Gerecht EU 27 november 2007, T-3/00, ECLI:EU:T:2007:357
Tekst
Gevoegde zaken T‑3/00 en T‑337/04
Athanasios Pitsiorlas
tegen
Raad van de Europese Unie en Europese Centrale Bank (ECB)
„Toegang tot documenten – ‚Bazel-Nyborg’-akkoord – Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Motivering – Exceptie van onwettigheid – Besluit 93/731/EG – Reglement van orde van Europese Centrale Bank – Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap voor onwettig gedrag van haar organen – Schade – Causaal verband”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Begrip – Handelingen die bindende rechtsgevolgen sorteren
(Art. 230 EG)
2. Raad – Recht van toegang van publiek tot documenten van Raad – Besluit 93/731
(Besluit 93/731 van de Raad)
3. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Recht van toegang van publiek tot documenten
(Art. 110 EG en 255 EG)
4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang
(Art. 253 EG)
5. Beroep tot schadevergoeding – Zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van beroep tot nietigverklaring
1. Het feit dat een gemeenschapsinstelling iemand in antwoord op zijn verzoek een brief zendt, is niet voldoende om die brief aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 230 EG, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat. Als voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG vatbare handelingen of beschikkingen zijn enkel te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
Wanneer echter, in antwoord op een op basis van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank ingediend verzoek om toegang tot documenten, het besluit van de raad van bestuur tot afwijzing van dit verzoek om toegang, ten aanzien van de verzoeker pas daadwerkelijk officieel is geworden door de kennisgeving van dit besluit, moet de vordering van de verzoeker tot nietigverklaring van de kennisgevingsbrief aldus worden opgevat dat daarmee de nietigverklaring wordt gevorderd van dat besluit, zoals dit hem middels die brief ter kennis is gebracht.
(cf. punten 58, 63, 65)
2. Uit de formulering van artikel 1 van besluit 93/731 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad volgt dat, wil de Raad aan een verzoek om toegang kunnen voldoen, uiteraard niet alleen vereist is dat de in het verzoek bedoelde documenten bestaan, maar ook dat zij in het bezit van de instelling zijn.
Overeenkomstig het vermoeden van wettigheid van communautaire handelingen wordt aangenomen dat een document waartoe om toegang is verzocht, niet bestaat indien de betrokken instelling dit verklaart. Dit is evenwel een louter vermoeden, dat verzoeker met alle middelen op basis van relevante en onderling overeenstemmende bewijzen kan weerleggen.
(cf. punten 131, 140)
3. De grondrechten kunnen niet worden beschouwd als absolute prerogatieven en het is gerechtvaardigd om met betrekking tot deze rechten het voorbehoud te maken dat bepaalde grenzen, die hun rechtvaardiging vinden in de doelstellingen van algemeen belang welke de Gemeenschap nastreeft, in acht moeten worden genomen, zolang aan het wezen van die rechten geen afbreuk wordt gedaan.
Wat betreft het recht van toegang tot de documenten van de communautaire overheid, met inbegrip van de Europese Centrale Bank (ECB), gesteld al dat dit recht kan worden beschouwd als een door de communautaire rechtsorde als algemeen rechtsbeginsel beschermd grondrecht, kan het gerechtvaardigd zijn, dit recht te beperken in verband met de bescherming van openbare of particuliere belangen.
De beperkingen van de toegang tot documenten die in het bezit zijn van de ECB, die onder meer voortvloeien uit artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, dat onder meer voorziet in een vertrouwelijkheidstermijn van 30 jaar voor documenten die in het archief van het comité van presidenten worden bewaard, houden verband met de taken die aan de ECB zijn opgedragen door het Verdrag, waarvan de auteurs duidelijk hebben willen garanderen dat zij zich daarvan op onafhankelijke wijze zou kunnen kwijten. Deze uitlegging wordt bevestigd door lezing van artikel 110 EG en artikel 255 EG, in hun onderling verband, waaruit volgt dat de ECB van de werking van deze laatste bepaling wordt uitgesloten, alsook dat de ECB ten opzichte van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wat de toegang tot documenten betreft een bijzondere behandeling krijgt.
Aldus is de bescherming van het openbaar belang verband houdend met het monetair beleid in de Gemeenschap, een grond die de beperking van het recht van toegang tot documenten die in het bezit zijn van de communautaire overheid, dat wordt gezien als een grondrecht, kan rechtvaardigen.
(cf. punten 221‑223, 228-229, 231-232)
4. De door artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden in staat worden gesteld om de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel te kennen, en de bevoegde rechter om zijn toezicht uit te oefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
De instelling tot welke een verzoek om toegang tot documenten is gericht, moet in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengen dat zij is overgegaan tot een concrete beoordeling van de documenten waartoe om toegang is verzocht. Een beslissing die zich niet beroept op enige bijzondere noodzaak of motief van bescherming met betrekking tot die documenten, en al helemaal geen uitleg geeft, hoe beknopt ook, waarom zij weigert de inhoud van die documenten bekend te maken, op basis waarvan de realiteit van de noodzaak van bescherming valt te begrijpen en te verifiëren, voldoet niet aan deze eisen en moet dus nietig worden verklaard.
Voorts moet de motivering in de beslissing zelf staan en, wanneer in het besluit een aanzet tot motivering wordt gegeven, mag deze niet pas achteraf worden uitgewerkt en toegelicht voor de gemeenschapsrechter, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, waarvan geen sprake is in een geval waarin er geen sprake is van spoedeisendheid en de betrokken autoriteit slechts één beslissing behoefde te nemen.
(cf. punten 261, 263, 267, 269, 278-279)
5. Het beroep tot schadevergoeding is een zelfstandige rechtsgang, die binnen het stelsel van de beroepsmogelijkheden zijn eigen functie heeft en waarvoor voorwaarden gelden die verband houden met zijn specifieke doel. Terwijl het beroep tot nietigverklaring en het beroep wegens nalaten ertoe strekken de onrechtmatigheid van een juridisch bindende handeling of het ontbreken van een dergelijke handeling te bestraffen, beoogt het beroep tot schadevergoeding de vergoeding van schade die het gevolg is van een aan een communautaire instelling of een communautair orgaan toe te rekenen onrechtmatige handeling of handelwijze.
Wanneer een verzoeker, na beroep tot nietigverklaring te hebben ingesteld, een schadevordering instelt, waaruit duidelijk blijkt dat de aan de verwerende instellingen verweten onwettigheid precies bestaat in het nemen van de besluiten die verzoeker nietig verklaard wil zien, en hij in het kader van zijn schadevordering en ten bewijze van het onwettig gedrag van verweerders een betoog houdt dat ten dele identiek is aan zijn betoog tot nietigverklaring van de in geding zijnde handelingen, staat het beginsel van de autonomie van de verschillende beroepswegen eraan in de weg dat alle in het kader van het beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schadevergoeding aangevoerde onwettigheidsmiddelen gelijktijdig worden beoordeeld, gelet op de uiteenlopende consequenties van de beslissingen waarbij die beroepen gegrond zouden worden verklaard. Zo leidt de gegrondverklaring van een beroep tot nietigverklaring tot de verdwijning van de aangevochten handeling uit de communautaire rechtsorde, terwijl na het slagen van een beroep tot schadevergoeding alleen de door die handeling veroorzaakte schade wordt hersteld, zonder dat de handeling zelf van rechtswege komt te vervallen.
De voeging van zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest doet aan deze conclusie niet af, daar de voegingsbeschikking geen gevolg heeft voor de onafhankelijkheid en de autonome aard van de betrokken zaken, en het altijd mogelijk is bij beschikking de voeging ongedaan te maken.
(cf. punten 280‑281, 283-285)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
27 november 2007 (*)
„Toegang tot documenten – ‚Bazel-Nyborg’-akkoord – Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Motivering – Exceptie van onwettigheid – Besluit 93/731/EG – Reglement van orde van Europese Centrale Bank – Schadevordering – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap voor onwettig gedrag van haar organen – Schade – Causaal verband”
In de gevoegde zaken T‑3/00 en T‑337/04,
Athanasios Pitsiorlas, wonende te Thessaloniki (Griekenland), vertegenwoordigd door D. Papafilippou, advocaat,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Bauer, S. Kyriakopoulou en D. Zachariou, vervolgens door M. Bauer en D. Zachariou als gemachtigden,
en
Europese Centrale Bank (ECB), in zaak T‑3/00 aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Zilioli, C. Kroppenstedt en P. Vospernik, vervolgens door C. Zilioli, C. Kroppenstedt, F. Athanasiou en S. Vuorensola, en ten slotte door C. Zilioli, C. Kroppenstedt en F. Athanasiou, in zaak T‑337/04 vertegenwoordigd door C. Kroppenstedt, F. Athanasiou en P. Papapaschalis als gemachtigden,
verweerders,
houdende in de eerste plaats een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten van de Raad en de Europese Centrale Bank tot afwijzing van verzoekers aanvragen om toegang tot de documenten betreffende het „Bazel-Nyborg”-akkoord van september 1987, en in de tweede plaats een verzoek tot schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. E. Martins Ribeiro en K. Jürimäe, rechters,
griffier: C. Kantza, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 maart 2007,
het navolgende
Arrest
Juridische context
1 De artikelen 104 en 105 EEG-Verdrag luidden aanvankelijk als volgt:
„Artikel 104
Iedere lidstaat voert het economisch beleid, dat noodzakelijk is om het evenwicht van zijn betalingsbalans in haar geheel te verzekeren en het vertrouwen in zijn valuta te handhaven, waarbij hij zorg draagt voor een hoge graad van werkgelegenheid en voor een stabiel prijspeil.
Artikel 105
1. Teneinde de verwezenlijking van de in artikel 104 vermelde doeleinden te vergemakkelijken, coördineren de lidstaten hun economisch beleid. Zij brengen te dien einde een samenwerking tot stand tussen hun bevoegde dienstvakken en tussen hun centrale banken.
[...]
2. Teneinde de coördinatie van het monetair beleid der lidstaten in de volle omvang, die nodig is voor de werking van de gemeenschappelijke markt, te bevorderen, wordt een Monetair Comité van raadgevende aard ingesteld, dat tot taak heeft:
– de monetaire en financiële toestand van de lidstaten en van de Gemeenschap alsmede de algemene regeling van het betalingsverkeer der lidstaten te volgen en ter zake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag te doen,
– hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij eigener beweging adviezen aan deze instellingen uit te brengen.
De lidstaten en de Commissie benoemen ieder twee leden van het Monetair Comité.”
2 Gezien dit artikel 105, lid 2, en artikel 153 EEG-Verdrag (nadien artikel 153 EG-Verdrag, thans artikel 209 EG), dat de Raad opdraagt het statuut van de in het EEG-Verdrag bedoelde comités vast te stellen, heeft de Raad bij besluit van 18 maart 1958 het statuut van het Monetair Comité vastgesteld (PB 1958, 17, blz. 390).
3 Op 8 mei 1964 heeft de Raad besluit 64/300/EEG betreffende de samenwerking tussen de centrale banken van de lidstaten der Europese Economische Gemeenschap (PB 77, blz. 1206) vastgesteld. Conform artikel 1 van dit besluit wordt, teneinde de samenwerking tussen de centrale banken van de lidstaten te bevorderen, een comité van presidenten van de centrale banken van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap, hierna genoemd het „comité van presidenten”, ingesteld. Artikel 2 van dit besluit bepaalt onder meer dat lid van dit comité zijn de presidenten van de centrale banken van de lidstaten, en dat de Commissie in het algemeen wordt uitgenodigd zich door een van haar leden op de zittingen van dit comité te doen vertegenwoordigen. Volgens artikel 3 van dit besluit ten slotte heeft het comité van presidenten onder meer tot taak „overleg te plegen omtrent de algemene beginselen en de hoofdlijnen van het beleid van de centrale banken, met name op het gebied van het kredietwezen, de geldmarkt en de valutamarkt” en „regelmatig inlichtingen uit te wisselen over de voornaamste maatregelen die tot de bevoegdheid van de centrale banken behoren en deze maatregelen te bestuderen”.
4 Op 3 april 1973 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 907/73 tot oprichting van een Europees Fonds voor monetaire samenwerking (PB L 89, blz. 2) vastgesteld. Overeenkomstig artikel 2 van deze verordening draagt het Europees Fonds voor monetaire samenwerking (EFMS) binnen het kader van zijn bevoegdheden zorg voor het bevorderen van „de goede werking van het systeem van geleidelijke vernauwing van de fluctuatiemarges tussen de communautaire valuta’s”, „de interventies in communautaire valuta’s op de wisselmarkten”, en „verrekeningen tussen centrale banken met het oog op een gecoördineerd reservebeleid”.
5 In artikel 1, eerste alinea, van de statuten van het EFMS, als bijlage bij deze verordening gevoegd, staat dat het EFMS wordt bestuurd en beheerd door een raad van bestuur, en dat de leden van deze raad van bestuur de leden van het comité van presidenten zijn.
6 In juni 1988 bevestigde de Raad het streven naar een gefaseerde invoering van de Economische en Monetaire Unie (hierna: „EMU”).
7 De taken van het comité van presidenten zijn verruimd bij besluit 90/142/EEG van de Raad van 12 maart 1990 tot wijziging van besluit 64/300 (PB L 78, blz. 25). Daarin is vastgelegd dat het comité van presidenten adviezen kan uitbrengen aan afzonderlijke regeringen en de Raad „over beleidslijnen die de interne en externe monetaire situatie in de Gemeenschap en met name de werking van het Europees Monetair Stelsel kunnen beïnvloeden”.
8 De eerste fase van de totstandkoming van de EMU is officieel ingegaan op 1 juli 1990.
9 Blijkens artikel 109 E EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 116 EG) is de tweede fase van de totstandbrenging van de EMU begonnen op 1 januari 1994.
10 Artikel 109 F, lid 1, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 117 EG), bepaalt: „Aan het begin van de tweede fase wordt een Europees Monetair Instituut (hierna ‚EMI’ te noemen) opgericht en vangt het zijn taken aan”. Volgens de vierde alinea, thans ingetrokken, van deze bepaling „wordt het Comité van Presidenten ontbonden aan het begin van de tweede fase”.
11 Ingevolge artikel 1, lid 3, van het protocol betreffende de statuten van het Europees Monetair Instituut (EMI), in bijlage bij het EU-Verdrag, worden „[o]vereenkomstig artikel 109 F van het [EG-]Verdrag [...] het Comité van Presidenten en het Europees Fonds voor monetaire samenwerking (EFMS) ontbonden” en gaan alle activa en passiva van het EFMS automatisch over naar het EMI. Volgens artikel 4, lid 1, eerste streepje, van dit protocol heeft het EMI tot taak „de samenwerking tussen de nationale centrale banken te versterken”, en volgens het vijfde streepje neemt het EMI „de taken van het EFMS over”.
12 Artikel 123, lid 1, EG, bepaalt: „Zodra de directie is benoemd, worden het [Europees Stelsel van centrale banken] en de [Europese Centrale Bank] opgericht”, en „de volledige uitoefening van hun bevoegdheden vangt aan op de eerste dag van de derde fase”.
13 Op 26 mei 1998 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten in onderlinge overeenstemming besluit 98/345/EG genomen betreffende de benoeming van de president van de Europese Centrale Bank, de vice-president en de andere leden van de directie (PB L 154, blz. 33). Door dit besluit is ingevolge artikel 123, lid 1, EG de datum van oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de Europese Centrale Bank (ECB) bepaald op 1 juni 1998.
14 Daarmee heeft de ECB dus per 1 juni 1998 het EMI opgevolgd in het kader van de overgang naar de derde fase van de EMU, die is ingegaan op 1 januari 1999.
15 Ingevolge artikel 114, lid 2, EG wordt „[a]an het begin van de derde fase [...] een Economisch en Financieel Comité ingesteld” en wordt „het Monetair Comité [...] ontbonden”.
16 Overeenkomstig artikel 8 EG handelen het ESCB en de ECB binnen de grenzen van de bevoegdheden die hun door het EG-Verdrag en de daaraan gehechte statuten van het ESCB en van de ECB (hierna: „statuten van het ESCB”) worden verleend.
17 Volgens artikel 105 EG zijn de via het ESCB uit te voeren fundamentele taken het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Gemeenschap, het verrichten van valutamarktoperaties, het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten en het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer, met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit. De ECB stelt verordeningen vast en geeft de beschikkingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van het ESCB (artikel 110 EG).
18 In artikel 107, leden 1 en 3, EG is bepaald dat het ESCB „bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken” en „wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de ECB, te weten de raad van bestuur en de directie”.
19 Artikel 112 EG bepaalt:
„1. De raad van bestuur van de ECB bestaat uit de leden van de directie van de ECB en de presidenten van de nationale centrale banken.
2. a) De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden.
[...]”
20 Volgens artikel 10, lid 4, van de statuten van het ESCB zijn de besprekingen van de vergaderingen van de raad van bestuur vertrouwelijk en kan deze raad besluiten het resultaat van zijn beraadslagingen openbaar te maken.
21 Overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB neemt „de raad van bestuur [...] een reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen wordt geregeld”. De ECB heeft haar reglement van orde aangenomen op 7 juli 1998 (PB L 338, blz. 28), gewijzigd op 22 april 1999 (PB L 125, blz. 34) en 7 oktober 1999 (PB L 314, blz. 32).
22 Artikel 23 van het reglement van orde van de ECB, getiteld „Vertrouwelijkheid van en toegang tot ECB-documenten en ‑archieven”, luidt in de versie na de wijziging van 22 april 1999, die de ten tijde van de feiten geldende versie is:
„23.1. De handelingen van de besluitvormende organen van de ECB en van alle door hen opgerichte comités of groepen, zijn vertrouwelijk, tenzij de raad van bestuur de president machtigt om het resultaat van de beraadslagingen openbaar te maken.
23.2. Alle door de ECB opgestelde documenten zijn vertrouwelijk, tenzij de raad van bestuur anders beslist. De toegang tot de documentatie en archieven van de ECB, alsmede tot documenten eerder bewaard in de archieven van het EMI, wordt bepaald door het besluit van de [ECB] van 3 november 1998 inzake toegang van het publiek tot de documentatie en archieven van de [ECB] (ECB/1998/12).
23.3. Na dertig jaar zijn documenten die worden bewaard in de archieven van het comité van presidenten [...], van het EMI en van de ECB, vrij toegankelijk. In bijzondere gevallen kan de raad van bestuur deze periode verkorten.”
Feiten van het geschil
23 Bij brief van 6 april 1999, ontvangen door het secretariaat-generaal van de Raad op 9 april 1999, heeft verzoeker, die destijds werkte aan een rechtsgeleerd proefschrift aan de universiteit van Thessaloniki (Griekenland), krachtens besluit 93/731/EG van de Raad van 20 december 1993 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad (PB L 340, blz. 43), zoals gewijzigd bij besluit 96/705/Euratom, EGKS, EG van de Raad van 6 december 1996 (PB L 325, blz. 19), een verzoek ingediend om toegang te krijgen tot het „Bazel-Nyborg”-akkoord ter versterking van het Europees Monetair Stelsel (EMS), goedgekeurd tijdens de vergadering van de informele Raad van ministers van Economische Zaken en Financiën van 12 september 1987 in Nyborg (Denemarken).
24 In zijn brief van 11 mei 1999, ter kennis van verzoeker gebracht op 15 mei 1999, heeft het secretariaat-generaal van de Raad hem het volgende antwoord gegeven:
„Het secretariaat-generaal heeft uw verzoek aandachtig bestudeerd, maar uit het feit dat het document niet kon worden gevonden, leid ik af dat het hoogstwaarschijnlijk gaat om een document van de ECB. U kunt zich dan ook beter rechtstreeks tot laatstgenoemde wenden [...]”
25 Bij brief van 8 juni 1999, ingeschreven bij het secretariaat-generaal van de Raad op 10 juni 1999, diende verzoeker een confirmatief verzoek in krachtens artikel 7, lid 1, van besluit 93/731.
26 Bij brief van 28 juni 1999 aan de directeur Externe betrekkingen van de ECB verzocht verzoeker krachtens besluit 1999/284/EG van de ECB van 3 november 1998 inzake toegang van het publiek tot de documentatie en archieven van de Europese Centrale Bank (PB 1999, L 110, blz. 30) om toegang tot het document betreffende het „Bazel-Nyborg”-akkoord.
27 Bij brief van 5 juli 1999 deelde het secretariaat-generaal van de Raad verzoeker mee dat het niet mogelijk was binnen de door artikel 7, lid 3, van besluit 93/731 gestelde termijn van een maand een besluit te nemen, en dat daarom was besloten deze termijn te verlengen krachtens artikel 7, lid 5, van dit besluit.
28 Bij brief van 6 juli 1999, ter kennis van verzoeker gebracht op 12 juli 1999, stuurde de directeur Externe betrekkingen van de ECB verzoeker een perscommuniqué van 18 september 1987 van de raad van bestuur en het EFMS toe, waarin de maatregelen werden beschreven die waren overeengekomen ter versterking van het EMS. In deze brief werd uiteengezet dat de documenten van het comité van presidenten niet onder besluit 1999/284 vielen maar onder artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, waarin onder meer was bepaald dat de documenten van het comité van presidenten na 30 jaar vrij toegankelijk zouden zijn.
29 Op 27 juli 1999 verzocht verzoeker de ECB schriftelijk om een nieuw onderzoek op basis van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, op grond waarvan de raad van bestuur de vertrouwelijkheidstermijn van 30 jaar in bijzondere gevallen kan verkorten. Verzoeker merkte daarbij op dat zijn onderzoek zonder meer tot de „bijzondere gevallen” kon worden gerekend waarvan in dit artikel sprake is.
30 Bij brief van 2 augustus 1999, ter kennis van verzoeker gebracht op 8 augustus 1999, bracht het secretariaat-generaal van de raad verzoeker op de hoogte van het besluit van de raad van 30 juli 1999 houdende afwijzing van zijn confirmatief verzoek. Dit besluit luidde als volgt:
„Door de Raad goedgekeurd antwoord op het confirmatief verzoek van A. Pitsiorlas (1/99), bij de Raad ingediend bij brief van 8 juni 1999, ingeschreven bij het secretariaat-generaal van de Raad op 10 juni 1999, krachtens artikel 7, lid 1, van besluit 93/731 van de Raad, om toegang tot het document:
het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord (september 1987).
Na een grondig onderzoek hebben wij vastgesteld dat het in uw verzoek genoemde document betrekking heeft op het ‚verslag van het comité van presidenten inzake de versterking van het EMS’, dat het comité van presidenten [...] in Nyborg op 8 september 1987 heeft gepubliceerd.
De regels betreffende de administratieve werking van het EMS hebben nooit deel uitgemaakt van het gemeenschapsrecht; bijgevolg heeft de Raad dienaangaande nog nooit een besluit moeten nemen.
Aangezien het gevraagde document is opgesteld door de presidenten van de centrale banken, verzoeken wij u uw verzoek rechtstreeks tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB te richten ingevolge artikel 2, lid 2, van dit besluit.”
31 Op 8 november 1999 stuurde de directeur Externe betrekkingen van de ECB verzoeker een brief, door hem ontvangen op 13 november 1999, met de volgende inhoud:
„Onze dank voor uw brief waarin u verzoekt om toegang tot het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord van september 1987; tot onze spijt heeft de beantwoording daarvan enige vertraging opgelopen, doordat uw verzoek hier is binnengekomen in de zomer, wanneer er geen vergaderingen van de raad van bestuur worden gehouden.
Uw specifieke verzoek om toegang tot het archief van het comité van presidenten is door de raad van bestuur van de ECB nader onderzocht. Daarbij is overwogen dat het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord eigenlijk niet één document is, in de vorm van een akkoord tussen de partijen, maar bestaat uit verslagen en notulen, opgesteld door zowel het comité van presidenten als het monetair comité.
De raad van bestuur heeft tevens opgemerkt dat een zeer uitvoerig perscommuniqué ter zake is uitgegaan op 18 september 1987 en dat dit communiqué u is toegezonden als bijlage bij de brief van 6 juli 1999. In dit communiqué werden alle punten van het tussen de presidenten van de centrale banken bereikte akkoord uitvoerig uiteengezet. De aldus in het akkoord inzake het EMS van 13 maart 1979 aangebrachte wijzigingen (zie de laatste alinea van het perscommuniqué) zijn uitgewerkt in het Instrument van 10 november 1987, waarvan kopie bij deze brief is gevoegd.
Op grond van deze overwegingen heeft de raad van bestuur besloten, geen toegang te verlenen tot het archief van het comité van presidenten.
Aangezien u reeds over alle essentiële informatie over het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord beschikt, ben ik ervan overtuigd dat uw onderzoek desondanks voorspoedig zal kunnen verlopen en worden afgerond.”
Procesverloop en conclusies van partijen
32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 januari 2000 (zaak T‑3/00), heeft verzoeker beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van de Raad en tegen de brieven van de ECB van 6 juli en 8 november 1999.
33 Bij brief van 10 januari 2000 diende verzoeker een verzoek in om kosteloze rechtsbijstand. Dit verzoek werd afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 8 mei 2000.
34 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op 11 april 2000 ter griffie van het Gerecht, heeft de Raad krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarover verzoeker op 29 juni 2000 opmerkingen heeft gemaakt.
35 Bij beschikking van 14 februari 2001 heeft de Eerste kamer dit beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het was gericht tegen het besluit van de Raad, en verzoeker verwezen in de kosten.
36 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 mei 2001, heeft verzoeker krachtens artikel 49 van het Statuut van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van 14 februari 2001 (zaak C‑193/01 P).
37 Bij beschikking van 17 april 2002 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van het arrest van het Hof.
38 Bij arrest van 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en BCE (C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837; hierna: „arrest Pitsiorlas”), heeft het Hof de beschikking van het Gerecht vernietigd voor zover daarbij het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Raad niet-ontvankelijk was verklaard, de door de Raad in het kader van het onderhavige beroep opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen, de zaak naar het Gerecht verwezen voor afdoening, en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
39 Overeenkomstig artikel 119, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering is de schriftelijke behandeling hervat in de stand waarin zij zich bevond.
40 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 juli 2004 (zaak T‑337/04), heeft verzoeker beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen de Raad en de ECB.
41 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 13 september 2004 is de rechter-rapporteur als kamerpresident toegevoegd aan de Vijfde kamer. Bijgevolg is de onderhavige zaak aan die kamer toegewezen.
42 Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 26 april 2005 zijn de zaken T‑3/00 en T‑337/04 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
43 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten, in beide zaken tot de mondelinge behandeling over te gaan en bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang, verweerders enkele vragen te stellen alsook hun te verzoeken, bepaalde documenten over te leggen.
44 Bij brieven, ingekomen ter griffie op 15 en 16 maart 2007, hebben de ECB en de Raad deze vragen beantwoord en de gevraagde documenten overgelegd.
45 Bij brieven, ingekomen ter griffie op 16 en 21 maart 2007, heeft verzoeker nieuwe stukken ingediend betreffende zijn fiscale situatie, alsook opmerkingen gemaakt over de inhoud van het rapport ter terechtzitting.
46 Verzoeker is niet verschenen ter terechtzitting van 29 maart 2007, en alleen de pleidooien van verweerders en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht zijn gehoord.
A – Conclusies in zaak T‑3/00
47 In zijn verzoekschrift vordert verzoeker:
– ontvankelijkverklaring van het beroep;
– nietigverklaring van het besluit van de Raad;
– nietigverklaring van de brieven van de ECB van 6 juli en 8 november 1999;
– gelasting van de maatregelen van instructie die nodig zijn om op te helderen in welke omstandigheden de besluiten van de Raad en de ECB zijn genomen;
– verwijzing van de Raad en de ECB in de kosten.
48 In repliek vordert verzoeker voorts dat:
– de maatregelen van instructie worden genomen die nodig zijn om vast te stellen wanneer, onder welke voorwaarden en in het kader van welke rechtsverhouding, dan wel op grond van welke overeenkomst, de ECB in het bezit is gekomen van het verslag van het monetair comité, getiteld „De versterking van het EMS – Verslag van de voorzitter van het monetair comité tijdens de vergadering van de informele Raad van ministers van Economische Zaken en Financiën” van 12 september 1987, dat zich in het archief van het comité van presidenten bevindt;
– de ECB wordt gelast om de notulen over te leggen van de vergadering van de raad van bestuur van 21 oktober 1999, of van eventuele andere data, teneinde te kunnen vaststellen hoe zijn verzoek is afgehandeld en de voorwaarden waaronder de brief van het ECB van 8 november 1999 tot stand is gekomen;
– de ECB wordt verzocht, statistische gegevens te verstrekken met betrekking tot de toegang tot haar documenten tussen 1 juni 1998 en 31 mei 2000;
– de Raad wordt verwezen in de kosten van beide instanties (met inbegrip van de kosten in zaak C‑193/01 P).
49 De Raad vordert:
– ongegrondverklaring van het beroep;
– verwijzing van verzoeker in de kosten, met inbegrip van de kosten in zaak C‑193/01 P.
50 De ECB vordert:
– niet-ontvankelijk‑, subsidiair ongegrondverklaring van het beroep;
– verwijzing van verzoeker in de kosten.
B – Conclusies in zaak T‑337/04
51 Verzoeker vordert:
– hoofdelijke veroordeling van verweerders tot betaling van een materiële schadevergoeding tot een bedrag bestaande uit het salaris voor een met zijn kwalificaties overeenkomende functie bij de ECB van april 2001 tot drie maanden na de uitspraak van het Gerecht, mits deze gunstig is, onder aftrek van zijn inkomsten als advocaat in die periode, en een immateriële schadevergoeding van 90 000 EUR, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betekening van het beroep;
– verwijzing van verweerders in de kosten en de „buitengerechtelijke kosten”.
52 De Raad vordert:
– ongegrondverklaring van het beroep;
– verwijzing van verzoeker in de kosten.
53 De ECB vordert:
– ongegrondverklaring van het beroep en alle daarin gemaakte aanspraken;
– verwijzing van verzoeker in de kosten.
Het beroep tot nietigverklaring
A – Ontvankelijkheid
54 De ECB voert verschillende middelen aan ten betoge dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is, voor zover dit is gericht tegen haar brieven van 6 juli en 8 november 1999.
1. Het bestaan van voor beroep vatbare handelingen
55 De ECB stelt in de eerste plaats dat haar brief aan verzoeker van 6 juli 1999 niet het karakter heeft van een beschikking.
56 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat handelingen en nalatigheden van de ECB krachtens artikel 35, lid 1, van de ESCB-statuten in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in het EG-Verdrag aan toetsing en uitlegging door de gemeenschapsrechter onderworpen zijn; voor geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden geldt de specifieke regeling van artikel 36, lid 2, van de ESCB-statuten. Daar het onderhavige beroep tot nietigverklaring niet een geschil tussen de ECB en haar personeelsleden betreft, moet de ontvankelijkheid ervan worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 230 EG, waarnaar artikel 35, lid 1, van de ESCB-statuten verwijst (beschikking Gerecht van 18 april 2002, IPSO en USE/ECB, T‑238/00, Jurispr. blz. II‑2237, punt 43).
57 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste drie alinea’s van dat artikel genoemde voorwaarden beroep instellen tegen „de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen, die hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
58 Volgens de rechtspraak is het feit dat een gemeenschapsinstelling iemand in antwoord op zijn verzoek een brief zendt, niet voldoende om die brief aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 230 EG, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat (zie arrest Gerecht van 28 oktober 1993, Zunis Holding e.a./Commissie, T‑83/92, Jurispr. blz. II‑1169, punt 30, en aangehaalde rechtspraak). Als voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG vatbare handelingen of beschikkingen zijn enkel te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punt 62, en arrest Gerecht van 22 maart 2000, Coca Cola/Commissie, T‑125/97 en T‑127/97, Jurispr. blz. II‑1733, punt 77).
59 In casu staat allereerst vast dat de ECB, na de ontvangst van een op besluit 1999/284 gebaseerd verzoek van verzoeker om toegang tot het „Bazel-Nyborg”-akkoord, bij brief van 6 juli 1999 aan betrokkene heeft laten weten dat de documenten van het comité van presidenten niet onder besluit 1999/284 vielen maar onder artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, waarin onder meer is bepaald dat de documenten van het comité van presidenten na 30 jaar vrij toegankelijk zijn.
60 De ECB heeft in haar brief van 6 juli 1999 dus alleen aangegeven welke regeling van toepassing was op verzoekers verzoek om overlegging van documenten, waarop deze overigens de aanwijzingen van de ECB heeft opgevolgd en bij de ECB een nieuw verzoek om toegang heeft ingediend, ditmaal op basis van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB.
61 Zoals verzoeker zelf erkent, heeft de brief van 6 juli 1999 een zuiver informatief karakter en is zij geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG. Voor zover het beroep de nietigverklaring van deze brief betreft, moet het dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
62 De ECB geeft in de tweede plaats aan dat de brief van 8 november 1999, waarvan verzoeker eveneens nietigverklaring vordert, tot doel had, hem in kennis te stellen van de beslissing van de raad van bestuur van 21 oktober 1999 om hem geen toegang te verlenen tot het archief van het comité van presidenten.
63 Het Gerecht merkt op dat de brief van 8 november 1999 het enige door verzoeker ontvangen stuk is waarin antwoord wordt gegeven op zijn op artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB gebaseerde verzoek, en dat daarin weliswaar wordt meegedeeld dat de „raad van bestuur [had] besloten” om verzoeker geen toegang te verlenen tot het archief van het comité van presidenten, maar niet de precieze datum wordt genoemd waarop die beslissing is genomen; 21 oktober 1999 als datum wordt door de ECB pas genoemd in haar verweerschrift.
64 In antwoord op een verzoek van het Gerecht heeft de ECB verschillende documenten overgelegd waaruit het bestaan van het besluit blijkt, met name een samenvatting van de notulen van de negenentwintigste vergadering van de raad van bestuur van 21 oktober 1999.
65 Derhalve moet worden vastgesteld dat het besluit van de raad van bestuur van 21 oktober 1999 tot afwijzing van verzoekers verzoek om toegang, ten aanzien van verzoeker pas daadwerkelijk officieel is geworden door de kennisgeving van dit besluit, en dat verzoekers vordering derhalve aldus moet worden opgevat dat daarmee de nietigverklaring wordt gevorderd van dat besluit, zoals dit hem ter kennis is gebracht op 8 november 1999.
66 Opgemerkt zij voorts dat de ECB, na niet-ontvankelijkverklaring van het beroep te hebben gevorderd op grond dat het besluit van de raad van bestuur van 21 oktober 1999 een handeling was van algemene strekking waartegen verzoeker niet kon opkomen, ter terechtzitting heeft erkend dat de in geding zijnde maatregel een individueel karakter had en haar vordering tot niet-ontvankelijkverklaring heeft ingetrokken, hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
67 Daar het beroep op niet-ontvankelijkheid, op grond dat de verzoekende partij geen procesbevoegdheid heeft, een middel van openbare orde is dat de gemeenschapsrechter ambtshalve kan en zelfs moet onderzoeken (arrest Hof van 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑298/00 P, Jurispr. blz. I‑4087, punt 35), wijst het Gerecht erop dat de raad van bestuur ingevolge artikel 12, lid 3, van de statuten van de ECB op 7 juli 1998 ter bevordering van het intern functioneren van de ECB in het belang van een behoorlijk bestuur, een reglement van orde heeft aangenomen dat een artikel 23 bevat, in de versie zoals gewijzigd op 22 april 1999 getiteld „Vertrouwelijkheid van en toegang tot ECB-documenten en ‑archieven”.
68 Vaststaat dat deze bepaling, die algemeen is geformuleerd, van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen, en dus een algemene strekking heeft.
69 Benadrukt moet worden dat verzoeker niet heeft verzocht om wijziging of intrekking van artikel 23 van het reglement van orde van de ECB, hetgeen hem dus ook niet is geweigerd, maar dat hij enkel heeft verzocht om de toepassing van deze bepaling, in het bijzonder lid 3 daarvan. De rechtspraak volgens welke de weigering van een gemeenschapsinstelling om een handeling in te trekken of te wijzigen alleen dan een voor wettigheidstoetsing in de zin van artikel 230 EG vatbare handeling is, wanneer de handeling die de instelling weigert in te trekken of te wijzigen, zelf op grond van deze bepaling had kunnen worden aangevochten (zie arrest Zunis Holding e.a./Commissie, punt 58 supra, punt 31, en aangehaalde rechtspraak), is in casu dan ook niet van toepassing.
70 In tegenstelling tot hetgeen de ECB aanvankelijk heeft gesteld, kan niet worden geoordeeld dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB uitsluitend tot doel heeft, de raad van bestuur in staat te stellen, enkel en alleen op basis van de inhoud van het document of de documenten waarom het gaat, de vertrouwelijkheidstermijn te verkorten, en daarmee een handeling met werking erga omnes vast te stellen.
71 Het is stellig denkbaar dat de raad van bestuur op eigen initiatief, op basis van genoemde bepaling de vertrouwelijkheidstermijn verkort voor bepaalde documenten of categorieën van documenten, en daarmee de toegang daartoe voor alle belanghebbenden openstelt.
72 Dit neemt echter niet weg dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB tevens tot doel heeft, het publiek het recht te verlenen om een verzoek tot verkorting van de vertrouwelijkheidstermijn in te dienen, waarbij er, zoals gezegd, niets aan in de weg staat dat een regeling betreffende de interne organisatie van de werkzaamheden van een instelling rechtsgevolgen heeft jegens derden (arrest Hof 30 april 1996, Nederland/Raad, C‑58/94, Jurispr. blz. I‑2169, punt 38). Krachtens artikel 23, lid 3, tweede volzin, van het reglement van orde van de ECB, dat een algemene strekking heeft, kan dus eenieder, ook voordat er 30 jaren verstreken zijn, om toegang verzoeken tot alle documenten die in het archief van het comité van presidenten worden bewaard.
73 Uit de algemene formulering van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB kan worden geconcludeerd dat het feit dat de door de raad van bestuur op deze grondslag vastgestelde handeling in een bepaald geval een algemeen karakter kan hebben, niet uitsluit dat deze handeling in een ander geval een individuele maatregel kan zijn, wanneer het gaat om een negatieve beslissing op een aanvraag van een particulier bij de ECB, na afweging van zijn situatie en de individuele belangen die hij zegt te hebben, welke rechtstreeks aan de belanghebbende is meegedeeld.
74 Vastgesteld moet worden dat dit laatste geval precies overeenkomt met de omstandigheden van het onderhavige geval, zoals blijkend uit de aan het Gerecht overgelegde stukken.
75 Vaststaat dat verzoeker zich per brief van 27 juli 1999 tot de ECB heeft gewend met een op artikel 23, lid 3, van het reglement van orde gebaseerd verzoek tot verkorting van de vertrouwelijkheidstermijn, om kennis te kunnen nemen van de documenten betreffende het „Bazel-Nyborg”-akkoord omdat deze van belang waren voor zijn proefschrift.
76 Dit verzoek is afgewezen op de in de brief van 8 november 1999 genoemde grond dat aan verzoeker reeds twee desbetreffende documenten waren overgelegd en dat zijn onderzoek zou kunnen worden voortgezet en afgerond, daar hij reeds over alle essentiële informatie over het „Bazel-Nyborg”-akkoord beschikte.
77 Ten slotte is verzoeker de enige adressaat van het besluit van de raad van bestuur, dat hem ter kennis is gebracht bij de brief van 8 november 1999.
78 Derhalve moet worden geoordeeld dat de door de raad van bestuur op 21 oktober 1999 vastgestelde handeling, zoals meegedeeld bij brief van 8 november 1999 (hierna: „besluit van de ECB”), inderdaad een individuele beschikking is waartegen verzoeker beroep tot nietigverklaring kan instellen.
2. Te late instelling van het beroep tot nietigverklaring
79 De ECB stelt dat het door verzoeker op 4 januari 2000 bij het Gerecht neergelegde eerste document tegelijkertijd een verzoek om rechtsbijstand en een beroep krachtens artikel 230 EG is, en dat het is ondertekend door verzoeker zelf en niet door een andere advocaat, hetgeen in strijd is met artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en met artikel 17, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, zoals uitgelegd door het Hof (beschikking Hof van 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie, C‑174/96 P, Jurispr. blz. I‑6401). Het tweede document, neergelegd op „7 februari 2000”, dat wel is ondertekend door een andere advocaat dan verzoeker, kan volgens de ECB niet met terugwerkende kracht de oorspronkelijke vormfout goedmaken, aangezien de termijn van twee maanden voor instelling van het beroep was verstreken op 13 januari 2000.
80 In dit verband moet worden opgemerkt dat het inleidend verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht ingeschreven op 20 januari 2000, de handtekening draagt van een door verzoeker gemachtigde advocaat en dus voldoet aan de eisen van de destijds geldende artikelen 17, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en 43, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
81 Dan moet nog worden nagegaan of het beroep is ingesteld binnen de in artikel 230 EG voorgeschreven termijn van twee maanden, vermeerderd met een termijn van tien dagen wegens afstand voor in Griekenland wonende partijen, overeenkomstig een destijds geldende beschikking van het Hof, vóór de wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die is ingegaan op 1 februari 2001.
82 In casu heeft verzoeker op 13 november 1999 kennis gekregen van de brief van de ECB van 8 november 1999 waarbij hem de afwijzing van zijn verzoek door de raad van bestuur is meegedeeld. De beroepstermijn verstreek dus op 23 januari 2000, rekening houdend met de termijn van tien dagen wegens afstand, waaraan de ECB in haar betoog voorbijgaat. Daar verzoeker zijn beroep heeft ingesteld op 20 januari 2000, en niet op 7 februari 2000, zoals door de ECB in het verweerschrift ten onrechte gesteld, is het middel van niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening derhalve ongegrond.
3. Misbruik van procesrecht
83 De ECB betoogt dat het beroep „zonder oorzaak” is en misbruik van procesrecht vormt, daar zij reeds in essentie aan verzoekers verzoek heeft voldaan.
84 Het Gerecht kan zich niet vinden in dit betoog.
85 Allereerst moet eraan worden herinnerd dat het „Bazel-Nyborg”-akkoord volgens de ECB niet één document is, maar bestaat uit een aantal documenten in de vorm van verslagen en notulen van vergaderingen van het comité van presidenten en het monetair comité. Zo heeft de ECB verklaard dat het „Bazel-Nyborg”-akkoord bestond uit het „verslag van het comité van presidenten inzake de versterking van het EMS” en een verslag van het monetair comité, getiteld „De versterking van het EMS – Verslag van de voorzitter van het monetair comité tijdens de vergadering van de informele Raad van ministers van Economische Zaken en Financiën, Nyborg, 12 september 1987”.
86 Vervolgens moet worden opgemerkt dat het op zijn minst tegenstrijdig lijkt om te beweren, zoals het ECB doet, dat verzoeker twee andere dan de bovengenoemde documenten heeft ontvangen die „alle essentiële informatie over het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord” bevatten, en hem tegelijkertijd toegang tot dit akkoord te weigeren omdat, zoals de ECB in haar memories verklaart, de inhoud van dit akkoord vertrouwelijk is.
87 De ECB voegt eraan toe dat het „verslag van het comité van presidenten inzake de versterking van het EMS geen nieuwe relevante informatie” bevat, maar zij zwijgt over het verslag van eerdergenoemd monetair comité.
88 In werkelijkheid behoeft slechts te worden vastgesteld dat de raad van bestuur heeft geweigerd, de vertrouwelijkheidstermijn van 30 jaar te verkorten en daarmee toegang te verlenen tot de documenten van het „Bazel-Nyborg”-akkoord waarop verzoekers verzoek betrekking heeft. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verzoekers verzoek is ingewilligd en dat zijn verzoek dus zinledig is.
89 Voorts moet eraan worden herinnerd dat iemand aan wie de toegang tot een document of een gedeelte van een document is geweigerd, alleen al op grond daarvan belang heeft bij nietigverklaring van de afwijzing (arrest Gerecht van 17 juni 1998, Svenska Journalistförbundet/Raad, T‑174/95, Jurispr. blz. II‑2289, punt 67).
90 De vraag ten slotte of het beroep vexatoir is, is in het kader van de ontvankelijkheidsbeoordeling niet relevant en komt pas bij de beoordeling van de kosten aan de orde.
4. Onbevoegdheid van de ECB om toegang te verlenen tot het verslag van het monetair comité
91 De ECB stelt dat zij niet degene is tot wie het verzoek om toegang tot het verslag van het monetair comité moet worden gericht, daar zij dit niet zelf heeft opgesteld en zij niet degene is bij wie de documenten van het monetair comité worden bewaard.
92 Dit middel is in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep niet relevant. Het betoog van de ECB over de vraag of in casu de auteursregel moet worden toegepast, komt aan de orde bij de beoordeling van de zaak ten gronde.
93 Ten slotte moet worden opgemerkt dat de ECB ter terechtzitting heeft bevestigd dat zij in het bezit was van het verslag van het monetair comité en dat het besluit van de raad van bestuur van 21 oktober 1999 om verzoekers verzoek om toegang tot het „Bazel-Nyborg”-akkoord, op de grondslag van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, af te wijzen, betrekking had op alle documenten waaruit dit akkoord bestond, met inbegrip van het verslag van het monetair comité; deze verklaring is vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting.
94 Het middel dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens onbevoegdheid van de ECB om toegang te verlenen tot het verslag van het monetair comité, moet derhalve worden afgewezen.
B – Ten gronde
1. Beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Raad
a) Argumenten van partijen
95 Verzoeker voert voor zijn beroep drie middelen aan: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel; schending van de motiveringsplicht, en schending van het „gemeenschapsrechtelijk grondbeginsel inzake de toegang van burgers tot documenten” en van artikel 1 van besluit 93/731.
96 Verzoeker stelt in de eerste plaats dat het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel niet kunnen betekenen of tolereren dat een instelling als de Raad de waarheid mag verbergen, liegen of de geadministreerden die zich tot hem wenden, een rad voor ogen draaien. In casu is verzoeker het slachtoffer geweest van misleiding in vereniging door de Raad en de ECB. Zo heeft de Raad eerst verklaard het betreffende akkoord niet te kennen en vervolgens het bestaan van het verslag van het monetair comité verdonkeremaand en verzoeker verwezen naar de ECB, die de beantwoording opzettelijk heeft getraineerd om beroep tegen het besluit van de Raad onmogelijk te maken door de daarvoor gestelde termijn te laten verstrijken.
97 Volgens verzoeker is de schending van deze beginselen indirect maar ondubbelzinnig door het Hof erkend, waar het in het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, heeft vastgesteld dat sprake was van verschoonbare dwaling doordat de Raad het bestaan van het verslag van het monetair comité dat deel uitmaakt van het „Bazel-Nyborg”-akkoord had verzwegen, en de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verworpen. Verzoeker merkt op dat de Raad, in weerwil van en in tegenspraak met de bewoordingen van dit arrest, nog steeds verklaart dat de informatie in zijn besluit van 30 juli 1999 juist is.
98 Verzoeker stelt in de tweede plaats dat de misleiding door de Raad noodzakelijkerwijs betekent dat het besluit van de Raad niet voldoet aan de eisen van artikel 253 EG en artikel 7, lid 3, van besluit 93/731, en dat het daarom nietig moet worden verklaard (arrest Hof van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie, C‑350/88, Jurispr. blz. I‑395, punt 15; arresten Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie, T‑85/94, Jurispr. blz. II‑45, punt 32, en Svenska Journalistförbundet/Raad, punt 89 supra, punt 116).
99 De bewering van de Raad in zijn verweerschrift dat hij in zijn besluit om verzoekers verzoek af te wijzen de „auteursregel” had toegepast, is een interpretatie achteraf van dat besluit, aangezien in het besluit artikel 2, lid 2, van besluit 93/731 niet wordt genoemd en het woord „auteursregel” niet wordt gebezigd. Verzoeker betoogt dat deze bewering, die door het Hof indirect maar ondubbelzinnig is verworpen in het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, geen legitieme motivering kan zijn van het besluit van de Raad, aangezien de Raad hem niet de gelegenheid heeft gegeven om deze in het kader van de administratieve procedure en het beroep te weerleggen (arrest Hof van 17 mei 2001, IECC/Commissie, C‑449/98 P, Jurispr. blz. I‑3875, punt 87; arresten Gerecht van 19 september 2000, Dürbeck/Commissie, T‑252/97, Jurispr. blz. II‑3031, punt 97, en 12 juli 2001, Mattila/Raad en Commissie, T‑204/99, Jurispr. blz. II‑2265, punt 92).
100 Verzoeker stelt in de derde plaats dat de misleiding door de Raad tevens een schending is van het „gemeenschapsrechtelijk grondbeginsel inzake de toegang van burgers tot documenten” en van artikel 1 van besluit 93/731. Zijn betoog betreffende de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel geldt dus ook het derde middel.
101 In repliek stelt verzoeker dat de argumenten van de Raad in zijn verweerschrift ter zake van de hoedanigheid van derde van het monetair comité, een weigering betekenen om besluit 93/731 toe te passen en ongefundeerd zijn, daar aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2, lid 2, van dat besluit, inzake de auteursregel, in casu niet is voldaan. Gelet op zijn bevoegdheden kan het monetair comité immers ten opzichte van de Raad niet worden beschouwd als een derde.
102 Ten slotte heeft de Raad wel verklaard, in casu de auteursregel toe te passen, maar heeft hij niet aangegeven waar het verslag van het monetair comité zich thans bevindt, hetgeen in tegenspraak is met het door de Raad voorgestane transparantiebeginsel.
103 De Raad vordert afwijzing van de door verzoeker aangevoerde middelen tot nietigverklaring.
b) Beoordeling door het Gerecht
Overwegingen vooraf
104 Allereerst moet worden bepaald waarop het door verzoeker tegen het besluit van de Raad ingestelde beroep precies is gericht.
105 De Raad heeft in zijn besluit verklaard dat het „Bazel-Nyborg”-akkoord bestond uit het verslag van het comité van presidenten en dat verzoeker zich rechtstreeks tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB diende te richten. Vaststaat dat de Raad in dit besluit het verslag van het monetair comité niet noemt.
106 Uit de brief van de ECB van 8 november 1999 blijkt dat het „Bazel-Nyborg”-akkoord bestaat uit een aantal documenten in de vorm van verslagen en notulen van vergaderingen van het comité van presidenten en het monetair comité. In haar verweerschrift heeft de ECB gepreciseerd dat het akkoord bestond uit, enerzijds, een verslag van het comité van presidenten, getiteld „verslag van het comité van presidenten inzake de versterking van het EMS”, en anderzijds een verslag van het monetair comité, getiteld „De versterking van het EMS – Verslag van de voorzitter van het monetair comité tijdens de vergadering van de informele Raad van ministers van Economische Zaken en Financiën, Nyborg, 12 september 1987”.
107 In het verzoekschrift, ingediend nadat verzoeker had vernomen waaruit het „Bazel-Nyborg”-akkoord precies bestond, verzoekt hij nietigverklaring van het besluit van de Raad om hem „het recht van toegang tot het ‚Bazel-Nyborg’-akkoord geheel te ontzeggen”, zonder verder aan te geven uit welke documenten dit akkoord bestond.
108 Blijkens deze formulering vecht verzoeker het besluit van de Raad aan voor zover hem daarbij wordt geweigerd, de documenten van zowel het comité van presidenten als het monetair comité over te leggen, aangezien het stilzwijgen van de Raad betreffende deze laatste documenten neerkomt op een afwijzing.
109 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht, teneinde een effectieve bescherming door de rechter te garanderen aan personen die toegang verzoeken en aan wie de administratie antwoordt dat de gewenste documenten niet in haar bezit zijn of niet bestaan, van oordeel is dat dergelijke antwoorden handelingen zijn die tot gevolg hebben dat toegang wordt geweigerd en die de belangen van de aanvrager aantasten, en dus voor beroep vatbaar zijn [arrest Gerecht van 25 juni 2002, British American Tobacco (Investments)/Commissie, T‑311/00, Jurispr. blz. II‑2781, punten 31 en 32].
110 Vervolgens moet worden benadrukt dat de drie middelen van verzoeker, die zijn weergegeven in punt 95 supra, grotendeels blijken te berusten op een en dezelfde redenering, namelijk dat de Raad zich in vereniging met de ECB schuldig heeft gemaakt aan misleiding van verzoeker, de Raad door het bestaan van het verslag van het monetair comité over de versterking van het EMS te verzwijgen, en de ECB door het besluit tot weigering van toegang, waarin dat verslag wordt genoemd, zo te vertragen dat het pas is genomen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep tegen het besluit van de Raad.
Misleiding door de Raad
111 Blijkens de door verzoeker ingediende stukken houdt de misleiding door de Raad automatisch een schending in van, ten eerste, het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel, ten tweede, de motiveringsplicht, en ten derde, het in besluit 93/731 neergelegde recht van toegang tot documenten. Volgens verzoeker is de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel indirect maar ondubbelzinnig door het Hof erkend, waar het in het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, een verschoonbare dwaling heeft vastgesteld als gevolg van het feit dat de Raad het bestaan van het verslag van het monetair comité heeft verzwegen.
112 Deze redenering kan niet worden aanvaard, daar zij berust op een onjuiste veronderstelling, in die zin dat uit de aan het Gerecht overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de Raad ten aanzien van de aard of de toegankelijkheid van de documenten waaruit het „Bazel-Nyborg”-akkoord bestaat, iets heeft willen verzwijgen.
113 Verzoekers aantijgingen van misleiding of samenspanning berusten duidelijk op een ongerechtvaardigde oprekking van de uitspraak van het Hof in het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra.
114 In dat arrest heeft het Hof een beschikking van het Gerecht waarin het door verzoeker tegen het besluit van de Raad ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het te laat was ingesteld, vernietigd op grond dat het Gerecht het begrip verschoonbare dwaling te strikt had geïnterpreteerd. Het Hof verklaarde dat het feit dat een justitiabele volledig op de hoogte is van het definitieve karakter van een besluit alsmede van de krachtens artikel 230 EG toepasselijke beroepstermijn, op zichzelf niet uitsluit dat hij een verschoonbare dwaling kan aanvoeren teneinde de overschrijding van de beroepstermijn te rechtvaardigen, aangezien volgens vaste rechtspraak een dergelijke dwaling zich met name kan voordoen wanneer de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag, op zich of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid (arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, punt 24).
115 Het Hof merkte op dat verzoeker, gelet op de door de Raad verstrekte informatie, geen enkele reden had om op te komen tegen „een besluit waarbij hem de toegang werd geweigerd tot een document waarvan het bestaan in wezen werd ontkend” en dat hij pas op 13 november 1999, bijna vier weken dus na afloop van de termijn waarbinnen beroep tegen het besluit kon worden ingesteld, door de ECB op de hoogte werd gebracht van het feit dat het „Bazel-Nyborg”-akkoord verslagen en notulen omvat die zowel afkomstig zijn van het comité van presidenten als van het monetair comité (arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, punt 34).
116 Aangezien verzoeker zijn beroep tegen het besluit van de Raad heeft ingesteld op 20 januari 2000, dus binnen een redelijke termijn nadat hij kennis had kunnen nemen van deze door de ECB verstrekte informatie, concludeerde het Hof dat de te late instelling van dit beroep als verschoonbaar moest worden aangemerkt (arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, punt 35).
117 Uit de bewoordingen van het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, kan niet worden afgeleid dat het Hof heeft erkend dat de Raad het bestaan van het verslag van het monetair comité opzettelijk had verzwegen en dat deze instelling daarmee het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel had geschonden.
118 Het Hof oordeelde weliswaar dat het besluit van de Raad van 30 juli 1999 verzoeker op een dwaalspoor had gebracht, doordat daarin geen melding werd gemaakt van een tot het „Bazel-Nyborg”-akkoord behorend document, waarvan het bestaan naderhand bleek uit de brief van de ECB van 8 november 1999, en dat dit bij verzoeker tot een begrijpelijk misverstand had geleid waardoor hij niet binnen de termijn tegen dat besluit was opgekomen.
119 Derhalve blijkt de te late instelling van het beroep tegen het besluit van de Raad te zijn veroorzaakt doordat informatie is verstrekt die achteraf ten dele onjuist bleek te zijn, zonder dat het Hof in dit verband gewag maakt van kwade trouw bij de Raad, terwijl verzoeker in hogere voorziening wel samenspanning tussen de Raad en de ECB had gesteld. Het feit dat het antwoord van de Raad misleidend werd bevonden, betekent niet noodzakelijkerwijs dat dit antwoord was ingegeven door de opzettelijke wil om verzoeker te misleiden.
120 Het Hof heeft daaruit alle consequenties in het kader van de hogere voorziening getrokken door te concluderen dat de te late indiening van het beroep verschoonbaar was, zonder in te gaan op de zaak ten gronde, waarop het niet in staat was te beslissen (arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, punt 32). Het feit dat het begrip verschoonbare dwaling rechtstreeks wortelt in het streven naar eerbiediging van het rechtszekerheids‑ en het vertrouwensbeginsel, betekent niet dat het Hof in het arrest Pitsiorlas heeft erkend dat die beginselen door de Raad bij het nemen van zijn besluit zijn geschonden.
121 Afgezien van de uitlegging van de bewoordingen van het arrest Pitsiorlas, punt 38 supra, spreken ook de aan het Gerecht voorgelegde feiten ervoor dat de Raad zich niet aan misleiding schuldig heeft gemaakt.
122 Zoals de ECB heeft geschreven, is het immers de bank die het in het archief van het comité van presidenten bewaarde verslag van het monetair comité daadwerkelijk in bezit heeft. Daar de Raad het betrokken document niet in zijn bezit had, is het denkbaar en begrijpelijk dat hij het bestaan daarvan niet kende.
123 Derhalve heeft verzoeker niet het bewijs geleverd van een misleiding door de Raad inhoudende dat deze in zijn besluit het verslag of andere documenten afkomstig van het monetair comité heeft verzwegen, en moet het stilzwijgen van de Raad met betrekking tot de documenten van dat comité bijgevolg aldus worden opgevat dat hieruit blijkt dat de Raad het bestaan daarvan niet kende en er dus bij het nemen van dat besluit oprecht van overtuigd was dat er geen ander aan het verzoek om toegang beantwoordend document bestond dan het verslag van het comité van presidenten.
124 Het middel inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel, de motiveringsplicht en het recht van toegang tot de in besluit 93/731 bedoelde documenten als gevolg van misleiding door de Raad, moet derhalve worden verworpen.
125 Met de afwijzing van dit middel is echter niet de gehele problematiek die is aangesneden in de drie middelen betreffende schending van deze beginselen, die verplichting en dat besluit, opgelost.
Schending van het in besluit 93/731 neergelegde recht van toegang tot documenten
126 De Raad en de Commissie hebben op 6 december 1993 een gedragscode inzake de toegang van het publiek tot bij hen berustende documenten goedgekeurd, waarin met name het volgende beginsel is vastgelegd:
„Het publiek zal zo ruim mogelijk toegang krijgen tot documenten die bij de Commissie en de Raad berusten.”
127 De gedragscode bepaalt voorts:
„De Commissie en de Raad nemen elk voor zich vóór 1 januari 1994 de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze beginselen.”
128 Ter uitvoering van deze toezegging heeft de Raad op 20 december 1993 besluit 93/731 vastgesteld.
129 Artikel 1 van besluit 93/731 bepaalt het volgende:
„1. Het publiek heeft toegang tot de documenten van de Raad op de in dit besluit gestelde voorwaarden.
2. Onverminderd artikel 2, lid 2, wordt onder document van de Raad verstaan elk geschrift met bestaande gegevens dat in het bezit is van de Raad, ongeacht de drager waarop het zich bevindt.”
130 Artikel 2, lid 2, van besluit 93/731 bepaalt:
„Wanneer het opgevraagde document is opgesteld door een natuurlijke of rechtspersoon, een lidstaat, een andere instelling of een ander orgaan van de Gemeenschap dan wel een andere nationale of internationale instelling, moet het verzoek niet tot de Raad, maar rechtstreeks tot de opsteller van het document worden gericht.”
131 Uit de formulering van artikel 1 van besluit 93/731 volgt dat, wil de Raad aan het verzoek om toegang kunnen voldoen, uiteraard niet alleen vereist is dat de in het verzoek bedoelde documenten bestaan [arresten Gerecht van 12 oktober 2000, JT’s Corporation/Commissie, T‑123/99, Jurispr. blz. II‑3269, punt 58, en British American Tobacco (Investments)/Commissie, punt 109 supra, punt 35], maar ook dat zij in het bezit van de instelling zijn.
132 Wat in de eerste plaats de documenten afkomstig van het monetair comité betreft, waarover in het besluit van de Raad van 30 juli 1999 wordt gezwegen, is het feit dat zij bestaan, sinds de brief van de ECB van 8 november 1999 onbetwist en tussen partijen niet in geschil.
133 De vraag in wiens bezit zij zijn daarentegen wordt tussen partijen betwist en dient te worden beantwoord om te kunnen beslissen over het middel inzake schending van het in besluit 93/731 neergelegde recht van toegang van verzoeker. Met de conclusie dat de Raad zich niet heeft schuldig gemaakt aan misleiding is over de met dit middel verband houdende problematiek immers nog niet alles gezegd.
134 Dat het stilzwijgen van de Raad met betrekking tot de documenten van het monetair comité, moet worden opgevat als blijk van het feit dat de Raad het bestaan daarvan niet kende, wil immers nog niet zeggen dat deze documenten niet in zijn bezit waren. Theoretisch is het denkbaar dat de Raad, door onvolkomen onderzoek door zijn diensten, oprecht zij het ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat die documenten niet bestonden, terwijl zij niettemin in het archief van de Raad werden bewaard. Deze situatie zou een schending van besluit 93/731 kunnen opleveren.
135 Zoals gezegd, verklaart de Raad dat de in geding zijnde documenten van het monetair comité of het comité van presidenten zelfs niet in zijn bezit zijn.
136 Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring van de ECB dat de in het verzoek om toegang bedoelde documenten, met inbegrip van het verslag van het monetair comité, worden bewaard in het archief van het comité van presidenten, waarop artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB van toepassing is.
137 Deze verklaringen beantwoordt verzoeker aldus dat „een van deze instellingen, de Raad of de ECB, of beide, de waarheid nog steeds verbergen”.
138 Verzoeker merkt op dat de Raad verklaart, de auteursregel te hebben toegepast, maar „niet zegt wie het verslag van het monetair comité thans in zijn bezit heeft”, en voorts dat de Raad, door te verklaren dat alle documenten van dit comité zijn te beschouwen als documenten van de Raad aangezien dit comité in feite het werk van de instelling heeft voorbereid, „erkent dat hij het verslag van het monetair comité in zijn bezit heeft”. Verzoeker geeft voorts te verstaan dat verweerders in de zomer van 1999 samen hebben kunnen „bespreken en afspreken om het verslag en andere documenten betreffende het EMS, dan wel alle documenten van het monetair comité, over te brengen naar de ECB, zodat deze zouden worden beschermd door de in artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB neergelegde termijn van 30 jaar”, en hij acht het noodzakelijk dat bekend wordt hoe het verslag van het monetair comité is „in handen is gegeven” aan de ECB.
139 Ter oplossing van dit probleem van het bewijs wie de in het verzoek om toegang bedoelde documenten al dan niet in bezit had, moet mutatis mutandis de rechtspraak inzake betwisting van het bestaan van opgevraagde documenten worden toegepast.
140 Volgens de rechtspraak wordt, overeenkomstig het vermoeden van wettigheid van communautaire handelingen, aangenomen dat een document waartoe om toegang is verzocht, niet bestaat indien de betrokken instelling dit verklaart. Dit is evenwel een louter vermoeden, dat verzoeker met alle middelen op basis van relevante en onderling overeenstemmende bewijzen kan weerleggen [arresten JT’s Corporation/Commissie, punt 131 supra, punt 58, en British American Tobacco (Investments)/Commissie, punt 109 supra, punt 35].
141 In het besluit van de Raad staat niet met zoveel woorden dat hij geen documenten van het monetair comité in zijn bezit heeft, hetgeen te verklaren is doordat in dit speciale geval de Raad maar één document heeft genoemd dat beantwoordt aan het verzoek om toegang, en zijn antwoord dus heeft gemotiveerd met betrekking tot dit document. Dit neemt niet weg dat het besluit van de Raad impliceert dat er geen ander aan het verzoek om toegang beantwoordend document bestaat, en dus objectief, impliciet maar onontkoombaar, te verstaan geeft dat de Raad een dergelijk document niet in bezit heeft.
142 In casu moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn geschriften geen relevante en onderling overeenstemmende bewijzen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de Raad documenten van het monetair comité in zijn bezit had.
143 In dit verband moet het volgende worden benadrukt:
– de loutere boude stelling dat de Raad de waarheid heeft verhuld, heeft uiteraard geen bewijskracht;
– de bewering dat de Raad verklaart de auteursregel te hebben toegepast maar „niet zegt wie het verslag van het monetair comité thans in zijn bezit heeft”, is niet relevant, waarbij voorts wordt opgemerkt dat de Raad de auteursregel zegt te hebben toegepast ten aanzien van het verslag van het comité van presidenten;
– verzoekers conclusie dat de Raad erkent, het verslag van het monetair comité in bezit te hebben op grond van zijn verklaring dat alle documenten van dit comité als documenten van de Raad zijn te beschouwen daar dit comité het werk van de instelling heeft voorbereid, wordt niet uitgelegd en is ook niet verklaarbaar.
144 Wat verzoekers vraag betreft hoe het verslag van het monetair comité in het bezit van de ECB is gekomen, verklaart de ECB dat dit verslag zich toevallig bij de documenten van het comité van presidenten bevond die van Bazel naar Frankfurt zijn overgebracht bij de verhuizing van het EMI in oktober 1994. Daar om het verslag van het monetair comité, evenals om dat van het comité van presidenten, was gevraagd door de ministers van Financiën in het kader van de voorbereiding van hun vergadering te Nyborg in september 1987, heeft het secretariaat van het comité van presidenten dus waarschijnlijk ter informatie een exemplaar van het verslag van het monetair comité ontvangen en is dit bij de andere documenten van het comité van presidenten bewaard.
145 Verzoeker brengt geen serieuze punten naar voren die de verklaring van de ECB zouden kunnen weerspreken.
146 Derhalve kan de Raad geen schending van besluit 93/731 worden verweten, daar dit besluit alleen recht geeft op toegang tot documenten die in het bezit zijn van deze instelling.
147 Derhalve is de discussie tussen partijen over de vraag of documenten afkomstig van het monetair comité aan de Raad kunnen worden toegeschreven, gelet op de samenstelling en de bevoegdheden van dit comité, niet relevant.
148 Wat in de tweede plaats de documenten afkomstig van het comité van presidenten betreft, is noch het bestaan ervan noch het feit dat zij in het bezit zijn van de ECB, tussen partijen in geschil.
149 Derhalve, en om dezelfde reden als die genoemd in punt 146 supra, kan de Raad geen schending worden verweten van besluit 93/731 met betrekking tot het recht van toegang tot documenten afkomstig van het comité van presidenten.
Schending van de motiveringsplicht
150 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling, en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden in staat zijn de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel te kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle feitelijk of rechtens relevante gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van voornoemd artikel 253 voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van die handeling, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Hof van 6 maart 2003, Interporc/Commissie, C‑41/00 P, Jurispr. blz. I‑2125, punt 55; arresten Gerecht van 19 juli 1999, Rothmans/Commissie, T‑188/97, Jurispr. blz. II‑2463, punt 36; 6 april 2000, Kuijer/Raad, T‑188/98, Jurispr. blz. II‑1959, punt 36, en arrest JT’S Corporation/Commissie, punt 131 supra, punt 63).
151 Naast de consequenties die verzoeker verbindt aan de misleiding door de Raad met betrekking tot de motivering van het besluit van 30 juli 1999, welk middel reeds is afgewezen in punt 124 supra, stelt hij dat de bewering van de Raad dat het besluit is gebaseerd op de „auteursregel” een interpretatie achteraf is van dat besluit en geen legitieme motivering daarvan kan zijn.
152 Opgemerkt zij evenwel dat de formulering van het besluit van de Raad, ter kennis van verzoeker gebracht bij de brief van 2 augustus 1999, niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, en dat daarin duidelijk aan verzoeker wordt uiteengezet dat het gevraagde document, het verslag van het comité van presidenten inzake de versterking van het EMS, dat in Nyborg op 8 september 1987 is „gepubliceerd”, is opgesteld door de presidenten van de centrale banken, en dat verzoeker zijn verzoek rechtstreeks tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB diende te richten.
153 Hoewel ten onrechte het woord „gepubliceerd” wordt gebruikt, en de „auteursregel” niet met zoveel woorden wordt genoemd, moet toch worden geoordeeld dat de motivering van het besluit van de Raad van 30 juli 1999 voldoet aan de eisen van artikel 253 en artikel 7, lid 3, van besluit 93/731, in die zin dat verzoeker in staat is gesteld, kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om toegang en het Gerecht zijn toezicht op de wettigheid van dit besluit volledig kan uitoefenen.
154 Ten overvloede merkt het Gerecht op dat de Raad aanvoert dat in weerwil van het feit dat artikel 2, lid 2, van besluit 93/731 in het afwijzingsbesluit van 30 juli 1999 niet uitdrukkelijk wordt genoemd, uit de bewoordingen van de afwijzing volgt dat deze is gebaseerd op de in dat artikel neergelegde auteursregel.
155 Opgemerkt zij evenwel dat in het besluit van de Raad, zoals ter kennis van verzoeker gebracht bij de brief van 2 augustus 1999, allereerst wordt vermeld dat het confirmatief verzoek om toegang is ingeschreven bij het secretariaat-generaal krachtens artikel 7, lid 1, van besluit 93/731, en vervolgens aan het eind verzoeker wordt geadviseerd om zich rechtstreeks tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB te richten „ingevolge artikel 2, lid 2, van dit besluit”.
156 In het besluit van de Raad wordt dus de bepaling genoemd die geen andere kan zijn dan artikel 2, lid 2, van besluit 93/731, waarin de auteursregel is neergelegd, op grond waarvan de instelling die een document in bezit heeft, een verzoek om toegang kan afwijzen en de aanvrager kan verwijzen naar de opsteller van het document.
157 Daar de Raad de documenten van het comité van presidenten niet in bezit had, is zijn besluit van 30 juli 1999 strikt genomen geen toepassing van de auteursregel zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van besluit 93/731. Deze constatering doet evenwel niet af aan de conclusie dat geen sprake is van schending van de motiveringsplicht door de Raad.
158 Ten slotte is de door de Raad in zijn besluit gegeven motivering te verklaren doordat de Raad in dit speciale geval maar één document heeft genoemd dat beantwoordt aan het verzoek om toegang, en zijn antwoord dus heeft gemotiveerd met betrekking tot dit document.
159 Zoals gezegd, houdt het besluit van de Raad impliciet in dat er geen andere aan het verzoek om toegang beantwoordende documenten bestonden, hetgeen juridisch, om redenen van effectieve rechtsbescherming van verzoeker, te beschouwen is als een voor beroep vatbare weigering van toegang.
160 De Raad kan in deze omstandigheden niet worden verweten dat hij een weigering van toegang tot niet nader genoemde documenten niet heeft gemotiveerd, alleen op grond dat hij niet uitdrukkelijk heeft aangegeven dat er volgens hem geen ander aan het verzoek om toegang beantwoordend document bestond dan het verslag van het comité van presidenten.
161 Het middel inzake schending van de motiveringsplicht moet derhalve worden verworpen.
Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel
162 Nu de wijze waarop de Raad verzoekers verzoek om toegang heeft afgehandeld niet als misleiding jegens hem kan worden gekwalificeerd (zie punt 123 supra), moet worden nagegaan of deze afhandeling niettemin heeft geleid tot een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel.
163 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat tot de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen met name het beginsel van behoorlijk bestuur behoort, dat voor de bevoegde instelling de verplichting inhoudt om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest Gerecht van 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881, punt 99, en aangehaalde rechtspraak).
164 In casu heeft de Raad in zijn eerste brief, van 11 mei 1999, verzoeker geantwoord dat hij het gevraagde document niet had gevonden, terwijl hij hem in zijn brief van 2 augustus 1999 heeft laten weten dat het gevraagde akkoord een te Nyborg op 8 september 1987 „gepubliceerd” verslag van het comité van presidenten was, dat hij daarover nooit eerder een beslissing had hoeven nemen en dat verzoeker zich tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB diende te wenden.
165 Benadrukt moet worden dat:
– verzoekers verzoek gebaseerd was op besluit 93/731, dat in artikel 1 bepaalt dat „[h]et publiek [...] toegang [heeft] tot de documenten van de Raad op de in dit besluit gestelde voorwaarden” en dat „onder document van de Raad [wordt] verstaan elk geschrift met bestaande gegevens dat in het bezit is van de Raad [...]”;
– wanneer de Raad niet in bezit is van documenten die beantwoorden aan het verzoek om toegang, zoals in het onderhavige geval, besluit 93/731 hem niet verplicht om op zoek te gaan naar de relevante documenten, aan te geven welke dit zijn, wie deze heeft opgesteld en wie ze in bezit heeft, teneinde de aanvrager van dienst te zijn;
– de Raad in casu toch op zoek is gegaan naar een in de aanvraag bedoeld document en dit ook inderdaad heeft gevonden, namelijk het verslag van het comité van presidenten, en verzoeker terecht heeft verwezen naar de ECB, die dit document in bezit heeft.
166 Uit het antwoord van de Raad op een schriftelijke vraag van het Gerecht blijkt dat de Raad verzoekers confirmatief verzoek heeft doorgestuurd naar de ECB en tegelijkertijd heeft verzocht om overlegging van het document met het akkoord inzake de technische hervormingen ter versterking van het EMS, waartoe het comité van presidenten van de centrale banken was gekomen en dat door de ministers van Financiën was goedgekeurd tijdens hun informele vergadering van 12 september 1987 te Nyborg. In antwoord op zijn verzoek heeft de Raad een perscommuniqué van 18 september 1987 ontvangen waarin enkel het verslag van het comité van presidenten van de centrale banken van de lidstaten werd genoemd, en niet het verslag van het monetair comité.
167 De Raad heeft tevens aangetoond dat hij intern heeft uitgezocht of hem na eerdergenoemde informele vergadering van de ministers van Financiën van de lidstaten, geen documenten waren toegezonden waarin het „Bazel-Nyborg”-akkoord was vervat.
168 Gelet op vorenstaande overwegingen moet het middel inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur worden afgewezen.
169 Wat het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, moet eraan worden herinnerd dat het recht om zich op dit beginsel te beroepen, toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waarin een gemeenschapsinstantie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt (arresten Hof van 11 maart 1987, Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products/Commissie, 265/85, Jurispr. blz. 1155, punt 44, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 26). Voorts kan niemand zich op schending van dit beginsel beroepen aan wie de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan (zie arrest Gerecht van 18 januari 2000, Mehibas Dordtselaan/Commissie, T‑290/97, Jurispr. blz. II‑15, punt 59, en aangehaalde rechtspraak).
170 In casu behoeft slechts te worden geconstateerd dat verzoeker geen feiten of omstandigheden aanvoert waaruit blijkt dat de Raad hem nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan ten aanzien van het vrijgeven van de documenten die het „Bazel-Nyborg”-akkoord vormen. In wezen beroept verzoeker zich slechts in abstracto op dit middel en zet hij niet uiteen waaruit de gestelde schending van dit beginsel bestaat.
171 Derhalve moet het middel inzake schending van het vertrouwensbeginsel worden afgewezen.
172 Mitsdien moet het beroep van verzoeker tot nietigverklaring van het besluit van de Raad worden verworpen.
2. Beroep tot nietigverklaring van het besluit van de ECB
a) Exceptie van onwettigheid van artikel 1 van besluit 1999/284 en van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB
173 Ofschoon verzoeker dit niet uitdrukkelijk aangeeft in zijn geschriften, blijkt uit deze laatste, in het bijzonder bij onderzoek van de middelen inzake schending van het grondbeginsel van transparantie en het recht van toegang tot documenten en inzake misbruik van bevoegdheid, dat verzoeker zich beroept op onwettigheid van artikel 1 van besluit 1999/284 en artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, wat deze laatste bepaling betreft om twee redenen.
174 Zo stelt verzoeker in de eerste plaats dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB in strijd is met artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB en geen rechtsgrondslag heeft, en in de tweede plaats dat artikel 1 van besluit 1999/284 en artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, waarop het besluit van de ECB berust, in strijd zijn met het grondbeginsel van transparantie en het recht van toegang tot documenten, zoals deze zijn erkend in de rechtspraak en in de artikelen 1 EU en 6 EU, alsook in artikel 110, lid 2, EG en artikel 255, lid 1, EG.
Exceptie van onwettigheid van artikel 1 van besluit 1999/284
175 Inzake de exceptie van onwettigheid van artikel 1 van besluit 1999/284 moet eraan worden herinnerd dat verzoeker, na zijn eerste verzoek om toegang tot het „Bazel-Nyborg”-akkoord te hebben gebaseerd op besluit 1999/284, overeenkomstig de hem door de ECB gegeven aanwijzingen een nieuw verzoek heeft ingediend, uitdrukkelijk gebaseerd op artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, tot verkorting van de vertrouwelijkheidstermijn van 30 jaar. Het feit dat de brief van verzoeker van 27 juli 1999 de onjuiste vermelding „confirmatief verzoek” draagt, is niet relevant.
176 Dit tweede verzoek is door de raad van bestuur in het besluit van de ECB afgewezen krachtens artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, en niet op basis van besluit 1999/284.
177 Gesteld al dat het middel van onwettigheid van artikel 1 van besluit 1999/284 wegens schending van het transparantiebeginsel en het recht van toegang tot documenten, ontvankelijk kon worden geacht, moet het dus niet ter zake dienend worden geacht. Zou dit middel immers bewezen zijn, dan zou de geconstateerde onwettigheid toch niet afdoen aan de geldigheid van het besluit van de ECB.
Exceptie van onwettigheid van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB
– Ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB
178 De ECB stelt dat het betoog van verzoeker in repliek inzake haar bevoegdheid om regels te stellen voor de toegang tot het archief van het comité van presidenten, en inzake het ontbreken van een rechtsgrondslag voor artikel 23, lid 3, van haar reglement van orde, een nieuw middel is, dat krachtens artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering niet mag worden voorgedragen in de loop van het geding.
179 Uit artikel 44, lid 1, sub c, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat het inleidend verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen dient te bevatten, en dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet evenwel ontvankelijk worden verklaard (arresten Gerecht van 20 september 1990, Hanning/Parlement, T‑37/89, Jurispr. blz. II‑463, punt 38, en 17 juli 1998, Thai Bicycle/Raad, T‑118/96, Jurispr. blz. II‑2991, punt 142).
180 Vaststaat dat verzoeker in zijn verzoekschrift de wettigheid van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB heeft betwist. Zo heeft hij gesteld dat besluit 1999/284 wel de archieven van de ECB en het EMI noemt, maar het archief van het comité van presidenten, dat niettemin ouder is, volledig „vergeet”, terwijl dit archief onder artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB valt. Deze bepaling maakt volgens verzoeker de toegang tot een zeer groot aantal categorieën documenten onmogelijk, reduceert zijn recht van toegang tot documenten tot nul en is in strijd met het grondbeginsel van de transparantie, terwijl deze rechten en beginselen zijn erkend in de artikelen 1 EU en 6 EU, in de artikelen 110, lid 2, EG en 255, lid 1, EG, en in de rechtspraak.
181 In antwoord op dit middel inzake onwettigheid van artikel 23, lid 3, van haar reglement van orde verklaart de ECB dat de specifieke status en het bijzondere karakter van de in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten, er de verklaring en rechtvaardiging voor zijn dat deze van de werking van besluit 1999/284 zijn uitgezonderd en dat daarvoor, overigens volstrekt legaal, een bijzonder rechtsregiem is vastgelegd in artikel 23. Zij voert daartoe aan dat het archief van het comité van presidenten documenten bevat die zijn opgesteld door het comité van presidenten, het comité van plaatsvervangers, de subcomités en de groepen van deskundigen, alsmede door het monetair comité, die alle ten opzichte van de ECB derden zijn.
182 Verzoeker heeft daarop gerepliceerd dat de ECB haar bevoegdheden te buiten is gegaan door voor de toegang tot het archief van het comité van presidenten regels te stellen in haar reglement van orde, hetgeen in strijd is met artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB, die haar niet de bevoegdheid verlenen om regels te stellen inzake „de aangelegenheden van derden”.
183 Derhalve is het middel dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB onwettig is, hetgeen wordt afgeleid uit artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB, een uitwerking van het middel dat diezelfde bepaling onwettig is wegens schending van het transparantiebeginsel en het recht van toegang tot documenten, hetwelk impliciet in het inleidend verzoekschrift wordt aangeroerd en een nauw verband daarmee vertoont. Het moet derhalve ontvankelijk worden geacht.
– Het middel inzake onwettigheid van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, welk middel is afgeleid uit de schending van artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB
184 Allereerst moet de context worden bezien waarin artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB is aangenomen.
185 De slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, bevat verklaring nr. 17, die als volgt luidt:
„De Conferentie is van oordeel dat de doorzichtigheid van het besluitvormingsproces het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur versterkt. Dientengevolge beveelt de Conferentie de Commissie aan de Raad uiterlijk in 1993 verslag uit te brengen over maatregelen om de toegang van het publiek tot de informatie waarover de instellingen beschikken, te vergroten.”
186 Aan het slot van de Europese Raad van Birmingham van 16 oktober 1992 hebben de staatshoofden en regeringsleiders een verklaring afgelegd met de titel „Een Gemeenschap die dicht bij haar burgers staat”, waarin zij erop wijzen dat de Gemeenschap een meer open karakter dient te krijgen. Die toezegging is herhaald op de Europese Raad van Edinburgh van 12 december 1992.
187 Op 5 mei 1993 heeft de Commissie mededeling 93/C 156/05 inzake de toegang van het publiek tot de documenten van de instellingen aangeboden aan de Raad, het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité. Hierin waren de resultaten van een onderzoek naar de toegang van het publiek tot documenten in de lidstaten alsmede in een aantal derde landen opgenomen en er werd geconcludeerd, dat veel pleitte voor een verdere ontwikkeling van de toegang tot documenten op communautair vlak.
188 Op 2 juni 1993 stelde de Commissie mededeling 93/C 166/04 over de doorzichtigheid in de Gemeenschap vast. In deze mededeling werkte de Commissie de basisbeginselen voor de toegang tot documenten uit.
189 Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad te Kopenhagen van 22 juni 1993 werden de Raad en de Commissie uitgenodigd, „voort te werken op basis van het beginsel dat de burgers recht hebben op een zo volledig mogelijke toegang tot informatie”.
190 De Raad en de Commissie hebben op 6 december 1993 een gedragscode inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de Commissie aangenomen, waarin de beginselen voor de toegang tot bij hen berustende documenten zijn vastgelegd; zij kwamen daarbij overeen dat beide instellingen deze beginselen vóór 1 januari 1994 zouden uitwerken middels specifieke uitvoeringsvoorschriften.
191 Om deze toezegging na te komen heeft de Raad op 20 december 1993 besluit 93/731 vastgesteld, en de Commissie op 8 februari 1994 besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom inzake de toegang tot documenten van de Commissie (PB L 46, blz. 58).
192 Op 1 januari 1994 ging met de oprichting van het EMI en de ontbinding van het comité van presidenten de tweede fase van de EMU in. Het EMI nam op 3 juni 1997 besluit nr. 9/97 inzake toegang van het publiek tot zijn administratieve documenten (PB 1998, L 90, blz. 43), dat wil zeggen ieder stuk, op ongeacht welke drager, dat bestaande gegevens bevat en verband houdt met de wijze waarop het EMI feitelijk functioneert en is georganiseerd.
193 Met de oprichting van de ECB op 1 juni 1998 kwam een einde aan de werkzaamheden van het EMI, dat zodra de ECB was opgericht werd geliquideerd overeenkomstig artikel 123 EG.
194 In deze context heeft de ECB krachtens artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB op 7 juli 1998 haar reglement van orde aangenomen, dat korte tijd later werd uitgewerkt door de aanneming van besluit 1999/284 op 3 november 1998.
195 Naar aanleiding van de – door verzoeker betwiste – bewering van de ECB dat zij ten opzichte van de opstellers van de in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten een derde is, hetgeen een bijzonder rechtsregiem rechtvaardigt zoals neergelegd in artikel 23, lid 3, van haar reglement van orde, betoogt verzoeker dat de ECB haar bevoegdheden heeft overschreden door in haar reglement van orde voor de toegang tot het archief van het comité van presidenten regels te stellen, hetgeen in strijd is met artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB, dat niet de bevoegdheid verleent om „de aangelegenheden van derden” te regelen.
196 Artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB bepaalt: „De raad van bestuur neemt een reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen wordt geregeld.”
197 In het arrest Nederland/Raad, punt 72 supra (punt 37), heeft het Hof verklaard dat moest worden erkend dat, zolang de gemeenschapswetgever geen algemene regeling inzake het recht van het publiek op toegang tot documenten in het bezit van de gemeenschapsinstellingen heeft vastgesteld, deze instellingen maatregelen moeten nemen om dergelijke verzoeken te behandelen uit hoofde van hun interne organisatiebevoegdheid, krachtens welke zij passende maatregelen kunnen treffen om hun interne werking in het belang van een behoorlijk bestuur te verzekeren.
198 Daar er noch bij de aanneming van het reglement van orde noch bij de wijziging daarvan op 22 april 1999, een algemene regeling inzake het recht van het publiek op toegang tot documenten in het bezit van de gemeenschapsinstellingen of ‑organen bestond, was de ECB in casu bevoegd om in het kader van haar reglement van orde maatregelen vast te stellen voor de afhandeling van verzoeken om toegang tot de op dat moment in haar bezit zijnde documenten, zowel die door haar waren opgesteld als die zij in bezit had gekregen, ongeacht de herkomst of de opsteller van die documenten.
199 Het feit dat de ECB in haar reglement van orde specifieke regels heeft opgesteld voor de toegang tot in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten, omdat zij naar haar zeggen ten opzichte van de opstellers van deze documenten een derde was, kan derhalve geen schending van artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB hebben betekend. Met andere woorden, gesteld al dat de ECB inderdaad kan worden beschouwd als derde ten opzichte van de opstellers van de in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten, heeft zij niettemin gehandeld conform artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB door in haar reglement van orde een bijzonder rechtsregiem voor de toegang tot die documenten vast te stellen.
200 Er dient evenwel op te worden gewezen dat de Raad en de Commissie in besluit 93/731 en besluit 94/90 de toegang tot de in hun bezit zijnde documenten, ook die welke door andere lichamen zijn opgesteld, hebben geregeld, waarbij zij echter hebben bepaald dat verzoeken om toegang tot die laatste rechtstreeks tot de opstellers daarvan moesten worden gericht, hetgeen overeenkomt met de zogeheten „auteursregel”.
201 Derhalve moet het middel dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB is aangenomen in strijd met artikel 12, lid 3, van de statuten van het ESCB, worden afgewezen.
202 Ten overvloede moet worden benadrukt dat de ECB uit het feit dat zij naar haar zeggen ten opzichte van de opstellers van de in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten een derde is, een conclusie trekt die niet kan worden aanvaard.
203 Uit deze hoedanigheid van derde leidt de ECB af dat zij de documenten van het comité van presidenten beheert als secretariaat van de nationale centrale banken, die de opstellers van die documenten zouden zijn en tot wie verzoeker zijn aanvraag om toegang had moeten richten. Deze gedachtegang is niet verenigbaar met de inhoud van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB en van het besluit van de raad van bestuur in antwoord op verzoekers aanvraag.
204 Het staat immers vast dat de ECB in artikel 23, lid 3, van haar reglement van orde een bijzonder rechtsregiem heeft vastgesteld voor de toegang tot de in het archief van het comité van presidenten bewaarde documenten, waarvan de uitvoering is opgedragen aan de raad van bestuur, zonder dat is bepaald dat de auteursregel moest worden toegepast. De raad van bestuur heeft zich dan ook inderdaad uitgesproken over de gegrondheid van verzoekers verzoek tot verkorting van de vertrouwelijkheidstermijn, zonder hem te verwijzen naar de nationale centrale banken.
205 Hoe dan ook is deze redenering van de ECB, die in tegenspraak is met de toegepaste regeling en de in casu genomen beslissing, niet relevant voor de beslechting van het onderhavige geschil en doet zij niet af aan de conclusie in punt 201 supra.
– Het middel inzake onwettigheid van artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB, welk middel is afgeleid uit de schending van het recht op toegang tot documenten en het grondbeginsel van de transparantie
206 Verzoeker stelt in de eerste plaats dat artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB alle effectiviteit ontneemt aan de artikelen 1 EU en 6 EU, alsmede aan de artikelen 110, lid 2, EG en 255, lid 1, EG, waarop zijn recht van toegang tot de documenten van de ECB is gegrond.
207 Men behoeft de genoemde artikelen echter slechts te lezen om te zien dat deze bewering van verzoeker ongefundeerd is.
208 Er zij aan herinnerd dat de lidstaten bij het Verdrag van Amsterdam, dat op 1 mei 1999 in werking is getreden, een nieuw artikel betreffende de toegang tot documenten in het EG-Verdrag hebben opgenomen, artikel 255 EG. Dit artikel luidt:
„1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald.
2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad volgens de procedure van artikel 251 de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten.
3. Elk van bovengenoemde instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op.”
209 Reeds uit de bewoordingen van artikel 255 EG volgt dat het artikel uitsluitend het recht van toegang betreft tot de documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Voorts zijn ingevolge artikel 110, lid 2, vierde alinea, EG alleen de „artikelen 253, 254 en 256 [...] van toepassing op de verordeningen en beschikkingen van de ECB”.
210 Verzoeker baseert zijn redenering betreffende het recht van toegang tot de documenten van de ECB kennelijk op een onjuiste versie van artikel 110, lid 2, vierde alinea, EG, die luidt: „De artikelen 253 tot en met 256 zijn van toepassing op de verordeningen en beschikkingen van de ECB.”
211 Deze materiële fout, die voorkomt in enkele niet-officiële geconsolideerde versies van het EG-Verdrag, is naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van een verkeerde toepassing van artikel 12, lid 2, van het Verdrag van Amsterdam, volgens welke de kruisverwijzingen in het EG-Verdrag zijn aangepast overeenkomstig de nieuwe nummering van lid 1 van dat artikel.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex