Gerecht EU 9 september 2009, T-227/01, ECLI:EU:T:2009:315
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer — uitgebreid)
9 september 2009 ( *1 )
„Staatssteun — Door territoriale entiteit van lidstaat verleende belastingvoordelen — Belastingkrediet van 45% van investeringsbedrag — Beschikkingen waarbij steunregelingen onverenigbaar met gemeenschappelijke markt worden verklaard en terugvordering van uitbetaalde steun wordt gelast — Beroepsvereniging — Ontvankelijkheid — Kwalificatie als nieuwe steun dan wel als bestaande steun — Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen — Rechtszekerheidsbeginsel — Evenredigheidsbeginsel”
In de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01,
Territorio Histórico de Álava — Diputación Foral de Álava (Spanje),
Comunidad autónoma del País Vasco — Gobierno Vasco (Spanje),
aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Falcón Tella, vervolgens door M. Morales Isasi en I. Sáenz-Cortabarría Fernández, advocaten,
verzoekers in zaak T-227/01,
ondersteund door
Cámara Oficial de Comercio e Industria de Álava (Spanje), vertegenwoordigd door I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten,
en door
Confederación Empresarial Vasca (Confebask), gevestigd te Bilbao (Spanje), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Araujo Boyd en R. Sanz, vervolgens door M. Araujo Boyd, L. Ortiz Blanco en V. Sopeña Blanco, advocaten,
interveniëntes,
Territorio Histórico de Vizcaya — Diputación Foral de Vizcaya (Spanje),
Comunidad autónoma del País Vasco — Gobierno Vasco,
aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Falcón Tella, vervolgens door M. Morales Isasi en I. Sáenz-Cortabarría Fernández, advocaten,
verzoekers in zaak T-228/01,
ondersteund door
Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Vizcaya (Spanje), vertegenwoordigd door I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten,
en door
Confederación Empresarial Vasca (Confebask), gevestigd te Bilbao, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Araujo Boyd en R. Sanz, vervolgens door M. Araujo Boyd, L. Ortiz Blanco en V. Sopeña Blanco, advocaten,
interveniëntes,
Territorio Histórico de Guipúzcoa — Diputación Foral de Guipúzcoa (Spanje),
Comunidad autónoma del País Vasco — Gobierno Vasco, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Falcón Tella, vervolgens door M. Morales Isasi en I. Sáenz-Cortabarría Fernández, advocaten,
verzoekers in zaak T-229/01,
ondersteund door
Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Guipúzcoa (Spanje), vertegenwoordigd door I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten,
en door
Confederación Empresarial Vasca (Confebask), gevestigd te Bilbao, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Araujo Boyd en R. Sanz, vervolgens door M. Araujo Boyd, L. Ortiz Blanco en V. Sopeña Blanco, advocaten,
interveniëntes,
Confederación Empresarial Vasca (Confebask), gevestigd te Bilbao, vertegenwoordigd door M. Araujo Boyd, L. Ortiz Blanco en V. Sopeña Blanco, advocaten,
verzoekster in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Buendía Sierra, vervolgens door F. Castillo de la Torre en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Comunidad autónoma de La Rioja (Spanje), aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bretón Rodríguez, vervolgens door J. Criado Gámez en I. Serrano Blanco, advocaten,
interveniënte,
betreffende, in de zaken T-227/01 en T-265/01, een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2002/820/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 296, blz. 1), in de zaken T-228/01 en T-266/01, een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2003/27/EG van de Commissie van inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Vizcaya in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2003, L 17, blz. 1), en, in de zaken T-229/01 en T-270/01, een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2002/894/EG van de Commissie van inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Guipúzcoa in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 314, blz. 26),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer — uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, E. Martins Ribeiro, F. Dehousse (rapporteur), D. Šváby en K. Jürimäe, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
I — Communautaire regelgeving
1 Artikel 87 EG bepaalt: „1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. […] 3. Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd: a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst; […] c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad; […]”
2 Artikel 88 EG luidt: „1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist. 2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn. […] 3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”
3 In artikel 1 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1), wordt bepaald: „Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: […] b) ‚bestaande steun’: i) […] alle steun die voor de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn; ii) goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd; […] v) steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van inwerkingtreding geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het Gemeenschapsrecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd; c) ‚nieuwe steun’: alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun; […] f) ‚onrechtmatige steun’, nieuwe steun die in strijd met artikel [88], lid 3, [EG] tot uitvoering wordt gebracht; […]”
4 Volgens de artikelen 2, lid 1, en 3 van verordening nr. 659/1999 „wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld” en mag dit niet worden uitgevoerd, „alvorens de Commissie een beschikking tot goedkeuring van die steun heeft gegeven of wordt geacht die te hebben gegeven”.
5 Met betrekking tot de niet-aangemelde maatregelen bepaalt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 659/1999: „Indien de Commissie, uit welke bron ook, over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, onderwerpt zij die informatie onverwijld aan een onderzoek.” In artikel 13, lid 1, van deze verordening wordt bepaald dat dit onderzoek, in voorkomend geval, resulteert in een besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure. Volgens artikel 13, lid 2, van deze verordening is de Commissie niet gebonden aan de termijnen die gelden bij een eerste onderzoek en bij de formele onderzoeksprocedure in geval van aangemelde steun.
6 Artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 luidt: „Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […] De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht.”
7 De mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB 1998, C 384, blz. 3; hierna: „mededeling van 1998 over fiscale steun aan ondernemingen”), bevat onder meer bepalingen met betrekking tot het onderscheid tussen steunmaatregelen en algemene maatregelen. De punten 13 en 14 van deze mededeling luiden: „13. Belastingmaatregelen waarvan alle op het grondgebied van een lidstaat werkzame ondernemingen kunnen profiteren, zijn in principe algemene maatregelen […] Mits zij zonder onderscheid van toepassing zijn op alle ondernemingen en alle producties, vormen onderstaande maatregelen geen steunmaatregelen van de staten: — zuiver belastingtechnische maatregelen […], — maatregelen die zijn gericht op een doelstelling van algemeen economisch beleid door een verlichting van de belastingdruk op bepaalde productiekosten […] 14. Het feit dat sommige ondernemingen of sectoren meer dan andere van een aantal van deze belastingmaatregelen profiteren, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat zij binnen de werkingssfeer van de mededingingsregels voor staatssteun komen te vallen. Zo hebben maatregelen ter verlichting van de belastingdruk op arbeid die voor alle ondernemingen gelden, een relatief belangrijker effect voor arbeidintensieve bedrijfstakken dan voor kapitaalintensieve bedrijfstakken, maar daarom zijn deze maatregelen nog niet noodzakelijk staatssteun […]”
8 Steun in verband met investeringen wordt in voetnoot 1 van bijlage I bij de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB 1998, C 74, blz. 9), zoals gewijzigd (PB 2000, C 258, blz. 5; hierna: „richtsnoeren van 1998”), omschreven als volgt: „Fiscale steun kan worden beschouwd als steun die verband houdt met investeringen, indien de grondslag ervan die investering is. Voorts kan alle fiscale steun onder deze categorie worden gebracht, indien een maximum ervoor is bepaald dat wordt uitgedrukt als percentage van de investering […]”
II — Nationale regelgeving
9 Het in Spaans Baskenland geldende belastingstelsel wordt beheerst door de economische samenwerkingsregeling, die is ingevoerd bij Spaanse wet 12/1981 van 13 mei 1981, laatstelijk gewijzigd bij wet 38/1997 van .
10 Krachtens deze wettelijke regeling kunnen de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa (Spanje) onder bepaalde voorwaarden het op hun respectieve grondgebieden geldende belastingstelsel organiseren. Zij hebben in dat kader verschillende maatregelen tot belastingvermindering vastgesteld, met name de in de onderhavige beroepen aan de orde zijnde belastingkredieten van 45%.
A — Bij de belastingregeling van het Territorio Histórico de Álava ingevoerd belastingkrediet
11 De zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 houdende uitvoering van de begroting van het Territorio Histórico de Álava voor het jaar 1995 (hierna: „zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 de Álava”), luidt als volgt: „Tussen 1 januari 1995 en gedane investeringen in nieuwe materiële vaste activa, die 2500 miljoen [Spaanse peseta’s (ESP)] overschrijden, volgens het besluit van de Diputación Foral de Álava, komen in aanmerking voor het belastingkrediet van 45% van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de Diputación Foral de Álava, dat wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting. De aftrekken die niet worden toegepast omdat onvoldoende belasting verschuldigd is, kunnen worden toegepast gedurende de negen jaar volgende op dat waarin het besluit van de Diputación Foral de Álava is goedgekeurd. In dit besluit van de Diputación Foral de Álava worden tevens de termijnen en de maximumbedragen vastgelegd die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn. De in het kader van deze bepaling toegestane voordelen zijn onverenigbaar met elk ander, op dezelfde investering van toepassing zijnd belastingvoordeel. De Diputación Foral de Álava stelt tevens de duur van het investeringsproces vast, dat zich ook kan uitstrekken tot investeringen die zijn gedaan in de voorbereidingsfase van het project waarop de investeringen betrekking hebben.”
12 De geldigheidsduur van deze bepaling is voor 1996 verlengd bij de vijfde aanvullende bepaling van Norma Foral 33/1995 van 20 december 1995, zoals gewijzigd bij punt 2.11 van de enige uitzonderingsbepaling op Norma Foral 24/1996 van , waarbij de verwijzing naar negen jaar in de tweede alinea van de zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 van Álava is geschrapt. Voor 1997 is de belastingmaatregel verlengd bij de zevende aanvullende bepaling van Norma Foral 31/1996 van .
13 Het belastingkrediet van 45% van het investeringsbedrag is in gewijzigde vorm voor 1998 en 1999 gehandhaafd bij de elfde aanvullende bepaling van Norma Foral 33/1997 van 19 december 1997 respectievelijk de zevende aanvullende bepaling van Norma Foral 36/1998 van . Daarin werd met name bepaald: „[…] voor investeringen die vanaf 1 januari [1998/1999] zijn gestart en die meer dan 2500 miljoen [Spaanse peseta’s] bedragen, zal een belastingkrediet van 45% van het bedrag van de investering worden verleend. Dit krediet wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting. […] In de duur van het investeringsproces worden de investeringen betrokken die zijn gedaan in de voorbereidingsfase van het project waarop de investeringen betrekking hebben en die in noodzakelijke en rechtstreekse betrekking tot genoemd investeringsproces staan. Voor de toepassing van het belastingkrediet waarop deze algemene bepaling betrekking heeft is vereist dat deze door de belastingplichtige aan de Diputación Foral de Álava wordt meegedeeld op het formulier dat daartoe door de Diputado Foral de Hacienda, Finanzas y Presupuestos wordt goedgekeurd.”
14 Dit belastingkrediet is voor de jaren na 1999 niet meer verlengd.
B — Bij de belastingregeling van de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa ingevoerd belastingkrediet
15 De vierde aanvullende bepaling van Norma Foral 7/1996 van Vizcaya van 26 december 1996, verlengd bij de tweede aanvullende bepaling van Norma Foral 4/1998 van , en de in soortgelijke bewoordingen geformuleerde tiende aanvullende bepaling van Norma Foral 7/1997 van Guipúzcoa van , luiden: „Sedert 1 januari 1997 gedane investeringen in nieuwe materiële vaste activa, die 2500 miljoen [Spaanse peseta’s] overschrijden volgens het besluit van de Diputación Foral de [Vizcaya/Guipúzcoa], komen in aanmerking voor een belastingkrediet van 45% van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de Diputación Foral de [Vizcaya/Guipúzcoa], dat wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting. De aftrekken die niet worden toegepast omdat onvoldoende belasting verschuldigd is, kunnen worden toegepast gedurende de vijf fiscale jaren volgende op dat waarin het besluit tot toekenning van het krediet is goedgekeurd. De periode waarin de aftrek kan plaatsvinden, kan ingaan in het eerste jaar waarin binnen de verjaringstermijn positieve resultaten worden geboekt. In het in de eerste alinea bedoelde besluit worden de termijnen en de maximumbedragen vastgelegd die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn. De in het kader van deze bepaling toegestane voordelen zijn onverenigbaar met elk ander, op dezelfde investering van toepassing zijnd belastingvoordeel. De Diputación Foral de [Vizcaya/Guipúzcoa] stelt tevens de duur van het investeringsproces vast, dat zich ook kan uitstrekken over investeringen die zijn gedaan in de voorbereidingsfase van het project waarop de investeringen, ten aanzien waarvan het belastingvoordeel werd verleend, betrekking hebben.”
16 Deze bepalingen zijn, wat het Territorio Histórico de Vizcaya betreft, ingetrokken bij Norma Foral 7/2000 van 19 juli 2000 en, wat het Territorio Histórico de Guipúzcoa betreft, bij Norma Foral 3/2000 van .
Feiten van het geding
17 Naar aanleiding van de procedures die zijn ingeleid na de klachten in juni 1996 en in oktober 1997 tegen de toekenning in het Territorio Histórico de Álava van een belastingkrediet van 45% aan Daewoo Electronics Manufacturing España SA (Demesa), alsmede aan Ramondín SA en aan Ramondín Cápsulas SA (Ramondín), vernam de Commissie het bestaan van de bepalingen waarin dit belastingkrediet werd geregeld. Zij maakt hiervan melding in punt 1 van haar beschikkingen 2002/820/EG van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 296, blz. 1); 2003/27/EG van inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Vizcaya in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2003, L 17, blz. 1), en 2002/894/EG van inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Guipúzcoa in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 314, blz. 26) (hierna tezamen: „bestreden beschikkingen”). Zij heeft ook informele inlichtingen ontvangen volgens welke in de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa soortgelijke maatregelen bestonden (punt 1 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894).
18 Op 17 maart 1997 heeft de Commissie vertegenwoordigers van de regering van La Rioja (Spanje) en van de sociale partners van La Rioja ontvangen.
19 Bij brieven van 15 maart 1999 aan de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje heeft de Commissie verzocht om inlichtingen over de door de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa vastgestelde maatregelen.
20 Bij brieven van 13 april en van hun permanente vertegenwoordiging hebben de Spaanse autoriteiten achtereenvolgens om verlenging van de voor beantwoording gestelde termijn verzocht. Bij brief van hebben de diensten van de Commissie de tweede verlenging geweigerd.
21 Bij brief van 2 juni 1999 van hun permanente vertegenwoordiging hebben de Spaanse autoriteiten informatie over de betrokken belastingkredieten verstrekt.
22 Bij brieven van 17 augustus 1999 heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje haar besluit meegedeeld om de formele onderzoeksprocedure in te leiden ter zake van de drie regelingen waarbij de betrokken belastingkredieten werden voorzien. Tegen deze besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure [besluiten van de Commissie betreffende het in de wettelijke regeling van de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa bedoelde belastingkrediet (PB 1999, C 351, blz. 29), en betreffende het in de wettelijke regeling van het Territorio Histórico de Álava bedoelde belastingkrediet (PB 2000, C 71, blz. 8)], zijn beroepen tot nietigverklaring ingesteld die door het Gerecht zijn verworpen (arrest Gerecht van , Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie, T-269/99, T-271/99 en T-272/99, Jurispr. blz. II-4217).
23 In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure betreffende het in de wettelijke regeling van het Territorio Histórico de Álava bedoelde belastingkrediet heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje met name gevraagd haar inlichtingen te verstrekken over de eventuele fiscale steun in de vorm van belastingkredieten in de periode 1986-1994, over de besluiten tot verlening van steun in de jaren 1995 tot 1997 en over de mededelingen van de belanghebbenden die volgens het officiële model voor de periode 1998-1999 zijn opgesteld. Zij verzocht derhalve dat daarin ten minste worden vermeld: de aard van de investeringskosten die voor steun in aanmerking komen, het bedrag van het belastingkrediet van elke begunstigde, de aan elke begunstigde uitgekeerde steun en het saldo van de nog te betalen bedragen, de eventuele indeling van de begunstigden als onderneming in moeilijkheden overeenkomstig de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, de bijzonderheden in geval van cumulatie (bedrag, subsidiabele kosten, eventueel toegepaste steunregelingen, enz.), alsook de nauwkeurige en gedetailleerde omschrijving van de begrippen „investering” en „investeringen in de voorbereidingsfase”.
24 Bij brieven van hun permanente vertegenwoordiging van 9 november 1999, die op zijn ingeschreven, hebben de Spaanse autoriteiten hun opmerkingen ingediend, volgens welke geen sprake was van staatssteun, waardoor het volgens hen niet noodzakelijk was informatie te verstrekken over de besluiten tot verlening van de belastingkredieten, waarom de Commissie in haar besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure had gevraagd.
25 Na de bekendmaking van de besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure in het Publicatieblad van de Europese Unie (zie punt 22 hierboven), heeft de Commissie in januari 2000 opmerkingen van derden ontvangen met betrekking tot de door de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa vastgestelde maatregelen, en in maart en april 2000 met betrekking tot het Territorio Histórico de Álava.
26 Bij brieven van 1 maart 2000 betreffende de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa en bij brief van met betrekking tot het Territorio Histórico de Álava heeft de Commissie deze opmerkingen aan het Koninkrijk Spanje doorgezonden voor commentaar. Hoewel de Spaanse autoriteiten om een verlenging van de antwoordtermijn met 20 dagen hebben verzocht, hebben zij geen opmerkingen ingediend.
Bestreden beschikkingen
27 Bij de bestreden beschikkingen heeft de Commissie de door de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa ingevoerde belastingkredieten van 45% van de investeringen als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun aangemerkt.
28 In de bestreden beschikkingen stelt de Commissie zich in de eerste plaats op het standpunt dat de betrokken belastingkredieten staatssteun vormen. Zij verklaart dat de kredieten de begunstigden namelijk een voordeel verschaffen, dat bestaat in een verlichting van de normaal gesproken op hun begroting rustende lasten, en een verlies aan belastingopbrengsten voor de betrokken lagere overheid inhouden. Dit voordeel heeft een ongunstige invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten. De betrokken belastingkredieten zijn selectief van aard, aangezien zij bepaalde ondernemingen begunstigen die investeringen van meer dan 2500 miljoen Spaanse peseta’s (ESP) doen. Subsidiair volgt deze specifieke aard ook uit het bestaan van de discretionaire bevoegdheid van de belastingdienst bij de uitvoering van de betrokken regelingen en van haar beoordelingsmarge bij de bepaling van het investeringsbedrag en van het investeringsproces, nu nauwkeurige definities van deze begrippen ontbreken. De Commissie voegt eraan toe dat de belastingkredieten gericht zijn op een doelstelling van economisch beleid die niet in het belastingstelsel besloten ligt, en niet door de aard en de opzet van het Spaanse belastingstelsel worden gerechtvaardigd.
29 In de tweede plaats stelt de Commissie vast dat de belastingkredieten onrechtmatige steun vormen. De de-minimisregel is volgens haar niet van toepassing en er is geen sprake van bestaande steun. Zij wijst ook het argument af inzake de schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid, omdat het gaat om nieuwe, niet-aangemelde steunmaatregelen en omdat zij volgens haar geen nauwkeurige toezegging heeft gedaan die gegronde verwachtingen in de rechtmatigheid en de verenigbaarheid van de betrokken steunmaatregelen kon wekken.
30 In de derde plaats is de Commissie de mening toegedaan dat de betrokken steunregelingen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn. De belastingkredieten lijken volgens haar namelijk, althans gedeeltelijk, te voldoen aan de bij de richtsnoeren van 1998 gestelde voorwaarden (zie punt 8 hierboven), omdat zij enerzijds investeringskosten als grondslag hebben en anderzijds ten belope van 45% van de investering worden uitbetaald. Voor hen kan echter niet een van de regionale uitzonderingen van artikel 87, lid 3, EG gelden. De Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa komen immers niet in aanmerking voor de uitzondering van artikel 87, lid 3, sub a, EG omdat hun bruto nationaal product per inwoner te hoog is. De litigieuze steunmaatregelen kunnen ook niet op basis van artikel 87, lid 3, sub c, EG worden goedgekeurd, aangezien de omvang van de belastingkredieten de in de achtereenvolgende regionale-steunkaarten bedoelde maxima overschrijdt. Bovendien kunnen de litigieuze bepalingen betrekking hebben op investeringen met het oog op vervanging, alsmede op uitgaven in verband met de „investeringsprocessen” en de „investeringen in de voorbereidingsfase”. Bij gebreke van een nauwkeurige definitie van deze termen kan niet worden uitgesloten dat het voorwerp van de betrokken steunmaatregelen uitgaven omvat die niet kunnen worden beschouwd als investeringskosten overeenkomstig de ter zake toepasselijke communautaire voorschriften.
31 Steun voor investeringskosten die niet onder de definitie volgens het gemeenschapsrecht vallen, kan verder als in beginsel verboden exploitatiesteun worden beschouwd. De Commissie is in dit verband van mening dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de afwijkingen van artikel 87, lid 3, sub a en c, EG in casu niet zijn vervuld. Zij merkt bovendien op dat bij gebreke van sectorale beperkingen de belastingkredieten van 45% niet aan de sectorale voorschriften kunnen voldoen. Ten slotte stelt de Commissie vast dat de betrokken steunmaatregelen ook niet in aanmerking kunnen komen voor de andere afwijkingen van artikel 87, leden 2 en 3, EG, zodat zij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn.
32 Derhalve stelt de Commissie zich in artikel 1 van de bestreden beschikkingen op het standpunt dat de litigieuze Normas Forales met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormen die het Koninkrijk Spanje in de provincies Álava, Vizcaya en Guipúzcoa onrechtmatig heeft toegekend.
33 Artikel 2 van de bestreden beschikkingen bepaalt dat het Koninkrijk Spanje de in artikel 1 bedoelde steunregeling intrekt.
34 In artikel 3 van de bestreden beschikkingen wordt in de volgende bewoordingen terugvordering van de steun verlangd: „1. [Het Koninkrijk] Spanje neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen. [Het Koninkrijk] Spanje heft alle uitkeringen van nog niet uitbetaalde steun op. 2. De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun aan de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van nationale steunregelingen.”
35 Artikel 4 van de bestreden beschikkingen bepaalt dat het Koninkrijk Spanje de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking meedeelt welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen. Artikel 5 van beschikking 2002/820 preciseert dat deze geen betrekking heeft op de aan Demesa en aan Ramondín verleende steun. In artikel 5 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894, alsmede in artikel 6 van beschikking 2002/820 wordt bepaald dat de bestreden beschikkingen zijn gericht tot het Koninkrijk Spanje.
36 In het kader van een door de Commissie ingesteld beroep heeft het Hof vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje zijn verplichtingen niet is nagekomen omdat het de bestreden beschikkingen niet heeft uitgevoerd (arrest Hof van 14 december 2006, Commissie/Spanje, C-485/03–C-490/03, Jurispr. blz. I-11887).
Procesverloop
37 Bij drie verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 september 2001, hebben de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa en de Comunidad autónoma del País Vasco — Gobierno Vasco de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 ingesteld.
38 Bij op 22 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft de Confederación Empresarial Vasca (Confebask) de beroepen in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 ingesteld.
39 Bij op 21 december 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft de Comunidad autónoma de La Rioja verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 aan de zijde van de Commissie.
40 Bij op 4 januari 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Círculo de Empresarios Vascos, de Cámara Oficial de Comercio e Industria de Álava alsmede de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende het beroep in zaak T-227/01 aan de zijde van verzoekers; de Círculo de Empresarios Vascos, de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Vizcaya alsmede de Territorios Históricos de Álava en Guipúzcoa hebben verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende het beroep in zaak T-228/01 aan de zijde van verzoekers; de Círculo de Empresarios Vascos, de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Guipúzcoa alsmede de Territorios Históricos de Álava en Vizcaya hebben verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende het beroep in zaak T-229/01 aan de zijde van verzoekers.
41 Bij op 11 januari 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft Confebask verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 aan de zijde van verzoekers.
42 Bij op 16 januari 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft de Comunidad autónoma de La Rioja verzocht om toelating tot interventie in de procedure betreffende de beroepen in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 aan de zijde van de Commissie.
43 Bij beschikkingen van 10 september 2002 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de procedure in elk van de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 geschorst totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan op de hogere voorzieningen tegen de arresten van het Gerecht van , Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-127/99, T-129/99 en T-148/99, Jurispr. blz. II-1275; hierna: „arrest Demesa”), en Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-92/00 en T-103/00, Jurispr. blz. II-1385; hierna: „arrest Ramondín”). In deze twee arresten heeft het Gerecht beslist op de beroepen tegen twee beschikkingen van de Commissie, waarbij de verlening aan Demesa en aan Ramondín van belastingvoordelen in het Territorio Histórico de Álava [beschikking 1999/718/EG van de Commissie van betreffende steunmaatregelen van Spanje ten gunste van Demesa (PB L 292, blz. 1), en beschikking 2000/795/EG van de Commissie van inzake de steun die door Spanje aan Ramondín SA en Ramondín Cápsulas SA is verleend (PB 2000, L 318, blz. 36)], als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun was gekwalificeerd.
44 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vijfde kamer, en zijn de onderhavige zaken naar de Vijfde kamer (uitgebreid) verwezen.
45 Bij de arresten van het Hof van 11 november 2004, Demesa en Territorio Histórico de Álava/Commissie (C-183/02 P en C-187/02 P, Jurispr. blz. I-10609), en Ramondín e.a./Commissie (C-186/02 P en C-188/02 P, Jurispr. blz. I-10653), zijn de hogere voorzieningen tegen de arresten Demesa en Ramondín (punt 43 supra) afgewezen.
46 Op 10 januari 2005 heeft het Gerecht (Vijfde kamer — uitgebreid) in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen gevraagd naar de gevolgen die de arresten Demesa en Territorio Histórico de Álava/Commissie en Ramondín e.a./Commissie (punt 45 supra) voor de onderhavige beroepen zouden kunnen hebben.
47 Bij memorie van 3 februari 2005 hebben verzoekers eerst hun standpunten met betrekking tot deze arresten uiteengezet en vervolgens hun beroepen gehandhaafd.
48 De Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa alsmede de Comunidad autonóma del País Vasco hebben echter afgezien van de eerste twee middelen van hun verzoekschriften in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01.
49 Bij beschikkingen van 9 september 2005 heeft de president van het Gerecht (Vijfde kamer — uitgebreid) het verzoek tot interventie van Confebask in de procedure betreffende de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 aan de zijde van verzoekers toegewezen. Interveniënte heeft haar memories neergelegd, verzoekers hebben geen bijzondere opmerkingen daarover gemaakt en de Commissie heeft haar opmerkingen binnen de gestelde termijn ingediend.
50 Bij beschikkingen van 9 en heeft de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht het verzoek tot interventie van de Comunidad autónoma de La Rioja aan de zijde van de Commissie in de procedures betreffende de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 respectievelijk T-227/01 tot en met T-229/01 toegewezen. Interveniënte heeft haar memories neergelegd. Verzoekster in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 heeft haar opmerkingen ingediend. Verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 hebben te kennen gegeven dat zij hadden niets op te merken. De Commissie heeft geen opmerkingen ingediend.
51 Bij beschikkingen van 10 januari 2006 heeft de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht het verzoek tot interventie van de Cámara Oficial de Comercio e Industria de Álava, de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Vizcaya en de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Guipúzcoa in de zaken T-227/01, T-228/01 respectievelijk T-229/01 toegewezen, maar het verzoek tot interventie van de Círculo de Empresarios Vascos alsmede dat van de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa afgewezen. De interveniënten hebben hun memories neergelegd. Verzoekers hebben geen bijzondere opmerkingen daarover gemaakt en de Commissie heeft haar opmerkingen binnen de gestelde termijn ingediend.
52 Op 27 april 2006 is partijen verzocht hun opmerkingen te maken over de voeging van de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 voor de mondelinge behandeling en eventueel voor het arrest. Deze zaken zijn bij beschikking van de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van gevoegd voor de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
53 Op 14 februari 2007 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang verzoekers in elk van de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 om bepaalde informatie over de begunstigden van de betrokken belastingregelingen verzocht.
54 Bij brief van 26 februari 2007 heeft Confebask om herziening van de maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht. Verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 hebben bij schrijven van geantwoord dat zij zich afvroegen wat de relevantie van deze maatregel was.
55 Het Gerecht heeft op 2 april 2007 de maatregel tot organisatie van de procesgang van bevestigd en verzoekers in elk van de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 verzocht hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Verzoekers hebben bij schrijven van geantwoord.
56 Op 31 juli 2007 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen vragen gesteld, waarop zij in oktober 2007 hebben geantwoord.
57 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 16 januari 2008 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
58 Op deze terechtzitting heeft het Gerecht partijen tot 28 januari 2008 de tijd gegeven om bepaalde informatie over de begunstigden van de betrokken maatregelen mee te delen. Daarvan is akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
59 Na afloop van de terechtzitting heeft de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) besloten, de sluiting van de mondelinge behandeling op te schorten.
60 Bij brieven van 24 januari 2008, wat het Territorio Histórico de Vizcaya betreft, en van , wat de Territorios Históricos de Álava en Guipúzcoa betreft, hebben verzoekers documenten betreffende de door het Gerecht ter terechtzitting gevraagde informatie neergelegd. Confebask heeft bij schrijven van geantwoord. Na verlenging van de termijn door het Gerecht heeft de Commissie haar opmerkingen over de overgelegde documenten gemaakt.
61 De president van de Vijfde kamer (uitgebreid) heeft de mondelinge behandeling op 12 maart 2008 gesloten verklaard. Partijen zijn bij brieven van hiervan in kennis gesteld.
62 Partijen daarover gehoord, is het Gerecht overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van oordeel, dat de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 moeten worden gevoegd voor het arrest.
63 Ter terechtzitting hebben verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 opnieuw verzocht dat het Gerecht de Commissie vraagt om bepaalde documenten over te leggen. Het Gerecht acht zich echter door de processtukken voldoende voorgelicht.
Conclusies van partijen
I — In de zaken T-227/01 tot en met T-229/01
64 De Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa alsmede de Comunidad autónoma del País Vasco, verzoekers, concluderen dat het het Gerecht behage: — primair, de bestreden beschikkingen nietig te verklaren; — subsidiair, artikel 3 van de bestreden beschikkingen nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
65 Confebask, interveniënte aan de zijde van verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, concludeert dat het het Gerecht behage: — de bestreden beschikkingen nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
66 De Cámara Oficial de Comercio e Industria de Álava, de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Vizcaya en de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Guipúzcoa, interveniëntes aan de zijde van verzoekers in de zaken T-227/01, T-228/01 respectievelijk T-229/01, concluderen dat het het Gerecht behage: — primair, de bestreden beschikkingen in elk van deze zaken nietig te verklaren, of, subsidiair, artikel 3 daarvan nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
67 De Commissie en de Comunidad autónoma de La Rioja, interveniënte aan haar zijde, concluderen dat het het Gerecht behage: — de beroepen van de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa ongegrond te verklaren; — de beroepen van de Comunidad autónoma del País Vasco niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; — verzoekers te verwijzen in de kosten.
II — In de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01
68 Confebask, verzoekster, concludeert dat het het Gerecht behage: — primair, de bestreden beschikkingen nietig te verklaren; — subsidiair, de artikelen 3 en 4 van de bestreden beschikkingen nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
69 De Commissie en de Comunidad autónoma de La Rioja, interveniënte aan haar zijde, concluderen dat het het Gerecht behage: — de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren; — subsidiair, de beroepen ongegrond te verklaren; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
I — Ontvankelijkheid van de beroepen
70 In de eerste plaats moet de ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 worden onderzocht, en in de tweede plaats de ontvankelijkheid van de beroepen van Confebask in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01.
A — Ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01
71 In de eerste plaats moet de ontvankelijkheid van de beroepen tot nietigverklaring en in de tweede plaats de ontvankelijkheid van de interventie van Confebask in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 worden onderzocht.
1. Ontvankelijkheid van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01
a) Argumenten van partijen
72 Zonder echter een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op te werpen, is de Commissie, ondersteund door de Comunidad autónoma de La Rioja, van mening dat de Comunidad autónoma del País Vasco niet bevoegd is beroep tot nietigverklaring in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 in te stellen. De omstandigheid dat zij „bevoegdheden op het gebied van coördinatie en fiscale harmonisatie tussen de Territorios Históricos” uitoefende, wettigt niet de conclusie dat zij rechtstreeks en individueel door de bestreden beschikkingen wordt geraakt. De betrokken steunregelingen zijn immers uitsluitend door de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa vastgesteld. Zij verwijst daarvoor naar de punten 54 en 55 van het arrest Demesa, punt 43 supra.
73 De Commissie erkent niettemin dat voormelde beroepen ontvankelijk zijn voor zover de Comunidad autónoma del País Vasco ze heeft ingesteld tezamen met de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa, die volgens haar procesbevoegdheid hebben.
74 Verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 concluderen tot ontvankelijkheid van hun beroepen.
b) Beoordeling door het Gerecht
75 Vastgesteld moet worden dat de bestreden beschikkingen niet tot verzoekers, namelijk de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa alsmede de Comunidad autónoma del País Vasco, zijn gericht.
76 Opgemerkt zij dat de ontvankelijkheid van de door de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa ingestelde beroepen niet wordt betwist. De bestreden beschikkingen hebben immers betrekking op steunregelingen die zij zelf hebben vastgesteld. Bovendien beletten de bestreden beschikkingen hen hun eigen bevoegdheden, die hun rechtstreeks toekomen krachtens Spaans recht, naar eigen goeddunken uit te oefenen (zie in die zin arrest Gerecht van 30 april 1998, Vlaams Gewest/Commissie, T-214/95, Jurispr. blz. II-717, punten 29 en 30; arrest Demesa, punt 43 supra, punt 50, en arrest Gerecht van , Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T-346/99–T-348/99, Jurispr. blz. II-4259, punt 37). De beroepen zijn dus ontvankelijk wat de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa betreft.
77 Daar het voor elk van de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 om één en hetzelfde beroep gaat, behoeft de procesbevoegdheid van de Comunidad autónoma del País Vasco niet te worden onderzocht (zie in die zin arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punt 31; arrest Gerecht van , European Night Services e.a./Commissie, T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, Jurispr. blz. II-3141, punt 61).
78 Hieruit volgt dat de beroepen in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 ontvankelijk zijn.
2. Ontvankelijkheid van de interventie van Confebask in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01
a) Ontvankelijkheid van de interventie van Confebask
79 In het kader van de mondelinge behandeling heeft de Commissie gesteld dat het beroep van de partijen enkel betrekking heeft op de terugvordering van de betrokken steun en dat geen van de leden van Confebask door die terugvordering wordt geraakt, zodat Confebask niet tot interventie bevoegd is.
80 Naar aanleiding van de ter terechtzitting gestelde vragen heeft Confebask een aantal documenten verstrekt. Zo heeft zij een document van de Director General de Hacienda (directeur-generaal Financiën) van elk van de drie Territorios Históricos overgelegd, waarin wordt verklaard dat een aantal ondernemingen de betrokken belastingkredieten had ontvangen. Uit deze documenten blijkt dat deze ondernemingen door de bestreden beschikkingen worden geraakt, en in het bijzonder door artikel 3 daarvan, waarbij terugvordering van de steun wordt gelast. Volgens een door de algemeen secretaris en de voorzitter van Confebask ondertekende verklaring was voorts elk van deze ondernemingen bij de indiening van de verzoeken tot interventie lid van Confebask.
81 Er zij aan herinnerd dat de vaststelling van de beschikking van 9 september 2005 door de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht, waarbij Confebask is toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, zich er niet tegen verzet, dat de ontvankelijkheid van haar interventie in het eindarrest opnieuw wordt onderzocht (zie in die zin arrest Hof van , Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 52).
82 Krachtens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, heeft elke persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van het rechtsgeding, het recht zich in dit geding te voegen.
83 Volgens vaste rechtspraak worden representatieve verenigingen die de behartiging van de belangen van hun leden als doel hebben, toegelaten tot interventie in gedingen waarin principiële vragen die voor die leden van belang zijn, aan de orde komen [beschikkingen president Hof van 17 juni 1997, National Power en PowerGen, C-151/97 P(I) en C-157/97 P(I), Jurispr. blz. I-3491, punt 66, en , Pharos/Commissie, C-151/98 P, Jurispr. blz. I-5441, punt 6; beschikking president Vierde kamer van Gerecht van , MABB/Commissie, T-24/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 10].
84 Bovendien heeft een ruime uitlegging van het interventierecht voor verenigingen tot doel, een betere beoordeling van de achtergrond van de zaken mogelijk te maken en grote aantallen individuele interventies, die de doeltreffendheid en het goede verloop van de procedure in gevaar zouden brengen, te verhinderen (beschikking National Power en PowerGen, punt 83 supra, punt 66; beschikking Gerecht van 26 juli 2004, Microsoft/Commissie, T-20l/04 R, Jurispr. blz. II-2977, punt 38).
85 In casu is Confebask een intersectorale vereniging van ondernemingen met als doel de vertegenwoordiging, coördinatie, informatie en behartiging van de algemene en gemeenschappelijke belangen van de ondernemingen die lid zijn van de daarbij aangesloten organisaties van het Spaanse Baskenland. Een van haar voornaamste doelstellingen is de Baskische ondernemingen te vertegenwoordigen en hun belangen tegenover de overheid, de vakbonden en de beroepsorganisaties te behartigen.
86 Het staat buiten kijf dat Confebask een ondernemersvereniging van Spaans Baskenland is.
87 Bovendien moet worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit de in het kader van de mondelinge behandeling overgelegde documenten, een aantal ondernemingen dat bij de indiening van het interventieverzoek lid van Confebask was, steun heeft ontvangen die op grond van de in casu aan de orde zijnde belastingregelingen is verleend.
88 De belangen van deze ondernemingen, die zowel lid van Confebask alsook daadwerkelijke begunstigden van de betrokken belastingmaatregelen waren, kunnen derhalve door de uitkomst van de onderhavige beroepen worden geraakt.
89 Bovendien heeft Confebask deelgenomen aan de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beschikkingen heeft geleid.
90 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat Confebask aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van het rechtsgeding en dat haar interventie aan de zijde van verzoekers ontvankelijk is.
b) Ontvankelijkheid van de memorie in interventie van Confebask
Argumenten van partijen
91 Volgens de Commissie bevatten de memories in interventie van Confebask in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 geen juridisch betoog, voor zover daarin alleen naar bijlagen wordt verwezen. De Commissie leidt hieruit af dat deze memories niet voldoen aan de in artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering gestelde eisen.
92 Subsidiair, indien het Gerecht de memories in interventie van Confebask in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 over het geheel genomen ontvankelijk zou achten, stelt de Commissie dat verschillende van de door Confebask als interveniënte aangevoerde middelen niet-ontvankelijk zijn, omdat zij het door de verzoekschriften in die zaken afgebakende kader van het geding wijzigen.
Beoordeling door het Gerecht
93 Artikel 116, lid 4, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: „[…] De memorie in interventie bevat: a) de conclusies van de interveniënt, strekkende tot gehele of gedeeltelijke ondersteuning of verwerping van de conclusies van een van de partijen; b) de door de interveniënt aangevoerde middelen en argumenten; c) zo nodig, de bewijsaanbiedingen.”
94 Volgens vaste rechtspraak met betrekking tot het inleidend verzoekschrift, die naar analogie voor de memorie in interventie geldt (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Regione autónoma della Sardegna/Commissie, T-171/02, Jurispr. blz. II-2123, punt 186), moet de summiere uiteenzetting van de middelen van de verzoekende partij zo duidelijk en nauwkeurig zijn, dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht, in voorkomend geval zonder nadere informatie, op het beroep uitspraak kan doen (zie arrest Gerecht van , Honeywell/Commissie, T-209/01, Jurispr. blz. II-5527, punt 55, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 Ter verzekering van de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep verlangd, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken (zie arrest Honeywell/Commissie, punt 94 supra, punt 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ofschoon de tekst van het verzoekschrift op specifieke punten kan worden vervolledigd en aangevuld met verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, het ontbreken van wezenlijke elementen van het juridisch betoog, die volgens voornoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten voorkomen, niet goedmaken (beschikking Gerecht van 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T-154/98, Jurispr. blz. II-1703, punt 49). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (zie arrest Gerecht Honeywell/Commissie, punt 94 supra, punt 57, en arrest Gerecht van , Asklepios Kliniken/Commissie, T-167/04, Jurispr. blz. II-2379, punt 40, en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest Hof van , Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P— C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punten 97-99).
96 In casu verklaart Confebask in haar memories in interventie in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 dat zij in elke zaak intervenieert aan de zijde van verzoekers. Zij vordert nietigverklaring van de bestreden beschikkingen en verwijzing van de Commissie in de kosten. Zij acht het wenselijk ten einde „het Gerecht tijd en vertaalinspanning te besparen” te verwijzen naar de door haar in de zaken T-265/01, T-266/01 respectievelijk T-270/01 ingediende verzoekschriften, die als bijlagen bij haar memories in interventie zijn gevoegd. In die memories maakt Confebask verder opmerkingen over de schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
97 Derhalve moet worden vastgesteld dat, met uitzondering van het argument inzake het gewettigd vertrouwen, geen enkel wezenlijk element, feitelijk en rechtens, zelfs summier of zakelijk weergegeven uit de memories in interventie zelf blijkt.
98 Hoewel de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01 op 13 juli 2006 zijn gevoegd, dus na de interventie van Confebask, neemt dat voorts niet weg dat zij hun autonome aard behouden (zie in die zin arrest Hof van , Moccia Irme e.a./Commissie, C-280/99 P–C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 66, en arrest Honeywell/Commissie, punt 94 supra, punt 71).
99 Ten slotte zijn de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa alsmede de Comunidad autónoma del País Vasco, verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, en de Cámara Oficial de Comercio e Industria de Álava, de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Vizcaya alsmede de Cámara Oficial de Comercio, Industria y Navegación de Guipúzcoa (hierna tezamen: „Cámaras Oficiales de Comercio e Industria”), interveniëntes in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01, geen partij bij de beroepen T-265/01, T-266/01 en T-270/01, waarnaar Confebask verwijst. De identiteit van partijen is echter een noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van middelen die zouden zijn opgeworpen door middel van een verwijzing naar de geschriften in een andere zaak (arrest Honeywell/Commissie, punt 94 supra, punt 67).
100 In die omstandigheden kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij de memories in interventie gevoegd, het ontbreken van wezenlijke elementen van het juridisch betoog, die volgens artikel 116, lid 4, tweede alinea, sub b, van het Reglement voor de procesvoering in de memorie in interventie moeten voorkomen, niet goedmaken.
101 Hieruit volgt dat de memories in interventie van Confebask niet-ontvankelijk zijn voor zover zij verwijzen naar de verzoekschriften in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01, en ontvankelijk voor zover daarbij schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen wordt gesteld. Derhalve behoeft niet te worden beslist op het door de Commissie subsidiair aangevoerde argument, dat een aantal van de door Confebask aangevoerde middelen niet-ontvankelijk waren omdat zij het door de verzoekschriften afgebakende kader van het geding wijzigen.
B — Ontvankelijkheid van Confebask om beroep tot nietigverklaring in te stellen in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01
1. Argumenten van partijen
102 De Commissie en de Comunidad autónoma de La Rioja werpen geen formele exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering op, maar stellen dat de beroepen van Confebask niet-ontvankelijk zijn. Volgens hen kan een onderneming geen beroep instellen tegen een beschikking tot onverenigbaarverklaring van een steunregeling, waarvan de begunstigden niet individueel, maar algemeen en abstract worden bepaald. Bijgevolg kan Confebask zich niet beroepen op een procesbevoegdheid die voortvloeit uit het feit dat de door haar vertegenwoordigde ondernemingen rechtstreeks en individueel door de bestreden handelingen worden geraakt. Verder voert Confebask geen eigen belang aan. Ten slotte voldoet de interventie van Confebask in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 aan de redenen van proceseconomie die de erkenning van een beroepsrecht van de verenigingen rechtvaardigt.
103 Confebask meent daarentegen wel procesbevoegdheid te bezitten. Zij behartigt namelijk de belangen van ondernemingen die zelf procesbevoegd zijn, aangezien zij onderworpen zijn aan de betrokken belastingregelingen en dus mogelijkerwijs de ontvangen steun moeten terugbetalen.
104 In antwoord op een vraag van het Gerecht heeft Confebask om te beginnen verklaard dat zij geen informatie heeft over de vraag of sommige van haar leden daadwerkelijke begunstigden van de betrokken maatregelen waren. Zij heeft evenwel erop gewezen dat zij ten aanzien van de Spaanse overheidsdiensten de enige gesprekspartner is van de door haar vertegenwoordigde Baskische ondernemingen waarvoor de litigieuze Normas zijn bedoeld. Haar procesbevoegdheid staat in elk geval buiten kijf te meer waar zij vanaf de eerste stappen van de Commissie actief aan de gehele procedure heeft deelgenomen.
105 Na de terechtzitting en op het tot drie keer toe herhaalde verzoek van het Gerecht, dat tot een verlenging van de mondelinge behandeling heeft geleid, heeft Confebask verklaringen van de Director General de Hacienda van elk van de drie Territorios Históricos overgelegd, waaruit bleek dat sommige ondernemingen, waarvan overigens wordt verklaard dat zij ten tijde van de instelling van de beroepen in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 lid van Confebask waren, door elk van de bestreden beschikkingen werd geraakt, in het bijzonder door het bevel tot terugvordering van de betrokken belastingkredieten (zie punt 80 hierboven).
106 De Commissie stelt zich in haar opmerkingen over de door Confebask na de terechtzitting overgelegde documenten op het standpunt dat laatstgenoemde niet het bewijs heeft geleverd dat een bevel tot terugvordering voor de betrokken begunstigden was afgegeven.
2. Beoordeling door het Gerecht
107 Daar het in casu gaat om een door een vereniging ingesteld beroep tot nietigverklaring, zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak de behartiging van algemene belangen niet volstaat om vast te stellen dat een dergelijk beroep ontvankelijk is (zie in die zin arresten Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 941, 952, 953, en , DEFI/Commissie, 282/85, Jurispr. blz. 2469, punten 16-18).
108 Een vereniging als Confebask, die tot taak heeft de gemeenschappelijke belangen van Baskische ondernemingen te behartigen, kan in beginsel slechts een beroep tot nietigverklaring van een eindbeschikking van de Commissie inzake staatssteun instellen, indien de ondernemingen die zij vertegenwoordigt of een aantal daarvan individueel procesbevoegdheid hebben, of indien zij een eigen belang kan doen gelden (zie arrest Hof van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C-182/03 en C-217/03, Jurispr. blz. I-5479, punt 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 Aan de hand van deze beginselen moet worden beoordeeld of Confebask in casu procesbevoegdheid heeft.
110 Met betrekking tot de vraag of de leden van Confebask dan wel de leden van haar leden individueel bevoegd zijn om beroep tegen de bestreden beschikkingen in te stellen, moet worden onderzocht of zij individueel en rechtstreeks door de bestreden beschikkingen worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
111 Een natuurlijke of rechtspersoon kan slechts stellen individueel te worden geraakt indien de betrokken handeling hem treft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, 232, en , Italië/Commissie, C-298/00 P, Jurispr. blz. I-4087, punt 36, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112 De potentiële begunstigden van een steunregeling kunnen niet alleen in deze hoedanigheid worden beschouwd als individueel geraakt door de Commissiebeschikking die deze regeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart (zie beschikking Gerecht van 10 maart 2005, Gruppo ormeggiatori del porto di Venezia e.a./Commissie, T-228/00, T-229/00, T-242/00, T-243/00, T-245/00–T-248/00, T-250/00, T-252/00, T-256/00–T-259/00, T-265/00, T-267/00, T-268/00, T-271/00, T-274/00–T-276/00, T-281/00, T-287/00 en T-296/00, Jurispr. blz. II-787, punt 34, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 Een onderneming die door de betrokken beschikking niet alleen wordt geraakt in haar hoedanigheid van potentieel begunstigde onderneming van de steunregeling, doch ook in haar hoedanigheid van daadwerkelijk begunstigde van een uit hoofde van deze regeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast, bevindt zich echter in een andere positie (zie in die zin arrest Hof van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 et C-105/99, Jurispr. blz. I-8855, punt 34, en arrest Italië/Commissie, punt 111 supra, punten 38 en 39).
114 In casu blijkt uit de documenten die Confebask na de terechtzitting heeft meegedeeld, dat een aantal van haar leden bij de instelling van de beroepen in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 door de in elk van de bestreden beschikkingen aan de orde zijnde belastingmaatregelen wordt geraakt als daadwerkelijk begunstigde van een uit hoofde van de betrokken belastingregelingen toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast. In de verklaringen van de Director General de Hacienda van elk van de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa wordt melding gemaakt van ondernemingen die het belastingkrediet van 45% hebben ontvangen, en bevestigd dat zij door de bestreden beschikkingen worden geraakt.
115 Derhalve moeten deze ondernemingen worden beschouwd als individueel geraakt door de bestreden beschikkingen. Aangezien de gemeenschapsrechter de voorwaarden voor ontvankelijkheid van de beroepen te allen tijde ambtshalve kan onderzoeken, staat in dit verband niets eraan in de weg dat hij rekening houdt met de aanvullende informatie die in casu in het kader van de mondelinge behandeling is verstrekt (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2006, Asociación de Estaciones de Servicio de Madrid en Federación Catalana de Estaciones de Servicio/Commissie, T-95/03, Jurispr. blz. II-4739, punt 50).
116 Wat de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid betreft, verplichten de bestreden beschikkingen het Koninkrijk Spanje de noodzakelijke maatregelen te nemen om de betrokken steun van de begunstigden terug te vorderen. De ondernemingen die deze steun hebben ontvangen, moeten derhalve worden geacht rechtstreeks door deze beschikkingen te worden geraakt (zie in die zin arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie, punt 113 supra, punt 36; arrest Gerecht van 20 september 2007, Salvat père & fils e.a./Commissie, T-136/05, Jurispr. blz. II-4063, punt 75).
117 Hieruit volgt dat deze ondernemingen, leden van Confebask, zelf procesbevoegd waren geweest.
118 Aangezien Confebask ondernemingen vertegenwoordigt, waarvan althans een aantal individueel procesbevoegdheid hebben, kan zij in haar beroep tegen de bestreden beschikking worden ontvangen.
II — Gegrondheid van de beroepen
119 Eerst moeten de middelen worden onderzocht betreffende het ontbreken van staatssteun, verenigbaarheid van de betrokken regelingen met de gemeenschappelijke markt, misbruik van bevoegdheid door de Commissie en het feit dat het bij de betrokken steunmaatregelen om bestaande steun gaat, die zijn aangevoerd door Confebask, verzoekster in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01, alvorens in te gaan op het middel betreffende procedurefout en schending van de beginselen van rechtszekerheid, van behoorlijk bestuur, van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van gelijke behandeling, dat zowel in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 als in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 is aangevoerd, en vervolgens op het middel betreffende schending van het evenredigheidsbeginsel, dat verzoekers in de zaken T-227/01 tot en met T-229/01 hebben aangevoerd.
A — Middel betreffende het ontbreken van staatssteun in de zin van artikel 87 EG (zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01)
120 In haar verzoekschriften in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 beroept Confebask zich ten eerste op het feit dat de betrokken belastingkredieten geen vermindering van de belastingopbrengsten inhouden. Ten tweede stelt zij dat de Commissie niet genoegzaam heeft aangetoond dat de betrokken maatregelen het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig zouden beïnvloeden en tot een verstoring van de mededinging zouden leiden. Ten derde stelt zij dat de betrokken belastingmaatregelen niet specifiek van aard zijn. Ten vierde voert zij aan dat de aard en de opzet van het belastingstelsel de betrokken belastingkredieten zouden rechtvaardigen. Ten vijfde voert zij ten slotte een grief aan dat artikel 87 EG in casu niet van toepassing is.
1. Eerste onderdeel: geen vermindering van de belastingopbrengsten
a) Argumenten van partijen
121 Confebask stelt dat de stelling van de Commissie in de bestreden beschikkingen dat de betrokken belastingkredieten een vermindering van de belastingopbrengsten zouden veroorzaken, vereist dat een algemeen belastingtarief bestaat ten opzichte waarvan elke belastingverlaging een verlies aan inkomsten betekent en dus staatssteun vormt. Confebask stelt echter dat een dergelijk tarief niet bestaat, en wijst erop dat alle wettelijke regelingen van de lidstaten een of andere vorm van vrijstelling bevatten. Bovendien hebben de bestreden Normas Forales tot doel investeringen te stimuleren. Zij leveren derhalve inkomsten op omdat deze investeringen zelf worden belast.
122 De Commissie betwist de gegrondheid van dit betoog.
b) Beoordeling door het Gerecht
123 Krachtens artikel 87, lid 1, EG zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
124 Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het begrip steun niet alleen positieve prestaties zoals subsidies omvat, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor — zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn — van gelijke aard zijn en identieke gevolgen hebben (arrest Hof van 19 mei 1999, Italië/Commissie, C-6/97, Jurispr. blz. I-2981, punt 15).
125 Een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van die van de andere belastingplichtigen, is echter als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 87, lid 1, EG aan te merken (arrest Hof van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C-387/92, Jurispr. blz. I-877, punt 14).
126 In casu volstaat de vaststelling dat het betrokken belastingkrediet van 45% de belastingdruk van de begunstigde ondernemingen vermindert met een bedrag dat gelijk is aan 45% van het bedrag van de subsidiabele investering, zoals de Commissie op goede gronden in de bestreden beschikkingen heeft vastgesteld (punt 54 van beschikking 2002/820; punt 62 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894). Zonder dit belastingkrediet moet de onderneming immers het totale eindbedrag van de te betalen belasting voldoen. De financiële situatie van de onderneming die dit belastingkrediet ontvangt, wordt dus verbeterd ten opzichte van die van de andere belastingplichtigen.
127 Anders dan Confebask stelt, was de Commissie dus op goede gronden van mening dat de betrokken belastingkredieten een verlies aan belastingopbrengsten betekenden.
128 In dit verband is er geen steun voor de stelling van Confebask dat de Commissie haar redenering op een algemeen belastingtarief heeft gebaseerd. Uit de bestreden beschikkingen blijkt integendeel dat de Commissie verwees naar het normale belastingniveau dat uit het betrokken belastingstelsel voortvloeit (punt 56 van beschikking 2002/820; punt 64 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894).
129 Dat het belastingrecht van de lidstaten vele gevallen van vrijstelling bevat, wijzigt verder niet de aard van de betrokken maatregelen vanuit het oogpunt van de staatssteunregels.
130 Ten slotte zij met betrekking tot het argument dat met de betrokken belastingkredieten wordt beoogd de investeringen te stimuleren met als doel op den duur opbrengsten te genereren, eraan herinnerd dat het met een maatregel nagestreefde doel geen grond is om deze maatregel niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG te kwalificeren (arrest Hof van 29 februari 1996, België/Commissie, C-56/93, Jurispr. blz. I-723, punt 79; arrest Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie, punt 22 supra, punt 63). Dit argument lijkt bovendien moeilijk te verzoenen met de toekenning van belastingverminderingen (arresten Ramondín, punt 43 supra, punt 62, en Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie, punt 22 supra, punt 64).
131 Het eerste onderdeel van dit middel, dat geen sprake is van vermindering van de belastingopbrengsten, moet dus ongegrond worden verklaard.
2. Tweede onderdeel: geen verstoring van de mededinging en van invloed op het intracommunautaire handelsverkeer, alsmede ontoereikende motivering
a) Argumenten van partijen
132 In de eerste plaats stelt Confebask dat de bestreden beschikkingen in het licht van artikel 253 EG ontoereikend zijn gemotiveerd, wat de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer en de verstoring van de mededinging betreft, en voert zij met name het arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie, punt 113 supra (punt 66) aan. De ernst van de met de bestreden beschikkingen verbonden gevolgen vereist een bijzonder strikte motivering. Volgens Confebask is de Commissie ten onrechte van mening dat de belastingkredieten een verstoring van het handelsverkeer teweegbrengen omdat de begunstigden daarvan aan het intracommunautaire handelsverkeer kunnen deelnemen, maar zij verklaart dit niet nader. Zij verstrekt slechts algemene gegevens met betrekking tot de uitvoer en de buitenlandse afhankelijkheid van de Baskische economie, maar zij verstrekt geen marktonderzoek betreffende de economische sector die zou zijn benadeeld.
133 In de tweede plaats betwist Confebask hoe dan ook de gegrondheid van de beoordeling van de Commissie betreffende de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer. Zij stelt dat, hoewel de totale belastingdruk in voorkomend geval de strategie van de ondernemingen kan beïnvloeden, dit niet het geval is met een eenvoudige stimulans van tijdelijke aard die geen beslissende factor vormt voor de concurrentiepositie van de ondernemingen. Zou stelselmatig ervan worden uitgegaan dat de ondernemingen of de sectoren die een of andere belastingverlichting ontvangen, zich in een betere mededingingspositie zouden bevinden, dan zou dit derhalve een onhoudbare stelling zijn. Voorts hadden volgens bepaalde studies de door de Baskische autoriteiten vastgestelde fiscale stimuleringsmaatregelen slechts een beperkte invloed. Die studies toonden bovendien aan dat de belastingdruk in Spaans Baskenland groter was dan in de rest van het Koninkrijk Spanje. Bijgevolg zouden de gelaakte belastingkredieten als zodanig de intracommunautaire handel niet ongunstig kunnen beïnvloeden. Daarbij is de belastingdruk niet de enige factor die het economische gedrag van de ondernemingen beïnvloedt. Tevens zou rekening moeten worden gehouden met factoren zoals wettelijke regelingen inzake de handel en inzake arbeid of sociale zekerheid. De invloed van deze maatregelen zou veel groter zijn dan die welke de Commissie aan de betrokken belastingkredieten toeschrijft, en de Commissie heeft niet aangetoond in welk opzicht de betrokken bepalingen zich onderscheiden van elk ander tussen de belastingwetgevingen van de lidstaten bestaand verschil.
134 De Commissie betwist de gegrondheid van dit betoog.
b) Beoordeling door het Gerecht
135 Krachtens artikel 87, lid 1, EG zijn alleen de steunmaatregelen van de staten „die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden” en die „de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen”, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
136 Wat de verplichting tot motivering van de beschikkingen van de Commissie betreft, is het vaste rechtspraak dat deze moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, moet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben (arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63, en arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie, punt 113 supra, punt 65).
137 In casu blijkt uit punt 57 van beschikking 2002/820 en uit punt 65 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894, dat de Commissie zich op door het Bureau voor de statistiek van de Baskische regering gepubliceerde verslagen heeft gebaseerd, en heeft vastgesteld dat „de Baskische economie dan ook een zeer open en op export gerichte economie [was]” en dat het „gezien deze kenmerken van de Baskische economie duidelijk [was] dat de begunstigde ondernemingen economische activiteiten uitoefen[d]en die het voorwerp kunnen zijn van handelsverkeer tussen de lidstaten”. Zij heeft daaruit afgeleid dat de betrokken steun derhalve de positie van de begunstigde bedrijven versterkt ten opzichte van andere concurrenten in het intracommunautaire verkeer zodat dit handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Bovendien „[werd] de rentabiliteit van de begunstigde bedrijven verhoogd door de toename van hun nettoresultaat (winst na belasting)” en [konden] zij hierdoor ondernemingen die niet voor het belastingkrediet in aanmerking [kwamen] beconcurreren, hetzij omdat zij geen investeringen [hadden] gedaan, hetzij omdat hun investeringen niet de drempelwaarde van 2,5 miljard ESP bereikten nadat het belastingkrediet van 45% in kwestie was vastgesteld.
138 Een dergelijke motivering brengt de redenering van de Commissie betreffende de gevolgen van de belastingkredieten voor het handelsverkeer en de mededinging duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking. Daardoor kunnen de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kennen en kan het Gerecht zijn toezicht uitoefenen.
139 De bestreden beschikkingen verschillen in dit opzicht van die welke het Hof in het door Confebask aangevoerde arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie (punt 113 supra), nietig heeft verklaard. Zoals in punt 67 van dat arrest is vastgesteld, heeft de Commissie voor de conclusie dat sprake was van een aantasting van de mededinging, genoegen genomen met de blote stelling, dat de steun van selectieve aard was en aan de scheepvaartsector op Sardinië (Italië) was voorbehouden. Blijkens het voorgaande, is dat in de bestreden beschikkingen echter niet het geval.
140 Bovendien kan de Commissie niet worden verweten dat zij geen studie heeft overgelegd betreffende de economische sector die zou zijn benadeeld, aangezien de betrokken fiscale regels intersectoraal van aard zijn en de Spaanse autoriteiten bovendien niet zijn ingegaan op het verzoek om inlichtingen in de besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure die tot de bestreden beschikkingen hebben geleid.
141 Gelet op de onderhavige omstandigheden, moeten de bestreden beschikkingen derhalve worden geacht genoegzaam de redenen aan te geven waarom de betrokken maatregelen volgens de Commissie de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig beïnvloeden. De bestreden beschikkingen voldoen derhalve aan de dienaangaande in artikel 253 EG gestelde eisen.
142 Aangaande de gegrondheid van de beoordeling van de Commissie zij eraan herinnerd dat, wanneer financiële steun van een staat of met staatsmiddelen bekostigd de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door de steun te worden beïnvloed, ook al neemt de begunstigde onderneming niet zelf deel aan de uitvoer (zie arrest Hof van 17 juni 1999, België/Commissie, C-75/97, Jurispr. blz. I-3671, punt 47, en arrest Gerecht van , Ter Lembeek/Commissie, T-217/02, Jurispr. blz. II-4483, punt 181, en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Commissie behoeft bovendien niet vast te stellen of deze maatregel de handel tussen lidstaten werkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar enkel te onderzoeken of de maatregel dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen (arrest Hof van , Italië/Commissie, C-372/97, Jurispr. blz. I-3679, punt 44).
143 Bovendien kan de Commissie in het geval van een steunregeling zich ertoe beperken de algemene kenmerken daarvan te onderzoeken en hoeft zij niet elk afzonderlijk geval waarin die regeling is toegepast te onderzoeken (arrest Hof van 15 december 2005, Italië/Commissie, C-66/02, Jurispr. blz. I-10901, punt 91; zie in die zin arrest Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie, punt 22 supra, punt 68). In een geval als het onderhavige, waarin de betrokken belastingregelingen niet zijn aangemeld, behoeft de motivering van de beschikkingen van de Commissie geen bijgewerkte beoordeling te bevatten van de invloed van de steunmaatregel op de mededinging en op het handelsverkeer tussen de lidstaten (arrest van , België/Commissie, punt 142 supra, punt 48).
144 Zoals de Commissie in de bestreden beschikkingen heeft benadrukt (punt 57 van beschikking 2002/820; punt 65 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894), is het in casu, wat de voorwaarde inzake de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer betreft, wegens de kenmerken van de Baskische economie duidelijk dat de begunstigde ondernemingen economische activiteiten uitoefenen die het voorwerp van handelsverkeer tussen de lidstaten kunnen zijn.
145 Onder die voorwaarden kan het intracommunautaire handelsverkeer door de betrokken belastingvoordelen ongunstig worden beïnvloed.
146 Wat verder de voorwaarde inzake de verstoring van de mededinging betreft, verbeteren de belastingkredieten door de lasten van de daardoor begunstigde ondernemingen te verlichten, de concurrentiepositie van deze begunstigde ondernemingen ten opzichte van hun concurrenten die voornoemde voordelen niet ontvangen. Het gevolg hiervan is dus een verstoring van de mededinging of althans een kans op een dergelijke verstoring.
147 Derhalve heeft de Commissie in casu op goede gronden vastgesteld dat de belastingkredieten het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging konden vervalsen of dreigen te vervalsen.
148 Deze conclusie kan niet opnieuw ter discussie worden gesteld door het feit dat deze belastingvoordelen tijdelijk van aard zijn, dat de invloed ervan beperkt en niet doorslaggevend is, dan wel dat zij niet de enige in aanmerking te nemen factor zijn. De rechtspraak vereist immers niet, dat de verstoring van de mededinging of de dreiging van een dergelijke verstoring, en de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer merkbaar of wezenlijk zijn (arrest Gerecht van 29 september 2000, CETM/Commissie, T-55/99, Jurispr. blz. II-3207, punt 94).
149 Het argument van de tussen de belastingwetgevingen van de lidstaten bestaande verschillen is ook irrelevant voor de kwalificatie als staatssteun, nu harmonisatie op communautair niveau ontbreekt.
150 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van dit middel dat geen sprake is van verstoring van de mededinging en van ongunstige beïnvloeding van de intracommunautaire handel, en dat de bestreden beschikkingen dienaangaande ontoereikend zijn gemotiveerd, ongegrond te worden verklaard.
3. Derde onderdeel: algemene aard van de belastingmaatregelen
a) Argumenten van partijen
151 Confebask betwist de beoordeling van de Commissie dat de betrokken bepalingen een selectief voordeel verschaffen. Zij stelt dat het gaat om fiscale regelingen van algemene aard en dat alle marktdeelnemers daarvan kunnen profiteren. De betrokken Normas Forales bevatten evenmin een regionale specificiteit, omdat zij van toepassing zijn op alle op het grondgebied van de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa gevestigde ondernemingen en alleen aanzienlijke investeringen willen bevoordelen. In dit verband is Confebask van mening dat de Commissie zich incoherent heeft getoond omdat zij in de bestreden beschikkingen het argument betreffende de regionale specificiteit van de maatregel heeft laten varen, hoewel zij het in de besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure had vermeld.
152 Confebask stelt dat het door de Commissie in casu gehanteerd criterium van het minimumbedrag van de investering niet strookt met de in het verleden toegepaste criteria en niet wordt vermeld in de mededeling van 1998 over fiscale steun aan ondernemingen (zie punt 7 hierboven), volgens welke belastingmaatregelen voorts niet dienen te worden gekwalificeerd als staatssteun uitsluitend omdat bepaalde ondernemingen of bepaalde sectoren minder dan andere profiteren (mededeling van 1998 over fiscale steun aan ondernemingen, punt 14).
153 Confebask verwijst ook naar het door de Commissie vastgestelde XXVIIIe Verslag over het mededingingsbeleid 1998 (punt 207), volgens hetwelk het van belang is om, met name in het geval van fiscale of sociale beleidsmaatregelen, „een onderscheid te maken tussen situaties waarin steun wordt verleend aan bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen […] en situaties waarin de maatregelen in kwestie sectoroverschrijdende effecten sorteren en bedoeld zijn om de gehele economie te ondersteunen[;] in het laatste geval is er geen sprake van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, [EG,] maar van een algemene maatregel”.
154 Zij voegt eraan toe dat de belastingregelingen vaak kwantitatieve criteria bevatten en dat wanneer een dergelijk criterium voor de vaststelling van het selectieve karakter van een belastingmaatregel wordt gehanteerd, dit zou betekenen dat nagenoeg alle fiscale bepalingen van de lidstaten vanuit het oogpunt van staatssteun moeten worden onderzocht. In een dergelijk onderzoek wordt door het Verdrag niet voorzien.
155 Verder stelt Confebask dat het hierbij om algemene maatregelen gaat, aangezien de Diputaciones Forales geen discretionaire bevoegdheid hebben. De belastingkredieten worden automatisch verleend en de autoriteiten laten enkel nagaan of de belastingplichtigen voldoen aan de voor de ontvangst daarvan gestelde voorwaarden. Zij voegt eraan toe dat in de Spaanse rechtsorde willekeur van de overheid is verboden. Voorts stelt Confebask dat de betrokken bepalingen, waarbij werd vastgesteld dat de autoriteiten het bedrag van de investering bepalen bij een beschikking waarbij de voor het belastingkrediet geldende termijnen en maximumbedragen worden vastgelegd, een „beheersmechanisme” invoeren dat het mogelijk maakt na te gaan of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, maar de Diputaciones geen beoordelingsmarge toekennen.
156 Ten slotte merkt Confebask op dat een algemene regel enkel als een steunmaatregel wordt beschouwd wanneer het gaat om „een ‚regelgevend kader waardoor deze zonder verdere formaliteiten kan worden verleend’; dat wil zeggen zonder dat sprake is van een beoordelingsmarge”. Indien daarentegen, zoals de zienswijze van de Commissie impliceert, moest worden vastgesteld dat de litigieuze Normas Forales louter bevoegdheidsregels zijn, kunnen zij niet als staatssteun worden gekwalificeerd. De bestreden beschikkingen zouden derhalve in elk geval „gespeend zijn van elke inhoud”.
157 De Commissie, ondersteund door de Comunidad autónoma de La Rioja, betwist dit betoog.
b) Beoordeling door het Gerecht
158 Er zij aan herinnerd dat de specificiteit van een steunmaatregel van de staat, te weten het selectief karakter ervan, een van de kenmerken is van het begrip steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Daarom moet worden nagegaan, of de betrokken maatregel al dan niet leidt tot voordelen die enkel bepaalde ondernemingen of sectoren begunstigen (arrest CETM/Commissie, punt 148 supra, punt 39; zie ook in die zin arrest Hof van 17 juni 1999, België/Commissie, punt 142 supra, punt 26).
159 De Commissie baseert in casu in de bestreden beschikkingen het selectieve karakter van de betrokken bepalingen op het minimumbedrag van de investering (2500 miljoen ESP), dat de toepasselijkheid van het belastingkrediet beperkt tot alleen de ondernemingen die dergelijke investeringen kunnen doen, en subsidiair, op de discretionaire bevoegdheid van de belastingdiensten (punten 60 en 61 van beschikking 2002/820; punten 68 en 69 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894; zie punt 28 hierboven).
160 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat Confebask zich niet op de incoherentie van de bestreden beschikkingen kan beroepen op grond dat de Commissie niet op basis van het argument van de regionale specificiteit van de betrokken maatregelen, dat beweerdelijk in de besluiten tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure is vermeld, tot de conclusie is gekomen dat zij selectief van aard zijn. Deze beschikkingen zijn immers niet gebaseerd op de regionale specificiteit van de betrokken regelingen, zodat dit argument op een onjuiste lezing van deze beschikkingen berust (zie punt 22 hierboven, en arrest Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie, punt 22 supra, punten 19, 20 en 56).
161 Verder blijkt uit de bestreden beschikkingen (punt 60 van beschikking 2002/820; punt 68 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894), dat alleen de ondernemingen die investeringen doen voor een bedrag dat het drempelbedrag van 2500 miljoen ESP (15025303 EUR) overschrijdt, na 1 januari 1995 (beschikking 2002/820) en na (beschikkingen 2003/27 en 2002/894), voor het betrokken belastingkrediet van 45% in aanmerking kunnen komen. Alle overige ondernemingen die investeringen doen maar niet de genoemde drempel overschrijden, zijn van het betrokken voordeel uitgesloten.
162 Vastgesteld moet worden dat de Baskische autoriteiten, door de toepassing van het belastingkrediet te beperken tot investeringen in nieuwe materiële vaste activa die meer dan 2500 miljoen ESP bedragen, het betrokken belastingvoordeel hebben voorbehouden aan ondernemingen die over aanzienlijke financiële middelen beschikken. De Commissie kon dus terecht concluderen, dat de belastingkredieten bedoeld in de aan de orde zijnde Normas Forales op selectieve wijze konden worden toegepast op „bepaalde ondernemingen” in de zin van artikel 87, lid 1, EG (arresten Demesa, punt 43 supra, punt 157, en Ramondín, punt 43 supra, punt 39).
163 Bovendien kan het feit dat fiscale regelingen vaak kwantitatieve criteria bevatten, niet de conclusie rechtvaardigen dat de in casu aan de orde zijnde bepalingen door invoering van een belastingvoordeel ten gunste van ondernemingen die over aanzienlijke financiële middelen beschikken, buiten de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG zouden vallen (zie in die zin arrest Ramondín, punt 43 supra, punt 40).
164 De argumenten ontleend aan de mededeling van 1998 over fiscale steun aan ondernemingen wettigen niet de conclusie dat de betrokken maatregelen algemeen van aard zijn. Volgens deze mededeling vormen algemene maatregelen immers geen steunmaatregelen van de staten, zelfs indien sommige ondernemingen of sectoren meer dan andere daarvan profiteren. In casu echter zijn de betrokken maatregelen niet algemeen, aangezien, zoals hiervoor is opgemerkt (zie punt 162 hierboven), alleen bepaalde ondernemingen daarvan kunnen profiteren.
165 Hoewel de in casu aan de orde zijnde regelingen intersectoraal van aard zijn, behouden zij overigens de voordelen voor aan bepaalde, onder de Baskische belastingregelingen vallende ondernemingen. Zij kunnen dus niet worden geacht de gehele economie te ondersteunen, zoals de Commissie dit begrijpt in haar XXVIIIe Verslag over het mededingingsbeleid 1998, dat Confebask heeft aangevoerd (zie punt 153 hierboven), en moeten daardoor wel als selectieve maatregelen worden gekwalificeerd.
166 Gelet op het voorgaande, moeten de betrokken belastingkredieten als een selectief voordeel „voor bepaalde ondernemingen” in de zin van artikel 87, lid 1, EG worden aangemerkt.
167 Een dergelijke vaststelling alleen al volstaat om aan te tonen dat de betrokken belastingkredieten voldoen aan de voorwaarde van specificiteit, die één van de kenmerken van het begrip staatssteun is. Derhalve behoeft niet meer te worden onderzocht of het selectieve karakter van de betrokken maatregelen ook voortvloeit uit de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan bij de uitvoering van deze maatregelen (zie in die zin arrest Hof van 15 juli 2004, Spanje/Commissie, C-501/00, Jurispr. blz. I-6717, punten 120 en 121, en arrest Demesa, punt 43 supra, punt 160), zulks te meer waar dit criterium van de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan door de Commissie in casu subsidiair wordt gehanteerd (punt 61 van beschikking 2002/820; punt 69 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894).
168 Wat de vraag betreft, of de bevoegdheid van de Diputaciones Forales in casu al dan niet discretionair van aard is, moet hoe dan ook eraan worden herinnerd dat de argumenten van Confebask dienaangaande reeds door het Gerecht zijn afgewezen met betrekking tot het belastingkrediet van 45% als bedoeld in de zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 de Álava, dat aan de orde was in de arresten Demesa (punt 43 supra, punten 150-154), en Ramondín (punt 43 supra, punten 32-35). Het Gerecht was derhalve van oordeel dat deze bepalingen aan het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid toekenden waardoor dit het bedrag of de voorwaarden voor toekenning van de betrokken belastingvoordelen op grond van de kenmerken van de aan zijn beoordeling onderworpen investeringsprojecten kon aanpassen.
169 De wijzigingen die voor 1998 en 1999 (zie punt 13 hierboven) zijn aangebracht in de zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 de Álava, waarom het ging in de arresten Demesa en Ramondín (punt 43 supra), voeren het begrip „investeringsproces” in, in de duur waarvan de investeringen worden betrokken „die zijn gedaan in de fase van voorbereiding van het project waarop de investeringen betrekking hebben en die in noodzakelijke en rechtstreekse betrekking tot genoemd investeringsproces staan”. Vastgesteld moet worden dat deze begrippen niet nader zijn omschreven, zodat het bestuursorgaan zijn discretionaire bevoegdheid dienaangaande behoudt.
170 Wat de voor de Territorios Históricos de Vizcaya en Guipúzcoa geldende belastingkredieten betreft, blijkt uit de betrokken bepalingen (zie punt 15 hierboven), dat de Diputaciones Forales over een discretionaire bevoegdheid beschikken, met name met betrekking tot het bedrag waarop het belastingkrediet van 45% van toepassing is, de duur van het investeringsproces en de draagwijdte van het begrip investering die door belastingkredieten kan worden gesubsidieerd. Zoals de Commissie heeft vastgesteld zonder te zijn weersproken (punt 69 van de beschikkingen 2003/27 en 2002/894), zijn bovendien de begrippen „investeringsproces” en „voorbereidingsfase van de investering” niet nader omschreven, zodat zij op goede gronden kon concluderen dat de regionale autoriteiten over een beoordelingsmarge ter zake beschikten.
171 Zoals de Commissie in haar schrifturen heeft opgemerkt, behoeft ten slotte voor de uitsluiting van de kwalificatie van algemene maatregel niet te worden nagegaan, of het bestuursorgaan willekeurig heeft gehandeld. Het volstaat namelijk dat, zoals in casu is gedaan, wordt aangetoond dat dit orgaan over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt (arrest Demesa, punt 43 supra, punt 154).
172 Het argument dat, indien wordt aanvaard dat het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid heeft, de betrokken maatregelen moeten worden beschouwd als loutere bevoegdheidsregels die niet behoeven te worden aangemeld, moet ten slotte ook worden afgewezen. In de litigieuze bepalingen worden de voorwaarden voor toekenning van de belastingkredieten namelijk nauwkeurig vastgesteld en de Commissie heeft ze dus terecht aangemerkt als steunregelingen die moeten worden aangemeld.
173 Gelet op het voorgaande, vormen de betrokken maatregelen selectieve maatregelen.
4. Vierde onderdeel: rechtvaardiging van de belastingmaatregelen door de aard en de algemene opzet van het belastingstelsel
a) Argumenten van partijen
174 Confebask voert aan dat de Territorios Históricos de Álava, Vizcaya en Guipúzcoa hun belastingregeling autonoom vaststellen op basis van economische beleidsregels die door democratisch gekozen representatieve organen zijn vastgesteld. De betrokken fiscale bepalingen vormen dus een instrument van belastingpolitiek en economische organisatie dat voortvloeit uit de economische en politieke keuzes van de staat die niet op communautair niveau kunnen worden getoetst.
175 Confebask stelt bovendien dat de litigieuze fiscale bepalingen objectief en horizontaal van aard zijn en een gunstige invloed op de werkgelegenheid en de investeringen hebben, hetgeen volstrekt verenigbaar is met de aard en de opzet van de betrokken belastingregelingen.
176 Ten slotte strookt de vaststelling van belastingvoordelen op basis van bepaalde minimuminvesteringsbedragen met het doel van de betrokken bepalingen. Dit doel bestaat erin de activiteiten van de ondernemingen te belasten, maar tegelijkertijd te trachten hun ontwikkeling te bevorderen om hun vermogen tot betaling van belasting in stand te houden. Zo gezien, is het logisch dat de betwiste belastingmaatregelen de kleine investeringen niet op één lijn stellen met de grote investeringen.
177 De Commissie, ondersteund door de Comunidad autónoma de La Rioja, acht dit betoog ongegrond.
b) Beoordeling door het Gerecht
178 Om te beginnen zij opgemerkt, dat het feit dat de Territorios Históricos een fiscale autonomie hebben die door de Spaanse grondwet wordt erkend en beschermd, hen niet van de verplichting ontslaat om de verdragsbepalingen betreffende steunmaatregelen van de staten in acht te nemen. In dit verband doelt artikel 87, lid 1, EG met „steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd” op alle steunmaatregelen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bijgevolg vallen de maatregelen van decentrale (gedecentraliseerde, federatieve, regionale of andere) lichamen van de lidstaten — ongeacht hun statuut en benaming — evenals de maatregelen van de federale of centrale overheid binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG, indien aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan (arrest Hof van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie, 248/84, Jurispr. blz. 4013, punt 17, en arrest Ramondín, punt 43 supra, punt 57).
179 Vervolgens zij eraan herinnerd dat de rechtvaardiging van de betrokken maatregelen „door de aard of de opzet van het belastingstelsel” verwijst naar de samenhang van een specifieke belastingmaatregel met de interne logica van het belastingstelsel in het algemeen (zie in die zin arrest van 17 juni 1999, België/Commissie, punt 142 supra, punt 39). Een specifieke belastingmaatregel die wordt gerechtvaardigd door de interne logica van het belastingstelsel - zoals de progressiviteit van de belasting die wordt gerechtvaardigd door de herverdelende functie daarvan — zal dan ook buiten de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG vallen (arrest Demesa, punt 43 supra, punt 164).
180 In casu stelt Confebask dat de betrokken belastingmaatregelen gebaseerd zijn op objectieve criteria en een horizontaal karakter hebben. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld (zie punten 158-166 hierboven), zijn de betrokken maatregelen daarom echter niet minder selectief, en deze argumenten wettigen niet de vaststelling dat het hierbij gaat om maatregelen die door de interne logica van het betrokken belastingstelsel worden gerechtvaardigd.
181 Vervolgens stelt Confebask dat de vaststelling van een minimumbedrag van de investeringen strookt met het doel van de betrokken bepalingen, namelijk de investeringen in de drie Territorios Históricos stimuleren en het vermogen tot betaling van belasting van de ondernemingen te handhaven.
182 Het feit dat de ontvangst van steun wordt voorbehouden aan een beperkte categorie van ondernemingen, weerspiegelt niet een algemene wil om investeringen te stimuleren.
183 Bovendien verwijst Confebask daarmee enkel naar algemene doelstellingen van economisch beleid die met het betrokken belastingstelsel niets van doen hebben.
184 Het met de betrokken maatregelen nagestreefde doel is echter geen grond om deze maatregelen niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG te kwalificeren. Bij aanvaarding van deze stelling zou een beroep op de rechtmatigheid van de met een steunmaatregel nagestreefde doeleinden immers reeds volstaan om deze maatregel als een algemene maatregel te beschouwen, die niet onder de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt. Deze bepaling maakt evenwel geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, doch ziet naar hun gevolgen (arrest Hof van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, Jurispr. blz. I-4551, punt 20, en arrest CETM/Commissie, punt 148 supra, punt 53).
185 Derhalve kunnen de betrokken specifieke belastingmaatregelen niet gerechtvaardigd worden geacht door de aard of de opzet van het belastingstelsel dat de Commissie in aanmerking heeft genomen.
186 Bijgevolg heeft de Commissie zich in de bestreden beschikking op goede gronden op het standpunt gesteld dat de belastingkredieten ten belope van 45% van het bedrag van de investering steunmaatregelen van de staat waren in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
5. Grief dat artikel 87 EG niet op de betrokken maatregelen kan worden toegepast
187 In het kader van haar antwoord van 3 februari 2005 op de vragen van het Gerecht in de zaken T-265/01, T-266/01 en T-270/01 (zie punt 47 hierboven), merkt Confebask op dat verzoekers in de zaken die hebben geleid tot de arresten van het Hof van , Demesa en Territorio Histórico de Álava/Commissie, en Ramondín e.a./Commissie, punt 45 supra, hadden gesteld dat een belastingmaatregel die is vastgesteld vóór de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen van betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (PB 1998, C 2, blz. 1), en de mededeling van 1998 over fiscale steunmaatregelen, van het toezicht op staatssteun was uitgesloten. Confebask verklaart zich aan te sluiten bij deze grief die door het Hof als nieuw en dus niet-ontvankelijk was afgewezen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex