Gerecht EU 9 september 2008, T-75/06, ECLI:EU:T:2008:317

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑75/06

Bayer CropScience AG e.a.

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Richtlijn 91/414/EEG – Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof endosulfan – Intrekking van toelatingen voor op markt brengen – Evaluatieprocedure – Termijnen – Recht van verweer – Evenredigheidsbeginsel”

Samenvatting van het arrest

1. Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Beroep tegen beschikking van Commissie betreffende niet-opneming van stof in bijlage I bij richtlijn 91/414

(Art. 230 EG en 233, eerste alinea, EG; richtlijn 91/414 van de Raad, art. 6 en 8, lid 2)

2. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 2, en bijlage I)

3. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 2, en bijlage I)

4. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Rechten van verdediging – Omvang

5. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Beoordelingsvrijheid van gemeenschapsinstellingen – Omvang – Rechterlijke toetsing – Grenzen

6. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 5, lid 1)

1. In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking betreffende de niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, laat het feit dat de Commissie ter uitvoering van een eventueel arrest tot nietigverklaring geen nieuwe beschikking op basis van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen kan vaststellen, het procesbelang van de verzoekers onverlet. Overeenkomstig artikel 233, eerste alinea, EG is de Commissie immers gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest tot nietigverklaring. In geval van een dergelijke nietigverklaring zou de Commissie wegens de daaraan verbonden terugwerkende kracht een nieuwe beschikking moeten vaststellen op basis van het dossier waarvan kennis is gegeven en waarop deze nietigverklaring betrekking heeft, en moeten beslissen, uitgaande van het tijdstip van de kennisgeving. Dat de aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende regeling sinds de vaststelling ervan is gewijzigd, is dus irrelevant om te oordelen over de opportuniteit van de grieven van de verzoekers over de procedure en over het resultaat, verkregen onder de ten tijde van de feiten geldende regeling.

(cf. punt 63)

2. Blijkens de vijfde, de zesde en de negende overweging van de considerans heeft richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen tot doel belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van deze middelen weg te nemen, maar tegelijkertijd een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te handhaven. In dit kader moet de Commissie, om het gestelde doel efficiënt te kunnen nastreven en gelet op de te verrichten ingewikkelde technische evaluaties, een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegekend. De bevoegdheid om een termijnverlenging toe te kennen is verwant met een beoordelingsbevoegdheid die afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval.

De uitoefening van deze bevoegdheid is evenwel niet onttrokken aan rechterlijke toetsing. De gemeenschapsrechter moet in het kader van deze toetsing immers nagaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten waarop de Commissie zich baseert, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.

In het bijzonder wanneer een partij een kennelijk onjuiste beoordeling door de bevoegde instelling stelt, moet de gemeenschapsrechter toetsen of deze instelling alle relevante gegevens van het geval – gegevens die de daaruit afgeleide conclusies ondersteunen – zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht.

(cf. punten 81‑84)

3. In het kader van een beschikking betreffende de opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, van een door de procedure van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bedoelde stof moet uitstel worden verleend wanneer het enerzijds niet onmogelijk is om van de door de betrokken regeling vastgestelde proceduretermijnen af te wijken en anderzijds de partijen die kennis hebben gegeven van de werkzame stof, ten gevolge van overmacht de proceduretermijnen niet konden naleven, hetgeen zich kan voordoen wanneer deze termijnen althans deels door de tegenstrijdige handelwijze van de bevoegde autoriteiten niet konden worden nageleefd. Politieke of praktische overwegingen vormen geen afdoende reden om een termijnverlenging in een bijzonder geval te weigeren ingeval een dergelijke verlenging noodzakelijk is om een eerlijke en billijke evaluatieprocedure te garanderen.

(cf. punten 89, 91)

4. In iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, vormt de eerbiediging van het recht van verweer een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij het ontbreken van enige regeling inzake de procedure in acht moet worden genomen. Dit beginsel verlangt dat adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken. Een onregelmatigheid kan evenwel slechts tot de nietigverklaring van een beschikking leiden voor zover zij het recht van verweer en dus de inhoud van deze beschikking concreet aantast. Onenigheid ten gronde over de uit een bepaald onderzoek te trekken gevolgen levert evenwel geen bewijs op dat de betrokkene niet in de gelegenheid was om zijn standpunt kenbaar te maken en kan niet als een aantasting van het recht van verweer worden beschouwd.

(cf. punten 130‑132, 203)

5. De gemeenschapsinstellingen beschikken in zaken die verband houden met het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de omschrijving van de nagestreefde doelstellingen en de keuze van de geschikte actiemiddelen. In die context moet de toetsing ten gronde door de gemeenschapsrechter beperkt blijven tot de vraag of bij de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid geen sprake was van kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de gemeenschapsinstellingen de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk hebben overschreden. Wanneer een gemeenschapsinstantie bij de vervulling van haar taak ingewikkelde beoordelingen dient te verrichten, geldt haar beoordelingsmarge in zekere mate ook voor de vaststelling van de feitelijke grondslag voor haar actie. Daaruit volgt dat in een zaak waarin de gemeenschapsinstellingen risico’s wetenschappelijk moeten beoordelen en zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten moeten beoordelen, de rechterlijke toetsing van de vervulling van die taak door de gemeenschapsinstellingen beperkt moet blijven. In die context kan de gemeenschapsrechter zijn beoordeling van de feiten immers niet in de plaats stellen van die van de gemeenschapsinstellingen, waaraan het Verdrag die taak bij uitsluiting heeft toevertrouwd. Hij moet zich integendeel beperken tot de vraag of er bij de uitoefening door de gemeenschapsinstellingen van hun beoordelingsbevoegdheid in dat kader geen sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de gemeenschapsinstellingen de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk hebben overschreden.

(cf. punt 141)

6. Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de Commissie bij de vaststelling van beschikkingen betreffende de opneming van werkzame stoffen in bijlage I bij richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen beschikt, kan in het kader van de rechterlijke toetsing van de toepassing van het evenredigheidsbeginsel slechts sprake zijn van onrechtmatigheid van een maatregel, wanneer deze maatregel kennelijk ongeschikt is om het nagestreefde doel te bereiken.

Daar richtlijn 91/414 tot doel heeft enerzijds belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen alsook de plantaardige productie te verbeteren, en anderzijds de gezondheid van mens en dier alsook het milieu te beschermen, is een beschikking tot niet-opneming van een stof in bijlage I niet onevenredig wanneer daarin onvoldoende gegevens aanwezig worden geacht voor de conclusie dat er geen risico’s in de zin van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn zijn. Enerzijds verzetten de doelstellingen van bescherming van de gezondheid van mens en dier alsook van het milieu zich ertegen dat een uitstel van de beslissing om deze werkzame stof al dan niet in bijlage I op te nemen, aan de willekeur van de producenten van deze stof zou worden overgelaten, en anderzijds kunnen deze producenten de werkzame stof via de procedure van artikel 6, lid 2, van deze richtlijn hoe dan ook laten heronderzoeken.

(cf. punten 224‑225, 228)

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

9 september 2008 (*)

„Richtlijn 91/414/EEG – Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof endosulfan – Intrekking van toelatingen voor op markt brengen – Evaluatieprocedure – Termijnen – Recht van verweer – Evenredigheidsbeginsel”

In zaak T‑75/06,

Bayer CropScience AG, gevestigd te Monheim am Rhein (Duitsland),

Makhteshim-Agan Holding BV, gevestigd te Rotterdam (Nederland),

Alfa Georgika Efodia AEVE, gevestigd te Athene (Griekenland),

Aragonesas Agro, SA, gevestigd te Madrid (Spanje),

vertegenwoordigd door C. Mereu en K. Van Maldegem, advocaten,

verzoeksters,

ondersteund door

European Crop Protection Association (ECPA), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door D. Waelbroeck en N. Rampal, advocaten,

interveniënte,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Doherty en L. Parpala als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Rodríguez Cárcamo, abogado del Estado,

interveniënt,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2005/864/EG van de Commissie van 2 december 2005 betreffende de niet-opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (PB L 317, blz. 25),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: O. Czúcz (rapporteur), kamerpresident, J. D. Cooke en I. Labucka, rechters,

griffier: C. Kristensen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 februari 2008,

het navolgende

Arrest

Toepasselijke bepalingen

Verdragsbepalingen

1 Artikel 95, lid 3, EG bepaalt dat de Commissie bij haar voorstellen aan de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming, zal uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd.

2 Volgens artikel 152, lid 1, EG wordt bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Richtlijn 91/414/EEG

3 Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1), behelst een gemeenschappelijke regeling voor de toelating en de intrekking van de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

4 Artikel 4 van richtlijn 91/414 bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten [...] indien de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I zijn vermeld”.

5 De voorwaarden voor opneming van werkzame stoffen in bijlage I zijn gepreciseerd in artikel 5 van richtlijn 91/414:

„1. Op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis wordt een werkzame stof in bijlage I opgenomen voor een eerste periode van ten hoogste tien jaar, indien kan worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) de residuen hebben, na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen onaanvaardbaar milieu-effect en deze residuen kunnen – voor zover ze in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn – door middel van algemeen gebruikte methoden worden gemeten;

b) het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen heeft, na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of geen onaanvaardbaar milieu-effect, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b, punten iv en v.

2. Bij het opnemen van een werkzame stof in bijlage I dient zeer in het bijzonder rekening te worden gehouden met de volgende elementen:

a) in voorkomend geval een ADI-waarde voor de mens;

b) zo nodig een aanvaardbaar niveau van blootstelling van degenen die met deze stof omgaan;

c) in voorkomend geval een beoordeling van de vraag waar de stof in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, alsmede wat de uitwerking is op niet-doelsoorten.

[...]”

6 Artikel 6 van richtlijn 91/414 bepaalt:

„1. Over de opneming van een werkzame stof in bijlage I wordt beslist volgens de procedure van artikel 19.

[...]

2. Wanneer een lidstaat een aanvraag ontvangt om opneming van een werkzame stof in bijlage I, ziet deze erop toe dat de aanvrager aan de andere lidstaten en de Commissie zonder buitensporige vertraging een dossier doet toekomen dat geacht wordt aan de voorschriften van bijlage II te voldoen, alsmede een dossier conform bijlage III betreffende ten minste één preparaat dat deze werkzame stof bevat. De Commissie dient het dossier ter beoordeling in bij het in artikel 19 bedoelde Permanent Planteziektenkundig Comité.

3. Onverminderd het bepaalde in lid 4 wordt op verzoek van een lidstaat binnen drie à zes maanden na de indiening bij het in artikel 19 bedoelde Comité volgens de procedure van artikel 20 geconstateerd of het dossier is ingediend overeenkomstig de bijlagen II en III.

4. Indien uit de beoordeling van het dossier als bedoeld in lid 2 blijkt dat aanvullende informatie nodig is, kan de Commissie de aanvrager verzoeken dergelijke informatie te verstrekken. De aanvrager of zijn gemachtigde vertegenwoordiger kan door de Commissie worden verzocht om de Commissie een toelichting te verstrekken, met name wanneer wordt overwogen een afwijzend besluit te nemen.

[...]”

7 Niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 opgenomen werkzame stoffen komen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor toepassing van een tijdelijke afwijkende regeling. Zo bepaalt artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 dat „een lidstaat, gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van deze richtlijn, [mag] toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn reeds op de markt zijn, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht”. Deze periode van twaalf jaar, die op 26 juli 2003 verstreek, is voor bepaalde stoffen verlengd bij verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (PB L 319, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1335/2005 van de Commissie van 12 augustus 2005, die ook de beschikkingen 2002/298/EG, 2004/129/EG, 2004/140/EG, 2004/247/EG en 2005/303/EG wijzigt inzake de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bedoelde termijn en de handhaving van het gebruik van bepaalde niet in bijlage I erbij opgenomen stoffen (PB L 211, blz. 6). Volgens deze verordening wordt de periode van twaalf jaar verlengd tot 31 december 2006 „tenzij een besluit is genomen of vóór die datum wordt genomen om de werkzame stof al dan niet op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414”.

8 Volgens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 moeten tijdens die overgangsperiode de betrokken werkzame stoffen worden onderworpen aan een onderzoek, na afloop waarvan zij al dan niet in bijlage I bij de richtlijn kunnen worden opgenomen; opneming vindt niet plaats, indien de stoffen niet aan de veiligheidseisen van artikel 5 van de richtlijn voldoen, of indien de voor het onderzoek vereiste informatie en gegevens niet binnen de voorgeschreven periode zijn verstrekt. De stof wordt onderzocht overeenkomstig de procedure van artikel 19 van richtlijn 91/414. Volgens dit artikel, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot aanpassing aan besluit 1999/468/EG van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (gekwalificeerde meerderheid) goedgekeurde besluiten van de Raad (PB L 122, blz. 1), wordt de Commissie bijgestaan door een regelgevend comité: het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna: „comité”).

Verordening (EEG) nr. 3600/92

9 Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 (PB L 366, blz. 10), regelt de onderzoeksprocedure voor een aantal stoffen met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414. Een van die stoffen is endosulfan.

10 De in verordening nr. 3600/92 geregelde procedure begint met een kennisgeving als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening, luidende: „Producenten die een in bijlage I bij deze verordening genoemde werkzame stof, of zouten, esters of aminen daarvan, in bijlage I bij richtlijn [91/414] wensen te zien opgenomen, geven de Commissie daarvan kennis binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.”

11 Na onderzoek van de kennisgeving van die wens wordt, aldus artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr. 3600/92, een lidstaat aangewezen als rapporteur voor de evaluatie van elk van de betrokken werkzame stoffen.

12 Na de aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaat dient iedere kennisgever hem overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3600/92 een „samenvatting van het dossier” (hierna: „summier dossier”) en een „volledig dossier” toe te zenden zoals omschreven in artikel 6, leden 2 en 3, van deze verordening. Het summiere dossier bevat onder meer een kopie van de kennisgeving, informatie betreffende de aanbevolen gebruiksvoorwaarden, en samenvattingen en uitslagen van de proeven met betrekking tot elk van de in bijlage III bij richtlijn 91/414 genoemde punten, die voor de beoordeling van de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde criteria relevant zijn. Deze informatie betreft een of meer preparaten die representatief zijn voor de voorwaarden waaronder het product kan worden gebruikt in verband met de opneming ervan in bijlage I bij de richtlijn. Het volledige dossier omvat de officiële rapporten en de volledige onderzoeksverslagen met betrekking tot alle hierboven bedoelde informatie. Volgens artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3600/92, zoals aangevuld bij verordening (EG) nr. 2266/2000 van 12 oktober 2000 (PB L 259, blz. 27), „moet de kennisgever aan de hand van de meegedeelde gegevens aantonen dat voor één of meer preparaten ten aanzien van een beperkte reeks representatieve gebruiksdoeleinden kan worden voldaan aan de in richtlijn [91/414] gestelde eisen ten aanzien van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde criteria”.

13 Het summiere dossier en het volledige dossier worden door de kennisgever binnen een door de Commissie bepaalde termijn aan de als rapporteur optredende lidstaat gezonden. Voor endosulfan werd de termijn voor indiening van de dossiers bij verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 3600/92 (PB L 107, blz. 8), vastgesteld op 30 april 1995 en vervolgens bij verordening (EG) nr. 2230/95 van de Commissie van 21 september 1995 tot wijziging van verordening nr. 933/94 (PB L 225, blz. 1) verlengd tot 31 oktober 1995. Volgens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3600/92 moeten de kennisgevers beide dossiers ook zenden aan door de Commissie erkende deskundigen uit andere lidstaten, met het oog op hun eventuele latere raadpleging.

14 De als rapporteur optredende lidstaat onderzoekt vervolgens het summiere en het volledige dossier en draagt er ingevolge artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 3600/92 zorg voor dat „onmiddellijk na de beëindiging van het onderzoek van het dossier de kennisgevers de bijgewerkte samenvatting van het dossier aan de overige lidstaten en aan de Commissie toezenden”. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3600/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1199/97 van de Commissie van 27 juni 1997 (PB L 170, blz. 19), bepaalt dat „de als rapporteur optredende lidstaat [zodra met het onderzoek wordt begonnen] de kennisgevers kan [verzoeken] hun dossiers te verbeteren of aan te vullen” en „deskundigen uit andere lidstaten kan raadplegen en bij de andere lidstaten aanvullende technische of wetenschappelijke informatie kan opvragen die bij de beoordeling van nut kan zijn”.

15 De als rapporteur optredende lidstaat stelt vervolgens een evaluatieverslag van de dossiers op en zendt dit overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 3600/92 uiterlijk twaalf maanden na de ontvangst van de dossiers aan de Commissie. Dit verslag moet onder meer een aanbeveling bevatten over de wenselijkheid de betrokken werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen.

16 Krachtens artikel 7, lid 3, van verordening nr. 3600/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1199/97, doet de Commissie, wanneer zij het summiere dossier en het in lid 1 bedoelde verslag heeft ontvangen, het dossier en het verslag aan het comité toekomen voor verder onderzoek. Alvorens het dossier en het verslag aan het comité toe te zenden, doet de Commissie het verslag van de rapporteur ter informatie aan de lidstaten toekomen. Bovendien, alvorens het dossier en het verslag aan het comité worden doorgezonden, kunnen deskundigen uit de lidstaten worden geraadpleegd en kan de Commissie sommige of alle betrokken kennisgevers over het verslag of delen van het verslag betreffende de betrokken werkzame stof raadplegen.

17 Het bij verordening nr. 1199/97 toegevoegde lid 3 bis van artikel 7 van verordening nr. 3600/92 bepaalt dat de Commissie na afsluiting van dat onderzoek het comité ofwel een ontwerp-richtlijn voorlegt waarbij de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 wordt opgenomen, ofwel een aan de lidstaten gerichte ontwerp-beschikking tot intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, ofwel een aan de lidstaten gerichte ontwerp-beschikking betreffende een dergelijke intrekking, maar met dien verstande dat de werkzame stof opnieuw in aanmerking kan komen voor opneming in bijlage I bij de richtlijn zodra bijkomende proeven of bijkomende gegevens zijn verstrekt, ofwel ten slotte, een ontwerp-besluit waarbij in afwachting van de uitkomsten van bijkomende proeven of gegevens de opneming van de werkzame stof in bijlage I bij deze richtlijn wordt opgeschort.

18 Evenwel bepaalt artikel 7, lid 4, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 3600/92, zoals aangevuld bij verordening nr. 2266/2000, dat indien na het onderzoek van het comité de uitslagen van bepaalde bijkomende proeven of aanvullende gegevens noodzakelijk blijken te zijn, de Commissie de termijn bepaalt voor indiening van deze uitslagen of gegevens. Daarbij wordt gepreciseerd:

„Tenzij de Commissie voor een bepaalde werkzame stof een eerdere datum vaststelt, is de termijn hiervoor 25 mei 2002, behalve voor de uitslagen van langetermijnstudies die de als rapporteur optredende lidstaat en de Commissie bij het onderzoek van het dossier noodzakelijk achten en die vermoedelijk niet binnen de vastgestelde termijn volledig beëindigd kunnen worden, voor zover de verstrekte informatie het bewijs omvat dat opdracht gegeven is tot deze studies en dat de uitslagen ervan uiterlijk op 25 mei 2003 overgelegd zullen worden. In uitzonderlijke gevallen mag, wanneer de als rapporteur optredende lidstaat en de Commissie op 25 mei 2001 nog niet in staat waren dergelijke studies aan te wijzen, een andere datum voor de beëindiging ervan worden vastgesteld, voor zover de kennisgever de als rapporteur optredende lidstaat het bewijs levert dat binnen drie maanden na het verzoek tot het uitvoeren van de studies opdracht tot deze studies gegeven is, en uiterlijk op 25 mei 2002 hierover een protocol en voortgangsverslag worden ingediend.”

19 Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 3600/92, zoals aangevuld bij verordening nr. 2266/2000, bepaalt ook:

„[... Er] wordt niet ingestemd met de indiening van nieuwe studies. De als rapporteur optredende lidstaat kan met toestemming van de Commissie de kennisgevers verzoeken nadere gegevens te verstrekken die nodig zijn ter verduidelijking van het dossier. De als rapporteur optredende lidstaat deelt de Commissie onverwijld mee voor welke werkzame stoffen de in het eerste streepje bedoelde uitslagen of gegevens niet binnen de vastgestelde termijn zijn overgelegd. De Commissie besluit overeenkomstig artikel 8, lid 2, laatste alinea, van de richtlijn dergelijke werkzame stoffen niet in bijlage I van richtlijn [91/414] op te nemen en vermeldt daarbij de redenen voor de niet-opneming. [...]”

20 Artikel 7, lid 5, van verordening nr. 3600/92 bepaalt dat „de Commissie het comité een ontwerp-besluit voorlegt om een product overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 2, laatste alinea, van richtlijn [91/414] niet in bijlage I op te nemen, wanneer [...] de als rapporteur optredende lidstaat de Commissie ervan in kennis heeft gesteld dat de in lid 4, eerste streepje, bedoelde uitslagen niet binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend”.

21 Volgens artikel 8 van verordening nr. 3600/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2266/2000, dient de als rapporteur optredende lidstaat na de ontvangst van de uitslagen van de bijkomende proeven of aanvullende gegevens, deze te onderzoeken, ervoor zorg te dragen dat deze uitslagen of gegevens door de kennisgever aan de overige lidstaten en aan de Commissie worden gezonden, en uiterlijk zes maanden na de ontvangst van die uitslagen of gegevens zijn evaluatie van het dossier in de vorm van addendum bij het reeds bij de Commissie ingediende evaluatieverslag met een aanbeveling over het al dan niet opnemen van de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 aan de Commissie te zenden.

22 Ingevolge artikel 8, lid 3, van verordening nr. 3600/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2266/2000, legt de Commissie na de ontvangst van het verslag van de als rapporteur optredende lidstaat dit verslag voor onderzoek voor aan het comité. Dit artikel bepaalt dat de Commissie „voordat het dossier en het verslag aan het comité worden voorgelegd, [...] dit verslag ter informatie aan de lidstaten [zendt] en [dat] zij deskundigen uit één of meer lidstaten kan raadplegen”. Daaraan is toegevoegd dat „de Commissie bepaalde of alle kennisgevers voor een werkzame stof kan raadplegen over het verslag inzake de betrokken werkzame stof of over delen van dit verslag” met de precisering dat „de als rapporteur optredende lidstaat bij deze raadplegingen zorg draagt voor de nodige technische en wetenschappelijke ondersteuning”. Na dat onderzoek door het comité legt de Commissie ten slotte het comité een ontwerp-beschikking voor om de stof al dan niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen.

Voorgeschiedenis van het geding

Evaluatieprocedure

23 Endosulfan is een werkzame stof die met name voor de vervaardiging van pesticiden wordt gebruikt. Het werkt als een contactgif op een groot aantal insecten en mijtachtigen op tal van gewassen, waaronder katoen en vele soorten fruit en groenten.

24 Verzoeksters, Bayer CropScience AG, Makhteshim-Agan Holding BV, Alfa Georgika Efodia AEVE en Aragonesas Agro, SA, zijn bedrijven die met name endosulfan en gewasbeschermingsmiddelen op basis van endosulfan vervaardigen en verkopen.

25 Het Koninkrijk Spanje is krachtens verordening nr. 933/94 aangewezen als rapporteur voor het onderzoek van endosulfan. Blijkens bijlage III erbij heeft deze lidstaat overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 3600/92 het Spaanse ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening (hierna: „MAPA”) als daarvoor bevoegde autoriteit aangewezen. Het MAPA heeft het Instituto Nacional de Investigacíon y Tecnologia Agraria y Alimentaria (nationaal instituut voor landbouw‑ en voedselonderzoek en ‑technologie; hierna: „INIA”) belast met de evaluatieverslagen over de werkzame stoffen met het oog op opneming ervan in bijlage I bij richtlijn 91/414. Het INIA werd dus belast met de opstelling van het ontwerp-evaluatieverslag voor endosulfan en nam deel aan de door de Commissie belegde besprekingen tussen deskundigen.

26 Alleen Makhteshim Agan International Coordination Center en AgrEvo GmbH, inmiddels Bayer CropScience AG, dienden vóór de uiterste datum van 31 oktober 1995 bij het Koninkrijk Spanje dossiers in de zin van artikel 6 van verordening nr. 3600/92 inzake endosulfan in. Makhteshim Agan International Coordination Center en AgrEvo bundelden hun inspanningen in een werkgroep, de zogenoemde „werkgroep endosulfan” (hierna: „werkgroep endosulfan”).

27 Het Koninkrijk Spanje zond de Commissie in de loop van februari 2000 een ontwerp-evaluatieverslag over endosulfan, dat de Commissie vervolgens aan de lidstaten en AgrEvo als vertegenwoordigster van de werkgroep endosulfan heeft gezonden. Een voorontwerp van dit verslag was enkele maanden eerder aan de werkgroep gezonden. In het ontwerp-evaluatieverslag kwam het Koninkrijk Spanje tot de slotsom dat de beslissing over de opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 moest worden uitgesteld in afwachting van de ontvangst en het onderzoek van in het ontwerp-evaluatieverslag nader genoemde aanvullende inlichtingen.

28 Van januari tot juli 2001 kwamen deskundigen uit verschillende lidstaten meermaals bijeen voor bespreking van het ontwerp-evaluatieverslag en het commentaar daarop in het kader van de beoordeling door deskundigen uit andere lidstaten, zoals bepaald bij artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3600/92 krachtens hetwelk de Commissie in samenwerking met de bevoegde nationale instanties een kader voor de bespreking van dit soort evaluaties heeft gecreëerd, de zogenoemde European Commission Co-ordination (ECCO). De leden van de werkgroep namen deel aan deze besprekingen.

29 Op 27 juni 2001 is het na dit onderzoek opgestelde rapport meegedeeld aan de lidstaten en op 25 augustus 2001 voor commentaar en nadere toelichtingen aan de werkgroep.

30 Na te hebben vastgesteld dat voor het onderzoek van endosulfan nadere inlichtingen noodzakelijk waren, stelde de Commissie op 21 november 2001 beschikking 2001/810/EG betreffende het besluit inzake de eventuele opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG (PB L 305, blz. 32) vast waarbij de uiterste datum voor het verstrekken van nieuwe gegevens over endosulfan is verlengd tot 25 mei 2002 en tot 31 mei 2003 voor bepaald langetermijnonderzoek; die termijnen kwamen overeen met die in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 3600/92.

31 In mei 2002 verstrekte de werkgroep nieuwe gegevens overeenkomstig het tijdschema van beschikking 2001/810. In juli 2002 vatte hij met het Koninkrijk Spanje besprekingen aan over de mogelijkheid kennis te geven van onderzoek van een andere formulering van endosulfan. De formulering waarvan aanvankelijk kennis was gegeven, was in de vorm van spuitpoeder (WP) of emulgeerbaar concentraat (EC), terwijl het nieuwe product de vorm van een capsulesuspensie (CS) had. Volgens de werkgroep kon deze nieuwe formulering bepaalde reeds door het Koninkrijk Spanje geuite twijfels wegnemen. Op een vergadering op 17 juli 2002 verklaarden de vertegenwoordigers van het Koninkrijk Spanje dat zij het nieuwe dossier niet konden aanvaarden, maar suggereerden zij aan verzoeksters de Commissie daarover om een informeel akkoord te verzoeken. Verzoeksters verkregen dit akkoord niet.

32 In mei 2003 dienden verzoeksters het in beschikking 2001/810 vermelde langetermijnonderzoek in, waarbij zij bepaalde nieuwe gegevens, namelijk een nieuw dossier conform bijlage III bij richtlijn 91/414 (zie punt 6 hierboven) inzake de CS-formulering (hierna: „CS-dossier”) voegden.

33 Op 22 januari 2004 kwamen de werkgroep en de Spaanse autoriteiten opnieuw bijeen; op die vergadering deelde een milieu‑ en ecotoxicologiedeskundige enkele van zijn bedenkingen over endosulfan mee.

34 Op 26 januari 2004 ontving de werkgroep van het Koninkrijk Spanje het evaluatieverslag over de door deze groep in mei 2002 en mei 2003 verstrekte gegevens in de vorm van een addendum bij het evaluatieverslag en een geactualiseerde versie van de evaluatietabellen.

35 Op 17 mei 2004 is overeenkomstig artikel 6, lid 4, van richtlijn 91/414 vergaderd met drie: de Commissie, de Spaanse autoriteiten en de vertegenwoordigers van de werkgroep. Op deze vergadering wees de Commissie op de problemen met endosulfan en deelde zij mee dat zij voornemens was het comité voor te stellen endosulfan niet op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414. Voorts verzocht zij de werkgroep zijn opmerkingen vóór 21 juni 2004 over te leggen, maar zij preciseerde dat geen enkel nieuw gegeven ter ondersteuning van zijn betoog kon worden aanvaard, daar de uiterste datum van 31 mei 2003 reeds was verstreken.

36 De vertegenwoordigers van de werkgroep betwistten bij brief aan de Commissie van 25 juni 2004 de wijze waarop endosulfan werd geëvalueerd, verzochten bepaalde aanvullende technische uitleg te mogen verstrekken, voerden aanvullende argumenten aan en dienden nieuwe onderzoeksresultaten in.

37 Bij brief van 12 juli 2004 verzocht de Commissie de rapporterende lidstaat het nieuwe onderzoek van de werkgroep buiten beschouwing te laten. Een kopie van deze brief is aan de werkgroep meegedeeld.

38 Bij brief van 24 september 2004 verzocht de werkgroep de Commissie in wezen het onderzoek van endosulfan aan de rapporterende lidstaat terug te sturen om alle relevante gegevens te onderzoeken, en verzocht hij de Commissie binnen 60 dagen haar standpunt te bepalen.

39 Bij brief van 26 november 2004 antwoordde de Commissie dat zij een ontwerp-beschikking houdende niet-opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 voorbereidde en voornemens was dit ontwerp aan het comité op zijn eerste vergadering van 2005 voor te leggen. De Commissie wees er ook op dat zij in haar brief van 12 juli 2004 had herinnerd aan de procedure van verordening nr. 3600/92 alsook aan de uiterste datums voor het afsluiten van het onderzoek van de in deze verordening bedoelde stoffen.

40 Bij op 31 januari 2005 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben verzoeksters beroep wegens nalaten ingesteld (zaak T‑34/05, Bayer CropScience e.a./Commissie).

41 Bij op 31 januari 2005 ter griffie ingeschreven afzonderlijke akte verzochten Makhteshim-Agan Holding, Aragonesas Agro en Alfa Georgika Efodia bepaalde voorlopige maatregelen te gelasten betreffende de evaluatie van endosulfan met het oog op de eventuele opneming ervan in bijlage I bij richtlijn 91/414.

42 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 27 april 2005 werd het verzoek in kort geding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

43 Bij beschikking van 6 september 2006 besliste de Derde kamer van het Gerecht dat het beroep wegens nalaten zonder beslissing moest worden afgedaan gelet op de vaststelling door de Commissie van beschikking 2005/864/EG van 2 december 2005 betreffende de niet-opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (PB L 317, blz. 25; hierna: „bestreden beschikking”).

Bestreden beschikking

44 In de bestreden beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat niet is voldaan aan de criteria voor opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414. In artikel 1 van deze beschikking preciseert zij dus dat endosulfan niet als werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 wordt opgenomen. In punt 8 van de considerans van de bestreden beschikking motiveert de Commissie de niet-opneming in het kort als volgt:

„Tijdens de evaluatie van deze werkzame stof zijn een aantal problemen vastgesteld. Deze betreffen met name het milieutraject en ‑gedrag, aangezien de afbraakroute van de werkzame stof niet volledig duidelijk is en bij bodemdegradatie‑ en water/sedimentonderzoek en mesokosmosstudies onbekende metabolieten werden aangetroffen. Uit ecotoxicologisch oogpunt blijven er veel redenen tot bezorgdheid bestaan aangezien de beschikbare informatie onvoldoende uitsluitsel geeft over het langetermijnrisico, met name als gevolg van de aanwezigheid van bovengenoemde metabolieten. Voorts geeft de beschikbare informatie onvoldoende uitsluitsel over de blootstelling van toepassers onder binnencondities. Bovendien is endosulfan vluchtig, is zijn voornaamste metaboliet persistent en is het bij controles aangetroffen in gebieden waar de stof niet werd gebruikt. Aangezien deze problemen onopgelost blijven, hebben de op basis van de verstrekte gegevens verrichte evaluaties bijgevolg niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die endosulfan bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden aan de eisen van artikel 5, lid 1, [sub] a en b, van richtlijn 91/414 [...] voldoen.”

45 Krachtens artikel 2 van de bestreden beschikking moeten de lidstaten ervoor zorgen dat toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof endosulfan bevatten, vóór 2 juni 2006 worden ingetrokken, dat met ingang van 3 december 2005 geen endosulfan bevattende gewasbeschermingsmiddelen meer worden toegelaten en geen toelatingen voor dergelijke gewasbeschermingsmiddelen meer worden vernieuwd en dat de voorwaarden worden vermeld waarin bepaalde lidstaten met betrekking tot enkele specifieke soorten gebruik toelatingen voor endosulfan bevattende gewasbeschermingsmiddelen tot en met 30 juni 2007 mogen handhaven.

46 Krachtens artikel 3 van de bestreden beschikking kan een lidstaat een extra termijn verlenen aan de houder van een toelating die voor gebruiksdoeleinden waarvoor de toelating op 2 juni 2006 moet zijn ingetrokken, uiterlijk op 2 juni 2007 afloopt en voor gebruiksdoeleinden waarvoor de toelating op 30 juni 2007 moet zijn ingetrokken, uiterlijk op 31 december 2007 afloopt.

47 In punt 14 van de considerans van de bestreden beschikking wijst de Commissie erop dat deze beschikking de indiening van een aanvraag voor endosulfan overeenkomstig artikel 6, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG met het oog op de eventuele opneming van deze stof in bijlage I onverlet laat.

48 Volgens artikel 4 van de bestreden beschikking is zij gericht tot de lidstaten.

Procesverloop en conclusies van partijen

49 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 februari 2006, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

50 Bij op 18 mei 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft het Koninkrijk Spanje verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Deze toelating is hem verleend bij beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 30 juni 2006.

51 Bij op 12 juni 2006 ter griffie neergelegde akte heeft de European Crop Protection Association (ECPA) verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters. Deze toelating is haar verleend bij beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 19 oktober 2006. De ECPA heeft haar memorie ingediend en de andere partijen hebben daarover binnen de gestelde termijnen opmerkingen ingediend.

52 Op 14 juni 2006 hebben verzoeksters een verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang ingediend betreffende in wezen de comparitie en het getuigenverhoor van bepaalde personen die voor de rapporterende lidstaat bij de beoordelingsprocedure waren betrokken, en de aanwijzing van een deskundige om bepaalde door hen geformuleerde vragen te beantwoorden. De andere partijen hebben binnen de gestelde termijnen over dit verzoek opmerkingen ingediend.

53 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang verzoeksters, de Commissie en het Koninkrijk Spanje op 24 oktober 2007 schriftelijke vragen gesteld, waarop zij binnen de gestelde termijn hebben geantwoord.

54 Partijen zijn in hun pleidooien gehoord ter terechtzitting van 12 februari 2008.

55 Verzoeksters, ondersteund door de ECPA, concluderen dat het het Gerecht behage:

– het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren of, subsidiair, over de ontvankelijkheid tezamen met de zaak ten gronde te beslissen;

– de bestreden beschikking te vernietigen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

56 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

Ontvankelijkheid

57 Zonder een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, uit de Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, twijfel aan het procesbelang van verzoeksters en betwist zij de procesbevoegdheid van sommigen van hen.

Procesbelang

Argumenten van partijen

58 Volgens de Commissie verbetert de positie van verzoeksters niet noodzakelijkerwijs bij nietigverklaring van de bestreden beschikking. De toelating voor het op markt brengen van endosulfan zou in afwachting van de evaluatie ervan worden gehandhaafd krachtens de overgangsbepalingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414. Deze onderzoeksperiode loopt af op 31 december 2006. Ingeval de bestreden beschikking nietig wordt verklaard, zal het arrest na deze datum worden gewezen. In dat geval zou de Commissie het arrest overeenkomstig artikel 233 EG moeten uitvoeren, maar door de afloop van de overgangsperiode zou er geen evidente rechtsgrondslag meer zijn om de handhaving van endosulfan op de markt in afwachting van een nieuwe beoordeling toe te laten. Het dossier van verzoeksters zou dan overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 91/414 in plaats van in het kader van het onderzoeksprogramma moeten worden beoordeeld. Aangezien verzoeksters krachtens artikel 6 vrij kennis kunnen geven van endosulfan, ook terwijl de onderhavige zaak aanhangig is, zou hun situatie volgens de Commissie, behalve eventuele aanwijzingen in het arrest over de evaluatieprocedures en ‑criteria, niet verbeteren bij nietigverklaring van de bestreden beschikking.

59 Verzoeksters betwisten de argumenten van de Commissie.

Beoordeling door het Gerecht

60 De Commissie betwist het procesbelang van verzoeksters. Zij lijkt althans verlies van hun procesbelang in de loop van het geding te stellen, namelijk vanaf het verstrijken op 31 december 2006 van de overgangsperiode van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414, zoals gewijzigd. De Commissie lijkt te stellen dat vanaf die datum enerzijds geen toelating voor het in de handel brengen van de producten van verzoeksters meer gold, maar dat laatstgenoemden dan kennis konden geven van hun werkzame stoffen op basis van artikel 6 van richtlijn 91/414, dat de procedure beschrijft voor kennisgeving en opneming van werkzame stoffen buiten de overgangsregeling van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn voor de werkzame stoffen waarvoor gewasbeschermingsmiddelen reeds twee jaar na de kennisgeving van de richtlijn op de markt waren, en er anderzijds wegens de afloop van de evaluatieperiode van de overgangsregeling van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 geen andere evidente rechtsgrondslag voor de evaluatie van endosulfan meer was dan dit artikel 6. Verzoeksters hadden dus hetzelfde eindresultaat kunnen verkrijgen, namelijk onderzoek van hun aanvullende gegevens, zowel op basis van artikel 6 van richtlijn 91/414 als via hun beroep tot nietigverklaring.

61 Het Gerecht stelt vast dat de bestreden beschikking, doordat endosulfan niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 is opgenomen en de lidstaten de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met endosulfan moeten intrekken, een bezwarende handeling is bij nietigverklaring waarvan verzoeksters, de producenten en de verkopers van gewasbeschermingsmiddelen op basis van endosulfan baat zouden vinden. Het procesbelang van verzoeksters bij de instelling van het beroep is dus reëel en daadwerkelijk.

62 Voorts, anders dan de Commissie lijkt te stellen, blijft dit procesbelang onverlet bestaan ongeacht de afloop van de overgangsperiode voor onderzoek of de inleiding van een kennisgevingsprocedure krachtens artikel 6 van richtlijn 91/414.

63 Dat de Commissie op basis van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 geen nieuwe beschikking ter uitvoering van een eventueel arrest tot nietigverklaring kan vaststellen, laat het procesbelang van verzoeksters onverlet. Overeenkomstig artikel 233, eerste alinea, EG is de Commissie immers gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest tot nietigverklaring. In geval van een dergelijke nietigverklaring zou de Commissie wegens de daaraan verbonden terugwerkende kracht een nieuwe beschikking moeten vaststellen op basis van het dossier waarvan kennis is gegeven en waarop deze nietigverklaring betrekking heeft, en moeten beslissen, uitgaande van het tijdstip van de kennisgeving [zie in die zin naar analogie arrest Gerecht van 2 mei 2006, O2 (Germany)/Commissie, T‑328/03, Jurispr. blz. II‑1231, punt 48]. Dat de regeling aan de grondslag van de bestreden beschikking sinds de vaststelling ervan is gewijzigd, is dus irrelevant om te oordelen over de opportuniteit van de grieven van verzoeksters over de procedure en over het resultaat, verkregen onder de ten tijde van de feiten geldende regeling.

64 Het argument dat de Commissie na een arrest tot nietigverklaring endosulfan volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 91/414 zou moeten evalueren, kan dus niet slagen. De mogelijkheid voor verzoeksters waarnaar punt 14 van de considerans van richtlijn 91/414 uitdrukkelijk verwijst, om op basis van artikel 6 ervan opnieuw kennis te geven van endosulfan, is voor hen hoe dan ook onmiskenbaar minder voordelig dan een eventuele hervatting na een arrest tot nietigverklaring van de eerste evaluatieprocedure op het punt waarop een eventuele onrechtmatigheid is gebleken, zodat deze mogelijkheid voor verzoeksters om endosulfan in het kader van een nieuwe procedure op basis van een andere rechtsgrondslag te laten onderzoeken, hun belang bij een beslissing van het Gerecht over de geldigheid van de eerste procedure onverlet laat.

65 Verzoeksters hebben dus belang bij een beslissing van het Gerecht over de tegen de bestreden beschikking aangevoerde middelen.

De procesbevoegdheid

Argumenten van partijen

66 De Commissie geeft toe dat Bayer CropScience door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt, aangezien zij aan de administratieve procedure heeft deelgenomen. Zij betwist evenwel dat de andere verzoeksters aan deze procedure hebben deelgenomen en dus als individueel geraakt door de bestreden beschikking kunnen worden beschouwd.

67 Verzoeksters achten zich elk individueel geraakt door de bestreden beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

68 Wanneer de ontvankelijkheid van één en hetzelfde door verschillende verzoekers ingesteld beroep moet worden beoordeeld en het beroep van een van hen ontvankelijk is, behoeft volgens vaste rechtspraak niet te worden onderzocht of de andere verzoekers procesbevoegd zijn (zie in die zin arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90, Jurispr. blz. I‑1125, punt 31; arresten Gerecht van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99, Jurispr. blz. II‑1275, punt 52, en 8 juli 2003, Verband der freien Rohrwerke e.a./Commissie, T‑374/00, Jurispr. blz. II‑2275, punt 57).

69 Daar de eerste verzoekster, Bayer Cropscience, zoals de Commissie zelf erkent, door de bestreden beschikking rechtstreeks en individueel wordt geraakt, is het beroep dus ontvankelijk zonder dat de procesbevoegdheid van de andere verzoeksters behoeft te worden onderzocht.

70 Uit een en ander volgt dat het beroep ontvankelijk is.

Ten gronde

71 Verzoeksters baseren hun beroep op drie middelen. Het eerste middel stelt procedurefouten, onbillijkheid van de evaluatieprocedure alsook schending van het vertrouwensbeginsel. Het tweede middel stelt schending enerzijds van artikel 95, lid 3, EG (eerste onderdeel) en anderzijds van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 (tweede onderdeel). Het derde middel stelt schending van bepaalde algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Het Gerecht acht het nuttig het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel tezamen te onderzoeken.

Eerste middel: procedurefouten, onbillijkheid van de evaluatieprocedure alsook schending van het vertrouwensbeginsel; en tweede middel, tweede onderdeel: schending van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414

72 In het kader van het eerste middel voeren verzoeksters verschillende grieven aan, met name: de bestreden beschikking is gebaseerd op andere criteria dan die in richtlijn 91/414; de beoordeling van endosulfan is onvolledig en gebaseerd op een selectief gebruik van de door hen verstrekte gegevens; na kennisgeving en verstrekking van nieuwe gegevens door de Commissie vastgestelde nieuwe richtsnoeren en nieuwe criteria zijn met terugwerkende kracht toegepast; de Commissie weigerde hen te adviseren en overleg te plegen in de context van de wijziging van de evaluatiecriteria en van het evaluatiebeleid en aan het eind van de evaluatieprocedure is geweigerd nieuwe gegevens te onderzoeken die rechtstreeks in antwoord op de toepassing door de Commissie van nieuwe evaluatiecriteria en/of nieuwe -richtsnoeren zijn verstrekt.

73 Deze grieven betreffen in wezen zeven problemen: 1) de onbekende metaboliet, 2) het CS-dossier, 3) de blootstelling van de toepasser onder binnencondities, 4) de herziene goede landbouwpraktijk (GLP), 5) de indeling van endosulfan als persistente organische verontreinigende stof (POP) en persistente, bioaccumulerende en toxische stof (PBT), 6) het gebruik in kassen en 7) de invloed van de in de evaluatieprocedure door de rapporterende lidstaat en de Commissie opgelopen vertraging. Deze problemen worden onderzocht in de punten 96 tot en met 206 hierna.

74 Een aantal van voormelde zeven problemen alsook de in het tweede onderdeel van het tweede middel aangevoerde grieven op basis van schending van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 betreffen de vraag of de Commissie beweerdelijk na de termijn verstrekte gegevens en voorgelegd onderzoek mocht weigeren te onderzoeken. Daar krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 „op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis” moet worden beslist over de opneming van een werkzame stof in bijlage I bij deze richtlijn, acht het Gerecht het nuttig allereerst na te gaan of de proceduretermijnen voor de indiening van onderzoeksresultaten gelden; deze vraag betreft immers het algemene kader voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Vraag vooraf inzake de toepassing van de proceduretermijnen en artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414

– Argumenten van partijen

75 Verzoeksters, ondersteund door de ECPA, verwijten de Commissie in wezen endosulfan wegens twijfel aan de veiligheid ervan op basis van ontoereikende informatie op een bepaalde datum vóór het einde van de overgangsperiode niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 te hebben opgenomen. Volgens verzoeksters moet, gelet op artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414, volgens hetwelk deze beslissingen op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis moeten worden genomen, rekening worden gehouden met alle door hen vóór het einde van de evaluatieprocedure verstrekte gegevens. De niet-verlenging in casu van de termijnen voor indiening van onderzoeksresultaten is een kennelijke beoordelingsfout daar verzoeksters de wettelijke termijnen niet konden naleven wegens het gedrag van de Commissie en het Koninkrijk Spanje. Zij baseren dit betoog op het arrest van het Hof van 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie (C‑326/05 P, Jurispr. blz. I‑6557; hierna: „arrest IQV”).

76 Volgens de Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, moet artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 worden gelezen in het licht van het algemene doel van het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en van het daartoe ingevoerde stelsel. De evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen strekt tot verbetering van de landbouwproductie maar ook tot milieu‑ en gezondheidsbescherming. Volgens de Commissie moeten de evaluatieprocedures een zeer diepgaand onderzoek mogelijk maken en garanderen dat de beslissingen binnen een redelijke termijn worden genomen. Ten slotte moeten zij ervoor zorgen dat de ondernemingen die kennis hebben gegeven van werkzame stoffen, gelijk worden behandeld met inachtneming van de eigen kenmerken van de verschillende stoffen. De ruime uitlegging die verzoeksters aan dit artikel geven, leidt tot een scenario waarin het stelsel voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in zijn geheel wordt verlamd, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van richtlijn 91/414. Voorts betreft het arrest IQV, punt 75 hierboven, een bijzonder geval en is het irrelevant voor de beslechting van het onderhavige geschil.

– Beoordeling door het Gerecht

77 Volgens verzoeksters diende de Commissie rekening te houden met bepaalde door hen na de termijn verstrekte gegevens en ingediende onderzoeksresultaten, hetgeen in wezen neerkomt op de stelling dat zij een verlenging van de proceduretermijnen hadden moeten krijgen of hun nieuwe termijnen hadden moeten worden verleend.

78 Het tijdsverloop van de algemene procedure voor de evaluatie van werkzame stoffen en de termijnen voor indiening van een volledig dossier en aanvullende informatie zijn nauwkeurig geregeld. Zo stelden verordening nr. 3600/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2266/2000, en beschikking 2001/810 als uiterste datum voor de indiening van onderzoeksresultaten en aanvullende gegevens voor endosulfan 25 mei 2002, en 31 mei 2003 voor de uitslagen van langetermijnonderzoek. De rechtmatigheid van deze bepalingen wordt in casu niet betwist.

79 Uit artikel 7, lid 4, van verordening nr. 3600/92 (zie punt 18 hierboven) volgt voorts dat de Commissie slechts in uitzonderlijke gevallen de termijn voor de uitslagen van langetermijnonderzoek kan verlengen, namelijk wanneer de als rapporteur optredende lidstaat en de Commissie op 25 mei 2001 nog niet in staat waren het voor het onderzoek van het dossier noodzakelijke langetermijnonderzoek aan te wijzen. Bovendien moet de kennisgever de als rapporteur optredende lidstaat het bewijs leveren dat binnen drie maanden na het verzoek tot het uitvoeren van het onderzoek daartoe opdracht is gegeven, en uiterlijk op 25 mei 2002 hierover een protocol en voortgangsverslag indienen. Dat was in casu niet het geval want de litigieuze gegevens en het litigieuze onderzoek betroffen geen door de beoordelaars gevraagd langetermijnonderzoek.

80 Ondanks dit duidelijke regelingskader moeten in casu de omstandigheden worden onderzocht waarin de Commissie gehouden had kunnen zijn een termijnverlenging te verlenen vooral gelet op het feit dat de overgangsperiode voor de toelating voor het op de markt brengen van endosulfan in beginsel in juli 2003 moest aflopen, maar in 2002 is verlengd tot 31 december 2005 en ten slotte in 2005 tot 31 december 2006 (zie punt 7 hierboven), tenzij vóór die datum een besluit werd genomen om de werkzame stof al dan niet op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414.

81 Blijkens de vijfde, de zesde en de negende overweging van de considerans heeft richtlijn 91/414 tot doel belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen, maar tegelijkertijd een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te handhaven (arrest van 14 september 2006, Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, C‑138/05, Jurispr. blz. I‑8339, punt 43).

82 In dit kader moet de Commissie, om het gestelde doel efficiënt te kunnen nastreven en gelet op de te verrichten ingewikkelde technische evaluaties, een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegekend (arrest IQV, punt 75 hierboven, punt 75). De bevoegdheid om een termijnverlenging toe te kennen is verwant met een beoordelingsbevoegdheid die afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval.

83 De uitoefening van deze bevoegdheid is evenwel niet onttrokken aan rechterlijke toetsing. Volgens vaste rechtspraak moet de gemeenschapsrechter in het kader van deze toetsing immers nagaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten waarop de Commissie zich baseert, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arresten Hof van 25 januari 1979, Racke, 98/78, Jurispr. blz. 69, punt 5, en 22 oktober 1991, Nölle, C‑16/90, Jurispr. blz. I‑5163, punt 12).

84 In het bijzonder wanneer een partij een kennelijk onjuiste beoordeling door de bevoegde instelling stelt, moet de gemeenschapsrechter toetsen of deze instelling alle relevante gegevens van het geval – gegevens die de daaruit afgeleide conclusies ondersteunen – zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht (arrest Hof van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr. blz. I‑5469, punt 14).

85 Uit artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3600/92, zoals aangevuld bij verordening nr. 2266/2000, volgt voorts dat de kennisgever moet aantonen dat aan de hand van de verstrekte gegevens voor een of meer preparaten die overeenkomen met een beperkt aantal representatieve gebruiksdoeleinden, is voldaan aan de in richtlijn 91/414 gestelde eisen ten aanzien van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde criteria. De last van het bewijs van de veiligheid van de werkzame stof rust dus op de kennisgever, hetgeen verzoeksters overigens niet betwisten.

86 Bovendien gaat een onbepaalde verlenging van de termijn voor de evaluatie van een werkzame stof duidelijk in tegen het doel van richtlijn 91/414 om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier te garanderen.

87 Met betrekking tot het beroep op het arrest IQV, punt 75 hierboven, dient erop te worden gewezen dat de feiten in die zaak zeer bijzonder waren en verschilden van die van de onderhavige zaak, aangezien de opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414 van de betrokken werkzame stof werd geweigerd wegens volledig gebrek aan evaluatie, daar het aanvankelijke dossier niet volledig was. Het geschil betrof dus de vraag van de termijn voor de indiening van een volledig kennisgevingsdossier. In casu is evenwel beslist tot niet-opneming aan het eind van een evaluatieprocedure op basis met name van een volledig geachte aanvankelijke kennisgeving, een ontwerp-evaluatieverslag, een raadpleging van deskundigen van de lidstaten en mogelijkheden voor de werkgroep om argumenten aan te voeren en aanvullende onderzoeksresultaten in te dienen ter beantwoording van de door de rapporterende lidstaat in het ontwerp-evaluatieverslag en tijdens de procedure van raadpleging van deskundigen van de lidstaten geuite twijfels.

88 Hoewel de feiten in de zaak die tot het arrest IQV, punt 75 hierboven, hebben geleid, sterk verschilden van die van de onderhavige zaak, dient erop te worden gewezen dat het Hof, na de Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar bevoegdheden in het kader van richtlijn 91/414 te hebben toegekend, de weigering van de Commissie om Industrias Químicas del Vallés SA (hierna: „IQV”) een termijnverlenging te verlenen voor de indiening van een volledig aanvankelijk dossier als een beoordelingsfout beschouwde, daar enerzijds IQV deze termijn althans gedeeltelijk wegens de tegenstrijdige handelwijze van de bevoegde autoriteiten niet kon naleven en anderzijds de litigieuze termijnen op basis van de betrokken regeling konden worden verlengd (arrest IQV, punt 75 supra, punten 84‑88).

89 Uit voormelde rechtspraak kan worden afgeleid dat in het kader van een beschikking betreffende de opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414 van een door de procedure van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bedoelde stof uitstel moet worden verleend wanneer het enerzijds niet onmogelijk is om van de door de betrokken regeling vastgestelde proceduretermijnen af te wijken en anderzijds de partijen die kennis hebben gegeven van de werkzame stof, ten gevolge van overmacht de proceduretermijnen niet konden naleven, hetgeen zich kan voordoen wanneer deze termijnen althans deels door de tegenstrijdige handelwijze van de bevoegde autoriteiten niet konden worden nageleefd.

90 De Commissie voert duidelijk geen overtuigende argumenten aan over de vraag of het voor haar onmogelijk was af te wijken van de in casu aan de orde zijnde proceduretermijnen. Praktisch en politiek stond zij onder druk als gevolg van haar toezegging in 2001 aan de Raad en het Parlement om vóór juli 2003 een maximumaantal beslissingen te nemen, waarbij verlenging uitzonderlijk en beperkt zou zijn. Bovendien stelt zij dat proceduretermijnen gelden voor alle ondernemingen die kennis geven van werkzame stoffen, en dat het verlenen van een speciale behandeling aan verzoeksters afbreuk zou doen aan de gelijke behandeling, in het bijzonder jegens ondernemingen die zich wegens de afloop van huns inziens dwingende proceduretermijnen uit de procedure hebben teruggetrokken. Indien verzoeksters, aldus de Commissie, hun dossier almaar konden aanvullen, zouden voor endosulfan zo ook extra middelen moeten worden ingezet ten koste van andere stoffen waarvan de evaluatie zou worden vertraagd.

91 Politieke of praktische overwegingen vormen duidelijk geen afdoende reden om een termijnverlenging in een bijzonder geval te weigeren ingeval een dergelijke verlenging noodzakelijk is om een eerlijke en billijke evaluatieprocedure te garanderen. Bovendien kan het argument van de Commissie dat afbreuk zou worden gedaan aan de gelijke behandeling, niet worden aanvaard wanneer de verlenging wegens de bijzondere omstandigheden van een bepaalde evaluatieprocedure en van haar deelnemers noodzakelijk is. Het is immers vaste rechtspraak dat het beginsel van gelijke behandeling zich niet tegen elk verschil in behandeling verzet, maar verbiedt dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, waardoor bepaalde ondernemers in vergelijking met anderen worden benadeeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest Gerecht van 5 april 2006, Deutsche Bahn/Commissie, T‑351/02, Jurispr. blz. II‑1047, punt 137, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Beschikking 2001/810 stelt hoe dan ook zelf termijnen voor de indiening van verschillende gegevens en onderzoeksresultaten voor bepaalde stoffen. Zo bijvoorbeeld is de termijn voor de indiening van onderzoeksresultaten voor de meeste in deze beschikking bedoelde stoffen 25 mei 2002, maar voor chlorotoluron 30 november 2002, voor dinocap 31 december 2002 en voor benalaxyl 31 januari 2003. Voor endosulfan was de termijn voor de indiening van de uitslagen van langetermijnonderzoek 31 mei 2003. Voor de meeste andere in deze beschikking bedoelde stoffen was hij 25 mei 2003. Die voor benomyl, chlorotoluron en dinocap was evenwel 31 december 2003. In beschikking 2001/810 beschouwt de Commissie deze stoffen als uitzonderlijke gevallen. Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 3600/92, zoals aangevuld bij verordening nr. 2266/2000, voorziet evenwel slechts in termijnverlenging in „uitzonderlijke gevallen” voor langetermijnonderzoek. Beschikking 2001/810 verleent ook verlengingen van de algemene termijn van 25 mei 2002, waarvoor verordening nr. 3600/92 niet voorziet in mogelijke verlenging (zie punt 18 hierboven). De Commissie heeft dus niet aangetoond dat de proceduretermijnen in casu niet konden worden verlengd.

93 Ook van belang is evenwel te preciseren dat uit de verwijzing in artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 naar „de stand van de wetenschappelijke en technische kennis ” niet kan worden afgeleid dat het voor ondernemingen die kennis hebben gegeven van een werkzame stof en naar alle waarschijnlijkheid een beschikking van niet-opneming van deze stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 kunnen verwachten, mogelijk moet zijn nieuwe gegevens in te dienen zolang er twijfel aan de veiligheid van deze stof is. Een dergelijke uitlegging van deze bepaling gaat in tegen het doel van een hoog niveau van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier, dat aan artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 ten grondslag ligt, doordat de partij die kennis heeft gegeven van de werkzame stof, op wie enerzijds de last van het bewijs van de veiligheid ervan rust en die anderzijds de betrokken stof het best kent, dan een vetorecht zou krijgen tegenover een eventuele niet-opneming van de betrokken stof in bijlage I bij richtlijn 91/414.

94 Voorts is een dergelijk vetorecht zeker ondenkbaar te meer daar, zoals vermeld in punt 14 van de considerans van de bestreden beschikking, op basis van artikel 6, lid 2, van richtlijn 91/414 (opnieuw) kennis kan worden gegeven van de werkzame stof met het oog op de eventuele opneming ervan in bijlage I erbij.

95 In het licht van voorgaande overwegingen moeten de grieven van verzoeksters worden onderzocht om na te gaan of zij in casu wegens overmacht ten gevolge van de tegenstrijdige handelwijze van de beoordelaars de wettelijke termijnen niet konden naleven.

Het eerste probleem: de onbekende metaboliet

– Argumenten van partijen

96 Verzoeksters stellen in wezen dat de conclusie in punt 8 van de considerans van de bestreden beschikking dat de afbraakroute van de werkzame stof niet volledig duidelijk is en bij bodemdegradatie‑ en water/sedimentonderzoek en mesokosmosstudies onbekende metabolieten werden aangetroffen, alsook de conclusie dat er uit ecotoxicologisch oogpunt veel redenen tot bezorgdheid blijven bestaan aangezien de beschikbare informatie onvoldoende uitsluitsel geeft over het langetermijnrisico, met name als gevolg van de aanwezigheid van bovengenoemde metabolieten, op kennelijke beoordelingsfouten berust en hun recht van verweer en hun gewettigd vertrouwen schendt zodat de evaluatieprocedure onbillijk is geweest.

97 In de eerste plaats stellen verzoeksters te laat, namelijk eerst in januari 2004, op de hoogte te zijn gesteld van het probleem van de onbekende metaboliet en met name van het feit dat het cruciaal was voor de evaluatieprocedure zodat zij deze bezorgdheid van de beoordelaars niet binnen de wettelijke termijnen hebben kunnen beantwoorden. Zij hadden evenwel in mei 2002 gewezen op de aanwezigheid van een onbekende metaboliet in het afbraakproces van endosulfan.

98 In de tweede plaats wijzigden de richtsnoeren aanhoudend en werden met terugwerkende kracht wijzigende criteria voor de relevantie van de metabolieten toegepast. Het door de beoordelaars gehanteerde criterium dat de metabolieten, die minder dan 10 % van de oorspronkelijke werkzame stof uitmaakten, relevant zijn, is met name ingevoerd bij de richtsnoeren van 2002 die slechts waren geacht toepasselijk te zijn op werkzame stoffen waarvan in de loop van de derde fase van het onderzoeksprogramma kennis was gegeven, maar die met terugwerkende kracht zijn toegepast, terwijl endosulfan deel uitmaakte van de eerste fase.

99 In de derde plaats bleek de aanwezigheid van een onbekende metaboliet uit een onderzoek over de afbraakroute en niet over de afbraaksnelheid, waartoe verzoeksters zelfs niet waren gehouden, want het betrof proeven op de metaboliet endosulfansulfaat en niet op endosulfan zelf. De beoordelaars hebben dus op basis van ongeschikt onderzoek dit probleem opgeworpen dat er geen is.

100 In de vierde plaats is het in strijd met de richtsnoeren die niet voorzien in de analyse op basis van metabolieten van de werkzame stoffen, maar alleen in onderzoek op basis van de actieve stof zelf, om rekening te houden met de relevantiedrempel van 10 % voor de „metabolieten van de metabolieten” (dat wil zeggen voor de metabolieten van endosulfansulfaat, zelf een metaboliet van endosulfan). Voorts heeft de Commissie bij de beoordeling van de verschillende aspecten van hun werkzame stof en de daaruit voortvloeiende geformuleerde producten naar een „nulrisico” gestreefd, hetgeen er in wezen op neerkomt verzoeksters te belasten met een probatio diabolica, dat de rechtsstelsels van de lidstaten en de rechtspraak als onwettig beschouwen.

101 In de vijfde plaats was er aanhoudend een gebrek aan uitwisseling van informatie met de rapporterende lidstaat over het probleem van de onbekende metaboliet, want er was geen feedback-informatie over milieuvraagstukken; dit was het duidelijkst in de periode 2001‑2004.

102 In de zesde plaats hebben verzoeksters in elk geval wetenschappelijk bewijs geleverd dat zelfs de relevantiedrempel van 10 % voor de metabolieten van de metabolieten niet was bereikt zodat de betrokken metaboliet van endosulfansulfaat niet significant was en dus geen milieurisico kon opleveren. Dat bleek met name uit een extrapolatie op basis van het binnen de termijnen in mei 2002 ingediende onderzoek over de afbraakroute in de bodem. Bovendien hebben verzoeksters onderzoek ingediend dat bewijst dat de in de bodem aangetroffen metaboliet van de metaboliet irrelevant was voor de beoordeling van de ecotoxicologie en het milieugedrag van endosulfan want het was minder toxisch dan de werkzame stof zelf.

103 In de zevende plaats werd het probleem van de onbekende metaboliet opgelost door de herziene GLP, de CS-formulering en het gebruik in kassen, die allemaal het onderzoek en de argumenten betreffen waarmee de Commissie heeft geweigerd rekening te houden omdat zij te laat werden ingediend.

104 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, betwist de argumenten van verzoeksters.

105 In de eerste plaats, aldus de Commissie, bleek reeds uit het ontwerp-evaluatieverslag dat de afbraakroute van endosulfan een probleem opleverde en werd de vraag ook op een vergadering van 20 januari 2000 opgeworpen.

106 In de tweede plaats gelden de richtsnoeren niet als wet zodat geen enkele positiefrechtelijke regel voorschrijft om onder een bepaalde drempel zo mogelijk geen rekening te houden met milieu-overwegingen.

107 In de derde plaats mogen de rapporterende lidstaat en de Commissie hun conclusies baseren op elk soort door verzoeksters ingediende onderzoeksresultaten ongeacht welke soort vraag het betrokken onderzoek beantwoordde.

108 Wat in de vierde plaats de vraag van de drempel van de relevantie van de metabolieten van de metabolieten betreft, vraagt de Commissie zich af of de argumenten van verzoeksters ontvankelijk zijn daar zij onvoldoende duidelijk zijn om te voldoen aan artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Volledigheidshalve beantwoordt de Commissie deze argumenten niettemin met een beroep op een advies van het Wetenschappelijk Comité voor bestrijdingsmiddelen van 30 november 2000 dat de conclusie bevestigt dat het gevaar van grondwatervervuiling door metabolieten bij een niveau onder 10 % niet is uit te sluiten. Voorts blijkt uit bijlage II bij richtlijn 91/414 dat de gegevens betreffende metabolieten onder het niveau van 10 % ook moesten worden voorgelegd. De vraag van de drempel van relevantie van de metabolieten valt hoe dan ook binnen de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie.

109 Wat in de vijfde plaats het gestelde gebrek aan informatie-uitwisselingen betreft, stellen de Commissie en het Koninkrijk Spanje in wezen dat verzoeksters tijdens de evaluatieprocedure tal van gelegenheden hadden om hun standpunt kenbaar te maken en aanvullende gegevens te verstrekken. De toepasselijke regeling zegt voorts niets over de omvang van de vereiste uitwisselingen en feedback-informatie.

110 In de zesde plaats is het argument dat verzoeksters bewijzen hebben geleverd dat de metaboliet van de metaboliet de relevantiedrempel van 10 % niet overschreed, niet persistent is en hoe dan ook minder toxisch dan endosulfan is, niet-ontvankelijk. Verzoeksters hebben alleen de wetenschappelijke conclusies van de evaluatieprocedure in het stadium van de repliek betwist, terwijl het verzoekschrift alleen de wijze bekritiseert waarop de procedure is gevoerd. Het betoog van verzoeksters dat het probleem van de onbekende metaboliet kan worden genegeerd, is in elk geval onjuist. Het Koninkrijk Spanje betwist ook de wetenschappelijke conclusies van de dienaangaande door verzoeksters ingediende onderzoeksresultaten.

111 Wat in de zevende plaats de vraag betreft of het probleem van de metaboliet is opgelost door de oplossingen die verzoeksters aan het einde van de procedure betreffende met name de herziene GLP, de CS-formulering en het gebruik in kassen hebben voorgesteld, mochten de Commissie en de rapporterende lidstaat weigeren rekening te houden met het betrokken onderzoek aangezien het na de termijn is ingediend.

– Beoordeling door het Gerecht

112 Vooraf dient te worden gepreciseerd dat het probleem van de onbekende metaboliet in wezen de vraag betreft of de Commissie de weigering om endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen rechtmatig kon baseren op het gebrek aan voldoende gegevens over bepaalde stoffen uit het afbraakproces van endosulfan, met name de metabolieten of residuen waarvan pas in het tweede afbraakstadium, namelijk het stadium van de afbraak van de primaire metaboliet, endosulfansulfaat, blijkt.

113 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of verzoeksters tijdig en met name vóór de vergadering van januari 2004, waarop het probleem van de onbekende metaboliet volgens hen voor het eerst is opgeworpen, op de hoogte zijn gesteld van het probleem van de onbekende metaboliet alsook van het feit dat het essentieel was voor de analyse van de milieugevaren van endosulfan, dient allereerst te worden opgemerkt dat uit het dossier blijkt dat verschillende commentaren en verzoeken om gegevens vóór 2004 verwijzen naar de bezorgdheid van de beoordelaars de afbraakroute van endosulfan en van zijn metabolieten, alsook de afbraaksnelheid te begrijpen.

114 Volgens het ontwerp-evaluatieverslag van december 1999 is het namelijk „noodzakelijk de afbraakroute in de bodem en het water ruimer te onderzoeken” en „zou een kinetica van de correcte ontbinding (route en percentage) moeten worden voorgesteld”. Voorts, aldus dit verslag, zijn „de meeste producten van de ontbinding van endosulfan organochloren die persistent kunnen zijn en een milieuprobleem kunnen opleveren”.

115 Bovendien verwijzen de conclusies van dit ontwerp-evaluatieverslag naar „een hoge persistentie in de bodem van een residu, gevormd door verschillende gechloreerde metabolieten, die individueel meer dan 10 % van de toegepaste dosis niet mogen overschrijden, maar samen een grote hoeveelheid residu kunnen vormen”. Ook wordt het volgende gepreciseerd:

„Op basis van hun chemische structuur kan worden verwacht dat de fysisch-chemische eigenschappen van deze bestanddelen overeenkomen en over het algemeen persistent en bioaccumulerend zijn. Bijgevolg moeten de route en de afbraak van dit bestanddeel grondiger worden onderzocht en is dit onderzoek onontbeerlijk.”

116 Bovendien, aldus het door verzoeksters opgestelde verslag van een bezoek aan INIA in december 1999, „moet duidelijk worden aangetoond dat de chloorkern zich ontbindt en moeten de afbraakproducten geïdentificeerd zijn”.

117 Ook kan worden verwezen naar het volgende in het verslag van een vergadering van 25 augustus 2001:

„De vraag van de relevantie van andere metabolieten dan endosulfansulfaat in de bodem en de ecotoxicologische invloed daarvan is opgeworpen en wordt zeer belangrijk gelet op de duidelijke boodschap van Dr. T., dat het voor de andere metabolieten recent ingediende ecotoxicologische onderzoek duidelijk tot de conclusie leidt dat zij uit toxisch oogpunt relevant zijn. Daarom moet de relevantie ervan ten slotte worden gebaseerd op de resultaten van het lopend onderzoek over de milieuchemie in bodem en sedimenten. Bij slechts geringe hoeveelheden is de relevantie ervan uitgesloten. In het tegenovergestelde geval zijn aanzienlijke gevolgen voor het programma van ecotoxicologische tests te verwachten.”

118 Uit voorgaand onderzoek van het documentaire bewijs volgt dat verzoeksters niet kunnen ontkennen op de hoogte te zijn gesteld van de noodzaak de ontbindingsroute van endosulfan in een vroeg stadium van de procedure te verduidelijken, want daar is uiterlijk begin 2000 om verzocht. Daaruit volgt ook dat zij toen en uiterlijk in augustus 2001 op de hoogte zijn gesteld van de bezorgdheid van de beoordelaars over de persistentie van bepaalde metabolieten en dat deze, indien zij relevant werden geacht, de toxicologische analyses aanzienlijk zouden beïnvloeden. Verzoeksters zijn dus in de gelegenheid geweest te verduidelijken hoe endosulfan zich ontbond, een wezenlijke vraag voor de analyse van de milieugevaren. Op basis van de tot mei 2003 ingediende onderzoeksresultaten werd de afbraakroute vervolgens evenwel onvoldoende duidelijk geacht; verzoeksters betwisten deze conclusie en hebben daarover voorts aanvullende argumenten kunnen aanvoeren. Een dergelijke onenigheid ten gronde mag niet worden verward met de vraag of verzoeksters echt in de gelegenheid zijn geweest om tijdens de evaluatieprocedure de afbraakroute van endosulfan te verduidelijken, of met die of de beoordelaars erop hebben gewezen dat deze vraag voor de risico-analyse van belang was.

119 Wat in de tweede plaats de vraag betreft dat verzoeksters tijdens de evaluatieprocedure meermaals gewijzigde richtsnoeren zijn tegengeworpen, waardoor de proceduretermijnen van mei 2002 en mei 2003 niet konden worden nageleefd, dient allereerst te worden gepreciseerd dat de Commissie zichzelf voor de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheden gedragsregels kan stellen door middel van niet in artikel 249 EG genoemde handelingen voor zover deze handelingen gedragsregels bevatten inzake de door haar te volgen praktijk en niet afwijken van de verdragsregels. De gemeenschapsrechter gaat na of de bestreden handeling verenigbaar is met deze gedragsregels. Teksten die slechts ontwerpen zijn, kunnen evenwel niet leiden tot een zelfbeperking van deze beoordelingsbevoegdheid (zie in die zin arrest Gerecht van 11 september 2002, Alpharma/Raad, T‑70/99, Jurispr. blz. II‑3495, punten 140‑142). De rechtmatigheid van de bestreden beschikking moet dus niet aan voormelde gedragsregels, maar aan de bepalingen van richtlijn 91/414 worden getoetst (zie in die zin en naar analogie arrest Alpharma/Raad, reeds aangehaald, punt 146).

120 Bovendien dient deze grief, die in het verzoekschrift zeer ruim is geformuleerd, alleen te worden onderzocht voor de door verzoeksters daarin gegeven concrete voorbeelden van gevallen waarin hun regels zijn tegengeworpen die voortvloeien uit de meermaals gewijzigde gedragsregels, want volgens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Het middel aan de grondslag van het beroep moet er dus inhoudelijk in worden uiteengezet zodat de zuivere abstracte formulering ervan niet voldoet aan de vereisten van het Statuut van het Hof en het Reglement voor de procesvoering (arrest Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T‑102/92, Jurispr. blz. II‑17, punt 68).

121 De in het verzoekschrift uiteengezette grief dat verzoeksters meermaals gewijzigde richtsnoeren zijn tegengeworpen, betreft in de eerste plaats een ontwerp van richtsnoeren over de relevantie van metabolieten in grondwater van de gereguleerde stoffen, waarvan de versie van november 2001 een nieuw relevantiecriterium, namelijk een hogere absolute waarde van 10μg/l in grondwater voor alle metabolieten, los van de toxiciteit ervan invoerde. Deze richtsnoeren zijn pas in februari 2003 voltooid. In dit opzicht leggen verzoeksters niet uit waarom het in november 2001 te laat was om nog onderzoeksresultaten met inachtneming van dit criterium in te dienen. In elk geval stellen zij in mei 2003 onderzoeksresultaten met inachtneming van dit criterium te hebben ingediend. Voorts, aldus de Commissie, was er een op internet raadpleegbaar advies van het Wetenschappelijk Comité voor bestrijdingsmiddelen van november 2000 dat de metabolieten zo verregaand als mogelijk moesten worden geïdentificeerd. Bovendien blijkt uit bijlage II bij richtlijn 91/414, zoals gewijzigd in 1995 bij richtlijn 95/36/EG van de Commissie van 14 juli 1995 (PB L 172, blz. 8), dat de ondernemingen die kennis geven van een werkzame stof met het oog op de opneming ervan in bijlage I bij richtlijn 91/414, „alle aanwezige bestanddelen [moeten] identificeren die minder dan 10 % van de hoeveelheid toegevoegde werkzame stof uitmaken”. Verzoeksters kunnen dus niet stellen dat dit criterium in 2001 „nieuw” was of met terugwerkende kracht is toegepast.

122 De grief dat verzoeksters meermaals gewijzigde richtsnoeren zijn tegengeworpen, betreft in de tweede plaats de in oktober 2002 vastgestelde richtsnoeren over de aquatische en terrestrische ecotoxiciteit die voor het eerst eisten dat onderscheid werd gemaakt tussen „minor” (< 10 %) en „major” metabolieten in de bodem (> 10 %) om hun relevantie voor de evaluatie van de schadelijke werking van de werkzame stof te beoordelen. Uit het voorgaande volgt dat dit criterium niet nieuw is aangezien het reeds sinds 1995 in bijlage II bij richtlijn 91/414 was vermeld.

123 Het standpunt van de beoordelaars om rekening te houden met de metabolieten die de drempel van 10 % individueel niet overschreden, maar samen met andere metabolieten konden overschrijden, bleek in elk geval reeds uit de conclusies van het ontwerp-evaluatieverslag (zie punt 115 hierboven).

124 Ten slotte dient te worden opgemerkt dat verzoeksters in feite de relevantie van deze drempel voor de metabolieten van de metabolieten betwisten. De grief waarbij de drempel en de toepassing ervan op de onderhavige zaak wordt betwist, zal hierna worden onderzocht (zie punt 133 en volgende hierna).

125 Wat in de derde plaats de vraag betreft of de beoordelaars het probleem van de metaboliet van de metaboliet en van het risico van de persistentie ervan in de bodem rechtmatig konden opwerpen, nu dit risico bleek uit een met een ander oogmerk door verzoeksters verricht onderzoek, is het voor de opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 duidelijk irrelevant in welk onderzoek een mogelijk milieuprobleem is opgeworpen, voor zover het een document is waarover verzoeksters een standpunt hebben kunnen bepalen. In casu vonden de beoordelaars blijkens het dossier in een onderzoek van verzoeksters zelf de bevestiging dat er een probleem van de metaboliet van de metaboliet was. Verzoeksters voeren geen enkel geldig argument aan waarom de Commissie geen rekening zou kunnen houden met de uitslagen van een dergelijk onderzoek.

126 Wat in de vierde plaats de vraag betreft of de inachtneming van de relevantiedrempel van 10 % voor de metabolieten van de metabolieten in strijd zou zijn met de richtsnoeren en dus zou berusten op een criterium dat niet blijkt uit de toepasselijke regeling, moet worden gewezen op de zeer abstracte formulering van deze grief volgens welke „er geen gemeenschapsvereiste of ‑richtsnoer voor de evaluatie van de metaboliet van een metaboliet is, wanneer de oorspronkelijke materie niet de moederstof is”. Deze grief hangt samen met de betwisting door verzoeksters van een bewering in het ontwerp-evaluatieverslag dat het onderzoek over de ontbinding van endosulfan wijst op „een hoge persistentie van een residu in de bodem, bestaande uit verschillende gechloreerde metabolieten, die individueel het niveau van 10 % van de toegepaste dosis weliswaar niet overschrijden, maar [samen] een grote hoeveelheid residu kunnen vormen”. Om daarop te antwoorden dient te worden onderzocht of de in richtlijn 91/414 en haar bijlagen gebruikte begrippen ruim genoeg zijn gedefinieerd voor de mogelijke inachtneming door de beoordelaars van de mogelijk schadelijke werking van de metabolieten van de metabolieten.

127 In het kader van dit onderzoek dient te worden opgemerkt dat volgens artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/414 een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen indien kan worden verwacht dat de gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, met name aan de volgende voorwaarde voldoen: „de residuen hebben, [...], geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen onaanvaardbaar milieu-effect en deze residuen kunnen – voor zover ze in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn – door middel van algemeen gebruikte methoden worden gemeten”. Artikel 2, lid 2, van deze richtlijn definieert „residuen van gewasbeschermingsmiddelen” ruim als „één of meer werkzame stoffen die als reststoffen ten gevolge van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in of op planten of producten van plantaardige oorsprong, eetbare dierlijke producten, of elders in het milieu aanwezig zijn, met inbegrip van de metabolieten en de producten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen”. Voorts bevatten de bijlagen II en III bij richtlijn 91/414 inzake de evaluatiedossiers verschillende verwijzingen naar verzoeken om gegevens over de producten van de afbraak van de werkzame stoffen in ruime zin. Bijgevolg machtigt richtlijn 91/414 zelf de beoordelaars om het gedrag van afgeleide producten te onderzoeken. In deze omstandigheden en bij gebrek aan concreet bewijs van het tegendeel kan geen sprake zijn van een kennelijke beoordelingsfout van de beoordelaars doordat zij de afbraakroute van de metaboliet van endosulfansulfaat willen verduidelijken en de betrokken relevantiedrempel op de afgeleide producten toepassen. De grief dat een dergelijk onderzoek in strijd is met de richtsnoeren, is dus ongegrond. Verzoeksters hebben dus geen beoordelingsfout of schending van hun recht van verweer door de Commissie aangetoond doordat zij in casu afgeleide producten van endosulfan die individueel minder dan 10 % van de werkzame stof endosulfan, maar meer dan 10 % van de metaboliet endosulfansulfaat vertegenwoordigen, als relevant heeft beschouwd.

128 Ten slotte moet ook het argument worden verworpen dat de beoordelaars aldus een „nulrisico” hebben willen bereiken en verzoeksters een probatio diabolica hebben opgelegd door de niet-opneming van endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 te baseren op een gebrek aan informatie veeleer dan op geïdentificeerde gevaren, want blijkens de analyse hierboven wilde de Commissie het bewijs van een veilig gebruik, maar daartoe moest zij het gedrag van de metaboliet van endosulfansulfaat begrijpen. Niet is aangetoond dat dit standpunt kennelijk onjuist was. Verzoeksters stellen in elk geval een veilig gebruik te hebben bewezen en een aanvaardbaar persistentie‑ en toxiciteitsniveau voor deze metaboliet te hebben aangetoond zodat het argument dat de Commissie van hen een wetenschappelijk onmogelijk te leveren bewijs heeft verlangd, niet kan slagen.

129 Wat in de vijfde plaats de grief betreft van het gestelde gemis aan informatie-uitwisselingen met de rapporterende lidstaat over het probleem van de onbekende metaboliet, met name het gestelde gebrek aan feedback-informatie over milieuvraagstukken in de periode 2001‑2004, dient eraan te worden herinnerd dat de toepasselijke regeling, zoals de Commissie en het Koninkrijk Spanje stellen, geen verplichting tot uitwisseling van informatie of feedback-informatie oplegt op basis waarvan de talrijke contacten en informatie-uitwisselingen tussen de rapporterende lidstaat en verzoeksters toereikend kunnen worden geacht. Het commentaar in het door verzoeksters aangehaalde rapport ECCO 106 dat zij worden verzocht „zeer nauw samen te werken met de Spaanse rapporteur om misverstanden over de te verstrekken gegevens of de na te leven termijnen te vermijden”, is een zo algemeen geformuleerde eis dat op basis ervan moeilijk is vast te stellen of de informatie-uitwisselingen met de rapporterende lidstaat voldoende waren.

130 In iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, vormt de eerbiediging van het recht van verweer evenwel een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij het ontbreken van enige regeling inzake de procedure in acht moet worden genomen. Dit beginsel verlangt dat adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat moeten worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken (zie in die zin arrest Hof van 15 juni 2006, Dokter e.a., C‑28/05, Jurispr. blz. I‑5431, punt 74, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

131 Wat de vraag betreft of gelet op deze rechtspraak het recht van verweer van verzoeksters kan zijn geschonden doordat zij in de litigieuze periode van augustus 2001 tot januari 2004 geen feedback-informatie over het milieutraject en ‑gedrag en de ecotoxicologie en onvoldoende feedback-informatie van een persoon in het bijzonder, M. T., een op deze gebieden gespecialiseerde contractdeskundige, hebben ontvangen, is hun betoog duidelijk tegenstrijdig doordat zij stellen in mei 2002 onderzoeksresultaten te hebben ingediend, die huns inziens de vraag van de onbekende metaboliet hebben opgelost. Het is dus moeilijk te begrijpen hoe meer vergaderingen tot een ander eindresultaat in de bestreden beschikking hadden kunnen leiden. Een onregelmatigheid kan slechts tot de nietigverklaring van de bestreden beschikking leiden voor zover zij verzoeksters recht van verweer en dus de inhoud van deze beschikking concreet aantast (zie in die zin arrest Hof van 10 juli 1980, Distillers Company/Commissie, 30/78, Jurispr. blz. 2229, punt 26). De grief kan dus niet slagen.

132 De grief betreft hoe dan ook althans gedeeltelijk de hierboven reeds onderzochte vraag of eerst op de vergadering van januari 2004 is gewezen op het probleem van de onbekende metaboliet en in het bijzonder op het wezenlijke karakter ervan voor de analyse van de milieurisico’s van endosulfan. Zoals hierboven opgemerkt, zijn verzoeksters lang vóór deze vergadering op de hoogte gesteld van de noodzaak de afbraakroute van endosulfan te beschrijven en van het belang ervan voor de risico-analyse. Zij waren dus in de gelegenheid onderzoeksresultaten ter verduidelijking van de afbraakroute in te dienen, maar zijn het oneens met de beoordelaars over de gevolgtrekkingen uit dat onderzoek, met name wat de relevantie van de metaboliet van endosulfansulfaat, de persistentie en de toxiciteit ervan betreft. Onenigheid ten gronde over de uit een bepaald onderzoek te trekken gevolgen levert evenwel geen bewijs op dat zij niet in de gelegenheid waren hun standpunt kenbaar te maken en kan niet als een aantasting van het recht van verweer van verzoeksters worden beschouwd.

133 Wat in de zesde plaats de grief van verzoeksters betreft dat zij wetenschappelijk bewijs hebben geleverd enerzijds dat de metaboliet van endosulfansulfaat het meest restrictieve relevantiecriterium van 10 % voor de metaboliet van de metaboliet niet overschreed en anderzijds dat deze in de bodem aangetroffen metaboliet van de metaboliet irrelevant was voor de beoordeling van de ecotoxicologie en van het milieugedrag van endosulfan omdat hij niet persistent en minder toxisch dan de werkzame stof zelf was, dient te worden vastgesteld dat verzoeksters in wezen stellen dat endosulfan in bijlage I bij richtlijn 91/414 had moeten worden opgenomen, omdat de conclusies van de beoordelaars over de relevantie van de metaboliet van de metaboliet van endosulfan onjuist waren. De onderhavige grief betwist de wetenschappelijke conclusies waarop de bestreden beschikking is gebaseerd. Deze grief is evenwel voor het eerst in repliek kenbaar gemaakt.

134 Uit artikel 44, lid 1, sub c, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat het inleidend verzoekschrift met name een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen dient te bevatten, en dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet ontvankelijk worden verklaard. Daarentegen moet een middel, dat niet kan worden geacht te steunen op juridische of feitelijke gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, niet-ontvankelijk worden verklaard. In deze omstandigheden belette namelijk niets verzoekers dit middel in het verzoekschrift voor te dragen (zie in die zin beschikking Hof van 13 november 2001, Dürbeck/Commissie, C‑430/00 P, Jurispr. blz. I‑8547, punten 17‑19).

135 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht over het argument van de Commissie dat de betwisting van de wetenschappelijke evaluatie aan de grondslag van de bestreden beschikking een nieuw niet in het verzoekschrift aangevoerd en dus niet-ontvankelijk argument is, stellen verzoeksters dat uit de in het verzoekschrift aangevoerde juridische redenen, met name schending van artikel 95, lid 3, EG, artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 en het beginsel van deskundigheid en onafhankelijkheid van wetenschappelijk advies, duidelijk valt te begrijpen dat zij de wetenschappelijke evaluatie aan de grondslag van de bestreden beschikking als onjuist beschouwden, in het bijzonder omdat daarbij niet met alle door hen verstrekte beschikbare gegevens rekening is gehouden. Voorts achten verzoeksters bij nader onderzoek van de betrokken wetenschappelijke vragen in repliek de feitelijke argumenten van de Commissie alleen te hebben betwist zonder nieuwe middelen tot nietigverklaring te hebben gesteld.

136 Wat het beroep op artikel 95, lid 3, EG, artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 en het beginsel van deskundigheid en onafhankelijkheid van wetenschappelijk advies in het verzoekschrift betreft, blijkt uit het in het kader van de middelen in het verzoekschrift gevoerde betoog onbetwistbaar dat zij de vraag betreffen of de Commissie in haar analyse gehouden was rekening te houden met de door verzoeksters na een uiterste datum ingediende onderzoeksresultaten; deze vraag gaat over de wijze waarop de Commissie de evaluatieprocedure heeft gevoerd, maar houdt geen betwisting ten gronde van haar conclusies in, ook al was uiteindelijk mogelijkerwijs een inhoudelijk andere beschikking tot stand gekomen indien rekening was gehouden met de geweigerde documenten. Het argument dat de grief van verzoeksters de in de loop van het geding aangevoerde feitelijke argumenten alleen betwist, kan evenmin slagen, want uit de repliek blijkt duidelijk dat verzoeksters via deze grief stellen dat de conclusie van de Commissie dat de afbraakroute van de werkzame stof niet duidelijk is en dat bij bodemdegradatie‑ en water/sedimentonderzoek en mesokosmosstudies onbekende metabolieten werden aangetroffen, op een feitelijk en wetenschappelijk onjuist uitgangspunt berust. Zoals hierboven gesteld, strekten de in het verzoekschrift aangevoerde middelen duidelijk tot betwisting van de wijze waarop de Commissie tot deze conclusie kwam, namelijk haar weigering rekening te houden met bepaald bewijs, en niet van de inhoud van deze conclusie.

137 In deze omstandigheden kan deze grief niet worden geacht alleen een voorheen gesteld middel uit te werken. Evenmin is aangetoond dat verzoeksters dit middel niet in het verzoekschrift konden aanvoeren. De grief dat de conclusies van de bestreden beschikking over de relevantie van de metabolieten van de metabolieten onjuist is, is dus niet-ontvankelijk.

138 Partijen zijn het hoe dan ook duidelijk oneens over de wetenschappelijke conclusies van het onderzoek van verzoeksters.

139 Over de vraag of de metaboliet van endosulfansulfaat de relevantiedrempel bereikt, stellen verzoeksters dat de onbekende secondaire metaboliet 17 % van de primaire metaboliet endosulfansulfaat vertegenwoordigt, die 13,4 % van de moederstof endosulfan vertegenwoordigt zodat de secundaire metaboliet slechts 2,3 % van de moederstof endosulfan vertegenwoordigt. De Commissie en het Koninkrijk Spanje betwisten deze berekeningen niet, maar achten, zoals hierboven uiteengezet, metabolieten onder de grens van 10 % van de moederstof endosulfan als relevant te mogen beschouwen.

140 De persistentie van de metaboliet van endosulfansulfaat wordt hoofdzakelijk getoetst aan zijn vermogen zich om te zetten in CO2 (mineralisatie) en de vaststelling van het ontbindingspercentage ervan op 50 % en 90 %. Volgens verzoeksters blijkt uit in mei 2002 ingediende onderzoeksresultaten dat endosulfansulfaat op een jaar 35 % ontbindt, dus een ontbindingspercentage van 9,5 % op 100 dagen. Verzoeksters stellen dat de relevante richtsnoeren van de Commissie een hoger mineralisatiepercentage dan 5 % op 100 dagen vereisen zodat duidelijk is voldaan aan dit criterium. Het Koninkrijk Spanje stelt dat de mineralisatie van endosulfan in de bodem blijkens het betrokken onderzoek waarschijnlijk minder dan 5 % bedraagt. De gemiddelde levensduur van endosulfansulfaat (ontbindingspercentage van 50 %) schommelt tussen 123 en 391 dagen en de mineralisatie op 120 dagen tussen 1,01 en 13,08 %. De gemiddelde mineralisatie van endosulfansulfaat komt overeen met die van endosulfan. Daaruit kan dus worden geconcludeerd dat endosulfan afbreekt tot endosulfansulfaat en dat de mineralisatie van endosulfansulfaat schommelt tussen 1,01 en 13,8 % op 120 dagen en 5 % en 35 % op 365 dagen naar gelang het soort bodem. Geen enkele van de in de vorige proeven ontdekte en geïdentificeerde metabolieten is in dit onderzoek vastgesteld. Er is evenwel een metaboliet op niveaus boven 10 % van de toegepaste radioactiviteit. Alle proeven met het oog op de identificatie van deze metaboliet mislukten, maar de structuur ervan komt vermoedelijk overeen met die van de metabolieten dicarbonzuur of dihydrodiol. De identificatie van deze metaboliet is onmisbaar voor de vaststelling van de afbraakroute van endosulfan en de definitie van het voor het onderzoek van de verspreiding op het terrein te gebruiken residu.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in