Gerecht EU 1 juli 2009, T-24/07, ECLI:EU:T:2009:236

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

1 juli 2009 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Roestvrijstalen platte producten — Beschikking krachtens verordening (EG) nr. 1/2003, houdende vaststelling van inbreuk op artikel 65 KS na aflopen van EGKS-Verdrag — Legeringstoeslag — Bevoegdheid van Commissie — Toerekenbaarheid van inbreukmakende gedraging — Gezag van gewijsde — Rechten van verdediging — Toegang tot dossier — Verjaring — Beginsel ne bis in idem — Medewerking tijdens administratieve procedure”

In zaak T-24/07,

ThyssenKrupp Stainless AG, gevestigd te Duisburg (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Klusmann en S. Thomas, advocaten,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, R. Sauer en O. Weber als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 20 december 2006 in een procedure op grond van artikel 65 [KS] (Zaak COMP/F/39.234 — Legeringtoeslag — Wedergoedkeuring), en, subsidiair, tot verlaging van de bij deze beschikking aan ThyssenKrupp Stainless opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, M. Prek en V. M. Ciucă, rechters,

griffier: T. Weiler, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2008,

het navolgende

Arrest

Toepasselijke bepalingen

1. Bepalingen van het EGKS-Verdrag

1 Artikel 65 KS bepaalt: „1. Verboden zijn: alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen, welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder: a) de prijzen vast te leggen of te bepalen; b) de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken of te beheersen; c) de markten, producten, afnemers of voorzieningsbronnen te verdelen. 2. De Commissie verleent evenwel voor bepaalde producten ontheffing voor specialisatieovereenkomsten en overeenkomsten tot gemeenschappelijke aankoop of verkoop, indien [bepaalde voorwaarden zijn vervuld] […] 3. De Commissie kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 47 alle voor de toepassing van het onderhavige artikel noodzakelijke inlichtingen inwinnen, hetzij door een afzonderlijk tot de belanghebbenden gericht verzoek, hetzij door middel van een reglement, dat de aard van de overeenkomsten, besluiten of gedragingen welke te harer kennis moeten worden gebracht, omschrijft. 4. De krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende staten kan op dezelve een beroep gedaan worden. Alleen de Commissie heeft de bevoegdheid, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, om zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de genoemde overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel. 5. De Commissie kan aan ondernemingen, die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten, die door arbitrage, uitkoop, boycot of enig ander middel een van rechtswege nietige overeenkomst of een zodanig besluit of een overeenkomst, waarvoor de ontheffing is geweigerd of ingetrokken, hebben toegepast of gepoogd hebben toe te passen, of die door middel van willens en wetens onjuist of misleidend gestelde inlichtingen een ontheffing hebben verkregen, of die zich aan gedragingen schuldig maken, welke in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid, boeten en dwangsommen opleggen tot ten hoogste het dubbele van de bereikte omzet van de producten, welke het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, het besluit of de gedraging, strijdig met de bepalingen van het onderhavige artikel, onverminderd een verhoging van dit aldus bepaalde maximum tot een bedrag van 10% van de jaaromzet der betrokken ondernemingen voor zover het de boete betreft en tot een bedrag van 20% van de dagomzet, voor zover het de dwangsommen betreft, indien de bedoeling heeft voorgezeten de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken.”

2 Het EGKS-Verdrag is overeenkomstig artikel 97 daarvan op 23 juli 2002 afgelopen.

2. Mededeling betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag

3 Op 18 juni 2002 heeft de Commissie een mededeling betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152, blz. 5; hierna: „mededeling van ”) vastgesteld.

4 Volgens punt 2 van de mededeling van 18 juni 2002 heeft deze tot doel: „— […] een samenvatting te geven ten behoeve van economische actoren en lidstaten, in zoverre ze te maken hebben met het EGKS-Verdrag en de daarmee verband houdende afgeleide wetgeving, van de belangrijkste door de overgang naar het EG-stelsel teweeggebrachte veranderingen wat het toepasselijke materiële en procedurele recht betreft; — […] uiteen te zetten hoe de Commissie specifieke problemen wil aanpakken die zich ingevolge de overgang van het EGKS- naar het EG-stelsel zullen voordoen op het gebied van het anti-trustbeleid […], de concentratiecontrole […] en het toezicht op staatssteun”.

5 Punt 31 van de mededeling van 18 juni 2002, dat is opgenomen in de afdeling met betrekking tot bijzondere vraagstukken die voortvloeien uit de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel, luidt als volgt: „Indien de Commissie bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels op overeenkomsten, een inbreuk vaststelt op een gebied dat onder de toepassing van het EGKS-Verdrag valt, zal het materiële recht dat van toepassing is, ongeacht het tijdstip waarop het toegepast wordt, het recht zijn dat van kracht was op het tijdstip dat de inbreukmakende feiten plaatsvonden. In ieder geval is, wat de procedure aangaat, het recht dat na het aflopen van het EGKS-Verdrag van kracht is het EG-recht […]”

3. Bepalingen van verordening (EG) nr. 1/2003

6 Volgens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) „beschikt [de Commissie] met het oog op de toepassing van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] over de bevoegdheden waarin deze verordening voorziet”.

7 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 luidt als volgt: „Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken. Zij kan hun daartoe alle maatregelen ter correctie van gedragingen of structurele maatregelen opleggen die evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om aan de inbreuk daadwerkelijk een einde te maken. Structurele maatregelen kunnen alleen worden opgelegd als er niet een even effectieve maatregel ter correctie van gedragingen bestaat of als een dergelijke even effectieve maatregel voor de betrokken onderneming belastender zou zijn dan de structurele maatregel. De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft.”

8 Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG]; of b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een verbindend karakter is verleend, niet nakomen. Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10% van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10% van de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt.”

9 Artikel 27 van verordening nr. 1/2003 luidt als volgt: „1. Alvorens een beschikking op grond van de artikelen 7, 8, 23 of artikel 24, lid 2, te geven, stelt de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen die het voorwerp van haar procedure uitmaken in de gelegenheid hun standpunt ten aanzien van de door haar in aanmerking genomen bezwaren kenbaar te maken. De Commissie doet haar beschikkingen slechts steunen op de punten van bezwaar waarover de partijen opmerkingen hebben kunnen maken. De klagers worden nauw bij de procedure betrokken. 2. Het recht van verdediging van de partijen wordt in de loop van de procedure ten volle geëerbiedigd. De partijen hebben het recht tot inzage van het dossier van de Commissie, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid prijs worden gegeven. Het recht tot inzage van het dossier geldt niet voor vertrouwelijke inlichtingen en interne documenten van de Commissie of de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. Met name geldt het recht tot inzage niet voor de briefwisseling tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten of tussen die autoriteiten, waaronder documenten opgesteld uit hoofde van de artikelen 11 en 14. Niets in dit lid belet de Commissie om voor het bewijs van een inbreuk noodzakelijke inlichtingen bekend te maken of te gebruiken. […]”

Feiten van het geding

10 Krupp Thyssen Nirosta GmbH, een vennootschap naar Duits recht, is op 1 januari 1995 ontstaan door de samensmelting van de activiteiten van Thyssen Stahl AG (hierna: „Thyssen”) en Fried. Krupp AG Hoesch Krupp in de sector zuur- en hittebestendige platte producten van roestvrij staal. Krupp Thyssen Nirosta is na verscheidene veranderingen van handelsnaam ThyssenKrupp Stainless AG (hierna: „verzoekster” of „TKS”) geworden.

11 Roestvrij staal is een bijzondere soort staal waarvan de belangrijkste eigenschap corrosiebestendigheid is. Deze eigenschap wordt verkregen door het gebruik van verschillende legeringselementen (chroom, nikkel, molybdeen) in het productieproces. Roestvrij staal wordt gebruikt in de vorm van platte producten (in platen of op rollen; warm- of koudgewalst) of lange producten (staven, walsdraad, geprofileerde producten; warmgewalst of afgewerkt). De meeste van deze producten vielen onder het EGKS-Verdrag overeenkomstig artikel 81 KS.

12 Op 16 maart 1995 heeft de Commissie naar aanleiding van berichten in de vakpers en klachten van verbruikers verscheidene producenten van roestvrij staal op grond van artikel 47 KS verzocht om inlichtingen omtrent de toepassing door die producenten van een gemeenschappelijke prijsverhoging die bekendstond onder de naam „legeringstoeslag”.

13 De legeringstoeslag is een prijssupplement dat wordt berekend aan de hand van de koers van de legeringselementen en wordt toegevoegd aan de basisprijs van roestvrij staal. De kosten van de door de producenten van roestvrij staal gebruikte legeringselementen (nikkel, chroom en molybdeen) vormen een aanzienlijk deel van de totale productiekosten. De koersen van deze elementen zijn uitermate variabel.

14 Op basis van de ingewonnen inlichtingen heeft de Commissie op 19 december 1995 aan 19 ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar verzonden.

15 In december 1996 en januari 1997, nadat de Commissie een reeks verificaties ter plaatse had verricht, hebben de advocaten of vertegenwoordigers van een aantal ondernemingen aan de Commissie de wens kenbaar gemaakt om hun medewerking te verlenen. Op 17 december 1996 heeft TKS de Commissie verklaringen dienaangaande toegezonden.

16 Op 24 april 1997 heeft de Commissie aan de betrokken ondernemingen een nieuwe mededeling van punten van bezwaar gestuurd, die de mededeling van verving. TKS en Thyssen hebben elk een mededeling van punten van bezwaar ontvangen en elk van deze ondernemingen heeft daarop los van elkaar geantwoord bij brieven van hun respectieve vertegenwoordigers van .

17 Bij brief van 23 juli 1997 aan de Commissie (hierna: „verklaring van ”) heeft TKS het volgende verklaard: „Met betrekking tot de onderhavige procedure [Zaak IV/35.814 — TKS] heeft u de wettelijke vertegenwoordiger van Thyssen […] verzocht, dat [TKS] uitdrukkelijk zou bevestigen dat zij na de overname van de sector roestvrije platte producten van Thyssen de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de gedragingen van Thyssen aangaande de roestvrije platte producten waarop deze procedure betrekking heeft, en dat ook voor de periode vanaf 1993. Hierbij bevestigen wij dat uitdrukkelijk.”

18 Op 21 januari 1998 heeft de Commissie beschikking 98/247/EGKS inzake een procedure op grond van artikel 65 [KS] (Zaak IV/35.814 — Legeringstoeslag) (PB L 100, blz. 55) vastgesteld.

19 Volgens deze beschikking waren de meeste producenten van platte producten van roestvrij staal tijdens een bijeenkomst te Madrid op 16 december 1993 (hierna: „bijeenkomst van Madrid”) overeengekomen om hun prijzen in onderling overleg te verhogen door de berekeningsfactoren van de legeringstoeslag te wijzigen. Daartoe hadden zij besloten om met ingang van een legeringstoeslag toe te passen overeenkomstig de formule die voor het laatst in 1991 was gebruikt, waarbij voor alle producenten als referentiewaarden voor de legeringselementen de waarden werden gehanteerd van september 1993, toen de koers van nikkel een historisch dieptepunt had bereikt.

20 De Commissie heeft vastgesteld dat de betrokken ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 65, lid 1, KS door in onderlinge afstemming de referentiewaarden voor de berekeningswijze van de legeringstoeslag te wijzigen en toe te passen, een praktijk die zowel ten doel als ten gevolge had dat de normale mededinging op de gemeenschappelijke markt werd beperkt en vervalst.

21 Beschikking 98/247 is aan TKS betekend, maar niet aan Thyssen.

22 Uit punt 102 en de artikelen 1 en 2 van de beschikking blijkt dat de Commissie op basis van de verklaring van 23 juli 1997 heeft geconcludeerd dat TKS aansprakelijk was voor de gedragingen van Thyssen, en dat zij haar ook wegens de aan Thyssen verweten feiten een geldboete heeft opgelegd. In dat verband heeft de Commissie in punt 78 van beschikking 98/247 overwogen dat de aan Thyssen verweten inbreuk had geduurd van december 1993, het tijdstip van de bijeenkomst van Madrid waar de onderlinge afstemming tussen de producenten van platte producten van roestvrij staal een aanvang had genomen, tot , de datum waarop Thyssen haar activiteiten in die sector had gestaakt.

23 Op 11 maart 1998 stelde TKS beroep in, strekkende tot onder meer nietigverklaring van beschikking 98/247.

24 Bij arrest van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie (T-45/98 en T-47/98, Jurispr. blz. II-3757), heeft het Gerecht artikel 1 van beschikking 98/247 nietig verklaard voor zover daarbij de door Thyssen gepleegde inbreuk op artikel 65 KS aan TKS werd toegerekend.

25 Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie TKS tijdens de administratieve procedure niet in de gelegenheid had gesteld om opmerkingen in te dienen met betrekking tot de realiteit en de relevantie van de aan Thyssen verweten feiten, en dat TKS daardoor op dit punt haar rechten van de verdediging niet had kunnen uitoefenen. De Commissie mocht TKS derhalve niet aansprakelijk stellen voor de gedragingen van Thyssen en mocht TKS derhalve evenmin een geldboete opleggen wegens de aan Thyssen verweten feiten, aangezien de desbetreffende mededeling van de punten van bezwaar alleen aan Thyssen was gericht (zie arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, punt 24 hierboven, punten 66 en 67).

26 Het Gerecht heeft bijgevolg de geldboete van TKS verlaagd met het bedrag dat haar was opgelegd wegens de door Thyssen gepleegde inbreuk, en het bedrag van de uiteindelijk aan TKS opgelegde geldboete vastgesteld op 4032000 EUR.

27 Bij arrest van 14 juli 2005, ThyssenKrupp/Commissie (C-65/02 P en C-73/02 P, Jurispr. blz. I-6773), heeft het Hof de door TKS en de Commissie ingestelde hogere voorzieningen tegen het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, punt 24 hierboven, afgewezen.

28 Nadat zij bij brief van 29 november 2005 bij de directie van de groep Thyssen Krupp AG had gevraagd om verscheidene gegevens en nadat zij bij brief van een verzoek om inlichtingen had gestuurd aan Thyssen om haar omzet te achterhalen, heeft de Commissie op een mededeling van punten van bezwaar gestuurd aan TKS.

29 Verzoekster heeft bij brief van 17 mei 2006 geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar en op heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

30 Op 20 december 2006 heeft de Commissie de beschikking in een procedure op grond van artikel 65 [KS] (Zaak COMP/F/39.234 — Legeringstoeslag — Wedergoedkeuring) (hierna: „beschikking”) vastgesteld.

31 De considerans van de beschikking luidt als volgt: „Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, inzonderheid op artikel 65 ervan, gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gelet op verordening […] nr. 1/2003 […], gezien het besluit van de Commissie van 5 april 2006 om de zaak gedeeltelijk aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, gezien de aan de Commissie ter beschikking staande inlichtingen en de uit hoofde van artikel 47 [KS] verrichte verificaties, gezien de krachtens artikel 36 [KS] ingediende schriftelijke opmerkingen, gezien de verzoeken om inlichtingen waarin artikel 18 van verordening nr. 1/2003 voorziet, na de betrokken onderneming in de gelegenheid te hebben gesteld om haar standpunt bekend te maken ten aanzien van de door de Commissie in aanmerking genomen bezwaren overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 en verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG], na raadpleging van het Adviescomité inzake mededingingsregelingen en economische machtsposities, […]”

32 Het dispositief van de beschikking bevat de volgende bepalingen: „Artikel 1 Thyssen […] heeft van 16 december 1993 tot en met inbreuk gemaakt op artikel 65, lid 1, KS door de referentiewaarden voor de berekeningswijze van de legeringstoeslag te wijzigen en toe te passen, een praktijk die zowel ten doel als ten gevolge heeft gehad dat de normale mededinging op de gemeenschappelijke markt is beperkt en vervalst. Artikel 2 Voor de in artikel [1] bedoelde inbreuk wordt een geldboete van 3168000 EUR opgelegd. Aangezien de rechtspersoon [TKS] door middel van [de verklaring] van 23 juli 1997 de verantwoordelijkheid voor het gedrag van de rechtspersoon Thyssen […] op zich heeft genomen, wordt de geldboete aan [TKS] opgelegd. […]”

Procesverloop en conclusies van partijen

33 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 februari 2007, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

34 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het de Commissie verzocht om schriftelijk antwoord te geven op een vraag over de inhoud van het dossier met betrekking tot de administratieve procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de beschikking. De Commissie heeft op 3 december 2008 aan dit verzoek voldaan.

35 Bij brief van 3 december 2008 heeft de Commissie met betrekking tot het rapport ter terechtzitting opmerkingen gemaakt, die aan verzoekster zijn betekend. Laatstgenoemde heeft het Gerecht bij brief van verzocht om bovengenoemde opmerkingen niet aan het dossier toe te voegen, omdat zij een wijziging van de weergave van de argumenten van de Commissie tot gevolg zouden hebben en omdat zij een aanvullende en laattijdige inhoudelijke stellingname zouden inhouden.

36 Het Gerecht heeft het verzoek van verzoekster afgewezen omdat het zonder voorwerp was, aangezien de brief van de Commissie van 3 december 2008 reeds aan het dossier was toegevoegd, en heeft verklaard dat de mogelijk nieuwe argumenten van de Commissie en de ontvankelijkheid ervan zouden worden beoordeeld in het kader van het arrest.

37 Partijen zijn ter terechtzitting van 11 december 2008 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.

38 Ter terechtzitting heeft verzoekster te kennen gegeven de verklaring van 23 juli 1997 in te trekken. In antwoord op een vraag van de kamerpresident heeft verzoekster meegedeeld dat zij de verklaring niet tijdens de administratieve procedure heeft ingetrokken en dat deze intrekking enkel diende ter illustratie van het in haar schriftelijke stukken verdedigde standpunt, namelijk dat de verklaring van slechts een herroepbare persoonlijke verklaring was, op grond waarvan zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het gedrag van Thyssen. In het proces-verbaal van de terechtzitting is akte genomen van de intrekking en bovengenoemde verklaringen van verzoekster.

39 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: — de beschikking nietig te verklaren; — subsidiair, artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren; — meer subsidiair, het bedrag van de opgelegde geldboete in passende mate te verlagen; — de Commissie te verwijzen in de kosten.

40 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

1. Nieuwe en laattijdige argumenten van de Commissie

41 Na de neerlegging door de Commissie van opmerkingen over het rapport ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd dat deze opmerkingen de weergave van de argumenten van de Commissie wijzigden en een aanvullende en laattijdige inhoudelijke stellingname inhielden.

42 Vastgesteld moet worden dat deze bewering van verzoekster niet wordt gestaafd door concrete, op specifieke punten van de betrokken opmerkingen betrekking hebbende bewijzen. Integendeel, genoemde opmerkingen bevatten louter nadere bijzonderheden over de strekking van sommige van de argumenten die de Commissie heeft uiteengezet in haar schriftelijke stukken, of herinneringen aan aspecten van haar redenering die niet zijn opgenomen in het rapport ter terechtzitting, dat noodzakelijkerwijs een samenvatting is.

43 Hieruit blijkt dat verzoekster niet heeft bewezen dat er sprake is van nieuwe argumenten van de Commissie die onder artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vallen.

2. Bevoegdheid van de Commissie

44 De eerste twee middelen tot nietigverklaring dienen tezamen worden onderzocht. Deze hebben betrekking op respectievelijk schending van het beginsel nulla poena sine lege en onrechtmatigheid van de toepassing van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 65 KS en werpen duidelijk de vraag op of de Commissie bevoegd is om de beschikking vast te stellen, hetgeen neerkomt op de vraag of die beschikking is gebaseerd op een geldige rechtsgrondslag.

Argumenten van partijen

45 Verzoekster stelt in de eerste plaats dat de beschikking onrechtmatig is omdat de Commissie haar daarbij „zonder geldige machtigingsgrondslag” een geldboete heeft opgelegd, hetgeen in strijd is met het beginsel nulla poena sine lege.

46 Zij benadrukt dat het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 is afgelopen en dat de Commissie daarmee haar bevoegdheid heeft verloren om sancties wegens inbreuken op artikel 65 KS op te leggen. Uit artikel 70 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van , waarin een regel van internationaal gewoonterecht is vastgelegd die van toepassing is op het EGKS-Verdrag, volgt dat wanneer een verdrag eenmaal is afgelopen, daarop geen enkele verplichting of bevoegdheid meer kan worden gebaseerd.

47 Volgens verzoekster zou artikel 65 KS alleen met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast indien er een overgangsregeling voor de mededingingsregels van het EGKS-Verdrag bestond. Die bestaat echter niet, terwijl de lidstaten of de Raad op andere gebieden overgangsregelingen — in de vorm van een protocol, een beschikking of een verordening — hebben vastgesteld om de gevolgen van het aflopen van het EGKS-Verdrag te regelen.

48 Indien de Commissie artikel 65 KS wenste toe te passen, had zij daartoe gemachtigd moeten zijn. Het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag, evenals het afgeleide recht en met name verordening nr. 1/2003, bevatten echter geen enkele bepaling die een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht toestaat.

49 De Commissie kan evenmin beweren bevoegd te zijn om artikel 65 KS toe te passen onder verwijzing naar een beweerd eenvormig verbodsstelsel dat het resultaat is van een eenvormige Europese rechtsorde. Het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag waren weliswaar sinds het Fusieverdrag met elkaar verbonden op het niveau van de instellingen, maar zij vormen twee afzonderlijke rechtsorden met bevoegdheden waarvoor verschillende regels gelden.

50 Volgens verzoekster bestaat er geen algemene absolute bevoegdheid van de Commissie en kunnen de instellingen van de Gemeenschap ingevolge het beginsel van de toegewezen bevoegdheden in artikel 5 EG zichzelf geen bevoegdheden toewijzen. De Commissie is slechts bevoegd om de verdragen binnen de communautaire rechtsorde toe te passen voor zover die bevoegdheid bij de verschillende verdragen concreet aan haar is toegewezen. Het einde van de geldigheidsduur van een verdrag, zoals in het onderhavige geval 23 juli 2002 voor het EGKS-Verdrag, brengt tevens een einde aan de bevoegdheden van de instellingen die voordien bevoegd waren om het betrokken verdrag toe te passen.

51 De argumenten van de Commissie voor het tegendeel, namelijk dat artikel 81 EG een „subsidiaire vervangende regeling” voor artikel 65 KS is en dat deze laatste nog kan worden toegepast, gelet op het algemene rechtsbeginsel van de hiërarchie van normen van lex generalis tot lex specialis, zijn irrelevant.

52 Artikel 65 KS is geen lex specialis ten opzichte van artikel 81 EG in de zin die de Commissie bepleit. Volgens verzoekster is een lex specialis een norm die alle criteria van een lex generalis bevat en daarnaast nog minstens één aanvullend criterium. Dat is niet het geval in de verhouding tussen artikel 65 KS en artikel 81 EG, aangezien artikel 65 KS niet alle criteria van artikel 81 EG bevat, met name het daadwerkelijke vereiste dat de handel tussen lidstaten nadelig wordt beïnvloed. Uit het specialiteitsbeginsel kan niets worden afgeleid over de toepasbaarheid van recht dat niet meer van kracht is.

53 De toepassing van artikel 65 KS kan evenmin worden gebaseerd op de mededeling van 18 juni 2002. Deze mededeling is niet bindend van aard en de Commissie is hoe dan ook niet bevoegd om regelingen vast te stellen waarbij rechten in het leven worden geroepen voor de behandeling van oude zaken, zelfs niet om, in de woorden van de beschikking, een „harmonieuze overgang” tussen de bepalingen van het EGKS-Verdrag en die van het EG-Verdrag te waarborgen.

54 Artikel 65 KS kan voorts niet van toepassing zijn op het onderhavige geval op grond van het beginsel van de lex mitior. Het beginsel van de lex mitior dient niet als basis voor de toepassing met terugwerkende kracht van een „strafbepaling”, maar stelt die terugwerkende kracht juist als voorwaarde.

55 Verzoekster stelt in de tweede plaats dat de beschikking onrechtmatig is, omdat daarin verordening nr. 1/2003, in het bijzonder artikel 23 daarvan, in samenhang met artikel 65 KS wordt toegepast. Deze „combinatie van normen” kan geen geldige rechtsgrondslag voor de oplegging van sancties vormen en leidt bovendien tot ernstige procedurele fouten. Derhalve moet de beschikking worden aangemerkt als „non-existent” in de zin van het arrest van het Hof van 26 februari 1987, Consorzio Cooperative d’Abruzzo/Commissie (15/85, Jurispr. blz. 1005).

56 Ten eerste volgt uit de considerans van verordening nr. 1/2003, die na het aflopen van het EGKS-Verdrag in werking is getreden, en de tekst van artikel 23 daarvan dat deze laatste de Commissie de bevoegdheid geeft om een geldboete op te leggen voor inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG, maar niet in gevallen van schendingen van artikel 65 KS, dat niet wordt genoemd in artikel 23 van verordening nr. 1/2003. Door haar geldboete voor een schending van artikel 65 KS te baseren op artikel 23 van verordening nr. 1/2003, schendt de Commissie duidelijk het beginsel nulla poena sine lege.

57 De Commissie kan zich niet met goed gevolg beroepen op de rechtspraak die is aangehaald in punt 70 van de beschikking. Volgens die rechtspraak hebben materieelrechtelijke bepalingen geen terugwerkende kracht. Artikel 23 van verordening nr. 1/2003, dat de werkelijke rechtsgrondslag voor de straf bevat, met andere woorden de Commissie de bevoegdheid geeft om een geldboete op te leggen, is echter een „materiële strafbepaling” en is gelijkwaardig aan artikel 65, lid 5, KS.

58 Zelfs al kon artikel 23 van verordening nr. 1/2003 worden aangemerkt als een procedureregel, dan blijft de toepassing ervan ongeoorloofd, aangezien de toepassing van verordening nr. 1/2003 op de bestraffing van inbreuken op artikel 65 KS reeds ratione materiae moet worden uitgesloten.

59 Ten tweede beweert verzoekster dat de toepassing van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 65 KS de gehele procedure ongeldig maakt. Indien de Commissie een geldboete had gebaseerd op artikel 65 KS, toen dit artikel van kracht was, in samenhang met de bepalingen van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), zou haar beschikking eveneens kennelijk ongeldig zijn geweest en had deze moeten worden nietig verklaard. Dit kan niet anders zijn nu artikel 65 KS niet meer van kracht is en de toepassing van verordening nr. 1/2003 op inbreuken op artikel 65 KS zowel ratione materiae als ratione temporis moet worden uitgesloten.

60 Anders dan de Commissie beweert, is het niet juist dat de verwijzing in artikel 23 van verordening nr. 1/2003 naar artikel 81 EG ook een andere, „quasi-onzichtbare” verwijzing naar artikel 65 KS inhoudt. Aangezien het in het kader van het geldende recht op het gebied van inbreuken verboden is om sancties naar analogie toe te passen, vormt de toepassing van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 op een bepaling die daarin niet wordt genoemd, volgens verzoekster een „ontoelaatbare analogie”.

61 De rechtsgrondslag voor verordening nr. 1/2003 is artikel 83 EG, dat de Raad en de Commissie machtigt om de verordeningen vast te stellen die dienstig zijn voor de toepassing van de „beginselen neergelegd in de artikelen 81 [EG] en 82 [EG]”, zonder dat melding wordt gemaakt van artikel 65 KS. Het ontbreken van een vermelding van laatstgenoemde bepaling kan in geen geval wordt beschouwd als een vergissing van de gemeenschapswetgever, hetgeen een voorwaarde is voor toepassing naar analogie ter opvulling van een juridische lacune. Volgens verzoekster kan ingevolge het beginsel van de toegewezen bevoegdheden in artikel 5, eerste alinea, EG geen enkele bevoegdheid om artikel 65 KS uit te voeren aan de Commissie worden toegekend op basis van het EG-Verdrag, zelfs niet op subsidiaire basis of impliciet, en kan verordening nr. 1/2003 op het gebied van bevoegdheden alleen betrekking hebben op artikel 81 EG.

62 De Commissie vordert dat de eerste twee middelen tot nietigverklaring van verzoekster ongegrond worden verklaard.

Beoordeling door het Gerecht

Rechtsgrondslag van de beschikking

63 Allereerst moet eraan worden herinnerd dat de gemeenschapsverdragen een nieuwe rechtsorde tot stand hebben gebracht, ten bate waarvan de staten op steeds breder terrein hun soevereiniteit hebben begrensd en waarvan niet alleen de lidstaten, maar ook hun onderdanen de rechtssubjecten zijn (advies 1/91 van het Hof van 14 december 1991, Jurispr. blz. I-6079, punt 21).

64 Binnen deze rechtsorde beschikken de instellingen alleen over de bevoegdheden die hun zijn toegekend (advies 2/00 van het Hof van 6 december 2001, Jurispr. blz. I-9713, punt 5; arrest Hof van , Parlement/Raad, C-93/00, Jurispr. blz. I-10119, punt 39). Om deze reden vermelden gemeenschapshandelingen in hun aanhef de rechtsgrondslag op grond waarvan de betrokken instelling bevoegd is om op het betrokken gebied te handelen. De keuze van de juiste rechtsgrondslag is immers van constitutioneel belang (advies 2/00 van het Hof, reeds aangehaald, punt 5).

65 In het onderhavige geval moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de aanhef van de beschikking verwijzingen bevat naar bepalingen van het EGKS-Verdrag, te weten de artikelen 36 KS, 47 KS en 65 KS, maar ook een vermelding van het EG-Verdrag, verordening nr. 1/2003, meer in het bijzonder de artikelen 18 en 27, lid 1, daarvan, en verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB L 123, blz. 18).

66 In de tweede plaats heeft de Commissie in punt 70 van de beschikking het volgende verklaard: „De onderhavige beschikking is vastgesteld […] overeenkomstig de procedureregels van het EG-Verdrag, en in het bijzonder overeenkomstig verordening nr. 1/2003. Artikel 7, lid 1, van deze verordening kent de Commissie op grond van artikel 85 EG de bevoegdheid toe tot vaststelling van de inbreuken op het mededingingsrecht die door ondernemingen zijn begaan. Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geeft haar de bevoegdheid om in geval van een inbreuk sancties op te leggen.”

67 In punt 73 van de beschikking legt de Commissie uit dat bij het aflopen van het EGKS-Verdrag de vervanging van artikel 65 KS, als lex specialis, door artikel 81 EG, als lex generalis, meebrengt dat zij „krachtens de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 tevens bevoegd is om een procedure op grond van artikel 65 KS in te stellen, om een inbreuk op dat artikel vast te stellen, om een einde te maken aan de aldus vastgestelde inbreuk en om een geldboete op te leggen teneinde die inbreuk te bestraffen”.

68 In punt 163 van de beschikking wordt verklaard dat de Commissie volgens artikel 65, lid 5, KS geldboeten „mocht” vaststellen ten aanzien van ondernemingen die bepaalde mededingingsbeperkende handelingen hadden verricht, en dat „de Commissie een gelijkwaardig recht is toegekend bij artikel 23 van verordening […] nr. 1/2003, dat in dit geval door de Commissie is toegepast”.

69 Uit de motivering van de beschikking blijkt tevens dat de verwijzing in de aanhef naar artikel 65 KS betrekking heeft op lid 1 daarvan, dat wil zeggen de materieelrechtelijke bepaling die is gericht tot ondernemingen en verenigingen van ondernemingen en die bepaalde mededingingsverstorende gedragingen verbiedt, en op lid 5, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid om geldboeten op te leggen van ten hoogste twee keer de omzet die is behaald met de producten die het voorwerp van de mededingingsbeperkende overeenkomst zijn geweest. De verwijzing naar de toepasbaarheid van artikel 65, lid 5, KS heeft betrekking op de discussie inzake het beginsel van de lex mitior en dient ter rechtvaardiging van de toepassing in het onderhavige geval van deze bepaling in plaats van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor de berekening van het bedrag van de geldboete (zie punten 162-168 en 178 van de beschikking).

70 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de rechtsgrondslag van de beschikking waarbij de Commissie een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vaststelt en aan verzoekster een geldboete oplegt, wordt gevormd door artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voor de vaststelling van de inbreuk en door artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor de oplegging van de geldboete.

71 Derhalve moet reeds in dit stadium worden vastgesteld dat het betoog van verzoekster, dat het beginsel van de lex mitior en de mededeling van 18 juni 2002 geen geldige rechtsgrondslag voor de beschikking konden vormen, volledig irrelevant is omdat de bevoegdheid van de Commissie in het onderhavige geval op geen van beide is gebaseerd, maar op voornoemde bepalingen van verordening nr. 1/2003.

Bevoegdheid van de Commissie om na het aflopen van het EGKS-Verdrag een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en te bestraffen op basis van verordening nr. 1/2003

72 In het kader van haar eerste twee middelen tot nietigverklaring betoogt verzoekster in wezen dat de Commissie, louter door het feit dat het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 is afgelopen, haar bevoegdheid heeft verloren om sancties op te leggen wegens inbreuken op artikel 65 KS, en dat er geen enkele andere overgangs- of permanente bepaling van primair of afgeleid recht bestaat die deze instelling machtigt om voornoemd artikel toe te passen. De toepassing in de beschikking van artikel 65 KS in samenhang met verordening nr. 1/2003 vormt daarvoor in ieder geval geen geldige rechtsgrondslag, aangezien die verordening de Commissie enkel bevoegdheden voor de uitvoering van de artikelen 81 EG en 82 EG toekent.

73 Dit betoog kan niet worden aanvaard.

74 In de eerste plaats moet de bepaling die de rechtsgrondslag vormt voor een handeling en die de gemeenschapsinstelling machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, van kracht zijn op het moment van de vaststelling van die handeling (arrest Hof van 4 april 2000, Commissie/Raad, C-269/97, Jurispr. blz. I-2257, punt 45), hetgeen ontegenzeglijk het geval is met de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, die de rechtsgrondslag van de beschikking vormen.

75 In de tweede plaats hebben de gemeenschapsverdragen een eenvormige rechtsorde tot stand gebracht (zie in die zin advies 1/91 van het Hof van 14 december, aangehaald in punt 63 hierboven, punt 21; arrest Gerecht van 27 juni 1991, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T-120/89, Jurispr. blz. II-279, punt 78), in het kader waarvan, zoals blijkt uit artikel 305, lid 1, EG, het EGKS-Verdrag een bijzondere regeling vormde die afweek van de bij het EG-Verdrag vastgestelde algemene regels.

76 Krachtens artikel 305, lid 1, EG vormde het EGKS-Verdrag dus een lex specialis die derogeerde aan de lex generalis, het EG-Verdrag (arrest Hof van 24 oktober 1985, Gerlach, 239/84, Jurispr. blz. 3507, punten 9-11; advies 1/94 van het Hof van , Jurispr. blz. I-5267, punten 25-27, en arrest Gerecht van , ESF Elbe-Stahlwerke Feralpi/Commissie, T-6/99, Jurispr. blz. II-1523, punt 102).

77 Voor de werking van de gemeenschappelijke markt volgt hieruit dat de bepalingen van het EGKS-Verdrag en de ter uitvoering daarvan getroffen regelingen zijn blijven gelden ondanks de totstandkoming van het EG-Verdrag (arrest Gerlach, aangehaald in punt 76 hierboven, punt 9, en arrest Hof van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C-74/00 P en C-75/00 P, Jurispr. blz. I-7869, punt 100).

78 Voor zover bepaalde kwesties niet werden geregeld door het EGKS-Verdrag of door op basis daarvan vastgestelde regelingen, konden het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen echter reeds vóór het verstrijken van het EKGS-Verdrag toepassing vinden op onder het EGKS-Verdrag vallende producten (arrest Hof van 15 december 1987, Deutsche Babcock, 328/85, Jurispr. blz. 5119, punt 10, en arrest Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, aangehaald in punt 77 hierboven, punt 100; zie in die zin tevens advies 1/94, aangehaald in punt 76 hierboven, punt 27).

79 Het EGKS-Verdrag is op grond van artikel 97 daarvan op 23 juli 2002 afgelopen. Bijgevolg is de werkingssfeer van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende algemene regeling op uitgebreid tot de sectoren die aanvankelijk onder het EGKS-Verdrag vielen.

80 Hoewel de vervanging van het rechtskader van het EGKS-Verdrag door dat van het EG-Verdrag per 24 juli 2002 heeft geleid tot een wijziging van de toepasselijke rechtsgrondslagen, procedures en materiële regels, maakt die wijziging deel uit van de eenheid en de continuïteit van de communautaire rechtsorde en de doelstellingen daarvan (arrest Gerecht van , González y Díez/Commissie, T-25/04, Jurispr. blz. I-3121, punt 55; zie in die zin tevens arrest Hof van , Lucchini, C-119/05, Jurispr. blz. I-6199, punt 41), zoals de Commissie terecht benadrukt in de punten 65 tot en met 67 van de beschikking.

81 In dit verband moet worden opgemerkt dat de invoering en de handhaving van een stelsel van vrije mededinging waarin de normale concurrentieverhoudingen worden verzekerd en dat met name ten grondslag ligt aan de staatssteunregels en de regels inzake mededingingsregelingen tussen ondernemingen, een van de wezenlijke doelstellingen is van zowel het EG-Verdrag (zie in die zin arrest Hof van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie, C-308/04 P, Jurispr. blz. I-5977, punt 31) als het EGKS-Verdrag (zie in die zin advies 1/61 van het Hof van , Jurispr. blz. 535, op blz. 550; arrest Hof van , Moccia Irme e.a./Commissie, C-280/99 P–C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 33; arrest Gerecht van , Thyssen Stahl/Commissie, T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punten 265, 299-304).

82 In dat kader moet worden benadrukt dat, hoewel de bepalingen van het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag op het gebied van mededingingsregelingen tussen ondernemingen in zekere mate uiteenlopen, de begrippen overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS overeenstemmen met de begrippen overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen in de zin van artikel 81 EG en dat deze twee bepalingen door de gemeenschapsrechter op dezelfde wijze zijn uitgelegd (zie in die zin arrest Thyssen Stahl/Commissie, reeds aangehaald, punten 262-272 en 277). Het nastreven van het doel van een onvervalste mededinging in de sectoren die aanvankelijk onder de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal vielen, wordt dus niet onderbroken door het aflopen van het EGKS-Verdrag, omdat dit doel ook in het kader van het EG-Verdrag wordt nagestreefd en door dezelfde instelling, te weten de Commissie, de administratieve autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering en de ontwikkeling van het mededingingsbeleid in het algemene belang van de Gemeenschap (zie naar analogie arrest González y Díez/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 55).

83 De continuïteit van de communautaire rechtsorde en van de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, vereist dus dat de Europese Gemeenschap, voor zover zij de opvolgster is van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, in haar eigen procedurele kader met betrekking tot onder het EGKS-Verdrag ontstane situaties de naleving verzekert van de rechten en plichten die krachtens het EGKS-Verdrag en de tot uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen in die tijd voor zowel de lidstaten als de particulieren golden. Dit vereiste geldt te meer waar onder het EG-Verdrag de mededingingsverstoring als gevolg van de niet-naleving van de regels op het gebied van mededingingsregelingen tussen ondernemingen kan blijven doorwerken in de tijd na het aflopen van het EGKS-Verdrag (zie naar analogie arrest González y Díez/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 56).

84 Uit het voorgaande volgt dat, anders dan verzoekster stelt, verordening nr. 1/2003 en met name de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, daarvan aldus moeten worden uitgelegd dat zij de Commissie in staat stellen om na 23 juli 2002 mededingingsregelingen tussen ondernemingen vast te stellen en te bestraffen die tot stand zijn gebracht in sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen (zie naar analogie arrest Gonzalez y Díez/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 57), zelfs indien artikel 65 KS niet uitdrukkelijk wordt vermeld in voornoemde bepalingen.

85 Bovendien moeten bij de toepassing, binnen de communautaire rechtsorde, van de bepalingen van het EG-Verdrag op een gebied dat aanvankelijk door het EGKS-Verdrag werd beheerst, de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd in acht worden genomen. In dit verband is het vaste rechtspraak dat procedurevoorschriften in het algemeen weliswaar worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige gedingen, maar dat dit niet opgaat voor de materiële voorschriften. Die voorschriften moeten immers ter verzekering van de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen aldus worden uitgelegd dat zij alleen ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities gelden voor zover er blijkens hun bewoordingen, doelstellingen of opzet zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend (arresten Hof van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80–217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 9, en , Bout, 21/81, Jurispr. blz. 381, punt 13; arrest Gerecht van , Eyckeler & Malt/Commissie, T-42/96, Jurispr. blz. II-401, punt 55).

86 Aangaande de vraag welke materiële bepalingen van toepassing zijn op een vóór het aflopen van het EGKS-Verdrag definitief verworven rechtspositie, is het op grond van de continuïteit van de communautaire rechtsorde en de vereisten in verband met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen dus geboden dat de op grond van het EGKS-Verdrag vastgestelde materiële bepalingen toepassing vinden op feiten die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer daarvan vallen. De omstandigheid dat wegens het aflopen van het EGKS-Verdrag het betrokken rechtskader niet meer van kracht is op het tijdstip waarop de feitelijke situatie wordt beoordeeld, doet hieraan niet af, aangezien die beoordeling betrekking heeft op een rechtspositie die definitief is verworven in een periode waarin de op grond van het EGKS-Verdrag vastgestelde materiële bepalingen van toepassing waren (arrest Gonzalez y Díez/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 59).

87 In casu is de beschikking vastgesteld op grond van de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 na een overeenkomstig deze verordening gevoerde procedure. De bepalingen inzake de rechtsgrondslag en de voor de vaststelling van de beschikking gevolgde procedure vallen onder de procedurevoorschriften in de zin van de in punt 85 hierboven bedoelde rechtspraak. Aangezien de beschikking na het aflopen van het EGKS-Verdrag is vastgesteld, heeft de Commissie op goede gronden de regels van verordening nr. 1/2003 toegepast (zie naar analogie arrest Gonzalez y Díez/Commissie, aangehaald in punt 80 hierboven, punt 60, en a contrario arrest Gerecht van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie, T-27/03, T-46/03, T-58/03, T-79/03, T-80/03, T-97/03 en T-98/03, Jurispr. blz. II-4331).

88 Anders dan verzoekster stelt, formuleert artikel 23 van verordening nr. 1/2003 geen materieelrechtelijk voorschrift. Een dergelijk voorschrift heeft per definitie niet tot doel een rechtsgrondslag te verschaffen voor het handelen van de Commissie, in tegenstelling tot juist het voornoemde artikel, dat de Commissie de bevoegdheid toekent om geldboeten op te leggen aan ondernemingen en verenigingen van ondernemingen die de artikelen 81 EG en 82 EG hebben geschonden.

89 Wat de materiële voorschriften betreft, moet worden opgemerkt dat de beschikking een vóór het aflopen van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 definitief verworven rechtspositie betreft, aangezien de inbreukperiode heeft gelopen van tot en met . Bij gebreke van terugwerkende kracht van het sinds geldende materiële mededingingsrecht moet worden vastgesteld dat artikel 65, lid 1, KS het materiële voorschrift is dat van toepassing is en dat door de Commissie in de beschikking daadwerkelijk is toegepast, waarbij eraan wordt herinnerd dat juist uit de aard van lex generalis van het EG-Verdrag ten opzichte van het EGKS-Verdrag, als bevestigd in artikel 305 EG, volgt dat op grond van het beginsel lex specialis derogat legi generali alleen de bijzondere regeling van het EGKS-Verdrag en de voor de uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen van toepassing zijn op vóór verworven rechtsposities.

90 Uit een en ander volgt dat verzoeksters eerste twee middelen tot nietigverklaring, inzake respectievelijk schending van het beginsel nulla poena sine lege en de onrechtmatigheid van de toepassing van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 65 KS, moeten worden afgewezen.

3. Gezag van gewijsde en geldigheid van de verklaring van 23 juli 1997

91 In het kader van het derde middel tot nietigverklaring, dat betrekking heeft op schending van het gezag van gewijsde, doen beide partijen een beroep op het begrip gezag van gewijsde om tot conclusies te komen die lijnrecht tegenover elkaar staan.

92 Verzoekster stelt dat het Hof in punt 88 van zijn arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, heeft geoordeeld dat zij materieelrechtelijk niet aansprakelijk was voor de gedragingen van Thyssen, en volgens haar heeft dit punt thans gezag van gewijsde. Daartegenover stelt de Commissie dat zij zich in de beschikking baseert op de erkenning in het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, dat is bevestigd door het Hof, van de geldigheid van de verklaring van 23 juli 1997, waarbij verzoekster heeft verklaard dat zij de aansprakelijkheid voor de gedragingen in het verleden van Thyssen op zich nam, hetgeen thans niet meer ter discussie kan worden gesteld omdat de gemeenschapsrechter uitspraak heeft gedaan over dit punt met betrekking tot het recht en het gezag van gewijsde heeft.

93 Met haar vierde middel, dat is ontleend aan de onrechtmatigheid van de oplegging van een geldboete op basis van de verklaring van 23 juli 1997, tracht verzoekster echter juist voornoemd punt met betrekking tot het recht opnieuw aan de orde te stellen, door te beweren dat die verklaring geen geldige basis kan vormen voor de aansprakelijkstelling voor de gedragingen van Thyssen en de daaropvolgende sanctie, gelet op de werkelijke strekking ervan en de onverenigbaarheid ervan met de communautaire voorschriften op het gebied van mededingingsregelingen.

94 Onder deze omstandigheden moeten het derde en het vierde middel tot nietigverklaring tezamen worden behandeld, aangezien het antwoord op het ene middel bepalend is voor de ontvankelijkheid van het andere. Hoewel de Commissie in het kader van haar bespreking van het vierde middel tot nietigverklaring niet uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, heeft zij die aangevoerd in haar schriftelijke stukken met betrekking tot het derde middel, dat onlosmakelijk is verbonden met het vierde middel tot nietigverklaring. De vraag betreffende het gezag van gewijsde is hoe dan ook van openbare orde, zodat de rechter deze ambtshalve moet opwerpen [zie in die zin arrest Hof van 1 juni 2006, P&O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C-442/03 P en C-471/03 P, Jurispr. blz. I-4845, punt 45].

Argumenten van partijen

95 Verzoekster stelt in het kader van het derde middel tot nietigverklaring dat het Hof in punt 88 van zijn arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, heeft geoordeeld dat zij materieelrechtelijk niet aansprakelijk was voor de gedragingen van Thyssen, en dat dit punt thans gezag van gewijsde heeft, hetgeen een exceptie van niet-ontvankelijkheid jegens de Commissie vormt.

96 Het Hof heeft deze conclusie gebaseerd op de vaststelling dat er in casu geen sprake was van economische opvolging of van een eenheid van optreden, en op het feit dat de verklaring van 23 juli 1997 noch de andere verklaringen in de loop van de administratieve procedure gronden opleverden om het inbreukmakende gedrag van Thyssen aan TKS toe te rekenen.

97 Het argument van de Commissie dat het voor het Hof onmogelijk was om in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, de materieelrechtelijke aansprakelijkheid van TKS uit te sluiten omdat dat punt de incidentele hogere voorziening van de Commissie betrof, die niet betrekking had op de overdracht van verantwoordelijkheid aan TKS, kan volgens verzoekster niet worden aanvaard.

98 Zelfs al was een conclusie met betrekking tot de overdracht van verantwoordelijkheid niet noodzakelijk in het kader van het onderzoek van de incidentele hogere voorziening, dan volgt daaruit niet dat punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, irrelevant is. Het stond het Hof vrij om in de motivering van zijn arrest vast te stellen dat er geen sprake was van een overdracht van verantwoordelijkheid, zelfs al was dat punt niet uitdrukkelijk opgeworpen door de Commissie in haar hogere voorziening, en die vaststelling moet door partijen worden geëerbiedigd.

99 In zijn arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, heeft het Hof allereerst in de punten 82 tot en met 87 de beslissing van het Gerecht bevestigd om de beschikking van de Commissie wegens een proceduregebrek nietig te verklaren, en vervolgens in punt 88 een aanvullend argument voor de ongeldigheid van de beschikking van de Commissie uiteengezet en verklaard dat, voornoemd proceduregebrek daargelaten, TKS materieelrechtelijk niet aansprakelijk kon zijn voor de gedragingen van Thyssen.

100 Verzoekster legt uit dat het Hof in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, aangeeft dat de verklaringen van TKS in de loop van de administratieve procedure, die in de punten 85 en 86 van dat arrest zijn genoemd, geen gronden opleveren om de gedragingen van Thyssen aan haar toe te rekenen, en dat punt 85 van dat arrest voorts uitdrukkelijk ziet op de verklaring van 23 juli 1997. De door het Hof gekozen terminologie is volkomen eenduidig. Indien het Hof in punt 88 van voornoemd arrest uitsluitend had willen doelen op een proceduregebrek, zoals de Commissie veronderstelt, had het niet geoordeeld dat het de Commissie niet toegestaan was om de gedragingen „aan [verzoekster] toe te rekenen”, in de woorden van het Hof.

101 De uiteenzetting in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, zou bovendien zinloos zijn indien alleen proceduregebreken werden bedoeld, aangezien die kwestie reeds uitputtend was behandeld in de punten 85 tot en met 87 van dat arrest. Indien het Hof in punt 88 van voornoemd arrest geen uitspraak had willen doen over de overdracht van verantwoordelijkheid, had het in de eerste twee zinnen daarvan niet vastgesteld dat Thyssen was blijven voortbestaan en dat TKS derhalve niet aansprakelijk kon worden gesteld ingevolge het arrest van het Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125). Aangezien er reeds sprake was van een proceduregebrek dat de nietigheid van de beschikking van de Commissie tot gevolg had, kan volgens verzoekster het feit dat het Hof in de eerste twee zinnen van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, een standpunt inneemt over de kwestie van de overdracht van verantwoordelijkheid, uitsluitend betekenen dat het aldus zijn motivering voor de afwijzing van de door de Commissie ingestelde incidentele hogere voorziening bedoelde aan te vullen. De aanvullende motivering van het Hof in die eerste twee zinnen zou onvolledig zijn indien de derde zin niet ook betrekking had op de vraag van de materiële overdracht van verantwoordelijkheid, aangezien die vraag anders onbeantwoord zou zijn gebleven ten aanzien van de verklaring van .

102 Voorts is de Italiaanse taalversie van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, waarop de Commissie zich beroept ter ondersteuning van haar uitlegging van punt 88 van dat arrest, irrelevant, aangezien Duits de procestaal is en die uitlegging hoe dan ook taalkundig onjuist is.

103 Onafhankelijk van de uitlegging van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, is het feit dat er geen sprake was van overdracht van verantwoordelijkheid, volgens verzoekster ook materieelrechtelijk juist. Uit de rechtspraak volgt dat een rechtsopvolger niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schendingen van de mededingingsregels die door zijn voorganger zijn begaan, zolang laatstgenoemde nog bestaat, hetgeen bij Thyssen het geval is. In haar schriftelijke stukken aanvaardt de Commissie inmiddels deze conclusie.

104 Verzoekster stelt tot slot dat het derde middel, anders dan de Commissie beweert, niet niet-ontvankelijk is, aangezien de „rechtskracht” van het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, daaraan niet kan worden tegengeworpen. Dat arrest betrof uitsluitend beschikking 98/247, waarop het onderhavige beroep geen betrekking heeft. Aangezien geen enkele rechterlijke instantie zich in algemene zin heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van de beschikking, heeft deze laatste geen gezag van gewijsde, zodat het derde middel niet op grond van het gezag van gewijsde niet-ontvankelijk kan zijn.

105 In het kader van haar vierde middel tot nietigverklaring stelt verzoekster dat zij met de verklaring van 23 juli 1997 wilde uitdrukken dat zij ermee instemde dat „de Commissie de procedure met betrekking tot de gehele inbreuk alleen jegens [verzoekster] voortzette en niet tegelijkertijd jegens Thyssen”. Deze verklaring kan geen basis vormen voor de aansprakelijkheid van TKS en de overdracht van de aansprakelijkheid voor de betaling van de geldboete.

106 Zij stelt dat zij in de loop van de vorige procedure en in het kader van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de beschikking, zeer duidelijk heeft aangetoond dat de verklaring van 23 juli 1997 niet kon worden beschouwd als een overname van de aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten. Indien de tegenovergestelde stelling van de Commissie werd gevolgd, zou dat erop neerkomen dat aan de wil van partijen een betekenis wordt toegekend die lijnrecht tegenover de ware betekenis staat, zoals die duidelijk was gebleken ten tijde van de vaststelling van de beschikking.

107 Zelfs al kon de verklaring van 23 juli 1997 aldus worden uitgelegd dat TKS daarmee „de aansprakelijkheid op zich neemt”, dan zou dat niet betekenen TKS kan worden veroordeeld tot betaling van de door Thyssen verschuldigde geldboete, omdat die persoonlijke verklaring slechts declaratoire waarde kan hebben en geen rechten in het leven roept. Een dergelijke verklaring kan de rechtspositie van de adressaat, die rechtstreeks voortvloeit uit het primaire recht, niet wijzigen en heeft materieelrechtelijk en procesrechtelijk geen gevolgen, omdat zij onverenigbaar is met de regelgeving inzake geldboeten op het gebied van mededingingsregelingen. Die regelgeving valt ontegenzeglijk onder het publiekrecht, „in het bijzonder het strafrecht”. Door privaatrechtelijke rechtssubjecten afgelegde onafhankelijke persoonlijke verklaringen kunnen de uit het publiekrecht, „in het bijzonder het strafrecht”, voortvloeiende rechtsgevolgen niet wijzigen. Dit beginsel gaat terug op het Romeinse recht (ius publicum privatorum pactis mutari non potest) en vindt toepassing in de rechtsorden van de lidstaten, waardoor het een rechtstraditie vormt die de lidstaten gemeen hebben en die door de Commissie moet worden geëerbiedigd.

108 Dit geldt ook wanneer de Commissie een verklaring aanvaardt waarbij iemand de aansprakelijkheid op zich neemt, aangezien de instelling niet bevoegd is om af te wijken van de regeling voor geldboeten die op het gebied van mededingingsregelingen is vastgelegd. Verzoekster benadrukt dat de Commissie in haar beschikking van 19 januari 2005, MCAA (Zaak COMP/E — 1/C.37773), zelf van oordeel was dat een particuliere verklaring waarbij iemand de aansprakelijkheid op zich nam, niet kon leiden tot een overdracht van de aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten die zijn opgelegd in het kader van het mededingingsrecht. Volgens verzoekster blijft „de aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten rusten op de adressaat, zelfs wanneer de Commissie een andere adressaat wil beboeten dan die welke aansprakelijk is op grond van het primaire en het afgeleide gemeenschapsrecht”. Dat geldt zelfs wanneer de ondernemingen de wens van de Commissie delen om de last van de geldboete te doen rusten op een andere adressaat dan die welke werkelijk aansprakelijk is. De mogelijkheid van een dergelijke beoordelingsmarge voor de Commissie moet echter hoe dan ook worden uitgesloten, omdat zij „grenst aan” willekeur.

109 De Commissie stelt dat het derde middel niet-ontvankelijk is wegens het feit dat de vaststelling van het Gerecht in het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, dat een straf op basis van de verklaring van 23 juli 1997 mogelijk is, reeds gezag van gewijsde heeft gekregen. Verzoekster heeft hoe dan ook geen procesbelang om die sanctiemogelijkheid, die tot nu toe niet is betwist, thans ter discussie te stellen. Het ontbreken van procesbelang leidt ook tot niet-ontvankelijkheid van het vierde middel tot nietigverklaring, dat is ontleend aan onrechtmatigheid van de oplegging van een geldboete op basis van de verklaring van en dat hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Gerecht

110 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het procesbelang van verzoekster om op te komen tegen de beschikking, waarbij haar een geldboete van 3168000 EUR wordt opgelegd, buiten kijf staat en dat het derde middel tot nietigverklaring, inzake schending van het gezag van gewijsde, niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard louter omdat verzoekster tijdens de procedure die heeft geleid tot het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, alleen heeft betwist dat de verklaring van 23 juli 1997 aldus kon worden uitgelegd dat zij afzag van haar recht om te worden gehoord.

111 Bijgevolg dient het betoog van verzoekster ten gronde te worden onderzocht.

112 Het Hof heeft het fundamentele belang van het beginsel van gezag van gewijsde, zowel in de communautaire rechtsorde als in de nationale rechtsordes, erkend. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (arresten Hof van 30 september 2003, Köbler, C-224/01, Jurispr. blz. I-10239, punt 38, en , Kapferer, C-234/04, Jurispr. blz. I-2585, punt 20).

113 Volgens vaste rechtspraak geldt het gezag van gewijsde enkel voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (arrest Hof van 19 februari 1991, Italië/Commissie, C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 14; beschikking Hof van , Lenz/Commissie, C-277/95 P, Jurispr. blz. I-6109, punt 50, en arrest Hof van , Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P–C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 44).

Strekking van het arrest van het Gerecht Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie

114 Uit de punten 51, 52 en 55 tot en met 68 van het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, blijkt het volgende: — verzoekster heeft zelf haar overname van de aansprakelijkheid voor de door Thyssen gepleegde inbreuk als een vaststaand feit beschreven, zonder enige beperking of voorbehoud met betrekking tot de waarde van de verklaring van 23 juli 1997; — het Gerecht heeft uitdrukkelijk opgemerkt dat TKS niet heeft betwist dat de Commissie haar verantwoordelijk kon achten voor de aan Thyssen verweten inbreuk; — het Gerecht heeft uitdrukkelijk erkend dat de Commissie TKS op basis van de verklaring van 23 juli 1997 verantwoordelijk mocht achten voor de aan Thyssen verweten inbreuk tussen december 1993 en ; — artikel 1 van beschikking 98/247 is alleen nietig verklaard voor zover daarbij de aan Thyssen verweten inbreuk aan TKS werd toegerekend, omdat de verklaring van 23 juli 1997 niet aldus kon worden uitgelegd dat zij „eveneens” impliceerde dat TKS afzag van haar recht om te worden gehoord over de feiten die aan Thyssen werden verweten, en deze onjuiste opvatting van de Commissie met betrekking tot de strekking van die verklaring heeft geleid tot schending van de rechten van de verdediging van TKS; — de vaststelling van de geldigheid van de verklaring van 23 juli 1997, waarmee TKS had bevestigd de aansprakelijkheid voor de handelingen van Thyssen op zich te nemen, was een noodzakelijke voorafgaande stap voor de bespreking en de daaropvolgende conclusie van het Gerecht aangaande schending van de rechten van de verdediging van TKS.

115 In het dictum van het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, heeft het Gerecht beschikking 98/247 nietig verklaard voor zover daarbij de door Thyssen gepleegde inbreuk op artikel 65 KS aan TKS werd toegerekend, het bedrag van de geldboete voor TKS verlaagd met het bedrag dat haar was opgelegd wegens de door Thyssen gepleegde inbreuk, door het bedrag van de uiteindelijk aan TKS opgelegde geldboete vast te stellen op 4032000 EUR, en het beroep voor het overige verworpen.

Strekking van het arrest van het Hof ThyssenKrupp/Commissie

116 Verzoekster heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, en in wezen geconcludeerd dat het het Hof behage: — het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht daarbij haar beroep heeft verworpen; — artikel 1 van beschikking 98/247 te corrigeren en de duur van de inbreuk te wijzigen, wat haar betreft; — de haar bij artikel 2 van beschikking 98/247 opgelegde geldboete evenredig te verlagen; — subsidiair, wat de twee vorige vorderingen betreft, de zaak naar het Gerecht te verwijzen.

117 TKS voerde tot staving van haar hogere voorziening drie middelen aan: — onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de duur van de inbreuk; — onjuiste berekening van de forfaitaire geldboete, en — onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de consequenties van de medewerking van TKS aan het onderzoek voor de vermindering van de geldboete.

118 Hieruit volgt dat verzoeksters hogere voorziening geen betrekking had op de beoordeling door het Gerecht van de overdracht van aansprakelijkheid van Thyssen naar TKS.

119 De Commissie heeft een incidentele hogere voorziening ingesteld tegen het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, en heeft in wezen geconcludeerd dat het het Hof behage: — de hogere voorziening van verzoekster af te wijzen; — subsidiair, ingeval het bestreden arrest wordt vernietigd, de vordering tot verlaging van de geldboete te verwerpen; — het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht: i) artikel 1 van beschikking 98/247, waarbij de door Thyssen gepleegde inbreuk aan TKS is toegerekend, nietig heeft verklaard; ii) de bij artikel 2 van beschikking 98/247 aan TKS opgelegde geldboete heeft bepaald op een bedrag van minder dan 7596000 EUR; iii) de Commissie heeft verwezen in haar eigen kosten.

120 De Commissie voerde tot staving van haar incidentele hogere voorziening drie middelen aan: — verkeerde opvatting omtrent bepaalde bewijsstukken en onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de overdracht van verantwoordelijkheid van Thyssen naar TKS; — onjuiste beoordeling van de voorwaarden inzake eerbiediging van de rechten van de verdediging, en — onjuiste beoordeling van het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging.

121 Partijen strijden over de uitlegging van het antwoord van het Hof op het eerste middel van de incidentele hogere voorziening, en met name punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven. Die uitlegging houdt noodzakelijkerwijs verband met de strekking van dat middel en de precieze bewoordingen van het betoog dat de Commissie ter ondersteuning daarvan heeft uiteengezet.

122 Dienaangaande blijkt uit de punten 73 tot en met 79 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, dat de Commissie met het eerste middel van haar incidentele hogere voorziening duidelijk niet bedoelde op te komen tegen de aanvaarding door het Gerecht van het feit dat zij TKS op grond van de verklaring van 23 juli 1997 verantwoordelijk mocht achten voor de aan Thyssen verweten inbreuk, maar alleen tegen de daaropvolgende conclusie van het Gerecht dat die verklaring niet aldus kon worden uitgelegd dat zij eveneens impliceerde dat TKS afzag van haar recht om te worden gehoord over de aan Thyssen verweten feiten.

123 Aangaande de inhoud van het antwoord van het Hof op het eerste middel van de incidentele hogere voorziening van de Commissie stelt verzoekster dat het Hof allereerst in de punten 82 tot en met 87 van zijn arrest de beslissing van het Gerecht heeft bevestigd om de beschikking van de Commissie wegens een proceduregebrek nietig te verklaren, en vervolgens in punt 88 een aanvullend argument voor de ongeldigheid van de beschikking van de Commissie heeft uiteengezet, en heeft verklaard dat, ongeacht voornoemd proceduregebrek, TKS materieelrechtelijk niet aansprakelijk kon zijn voor de gedragingen van Thyssen.

124 Verzoekster stelt ten eerste dat, indien het Hof in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, geen uitspraak had willen doen over de overdracht van verantwoordelijkheid, het in de eerste twee zinnen daarvan niet had vastgesteld dat Thyssen was blijven voortbestaan en dat TKS derhalve niet aansprakelijk kon worden gesteld voor haar gedrag ingevolge het arrest van het Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 101 hierboven. De aanvullende motivering van het Hof in de eerste twee zinnen van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, zou onvolledig zijn indien de derde zin niet ook betrekking had op de vraag van de materiële overdracht van verantwoordelijkheid, aangezien die vraag anders onbeantwoord zou zijn gebleven ten aanzien van de verklaring van .

125 Volgens het Gerecht houdt dat eerste argument duidelijk geen rekening met de structuur van de beoordeling van het Hof inzake de incidentele hogere voorziening, die blijk geeft van een strikte correlatie tussen het antwoord van het Hof en de door de Commissie aangevoerde argumenten.

126 Eerst gaat het Hof in zijn arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven (punten 80-87), na of de conclusie van het Gerecht dat de verklaring van 23 juli 1997 niet inhoudt dat TKS afzag van haar recht om te worden gehoord, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting wegens een verkeerde opvatting van de verklaring van zelf en van andere documenten die in de punten 76 en 77 van het arrest van het Hof worden genoemd, namelijk de antwoorden van TKS op de twee mededelingen van punten van bezwaar en haar brief van .

127 In zijn arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven (punten 81 en 82), verwijst het Hof naar bovengenoemde conclusie van het Gerecht en bevestigt het de geldigheid ervan wat de strekking van de verklaring van 23 juli 1997 betreft. Vervolgens onderzoekt en verwerpt het Hof (punten 83-86) het argument van de Commissie inzake het feit dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met andere bewijsstukken die met die verklaring verband houden en die bewijsstukken daardoor verkeerd heeft opgevat.

128 De conclusie dat er geen sprake is van een verkeerde opvatting door het Gerecht van zowel de verklaring van 23 juli 1997 als die andere bewijsstukken (arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, punt 87), is echter niet het einde van de beoordeling door het Hof van het eerste middel van de Commissie ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorziening.

129 In tweede instantie onderzoekt en verwerpt het Hof immers een ander argument van de Commissie met betrekking tot het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden, die verband houden met de beweerde economische opvolging van Thyssen door TKS, met de eenheid van optreden van deze twee ondernemingen en met de verklaringen die tijdens de administratieve procedure door TKS namens Thyssen zijn afgelegd. Dat is het enige doel van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, dat onmiddellijk wordt gevolgd door de conclusie dat het eerste middel van de incidentele hogere voorziening moet worden afgewezen.

130 Verzoekster stelt ten tweede dat het Hof in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, ondubbelzinnig verklaart dat de „verklaringen” van TKS tijdens de administratieve procedure, die zijn genoemd in de punten 85 en 86 van dat arrest, „geen grond opleveren om de gedragingen van Thyssen […] aan TKS toe te rekenen” en dat punt 85 van dat arrest voorts uitdrukkelijk verwijst naar de verklaring van 23 juli 1997.

131 Uit een eenvoudige letterlijke lezing van de derde zin van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, blijkt echter dat daarin enkel wordt verwezen naar de conclusie van de analyse in de punten 85 en 86 van dat arrest en dat de daarin bedoelde verklaringen de verklaringen zijn die het Hof reeds had beoordeeld, namelijk de antwoorden van TKS op de twee mededelingen van punten van bezwaar en haar brief van 17 december 1996.

132 De verklaring van 23 juli 1997 wordt inderdaad genoemd in punt 85 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, maar uit de formulering van de laatste zin van dat punt blijkt duidelijk dat het Hof daar ten behoeve van zijn redenering juist onderscheid maakt tussen de verklaring van en de verklaringen van TKS over bepaalde activiteiten van Thyssen vóór de overname ervan in 1995. Het Hof is dus van oordeel dat, ofschoon verzoekster in haar antwoord op de eerste mededeling van punten van bezwaar en in haar brief van ook opmerkingen had gemaakt over bepaalde activiteiten van Thyssen vóór de overname ervan in 1995, de verklaring van niet impliceerde dat TKS van mening was dat zij zich op het punt van de toerekening van de gedragingen van Thyssen voldoende had verweerd, zodat de Commissie haar voor die gedragingen een geldboete mocht opleggen zonder haar opnieuw te horen.

133 Bovendien noemt het Hof in de derde zin van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, de verklaringen die TKS tijdens de administratieve procedure heeft afgelegd „over de activiteiten van Thyssen”. Door deze formulering kan onderscheid worden gemaakt tussen die verklaringen en de verklaring van 23 juli 1997, waarmee TKS heeft bevestigd de verantwoordelijkheid voor de handelingen van Thyssen op zich te nemen, en zij verwijst naar de formulering in punt 85 van dat arrest met betrekking tot „[door TKS gemaakte] opmerkingen […] over bepaalde activiteiten van Thyssen vóór de overname daarvan in 1995”.

134 Wat de formulering in bovengenoemde derde zin betreft, volgens welke de verklaringen van TKS over de activiteiten van Thyssen in de loop van de administratieve procedure geen grond opleveren om „de gedragingen van Thyssen van vóór [1995] aan TKS toe te rekenen”, deze moet worden gelezen in het licht van het zeer specifieke doel van het eerste middel van de incidentele hogere voorziening en het feit dat de betrokken zinsnede enkel verwijst naar de conclusie van de analyse van het Hof in de punten 85 en 86 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, en wel wegens een gedeeltelijke overlapping van de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd ter ondersteuning van het eerste middel van de incidentele hogere voorziening.

135 De derde zin van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, moet dus worden opgevat als een herinnering door het Hof aan het feit dat de verklaringen van TKS over de activiteiten van Thyssen in de loop van de administratieve procedure, namelijk de antwoorden van TKS op de twee mededelingen van punten van bezwaar en haar brief van 17 december 1996, niet de conclusie toestaan dat de verklaring van ook impliceerde dat TKS afzag van haar recht om te worden gehoord en dat daarom de gedragingen van Thyssen van vóór 1995 aan TKS kunnen worden toegerekend, wegens een proceduregebrek in verband met de schending van de rechten van de verdediging van TKS.

136 De tegenovergestelde uitlegging van punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, die verzoekster bepleit, komt erop neer dat het Hof, zonder enige reden en met een eenvoudige verwijzing, een vaststelling betreffende schending van het recht om te worden gehoord zou hebben veranderd in een conclusie inzake de overdracht van aansprakelijkheid, hetgeen niet kan worden aanvaard.

137 Verder moet erop worden gewezen dat indien punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, moest worden uitgelegd zoals verzoekster doet — namelijk dat het Hof daarin heeft verklaard dat TKS, het proceduregebrek daargelaten, niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de gedragingen van Thyssen — het Hof geen enkele reden zou hebben gehad om zich nog uit te spreken over het tweede en het derde middel van de incidentele hogere voorziening, waarmee werd betwist dat er sprake was van schending van de rechten van de verdediging, hetgeen het in de punten 90 tot en met 97 van het betrokken arrest toch heeft gedaan met de conclusie dat die middelen moesten worden afgewezen.

138 Hieruit volgt dat het derde middel van verzoekster, dat inhoudt dat de Commissie, door aan TKS een geldboete op te leggen voor de inbreuk van Thyssen, inbreuk heeft gemaakt op het gezag van gewijsde van het oordeel van het Hof in het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, dat TKS niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de gedragingen van Thyssen, moet worden afgewezen omdat het is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van punt 88 van voornoemd arrest.

Gevolgen van het gezag van gewijsde

139 Uit het voorgaande volgt dat de gemeenschapsrechter heeft geoordeeld dat de Commissie TKS, gelet op de verklaring van 23 juli 1997, bij wijze van uitzondering verantwoordelijk mocht achten voor de aan Thyssen verweten inbreuken tussen december 1993 en het tijdstip waarop haar activiteiten zijn overgedragen aan TKS, te weten , maar dat de Commissie TKS niet in staat had gesteld om haar opmerkingen te maken over die inbreuken, en dat TKS derhalve dienaangaande niet haar rechten van de verdediging had kunnen uitoefenen. Deze conclusie heeft geleid tot de gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 98/247.

140 Er moet van worden uitgegaan dat dit punt met betrekking tot het recht daadwerkelijk is beslecht in de zin van de rechtspraak die is aangehaald in punt 113 hierboven, en dat het derhalve gezag van gewijsde heeft, waarbij eraan wordt herinnerd dat dit gezag niet alleen toekomt aan het dictum van gerechtelijke beslissingen tot nietigverklaring. Het strekt zich ook uit tot de overwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden zijn [zie in die zin arrest P&O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, aangehaald in punt 94 hierboven, punt 44, en aangehaalde rechtspraak].

141 Het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, bevestigd bij arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, bracht voor de Commissie derhalve alleen de verplichting mee — op grond van artikel 233 EG, dat de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard, verplicht om de maatregelen te nemen ter uitvoering van het betrokken arrest van het Hof — om in de handeling die voor de nietig verklaarde handeling in de plaats moest komen, de daadwerkelijk geconstateerde onrechtmatigheid op te heffen (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, aangehaald in punt 113 hierboven, punt 48).

142 Dat is precies wat de Commissie heeft gedaan in de beschikking, waarvan de vaststelling is voorafgegaan door de verzending op 5 april 2006 van een mededeling van punten van bezwaar aan TKS, die daarop heeft geantwoord op . Verzoekster is aldus in staat gesteld om haar opmerkingen te maken met betrekking tot de realiteit en de relevantie van het aan Thyssen verweten gedrag.

143 In het kader van het onderhavige beroep wordt het Gerecht gevraagd om uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de handeling die beschikking 98/247 vervangt en waarbij de Commissie aan verzoekster een geldboete van 3168000 EUR heeft opgelegd voor het gedrag van Thyssen op basis van de opmerkingen over de verklaring van 23 juli 1997 in het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, bevestigd bij het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven.

144 Niettegenstaande het feit dat het onderhavige beroep ziet op een handeling die formeel verschilt van beschikking 98/247, moet worden vastgesteld dat het punt met betrekking tot het recht dat in het kader van dit beroep wordt besproken en dat betrekking heeft op de geldigheid van de verklaring van 23 juli 1997 als rechtsgrondslag voor de toerekening van de gedragingen van Thyssen aan verzoekster en voor de daaropvolgende aan verzoekster opgelegde sanctie, reeds is onderzocht en definitief is beslecht door de gemeenschapsrechter en dat dit punt met betrekking tot het recht dus gezag van gewijsde heeft.

145 Dat gezag van gewijsde verzet zich ertegen dat dit punt met betrekking tot het recht opnieuw voor een onderzoek aan het Gerecht wordt voorgelegd.

146 Onder deze omstandigheden is het argument van verzoekster dat haar in het onderhavige geval geen gezag van gewijsde kan worden tegengeworpen omdat het arrest Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, aangehaald in punt 24 hierboven, uitsluitend betrekking had op beschikking 98/247, die niet het voorwerp van het onderhavige beroep is, irrelevant en moet het worden afgewezen.

147 Uit het voorgaande volgt dat het vierde middel tot nietigverklaring, dat betrekking heeft op onrechtmatigheid van de oplegging van een geldboete op basis van de verklaring van 23 juli 1997, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hierdoor verliest de intrekking van die verklaring door verzoekster ter terechtzitting, die uitsluitend tot doel had om haar argumenten over de strekking ervan te illustreren, elk belang.

4. Schending van het „nauwkeurigheidsbeginsel”

Argumenten van partijen

148 In het kader van het vijfde middel stelt verzoekster dat de beschikking het „nauwkeurigheidsbeginsel” schendt, aangezien de Commissie de rechtsgrondslag voor de oplegging van de sanctie noch het begrip „overname van verantwoordelijkheid door middel van een persoonlijke verklaring” voldoende duidelijk heeft afgebakend.

149 Ten eerste stelt verzoekster dat de Commissie beweert de aan TKS opgelegde geldboete te hebben gebaseerd op een „combinatie van normen”, waarbij ten minste artikel 65 KS en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 zijn gecombineerd, hetgeen onnauwkeurig is, omdat de op die grondslag opgelegde geldboete niet „voorzienbaar is voor hen die erdoor worden geraakt”, in tegenstelling tot wat de rechtspraak vereist. De tegenstrijdige uitleggingen van de Commissie in het verweerschrift tonen aan dat zij zelf niet weet hoe die combinatie „eruit zou moeten zien”.

150 De onnauwkeurigheid van de combinatie van rechtsgrondslagen wordt bevestigd door het feit dat het onder meer niet mogelijk is om vast te stellen of de toepasselijke beroepstermijn een maand bedraagt, zoals het EGKS-Verdrag bepaalt, of twee maanden, zoals het EG-Verdrag bepaalt. De procedurele onzekerheden die door de Commissie zijn veroorzaakt, leveren een schending van de rechten van de verdediging van TKS op.

151 Ten tweede stelt verzoekster dat de Commissie met het begrip „overname van verantwoordelijkheid door middel van een persoonlijke verklaring” (punten 125 en 127 van de beschikking) een soort rechtsopvolging sui generis heeft geconstrueerd, die in de onderhavige zaak voor de eerste keer wordt toegepast en onnauwkeurig en onbepaald is en dus kennelijk onrechtmatig, wat zowel de draagwijdte als de voorwaarden voor toepassing ervan betreft.

152 Dit nieuwe begrip komt niet voort uit het primaire recht noch uit het afgeleide recht of de rechtspraak, die de tegenovergestelde oplossing geeft zoals die is neergelegd in het arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 101 hierboven. De schending van het „nauwkeurigheidsbeginsel” volgt tevens uit het feit dat de Commissie in haar beschikking van 19 januari 2005, MCAA, zelf uitdrukkelijk het tegenovergestelde standpunt heeft ingenomen, namelijk dat een onafhankelijke persoonlijke verklaring juist niet leidt tot een overdracht van aansprakelijkheid. Bovendien heeft de Commissie zelfs in haar mededeling van punten van bezwaar geen melding gemaakt van het nieuwe begrip dat zij voortaan zou toepassen bij de bestraffing van inbreuken op het mededingingsrecht.

153 Verzoekster verklaart tot slot dat, aangezien de Commissie niet duidelijk en niet definitief heeft aangegeven op welke rechtsgrondslag zij de oplegging van een sanctie baseerde, verzoekster over die rechtsgrondslag alleen maar kan speculeren. Deze vaststelling kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het onderhavige middel, zoals de Commissie stelt, maar uitsluitend tot nietigheid van de beschikking.

154 De Commissie stelt dat de argumenten van verzoekster over beweerde „door de Commissie veroorzaakte onzekerheden” dermate vaag zijn dat het middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens onbepaaldheid. Zij vordert subsidiair dat het middel ongegrond wordt verklaard.

Beoordeling door het Gerecht

Ontvankelijkheid van het middel

155 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het vijfde middel op grond van de beweerde onbepaaldheid ervan.

156 Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn opdat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht in voorkomend geval zonder andere ondersteunende informatie op het beroep uitspraak kan doen. Het beroepschrift moet bijgevolg duidelijk laten uitkomen, op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de blote vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet (arresten Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T-102/92, Jurispr. blz. II-17, punt 68, en , Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 333).

157 In casu blijkt uit de schriftelijke stukken van verzoekster met betrekking tot het middel inzake schending van het „nauwkeurigheidsbeginsel”, dat zij in werkelijkheid doelt op het rechtszekerheidsbeginsel, dat de Commissie heeft geschonden doordat de rechtsgrondslag van de sanctie en de aansprakelijkstelling onnauwkeurig zijn.

158 Vastgesteld moet worden dat verzoeksters uiteenzetting daarmee voldoende duidelijk en nauwkeurig is, aangezien zij de Commissie niet heeft belet om reeds in haar verweerschrift op de aangevoerde argumenten te antwoorden, en zij het Gerecht in staat stelt zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.

159 Het middel moet dus ontvankelijk worden verklaard en ten gronde worden beoordeeld.

Ten gronde

160 Volgens vaste rechtspraak, waarop verzoekster in haar schriftelijke stukken heeft gewezen, moet de communautaire wetgeving duidelijk zijn en moet de toepassing ervan voorzienbaar zijn voor hen die erdoor worden geraakt. Op grond van dit rechtszekerheidsvereiste dient elke handeling die rechtsgevolgen teweeg beoogt te brengen, haar verbindendheid aan een bepaling van het gemeenschapsrecht te ontlenen, die expliciet als rechtsgrondslag moet worden vermeld en die de rechtsvorm bepaalt waarin de handeling moet worden verricht (arrest Hof van 16 juni 1993, Frankrijk/Commissie, C-325/91, Jurispr. blz. I-3283, punt 26). Het Hof heeft ook verklaard dat sancties, ook indient niet strafrechtelijke, alleen kunnen worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag bestaat (arrest Hof van , Könecke, 117/83, Jurispr. blz. 3291, punt 11).

161 Aangaande in de eerste plaats de bewering dat de rechtsgrondslag van de beschikking onnauwkeurig is, stelt verzoekster dat de beschikking is gebaseerd op een „combinatie van normen”, die ten minste uit artikel 65 KS en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 bestaat, hetgeen onnauwkeurig is. Naast irrelevante overwegingen inzake beweerde onnauwkeurigheden in het verweerschrift voert zij aan dat deze combinatie onnauwkeurig is, omdat de opgelegde geldboete niet „voorzienbaar was voor hen die erdoor worden geraakt”, en dat de onnauwkeurigheid van de „cocktail van rechtsgrondslagen” procedurele onzekerheden heeft veroorzaakt die schendingen van de rechten van de verdediging opleveren.

162 Dit betoog van verzoekster berust op een onjuiste vooronderstelling en moet dus worden afgewezen.

163 Uit de beschikking blijkt duidelijk dat de rechtsgrondslag, dat wil zeggen de bepalingen die de Commissie machtigen om op het betrokken gebied op te treden, uitsluitend wordt gevormd door de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, en niet door artikel 65 KS. De verwijzing in de beschikking naar artikel 65 KS betreft lid 1 daarvan, dat wil zeggen de materieelrechtelijke bepaling die is gericht aan ondernemingen en verenigingen van ondernemingen en die bepaalde mededingingsverstorende gedragingen verbiedt, en lid 5, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid om geldboeten op te leggen van ten hoogste twee keer de omzet die is behaald met de producten die het voorwerp van de mededingingsbeperkende overeenkomst zijn geweest. De verwijzing naar de toepasbaarheid van artikel 65, lid 5, KS heeft betrekking op de discussie inzake het beginsel van de lex mitior en dient ter rechtvaardiging van de toepassing in het onderhavige geval van deze bepaling en niet van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor de berekening van het bedrag van de geldboete (zie punten 162-168 en 178 van de beschikking).

164 Het eerste en het tweede middel tot nietigverklaring, die hierboven zijn onderzocht, tonen aan dat verzoekster geen echte onzekerheid heeft ervaren over de rechtsgrondslag van de beschikking.

165 Naast de uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 heeft de Commissie in punt 70 van de beschikking herinnerd aan de vaste rechtspraak dat procedurevoorschriften in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige gedingen, maar dat dit niet opgaat voor de materieelrechtelijke voorschriften, die gewoonlijk aldus worden uitgelegd dat zij alleen gelden ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities (arrest Meridionale Industria Salumi e.a., aangehaald in punt 85 hierboven, punt 9). Bovendien vermeldt artikel 4 van de beschikking uitdrukkelijk dat deze een executoriale titel vormt „krachtens artikel 256 [EG]” en is de beschikking aan verzoekster betekend door middel van een brief waarin haar is duidelijk gemaakt dat die betekening plaatsvond „overeenkomstig artikel 254 [EG]”.

166 Onder deze omstandigheden leed het geen enkele twijfel dat het beroep tegen de beschikking, die meer dan vier jaar na het aflopen van het EGKS-Verdrag is vastgesteld, moest worden ingesteld overeenkomstig de voorschriften van artikel 230 EG en het Reglement voor de procesvoering en dat artikel 23 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie in geen geval toepassing kon vinden.

167 Voorts geeft verzoekster geen enkele uitleg ter ondersteuning van het specifieke bezwaar dat de rechtsgrondslag onnauwkeurig is omdat de opgelegde geldboete niet „voorzienbaar was voor hen die erdoor worden geraakt”, en zij beroept zich hoe dan ook niet op onrechtmatigheid van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 in het licht van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, dat volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel, en zelfs niet op ontoereikende motivering van de beschikking.

168 De beschikking, waarbij de Commissie een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS heeft vastgesteld en verzoekster heeft gestraft na het aflopen van het EGKS-Verdrag, is vastgesteld met inachtneming van de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd en de Commissie heeft terecht voornoemd artikel als materieelrechtelijke regel toegepast alsook de regels inzake bevoegdheid en procedure van verordening nr. 1/2003, waaronder artikel 23, lid 2, dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor de Commissie om een geldboete op te leggen aan ondernemingen die zich mededingingsbeperkend hebben gedragen.

169 Voor zover verzoekster de geldigheid van de rechtsgrondslag van de beschikking ter discussie wil stellen door te verwijzen naar een „cocktail van rechtsgrondslagen die in de rechtspraak noch in de rechtsleer zijn aanvaard”, volstaat de opmerking dat hiervóór is vastgesteld dat de gebruikte rechtsgrondslag op het moment van de vaststelling van de beschikking de Commissie een bevoegdheid toekende om een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en te bestraffen.

170 Aangaande in de tweede plaats de bewering dat er in het onderhavige geval onnauwkeurigheid bestaat ten aanzien van de aansprakelijkstelling, volstaat de vaststelling dat de aansprakelijkheid van verzoekster voor het gedrag van Thyssen uitdrukkelijk en uitsluitend is gebaseerd op de verklaring van 23 juli 1997, zoals dat zeer duidelijk blijkt uit de punten 112 tot en met 117, 125, 127, 128 en 149 van de beschikking. Uit onderzoek van de schriftelijke stukken van verzoekster blijkt dat er geen enkele onzekerheid op dit punt bestaat.

171 Het lijkt er in werkelijkheid op dat het betoog dat verzoekster ter ondersteuning van het vijfde middel tot nietigverklaring heeft uiteengezet, tot doel heeft opnieuw de onrechtmatigheid van een dergelijke grondslag aan te tonen. Die betwisting is echter niet-ontvankelijk, omdat dit punt met betrekking tot het recht reeds definitief door de gemeenschapsrechter is beslecht in het voordeel van de geldigheid van die grondslag, en dit punt derhalve gezag van gewijsde heeft (zie punten 139-147 hierboven).

172 Uit het voorgaande volgt dat het middel inzake schending van het „nauwkeurigheidsbeginsel” moet worden afgewezen.

5. Schending van het beginsel ne bis in idem

Argumenten van partijen

173 In het kader van haar zesde middel beweert verzoekster dat het begrip „overname van verantwoordelijkheid door middel van een persoonlijke verklaring” een schending is van het beginsel ne bis in idem, dat ook moet worden geëerbiedigd bij de „hernieuwing van een geldboeteprocedure”.

174 In de onderhavige zaak is er sprake van een ongeoorloofde dubbele sanctie. Voor de door TKS gepleegde inbreuk is reeds een sanctie opgelegd die definitief is geworden, en de Commissie heeft haar bovendien aansprakelijk gesteld voor de door Thyssen gepleegde inbreuk, hetgeen neerkomt op een tweede sanctie voor dezelfde handeling.

175 TKS verklaart dat het Hof in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, heeft vastgesteld dat de overdracht van verantwoordelijkheid materieel onmogelijk was, en dat zij derhalve een tweede keer is beboet, ondanks het feit dat die beoordeling definitief gezag van gewijsde heeft gekregen. Door deze conclusie van het Hof is het irrelevant dat het nietig verklaarde gedeelte van beschikking 98/247 overeenstemt met het deel van de geldboete dat in theorie aan verzoekster was opgelegd wegens de aan Thyssen toegerekende inbreuk.

176 Bovendien wijst de Commissie met haar nieuwe begrip „overname van verantwoordelijkheid door middel van een persoonlijke verklaring” derden-aansprakelijkheid toe. De Commissie benadrukt zelf dat de verantwoordelijkheid aanvankelijk niet bij TKS lag en dat het ook niet gaat om de oplegging van aansprakelijkheid in het kader van rechtsopvolging. Volgens verzoekster moet in dat geval echter worden vastgesteld dat de Commissie haar een nieuwe, tweede geldboete oplegt in plaats van zich te beperken tot het rechtzetten van een proceduregebrek. De oplegging van een sanctie voor de door Thyssen gepleegde inbreuk zou dus enkel geoorloofd zijn indien TKS niet reeds was gestraft voor de inbreuk die zij heeft gepleegd. Aangezien de aan TKS opgelegde sanctie in 1998 definitief is geworden, moet de vervolging ten aanzien van alle litigieuze feiten worden geacht inmiddels te zijn vervallen.

177 De Commissie vordert de afwijzing van dit middel.

Beoordeling door het Gerecht

178 Het beginsel ne bis in idem, een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat bovendien is neergelegd in artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950, verbiedt op het gebied van de mededinging dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een met de mededinging strijdige gedraging waarvoor zij is gestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing waartegen geen beroep meer openstaat (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, aangehaald in punt 113 hierboven, punt 59).

179 De toepassing van het beginsel ne bis in idem is onderworpen aan de drieledige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punt 338).

180 In casu beweert verzoekster dat haar een ongeoorloofde dubbele sanctie is opgelegd. Volgens haar is zij in beschikking 98/247 reeds op definitieve wijze gestraft voor de inbreuk die zij heeft gepleegd, en heeft de Commissie, door haar in de beschikking aansprakelijk te stellen voor de door Thyssen gepleegde inbreuk, haar een tweede keer gestraft voor „dezelfde handeling”.

181 Tot staving van deze bewering beroept verzoekster zich opnieuw op onregelmatigheid van de toerekening van de door Thyssen gepleegde inbreuk op basis van de verklaring van 23 juli 1997. Daartoe herinnert zij aan haar betoog dat het Hof in punt 88 van het arrest ThyssenKrupp/Commissie, aangehaald in punt 27 hierboven, heeft geoordeeld dat TKS materieel niet aansprakelijk was voor de onrechtmatige gedraging van Thyssen, en beweert zij dat de Commissie in de beschikking derden-aansprakelijkheid heeft toegewezen.

182 Verzoekster leidt uit die beweerde onregelmatigheid af dat de in de beschikking opgelegde geldboete geen ander doel kan hebben dan haar een tweede keer te straffen voor de inbreuk die zij heeft gepleegd, hetgeen in strijd is met het beginsel ne bis in idem.

183 Volgens het Gerecht is dat betoog gebaseerd op een onjuiste vooronderstelling.

184 Zoals reeds is aangegeven, heeft de gemeenschapsrechter immers geoordeeld dat de Commissie, gelet op de verklaring van 23 juli 1997, TKS bij wijze van uitzondering verantwoordelijk mocht achten voor de aan Thyssen verweten inbreuk.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in