niet te herhalen

Argumenten van partijen

56 Zwicky merkt op dat de Commissie in artikel 3 van de bestreden beschikking de betrokken ondernemingen heeft gelast onmiddellijk een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken, voor zover dat nog niet is gebeurd, en zich in de toekomst te onthouden van de vastgestelde inbreukmakende handelingen of van enige gedraging met een gelijksoortig doel.

57 Zwicky stelt dat zij niet alleen in november 2000 de markten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, heeft verlaten, maar dat zij ook al haar commerciële activiteiten heeft stopgezet en zich enkel nog bezighoudt met het beheer van vastgoed. Volgens haar schenden bovengenoemde bevelen het evenredigheidsbeginsel en is artikel 3 van de bestreden beschikking onwettig. Aangezien de Commissie, zonder aanvullende verificaties te hoeven verrichten, kon vaststellen dat de inbreuken waren beëindigd en dat er geen enkel risico van herhaling was, had zij er geen wettig belang bij een bevel op te leggen. Zwicky baseert zich dienaangaande op een arrest van het Hof van 2 maart 1983, GVL/Commissie (7/82, Jurispr. blz. 483, punten 24 e.v.).

58 Volgens de Commissie moet dit middel worden verworpen.

Beoordeling door het Gerecht

59 Met het onderhavige middel vordert Zwicky de nietigverklaring van artikel 3 van de bestreden beschikking, voor zover dit betrekking heeft op haar.

60 Vastgesteld moet worden dat artikel 3 van de bestreden beschikking in feite twee bevelen bevat.

61 In de eerste plaats eist dit artikel dat de betrokken ondernemingen onmiddellijk een einde maken aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuken, voor zover dat nog niet is gebeurd. Aangezien Zwicky ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking geen activiteiten meer uitoefende in de sector van het industriële garen, zijn de argumenten die zij tegen dit artikel aanvoert, kennelijk ongegrond. Het feit dat Zwicky behoort tot de in artikel 1 van de bestreden beschikking genoemde ondernemingen, neemt immers niet weg dat zij door deze stopzetting van haar activiteiten reeds een einde had gemaakt aan de inbreuk, zodat het betrokken bevel in feite geen betrekking meer had op haar (zie in die zin arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94– T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 1247). Hierdoor is ook het argument van Zwicky dat het evenredigheidsbeginsel op dit punt is geschonden, niet ter zake dienend (zie in die zin arrest Gerecht van 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T‑410/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 196).

62 In de tweede plaats schrijft artikel 3 van de bestreden beschikking voor dat de in artikel 1 genoemde ondernemingen zich in de toekomst onthouden van enige in artikel 1 beschreven handeling of gedraging alsook van enige maatregel met een gelijksoortig doel of gevolg.

63 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de toepassing van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 het verbod kan omvatten om bepaalde activiteiten, praktijken of toestanden waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, voort te zetten, maar ook het verbod om zich in de toekomst op gelijksoortige wijze te gedragen. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken (zie naar analogie arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 4704 en 4705 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts moet de bevoegdheid van de Commissie om bevelen te geven zijn afgestemd op de aard van de vastgestelde inbreuk (arrest Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 45; arresten Gerecht van 7 oktober 1999, Irish Sugar/Commissie, T‑228/97, Jurispr. blz. II‑2969, punt 298, en 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie, T‑128/98, Jurispr. blz. II‑3929, punt 82).

64 In casu heeft de Commissie in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgesteld dat Zwicky samen met andere ondernemingen artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst heeft geschonden door – bovendien voor een zeer lange periode – deel te nemen aan overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector van industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen, in het kader waarvan zij en de andere ondernemingen zijn overeengekomen om toekomstige prijslijsten, een maximaal kortingspercentage, verlagingen van de kortingen en een verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde cliënten vast te stellen, alsook om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen en de clientèle onder elkaar te verdelen. Zwicky betwist niet de vaststellingen dienaangaande in de bestreden beschikking.

65 In deze omstandigheden heeft de Commissie de grenzen van de haar bij artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 toegekende bevoegdheden niet overschreden door de betrokken ondernemingen te gelasten om zich in de toekomst op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noorse landen te onthouden van enige maatregel die een gelijksoortig doel of gevolg kon hebben (zie in die zin, naar analogie, arrest Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 61, punt 199).

66 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat Zwicky ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking geen activiteiten meer uitoefende in de sector van het industriële garen. Een bevel als het onderhavige is immers naar zijn aard preventief en hangt niet af van de situatie van de betrokken ondernemingen ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking.

67 De Commissie was temeer gerechtigd om dit gebod in het dispositief van de bestreden beschikking op te nemen omdat Zwicky zich niet ertoe had verbonden, haar mededingingsverstorende gedragingen niet te herhalen (zie in die zin arrest Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T‑141/94, Jurispr. blz. II‑347, punt 678).

68 Bovendien is het hierboven in punt 57 aangehaalde arrest GVL/Commissie, waarnaar Zwicky verwijst, in casu irrelevant. De omstandigheden van die zaak verschillen immers niet alleen van die van de onderhavige zaak, maar bovendien is in de punten 60 tot en met 67 hierboven aangetoond dat het bevel om onmiddellijk een einde te maken aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuken geen betrekking had op Zwicky en dat de Commissie er een volkomen wettig belang bij had om haar te gelasten, zich in de toekomst te onthouden van de vastgestelde inbreukmakende handelingen of van enige gedraging met een gelijksoortig doel.

69 Om al deze redenen moet het onderhavige middel worden verworpen.

2. Middelen ter betwisting van de geldboete en het bedrag ervan

Door Zwicky aangevoerd middel dat het plafond van 10 % van de omzet is overschreden

Argumenten van partijen

70 Zwicky merkt op dat zij haar handelsactiviteiten op het gebied van industrieel garen in november 2000 heeft stopgezet, en verwijt de Commissie om te beginnen dat zij haar berekening van de bovengrens van 10 % van de omzet heeft gebaseerd op Gütermanns omzet. Deze laatste onderneming heeft immers slechts een deel van haar activiteiten overgenomen en is niet aan haar controle onderworpen. Enkel de omzet van Zwicky is dus bepalend. Aangezien Zwicky sinds 2001 geen omzet meer behaalt, kan haar geen geldboete op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd. Deze verordening betreft immers de totale omzet van het boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van de beschikking. Door de koppeling van de geldboete aan dit laatste cijfer kan rekening worden gehouden met het belang en de invloed van de onderneming op de markt. De actuele omzet van de ondernemingen is dus bepalend. Een onderneming die geen omzet meer behaalt, heeft geen invloed op de markt en kan bijgevolg geen geldboete krijgen.

71 Voorts merkt Zwicky op dat het door de Commissie aangehaalde arrest van het Gerecht van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (T‑33/02, Jurispr. blz. II‑4973), aldus dient te worden uitgelegd dat een andere omzet dan die van het volledige boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van de beschikking in aanmerking kan worden genomen wanneer de betrokken onderneming haar handelsactiviteiten heeft stopgezet of haar omzet verborgen heeft gehouden om een zware geldboete te voorkomen. Dat is in casu niet het geval. Zwicky stelt dienaangaande dat haar activiteiten één jaar vóór de verificaties door de Commissie zijn verkocht, nadat haar concurrentiepositie was verslechterd.

72 Verder beklemtoont Zwicky dat Gütermann in casu haar handelsactiviteit heeft overgenomen in het kader van een aankoop van activa (asset deal) en dat de inkomsten die verband houden met de aldus overgenomen activiteit dus hadden moeten overgaan op Gütermann en haar omzet hadden moeten verhogen die voor de toepassing van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 in aanmerking dient te worden genomen. Bovendien vormt de verkoop van haar activiteiten aan Gütermann geen louter bedrijfsinterne reorganisatie.

73 Ten slotte valt het feit dat verzoeksters in antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar één enkel document hebben toegezonden, hierdoor te verklaren dat de activiteiten op het gebied van industrieel garen zijn overgenomen door Gütermann en dat de voorzitter van de raad van bestuur van Zwicky ten gevolge van deze transactie is benoemd tot lid van de raad van bestuur van Gütermann. Dat doet evenwel niets af aan het feit dat Zwicky onafhankelijk is van Gütermann en dat laatstgenoemde geen aandeelhouder van eerstgenoemde is geworden.

74 De Commissie merkt op dat dit middel niet ter zake dienend is. Ook al zou het argument van Zwicky juist zijn, heeft zij immers bij de vaststelling van het maximumbedrag van de geldboete rekening gehouden met de omzet van het voorafgaande boekjaar, wat zij reeds in andere zaken heeft gedaan. Zij stelt vast dat de totale omzet van Zwicky voor het jaar 1999 4,5 miljoen EUR bedroeg en dat de geldboete van 0,174 miljoen EUR het plafond van 10 % van deze omzet geenszins overschrijdt.

75 Subsidiair stelt de Commissie om te beginnen dat ook al heeft Gütermann in november 2000 de activiteiten van Zwicky overgenomen die onder de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen vielen, zij rekening heeft gehouden met het feit dat Zwicky gedurende 10 jaar bij de bestrafte inbreuk betrokken was, en heeft geoordeeld dat het feit dat Zwicky na de verkoop van haar handelsactiviteiten juridisch als een „lege schelp” is blijven bestaan, een manoeuvre vormde met als specifiek doel te ontsnappen aan sancties wegens schending van de mededingingsregels. Zij merkt verder op dat Zwicky niet de rechtspraak heeft betwist volgens welke voor de inbreuk in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk moet worden gehouden die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd. Zij voegt hieraan toe dat, aangezien de voorzitter van de raad van bestuur van Zwicky deel uitmaakte van het bestuur van Gütermann en aldus beschikte over nauwkeurige kennis over de deelneming van de twee ondernemingen aan de mededingingsregeling, gemakkelijk te begrijpen valt waarom is besloten om Zwicky voort te laten bestaan.

76 Verder is de Commissie van mening dat Zwicky’s interpretatie van artikel 23, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1/2003 onverenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien zij inhoudt dat de ondernemingen via zuiver interne reorganisaties aan hun aansprakelijkheid kunnen ontsnappen. Het Gerecht heeft in het hierboven in punt 71 aangehaalde arrest Britannia Alloys & Chemicals/Commissie dezelfde redenering gevolgd.

77 Ten slotte stelt de Commissie dat de nauwe banden tussen Zwicky en Gütermann blijken uit het feit dat zij een gemeenschappelijk antwoord hebben geformuleerd op de mededeling van de punten van bezwaar en door dezelfde advocaten voor het Gerecht worden verdedigd.

Beoordeling door het Gerecht

78 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 kan de Commissie ondernemingen geldboeten opleggen die niet hoger zijn dan 10 % van hun omzet die is behaald in het boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van de beschikking. Dit plafond van 10 % heeft tot doel te voorkomen dat de geldboeten onevenredig zijn aan de omvang van de onderneming en met name dat geldboeten worden opgelegd waarvan kan worden voorzien dat de ondernemingen ze niet zullen kunnen betalen. Aangezien deze omvang enkel daadwerkelijk bij benadering kan blijken uit de totale omzet, moet dit percentage worden opgevat als een percentage van de totale omzet (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, punt 119).

79 Voorts dient te worden beklemtoond dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 tot doel hebben de Commissie de bevoegdheid te verlenen om geldboeten op te leggen teneinde haar in staat te stellen de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak uit te oefenen (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 78, punt 105, en arrest Gerecht van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597, punt 105). Deze taak omvat de verplichting om individuele inbreuken te onderzoeken en te bestraffen, alsook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop gericht is, op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen. Hieruit volgt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de geldboeten afschrikkende werking hebben (arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, reeds aangehaald, punten 105 en 106).

80 Verder heeft het „voorafgaande boekjaar” in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 in beginsel betrekking op het laatste volledige boekjaar van elk van de betrokken ondernemingen voorafgaand aan de vaststelling van de beschikking (arrest Hof van 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 32).

81 Aangezien de bestreden beschikking in casu dateert van 14 september 2005, liep het voorafgaande boekjaar van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005. Zwicky heeft evenwel in november 2000 haar activiteiten op het gebied van industrieel garen aan Gütermann overgedragen. Bijgevolg is de Commissie ervan uitgegaan dat zij ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking voor Zwicky niet beschikte over een omzetcijfer dat betrekking had op een economische activiteit die zij in het voorafgaande boekjaar had uitgeoefend. Bovendien is zij er in punt 383 van de bestreden beschikking van uitgegaan dat tussen Gütermann en Zwicky een moeder-dochterrelatie bestond nadat laatstgenoemde haar activiteiten op het gebied van industrieel garen aan eerstgenoemde had overgedragen, en heeft zij bijgevolg gemeend dat zij zich voor de toepassing van het plafond van 10 % kon steunen op de omzet van Gütermann.

82 De grieven van Zwicky omvatten twee onderdelen die dienen te worden onderscheiden: het feit dat de Commissie ervoor heeft geopteerd de omzet van Gütermann in aanmerking te nemen en het feit dat zij niet haar omzet voor het op 30 juni 2005 afgesloten boekjaar in aanmerking heeft genomen, ook al ging het om een nulomzet.

83 Wat het eerste onderdeel van de door Zwicky aangevoerde grieven betreft, dient te worden erkend dat de Commissie ter bepaling van het plafond van 10 % van de omzet dat niet mag worden overschreden bij de berekening van de op te leggen geldboete ten onrechte is uitgegaan van de omzet van Gütermann.

84 Gütermann heeft immers in november 2000 slechts de activiteiten van Zwicky op het gebied van industrieel garen overgenomen. Ter terechtzitting heeft Zwicky uitgelegd dat deze activiteiten op twee manieren zijn overgedragen: door de sluiting van een overeenkomst betreffende de overdracht van activa, zoals magazijnen en machines, in Zwitserland en door de verkoop van aandelen in Duitsland.

85 De Commissie heeft evenwel ter terechtzitting toegegeven dat Gütermann Zwicky geenszins geheel had overgenomen en dus niet de eigenaar van deze laatste was geworden. De overdracht van de activiteiten op het gebied van industrieel garen heeft dus geen invloed gehad op de juridische en economische onafhankelijkheid van Zwicky.

86 Het argument dat de voorzitter van de raad van bestuur van Zwicky lid van het bestuur van Gütermann is geworden, dat deze twee ondernemingen dezelfde advocaat raadplegen en een gemeenschappelijk antwoord hebben geformuleerd op de mededeling van de punten van bezwaar, kan in casu op zich niet het standpunt van de Commissie rechtvaardigen dat tussen beide ondernemingen een moeder-dochterrelatie bestaat.

87 Bovendien heeft de Commissie niet aangetoond in welke zin zij is misleid door de gegevens die Zwicky naar aanleiding van haar verzoek om inlichtingen betreffende de overdracht van haar activiteiten en haar banden met Gütermann heeft verstrekt.

88 Hieruit volgt dat de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt door uit te gaan van de omzet van Gütermann. De gevolgen hiervan zullen hierna in de punten 104 en volgende worden bepaald.

89 Wat het tweede onderdeel van de door Zwicky aangevoerde grieven betreft, namelijk dat geen rekening is gehouden met het feit dat zij in het jaar dat voorafging aan de vaststelling van de bestreden beschikking geen omzet uit economische activiteiten heeft behaald, dient te worden onderzocht hoe de Commissie het begrip „voorafgaand boekjaar” dient te omschrijven in gevallen waarin de economische situatie van de betrokken onderneming ingrijpend is gewijzigd tussen het einde van de periode waarin de inbreuk is gepleegd en de datum waarop de boetebeschikking van de Commissie is vastgesteld.

90 Wat het begrip „voorafgaand boekjaar” betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, nastreeft (arresten Hof van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, Jurispr. blz. I‑4983, punt 41; 1 maart 2007, Jan De Nul, C‑391/05, Jurispr. blz. I‑1793, punt 20, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 80, punt 21).

91 Zoals hierboven in punt 79 in herinnering is gebracht, hebben artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 tot doel, de Commissie de bevoegdheid te verlenen om geldboeten op te leggen teneinde de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen. Daartoe behoort met name de taak om ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan alsook herhaling daarvan te voorkomen (arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 173).

92 Bovendien moet de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 rekening houden met de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuk.

93 Gelet op deze gegevens heeft het in artikel 15, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 bedoelde omzetplafond tot doel te voorkomen dat de door de Commissie opgelegde geldboeten onevenredig zijn aan de grootte van de betrokken onderneming (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 78, punt 119).

94 Blijkens het voorgaande moet de Commissie ter bepaling van het begrip „voorafgaand boekjaar” in elk concreet geval, rekening houdend met de context en de doelstellingen van de bij verordening nr. 17 en verordening nr. 1/2003 ingestelde sanctieregeling, beoordelen wat de gezochte weerslag op de betrokken onderneming is, met name door rekening te houden met een omzet die de werkelijke economische situatie van deze onderneming in de periode waarin de inbreuk is begaan, weergeeft (zie arrest van 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 80, punt 25).

95 Uit de doelstellingen van het systeem waarvan artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 deel uitmaken en de hierboven in punt 80 aangehaalde rechtspraak vloeit evenwel voort dat de toepassing van het plafond van 10 % veronderstelt dat de Commissie beschikt over de omzet voor het laatste boekjaar dat voorafgaat aan de datum waarop de beschikking wordt vastgesteld, alsmede dat deze gegevens op een volledig boekjaar van normale economische activiteit gedurende een periode van twaalf maanden betrekking hebben (zie arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 38).

96 Indien bijvoorbeeld het boekjaar is geëindigd vóór de vaststelling van de beschikking, maar de jaarrekening van de betrokken onderneming nog niet is opgesteld of nog niet aan de Commissie is meegedeeld, heeft de Commissie dus het recht, en zelfs de verplichting, voor de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 uit te gaan van de in een vroeger boekjaar behaalde omzet. Evenzo mag de Commissie, indien een onderneming wegens een reorganisatie of een wijziging van de boekhouding voor het voorafgaande boekjaar een rekening heeft overgelegd die een periode van minder dan twaalf maanden bestrijkt, voor de toepassing van deze bepalingen uitgaan van de in een vroeger volledig boekjaar behaalde omzet (zie arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 39). Hetzelfde geldt wanneer een onderneming geen economische activiteit heeft uitgeoefend in het voorafgaande boekjaar en de Commissie dus niet beschikt over een omzetcijfer dat betrekking heeft op een economische activiteit die deze onderneming in dat boekjaar heeft uitgeoefend. De omzet in deze periode geeft immers, anders dan de rechtspraak vereist, geen enkele aanduiding van de omvang van deze onderneming, zodat hij niet als basis kan dienen voor de bepaling van het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde plafond (zie arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 42).

97 Voorts kan de omzet van een onderneming blijkens het hierboven in punt 71 aangehaalde arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (punt 49), dat van overeenkomstige toepassing is op de onderhavige zaak, zelfs bij een normale uitoefening van economische activiteiten aanzienlijk, zo niet substantieel, dalen in vergelijking met vroegere jaren, dit om diverse redenen, zoals moeilijke economische omstandigheden, een crisis in de betrokken sector, een ongeval of een staking. Zodra een onderneming werkelijk een omzet heeft behaald in een volledig boekjaar waarin zij – zij het verminderde – economische activiteiten heeft uitgeoefend, moet de Commissie evenwel bij de vaststelling van het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond rekening houden met deze omzet. Bijgevolg is het Gerecht van oordeel dat de Commissie, althans in situaties waarin er geen enkele aanwijzing is dat een onderneming haar commerciële activiteiten heeft gestaakt of haar omzet verborgen heeft gehouden om een zware geldboete te voorkomen, verplicht is om de bovengrens van de geldboete vast te stellen op basis van het laatst beschikbare omzetcijfer dat op een volledig jaar van economische activiteit betrekking heeft (arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 71, punt 49).

98 Volgens Zwicky heeft de Commissie geenszins aangetoond dat zij haar omzet verborgen heeft gehouden en heeft zij dus ten onrechte de uitzondering toegepast op het beginsel dat de omzet van het laatste boekjaar in aanmerking dient te worden genomen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft gepreciseerd, verwijt zij Zwicky evenwel niet dat zij zich onrechtmatig heeft gedragen om een zware geldboete te voorkomen, maar stelt zij enkel vast dat zij in werkelijkheid haar activiteit heeft gestaakt en dus een „lege schelp” vormt.

99 In haar schrifturen heeft Zwicky vermeld dat zij zich sinds 2001 enkel nog bezighoudt met het beheer van vastgoed en beklemtoond dat zij sindsdien geen omzet meer heeft behaald. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat zij evenmin omzet heeft behaald in het volledige boekjaar dat aan de bestreden beschikking voorafgaat en dat zich uitstrekt over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005. Op de ter terechtzitting gestelde vraag welke de precieze aard van haar activiteiten is, heeft Zwicky herhaald dat zij zich bezighoudt met het beheer van het vastgoed waarvan zij eigenaar is gebleven. Zij heeft gepreciseerd dat haar vastgoedbezittingen gebouwen omvatten die vroeger werden gebruikt voor haar activiteiten op het gebied van industrieel garen en thans, sinds de overdracht van deze activiteit aan Gütermann, leegstaan, alsook woningen, die worden verhuurd aan ex-werknemers. Zij heeft gesteld dat deze woningen kunnen worden verhuurd en dat daartoe investeringen zullen worden verricht. Zij heeft tevens verwezen naar een ontwikkelingsproject dat samen met de lokale autoriteiten is uitgewerkt. Ten slotte heeft zij erkend dat zij sinds de stopzetting van haar activiteiten op de markt voor industrieel garen geen enkele werknemer meer heeft.

100 Vaststaat weliswaar dat Zwicky na de overdracht van haar activiteiten aan Gütermann juridisch is blijven bestaan, maar er zijn sterke aanwijzingen – zoals een nulomzet gedurende meerdere jaren, het ontbreken van werknemers of van concrete bewijzen dat haar vastgoed wordt geëxploiteerd of dat daartoe investeringsprojecten zijn opgestart – die het vermoeden staven dat Zwicky met name tussen 1 juli 2004 en 30 juni 2005 geen normale economische activiteit in de zin van de aangehaalde rechtspraak heeft voortgezet.

101 De antwoorden die Zwicky schriftelijk en mondeling heeft verstrekt, blijven vaag. Op basis hiervan heeft het Gerecht dus niet het bestaan van een „normale economische activiteit” kunnen vaststellen. Bovendien heeft Zwicky ingestemd met de inhoud van een uittreksel uit een document waarin haar economische situatie wordt samengevat en dat door de Commissie ter terechtzitting is voorgelezen. Daaruit blijkt dat zij geen omzet en geen winst heeft behaald en niet over werknemers beschikt. Zij betwist niet dat dit met name het geval was in de periode na de overdracht van haar activiteiten op het gebied van industrieel garen aan Gütermann tot 30 juni 2005.

102 Anders dan Zwicky ter terechtzitting heeft betoogd, vormt het loutere feit dat een raad van bestuur en een beheerder zich bezighouden met een ontwikkelingsproject van de onderneming, waarvan overigens niet is aangetoond dat het in werkelijkheid iets voorstelt, op zich geen doorslaggevend bewijs dat deze onderneming een normale economische activiteit ontplooit zoals deze door het Gerecht in zijn hierboven in punt 71 aangehaalde arrest van 29 november 2005, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, is opgevat.

103 Hieruit volgt dat de Commissie de totale omzet van Zwicky, behaald in een boekjaar vóór het op 30 juni 2005 afgesloten boekjaar, in aanmerking diende te nemen.

104 Wat de gevolgen van de beoordelingsfout van de Commissie betreft, die erin bestaat dat zij is uitgegaan van de totale omzet van Gütermann, dient te worden nagegaan of deze een verlaging, of zelfs de intrekking, van de aan Zwicky opgelegde geldboete door de gemeenschapsrechter rechtvaardigt.

105 Met betrekking tot beroepen tegen beschikkingen waarbij de Commissie aan ondernemingen geldboeten oplegt wegens schending van de mededingingsregels, heeft het Gerecht een dubbele bevoegdheid. Ten eerste moet het krachtens artikel 230 EG deze beschikkingen op hun wettigheid toetsen (arrest Hof van 16 november 2000, SCA Holding/Commissie, C‑297/98 P, Jurispr. blz. I‑10101, punten 53 en 54).

106 Ten tweede is het Gerecht in het kader van de hem bij artikel 229 EG, artikel 17 van verordening nr. 17 en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 verleende volledige rechtsmacht bevoegd om te beoordelen of passende geldboeten zijn opgelegd. Deze beoordeling kan een grond zijn om aanvullende gegevens over te leggen en in aanmerking te nemen, die als zodanig niet in de beschikking hoeven te worden vermeld op grond van de motiveringsplicht van artikel 253 EG (arrest SCA Holding/Commissie, aangehaald in punt 105, punt 55).

107 In casu is het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht van oordeel dat niet dient te worden uitgegaan van de omzet van Gütermann, maar van die van Zwicky.

108 Om de hierboven uiteengezette redenen en in het licht van het arrest Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (aangehaald in de punten 71 en 80), is de laatste omzet van Zwicky uit haar werkelijke economische activiteiten waar de Commissie van had moeten uitgaan, die van het boekjaar dat liep van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000. Blijkens punt 76 van de bestreden beschikking bedroeg deze omzet 4,5 miljoen EUR. De door de Commissie aan Zwicky opgelegde geldboete bedraagt 205 000 EUR en is dus niet hoger dat 10 % van deze omzet.

109 Zwicky heeft ter terechtzitting gesteld dat de subsidiaire oplossing die erin bestaat dat wordt uitgegaan van haar omzet voor het boekjaar dat is afgesloten op 30 juni 2000, ontoelaatbaar is omdat deze erop neer zou komen dat haar omzet tweemaal in aanmerking wordt genomen. De activiteiten van Zwicky op het gebied van industrieel garen zijn immers door Gütermann overgenomen, zodat de Commissie de omzet uit deze activiteiten reeds als onderdeel van de omzet van Gütermann in aanmerking heeft genomen. Volgens de Commissie is dit argument nieuw en dient het dus te worden verworpen.

110 Dit argument van Zwicky moet als ongegrond worden verworpen.

111 Het argument van Zwicky houdt immers in dat de subsidiaire oplossing erop neerkomt dat de omzet die reeds aan Gütermann is toegerekend, ook aan Zwicky wordt toegerekend. Naar het oordeel van het Gerecht is de enige vraag in casu welke de relevante omzet is die in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van het plafond van 10 % dat de aan Zwicky opgelegde geldboete niet mag overschrijden. Zoals hierboven is aangetoond, komt enkel de omzet van 4,5 miljoen EUR die Zwicky in het boekjaar van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000 heeft behaald, hiervoor in aanmerking.

112 Zelfs aangenomen dat deze oplossing erop neerkomt dat de omzet van Zwicky in deze fase van de berekening van de geldboete van Gütermann en Zwicky tweemaal wordt toegerekend, moet ervan worden uitgegaan dat deze onwettigheid in het nadeel heeft gespeeld van Gütermann. Het argument van Zwicky zou dus in werkelijkheid neerkomen op een verzoek aan het Gerecht om het bedrag van de aan Gütermann opgelegde geldboete op zijn wettigheid te toetsen. Zwicky is daar evenwel niet toe gerechtigd. Wanneer een adressaat van een beschikking een beroep tot nietigverklaring instelt, kan de gemeenschapsrechter immers enkel oordelen over de onderdelen van de beschikking die deze adressaat betreffen. De onderdelen die betrekking hebben op andere adressaten en die niet worden betwist, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de gemeenschapsrechter te beslechten geschil (arrest Hof van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C-310/97 P, Jurispr. blz. I-5363, punt 53).

113 In het licht van deze overwegingen dient het middel van Zwicky inzake schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 te worden verworpen.

Door Gütermann en Zwicky aangevoerd middel inzake onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk vanuit het oogpunt van de gevolgen ervan

Argumenten van partijen

114 In de eerste plaats stellen verzoeksters dat volgens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) en een constante beschikkingspraktijk de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk uitdrukkelijk afhangt van de concrete weerslag ervan op de markt. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat de Commissie deze weerslag in aanmerking neemt bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Verzoeksters preciseren dat zij met deze grief niet de inbreuk als zodanig betwisten, maar wel de indeling ervan in de categorie van de zeer zware inbreuken.

115 In de tweede plaats onderzoeken verzoeksters de concrete weerslag van de inbreuk op de markt en concluderen zij dat deze onbestaande is. De Commissie kon zich dan ook niet hierop beroepen om de inbreuk als zeer zwaar te kwalificeren. Verzoeksters erkennen weliswaar dat de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde verhogingen van de in de lijsten opgenomen prijzen in de meeste gevallen door de verschillende ondernemingen zijn doorgevoerd, maar deze verhogingen hebben volgens hen niet geleid tot een verhoging van de reële nettoprijzen. Op basis van de overwegingen van de Commissie in punt 4.1.4 van de bestreden beschikking kan niet worden geconcludeerd dat er een dergelijke weerslag is geweest. Het feit dat de ondernemingen gedurende elf jaar zijn bijeengekomen, kan op zich niet de conclusie wettigen dat de prijsverhogingen invloed hebben gehad op de nettoprijzen. Verzoeksters hebben immers huns inziens aangetoond dat de bijeenkomsten voornamelijk de wettige uitwisseling van informatie tot doel hadden. Volgens hen erkent de Commissie zelf dat zij niet over bewijzen beschikt dat er een concrete weerslag is geweest.

116 Gelet op de bijzondere kenmerken van de prijsbepaling in de sector van industrieel garen – de prijzen op de lijsten worden bijna nooit aan de klanten gefactureerd – kan in casu uit het feit dat de overeenkomst is uitgevoerd geenszins worden afgeleid dat er een concrete weerslag is geweest op de markt. Integendeel, de reële gemiddelde nettoprijzen op de markt zijn niet geëvolueerd en zijn zelfs gedaald.

117 In de derde plaats betogen verzoeksters dat de inbreuk geen concrete weerslag heeft gehad op hun reële gemiddelde prijzen, dat de inbreuk individueel beschouwd niet als zeer zwaar had mogen worden gekwalificeerd en dat de Commissie deze omstandigheid in hun voordeel had moeten laten spelen.

118 Gelet op het aanzienlijke verschil in omvang tussen de betrokken ondernemingen en de geringe omzet die zij op de betrokken markt hebben behaald, had de Commissie volgens verzoeksters overeenkomstig punt 1A van de richtsnoeren de omstandigheid dat de inbreuk geen reële weerslag heeft gehad op hun nettoprijzen, als een element à décharge in aanmerking moeten nemen.

119 Zij verwijten de Commissie dat zij het relatieve gewicht van de ondernemingen op de markt enkel heeft vergeleken op basis van hun omzet en aldus slechts rekening heeft gehouden met het theoretische economische vermogen van de verschillende ondernemingen om de mededinging te beïnvloeden en niet met de concrete weerslag van het gedrag van de verschillende ondernemingen op de nettoprijzen.

120 In de vierde plaats heeft de Commissie Zwicky ten onrechte verweten dat zij heeft deelgenomen aan de inbreuken op de markt voor industrieel garen in de Noordse landen, aangezien zij nooit activiteiten op de markt voor industrieel garen in deze landen heeft uitgeoefend.

121 Volgens de Commissie dient dit middel te worden verworpen.

Beoordeling door het Gerecht

122 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat de richtsnoeren in punt 1 A, eerste en tweede alinea, het volgende bepalen met betrekking tot de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als zodanig:

„Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk dient rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt.

Aldus worden de inbreuken in drie grote categorieën ingedeeld: niet te ernstige, zware en zeer zware inbreuken.”

123 In de bestreden beschikking heeft de Commissie gewezen op de volgende drie punten:

– de betrokken inbreuk bestond voornamelijk in de uitwisseling van gevoelige informatie over de prijslijsten en/of de prijzen per klant, in de sluiting van overeenkomsten over prijsverhogingen en/of richtprijzen alsook in de afspraak om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen; dergelijke praktijken vormen naar hun aard zelf het zwaarste soort inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER-Overeenkomst (bestreden beschikking, punt 345);

– de kartelafspraken zijn nagekomen en hebben een weerslag gehad op de EER-markt voor het betrokken product, maar deze weerslag kan niet nauwkeurig worden gemeten (bestreden beschikking, punt 351);

– het kartel strekt zich uit over het grondgebied van verschillende partijen bij de EER-Overeenkomst, namelijk de Benelux en de Noordse landen (bestreden beschikking, punt 352).

124 De conclusie van de Commissie luidt als volgt (bestreden beschikking, punt 353):

„Gelet op al deze factoren is de Commissie van mening dat de in de [bestreden beschikking] bedoelde ondernemingen een zeer zware inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst hebben gepleegd.”

125 Verzoeksters betwisten dat het gaat om een zeer zware inbreuk. Zij stellen dat de Commissie heeft geconcludeerd dat er een concrete weerslag is geweest op de markt, zonder dit evenwel te kunnen aantonen, en dat er geen weerslag is geweest op de nettoprijzen of althans geen concrete weerslag op de reële gemiddelde prijzen.

126 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie bij de beoordeling van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt moet uitgaan van de mededinging zoals die normalerwijze zonder inbreuk zou hebben bestaan (arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 165; zie in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, Mayr-Melnhof/Commissie, T‑347/94, Jurispr. blz. II‑1751, punt 235, en Thyssen Stahl/Commissie, aangehaald in punt 67, punt 645).

127 In casu dient te worden opgemerkt dat verzoeksters niet betwisten dat de mededingingsregeling is uitgevoerd. Integendeel, volgens punt 40 van het verzoekschrift van Gütermann en punt 46 van het verzoekschrift van Zwicky hebben zij „zowel in het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar als bij de voorstelling van de feiten [in deze verzoekschriften]” uitdrukkelijk erkend dat „de tijdens de bijeenkomsten vastgestelde verhogingen van de in de lijsten opgenomen prijzen, in de meeste gevallen door de verschillende ondernemingen zijn doorgevoerd”.

128 De Commissie mag met name in het geval van een prijskartel concluderen dat de inbreuk gevolgen heeft gehad, wanneer de kartelleden maatregelen hebben getroffen om de overeengekomen prijzen toe te passen, bijvoorbeeld door de catalogusprijzen die als basis voor de berekening van de reële prijzen dienen, te verhogen, door geen kortingen meer toe te staan, door speciale prijzen te verhogen en via klachten druk uit te oefenen op de onderneming die zich niet houdt aan de afspraak om de prijzen van de gevestigde leverancier niet te onderbieden. Om een weerslag op de markt te kunnen vaststellen, volstaat het namelijk dat de overeengekomen prijzen als uitgangspunt hebben gediend voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen en aldus de onderhandelingsmarge van de klanten hebben beperkt (arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 126, punt 166; zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, aangehaald in punt 61, punten 743‑745).

129 Daarentegen kan, wanneer de uitvoering van een kartel is vastgesteld, van de Commissie niet worden verlangd dat zij stelselmatig aantoont dat de afspraken de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in staat hebben gesteld een hogere transactieprijs te bereiken dan zonder het kartel het geval zou zijn geweest (arrest Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 61, punt 348; zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, aangehaald in punt 61, punten 743‑745). Het zou buitensporig zijn een dergelijk bewijs –waarmee aanzienlijke middelen gemoeid zouden zijn – te verlangen, aangezien daarvoor hypothetische berekeningen moeten worden gemaakt op grond van economische modellen waarvan de juistheid door de rechter slechts moeilijk is na te gaan en waarvan de onfeilbaarheid geenszins is bewezen (arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 126, punt 167).

130 Voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk is namelijk beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen gebeurde, kon worden beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden. De leden van het kartel kunnen externe factoren die hun inspanningen hebben tegengewerkt, niet in hun voordeel aanvoeren als elementen die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen (arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 126, punt 168).

131 Voorts heeft de Commissie in punt 4.1.4 van de bestreden beschikking een reeks concrete en geloofwaardige aanwijzingen verstrekt waaruit blijkt dat de mededingingsregeling een concrete weerslag op de markt heeft gehad. In dit verband dient om te beginnen te worden ingestemd met de vaststelling van de Commissie in punt 164 van de bestreden beschikking dat de verhogingen van de catalogusprijzen, die overigens door Gütermann zelf worden bevestigd, zich hebben vertaald in een stijging van de nettopijzen voor bepaalde kleine klanten, waarvan de onderhandelingspositie doorgaans zwakker is. Voorts dient te worden ingestemd met de vaststelling van de Commissie in punt 165 van de bestreden beschikking dat de verhogingen van de catalogusprijzen ook een invloed hebben kunnen uitoefenen op het niveau van de voor de grote klanten gehanteerde reële prijzen doordat deze catalogusprijzen hebben gediend als uitgangspunt bij de onderhandelingen met deze klanten. Ten slotte bevestigt de vaststelling van de Commissie dat bepaalde ondernemingen daadwerkelijk een verhoging van de speciale prijzen hebben doorgevoerd en geen kortingen meer hebben toegepast, dat de inbreuk een concrete weerslag heeft gehad op de betrokken markt.

132 Gelet op deze overwegingen en op het feit dat het kartel meer dan elf jaar heeft bestaan, mocht de Commissie concluderen dat dit een concrete weerslag op de markt heeft gehad.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in