Gerecht EU 17 december 2009, T-57/01, ECLI:EU:T:2009:519
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
17 december 2009 ( *1 )
„Mededinging — Misbruik van machtspositie — Natriumcarbonaatmarkt van Gemeenschap (uitgezonderd Verenigd Koninkrijk en Ierland) — Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 82 EG — Afnameovereenkomsten voor buitensporig lange periode — Getrouwheidskorting — Verjaring van bevoegdheid van Commissie om geldboeten of sancties op te leggen — Redelijke termijn — Wezenlijke vormvoorschriften — Relevante geografische markt — Bestaan van machtspositie — Misbruik van machtspositie — Recht van toegang tot dossier — Geldboete — Zwaarte en duur van inbreuk — Verzwarende omstandigheden — Recidive — Verzachtende omstandigheden”
In zaak T-57/01,
Solvay SA, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Simont, P.-A. Foriers, G. Block, F. Louis en A. Vallery, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Oliver en J. Currall als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis, advocaat,
verweerster,
betreffende, primair, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/6/EG van de Commissie van 13 december 2000 in een procedure op grond van artikel 82 [EG] (IV/33.133-C: Natriumcarbonaat — Solvay) (PB 2003, L 10, blz. 10) en, subsidiair, een verzoek tot intrekking of verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij, kamerpresident, V. Vadapalas (rapporteur) en A. Dittrich, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 juni 2008,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Verzoekster, Solvay SA, is een vennootschap naar Belgisch recht die actief is in de farmaceutische, de chemische, de kunststoffen- en de verwerkende industrie. Zij produceert onder meer natriumcarbonaat.
2 Natriumcarbonaat komt in de natuur voor in de vorm van trona-erts (natuurlijk natriumcarbonaat); het kan ook worden verkregen door een chemisch proces (synthetisch natriumcarbonaat). Natuurlijk natriumcarbonaat wordt verkregen door het trona-erts te vermalen, te zuiveren en te calcineren. Synthetisch natriumcarbonaat wordt van gewoon zout en kalksteen vervaardigd middels het „ammoniak-natrium”proces, dat in 1863 is uitgevonden door de gebroeders Solvay.
3 Op 7 februari 1978 sloot verzoekster met drie Belgische glasproducenten, haar drie belangrijkste traditionele klanten in België, voor een periode van vijf jaar exclusieveafnameovereenkomsten, die prijsafspraken bevatten.
4 Deze overeenkomsten leidden ertoe dat een Amerikaanse producent van natriumcarbonaat bij de Belgische rechter een gerechtelijke procedure instelde. Bij arrest van 20 oktober 1989 heeft het Hof van Beroep te Luik, oordelend na verwijzing door het Hof van Cassatie, de vordering van deze Amerikaanse producent verworpen.
5 Tegelijkertijd leidde de Commissie van de Europese Gemeenschappen een procedure krachtens artikel 81 EG in. Bij brief van 21 oktober 1980 deelde zij verzoekster mee welke onderdelen van de overeenkomsten zij in het licht van het communautaire mededingingsrecht discutabel achtte. Zij stelde met name dat zij geen exclusieveafnameovereenkomsten of afnameovereenkomsten met betrekking tot een percentage van de totale behoefte kon aanvaarden, maar dat zij „hoeveelheids”overeenkomsten toestond, voor zover deze de klant vrijlaten om een niet onaanzienlijk deel van zijn behoefte bij andere producenten te betrekken. De Commissie stelde de duur van de afnameovereenkomsten vast op maximaal twee jaar, en hield haar beoordeling van het concurrentiebeding aan.
6 Op 16 december 1980 deed verzoekster de Commissie een aan haar nationale directies gerichte conceptbrief toekomen, die inhield dat zij volgens bepaalde richtlijnen, die met inaanmerkingneming van de door de Commissie gemaakte opmerkingen waren uitgewerkt, „hoeveelheids”overeenkomsten dienden af te sluiten.
7 Bij brief van 2 februari 1981 deelde de Commissie verzoekster mee dat de richtlijnen in de conceptbrief van 16 december 1980 in overeenstemming waren met haar verzoeken om de afnameovereenkomsten van natriumcarbonaat aan te passen. Zij maakte echter een voorbehoud betreffende het concurrentiebeding, de zogenaamde „Engelse clausule”, en verzocht om de met de drie Belgische glasproducenten gesloten overeenkomsten aan te passen.
8 Verzoekster paste de conceptbrief overeenkomstig de aanmerkingen van de Commissie met betrekking tot het concurrentiebeding aan en zond haar verschillende nationale directies op 19 februari 1981 een brief met het verzoek om hun hoeveelheidsovereenkomsten met de glasindustrie ten gevolge van de opmerkingen van de Commissie aan te passen. Bij brief van 29 oktober 1981 lichtte verzoekster de Commissie in over de voortgang van de onderhandelingen met de glasindustrie, teneinde de bestaande overeenkomsten met de eisen van het communautaire mededingingsrecht in overeenstemming te brengen.
9 Daarop besliste de Commissie om de krachtens artikel 81 EG ingeleide procedure te beëindigen. Op 5 februari 1982 publiceerde zij tevens een persbericht waarin zij stelde dat verzoekster haar afnameovereenkomsten in de natriumcarbonaatsector had aangepast om ze met het communautaire mededingingsrecht verenigbaar te maken.
10 Ten tijde van de feiten van het onderhavige geding was verzoekster in de natriumcarbonaatsector aanwezig met verkoopkantoren in negen landen, namelijk in België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zwitserland. Zij bezat eveneens productie-eenheden in België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Portugal en Spanje.
11 In 1987 bedroeg de totale productiecapaciteit van verzoekster ongeveer 4 miljoen ton en haar productie in Europa ongeveer 3,7 miljoen ton.
12 In een op 2 november 1988 verzonden telefax, die niet is gedateerd of ondertekend, maar die het briefhoofd van verzoekster draagt en die aan de Commissie is geadresseerd, wordt gesteld dat in 1988 de mondiale productiecapaciteit van natriumcarbonaat om en nabij de 37 miljoen ton bedroeg en het mondiale verbruik van natriumcarbonaat om en nabij de 31 miljoen ton.
13 In 1988 had verzoekster met name 82% van de Belgische markt, 52,5% van de Duitse markt, 54,9% van de Franse markt, 95% van de Italiaanse markt, 14,7% van de Nederlandse markt, 96,9% van de Oostenrijkse markt, 100% van de Portugese markt, 99,6% van de Spaanse markt en 76,1% van de Zwitserse markt in handen.
14 De consumptie van natriumcarbonaat in de Gemeenschap bedroeg in 1989 ongeveer 5,5 miljoen ton, met een marktwaarde van ongeveer 900 miljoen ecu.
15 In de jaren 1987 tot en met 1989 waren de communautaire producenten, behalve verzoekster, Imperial Chemical Industries (hierna: „ICI”), Rhône-Poulenc, AKZO, Matthes & Weber, en Chemische Fabrik Kalk (hierna: „CFK”), een dochteronderneming van Kali & Salz, behorende tot de BASF-groep.
16 Verzoeksters klanten waren ondernemingen uit de glas-, de chemische en de metallurgische industrie. Ten tijde van de litigieuze feiten was haar belangrijkste klant, niet alleen voor natriumcarbonaat, maar voor al haar activiteiten, Saint-Gobain SA en de andere ondernemingen van dezelfde groep (hierna: „Saint-Gobaingroep”). Die groep bezat dochterondernemingen in verschillende staten in West-Europa, die natriumcarbonaat betrokken van de nationale directies van verzoekster.
17 In 1988 vertegenwoordigde de invoer uit Oost-Europese landen, waarop bij binnenkomst in de Gemeenschap antidumpingrechten werden geheven, met name 2,1% van de Belgische markt, 8,1% van de Duitse markt, 1,4% van de Franse markt, 3% van de Italiaanse markt en 2% van de Oostenrijkse markt.
18 Ook op de invoer uit de Verenigde Staten werden antidumpingrechten geheven; sommige importen vielen evenwel onder de regeling „actieve veredeling”. De invoer van Amerikaans natriumcarbonaat vertegenwoordigde in 1988 2,4% van de Belgische markt, 0,9% van de Franse markt, 3% van de Nederlandse markt, maar dekte niet de Duitse markt.
19 Op 5 april 1989 stelde de Commissie een beschikking vast inzake een verificatie te verrichten bij AKZO, CFK, ICI, Matthes & Weber, Rhône-Poulenc en Solvay uit hoofde van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad (Zaak IV/33.133) (hierna: „verificatiebeschikking”), die met name de volgende overwegingen bevatte: „Volgens informatie waar de Commissie over beschikt, is de markt voor natriumcarbonaat in de [Gemeenschap] strikt verdeeld op grond van de landsgrenzen, waarbij iedere producent in beginsel zijn verkopen in de Gemeenschap beperkt tot zijn ‚thuismarkt’, dat wil zeggen de lidstaat of lidstaten waar hij productiefaciliteiten bezit; Zodoende is Solvay, die zeven fabrieken in de [Gemeenschap] heeft, de enige EEG-producent die leveringen verricht in de meerderheid van de lidstaten, terwijl zij helemaal geen leveranties verricht in het Verenigd Koninkrijk en Ierland, welke landen het gebied van ICI zijn; Van haar kant levert ICI ogenschijnlijk niet in de [Gemeenschap] buiten haar ‚thuismarkten’ in het Verenigd Koninkrijk en Ierland en de andere producenten schijnen dienovereenkomstig hun verkopen te beperken tot traditionele nationale markten; Volgens de informatie van de Commissie zijn er wezenlijk verschillende catalogusprijzen voor iedere lidstaat maar afnemers kopen alleen van de nationale producent aangezien andere leveranciers niet bereid zijn om te verkopen op de thuismarkt van een andere producent; In die lidstaten, waar er verscheidene leveranciers zijn, passen deze identieke catalogusprijzen toe en voeren vrijwel gelijktijdig een uniforme prijsverhoging door; Het is noodzakelijk om vast te stellen of de schijnbare rigiditeit in de […] markt [van de Gemeenschap] en de schijnbare afwezigheid van mededinging het gevolg [zijn] van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen de producenten die vallen onder artikel [81 EG]; Het is voorts noodzakelijk om vast te stellen of de afspraken, die mogelijk onder artikel [81 EG] vallen, zich uitstrekken tot lichte gecalcineerde soda, die eveneens wordt geproduceerd door de zes genoemde producenten; Overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de afscherming van nationale markten en/of prijsafspraken zouden ernstige inbreuken kunnen vormen op artikel [81 EG] en worden waarschijnlijk uitgevoerd onder uiterste geheimhouding; Teneinde de Commissie de gelegenheid te geven alle relevante feiten vast te stellen met betrekking tot de mogelijke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, dient een beschikking te worden gegeven waarbij de onderneming wordt gelast zich te onderwerpen aan een verificatie uit hoofde van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17; […]”
20 Na deze overwegingen bepaalt artikel 1 van de verificatiebeschikking dat verzoekster en haar Duitse en Spaanse dochterondernemingen worden „gelast zich te onderwerpen aan een verificatie met betrekking tot […] hun mogelijke deelname aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in strijd met artikel [81 EG] met betrekking tot de afscherming van nationale markten en heimelijke verstandhouding over prijzen voor natriumcarbonaat [en met betrekking tot] de uitvoering van exclusieve leveringsafspraken met afnemers die de concurrentie zouden kunnen beperken of uitsluiten en de rigiditeit van de natriumcarbonaatmarkt in de [Gemeenschap] versterken”.
21 Op basis van de verificatiebeschikking heeft de Commissie verificaties uitgevoerd bij verschillende producenten van natriumcarbonaat in de Gemeenschap. Zij heeft in de kantoren van de betrokken ondernemingen verschillende documenten in beslag genomen.
22 Op 21 juni 1989 zond de Commissie krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, een verzoek om inlichtingen aan verzoekster, en vervolgens, op 8 juli 1989, een verzoek om inlichtingen aan haar Duitse dochteronderneming; beide verzoeken hadden zowel betrekking op artikel 81 EG als op artikel 82 EG.
23 Op 19 februari 1990 besliste de Commissie om overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 ambtshalve een procedure tegen verzoekster, ICI en CFK in te leiden.
24 Op 13 maart 1990 zond de Commissie verzoekster, ICI en CFK een mededeling van punten van bezwaar. Elk van deze ondernemingen ontving uitsluitend het onderdeel of de onderdelen van de mededeling van punten van bezwaar met betrekking tot de haar regarderende inbreuken, waar de desbetreffende bewijzen à charge waren bijgevoegd.
25 De Commissie heeft voor alle inbreuken waarop de mededeling van punten van bezwaar betrekking heeft, één enkel dossier samengesteld.
26 Wat de onderhavige zaak betreft, concludeerde de Commissie onder titel IV („Solvay”) van de mededeling van punten van bezwaar dat verzoekster misbruik had gemaakt van haar machtspositie op de natriumcarbonaatmarkt in continentaal West-Europa.
27 Op 28 mei 1990 diende verzoekster in antwoord op de door de Commissie aangevoerde punten van bezwaar schriftelijke opmerkingen in.
28 Op 19 december 1990 stelde de Commissie beschikking 91/299/EEG inzake een procedure op grond van artikel [82 EG] (IV/33.133-C: Natriumcarbonaat — Solvay) (PB 1991, L 152, blz. 21) vast. In deze beschikking, die verzoekster is betekend bij brief van 1 maart 1991, stelde zij vast dat „[verzoekster] vanaf ongeveer 1983 tot op heden inbreuk [heeft] gemaakt op artikel [82 EG] door gedragingen die erop gericht zijn de mededinging uit te sluiten, althans in aanzienlijke mate te beperken, en die erin bestaan dat […] met klanten overeenkomsten worden gesloten die hen ertoe verplichten voor een onbepaalde of buitensporig lange duur hun behoefte aan natriumcarbonaat volledig of voor een zeer groot gedeelte bij [haar] te dekken[, dat] aan klanten aanzienlijke kortingen en andere financiële stimuli worden toegekend met betrekking tot de marginale hoeveelheid boven hun contractuele basishoeveelheid, teneinde te waarborgen dat zij hun behoefte volledig of grotendeels bij [haar] dekken [en dat] aan de toekenning van kortingen de voorwaarde wordt verbonden dat de klant zich ertoe verplicht zijn volledige behoefte bij [haar] te dekken”.
29 Artikel 3 van beschikking 91/299 bepaalt: „Wegens de […] vastgestelde inbreuk […]wordt aan [verzoekster] een geldboete opgelegd van 20 miljoen ecu.”
30 Op dezelfde dag stelde de Commissie eveneens beschikking 91/297/EEG inzake een procedure op grond van artikel [81 EG] (IV/33.133-A: Natriumcarbonaat — Solvay/ICI) (PB 1991, L 152, blz. 1) vast, waarin zij vaststelde dat „[verzoekster] en [ICI] inbreuk [hadden] gemaakt op artikel [81 EG] door sedert 1 januari 1973 tot op zijn minst de inleiding van de onderhavige procedure deel te nemen aan een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke zij hun verkoop van natriumcarbonaat in de Gemeenschap tot hun respectieve thuismarkten, namelijk continentaal West-Europa voor [verzoekster] en het Verenigd Koninkrijk en Ierland voor ICI, beperkten.” Verzoekster en ICI zijn ieder tot een geldboete van 7 miljoen ecu veroordeeld.
31 Op dezelfde dag stelde de Commissie bovendien beschikking 91/298/EEG inzake een procedure op grond van artikel [81 EG] (IV/33.133-B: Natriumcarbonaat — Solvay/CFK) (PB 1991, L 152, blz. 16) vast, waarin zij vaststelde dat „[verzoekster] en [CFK] inbreuk [hadden] gemaakt op artikel [81 EG] door vanaf omstreeks 1987 tot heden deel te nemen aan een overeenkomst inzake de verdeling van de markt waarbij [verzoekster] aan CFK jaarlijks een minimumafzet van natriumcarbonaat in Duitsland garandeerde die op basis van de afzet van CFK in 1986 werd berekend, en waarbij [verzoekster] bij eventuele daling van de afzet, van CFK het verschil met het gegarandeerde minimum aankocht.” Verzoekster en CFK zijn tot een geldboete van respectievelijk 3 miljoen en 1 miljoen ecu veroordeeld.
32 Op dezelfde dag stelde de Commissie daarenboven beschikking 91/300/EEG inzake een procedure op grond van artikel [82 EG] (IV/33.133-D: Natriumcarbonaat — ICI) (PB 1991, L 152, blz. 40) vast, waarin zij vaststelde dat „‚ICI’ […] vanaf ongeveer 1983 tot op heden inbreuk [had] gemaakt op artikel [82 EG] door gedragingen die erop zijn gericht de mededinging uit te sluiten, althans in aanzienlijke mate te beperken, en die erin bestaan dat […] aanzienlijke kortingen en andere financiële stimuli worden toegekend met betrekking tot de marginale hoeveelheid teneinde te waarborgen dat klanten hun behoefte volledig of grotendeels bij ICI dekken[, dat] de instemming van de klanten wordt verworven om hun behoefte volledig of nagenoeg volledig bij ICI te dekken en/of hun aankopen van concurrerende grondstoffen tot een welbepaalde hoeveelheid te beperken [en dat] in ten minste één geval aan de toekenning van kortingen en andere financiële voordelen de voorwaarde wordt verbonden dat de klant zich ertoe verplicht zijn volledige behoefte bij ICI te dekken.” ICI is tot een geldboete van 10 miljoen ecu veroordeeld.
33 Op 2 mei 1991 stelde verzoekster bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van beschikking 91/299. Op dezelfde dag vorderde verzoekster eveneens nietigverklaring van de beschikkingen 91/297 en 91/298. Op 14 mei 1991 verzocht ICI om nietigverklaring van de beschikkingen 91/297 en 91/300.
34 Bij arrest van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T-32/91, Jurispr. blz. II-1825; hierna: „arrest Solvay III”), verklaarde het Gerecht beschikking 91/299 nietig op grond dat de authentisatie van die beschikking had plaatsgevonden na de betekening ervan, hetgeen een schending van een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 230 EG vormt.
35 Op dezelfde dag verklaarde het Gerecht ook nietig beschikking 91/298 voor zover zij betrekking heeft op verzoekster (arrest Solvay/Commissie, T-31/91, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „arrest Solvay II”), en beschikking 91/300 (arrest ICI/Commissie, T-37/91, Jurispr. blz. II-1901; hierna: „arrest ICI II”) wegens de onregelmatige authentisatie van de bestreden beschikkingen. Bovendien verklaarde het Gerecht beschikking 91/297 nietig (arresten Solvay/Commissie, T-30/91, Jurispr. blz. II-1775; hierna: „arrest Solvay I”, en ICI/Commissie, T-36/91, Jurispr. blz. II-1847; hierna: „arrest ICI I”), voor zover zij betrekking heeft op de verzoekende partijen in die twee zaken, wegens schending van het recht van toegang tot het dossier.
36 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 augustus 1995, heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen de arresten Solvay II (punt 35 supra), Solvay III (punt 34 supra) en ICI II (punt 35 supra).
37 Bij arresten van 6 april 2000, Commissie/ICI (C-286/95 P, Jurispr. blz. I-2341) en Commissie/Solvay (C-287/95 P en C-288/95 P, Jurispr. blz. I-2391), heeft het Hof de hogere voorzieningen tegen de arresten ICI II (punt 35 supra), Solvay II (punt 35 supra) en Solvay III (punt 34 supra) afgewezen.
38 Op dinsdag 12 december 2000 publiceerde een persbureau een persbericht dat luidt: „Een woordvoerster heeft vandaag verklaard dat de Europese Commissie de chemische ondernemingen Solvay SA en Imperial Chemical Industries plc […] woensdag een geldboete zal opleggen wegens schending van het mededingingsrecht van de Europese Unie. De geldboeten voor vermeend misbruik van een machtspositie op de natriumcarbonaatmarkt waren aanvankelijk tien jaar geleden opgelegd, maar zij zijn wegens procedurele redenen door de hoogste Europese rechter nietig verklaard. De woordvoerster heeft verklaard dat de Commissie woensdag dezelfde beschikking opnieuw zal vaststellen, maar dit keer in een juiste vorm. De inhoud van de beschikking is door de ondernemingen nooit betwist. Wij zullen dezelfde beschikking opnieuw vaststellen, heeft zij gezegd.”
39 Op 13 december 2000 heeft de Commissie beschikking 2003/6/EG in een procedure op grond van artikel 82 [EG] (IV/33.133-C: Natriumcarbonaat — Solvay) (PB 2003, L 10, blz. 10; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld.
40 Op dezelfde dag heeft de Commissie eveneens de beschikkingen 2003/5/EG in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (COMP/33.133-B: Natriumcarbonaat — Solvay, CFK) (PB 2003, L 10, blz. 1) en 2003/7/EG in een procedure op grond van artikel 82 [EG] (COMP/33.133-D: Natriumcarbonaat — ICI) (PB 2003, L 10, blz. 33) vastgesteld.
41 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt: „Artikel 1 Solvay […] heeft vanaf 1983 tot ongeveer eind 1990 inbreuk gemaakt op artikel [82 EG] door gedragingen die erop gericht zijn de mededinging uit te sluiten, of althans in aanzienlijke mate te beperken, en die erin bestaan dat: a) met klanten overeenkomsten worden gesloten die hen ertoe verplichten voor een onbepaalde of buitensporig lange duur hun behoefte aan natriumcarbonaat volledig of voor een zeer groot gedeelte bij Solvay te dekken; b) aan klanten aanzienlijke kortingen en andere financiële stimuli worden toegekend met betrekking tot de marginale hoeveelheid boven hun contractuele basishoeveelheid, teneinde te waarborgen dat zij hun behoefte volledig of grotendeels bij Solvay dekken; c) aan de toekenning van kortingen de voorwaarde wordt verbonden dat de klant zich ertoe verplicht zijn volledige behoefte bij Solvay te dekken. Artikel 2 Wegens de in artikel 1, sub b en c, vastgestelde inbreuk, wordt aan Solvay een geldboete opgelegd van 20 miljoen EUR. […]”
42 De bestreden beschikking is in nagenoeg dezelfde bewoordingen gesteld als beschikking 91/299. De Commissie heeft alleen enkele redactionele wijzigingen aangebracht en een nieuw onderdeel, met als opschrift „Procedures voor het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie”, toegevoegd.
43 In dit nieuwe onderdeel van de bestreden beschikking overwoog de Commissie, onder verwijzing naar het arrest van het Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T-305/94–T-307/94, T-313/94–T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931; hierna: „arrest PVC II van het Gerecht”), dat zij „het recht heeft een beschikking die louter wegens vormfouten is vernietigd, opnieuw vast te stellen […] zonder een nieuwe administratieve procedure te volgen” en dat zij „geen nieuwe hoorzitting [hoeft] te houden indien de tekst van de nieuwe beschikking geen nieuwe bezwaren bevat buiten die welke in de oorspronkelijke beschikking waren vervat” (punt 199).
44 In de bestreden beschikking preciseerde de Commissie ook dat de verjaringstermijn krachtens artikel 3 van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1) moest worden verlengd met de periode gedurende welke beschikking 91/299 het voorwerp vormde van een procedure bij het Gerecht en het Hof (punten 204 en 205). Gelet op de omstandigheden van het geval meende de Commissie derhalve dat zij tot september 2004 had om een nieuwe beschikking vast te stellen (punt 207). Voorts overwoog zij dat de rechten van de verdediging niet worden geschaad wanneer de nieuwe beschikking binnen een redelijke termijn wordt vastgesteld (punt 199).
45 Wat de eigenlijke inbreuk betreft, preciseerde de Commissie in de bestreden beschikking dat de productmarkt en de geografische markt waarop de economische sterkte van verzoekster moest worden beoordeeld, de markt voor natriumcarbonaat in de Gemeenschap, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, was (punt 136).
46 Teneinde de marktsterkte van verzoekster in de onderhavige zaak te beoordelen, heeft de Commissie de relevante economische factoren onderzocht en in de bestreden beschikking geconcludeerd dat verzoekster op elk van de wezenlijke momenten over een machtspositie in de zin van artikel 82 EG beschikte (punten 137-148).
47 Aangaande het misbruik van een machtspositie stelde de Commissie in de bestreden beschikking dat verzoekster haar klanten had „gebonden” door middel van verschillende mechanismen met één zelfde concurrentiebeperkend oogmerk (punt 150). Zij verklaarde dienaangaande dat: — verzoekster sinds 1982 een systeem van progressieve kortingen toepaste dat er specifiek op was gericht zich van de loyaliteit van de klant te verzekeren en mededinging uit te sluiten of te beperken (punten 151-160); — verzoekster met Saint-Gobain een geheim protocol was overeengekomen, dat tot doel had haar positie als exclusieve of nagenoeg exclusieve leverancier van Saint-Gobain in West-Europa, met uitzondering van Frankrijk, te consolideren. Zo was de betaling van de „groepskorting” van 1,5% op alle aankopen van Saint-Gobain in Europa afhankelijk van de voorwaarde dat Saint-Gobain aan verzoekster voorrang bleef geven als haar leverancier (punten 161-165); — verzoekster met een aantal van haar klanten, uitdrukkelijke of informele exclusiviteitsovereenkomsten had gesloten (punten 166-176); — verschillende vormen van concurrentiebedingen en soortgelijke mechanismen de band met verzoekster versterkten, de mogelijkheden voor de klant om van leverancier te veranderen, beperkten en het voor concurrenten moeilijker maakten om tot vaste klanten van verzoekster door te dringen (punten 177-180); — het door verzoekster toegepaste kortingssysteem discriminerend was (punten 181-185).
48 Volgens de bestreden beschikking hebben de „getrouwheidskortingen en de andere middelen waarmee [verzoekster] haar positie als exclusieve leverancier beoogde veilig te stellen, […] een ongunstige invloed gehad op de handel tussen lidstaten, doordat zij de band tussen de klanten en de dominante leverancier versterkten” en hadden de „verschillende mechanismen die [verzoekster] gebruikte om klanten aan zich te binden, […] een versterking van de structurele rigiditeit en een nationale compartimentering van natriumcarbonaat tot gevolg, waardoor aan de beoogde totstandbrenging van een eengemaakte markt die alle lidstaten omvat, afbreuk is of had kunnen worden gedaan” (punt 187).
49 De Commissie verklaarde in de bestreden beschikking dat de gepleegde inbreuken bijzonder ernstig waren, daar verzoekster de voornaamste producent van natriumcarbonaat in de Gemeenschap was en door de genoemde inbreuken in staat was haar greep op de markt te bestendigen door daadwerkelijke mededinging in een groot deel van de gemeenschappelijke markt uit te sluiten (punt 191).
50 Voorts stelde de Commissie in de bestreden beschikking dat de inbreuken omstreeks 1983 een aanvang hadden genomen, kort na de onderhandelingen met haar en het sluiten van het dossier, en minstens tot eind 1990 hadden voortgeduurd (punt 195).
51 Op 13 december 2000 publiceerde de Commissie eveneens een persbericht waarin zij verklaarde dat zij beschikkingen zou vaststellen waarbij aan verzoekster en ICI geldboeten worden opgelegd die gelijk zijn aan die welke hun oorspronkelijk in de zaak „Natriumcarbonaat” waren opgelegd.
Procesverloop
52 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 maart 2001, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
53 In haar verzoekschrift heeft verzoekster het Gerecht verzocht de Commissie te gelasten om alle documenten van haar dossier over te leggen, zodat zij kan nagaan of de toegang tot deze documenten tijdens de administratieve procedure de uitoefening van haar rechten van de verdediging had kunnen beïnvloeden.
54 Op 8 mei 2001 is de zaak toegewezen aan de Vierde kamer van het Gerecht en is een rechter-rapporteur aangewezen.
55 Met toestemming van het Gerecht hebben verzoekster en de Commissie op respectievelijk 6 en 23 december 2002 opmerkingen ingediend over de conclusies die in deze zaak moeten worden getrokken uit het arrest van het Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P–C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375; hierna: „arrest PVC II van het Hof”).
56 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 1 oktober 2003 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, waaraan de onderhavige zaak op 8 oktober 2003 bijgevolg is toegewezen.
57 Op 19 december 2003 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om de mededeling van punten van bezwaar, de bijbehorende bijlagen en een gedetailleerde lijst van alle documenten in het dossier over te leggen. Deze lijst diende van elk stuk kort de auteur, de aard en de inhoud te vermelden. Het Gerecht heeft de Commissie eveneens verzocht om aan te geven welke van deze documenten tijdens de administratieve procedure voor verzoekster toegankelijk zijn geweest.
58 Op 13 februari 2004 heeft de Commissie de mededeling van punten van bezwaar, de bijbehorende bijlagen en de gevraagde lijst overgelegd. Zij heeft voor het antwoord op het laatstgenoemde verzoek van het Gerecht om uitstel verzocht.
59 Bij brief van 10 maart 2004 heeft de Commissie verklaard dat verzoekster tijdens de administratieve procedure toegang had gehad tot de documenten waarop de mededeling van punten van bezwaar was gebaseerd en die daarbij waren bijgevoegd. Bovendien heeft zij verklaard dat het dossier bestond uit 65 „subdossiers”, waarvan 22 „subdossiers” afkomstig waren van het hoofdkantoor van verzoekster of van een van haar dochterondernemingen (namelijk de „subdossiers” nrs. 2-14, 24-27, 50-52 en 62-65 en een deel van „subdossier” nr. 61). Volgens de Commissie was bij de in 1990 gevolgde procedure de destijds bestaande rechtspraak betreffende het recht van toegang tot het dossier in acht genomen. Zij voegde daaraan toe dat na heronderzoek van het onderzoeksdossier niets er in dat stadium op wees dat de rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure waren geschonden, zelfs in het licht van de latere rechtspraak betreffende het recht van toegang tot het dossier.
60 Bij brief van 21 juni 2004 heeft de Commissie de griffie van het Gerecht een herziene lijst van documenten in het administratieve dossier doen toekomen, die vollediger is dan die van 13 februari 2004. Zoals voordien was ook in deze herziene lijst sprake van 65 „subdossiers”. Zij vermeldde eveneens enkele documenten die merendeels van de vennootschap Oberland Glas afkomstig waren.
61 Bij brief van 21 juli 2004 heeft het Gerecht verzoekster verzocht om aan te geven welke documenten van de herziene lijst haar tijdens de administratieve procedure niet waren meegedeeld en die volgens haar gegevens konden bevatten die voor haar verdediging nuttig hadden kunnen zijn geweest.
62 Bij brief van 29 september 2004 heeft verzoekster benadrukt dat de herziene lijst onvolledig en onnauwkeurig was. Zij heeft eveneens aangegeven welke documenten van de herziene lijst haar voor haar verdediging nuttig leken en die zij wenste te raadplegen. Volgens haar hadden deze documenten het haar mogelijk kunnen maken om haar argumentatie omtrent de omschrijving van de relevante geografische markt, het ontbreken van een machtspositie en het ontbreken van misbruik van een machtspositie te ontwikkelen.
63 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 13 september 2004 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer in de nieuwe samenstelling, waaraan de onderhavige zaak op 7 oktober 2004 bijgevolg is toegewezen.
64 Op 17 december 2004 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om een vertrouwelijke en een niet-vertrouwelijke versie van de door verzoekster in haar brief van 29 september 2004 genoemde documenten van het dossier neer te leggen ter griffie.
65 Bij brief van 28 januari 2005 heeft de Commissie de vertrouwelijke versie van de gevraagde documenten uit het dossier neergelegd ter griffie van het Gerecht. Zij heeft verzocht om een aanvullende termijn om een mogelijk niet-vertrouwelijke versie over te leggen, aangezien de betrokken ondernemingen dienden te worden geraadpleegd omtrent hun belang om de vertrouwelijkheid te handhaven. De Commissie heeft eveneens het volgende verduidelijkt: „Hoewel de lijst alle thans in haar bezit zijnde documenten [omvat], bevat zij niet alle documenten die in de eerste natriumcarbonaatzaak aan het Gerecht zijn genoemd. De paar ontbrekende documenten blijven, ondanks lang zoeken, onvindbaar.”
66 Bij brief van 15 maart 2005 heeft de Commissie verklaard dat de betrokken ondernemingen niet om een vertrouwelijke behandeling hadden verzocht, en heeft zij de volgende opmerkingen gemaakt: „Wat de onvindbare documenten betreft, betreurt de Commissie dat zij op de vragen van het Gerecht geen volstrekt betrouwbaar antwoord kan geven. Het administratieve dossier ([dat wil zeggen] het dossier dat de procedure omvat vanaf de inleiding van het onderzoek tot aan de verzending van de mededeling van punten van bezwaar) dat de Commissie thans bezit, bestaat uit 65 genummerde ordners, die de periode tot en met september 1989 bestrijken [evenals] het dossier dat het nummer 71 draagt en dat de mededeling van punten van bezwaar en de bijlagen daarbij bevat, evenals [een] niet-genummerde ordner met het opschrift ‚Oberland Glas’. Het is derhalve aannemelijk dat er vijf ordners ontbreken. Wat de inhoud van de ontbrekende ordners betreft, betreurt de Commissie dat het onmogelijk is om een volledige lijst van de verdwenen documenten op te stellen, omdat de inhoudsopgaven van deze ordners eveneens onvindbaar zijn. Dat gezegd zijnde, is er alle reden om aan te nemen dat tenminste sommige van deze ordners de correspondentie met betrekking tot artikel 11 van verordening nr. 17 bevatten, hetgeen overeenkomt met de verklaring die de Commissie in 1990 aan het Gerecht heeft verstrekt omtrent het administratieve dossier. Het is bijvoorbeeld waarschijnlijk dat het antwoord van […] ICI op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 19 juni 1989 deel uitmaakt van de ontbrekende documenten: het aan ICI gerichte verzoek bevindt zich in het administratieve dossier dat nog immer in handen van de Commissie is, maar het antwoord ontbreekt.”
67 Op 14 april 2005 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht de in haar brief van 29 september 2004 genoemde documenten uit het dossier geraadpleegd.
68 Op 15 juli 2005 heeft verzoekster opmerkingen ingediend omtrent de bruikbaarheid van de geraadpleegde documenten voor haar verdediging. Op 18 november 2005 heeft de Commissie op de opmerkingen van verzoekster gereageerd.
69 Nadat de oorspronkelijk aangewezen rechter-rapporteur zijn functie had neergelegd, heeft de president van het Gerecht bij besluit van 22 juni 2006 een nieuwe rechter-rapporteur aangewezen.
70 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 25 september 2007 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, waaraan de onderhavige zaak op 5 oktober 2007 bijgevolg is toegewezen.
71 Aangezien rechter Tchipev op 12 februari 2008 was verhinderd, heeft de president van het Gerecht krachtens artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, rechter Dittrich aangewezen ter aanvulling van de kamer.
72 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zesde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het verzoekster en de Commissie in het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang op 5 mei 2008 schriftelijke vragen gesteld. Partijen hebben die vragen binnen de gestelde termijn beantwoord.
73 Partijen zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
Conclusies van partijen
74 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: — primair, vast te stellen dat de vervolging wegens het tijdsverloop is uitgedoofd, en in ieder geval de bestreden beschikking nietig te verklaren; — subsidiair, vast te stellen dat de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen, is verjaard, en in ieder geval artikel 2 van de bestreden beschikking, waarbij verzoekster een geldboete van 20 miljoen EUR is opgelegd, nietig te verklaren; — meer subsidiair, vast te stellen dat er geen gronden zijn om verzoekster een geldboete op te leggen, of in ieder geval deze geldboete aanzienlijk te verlagen; — de Commissie bij wege van maatregel van instructie te gelasten om alle interne documenten met betrekking tot de vaststelling van de bestreden beschikking en, met name, de notulen van elke vergadering van het college van Commissieleden waar de bestreden beschikking is besproken, over te leggen; — de Commissie te gelasten alle documenten die het dossier in de zaak COM/33.133 vormen, over te leggen; — de Commissie in de kosten te verwijzen.
75 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: — het beroep te verwerpen; — verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
76 Verzoekster concludeert primair tot nietigverklaring van de bestreden beschikking en subsidiair tot intrekking of verlaging van de geldboete die haar bij die beschikking is opgelegd.
1. Vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking
77 Verzoekster voert in wezen zes middelen aan tot nietigverklaring van de bestreden beschikking. Zij zijn in de eerste plaats ontleend aan het tijdsverloop, in de tweede plaats aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, in de derde plaats aan de onjuiste omschrijving van de relevante geografische markt door de Commissie, in de vierde plaats aan het ontbreken van een machtspositie, in de vijfde plaats aan het feit dat er geen sprake is van misbruik van een machtspositie en in de zesde plaats aan schending van het recht van toegang tot het dossier.
Eerste middel: het tijdsverloop
78 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen: onjuiste toepassing van de verjaringsregels van verordening nr. 2988/74 en schending van het beginsel van de redelijke termijn.
Eerste onderdeel: onjuiste toepassing van de verjaringsregels
— Argumenten van partijen
79 Verzoekster stelt dat de argumentatie van de Commissie met betrekking tot de naleving van de verjaringsregels in strijd is met de letter en de geest van verordening nr. 2988/74.
80 Volgens verzoekster had de op 30 augustus 1995 door de Commissie ingestelde hogere voorziening, die krachtens artikel 60 van het Statuut van het Hof geen opschortende werking heeft, geen betrekking op beschikking 91/299, die met terugwerkende kracht had opgehouden te bestaan, maar op het arrest Solvay III (punt 34 supra), waarbij die beschikking nietig is verklaard. Krachtens artikel 58 van het Statuut van het Hof kan het verzoek om hogere voorziening immers alleen rechtsvragen betreffen en toetst het Hof de rechtmatigheid, waarbij het zich baseert op de soevereine beoordeling van de feitelijke vragen door het Gerecht.
81 Indien de in artikel 3 van verordening nr. 2988/74 genoemde „procedure bij het Hof” thans aldus moet worden uitgelegd dat ook het Gerecht daaronder valt, mag de invoering van rechtspraak in twee instanties niet leiden tot een verlenging van de schorsing van de verjaring, zodat deze een procedure omvat waarvan het voorwerp niet de bestreden beschikking is. Daarenboven komt de stelling dat artikel 3 van verordening nr. 2988/74 impliceert dat de verjaring gedurende een hogere voorziening wordt geschorst neer op het toekennen van gevolgen aan een beschikking die ab initio nietig is verklaard, waarvoor in de praktijk die de lidstaten gemeen hebben, geen precedent bestaat.
82 Verwijzend naar punt 1098 van het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) merkt verzoekster op dat artikel 3 van verordening nr. 2988/74 tot doel heeft, schorsing van de verjaring mogelijk te maken wanneer de Commissie niet kan handelen om een objectieve reden die haar niet kan worden toegerekend en die verband houdt met het feit zelf dat een beroep aanhangig is. In casu kon de Commissie staande houden dat zij niet kon handelen zolang het beroep aanhangig was bij het Gerecht. Zodra het arrest van het Gerecht gewezen was, stond het de Commissie, onder voorbehoud dat het beginsel van de redelijke termijn werd geëerbiedigd, daarentegen vrij om een nieuwe beschikking vast te stellen. Door hogere voorziening in te stellen, heeft de Commissie aldus het risico genomen dat haar vordering zou verjaren, hoewel zij het arrest van het Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555), kende, waarin is geoordeeld over het ontbreken van authentisatie van door het college van Commissieleden vastgestelde besluiten. Het stilzitten van de Commissie, terwijl de door haar ingestelde hogere voorziening aanhangig was bij het Hof, kon derhalve door geen enkele objectieve reden worden gerechtvaardigd.
83 Bijgevolg mocht voor de verlenging van de verjaringstermijn alleen de duur van de procedure voor het Gerecht in aanmerking worden genomen. Deze termijn is derhalve verstreken op 27 januari 2000, ruim voor de vaststelling van de bestreden beschikking.
84 Verzoekster merkt eveneens op dat deze uitlegging in het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) niet is weersproken. In de zaak waarin dat arrest is gewezen, is de nieuwe beschikking van de Commissie immers vastgesteld binnen een termijn van minder dan vijf jaar, vermeerderd met de „periode van schorsing” die betrekking heeft op de procedure voor het Gerecht. In het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) is de vraag of een hogere voorziening schorsende werking heeft in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2988/74, dus niet onderzocht.
85 In repliek voegt verzoekster daaraan toe dat de door de Commissie verdedigde stelling erop neer zou komen dat het arrest Solvay III (punt 34 supra) van elk gevolg wordt ontdaan zolang het niet door het Hof is bevestigd, hetgeen het gezag ervan zou miskennen. Een ruime uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 2988/74, die situaties zou omvatten waarin het de Commissie niet wordt belet te handelen, zou overigens in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
86 Ten slotte stelt verzoekster in haar opmerkingen na het arrest PVC II van het Hof (punt 55 supra) dat in de zaak waarin dat arrest is gewezen noch het Gerecht, noch het Hof de bedoeling kan hebben gehad om uitspraak te doen over de vraag of de door de Commissie ingestelde hogere voorziening tegen een nietigverklaringsarrest van het Gerecht tot gevolg heeft dat de verjaring gedurende de procedure in hogere voorziening wordt geschorst.
87 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
88 Allereerst moet worden benadrukt dat bij verordening nr. 2988/74 een volledige regeling is ingevoerd die in bijzonderheden de termijnen vaststelt waarbinnen de Commissie, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele eis van rechtszekerheid, geldboeten mag opleggen aan de ondernemingen waartegen procedures lopen inzake toepassing van de communautaire mededingingsregels (arresten Gerecht van 19 maart 2003, CMA CGM e.a./Commissie, T-213/00, Jurispr. blz. II-913, punt 324, en 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T-410/03, Jurispr. blz. II-881, punt 223).
89 Zo is overeenkomstig artikel 1, leden 1, sub b, en 2, alsmede artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2988/74 de vervolging verjaard indien de Commissie niet binnen vijf jaar na het aanvangstijdstip een geldboete of een sanctie heeft opgelegd zonder dat intussen een handeling is verricht die de verjaring stuit, of uiterlijk binnen tien jaar na hetzelfde aanvangstijdstip indien er wel zo’n handeling is verricht. Ingevolge artikel 2, lid 3, wordt de aldus omschreven verjaringstermijn echter verlengd met de periode waarin de verjaring ingevolge artikel 3 is geschorst (arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 140).
90 Krachtens artikel 3 van verordening nr. 2988/74 wordt de verjaring van het recht van vervolging geschorst zolang de beschikking van de Commissie het onderwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
91 In het onderhavige geval blijkt uit de bestreden beschikking dat de Commissie in de litigieuze zaak de verjaringsregels als volgt heeft toegepast.
92 Om te beginnen was de Commissie van mening dat aangezien er sprake was van voortdurende of herhaalde inbreuken, de verjaringstermijn is ingegaan vanaf eind 1990. Zij voegde daaraan toe dat zelfs in de veronderstelling dat de inbreuk op 31 december 1990 was geëindigd en dat de vaststelling en de kennisgeving van beschikking 91/299 de verjaringstermijn niet hadden gestuit, zij nog tot eind 1995 zou hebben gehad om haar beschikking te geven (punt 203).
93 Vervolgens voerde de Commissie aan dat de verjaringstermijn moest worden verlengd met de periode gedurende welke de procedures tegen de beschikking aanhangig waren bij het Gerecht (punt 204). Aangezien in de onderhavige zaak het beroep op 2 mei 1991 was ingediend bij het Gerecht, dat op 29 juni 1995 arrest heeft gewezen, en op 30 augustus 1995 hogere voorziening was ingesteld bij het Hof, dat op 6 april 2000 arrest heeft gewezen, was de verjaring gestuit voor een minimumperiode van acht jaar, negen maanden en vier dagen (punt 206). Derhalve meende de Commissie dat zij tot september 2004 had om een nieuwe beschikking vast te stellen (punt 207).
94 Volgens de Commissie is de bestreden beschikking van 13 december 2000 dus vastgesteld vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.
95 Die redenering strookt met de in dit geval toepasselijke verjaringsregels.
96 Om te beginnen zijn de aan verzoekster verweten inbreuken immers geëindigd met de vaststelling van beschikking 91/299 op 19 december 1990. De verjaringstermijn is derhalve op die datum ingegaan.
97 Vervolgens moet, zoals partijen terecht benadrukken, de vermelding in artikel 3 van verordening nr. 2988/74 van „een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen”, na de instelling van het Gerecht aldus worden uitgelegd dat in de eerste plaats een procedure bij het Gerecht wordt bedoeld, aangezien beroepen tegen straffen of geldboeten op het gebied van het mededingingsrecht tot zijn bevoegdheid behoren. De verjaring is bijgevolg gedurende de gehele duur van de procedure bij het Gerecht geschorst geweest.
98 Ten slotte blijkt uit punt 157 van het arrest PVC II van het Hof (punt 55 supra) dat de verjaring is geschorst in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2988/74 zolang de litigieuze beschikking het onderwerp vormt van een procedure „bij het Gerecht en het Hof”. In casu was de verjaring dus eveneens geschorst gedurende de gehele procedure bij het Hof, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de periode tussen het wijzen van het arrest door het Gerecht en de aanhangigmaking bij het Hof.
99 Derhalve is in het onderhavige geval, na deze schorsing van de verjaring, vanaf de beëindiging van de litigieuze inbreuken of vanaf welke stuiting van de verjaring dan ook, geen periode van meer dan vijf jaar verstreken.
100 De bestreden beschikking is derhalve vastgesteld met inachtneming van de verjaringsregels van verordening nr. 2988/74.
101 Geen van de door verzoekster aangevoerde argumenten kan dit oordeel weer ter discussie stellen.
102 In de eerste plaats moet immers worden opgemerkt dat artikel 60 van het Statuut van het Hof en artikel 3 van verordening nr. 2988/74 een verschillende werkingssfeer hebben. Het feit dat een hogere voorziening geen opschortende werking heeft, kan aan artikel 3 van verordening nr. 2988/74, dat betrekking heeft op situaties waarin de Commissie het oordeel van de gemeenschapsrechter moet afwachten, niet elk gevolg ontnemen. De stelling van verzoekster dat de Commissie de periode gedurende welke een hogere voorziening bij het Hof aanhangig is, niet in aanmerking mag nemen, kan derhalve niet worden aanvaard, want zij zou tot gevolg hebben dat het arrest van het Hof in hogere voorziening geen bestaansreden en geen gevolgen meer zou hebben.
103 Wat in de tweede plaats verzoeksters argument betreft dat de invoering van rechtspraak in twee instanties niet mag leiden tot een verlenging van de schorsing van de verjaring, moet worden opgemerkt dat artikel 3 van verordening nr. 2988/74 de Commissie beschermt tegen de gevolgen van de verjaring in situaties waarin zij de beslissing van de gemeenschapsrechter moet afwachten in procedures waarvan zij het verloop niet in de hand heeft, voordat zij weet of de bestreden handeling al dan niet onwettig is (arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 144).
104 In de derde plaats blijkt met betrekking tot het argument dat het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) niet relevant zou zijn voor de oplossing van het onderhavige geschil, uit de bewoordingen van dat in hogere voorziening bevestigde arrest daarentegen duidelijk dat de verjaringstermijn in het algemeen moet worden verlengd met de periode gedurende welke de verjaring is geschorst, namelijk niet alleen de periode dat de procedure aanhangig was bij het Gerecht, maar eveneens de periode dat de procedure aanhangig was bij het Hof.
105 Wat in de vierde plaats het argument betreft dat de schorsing van de verjaring gedurende een hogere voorziening zou neerkomen op het toekennen van gevolgen aan een in eerste aanleg nietig verklaarde beschikking, volstaat de opmerking dat de schorsing van de verjaring de Commissie alleen de mogelijkheid biedt om eventueel een nieuwe beschikking vast te stellen in het geval dat de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een beschikking van de Commissie nietig is verklaard, wordt verworpen. Deze schorsing van de verjaring heeft geen enkel gevolg voor de bij het arrest van het Gerecht nietig verklaarde beschikking.
106 In de vijfde plaats moet met betrekking tot verzoeksters argument dat de Commissie een nieuwe beschikking had moeten vaststellen zonder het arrest van het Hof af te wachten, worden opgemerkt dat de Commissie, na de nietigverklaring van de oorspronkelijke beschikking door het Gerecht, inderdaad formeel niet werd belet te handelen, maar dat dat niet impliceert dat de Commissie verplicht was om een nieuwe beschikking vast te stellen, zonder het arrest van het Hof af te wachten. De Commissie kan bovendien niet worden verweten dat zij door hogere voorziening in te stellen haar rechten van de verdediging heeft uitgeoefend en dat zij het arrest van het Hof heeft afgewacht voordat zij een nieuwe beschikking heeft vastgesteld. Die uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 2988/74 is overigens in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel, dat ertoe strekt te waarborgen dat door het gemeenschapsrecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (arrest Hof van 15 februari 1996, Duff e.a., C-63/93, Jurispr. blz. I-569, punt 20, en arrest Gerecht van 19 maart 1997, Oliveira/Commissie, T-73/95, Jurispr. blz. II-381, punt 29).
107 In de zesde plaats moet hieraan worden toegevoegd dat de door verzoekster voorgestelde uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 2988/74 tot ernstige praktische moeilijkheden leidt. Wanneer de Commissie na de nietigverklaring van een beschikking door het Gerecht een nieuwe beschikking moet vaststellen zonder het arrest van het Hof af te wachten, bestaat immers een risico dat tegelijkertijd twee beschikkingen met hetzelfde voorwerp bestaan indien het Hof het arrest van het Gerecht vernietigt.
108 Het lijkt bovendien in strijd met de eisen van administratief-procedurele economie om de Commissie, alleen om verjaring te voorkomen, te verplichten een nieuwe beschikking vast te stellen voordat bekend is of de oorspronkelijke beschikking al dan niet onwettig is.
109 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van het beginsel van de redelijke termijn
— Argumenten van partijen
110 Verzoekster voert aan dat zij van de „aanklacht tegen haar” kennis heeft genomen op 13 maart 1990, de datum waarop de mededeling van punten van bezwaar aan haar is gezonden, dat is elf jaar voor de datum waarop het onderhavige beroep is ingesteld. Bovendien is de onderhavige zaak voor haar van groot belang, aangezien de Commissie haar in beschikking 91/299 en vervolgens in de bestreden beschikking „bijzonder ernstige” inbreuken heeft verweten en haar een geldboete van 20 miljoen EUR heeft opgelegd. Toen het onderhavige beroep werd ingesteld, was er met betrekking tot de in de mededeling van punten van bezwaar tegen haar geuite beschuldigingen nog geen definitieve beschikking vastgesteld.
111 Onder verwijzing naar artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) merkt verzoekster op dat de in februari 1990 ingeleide procedure, in haar geheel beschouwd, duidelijk een redelijke termijn heeft overschreden. Dienaangaande is het volgens de communautaire rechtspraak niet nodig dat de procedure stap voor stap wordt beoordeeld. Niets kan derhalve rechtvaardigen dat de Commissie vijf en een half jaar heeft gewacht om een nieuwe beschikking vast te stellen, temeer nu de hogere voorziening bij het Hof geen opschortende werking heeft.
112 Na het arrest Solvay III (punt 34 supra) heeft de Commissie er niet alleen voor gekozen om een beroep in te stellen waarvan zij in het licht van het arrest Commissie/BASF e.a. (punt 82 supra) kon verwachten dat het zou worden verworpen, maar ook om de uitkomst ervan af te wachten alvorens de bestreden beschikking vast te stellen. Bovendien heeft de Commissie na het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) nog acht maanden gewacht, terwijl in de zaak waarin het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) is gewezen, de nieuwe beschikking binnen een termijn van anderhalve maand is vastgesteld.
113 Door ten onrechte aan te nemen dat zij tot 2004 mocht wachten om een nieuwe beschikking vast te stellen, haalt de Commissie trouwens de redelijke termijn en de verjaringstermijn door elkaar. In de bestreden beschikking heeft de Commissie aldus niet aangegeven op grond waarvan zij van mening is dat in het onderhavige geval een redelijke termijn in acht is genomen. Wat ook de rechtvaardiging moge zijn voor de duur van elke stap in de procedure, „een termijn van veertien tot zestien jaar, en zelfs langer, voor de volledige procedure tussen de mededeling van punten van bezwaar en het definitieve oordeel van het Gerecht of het Hof”, kan volgens verzoekster niet als redelijk worden bestempeld.
114 Het staat derhalve aan het Gerecht om vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden en om de bestreden beschikking nietig te verklaren, aangezien het in dit stadium niet meer mogelijk is om binnen een redelijke termijn te oordelen over de tegen verzoekster geuite beschuldigingen. Elke andere oplossing, bijvoorbeeld door bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, zal niet de schending van artikel 6 EVRM ongedaan maken. Verzoekster stelt bovendien dat zij, overeenkomstig de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgestelde beginselen, niet behoeft te bewijzen dat deze overschrijding van de redelijke termijn haar rechten van de verdediging heeft geschaad, hetgeen een afzonderlijke grond tot nietigverklaring vormt. De toets inzake schending van de rechten van de verdediging verschilt immers van het recht op een uitspraak binnen een redelijke termijn op strafrechtelijk gebied.
115 Verzoekster voert hoe dan ook aan dat zij zich door de overschrijding van de redelijke termijn en de daaruit voortvloeiende teloorgang van het bewijs niet kan verdedigen, omdat haar daardoor met name de mogelijkheid is ontnomen om de in het verzoekschrift naar voren gebrachte argumenten te staven. Daarenboven kan zij geen beroep meer doen op haar voormalige werknemers die werkten in de betrokken sector en de dochteronderneming in kwestie. Verzoekster stelt met name dat zij geen gedetailleerde onderzoeken kan verrichten naar de voorwaarden voor de productie en de levering van natriumcarbonaat in de jaren tachtig, omdat sindsdien meerdere van haar productie-installaties zijn gesloten en de op deze productie-installaties betrekking hebbende archieven niet systematisch zijn bewaard.
116 Verzoekster is van mening dat het ten onrechte stilzitten van de Commissie gedurende de vijf en een half jaar volgend op het arrest Solvay III (punt 34 supra), in het bijzonder moet worden bestraft. Verzoekster specificeert dienaangaande dat zij met recht en reden mocht geloven dat de Commissie ervan had afgezien het dossier te heropenen, zodat zij niet heeft gepoogd systematisch een spoor te bewaren van de feiten en documenten die voor haar verdediging van nut hadden kunnen zijn. Bovendien schrijft haar archiefbeleid voor dat, afgezien van uitzonderlijke omstandigheden, de archieven na tien of zelfs na vijf jaar systematisch worden vernietigd.
117 Het is ten slotte in strijd met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om te stellen dat de bewijslast omtrent de onredelijkheid op verzoekster rust; volgens deze rechtspraak staat het aan de nationale autoriteiten om, wanneer er sprake is van lange perioden van stilzitten, die alleen in uitzonderlijke omstandigheden zijn te rechtvaardigen, de redenen daarvoor uiteen te zetten. Verzoekster stelt eveneens dat haar, anders dan de Commissie, niet kan worden verweten dat zij sinds 1989 de procedure heeft vertraagd. Zij merkt op dat de Commissie niet in staat is gebleken om haar eigen interne authentisatieregels en het rechtszekerheidsbeginsel in acht te nemen, hetgeen het onderzoek ten gronde van de oorspronkelijke beschikking met meerdere jaren heeft vertraagd.
118 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
119 Allereerst herinnert het Gerecht eraan dat de eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn op mededingingsgebied geldt voor administratieve procedures die zijn ingeleid ter uitvoering van verordening nr. 17 en die kunnen uitmonden in de sancties waarin die verordening voorziet, en voor de procedure voor de gemeenschapsrechter (arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 179).
120 In de eerste plaats voert verzoekster tot staving van haar grief inzake de onredelijk lange duur van de administratieve procedure met name het feit aan dat, hoewel hogere voorziening geen opschortende werking heeft, de Commissie zonder enige reden vijf en een half jaar heeft gewacht om na de nietigverklaring van beschikking 91/299 bij het arrest Solvay III (punt 34 supra) een nieuwe beschikking vast te stellen.
121 Zoals bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel is vastgesteld, is de verjaring na de instelling van hogere voorziening tegen het arrest Solvay III (punt 34 supra) overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2988/74 gedurende de gehele procedure bij het Hof geschorst. De Commissie kan derhalve niet worden verweten dat zij het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden, alleen omdat zij met het vaststellen van de bestreden beschikking heeft gewacht tot het Hof uitspraak had gedaan in die hogere voorziening.
122 In de tweede plaats voert verzoekster meer algemeen aan dat de duur van de administratieve procedure, in zijn geheel genomen, dat wil zeggen vanaf de verzending van de mededeling van punten van bezwaar tot en met de vaststelling van de bestreden beschikking, een redelijke termijn heeft overschreden.
123 Dat argument moet worden afgewezen.
124 Bij het onderzoek van een grief inzake schending van het beginsel van de redelijke termijn moet immers onderscheid worden gemaakt tussen de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure. Zo kan de periode gedurende welke de gemeenschapsrechter de rechtmatigheid van beschikking 91/299 en de geldigheid van het arrest Solvay III (punt 34 supra) heeft onderzocht, niet in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de duur van de procedure voor de Commissie (zie in deze zin arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punt 123).
125 In de derde plaats kritiseert verzoekster de duur van de administratieve procedure tussen het wijzen van het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) en de vaststelling van de bestreden beschikking.
126 Dienaangaande herinnert het Gerecht eraan dat deze periode is begonnen op 6 april 2000, de datum waarop het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) is gewezen, en met de vaststelling van de bestreden beschikking is geëindigd op 13 december 2000. Deze fase van de administratieve procedure heeft bijgevolg acht maanden en zeven dagen geduurd.
127 Tijdens deze periode heeft de Commissie in beschikking 91/299 alleen formele wijzigingen aangebracht, met name door de invoering van een nieuwe paragraaf betreffende de „Procedures voor het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie”, omtrent de beoordeling van het in acht nemen van de verjaringstermijn. Aan de vaststelling van de bestreden beschikking is overigens geen aanvullend onderzoek voorafgegaan; de Commissie heeft zich gebaseerd op de uitkomsten van het tien jaar daarvoor verrichte onderzoek. Niettemin moet worden erkend dat zelfs in deze omstandigheden bepaalde verificaties en overleg binnen de administratie noodzakelijk kunnen blijken om een dergelijk resultaat te bereiken.
128 In dit licht bezien, kan de termijn van acht maanden en zeven dagen tussen het wijzen van het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) en de vaststelling van de bestreden beschikking niet als onredelijk worden beschouwd.
129 Wat in de vierde plaats de duur van de administratieve procedure tussen de verzending van de mededeling van punten van bezwaar en de vaststelling van beschikking 91/299 betreft, merkt het Gerecht op dat verzoekster niet heeft gesteld dat deze als zodanig kan worden gekritiseerd. Verzoekster heeft immers enkel gesteld dat de redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld vanaf 13 maart 1990, namelijk de datum waarop de mededeling van punten van bezwaar aan haar is toegezonden, zonder de periode van elf en een halve maand te kritiseren die is verlopen tussen de mededeling van punten van bezwaar en de vaststelling van beschikking 91/299 op 1 maart 1991.
130 Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster niets heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in de onderhavige zaak de duur van de administratieve procedure in zijn geheel buitensporig lang is geweest.
131 Ofschoon de fase van de administratieve procedure vóór de mededeling van punten van bezwaar in aanmerking moet worden genomen (zie in deze zin arrest Hof van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C-105/04 P, Jurispr. blz. I-8725, punt 51), moet immers worden geoordeeld dat de duur van de procedure in zijn geheel niet buitensporig lang is, met name in het licht van de vanaf april 1989 verrichte verificaties, de verzoeken om inlichtingen die daaruit zijn voortgevloeid en de ambtshalve inleiding van de procedure op 19 februari 1990.
132 Daarbij komt dat de schending van het beginsel van de redelijke termijn alleen dan de nietigverklaring rechtvaardigt van een beschikking die aan het einde van een administratieve procedure op het gebied van de mededinging is gegeven, wanneer zij ook een schending van de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming impliceert. Wanneer niet is aangetoond dat de betrokken ondernemingen zich door het overdreven lange tijdsverloop minder doeltreffend hebben kunnen verdedigen, heeft de niet-inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn immers geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure (zie in deze zin arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punt 122).
133 Verzoekster stelt dienaangaande dat zij zich moeilijk kan verdedigen tegen beschuldigingen die betrekking hebben op feiten die zich destijds zouden hebben voorgedaan, aangezien zij geen beroep meer kan doen op haar werknemers die ten tijde van de feiten in de betrokken sector en de dochteronderneming in kwestie werkzaam waren.
134 De Commissie heeft tussen het wijzen van het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) en de vaststelling van de bestreden beschikking echter geen onderzoekshandelingen verricht.
135 Bovendien blijkt uit de bestreden beschikking dat deze is gebaseerd op dezelfde gronden als die van beschikking 91/299, dat de inhoud van deze twee beschikkingen nagenoeg identiek is en dat de Commissie geen nieuwe feiten in aanmerking heeft genomen die de uitoefening van een recht van verdediging noodzakelijk maken.
136 In deze omstandigheden zijn verzoeksters rechten van de verdediging niet geschonden.
137 In de vijfde plaats moet aangaande de gerechtelijke procedure worden vastgesteld dat verzoekster in haar verzoekschrift de duur van de procedure met betrekking tot beschikking 91/299 voor het Gerecht en vervolgens voor het Hof niet rechtstreeks ter discussie stelt.
138 Het uit artikel 6, lid 1, EVRM afgeleide algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, is hoe dan ook van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten. De lijst van deze criteria is niet uitputtend en een beoordeling van de redelijkheid van de termijn vereist niet dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. Zo kan de complexiteit van de zaak worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is (zie arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C-403/04 P en C-405/04 P, Jurispr. blz. I-729, punten 115-117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Bovendien heeft het Hof in het arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417), na te hebben vastgesteld dat het Gerecht niet had voldaan aan het vereiste van de redelijke termijn, om redenen van proceseconomie en teneinde een dergelijke onregelmatigheid in de procedure direct en doeltreffend te verhelpen, het middel inzake de te lange duur van de procedure gegrond verklaard en het bestreden arrest vernietigd voor zover de aan rekwirante opgelegde geldboete daarbij was vastgesteld op 3 miljoen ecu. Daar er evenwel geen enkele aanwijzing was dat de lengte van de procedure de uitkomst van het geschil had beïnvloed, heeft het Hof geoordeeld dat dit middel niet kon leiden tot de vernietiging van het bestreden arrest in zijn geheel, maar dat een bedrag van 50000 ecu een billijke genoegdoening vormde voor de buitensporig lange procedure, en heeft het dus de aan de betrokken onderneming opgelegde geldboete verlaagd.
140 Nu er geen enkele aanwijzing is dat de lengte van de procedure de uitkomst van het geschil heeft beïnvloed, heeft in het onderhavige geval een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de gemeenschapsrechter, zelfs indien deze zou zijn aangetoond, derhalve geen invloed op de rechtmatigheid van de bestreden beschikking.
141 Daaraan moet worden toegevoegd dat verzoekster in haar verzoekschrift uitdrukkelijk heeft afgezien van de mogelijkheid dat de geldboete zou worden verminderd als genoegdoening voor de vermeende schending van haar recht op een uitspraak binnen een redelijke termijn. Zij heeft evenmin een verzoek tot schadevergoeding ingediend.
142 Derhalve moet het tweede onderdeel van het eerste middel en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften, vereist voor de vaststelling en de authentisatie van de bestreden beschikking
143 Het tweede middel bestaat in wezen uit acht onderdelen: schending van het collegialiteitsbeginsel, schending van het rechtszekerheidsbeginsel, schending van het recht van verzoekster om opnieuw te worden gehoord, het ontbreken van een nieuwe raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, onregelmatige samenstelling van dat Adviescomité, het gebruik van in strijd met verordening nr. 17 verkregen documenten, schending van het recht van toegang tot het dossier en schending van de beginselen van onpartijdigheid, behoorlijk bestuur en evenredigheid.
144 Het Gerecht acht het juist om het zevende onderdeel van het tweede middel na het onderzoek van alle middelen ten gronde van de zaak te onderzoeken in het kader van het zesde middel, dat is ontleend aan een schending van het recht van toegang tot het dossier.
Eerste onderdeel: schending van het collegialiteitsbeginsel
— Argumenten van partijen
145 Verzoekster merkt op dat volgens de begeleidende brief van 10 januari 2001, die is ondertekend door het met het mededingingsbeleid belaste lid van de Commissie, de bestreden beschikking door het college van Commissieleden is vastgesteld op 13 december 2000.
146 Uit verklaringen van de woordvoerster van de Commissie, die zijn weergegeven in een persbericht van een persbureau van 12 december 2000, blijkt echter dat het besluit om beschikking 91/299 opnieuw vast te stellen, uiterlijk is genomen op de dag voordat het college van Commissieleden ter beraadslaging bijeen is gekomen.
147 Nu er geen aanwijzingen zijn dat het college van Commissieleden heeft beraadslaagd op een datum vóór 12 december 2000, moet hieruit volgens verzoekster worden afgeleid dat de bestreden beschikking in strijd met het collegialiteitsbeginsel is vastgesteld.
148 Gesteld dat de bestreden beschikking werkelijk door het college van Commissieleden is vastgesteld, blijkt verder uit het persbericht van een persbureau van 12 december 2000 dat de Commissie blijkbaar heeft beslist om een nieuwe beschikking met een identieke inhoud aan die van beschikking 91/299 vast te stellen, omdat verzoekster de inhoud van laatstgenoemde beschikking nooit heeft betwist. Verzoekster stelt echter dat zij de juridische en feitelijke beoordeling van de Commissie heeft gekritiseerd, evenals het beginsel en het bedrag van de geldboete. Toen het college van Commissieleden heeft beslist om de bestreden beschikking vast te stellen, was het derhalve niet juist geïnformeerd over het standpunt van verzoekster.
149 Verzoekster verzoekt het Gerecht eveneens om de Commissie te gelasten alle interne documenten met betrekking tot de vaststelling van de bestreden beschikking, en met name de notulen van elke vergadering van het college van Commissieleden waar de ontwerpbeschikking is besproken, evenals de aan het college voorgelegde documenten, over te leggen.
150 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
151 Volgens vaste rechtspraak berust het collegialiteitsbeginsel op de gedachte dat de leden van de Commissie als gelijken aan de besluitvorming deelnemen, en houdt het met name in dat de besluiten in gemeen overleg worden genomen en dat alle leden van het college collectief politiek verantwoordelijk zijn voor alle genomen besluiten (arresten Hof van 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C-191/95, Jurispr. blz. I-5449, punt 39, en 13 december 2001, Commissie/Frankrijk, C-1/00, Jurispr. blz. I-9989, punt 79).
152 De eerbiediging van het collegialiteitsbeginsel, en met name het vereiste dat de besluiten door de leden van de Commissie in gemeen overleg worden genomen, is stellig van belang voor de rechtssubjecten ten aanzien van wie die besluiten rechtsgevolgen sorteren, in dier voege dat zij de zekerheid moeten hebben dat deze besluiten daadwerkelijk door het college zijn genomen en exact weergeven wat het college heeft gewild. Dit geldt in het bijzonder voor de uitdrukkelijk als beschikking aangemerkte handelingen die de Commissie ten aanzien van ondernemingen en ondernemersverenigingen geeft met het oog op de naleving van de mededingingsregels en die tot doel hebben, een inbreuk op die regels vast te stellen, deze ondernemingen bevelen te geven en hun geldboeten op te leggen (arrest Commissie/BASF e.a., punt 82 supra, punten 64 en 65).
153 In casu voert verzoekster aan dat volgens een persbericht van een persbureau van 12 december 2000 de woordvoerster van de Commissie heeft verklaard dat deze op 13 december 2000 opnieuw dezelfde beschikking zou vaststellen.
154 Gesteld echter dat de woordvoerster van de Commissie de door verzoekster aangehaalde uitlatingen heeft gedaan, kan het enkele feit dat een persbericht van een particuliere onderneming melding maakt van een verklaring zonder enig officieel karakter niet volstaan om te oordelen dat de Commissie het collegialiteitsbeginsel heeft geschonden. Het college van Commissieleden was immers geenszins gebonden door deze verklaring en het had na beraadslaging tijdens zijn vergadering van 13 december 2000 dus eveneens kunnen beslissen om de bestreden beschikking niet vast te stellen.
155 Hieraan moet worden toegevoegd dat het officiële persbericht van de Commissie is gepubliceerd op 13 december 2000.
156 Zelfs indien de woordvoerster van de Commissie zou hebben verklaard dat verzoekster de inhoud van beschikking 91/299 nooit heeft betwist, dan treft dat argument overigens geen doel. Uit punt 199 van de bestreden beschikking blijkt immers dat de Commissie een nieuwe beschikking heeft vastgesteld, waarvan de inhoud nagenoeg identiek is aan die van beschikking 91/299, omdat deze nietig was verklaard wegens een procedurefout. Dat verzoekster de inhoud van beschikking 91/299 heeft gekritiseerd, is derhalve niet relevant.
157 Bijgevolg is er geen reden om de Commissie bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten om alle interne documenten met betrekking tot de vaststelling van de bestreden beschikking over te leggen.
158 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
— Argumenten van partijen
159 Verzoekster geeft te verstaan dat de vormvoorschriften voor authentisatie die zijn vastgesteld bij het reglement van orde van de Commissie (PB 1999, L 252, blz. 41) dat ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking toepasselijk was, niet in overeenstemming zijn met hetgeen is bepaald in de arresten Commissie/BASF e.a. (punt 82 supra, punten 73-76), en Commissie/Solvay (punt 37 supra, punten 44-49).
160 Artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie dat destijds van kracht was, bevat immers geen enkel vormvoorschrift voor de authentisatie van de bestreden beschikking, die zelf niet is ondertekend, hoewel de naam van het met het mededingingsbeleid belaste lid van de Commissie erin wordt genoemd. Met name is niet bepaald dat de genomen besluiten bij de korte samenvatting moeten worden gevoegd wanneer deze wordt opgesteld, zodat „de authentisatie van deze samenvatting geen rechtstreeks verband heeft met het genomen besluit”. Op dat punt verschilt artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie van artikel 15 van het besluit van de Raad van 5 juni 2000 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 149, blz. 21).
161 Het reglement van orde van de Commissie miskent derhalve het fundamentele karakter van de vormvoorschriften betreffende authentisatie en is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De bestreden beschikking is bijgevolg niet rechtsgeldig gewaarmerkt.
162 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
163 Om te beginnen begrijpt het Gerecht verzoeksters betoog aldus, dat een bepaling van het reglement van orde van de Commissie dat ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking van kracht was, onwettig was.
164 Een dergelijke exceptie van onwettigheid moet ontvankelijk worden geacht.
165 Volgens de rechtspraak strekt de werkingssfeer van artikel 241 EG zich immers ook uit tot de bepalingen van een reglement van orde van een instelling welke, ofschoon zij niet de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking vormen en geen gevolgen sorteren die analoog zijn aan die van een verordening in de zin van dit artikel van het Verdrag, de wezenlijke vormvoorschriften voor de vaststelling van die beschikking bevatten en derhalve de rechtszekerheid van de adressaten van de beschikking waarborgen. Elke adressaat van een beschikking moet immers incidenteel de wettigheid kunnen betwisten van de handeling die bepalend is voor de formele geldigheid van die beschikking, ook al vormt die handeling niet de rechtsgrondslag van de beschikking, aangezien hij de nietigverklaring van die handeling niet heeft kunnen vorderen vooraleer hij officieel in kennis werd gesteld van de omstreden beschikking. Tegen de bepalingen van het reglement van orde van de Commissie die de particulieren beschermen, kan derhalve een exceptie van onwettigheid worden opgeworpen (arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punten 286 en 287).
166 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de exceptie van onwettigheid moet worden beperkt tot hetgeen absoluut noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil.
167 Artikel 241 EG heeft immers niet tot doel, het een partij mogelijk te maken bij de behandeling van ieder door haar ingesteld beroep de toepasselijkheid van welke handeling van algemene strekking dan ook te betwisten. De handeling van algemene strekking waarvan de onwettigheid wordt opgeworpen, moet rechtstreeks of indirect van toepassing zijn op de in het beroep aan de orde gestelde casuspositie, en er moet een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen de bestreden individuele beschikking en de betrokken algemene handeling (zie arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punten 288 en 289 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
168 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bestreden beschikking is geauthentiseerd krachtens artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde. Er bestaat bijgevolg een rechtstreeks juridisch verband tussen deze beschikking en dat artikel van het reglement van orde, waarvan verzoekster de onwettigheid opwerpt. Hieruit volgt dat tegen artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde dat toepasselijk was ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking, een exceptie van onwettigheid kan worden opgeworpen.
169 Derhalve moet worden nagegaan of de bij het reglement van orde van de Commissie vastgestelde vormvoorschriften betreffende de authentisatie al dan niet in overeenstemming zijn met de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel.
170 De referentienorm is in casu artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie in de ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking toepasselijke versie: „De ter vergadering genomen besluiten worden, in de taal of talen waarin zij authentiek zijn, op onscheidbare wijze als bijlage gevoegd bij een korte samenvatting van de inhoud die wordt opgesteld na afloop van de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen. Deze besluiten worden gewaarmerkt door de handtekeningen van de voorzitter en van de secretaris-generaal, die op de laatste bladzijde van de korte samenvatting van de inhoud worden geplaatst.”
171 In het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) is de wettigheid van artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie van 17 februari 1993 (PB L 230, blz. 15) onderzocht, dat luidde: „De ter vergadering […] genomen besluiten worden, in de taal of talen waarin zij authentiek zijn, als bijlage gevoegd bij de notulen van de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen of waarop van de aanneming ervan akte is genomen. Deze besluiten worden gewaarmerkt door de op de eerste bladzijde van deze notulen geplaatste handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal.”
172 In dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de wijze van authentisatie waarin deze bepaling voorziet, op zichzelf voldoende waarborgen biedt om in geval van betwisting te kunnen nagaan, of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenstemmen met de tekst die door het college is vastgesteld, en dus weergeven wat de auteur ervan heeft gewild. Aangezien die tekst als bijlage bij de notulen is gevoegd en op de eerste bladzijde van die notulen de handtekening van de voorzitter en de secretaris-generaal voorkomt, bestaat er tussen die notulen en de documenten waarop zij betrekking hebben, een band die zekerheid biedt omtrent de exacte inhoud en vorm van het besluit van het college. In dit verband moet een gezag worden geacht overeenkomstig de toepasselijke wettelijke regeling te hebben gehandeld zolang de gemeenschapsrechter niet heeft vastgesteld dat de handelwijze van dit gezag niet in overeenstemming was met de regel. De wijze van authentisatie waarin artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde voorzag, moest derhalve wettig worden geacht (arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punten 302-304).
173 Vastgesteld moet worden dat artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie in de ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking toepasselijke versie, voorziet in een formelere authentisatieprocedure dan die welke is onderzocht in het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra).
174 De verschillen tussen beide versies van de tekst zijn immers de volgende: de ter vergadering genomen besluiten worden niet meer alleen als bijlage „gevoegd” bij de notulen, maar „op onscheidbare wijze”; het begrip „notulen” is vervangen door het begrip „korte samenvatting”; de korte samenvatting wordt opgesteld „na afloop van de vergadering”; ten slotte worden de handtekeningen niet meer op de „eerste bladzijde van deze notulen”, maar op de „laatste bladzijde van de korte samenvatting” geplaatst.
175 Deze wijzigingen, in hun geheel genomen, versterken de door de authentisatieprocedure geboden waarborgen, met name om de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel te verzekeren.
176 Artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie dat ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking toepasselijk was, is derhalve niet onwettig.
177 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Derde onderdeel: schending van het recht van verzoekster om opnieuw te worden gehoord
— Argumenten van partijen
178 Verzoekster erkent dat in de punten 246 tot en met 252 van het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) is geoordeeld dat wanneer een beschikking van de Commissie nietig is verklaard wegens een procedurefout, een nieuwe hoorzitting voor de betrokken ondernemingen voorafgaand aan de vaststelling van een nieuwe beschikking alleen is vereist indien deze nieuwe punten van bezwaar bevat.
179 Deze oplossing kan echter niet worden toegepast op de onderhavige feiten. Enerzijds gaat de administratieve procedure op verschillende punten mank, omdat de Commissie in beslag genomen documenten voor een ander doel heeft gebruikt dan dat waarvoor zij ervan kennis mocht nemen en omdat het recht van toegang tot het dossier is geschonden. Anderzijds neemt de bestreden beschikking de analyse over van beschikking 91/297, die nietig is verklaard om andere redenen dan alleen vormfouten en die niet opnieuw is vastgesteld.
180 De nietigverklaring van beschikking 91/297 heeft aldus de rechtsgeldigheid van de maatregelen ter voorbereiding van de bestreden beschikking aangetast. In het arrest Solvay I (punt 35 supra) heeft het Gerecht immers vastgesteld dat de algehele weigering van inzage in documenten door de Commissie verzoeksters rechten van de verdediging heeft geschonden. Deze procedurefout tast overigens zowel de administratieve procedure met betrekking tot de toepassing van artikel 82 EG aan, als die betreffende artikel 81 EG. De Commissie had derhalve de procedure moeten heropenen en haar volledige toegang tot haar dossier geven, en haar vervolgens moeten toestaan al haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen dienaangaande te maken.
181 Bovendien geeft de uitlegging in het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra) blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij het recht om te worden gehoord beperkt tot de mogelijkheid voor de betrokken onderneming om opmerkingen te maken met betrekking tot de jegens haar in aanmerking genomen bezwaren. Elke betrokken onderneming heeft immers evenzeer het recht om te worden gehoord en om opmerkingen in te dienen met betrekking tot de grondslag, de juistheid en het bedrag van de geldboete. Onder verwijzing naar de rechtspraak stelt verzoekster dat de ondernemingen die mogelijk adressaat zijn van een beschikking waarin een door hen gepleegde inbreuk wordt vastgesteld en waarbij hun daarvoor een geldboete wordt opgelegd, de gelegenheid moet worden geboden om reeds in het stadium van de administratieve procedure opmerkingen in te dienen over de geldboete. Verzoekster stelt dat zij op grond van het tijdsverloop in de onderhavige zaak nieuwe opmerkingen had willen maken met betrekking tot de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om haar een geldboete op te leggen en de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede omtrent het bedrag van de geldboete.
182 Verzoekster stelt dat zij na de nietigverklaring van beschikking 91/297 met name had moeten worden gehoord omtrent de interne samenhang van de beoordeling door de Commissie, die de vermeende inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG heeft gepresenteerd alsof zij elkaar ondersteunen, en omtrent de geldigheid van bepaalde verklaringen in de bestreden beschikking met betrekking tot het bestaan van een heimelijke verstandhouding met ICI, die, in strijd met het vermoeden van onschuld, rechtstreeks zijn overgenomen uit beschikking 91/297 of stroken met de opvattingen daarin.
183 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
184 Wanneer de Commissie na de nietigverklaring van een beschikking waarbij ondernemingen worden beboet wegens schending van artikel 81, lid 1, EG, wegens een procedurefout die enkel betrekking had op de wijze waarop deze beschikking door het college van Commissieleden definitief was vastgesteld, een nieuwe beschikking geeft met in wezen dezelfde inhoud en gebaseerd op dezelfde bezwaren, is zij niet verplicht om de betrokken ondernemingen opnieuw te horen (zie in deze zin arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punten 246-253, bevestigd bij arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punten 83-111).
185 Ook de rechtsvragen die in het kader van de toepassing van artikel 233 EG zouden kunnen rijzen, zoals die inzake het tijdsverloop, de mogelijkheid van hervatting van de vervolging, de toegang tot het dossier die inherent zou zijn aan de heropening van de procedure, de inschakeling van de raadadviseur-auditeur en het Adviescomité, en de eventuele implicaties van artikel 20 van verordening nr. 17, noodzaken niet tot een nieuwe hoorzitting, aangezien deze vragen de inhoud van de punten van bezwaar niet wijzigen, de enige die eventueel in aanmerking komen voor toetsing achteraf door de rechter (zie in deze zin arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 93).
186 In casu heeft de Commissie nagenoeg de volledige inhoud van beschikking 91/299 herhaald. Zij heeft de bestreden beschikking alleen aangevuld met een paragraaf over de procedure voor het Gerecht en voor het Hof.
187 In het aan de feiten gewijde onderdeel van de bestreden beschikking heeft de Commissie inderdaad eveneens overwegingen toegevoegd die afkomstig zijn uit beschikking 91/297, die naderhand nietig is verklaard bij het arrest Solvay I (punt 35 supra). Dat onderdeel bevat met name verwijzingen naar ICI.
188 Enerzijds verwees beschikking 91/299, die aan de bestreden beschikking ten grondslag ligt, evenwel uitdrukkelijk naar beschikking 91/297 in verband met details omtrent het product en de markt voor natriumcarbonaat (zie deel I, onder B van beschikking 91/299). In repliek erkent verzoekster trouwens dat de in de bestreden beschikking overgenomen paragrafen van beschikking 91/297 een „integrerend deel” uitmaken van beschikking 91/299.
189 Anderzijds zijn deze gegevens, die alleen feitelijk van aard zijn, niet relevant voor de in de onderhavige zaak aan verzoekster verweten inbreuken. De in casu aan verzoekster verweten gedraging betreft immers misbruik van een machtspositie, en niet een met een andere onderneming gesloten overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
190 Derhalve moet worden vastgesteld dat de bestreden beschikking en beschikking 91/299 in wezen dezelfde inhoud hebben en op dezelfde gronden zijn gebaseerd.
191 Bijgevolg was de Commissie, overeenkomstig de in de punten 184 en 185 aangehaalde rechtspraak, in casu niet verplicht verzoekster vóór het vaststellen van de bestreden beschikking opnieuw te horen.
192 Overigens zijn de argumenten die zijn ontleend aan het gebruik van in strijd met verordening nr. 17 verkregen documenten en de schending van het recht van toegang tot het dossier voorwerp van zelfstandige grieven, en derhalve zullen zij elders worden onderzocht.
193 Uit het voorgaande volgt dat het derde onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.
Vierde onderdeel: ontbreken van een nieuwe raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities
— Argumenten van partijen
194 Verzoekster betwist de beoordeling in de punten 254 tot en met 257 van het arrest PVC II van het Gerecht (punt 43 supra), volgens welke een nieuwe raadpleging van het Adviescomité in deze zaak niet was vereist. Anders dan het Gerecht in dat arrest heeft geoordeeld, vloeit de verplichting om het Adviescomité te raadplegen volgens haar niet voort uit artikel 1 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB 127, blz. 2268), dat enkel de chronologische volgorde van de te volgen procedure regelt, maar uit artikel 10 van verordening nr. 17, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie. Hoewel de raadpleging van het Adviescomité een belangrijke procedurele waarborg vormt, wordt er daarenboven een ander doel mee nagestreefd dan het eenvoudig horen van de door het ontwerp van een beschikking geraakte onderneming, zoals blijkt uit het feit dat wanneer de onderneming ervan afziet om te worden gehoord, de Commissie niet is ontslagen van de verplichting om het Adviescomité te raadplegen.
195 Derhalve had het Adviescomité in casu moeten worden geraadpleegd over het voornemen van de Commissie om ten gevolge van het arrest Commissie/Solvay (punt 37 supra) de bestreden beschikking vast te stellen, met name omtrent de vraag inzake de eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn.
196 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
197 Artikel 10 van verordening nr. 17, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, bepaalt: „3. Alvorens een beschikking naar aanleiding van een procedure als bedoeld in lid 1 of inzake de verlenging, de wijziging of de intrekking van een beschikking, bedoeld in artikel [81], lid 3, [EG], te geven, wordt een Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities geraadpleegd. […] 5. De raadpleging vindt plaats op uitnodiging van de Commissie in een gemeenschappelijke bijeenkomst, op zijn vroegst twee weken na de verzending der convocaties. Hierbij wordt een uiteenzetting van de zaak gevoegd, alsmede een opgave van de voornaamste documenten van het dossier en een voorontwerp van een beschikking voor elk der te onderzoeken gevallen.”
198 Artikel 1 van verordening nr. 99/63 bepaalt overigens: „Alvorens het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities te raadplegen, hoort de Commissie de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen overeenkomstig artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17.”
199 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 1 van verordening nr. 99/63 dat het horen van de belanghebbende ondernemingen en de raadpleging van het Adviescomité in dezelfde situaties vereist zijn (arrest Hof van 21 september 1989, Hoechst/Commissie, 46/87 en 227/88, Jurispr. blz. 2859, punt 54, en arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 115).
200 Verordening nr. 99/63 is vervangen door verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB L 354, blz. 18), die van kracht was toen de bestreden beschikking werd vastgesteld en waarvan artikel 2, lid 1, is gesteld in bewoordingen die nauw aansluiten bij die van artikel 1 van verordening nr. 99/63.
201 In casu stelt het Gerecht vast dat volgens de bestreden beschikking het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities voorafgaand aan beschikking 91/299 is geraadpleegd. Verzoekster betwist niet dat deze raadpleging heeft plaatsgevonden, noch de regelmatigheid ervan.
202 Aangezien de bestreden beschikking geen substantiële wijzigingen bevat ten opzichte van beschikking 91/299, was de Commissie, die niet verplicht was om verzoekster voor de vaststelling van de bestreden beschikking opnieuw te horen, derhalve evenmin verplicht om het Adviescomité opnieuw te raadplegen (zie in deze zin arrest PVC II van het Hof, punt 55 supra, punt 118).
203 Het vierde onderdeel van het tweede middel moet bijgevolg worden afgewezen.
Vijfde onderdeel: onregelmatige samenstelling van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities
— Argumenten van partijen
204 Verzoekster voert aan dat na de raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, die heeft plaatsgevonden vóór de vaststelling van beschikking 91/299 en van de bestreden beschikking, op 1 januari 1995 drie staten zijn toegetreden tot de Gemeenschap. Aangezien dat Adviescomité bestaat uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat, was het niet meer rechtsgeldig samengesteld toen de Commissie het ontwerp heeft vastgesteld dat tot de vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid. De Commissie had derhalve moeten overgaan tot een nieuwe raadpleging van het regelmatig samengesteld Adviescomité.
205 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
206 Artikel 10, lid 4, van verordening nr. 17, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, bepaalt: „Het Adviescomité is samengesteld uit ambtenaren die bevoegd zijn op het gebied van mededingingsregelingen en economische machtsposities. Elke lidstaat wijst een ambtenaar aan die hem vertegenwoordigt; deze ambtenaar kan in geval van verhindering door een andere ambtenaar worden vervangen.”
207 Volgens de rechtspraak tast de wijziging van de samenstelling van een instelling niet de continuïteit van de instelling zelf aan, waarvan de definitieve of voorbereidende handelingen in beginsel hun volledige werking behouden (arrest Hof van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 36).
208 Bovendien bestaat er geen algemeen beginsel van gemeenschapsrecht volgens hetwelk de samenstelling van een administratief orgaan onveranderd moet blijven zolang voor dat orgaan een procedure aanhangig is welke tot een geldboete kan leiden (arrest PVC II van het Gerecht, punt 43 supra, punten 322 en 323).
209 Hieruit volgt dat de Commissie niet verplicht was het Adviescomité opnieuw te horen na de toetreding van drie nieuwe staten tot de Gemeenschap.
210 Het vijfde onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.
Zesde onderdeel: gebruik van in strijd met verordening nr. 17 verkregen documenten
— Argumenten van partijen
211 Verzoekster herinnert eraan dat krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, de Commissie verificaties bij ondernemingen kan gelasten bij een beschikking die melding maakt van voorwerp en doel van de verificatie, en dat krachtens artikel 20, lid 1, van die verordening, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, de krachtens artikel 14 ingewonnen inlichtingen slechts mochten worden gebruikt voor het doel waarvoor zij waren gevraagd.
212 In casu was in de verificatiebeschikking van 5 april 1989, op grond waarvan de Commissie in de kantoren van verzoekster en van haar dochterondernemingen in Duitsland en Spanje verificaties heeft verricht, alleen sprake van artikel 81 EG, en in die beschikking werden de zes betrokken producenten gelast om zich te onderwerpen aan een verificatie met betrekking tot, enerzijds, hun mogelijke deelname aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de afscherming van nationale markten en heimelijke verstandhouding over prijzen voor natriumcarbonaat en, anderzijds, met betrekking tot de uitvoering van exclusieve leveringsafspraken met afnemers die de concurrentie zouden kunnen beperken of uitsluiten en de rigiditeit van de natriumcarbonaatmarkt in de Gemeenschap versterken.
213 Uit documenten die een van de ambtenaren die de verificatie heeft verricht in verzoeksters kantoren heeft achtergelaten, blijkt verder dat de Commissie niet over voorafgaande aanwijzingen, verdenkingen of wat voor vermoeden dan ook omtrent een schending van artikel 82 EG beschikte. Bovendien was de Commissie geïnteresseerd in de relaties met klanten, aangezien de met hen gesloten overeenkomsten een marktverdelingsovereenkomst konden vormen. Daarenboven blijkt volgens verzoekster uit een briefwisseling tussen haar en de Commissie dat laatstgenoemde op 22 mei 1989 het door verzoekster uitdrukkelijk gemaakte voorbehoud heeft aanvaard, dat ertoe strekte om het gebruik van de verkregen documenten voor een ander doel dan de verificaties in het kader van een procedure krachtens artikel 81, lid 1, EG, te verbieden.
214 Verzoekster merkt verder op dat de Commissie haar op 21 juni 1989, en een van haar Duitse dochterondernemingen, namelijk DSW, op 8 juli 1989, verzoeken om inlichtingen heeft doen toekomen. Anders dan de verificatiebeschikking hadden deze verzoeken zowel betrekking op artikel 81 EG als op artikel 82 EG. Verzoekster stelt dat het aan haar gerichte verzoek eveneens vermeldt dat de Commissie onderzoek deed naar de „verenigbaarheid met de mededingingsregels van leveringsovereenkomsten met afnemers, die beogen de exclusieve levering door middel van discriminerende getrouwheidskortingen veilig te stellen”.
215 Verzoekster erkent dat de Commissie de door haar tijdens de verificatie ontdekte documenten in beslag mocht nemen voor zover zij binnen de werkingssfeer van de verificatiebeschikking vielen en dat zij een onderzoek mocht instellen naar het bestaan van een vermeende inbreuk op artikel 82 EG, waarvan zij ten gevolge van de verrichte verificaties kennis had gekregen. Volgens verzoekster mocht de Commissie deze documenten, die in beslag zijn genomen in het kader van de latere procedure tot vaststelling van het bestaan van een vermeende inbreuk op artikel 82 EG, daarentegen alleen gebruiken als grondslag van het besluit om die procedure in te leiden. De overgrote meerderheid van de documenten die worden genoemd in het onderdeel van de mededeling van punten van bezwaar met betrekking tot het vermeende misbruik van een machtspositie, zijn echter klaarblijkelijk in beslag genomen tijdens de bij haar en haar dochterondernemingen verrichte verificaties. De Commissie heeft de litigieuze documenten derhalve gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verkregen. Zodoende heeft de Commissie verzoeksters rechten van de verdediging en de geheimhoudingsplicht, zoals deze door artikel 14, lid 3, en artikel 20, lid 1, van verordening nr. 17, in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie, worden gewaarborgd, geschonden.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex