Gerecht EU 19 oktober 2006, T-311/04, ECLI:EU:T:2006:329
Tekst
Zaak T‑311/04
José Luis Buendía Sierra
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2003 – Toekenning van gratificatiepunten”
Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) van 19 oktober 2006
Samenvatting van het arrest
1. Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 45, 90 en 91)
2. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht
(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 90, lid 2)
3. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea, 26, 43, 45 en 90, lid 2)
4. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
5. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
6. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
7. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
8. Ambtenaren – Bezwarend besluit – Wijzen van vaststelling
(Ambtenarenstatuut, art. 45, 90, lid 2, en 91)
9. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
10. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
11. Ambtenaren – Beroep – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen
(Art. 233 EG; Ambtenarenstatuut, art. 45)
1. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op cumulatieve verdiensten, die worden uitgedrukt in punten die jaar na jaar worden verzameld, en waarbij de bevorderingsronde wordt afgesloten met een handeling van complexe aard, in de zin dat zij twee afzonderlijke besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag omvat, het besluit tot vaststelling van de lijst van bevorderden en het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten van de ambtenaren, waarop het eerstgenoemde besluit is gebaseerd, is dit besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten een autonome handeling waartegen als zodanig een klacht kan worden ingediend en in voorkomend geval beroep bij de rechter kan worden ingesteld in het kader van de rechtsmiddelen waarin het Statuut voorziet. In een dergelijk stelsel heeft de toekenning van punten in een bepaald jaar immers gevolgen die niet uitsluitend zijn beperkt tot de lopende bevorderingsronde, maar van invloed kunnen zijn in meer dan één bevorderingsronde, en roept zij dus bindende rechtsgevolgen in het leven die de belangen van de ambtenaar kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
Bijgevolg zal een in de lijst van bevorderden opgenomen ambtenaar, indien hij het totaalaantal punten dat hem door het tot aanstelling bevoegd gezag is toegekend en daarmee het saldo dat voor de volgende jaren wordt behouden, betwist, een klacht kunnen indienen en in voorkomend geval beroep bij de rechter kunnen instellen tegen de enkele handeling waarbij de punten worden toegekend en die ten aanzien van hem bindende en definitieve rechtsgevolgen teweegbrengt.
Het is ook denkbaar dat eenzelfde procedure kan worden ingeleid door een niet-bevorderde ambtenaar die niet wil opkomen tegen het uitblijven van een bevordering in de betrokken ronde, maar enkel tegen de weigering om een bepaald aantal punten toe te kennen dat hem niet in staat stelt om de bevorderingsdrempel te bereiken.
Verder zal een ambtenaar die niet is bevorderd wegens de, volgens hem ongerechtvaardigde, toekenning van een ontoereikend aantal punten om de bevorderingsdrempel te bereiken, zijn beroep kunnen richten tegen zowel het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot vaststelling van het totaalaantal punten als het besluit tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren. Ook al kunnen deze twee handelingen juridisch inderdaad worden onderscheiden en kunnen zij het voorwerp vormen van afzonderlijke vorderingen tot nietigverklaring, het staat vast dat zij in het geval van een weigering van een bevordering in werkelijkheid nauw met elkaar verbonden zijn. Deze weigering is immers noodzakelijkerwijs en uitsluitend gekoppeld aan het totaalaantal aan de ambtenaar toegekende punten, vergeleken met de bevorderingsdrempel, behalve ingeval deze ambtenaar deze drempel heeft bereikt en deel uitmaakt van de ex aequo-groep – dat wil zeggen de groep van de ambtenaren die de bevorderingsdrempel hebben gehaald, maar waarvan het aantal hoger ligt dan het aantal reële bevorderingsmogelijkheden – maar deze ambtenaar niet is bevorderd op grond van bijkomstige overwegingen die verband houden met de anciënniteit in de rang of het beginsel van gelijke kansen.
In dit laatste geval zal de betrokken ambtenaar rechtsgeldig beroep kunnen instellen tegen enkel het definitieve besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren, op grond van door het tot aanstelling bevoegd gezag bij de rangschikking van de ambtenaren in de zogenoemde ex aequo-groep gemaakte beoordelingsfouten.
(cf. punten 82, 88-94)
2. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op cumulatieve verdiensten, die worden uitgedrukt in punten die jaar na jaar worden verzameld, en waarbij de bevorderingsronde wordt afgesloten met een handeling van complexe aard, in de zin dat zij twee afzonderlijke besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag omvat, het besluit tot vaststelling van de lijst van bevorderden en het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten van de ambtenaren, waarop het eerstgenoemde besluit is gebaseerd, moet in het belang van de rechtszekerheid, gelijke behandeling en behoorlijk bestuur ervan worden uitgegaan dat de termijn van drie maanden voor de indiening van een klacht tegen deze twee besluiten ingaat op de dag dat de ambtenaar naar behoren kennis neemt van zijn bijgewerkte persoonlijke bevorderingsdossier op het interne informatiesysteem van de instelling, mits de ambtenaar dit dossier heeft geraadpleegd binnen een redelijke termijn na de bekendmaking van de korte samenvatting waarbij wordt meegedeeld dat de gegevens met betrekking tot de toegekende punten op dit systeem beschikbaar zijn.
In een dergelijk bevorderingsstelsel stelt de bekendmaking van de lijst van bevorderden, waarop enkel de namen en de werkplek van de betrokkenen staan, de betrokken ambtenaren immers niet in staat om volledige kennis te hebben van de bezwarende handeling waarmee de bevorderingsprocedure wordt afgesloten, die complex van aard is, en alleen door zijn persoonlijke bevorderingsdossier te raadplegen zal de ambtenaar kennis kunnen nemen van zijn totaalaantal punten en de verdeling ervan.
(cf. punten 105, 111-112, 115, 118, 121)
3. Het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, waarvan sommige – „meritepunten” – het resultaat zijn van de omzetting van het puntenaantal dat de ambtenaar bij zijn periodieke beoordeling als bedoeld in artikel 43 van het Statuut heeft ontvangen, en andere – „gratificatiepunten” – aanvullend worden toegekend en op zich niet bepalend zijn voor de bevordering, maar tot doel hebben de ambtenaren te belonen die hun individuele doelstellingen hebben overtroffen of die met succes supplementaire taken in het belang van de instelling hebben verricht, schendt niet het beginsel van gelijke behandeling of artikel 45 van het Statuut, omdat deze twee soorten punten ten doel hebben verdienste te belonen en de toekenning ervan steeds moet zijn gestaafd door op verdienste gebaseerde argumenten.
In dit stelsel, waarbij de bevorderingsronde wordt afgesloten met een handeling van complexe aard, in de zin dat zij twee afzonderlijke besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag omvat, het besluit tot vaststelling van de lijst van bevorderden en het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten van de ambtenaren, waarop het eerstgenoemde besluit is gebaseerd, is het ontbreken van een motivering van besluiten inzake de toekenning van gratificatiepunten niet in strijd met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut. Deze bepaling verplicht niet tot het motiveren van voorstellen, aanbevelingen of adviezen die op zichzelf niet bezwarend zijn, en heeft geen betrekking op voorbereidende handelingen. Aan de motiveringsplicht is voldaan, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit tot afwijzing van een krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht met redenen omkleedt.
De toekenning van gratificatiepunten is evenmin in strijd met artikel 26 van het Statuut, dat als doelstelling heeft, de rechten van de verdediging van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen dat het tot aanstelling bevoegd gezag besluiten neemt die zijn ambtelijke positie en loopbaan raken, op grond van gegevens over zijn gedrag die niet in zijn persoonlijke dossier zijn opgenomen. Deze toekenning vindt immers plaats na bestudering van de resultaten van de loopbaanontwikkelingsrapporten en gelet op de verdiensten van de betrokken ambtenaren, zoals die blijken uit deze rapporten, die worden opgesteld als onderdeel van een ingewikkeld proces waarbij de ambtenaren nauw worden betrokken in overeenstemming met artikel 43 van het Statuut, dat bepaalt dat het periodieke rapport ter kennis wordt gebracht van de betrokkene, die „de bevoegdheid [heeft] hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht”. Schending van de rechten van de verdediging kan evenmin worden aangevoerd ten aanzien van de besluiten tot toekenning van deze punten, die slechts voorbereidende handelingen voor de besluiten tot vaststelling van het totaalaantal bevorderingspunten en tot vaststelling van de lijst van bevorderden vormen, aangezien de rechten van de verdediging niet van toepassing zijn op dergelijke handelingen, maar wel op bezwarende handelingen.
(cf. punten 129‑138, 143-147, 152, 155-157)
4. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, waarvan sommige – „meritepunten” – het resultaat zijn van de omzetting van het puntenaantal dat de ambtenaar bij zijn periodieke beoordeling op grond van artikel 43 van het Statuut heeft ontvangen, en andere – „gratificatiepunten” – tot doel hebben de meest verdienstelijke ambtenaren te onderscheiden, teneinde hun bevorderingskansen te vergroten, kan noch het bestaan van een quotum voor de toekenning van laatstgenoemde punten binnen elk directoraat-generaal noch de aanduiding van een streefgemiddelde voor de toekenning van het eerste soort punten de beoordelingsvrijheid van de beoordelaars beperken in een mate die strijdig is met artikel 45 van het Statuut, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van loopbaanontwikkeling. Integendeel, het lijkt erop dat deze twee mechanismen bevorderlijk zijn voor een effectieve weergave van een beoordeling die representatief is voor de verdiensten van de ambtenaren, en tegelijkertijd waarborgen dat de beoordelingen in alle directoraten-generaal van de Commissie zo vergelijkbaar mogelijk zijn en bijgevolg dat deze ambtenaren gelijk worden behandeld. In dat opzicht moet in de praktijk het vergelijkend onderzoek van de verdiensten op voet van gelijkheid en aan de hand van vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen plaatsvinden.
Het quotum gratificatiepunten van het directoraat-generaal beantwoordt aan de algemene doelstelling van dit soort punten, die erin bestaat de meest verdienstelijke ambtenaren te onderscheiden teneinde hun bevorderingskansen te vergroten. Een beperking van het aantal beschikbare punten kan de directoraten-generaal immers aanzetten tot het maken van een dergelijke selectie. Deze doelstelling zelf is verenigbaar met artikel 45 van het Statuut, de gelijke behandeling en de loopbaanontwikkeling.
Wat het streefgemiddelde voor meritepunten betreft, spoort dit bevorderingsstelsel aan om dit gemiddelde te eerbiedigen, maar legt het geen absolute verplichting op. Het feit dat de directoraten-generaal ermee rekening houden, betekent geenszins dat hun beoordelingsvrijheid is beperkt in een mate die strijdig is met artikel 45 van het Statuut, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van loopbaanontwikkeling. Dit gemiddelde, dat de rekenkundige uitdrukking van de beoordeling van de prestaties van een gemiddelde ambtenaar is, belet de beoordelaars immers niet om gebruik te maken van een zeer breed assortiment aan puntenaantallen, zelfs in samenhang met de als aanwijzing dienende en niet verbindende bandbreedtes die het gevolg zijn van een observatie van de manier waarop ruwweg bevorderingen in het verleden zijn toegekend. Een dergelijk gemiddelde beperkt de beoordelaars evenmin in de mogelijkheid om in de individuele beoordelingen van de prestaties van iedere ambtenaar verschillen aan te brengen naargelang deze prestaties lager of hoger dan dit gemiddelde liggen, zodat de beoordelaars hun beoordeling van de ambtenaren kunnen nuanceren. Het kan het gevaar voor inflatie van de puntenaantallen voorkomen, door de beoordelaars ertoe te dwingen grondiger te werk te gaan bij de vergelijking van ieders individuele verdiensten, en kan het gevaar verminderen voor verschillen in de gemiddelden van de door de verschillende directoraten-generaal uitgevoerde beoordelingen, waaraan geen objectieve overwegingen ten grondslag zouden liggen die verband houden met de verdiensten van de beoordeelde ambtenaren. Tot slot houdt een dergelijk gemiddelde rekening met de doorgaans waargenomen werkelijkheid, namelijk dat de beoordeelde ambtenaren gelijkelijk zijn verdeeld rond het gemiddelde verdienstenniveau, met de mogelijkheid om af te wijken van het streefgemiddelde wanneer de bijzondere situatie van een directoraat-generaal niet overeenstemt met de algemene werkelijkheid, en met de mogelijkheid voor de ambtenaren om een oneigenlijk beroep in te stellen dat het tot aanstelling bevoegd gezag ertoe kan brengen hun buiten het quotum één of meer gratificatiepunten toe te kennen, hetgeen volstaat om de problemen op te lossen die zich kunnen voordoen in de diensten waar zich veel zeer goede krachten bevinden.
(cf. punten 169, 172‑177, 179‑183, 187)
5. Het is eigen aan de wijziging van een regeling dat op een bepaalde datum een nieuwe situatie wordt ingevoerd, terwijl ervoor wordt gezorgd dat rekening wordt gehouden met eerder tot stand gekomen situaties. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, is het de taak van het tot aanstelling bevoegd gezag om bij de wijziging van de regels inzake de bevordering te zorgen voor een overgangsregeling die rekening houdt met de specifieke vereisten in verband met de overstap van de ene wijze van beheer naar de andere. Deze vereisten kunnen hem ertoe dwingen om tijdelijk en binnen bepaalde grenzen af te wijken van de strikte toepassing van de regels en beginselen van permanente waarde die gewoonlijk op de betrokken situaties van toepassing zijn. Dergelijke afwijkingen moeten evenwel worden gerechtvaardigd door een dwingende noodzaak die verband houdt met de overgang, en mogen wat de duur en de draagwijdte ervan betreft niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is om een ordelijke overgang van de ene regeling naar de andere te waarborgen. Teneinde de verdiensten die de ambtenaren op het moment van inwerkingtreding van dit stelsel in hun rang hadden opgebouwd, in aanmerking te nemen, omvat de overgangsregeling de toekenning van verschillende overgangspunten aan deze ambtenaren.
Aangaande de overgangsgratificatiepunten die ambtshalve per dienstjaar in de rang, tot een bepaald maximum, aan de ambtenaren worden toegekend, kan dit aantal dienstjaren worden beschouwd als een objectieve, maar slechts gedeeltelijke indicator van de door een ambtenaar opgebouwde verdienste. Uit de toekenning van deze punten blijkt dus dat in strijd met de regels die de bevorderingsprocedures gewoonlijk beheersen, de anciënniteit in de rang in aanmerking wordt genomen. De invoering van een stelsel dat wordt gekenmerkt door een kwantificatie van de verdienste en door de noodzaak om een bepaalde drempel, overeenkomend met de som van de gratificatiepunten en de meritepunten, te bereiken om te kunnen worden bevorderd, houdt echter in dat rekening moet worden gehouden met de verdiensten die de ambtenaren sinds hun laatste bevordering hebben opgebouwd, in de vorm van de toekenning van een bepaald aantal punten en volgens een methode die het beginsel van gelijke behandeling niet schendt. De maatregel die bestaat in de automatische toekenning van gratificatiepunten aan de hand van de anciënniteit in de rang, beantwoordt aan deze dwingende noodzaak die verband houdt met de overgang, en op grond van de voorschriften die de draagwijdte ervan beperken, zoals de beperking ervan tot de eerste bevorderingsronde na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, het zeer beperkte gewicht van deze punten op het totaal van de punten die kunnen worden toegekend, en de voorwaarde voor bevordering dat de ambtenaar in zijn laatste loopbaanontwikkelingsrapport in totaal een bepaald aantal andere punten moet hebben behaald, kan worden geconcludeerd dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verder is gegaan dan wat strikt noodzakelijk was om een ordelijke overgang van de ene regeling naar de andere te waarborgen.
De ten hoogste twee overgangsgratificatiepunten per ambtenaar die op voorstel van de bevorderingscomités door het tot aanstelling bevoegd gezag kunnen worden toegekend, zijn ingevoerd om de specifieke problemen die zijn verbonden aan de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel, op billijke wijze op te lossen. Dit bijzondere doel sluit noodzakelijkerwijs aan op de doelstelling van alle overgangspunten, waarvan zij deel uitmaken, namelijk dat rekening wordt gehouden met de verdienste die een ambtenaar sinds zijn laatste bevordering heeft opgebouwd, zodat de bepaling inzake de toekenning ervan op zichzelf geen inbreuk maakt op artikel 45 van het Statuut. Het feit dat die toekenning zou kunnen leiden tot willekeurige bevorderingen, zou het gevolg zijn van de individuele toepassing van deze bepaling en niet van de intrinsieke onwettigheid ervan.
De overgangsgratificatiepunten die kunnen worden toegekend aan de ambtenaren die in de vorige ronde voor bevordering zijn voorgesteld, maar niet zijn bevorderd, zijn evenmin in strijd met artikel 45 van het Statuut. Een praktijk bestaande in de automatische bevordering van een overgeblevene van de vorige bevorderingsronde schendt weliswaar het in deze bepaling neergelegde beginsel van het vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, maar het tot aanstelling bevoegd gezag heeft in beginsel het recht om bij het vergelijkend onderzoek van de verdiensten ermee rekening te houden dat een ambtenaar reeds bij een vorige bevorderingsronde voor bevordering is voorgesteld, op voorwaarde dat hij niet is tekortgeschoten en dat zijn verdiensten worden beoordeeld in vergelijking met die van de andere voor bevordering in aanmerking komende kandidaten. Dit is het geval in de door de Commissie toegepaste overgangsregeling.
Tot slot bestaat er geen enkele verplichting voor de Commissie om als methode voor de omrekening van oude beoordelingen te kiezen voor die van het gemiddelde van de gespecificeerde beoordelingen of die welke is toegepast door andere instellingen, die minder afbreuk zou doen aan de regel van de bevordering op grond van verdienste. De verandering van de geldende methoden voor de bevordering van ambtenaren heeft immers per definitie tot doel, tegemoet te komen aan bepaalde bezwaren die voortvloeien uit de toepassing van de oude regels. Het is dus eigen aan een dergelijk hervormingsproces, ten aanzien van de noodzaak waarvan de administratie over veel speelruimte beschikt, om op een bepaalde datum de beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren op nieuwe grondslagen te doen plaatsvinden. In het kader van de nieuwe regeling kan niet van de administratie worden geëist dat zij volledig en op identieke wijze rekening houdt met de beoordelingen die de ambtenaren onder de oude regeling hebben gekregen, want dat zou vrijwel onvermijdelijk tot gevolg hebben dat de hervorming van de wijze van bevordering van elke praktische betekenis wordt ontdaan, en dat terwijl de personeelsleden geen recht hebben op handhaving van de geldende regeling.
(cf. punten 204‑211, 213-218, 220)
6. Niet strijdig met artikel 45 van het Statuut is de bepaling in het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie, volgens welke de ambtenaren gratificatiepunten kunnen worden toegekend bij wijze van erkenning van supplementaire taken die in het belang van de instelling zijn verricht, omdat deze punten enkel een beloning kunnen vormen voor taken die niet behoren tot de gewone werkzaamheden van de ambtenaar, die niet aan een jaarlijkse beoordeling worden onderworpen en dus ook niet als grondslag voor de toekenning van andere soorten meritepunten dienen. Overigens kan het tot aanstelling bevoegd gezag op grond van het door de Commissie vastgelegde rechtskader in ieder geval een dubbeltelling van verdiensten voorkomen.
(cf. punten 236, 240)
7. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, zou de strikte toepassing op de directoraten-generaal waar het aantal personeelsleden in iedere rang nogal klein is, van de regel dat ieder directoraat-generaal beschikt over een quotum gratificatiepunten gelijk aan 2,5 keer het aantal ambtenaren die gelet op hun rang nog kunnen worden bevorderd, en dat op de toekenning ervan een verdeelsleutel wordt toegepast voor de verdeling onder de best presterende ambtenaren en de andere ambtenaren, automatisch resulteren in een aanzienlijke verlaging van het aantal gratificatiepunten dat moet worden verdeeld onder de ambtenaren die binnen deze eenheden werken, ten nadele van deze laatste. Deze ambtenaren bevinden zich derhalve in een positie die objectief verschilt van die van hun collega’s die in omvangrijke directoraten-generaal of diensten werkzaam zijn, hetgeen ter eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en van loopbaanontwikkeling een andere behandeling verklaart en rechtvaardigt, zoals de bijzondere bepaling dat voor de ambtenaren in directoraten-generaal en diensten met minder dan vier ambtenaren per rang in totaal tien gratificatiepunten beschikbaar zijn, waarvan de verdeling niet is onderworpen aan de verdeelsleutel die in het algemeen voor de andere ambtenaren is vastgelegd.
(cf. punten 246‑250)
8. Het Statuut en de interne regeling van de Commissie waarbij een bevorderingsstelsel is ingevoerd dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, stellen geen enkel vormvereiste voor de vaststelling van de besluiten tot toekenning van deze punten of van de besluiten op de oneigenlijke beroepen die tegen deze toekenning bij het tot aanstelling bevoegd gezag worden ingesteld. In het bijzonder sluit artikel 90, lid 2, van het Statuut, dat bepaalt dat ambtenaren bij het tot aanstelling bevoegd gezag „een klacht [kunnen] indienen tegen een besluit”, niet uit dat een dergelijk besluit op een andere wijze dan op papier wordt meegedeeld. Hieruit volgt dat het verantwoordelijke gezag dergelijke besluiten kan vaststellen door een elektronische handtekening te plaatsen op een digitaal document dat daarvoor binnen een informatietechnologisch systeem geschikt is gemaakt, zonder formalisering op schrift.
(cf. punten 255‑256)
9. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, moet de toekenning van de gratificatiepunten, die bedoeld zijn om de meest verdienstelijke ambtenaren te belonen teneinde hun bevorderingskansen te vergroten, worden gebaseerd op overwegingen die verband houden met de bijzondere verdiensten van de betrokken ambtenaren, waarbij de anciënniteit in de rang voor de toekenning ervan hoe dan ook geen doorslaggevende factor mag zijn. Derhalve kan de totale som van de meritepunten, die het resultaat zijn van de omzetting van het puntenaantal dat de ambtenaar bij zijn periodieke beoordeling als bedoeld in artikel 43 van het Statuut heeft ontvangen, en de overgangsgratificatiepunten, die ambtshalve per dienstjaar in de rang, tot een bepaald maximum, aan de ambtenaren worden toegekend, niet worden gebruikt als hoofdcriterium voor de toekenning van de gratificatiepunten, omdat dit criterium tot het objectieve resultaat kan leiden dat ambtenaren met een hoger aantal dienstjaren in de rang worden bevoordeeld. De administratie kan weliswaar tijdelijk en binnen bepaalde grenzen afwijken van de strikte toepassing van de regels en beginselen van permanente waarde die gewoonlijk op de bevorderingsprocedures van toepassing zijn, maar uitsluitend om tegemoet te komen aan een dwingende noodzaak die verband houdt met de overgang van de oude naar de nieuwe bevorderingsregels, en om rekening te houden met de specifieke vereisten in verband met de overstap van de ene wijze van beheer naar de andere. De gratificatiepunten vormen echter een permanent en niet-voorlopig aspect van het nieuwe bevorderingsstelsel. Teneinde de verdiensten in aanmerking te nemen die de ambtenaren van de Commissie op het moment van inwerkingtreding van dit stelsel in hun rang hadden opgebouwd, is de toekenning van drie categorieën overgangspunten gerechtvaardigd.
(cf. punten 286, 288, 290, 293, 297, 301)
10. De administratie beschikt bij de beoordeling van de verdiensten die in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut en bijgevolg ook in het kader van een besluit tot toekenning van gratificatiepunten in aanmerking moeten worden genomen in een bevorderingsstelsel waarin deze beoordeling wordt gekwantificeerd, over een ruime beoordelingsvrijheid, en het toezicht van de gemeenschapsrechter moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet kennelijk onjuist gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.
(cf. punten 291, 320)
11. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, moet ingeval van nietigverklaring door de gemeenschapsrechter van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om aan verzoeker slechts een bepaald aantal punten toe te kennen, tevens het besluit tot weigering om hem in de lijst van de bevorderde ambtenaren op te nemen, worden nietig verklaard wanneer de maatregelen die de administratie zal moeten nemen om de vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen, verzoeker naar de bevorderingsdrempel zouden kunnen tillen. Nietigverklaring van de gehele lijst van bevorderden zou daarentegen een te strenge sanctie vormen. Dit oordeel wordt niet weersproken door de omstandigheid dat de in het kader van de litigieuze bevorderingsronde genomen besluiten niet ophouden gevolgen te hebben aan het einde daarvan, omdat verzoeker in de toekomst zou kunnen concurreren met ambtenaren van wie de bevordering niet is nietig verklaard.
(cf. punten 340‑342, 349)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)
19 oktober 2006 (*)
„Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2003 – Toekenning van gratificatiepunten”
In zaak T‑311/04,
José Luis Buendía Sierra, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door M. van der Woude en V. Landes, advocaten,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid en V. Joris als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van:
– het besluit van de directeur-generaal van de juridische dienst van de Commissie om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2003 slechts één gratificatiepunt van het directoraat-generaal toe te kennen, welk besluit hem is meegedeeld op 2 juli 2003 en is bevestigd bij een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag dat op 16 december 2003 te zijner kennis is gebracht;
– het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2003 geen enkel speciaal gratificatiepunt voor supplementaire werkzaamheden in het belang van de instelling toe te kennen, welk besluit op 16 december 2003 via het Sysper-systeem te zijner kennis is gebracht;
– de volgende besluiten: het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2003 een totaal van 20 punten toe te kennen; de in het kader van de bevorderingsronde 2003 opgestelde lijst van verdienstelijke ambtenaren in de rang A5, die in Mededelingen van de Administratie nr. 69‑2003 van 13 november 2003 is bekendgemaakt; de in het kader van de bevorderingsronde 2003 opgestelde lijst van naar de rang A4 bevorderde ambtenaren, die in Mededelingen van de Administratie nr. 73‑2003 van 27 november 2003 is bekendgemaakt, en in elk geval het besluit om de naam van verzoeker niet op de genoemde lijsten te plaatsen;
– voor zover nodig, het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 15 juni 2004 tot afwijzing van de klacht die hij op 12 februari 2004 heeft ingediend,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. E. Martins Ribeiro, F. Dehousse, D. Šváby en K. Jürimäe, rechters,
griffier: I. Natsinas, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 september 2005,
het navolgende
Arrest
Rechtskader
1 Artikel 26, eerste en tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in de ten tijde van de feiten van deze zaak geldende versie (hierna: „Statuut”), luidt als volgt:
„Het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden:
a) alle bescheiden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag;
b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt.
Elk dezer stukken dient te zijn ingeschreven, genummerd en opgeborgen in ononderbroken volgorde; stukken, bedoeld sub a, kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren, noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan zijn dossier worden toegevoegd.”
2 Artikel 43, eerste alinea, van het Statuut bepaalt:
„Op de door elke instelling overeenkomstig artikel 110 vastgestelde wijze wordt van iedere ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, ten minste om de twee jaar een periodiek beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst.”
3 Artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut luidt:
„Bevordering vindt plaats bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag. Zij brengt voor de betrokken ambtenaar aanstelling mede in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort. Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.”
4 Op 30 oktober 2001 heeft de Commissie mededeling SEC (2001) 1697 betreffende het „loopbaanontwikkelingsrapport” (beoordeling van het personeel) en de bevorderingsprocedure vastgesteld. Zij zet daarin de hoofdlijnen van haar personeelsbeleid uiteen, dat tot doel heeft „de loopbaanontwikkeling te koppelen aan de beoordeling van de door de werknemer geleverde resultaten en van zijn potentieel”. Zij verklaart onder andere dat „het hoofdkenmerk [van het nieuwe bevorderingsstelsel] is dat het op verdienste is gebaseerd”. Zij voegt hieraan toe: „Verdienste is een dynamisch en cumulatief begrip (een ‚kapitaal’) [...]. Zij wordt gekwantificeerd door middel van een puntensysteem. Na verloop van tijd (naar gelang van de opgebouwde verdiensten) geeft het ‚puntenkapitaal’ de ambtenaar het recht om te worden voorgedragen voor bevordering naar een hogere rang.” De Commissie preciseert dat „de aantallen punten en beoordelingen die zijn verkregen in het kader van de loopbaanontwikkelingsrapporten [...], [overeen]komen [...] met meritepunten”, waaraan gratificatiepunten worden toegevoegd. Zij benadrukt dat „de toekenning van [deze] gratificatiepunten altijd schriftelijk moet worden gerechtvaardigd met op verdienste gebaseerde argumenten.” Zij „zijn bedoeld om de ambtenaren die het verdienstelijkst worden geacht, te belonen door op termijn hun bevorderingskansen te vergroten of door hun de mogelijkheid te geven om nu reeds in het kader van de lopende bevorderingsronde te worden bevorderd.” De Commissie preciseert dat „de toekenning van gratificatiepunten [...] ook [moet] worden gerechtvaardigd door middel van gedetailleerde, schriftelijk opgestelde beoordelingen”. Zij voegt hieraan toe dat „gratificatiepunten zullen worden toegekend aan de hand van een rangorde van criteria die tot doel hebben onderscheid aan te brengen tussen verdienstelijke personeelsleden”. Volgens de Commissie is „het fundamentele criterium [...] een vergelijking van de verdiensten binnen het gehele [directoraat-generaal], waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het potentieel van de persoon (op basis van een objectieve beoordeling van de geleverde prestaties en de gedemonstreerde bekwaamheid).” Zij benadrukt het feit dat „het stelsel onder meer tot doel [heeft], in de beoordelingen door de verschillende diensten van de Commissie het hoogst mogelijke niveau van consistentie te verzekeren.” Tot slot preciseert zij dat „het [...] er logischerwijs ook om [gaat], ervoor te zorgen dat het tempo van bevorderingen van personeelsleden van het ene directoraat-generaal kan worden vergeleken met dat van andere directoraten-generaal.”
5 Op 26 april 2002 heeft de Commissie een besluit tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende artikel 43 van het Statuut en een besluit tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende artikel 45 van het Statuut genomen (hierna respectievelijk: „uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43” en „uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45”).
6 Ingevolge artikel 1, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 wordt „van iedere ambtenaar [...] ieder jaar een ‚loopbaanontwikkelingsrapport’ opgesteld, dit is een periodiek rapport inzake de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van deze personeelsleden [...]”.
7 In artikel 2, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 worden de begrippen meritepunten en gratificatiepunten voor de toepassing van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 en het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 gedefinieerd. Artikel 2, lid 1, tweede tot en met vijfde alinea, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 bepaalt:
„Zowel meritepunten als gratificatiepunten hebben ten doel verdienste te belonen en de toekenning van gratificatiepunten moet steeds zijn gestaafd door op verdienste gebaseerde argumenten.
Meritepunten worden toegekend in het kader van het loopbaanontwikkelingsrapport.
Gratificatiepunten zijn extra punten die
a) door de directeur-generaal (wanneer het A‑ of LA-ambtenaren betreft) [...] aan verdienstelijke personeelsleden kunnen worden toegekend zodra de loopbaanontwikkelingsrapporten in het betrokken [directoraat-generaal] of de betrokken dienst zijn opgesteld. De criteria voor de toekenning van dit soort gratificatiepunten zijn vastgesteld in artikel 6 van [het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45].
b) door het tot aanstelling bevoegde gezag op voorstel van het bevorderingscomité kunnen worden toegekend aan verdienstelijke personeelsleden die in het belang van de instelling extra taken op zich hebben genomen. De criteria voor de toekenning van dit soort gratificatiepunten zijn vastgesteld in artikel 9 van [het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45].
c) door het tot aanstelling bevoegde gezag op voorstel van het bevorderingscomité kunnen worden toegekend ingeval beroep is aangetekend tegen een besluit betreffende de toekenning van gratificatiepunten, als bedoeld in artikel 13 van [het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45].
De in de loop der jaren verworven merite‑ en gratificatiepunten worden opgeteld. Bij een bevordering wordt de totale score verminderd met het aantal punten dat als bevorderingsdrempel is vastgesteld; het saldo blijft behouden en wordt bij de volgende bevorderingsronde mede in aanmerking genomen.”
8 Volgens Mededelingen van de Administratie nr. 99‑2002 van 3 december 2002 betreffende de personeelsbeoordelingsprocedure 2001‑2002 (overgang) ontvangt „iedere ambtenaar [...] bij [zijn] beoordeling een totaalaantal punten tussen [0] en [20] uit [20]”. Dit puntenaantal wordt vervolgens omgezet in meritepunten die kunnen worden gebruikt voor de bevordering. Uit dezelfde Mededelingen van de Administratie blijkt dat het aantal meritepunten, behoudens uitzonderingen, overeenkomt met het totale puntenaantal voor de beoordeling.
9 Artikel 3 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt dat ambtenaren pas kunnen worden bevorderd „na een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van alle ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen”. Blijkens dit artikel „wordt in de eerste plaats rekening gehouden met de puntenscore die iedere ambtenaar de afgelopen jaren heeft opgebouwd”. De Commissie voegt hieraan toe dat „andere criteria [...], overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 1, [van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45], slechts in overweging [worden] genomen wanneer er sprake is van verschillende ambtenaren met een gelijke score”.
10 Artikel 4 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt:
„De bevorderingsronde bestaat uit twee fasen:
a) In een eerste fase worden door de [directoraten-generaal] en vervolgens door de bevorderingscomités als bedoeld in artikel 14, gratificatiepunten toegekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6, 7 en 9;
b) Vervolgens vindt de eigenlijke bevorderingsprocedure plaats, die in artikel 10 nader is toegelicht.”
11 Krachtens artikel 6 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 verdelen de directeuren-generaal of de directeuren de aan elk directoraat-generaal (hierna: „DG”) ter beschikking gestelde gratificatiepunten (hierna: „gratificatiepunten van het DG”) na overleg met de beoordelingscomités.
12 Blijkens artikel 6, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 beschikt voor deze verdeling „ieder DG over een quotum gratificatiepunten gelijk aan 2,5 keer het aantal ambtenaren van het betrokken DG die gelet op hun rang nog kunnen worden bevorderd”. Uit dezelfde bepaling en Mededelingen van de Administratie nr. 99‑2002 volgt echter dat wanneer in een DG het gemiddelde aantal meritepunten voor een bepaalde rang het gemiddelde van 14 uit 20 met meer dan één punt overschrijdt, het quotum gratificatiepunten voor dat DG wordt verminderd met het aantal punten dat boven voornoemd gemiddelde ligt. Het DG kan deze overschrijding echter motiveren en het bevorderingscomité kan in uitzonderlijke gevallen besluiten het quotum niet of in geringere mate te verlagen.
13 Artikel 6, lid 2, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt: „Alvorens tot de toekenning van de gratificatiepunten wordt overgegaan, komen in ieder DG de directeur-generaal en de directeuren bijeen om de criteria vast te stellen voor de verdeling van het gratificatiequotum over de verschillende directoraten.”
14 Artikel 6, lid 3, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 luidt:
„Na bestudering van de resultaten van de loopbaanontwikkelingsrapporten worden door de directeuren-generaal op voorstel van de directeuren, wanneer het personeelsleden van categorie A betreft, [...] gratificatiepunten toegekend aan de ambtenaren die het meest verdienstelijk worden geacht, onder meer omdat
i) zij ertoe hebben bijgedragen dat in het kader van het werkprogramma van het directoraat/directoraat-generaal betere resultaten zijn bereikt dan kon worden verwacht, onder meer doordat zij bijstand aan andere diensten hebben verleend;
ii) uit hun loopbaanontwikkelingsrapport blijkt dat zij bij de uitvoering van hun functie bijzondere inspanningen hebben gedaan en opmerkelijke resultaten hebben bereikt.”
15 Artikel 6, lid 4, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt dat „[v]oor de verdeling van het gratificatiequotum [...] de volgende voorschriften [gelden]”:
„a) 50 % van het quotum waarover het DG beschikt, wordt verdeeld onder de best presterende ambtenaren die blijk hebben gegeven van uitzonderlijke verdienste wat de [in lid 3,] sub i en ii genoemde criteria betreft. Deze ambtenaren vormen voor iedere rang ongeveer 15 % van het personeel van het DG in die rang. Aan ieder van deze ambtenaren kunnen 6 tot 10 punten worden toegekend.
b) De overige 50 % wordt verdeeld onder andere ambtenaren die in het licht van de [in lid 3,] sub i en ii genoemde criteria verdienstelijk worden geacht. Aan deze ambtenaren worden 0 tot 4 punten toegekend.
Een ambtenaar kan slechts tot een van de bovengenoemde groepen behoren; dit betekent dat bij iedere bevorderingsronde ten hoogste 10 gratificatiepunten aan een ambtenaar kunnen worden toegekend.
[...]”
16 Artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt dat zodra de gratificatiepunten overeenkomstig de in artikel 6 bedoelde procedure zijn toegekend, het DG Personeelszaken en algemeen beheer de lijsten van verdienstelijke ambtenaren voor iedere betrokken rang en in afnemende volgorde van de opgebouwde puntenaantallen opstelt, deze lijsten op het intranet bekendmaakt en aan alle personeelsleden meedeelt. De ambtenaren van wie het puntenaantal niet meer dan vijf punten lager ligt dan de bevorderingsdrempel en de ambtenaren die deze drempel bereiken of overschrijden, worden op deze lijsten geplaatst.
17 Volgens artikel 13, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 kunnen de ambtenaren binnen vijf werkdagen na de bekendmaking van de in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijsten van verdienstelijke ambtenaren bij het bevorderingscomité beroep instellen tegen de besluiten inzake de toekenning van gratificatiepunten (hierna: „oneigenlijk beroep”). Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 kan „[b]ij het onderzoek van ieder individueel geval [...] het bevorderingscomité, wanneer het dat nuttig acht, de toekenning van een aantal gratificatiepunten voorstellen. In zijn met redenen omkleed advies formuleert het comité een aanbeveling voor het tot aanstelling bevoegde gezag”, dat kan besluiten tot de toekenning van extra gratificatiepunten, waarvan het toegekende aantal wordt bekendgemaakt (hierna: „gratificatiepunten na beroep”).
18 Ingevolge artikel 9, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 doen de bevorderingscomités voorts aanbevelingen bij het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) inzake de toekenning van gratificatiepunten bij wijze van erkenning van supplementaire taken die in het belang van de instelling zijn verricht (hierna: „gratificatiepunten voor supplementaire taken”). Deze taken zijn opgesomd in bijlage I bij dit uitvoeringsbesluit.
19 Artikel 12 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bevat een overgangsregeling voor de bevorderingsronde 2003, teneinde „de verdienste over langere termijn naar behoren in aanmerking te kunnen nemen”. In lid 3 van deze bepaling worden drie categorieën gratificatiepunten genoemd die bij wijze van overgang worden toegekend (hierna: „overgangsgratificatiepunten”):
„a) Bij wijze van overgang worden aan de ambtenaren [overgangsgratificatiepunten] toegekend a rato van één punt per dienstjaar in de rang, tot ten hoogste 7 punten. Bovendien beschikken de bevorderingscomités over een quotum van 0,25 punten per ambtenaar, dat zij over de ambtenaren kunnen verdelen tot een maximum van 2 punten per ambtenaar.
b) Ook de [DG’s] kunnen bij wijze van overgang extra punten toekennen teneinde rekening te houden met de ambtenaren die bij de vorige bevorderingsronde voor bevordering zijn voorgesteld, maar niet zijn bevorderd [...]” (hierna: „overgeblevenen”).
20 Volgens Mededelingen van de Administratie nr. 18‑2003 van 17 februari 2003 (Bevorderingen 2003 – Categorieën A, LA, B, C en D – Huishoudelijke begroting – Overgeblevenen van de bevorderingsronde 2002), en Mededelingen van de Administratie nr. 34‑2003 van 2 mei 2003 (Bevorderingsronde 2003), punt III, kunnen ten hoogste vier extra gratificatiepunten worden toegekend (hierna: „extra gratificatiepunten”).
21 Artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 luidt:
„1. Zodra de in artikel 9 beschreven procedure is voltooid, komen de in artikel 14 bedoelde bevorderingscomités bijeen om de lijst van verdienstelijke ambtenaren te bespreken en bevorderingsvoorstellen te formuleren, waarbij een keuze moet worden gemaakt uit een groep ambtenaren waarvan het aantal hoger ligt dan het aantal reële bevorderingsmogelijkheden (ex aequo-groep). Wanneer tussen ambtenaren met een gelijk aantal punten moet worden gekozen, moeten andere elementen in aanmerking [worden] genomen, die onder meer verband houden met de anciënniteit in de rang en het beginsel van gelijke kansen. De procedure begint uiterlijk op 15 mei. Ieder comité legt zijn met redenen omklede voorstellen voor aan het [TABG]. De lijst van deze voorstellen wordt op het intranet bekendgemaakt; daarbij moet worden aangegeven welke van de ambtenaren van wie de score gelijk is aan de bevorderingdrempel, door het bevorderingscomité zijn voorgesteld en welke niet.
2. Om te kunnen worden bevorderd, moet de ambtenaar in zijn laatste loopbaanontwikkelingsrapport in totaal ten minste 10 meritepunten hebben behaald. [...]
3. Op basis van de voorstellen van de bevorderingscomités besluit het [TABG] in juni welke ambtenaren in iedere rang zullen worden bevorderd. Bij iedere bevordering wordt de referentiedrempel in mindering gebracht op de door de bevorderde ambtenaar opgebouwde meritescore; het saldo blijft behouden en wordt de volgende jaren mede in aanmerking genomen.
4. In juli maakt [het DG Personeelszaken en algemeen beheer] de lijst bekend van de bevorderde ambtenaren.
[...]”
22 Artikel 14, leden 1 en 2, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt:
„1. Er worden vijf bevorderingscomités ingesteld, respectievelijk voor personeelsleden van de categorieën A, LA, B, C en D.
2. Deze comités zijn als volgt samengesteld:
Categorie A: de directeur-generaal van [het DG Personeelszaken en algemeen beheer], die als voorzitter fungeert; een aantal leden gelijk aan het aantal directeuren-generaal en diensthoofden; 15 door het centrale personeelscomité aangewezen leden die ten minste de rang A4/LA4 hebben.
[...]”
Feiten en procesverloop
23 Verzoeker is sinds april 1991 ambtenaar van de Europese Gemeenschappen. Sinds 1 juli 2001 is hij lid van de juridische dienst van de Commissie.
24 Op 15 maart 2003 is aan verzoeker in zijn loopbaanontwikkelingsrapport een puntenaantal van 16 uit 20 toegekend voor de periode van juli 2001 tot en met december 2002. Dit puntenaantal is omgezet in 16 meritepunten.
25 Bij een besluit dat op 3 juli 2003 aan verzoeker is meegedeeld, heeft de directeur-generaal van de juridische dienst hem op grond van artikel 6 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bovendien één gratificatiepunt van het DG toegekend.
26 Krachtens artikel 12, lid 3, sub a, eerste zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 heeft de juridische dienst hem ook drie overgangsgratificatiepunten toegekend naar rato van één punt per dienstjaar in de rang (hierna: „overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang”), hetgeen overeenstemt met drie dienstjaren in de rang A5.
27 De in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst van verdienstelijke ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2003 met betrekking tot de ambtenaren in de rang A5, zoals verzoeker, is opgesteld, is bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 48‑2003 van 7 juli 2003. Daarin wordt voor iedere betrokken ambtenaar het totaal van de meritepunten en de gratificatiepunten van het DG, alsmede de overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang en de extra gratificatiepunten aangegeven. Verzoekers naam komt er niet op voor.
28 Op 14 juli 2003 heeft verzoeker krachtens artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 oneigenlijk beroep ingesteld tegen de toekenning van slechts één gratificatiepunt van het DG. Hij heeft tevens verzocht om de toekenning van gratificatiepunten voor supplementaire taken. Het bevorderingscomité voor personeelsleden van de categorie A is op 17 en 24 oktober daaropvolgend bijeengekomen om onder meer dit beroep te behandelen.
29 Dit bevorderingscomité heeft vervolgens op 13 november 2003 de in artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst van verdienstelijke ambtenaren in de rang A5 vastgesteld. Deze lijst is op dezelfde dag bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 69‑2003. Verzoekers naam staat er niet op.
30 Op 20 november 2003 heeft het TABG de lijst van de in het kader van de bevorderingsronde 2003 bevorderde ambtenaren vastgesteld, waarop verzoekers naam niet voorkomt. Deze lijst is bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 73‑2003 van 27 november 2003.
31 Toen verzoeker op 16 december 2003 zijn persoonlijke bevorderingsdossier op de site Sysper 2 op het intranet van de Commissie raadpleegde, kreeg hij kennis ervan dat hem in het kader van de bevorderingsronde 2003 een totaal van 20 punten was toegekend.
32 De Commissie heeft een korte samenvatting van het verloop van de betrokken bevorderingsronde gepubliceerd in Mededelingen van de Administratie nr. 82‑2003 van 19 december 2003.
33 Bij nota van 12 februari 2004 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend.
34 Deze klacht is afgewezen bij besluit van het TABG van 15 juni 2004, dat de daaropvolgende dag aan betrokkene is meegedeeld.
35 Bij op 22 juli 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
36 Het verweerschrift is op 19 november 2004 neergelegd.
37 Bij brief, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 14 januari 2005, heeft verzoeker afgezien van de indiening van een memorie van repliek.
38 Krachtens artikel 14 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht, op voorstel van de Vijfde kamer en na overeenkomstig artikel 51 van dat reglement de partijen te hebben gehoord, de zaak verwezen naar een uitgebreide kamer.
39 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang schriftelijke vragen gesteld aan verzoeker en aan de Commissie en hun verzocht deze uiterlijk op 31 augustus 2005 te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
40 Bij brief van de griffie van het Gerecht van 15 september 2005 is partijen verzocht om uiterlijk op 23 september 2005 hun opmerkingen over de antwoorden van hun wederpartij op de schriftelijke vragen van het Gerecht in te dienen. Verzoeker en de Commissie hebben hun opmerkingen respectievelijk op 23 en 22 september 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegd.
41 Partijen zijn ter terechtzitting van 29 september 2005 gehoord in hun pleidooi en hebben geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
42 In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
– bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang de overlegging van documenten te gelasten;
– de volgende handelingen nietig te verklaren:
– het besluit van de directeur-generaal van de juridische dienst om hem in het kader van de bevorderingsronde 2003 slechts één gratificatiepunt van het DG toe te kennen, welk besluit hem is meegedeeld op 2 juli 2003 en is bevestigd bij een besluit van het TABG dat op 16 december 2003 te zijner kennis is gebracht;
– het besluit van het TABG om hem in het kader van de bevorderingsronde 2003 geen enkel gratificatiepunt voor supplementaire taken toe te kennen, welk besluit op 16 december 2003 via het Sysper 2-systeem te zijner kennis is gebracht;
– de volgende besluiten: het besluit van het TABG om hem in het kader van de bevorderingsronde 2003 een totaal van 20 punten toe te kennen; de in het kader van de bevorderingsronde 2003 opgestelde lijst van verdienstelijke ambtenaren in de rang A5, die in Mededelingen van de Administratie nr. 69‑2003 van 13 november 2003 is bekendgemaakt; de in het kader van de bevorderingsronde 2003 opgestelde lijst van naar de rang A4 bevorderde ambtenaren, die in Mededelingen van de Administratie nr. 73‑2003 van 27 november 2003 is bekendgemaakt, en in elk geval het besluit om zijn naam niet op de genoemde lijsten te plaatsen;
– voor zover nodig, het besluit van het TABG van 15 juni 2004 tot afwijzing van de klacht die hij op 12 februari 2004 heeft ingediend;
– verweerster te verwijzen in de kosten.
43 Verweerster concludeert in haar verweerschrift dat het het Gerecht behage:
– de door verzoeker aangevoerde argumenten strekkende tot nietigverklaring van het besluit om hem een totaal van 20 punten toe te kennen, niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
– het beroep voor het overige ongegrond te verklaren;
– over de kosten te beslissen naar recht.
44 Ter terechtzitting heeft de Commissie afgezien van haar argument inzake de niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit om verzoeker een totaal van 20 bevorderingspunten toe te kennen. Het Gerecht heeft hiervan akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
45 Daarop heeft verzoeker verklaard, zijn vorderingen tot nietigverklaring van de afzonderlijke besluiten waarbij hem al dan niet tot de verschillende bedoelde categorieën behorende gratificatiepunten zijn toegekend, in te trekken, voor zover het mogelijk blijft om in het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het totaalaantal bevorderingspunten de geldigheid van de criteria voor de toekenning van de specifieke punten te betwisten. Het Gerecht heeft hiervan akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
Ontvankelijkheid
46 Zoals hierboven in punt 44 is vermeld, heeft de Commissie ter terechtzitting afgezien van haar bezwaar inzake de ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2003 een totaal van 20 punten toe te kennen.
47 Daar de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van openbare orde zijn, kan het Gerecht ze evenwel ambtshalve onderzoeken en is zijn controle niet beperkt tot de door partijen aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid. Ongeacht de standpunten van partijen staat het met name uitsluitend aan het Gerecht om te onderzoeken en vast te stellen of er in elk concreet geval sprake is van een voor de verzoeker bezwarende handeling (zie arrest Gerecht van 8 maart 2005, D/BEI, T‑275/02, JurAmbt. blz. I‑A‑0000 en II‑0000, punt 42, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Volgens vaste rechtspraak zijn alleen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, te beschouwen als voor beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen of besluiten (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9; arresten Gerecht van 22 juni 1990, Marcopoulos/Hof van Justitie, T‑32/89 en T‑39/89, Jurispr. blz. II‑281, punt 21, en 17 december 2003, McAuley/Raad, T‑324/02, JurAmbt. blz. I‑A‑337 en II‑1657, punt 28).
49 Uit de rechtspraak blijkt ook dat ten aanzien van een besluit dat tot stand komt in een uit verscheidene fasen bestaande procedure, alleen de maatregelen die het standpunt van de auteur van het besluit definitief vastleggen, voor beroep tot nietigverklaring vatbaar zijn, onder uitsluiting van voorlopige maatregelen ter voorbereiding van het eindbesluit (arresten Marcopoulos/Hof van Justitie, punt 21, en McAuley/Raad, punt 28, beide aangehaald in punt 48 hierboven).
50 Verzoeker betwist in het onderhavige geval de regelmatigheid van verschillende handelingen die hebben plaatsgevonden in de bevorderingsronde 2003, de eerste ronde onder de regeling van het nieuwe uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 en het nieuwe uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, door onder meer te betogen dat sommige van deze handelingen non-existent zijn.
51 In deze omstandigheden acht het Gerecht het nodig om achtereenvolgens de ratio van het nieuwe bevorderingsstelsel en het verloop van de gehele bevorderingsronde te beschrijven, teneinde te bepalen wat de bezwarende handeling is en welke termijnen gelden voor het beroep daartegen.
1. Bevorderingsstelsel
52 Volgens de toepasselijke bepalingen is bevordering gebaseerd op de verdiensten en het prestatieniveau die de ambtenaar van jaar tot jaar heeft getoond en die worden uitgedrukt in de vorm van punten die in het kader van de jaarlijkse beoordelings‑ en bevorderingsronde worden toegekend.
53 Zo bepaalt artikel 3 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, getiteld „Voorwaarden voor bevordering”, dat „dus in de eerste plaats rekening [wordt] gehouden met de puntenscore die iedere ambtenaar de afgelopen jaren heeft opgebouwd”.
54 Voorts volgt uit artikel 5 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 dat een ambtenaar slechts kan worden bevorderd wanneer hij een specifiek totaalaantal punten heeft behaald dat ten minste gelijk is aan een referentiedrempel of „bevorderingsdrempel”, die voor elke bevorderingsronde door de bevorderingscomités wordt vastgesteld.
55 Artikel 5, lid 3, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt immers:
„De bevorderingsdrempel geeft de score aan (het totaalaantal merite‑ en gratificatiepunten) die moet zijn behaald om naar een bepaalde rang te kunnen worden bevorderd. De ambtenaren van wie de score de vastgestelde drempel overschrijdt, worden bevorderd voor zover de budgettaire middelen dat mogelijk maken. Naar gelang van het vastgestelde bevorderingspercentage kunnen ook ambtenaren met een score die gelijk is aan de bevorderingsdrempel worden bevorderd, of moeten deze ambtenaren een volgende bevorderingsronde afwachten.”
56 Artikel 10, lid 3, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 vult deze bepaling als volgt aan: „Bij iedere bevordering wordt de referentiedrempel in mindering gebracht op de door de bevorderde ambtenaar opgebouwde meritescore; het saldo blijft behouden en wordt de volgende jaren mede in aanmerking genomen.”
57 Het totaalaantal punten dat een ambtenaar in het kader van een bevorderingsronde verkrijgt, is het resultaat van een ingewikkeld proces waarbij aan deze ambtenaar meritepunten worden toegekend, die volgen uit de puntenaantallen en de beoordeling in het loopbaanontwikkelingsrapport, en vervolgens gratificatiepunten, die ingevolge artikel 2, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 kunnen worden toegekend door hetzij de directeuren-generaal of de directeuren van elk DG (de gratificatiepunten van het DG), hetzij het TABG op voorstel van de bevorderingscomités (de gratificatiepunten voor supplementaire taken en de gratificatiepunten na beroep).
58 Voorts is voor de bevorderingsronde 2003, het eerste jaar waarin de nieuwe bevorderingsprocedure werd toegepast, in artikel 12, lid 3, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 voorzien in een overgangsregeling „[t]eneinde de verdienste over langere termijn naar behoren in aanmerking te kunnen nemen”. Deze regeling omvat de toekenning van, ten eerste, overgangsgratificatiepunten die ambtenaren ambtshalve worden toegekend, naar rato van één punt per dienstjaar tot ten hoogste zeven punten (de overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang, artikel 12, lid 3, sub a, eerste zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45), of op aanbeveling van de bevorderingscomités wanneer de situatie van de ambtenaar dit rechtvaardigt, tot een maximum van twee punten per ambtenaar (de overgangsgratificatiepunten, artikel 12, lid 3, sub a, tweede zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45), en, ten tweede, maximaal vier extra gratificatiepunten voor de ambtenaren die in de bevorderingsronde 2002 voor bevordering zijn voorgesteld maar niet zijn bevorderd (artikel 12, lid 3, sub b, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 en Mededelingen van de Administratie nrs. 18‑2003 en 34‑2003).
2. Verloop van de bevorderingsronde
59 De bevorderingsronde begint elk jaar aan het einde van de beoordelingsprocedure en de eerste fase ervan, na de toekenning van de meritepunten, bestaat in de toekenning van gratificatiepunten op het niveau van elk DG.
60 In het onderhavige geval heeft de directeur-generaal van de juridische dienst verzoeker bij een besluit dat hem op 3 juli 2003 is meegedeeld, op grond van artikel 6 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 één gratificatiepunt van het DG toegekend, dat werd toegevoegd aan de 16 reeds verkregen meritepunten. Krachtens artikel 12, lid 3, sub a, eerste zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 heeft de juridische dienst hem tevens drie overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang toegekend, hetgeen overeenstemt met drie dienstjaren in de rang A5. Verzoeker heeft evenwel geen enkel extra gratificatiepunt ontvangen uit hoofde van artikel 12, lid 3, sub b, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45.
61 Aan iedere ambtenaar wordt door zijn DG op persoonlijke en vertrouwelijke wijze mededeling gedaan van het totaal van de meritepunten en gratificatiepunten (artikel 6, lid 8, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45) en daarnaast stelt het DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie na de toekenning van de gratificatiepunten van het DG voor elke rang een lijst van verdienstelijke ambtenaren op en maakt deze bekend. De ambtenaren van wie de score niet meer dan vijf punten lager ligt dan de bevorderingsdrempel en de ambtenaren die deze drempel bereiken of overschrijden, worden op deze lijst geplaatst met een vermelding van het totaalaantal meritepunten en gratificatiepunten van het DG dat ieder van hen heeft gekregen (artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45).
62 Wat de bevorderingsronde 2003 betreft, is voornoemde lijst van verdienstelijke ambtenaren met betrekking tot de ambtenaren in de rang A5, zoals verzoeker, bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 48‑2003 van 7 juli 2003. Daarin wordt voor iedere betrokken ambtenaar het totaal van de meritepunten en de gratificatiepunten van het DG, alsmede de in het kader van de overgangsregeling toegekende overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang en extra gratificatiepunten aangegeven.
63 De in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst legt de positie van de ambtenaren, of zij nu in de lijst zijn opgenomen of niet, in het kader van de bevorderingsronde niet definitief vast.
64 Ten eerste heeft de ambtenaar die ontevreden is met het aantal toegekende gratificatiepunten van het DG, de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen na de bekendmaking van voornoemde lijst oneigenlijk beroep instellen bij het bevoegde bevorderingscomité, dat in voorkomende gevallen een aanbeveling aan het TABG kan doen om de betrokken ambtenaar gratificatiepunten na beroep toe te kennen (artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45). Overigens heeft verzoeker op 14 juli 2003 op rechtsgeldige wijze een dergelijk beroep ingesteld.
65 Ten tweede kunnen de ambtenaren na de bekendmaking van de in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst van verdienstelijke ambtenaren nog gratificatiepunten voor supplementaire taken verkrijgen (artikel 9 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45) en krachtens de overgangsregeling overgangsgratificatiepunten, die door het TABG worden toegekend op voorstel van de bevorderingscomités (hierna: „op voorstel van de bevorderingscomités toegekende overgangsgratificatiepunten”) (artikel 12, lid 3, sub a, tweede zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45).
66 De tweede fase van de bevorderingsronde bestaat in het bijeenkomen van de bevorderingscomités en de overhandiging aan het TABG van voorstellen op de gebieden waarop zij bevoegd zijn.
67 Vaststaat dat de bevorderingscomités in wezen een tweeledige bevoegdheid hebben. Ten eerste doen zij aanbevelingen aan het TABG voor de toekenning van bepaalde gratificatiepunten (artikelen 9, 12 en 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45), waarbij moet worden opgemerkt dat deze comités gewoonlijk advies uitbrengen over de toekenning van gratificatiepunten na beroep, alvorens zij hun aanbevelingen formuleren voor de toekenning van gratificatiepunten voor supplementaire taken aan individuele personeelsleden (artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45). Ten tweede doen zij het TABG een voorstel voor een rangschikking van de ambtenaren die deel uitmaken van de zogeheten ex aequo-groep, dat wil zeggen de groep van de ambtenaren die de bevorderingsdrempel hebben gehaald, maar waarvan het aantal hoger ligt dan het aantal reële bevorderingsmogelijkheden (artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45).
68 Gelet op de onduidelijke formulering van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, levert de vaststelling van de tijdstippen waarop de bevorderingscomités optreden, echter moeilijkheden op.
69 Zo bepaalt artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 dat de bevorderingscomités bijeenkomen om de lijst van verdienstelijke ambtenaren te bespreken en bevorderingsvoorstellen te formuleren, waarbij een keuze moet worden gemaakt uit de ex aequo-groep, „[z]odra de in artikel 9 beschreven procedure is voltooid”. Op grond van deze laatste uitdrukking, gelezen in samenhang met artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, zou kunnen worden aangenomen dat artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 impliceert dat de bevorderingscomités en het TABG zich na de bekendmaking van de lijst van verdienstelijke ambtenaren van artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 eerst bezighouden met het voorstel en vervolgens met het besluit tot toekenning van de gratificatiepunten.
70 Hierbij zou het erom gaan, de positie van de ambtenaren ten aanzien van het totaalaantal in het kader van de bevorderingsronde toegekende punten definitief vast te stellen, en de bevorderingscomités zouden daarna nog een keer moeten bijeenkomen teneinde voorstellen voor de rangschikking van de ambtenaren in de ex aequo-groep te formuleren.
71 Een dergelijke benadering strookt echter met de tekst noch de opzet van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45.
72 In de eerste plaats lijkt het gebruik van het begrip „procedure” niet gepast, in de zin dat artikel 9 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, strikt genomen, niet een procedure in haar geheel beschrijft en een nauwkeurig tijdschema vaststelt, maar een bevoegdheidsverdeling tussen de bevorderingscomités en het TABG inzake de toekenning van gratificatiepunten voor supplementaire taken beschrijft.
73 In de tweede plaats impliceert de hierboven in de punten 69 en 70 genoemde uitlegging dat er sprake is van een tussentijds besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten. Artikel 9 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 maakt evenwel geen melding van de vaststelling door het TABG van een dergelijke handeling en drukt enkel in algemene bewoordingen de beginselbevoegdheid van dit laatste inzake de toekenning van gratificatiepunten uit, zonder precies aan te geven op welk moment deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend.
74 Hetzelfde geldt voor artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 inzake de toekenning van gratificatiepunten na beroep, dat eenvoudigweg bepaalt dat het TABG beslissingsbevoegd is zonder verder precies aan te geven op welk moment gedurende de bevorderingsronde deze bevoegdheid wordt uitgeoefend. Ofschoon artikel 13, lid 2, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 voorts bepaalt dat het aldus door het TABG toegekende aantal gratificatiepunten na beroep wordt bekendgemaakt, bepaalt het echter niet in welke fase deze bekendmaking plaatsvindt, waarbij moet worden opgemerkt dat voor de bevorderingsronde 2003 het toegekende aantal gratificatiepunten na beroep nader is aangegeven in de korte samenvatting van het verloop van de betrokken bevorderingsronde, die is gepubliceerd in Mededelingen van de Administratie nr. 82‑2003.
75 In feite wordt in geen enkel artikel van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 vermeld of nader aangegeven op welk tijdstip het TABG een tussentijds en afzonderlijk besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten neemt.
76 In de derde plaats geeft artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 aan dat de bevorderingscomités bijeenkomen om „de lijst van verdienstelijke ambtenaren te bespreken”, een benaming die wordt gebruikt in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 en die duidt op de lijst van de ambtenaren van wie de score niet meer dan vijf punten lager ligt dan de bevorderingsdrempel en de ambtenaren die deze drempel bereiken of overschrijden, met een vermelding van het totaal van de meritepunten en de gratificatiepunten van het DG, alsmede de overgangsgratificatiepunten voor dienstjaren in de rang en de extra gratificatiepunten, dat ieder van hen heeft gekregen. Het heeft enkel zin om met een dergelijke lijst rekening te houden indien dit document in deze fase nog van belang is, hetgeen niet het geval zou zijn indien het TABG na de bekendmaking van voornoemde lijst een besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten had genomen.
77 Wat de opzet van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 betreft, dient te worden opgemerkt dat artikel 10, lid 3, daarvan bepaalt dat „[o]p basis van de voorstellen van de bevorderingscomités [...] het [TABG] in juni [besluit] welke ambtenaren in iedere rang zullen worden bevorderd”.
78 Zo lijkt het dat om duidelijke redenen van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid is bepaald dat het tijdstip van de vaststelling van een formeel besluit van het TABG wordt uitgesteld tot de gebruikelijke afloop van de bevorderingsprocedure, zodat alle betrokken ambtenaren zeker en definitief uitsluitsel kunnen krijgen over de uitkomst van de bevorderingsronde.
79 Een lezing van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 die leidt tot een scheiding tussen het optreden van de bevorderingscomités en dat van het TABG, en tot de noodzaak dat deze laatste een tussentijdse handeling met betrekking tot het totaalaantal punten vaststelt, zou de situatie van de ambtenaren die in aanmerking komen voor bevordering, in buitensporige mate kunnen compliceren, met betrekking tot zowel de bepaling van de bezwarende handeling als de naleving van de beroepstermijnen, hetgeen in strijd zou zijn met de vereisten van de rechtszekerheid.
80 In deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan, dat de bevorderingscomités na de bekendmaking van de in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst van verdienstelijke ambtenaren bijeenkomen om zowel hun voorstellen voor de toekenning van de onder hun bevoegdheid vallende gratificatiepunten als hun voorstellen voor de rangschikking van de ambtenaren in de ex aequo-groep te formuleren. De lijst van verdienstelijke ambtenaren die wordt genoemd in artikel 10, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, omvat al deze voorstellen.
81 In casu is de in artikel 10, lid 1, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst van verdienstelijke ambtenaren, volgend op de werkzaamheden van het bevorderingscomité voor personeelsleden van de categorie A, dat op 17 en 24 oktober 2003 is bijeengekomen, bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 69‑2003 van 13 november 2003.
82 Op deze lijst staan de ambtenaren die de bevorderingsdrempel bereiken of overschrijden en die van wie de score niet meer dan vijf punten lager ligt dan deze drempel, onder vermelding van hun werkplek en van:
– het voorgestelde totaalaantal punten voor elk van hen, dat voor sommige ambtenaren mogelijk hoger is geworden ten opzichte van het aantal genoemd in de op 7 juli 2003 bekendgemaakte lijst, en wel door voorstellen van het comité om hun gratificatiepunten voor supplementaire taken, gratificatiepunten na beroep en op voorstel van de bevorderingscomités toegekende overgangsgratificatiepunten toe te kennen;
– de letter „p” naast de naam van de ambtenaren voor wie het comité een voorstel tot bevordering heeft gedaan, een vermelding die enkel wettelijk vereist en van belang is voor de ex aequo-groep, dat wil zeggen de groep van ambtenaren die de bevorderingsdrempel hebben gehaald, maar waarvan het aantal hoger ligt dan het aantal reële bevorderingsmogelijkheden, een situatie waarin de betrokkenen moeten worden gerangschikt op basis van met name de anciënniteit in de rang en het beginsel van gelijke kansen.
83 De in artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bedoelde lijst legt de positie van de ambtenaren, of zij nu in de lijst zijn opgenomen of niet, in het kader van de bevorderingsronde evenmin definitief vast.
84 Zoals reeds is uiteengezet, doet het bevorderingscomité met betrekking tot zowel de toekenning van gratificatiepunten als de scheiding die binnen de ex aequo-groep wordt aangebracht, enkel voorstellen aan het TABG, dat als enige beslissingsbevoegd is, zoals blijkt uit artikel 2 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 43 en de artikelen 10 en 14, lid 4, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45. In dat opzicht valt het te betreuren dat de tekst van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalde onduidelijkheden bevat die aanleiding kunnen geven tot verwarring over de rol van het bevorderingscomité, zoals het opschrift van artikel 9, „Toekenning van gratificatiepunten door de bevorderingscomités”, terwijl lid 3 van dit artikel duidelijk verklaart dat het gaat om individuele „voorstellen” voor de toekenning van gratificatiepunten, die worden voorgelegd aan het TABG, dat „het definitieve besluit neemt inzake de toekenning van gratificatiepunten”. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, geldt hetzelfde voor de formulering van artikel 12, lid 3, sub a, tweede zin, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 met betrekking tot de verdeling van de op voorstel van de bevorderingscomités toegekende overgangsgratificatiepunten.
85 Artikel 10, lid 3, van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 bepaalt eveneens duidelijk dat het TABG „besluit”, welke ambtenaren in iedere rang zullen worden bevorderd op basis van de „voorstellen” van de bevorderingscomités, die niet verbindend zijn voor het TABG, aangezien dit laatste eerst moet besluiten over de toekenning van punten en vervolgens over de rangschikking van de ambtenaren in de ex aequo-groep. Het TABG kan de voorstellen van de bevorderingscomités dus volgen of daarvan afwijken, hetgeen in het laatste geval voor de betrokken ambtenaar tot uitdrukking kan komen in een verlaging of een verhoging van het totaalaantal punten, die tot gevolg heeft dat dit aantal dan hoger dan, gelijk aan of lager dan de bevorderingsdrempel kan zijn.
86 De derde en laatste fase van de bevorderingsronde bestaat in de vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren. In het onderhavige geval heeft het TABG op 20 november 2003 de lijst van de naar de rang A4 bevorderde ambtenaren vastgesteld, die is bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 73‑2003 van 27 november 2003 en waarvan alle betrokken ambtenaren, met inbegrip van verzoeker, aldus in kennis zijn gesteld. Uit deze lijst blijkt dat het TABG alle voorstellen van het bevorderingscomité heeft overgenomen, wat zowel de toekenning van de punten als de rangschikking van de ambtenaren in de ex aequo-groep betreft.
3. Bezwarende handeling
87 Uit het voorgaande volgt dat de bevorderingsprocedure wordt afgesloten met de vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren. Dit definitieve besluit noemt de ambtenaren die ter gelegenheid van de lopende bevorderingsronde worden bevorderd. De ambtenaren die het mogelijk achtten dat zij zouden worden bevorderd, worden derhalve op het moment van de bekendmaking van deze lijst zeker en definitief in kennis gesteld van de beoordeling van hun verdiensten, en op dat moment wordt derhalve hun rechtspositie beïnvloed (arresten Gerecht van 21 november 1996, Michaël/Commissie, T‑144/95, JurAmbt. blz. I‑A‑529 en II‑1429, punt 30, en 19 maart 2003, Tsarnavas/Commissie, T‑188/01–T‑190/01, JurAmbt. blz. I‑A‑95 en II‑495, punt 73).
88 Toch heeft de toekenning van punten in een bepaald jaar gevolgen die niet uitsluitend zijn beperkt tot de lopende bevorderingsronde. Het nieuwe bevorderingsstelsel is gebaseerd op cumulatieve verdiensten, die worden uitgedrukt in punten die jaar na jaar worden verzameld. Hieruit volgt dat de in een bepaald jaar toegekende punten van invloed kunnen zijn in meer dan één bevorderingsronde.
89 In een vergelijkbare context heeft het Gerecht in een arrest van 11 december 2003, Breton/Hof van Justitie (T‑323/02, JurAmbt. blz. I‑A‑325 en II‑1587, punten 52‑54), geoordeeld dat de vaststelling van het aantal punten met het oog op een bevordering een autonome handeling is met bindende rechtsgevolgen die de belangen van de ambtenaar kunnen raken doordat zij zijn rechtspositie ingrijpend wijzigen, ook al vormt zij slechts één van de stappen in de bevorderingsprocedure.
90 Ook al heeft deze rechtspraak betrekking op een bevorderingsstelsel waarin is voorzien in slechts één categorie punten, zij kan toch worden toegepast op het onderhavige geval. Zo moet ervan worden uitgegaan dat de definitieve handeling waarmee de bevorderingsronde wordt afgesloten, complex van aard is, in de zin dat zij twee afzonderlijke besluiten omvat, te weten het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van bevorderden en het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten, waarop het eerstgenoemde besluit is gebaseerd. Dit besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten is een autonome handeling waartegen, gelet op de in het voorgaande punt bedoelde rechtspraak, als zodanig een klacht kan worden ingediend en in voorkomend geval beroep bij de rechter kan worden ingesteld in het kader van de rechtsmiddelen waarin het Statuut voorziet.
91 Bijgevolg zal een in de lijst van bevorderden opgenomen ambtenaar, indien hij het totaalaantal punten dat hem door het TABG is toegekend en daarmee het saldo dat voor de volgende jaren wordt behouden, betwist, een klacht kunnen indienen en in voorkomend geval beroep bij de rechter kunnen instellen tegen de enkele handeling waarbij de punten worden toegekend en die ten aanzien van hem bindende en definitieve rechtsgevolgen teweegbrengt.
92 Het is ook denkbaar dat eenzelfde procedure kan worden ingeleid door een niet-bevorderde ambtenaar die niet wil opkomen tegen het uitblijven van een bevordering in de betrokken ronde, maar enkel tegen de weigering om een bepaald aantal punten toe te kennen dat hem niet in staat stelt om de bevorderingsdrempel te bereiken.
93 Verder zal een ambtenaar die niet is bevorderd wegens de, volgens hem ongerechtvaardigde, toekenning van een ontoereikend en dus onder de bevorderingsdrempel gelegen aantal punten, zijn beroep kunnen richten tegen zowel het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten als het besluit tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren. Ook al kunnen deze twee handelingen juridisch inderdaad worden onderscheiden en kunnen zij het voorwerp vormen van afzonderlijke vorderingen tot nietigverklaring, het staat vast dat zij in het geval van een weigering van een bevordering in werkelijkheid nauw met elkaar verbonden zijn, aangezien deze weigering noodzakelijkerwijs en uitsluitend gekoppeld is aan het totaalaantal aan de ambtenaar toegekende punten, vergeleken met de bevorderingsdrempel, behalve ingeval deze ambtenaar deze drempel heeft bereikt en deel uitmaakt van de ex aequo-groep, maar niet is bevorderd op grond van bijkomstige overwegingen die verband houden met de anciënniteit in de rang of het beginsel van gelijke kansen.
94 In dit laatste geval zal de betrokken ambtenaar rechtsgeldig beroep kunnen instellen tegen enkel het definitieve besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren, op grond van door het TABG bij de rangschikking van de ambtenaren in de ex aequo-groep gemaakte beoordelingsfouten.
95 In casu heeft verzoeker, die bij de bevorderingsronde 2003 niet is bevorderd, een klacht ingediend en vervolgens beroep bij het Gerecht ingesteld tegen onder meer het besluit van het TABG om hem een totaal van 20 punten toe te kennen, de lijst van de in het kader van de bevorderingsronde 2003 naar de rang A4 bevorderde ambtenaren en het besluit van het TABG tot vaststelling van deze lijst voor zover het jegens hem een weigering tot bevordering inhoudt.
96 In het kader van het onderhavige beroep betwist verzoeker tevens de regelmatigheid van de individuele besluiten waarbij hem één enkel gratificatiepunt van het DG is toegekend of hem de toekenning van gratificatiepunten voor supplementaire taken is geweigerd, alsook van het besluit om hem niet op te nemen in de lijst van de verdienstelijke ambtenaren in de rang A5 die is bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie nr. 69‑2003 van 13 november 2003, en van de lijst als zodanig.
97 Deze besluiten vormen voorbereidende handelingen die voorafgaan aan en noodzakelijk zijn voor het definitieve besluit inzake de bevorderingen en de daarin begrepen autonome, daarvan los te koppelen handeling, te weten de vaststelling van het totaalaantal punten, waarvan verzoeker in het kader van de onderhavige procedure de nietigverklaring verzoekt. Dat geldt voor het besluit tot toekenning van de gratificatiepunten van het DG, ongeacht of daartegen al dan niet oneigenlijk beroep krachtens artikel 13 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 is ingesteld. Ook al kan het TABG bij het uitblijven van een dergelijk beroep het aantal gratificatiepunten van het DG niet wijzigen door gratificatiepunten na beroep toe te kennen, dat doet niet af aan het feit dat het besluit tot toekenning van de gratificatiepunten van het DG louter een voorbereidende handeling is, aangezien het maximale aantal gratificatiepunten van het DG dat kan worden toegekend, het op zichzelf niet mogelijk maakt de bevorderingsdrempel te bereiken.
98 Volgens de rechtspraak zijn deze handelingen niet vatbaar voor een zelfstandig beroep tot nietigverklaring, maar de wettigheid ervan kan altijd worden aangevochten in het kader van het beroep tegen het definitieve besluit (arrest Gerecht van 9 april 2003, Tejada Fernández/Commissie, T‑134/02, JurAmbt. blz. I‑A‑125 en II‑609, punt 18).
99 Ter terechtzitting heeft verzoeker weliswaar verklaard, afstand te doen van zijn vorderingen tot nietigverklaring van de individuele besluiten waarbij hem slechts één gratificatiepunt van het DG werd toegekend of werd geweigerd hem gratificatiepunten voor supplementaire taken toe te kennen. Dit deed hij echter op voorwaarde dat hij rechtens de mogelijkheid zou hebben, de geldigheid van de criteria voor toekenning van deze punten aan te vechten in het kader van het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het puntentotaal.
100 Volgens het Gerecht is een dergelijke afstand niet-ontvankelijk. Het Gerecht kan immers alleen een duidelijke en onvoorwaardelijke afstand van de vorderingen in het verzoekschrift aanvaarden (beschikking Gerecht van 12 maart 1992, Gavilan/Parlement, T‑73/91, Jurispr. blz. II‑1555, punt 26).
101 Tot slot vordert verzoeker in het kader van het onderhavige beroep, voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van het TABG van 15 juni 2004 tot afwijzing van zijn klacht. Volgens de rechtspraak maken de administratieve klacht en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing ervan door het TABG integrerend deel uit van een ingewikkelde procedure. Ook al is het beroep bij het Gerecht formeel gericht tegen de afwijzing van de klacht, het beroep heeft in deze omstandigheden tot gevolg dat de bezwarende handeling waartegen de klacht was ingediend, aan het oordeel van het Gerecht wordt onderworpen (arresten Hof van 17 januari 1989, 293/87, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8, en 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, Jurispr. blz. I‑225, punt 7; arresten Gerecht van 16 oktober 1996, Capitanio/Commissie, T‑36/94, JurAmbt. blz. I‑A‑449 en II‑1279, punt 33, en 7 juni 2005, Cavallaro/Commissie, T‑375/02, JurAmbt. blz. I‑A‑0000 en II‑0000, punt 59).
4. Beroepstermijnen
102 Het beroepsrecht van de personeelsleden tegen hen bezwarende handelingen van de administratie is in algemene zin geregeld in de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Uit deze bepalingen blijkt dat de gehele daarin vervatte geschillenregeling is gebaseerd op het beginsel dat de uitoefening van het recht van beroep slechts mogelijk is bij strikte naleving van de daarvoor gestelde termijnen (arrest Hof van 10 december 1980, Grasselli/Commissie, 23/80, Jurispr. blz. 3709, punt 25, en arrest Gerecht van 11 maart 1993, Boessen/CES, T‑87/91, Jurispr. blz. II‑235, punt 27).
103 Naleving van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde beroepstermijnen veronderstelt dat de ambtenaar uitdrukkelijke en volledige kennis heeft van de hem bezwarende handeling.
104 De aan de ambtenaar gestelde termijn van drie maanden om een klacht in te dienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, gaat volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut in:
– „op de dag van bekendmaking van het besluit, indien het een maatregel van algemene aard betreft;
– op de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het gericht is en in elk geval uiterlijk op de dag waarop betrokkene ervan kennis krijgt indien het een maatregel van individuele aard betreft; indien evenwel door een besluit van individuele aard een andere persoon dan degene tot wie het gericht is, zich bezwaard kan gevoelen, gaat de termijn voor deze persoon in op de dag waarop hij van dit besluit kennis krijgt en in elk geval uiterlijk op de dag van bekendmaking ervan; [...]”.
105 Bij de uitlegging van deze bepalingen, die een verband leggen tussen de dag waarop de termijn van drie maanden ingaat, en het rechtskarakter van de gelaakte handeling, moet in het onderhavige geval rekening worden gehouden met de bijzondere aard van de bevorderingsprocedure, namelijk het feit dat de definitieve handeling waarmee de bevorderingsronde wordt afgesloten, complex van aard is, in de zin dat zij twee afzonderlijke besluiten omvat, te weten het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van bevorderden en het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten aan het einde van deze ronde, waarop het eerstgenoemde besluit is gebaseerd. Dit besluit van het TABG tot vaststelling van het aantal punten aan het einde van de bevorderingsronde is een autonome handeling waartegen als zodanig een klacht kan worden ingediend en in voorkomend geval beroep bij de rechter kan worden ingesteld in het kader van de rechtsmiddelen waarin het Statuut voorziet.
106 Uit voornoemde conclusie volgt dat aan het einde van de bevorderingsronde ten minste drie soorten beroep tot nietigverklaring denkbaar zijn:
– een beroep tegen enkel het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten, dat kan worden ingesteld door een ambtenaar die is bevorderd, maar zijn saldo betwist, of door een niet-bevorderde ambtenaar die het niet eens is met het toegekende aantal punten, maar het uitblijven van een bevordering niet ter discussie stelt;
– een beroep tegen zowel het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten als het besluit tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren, dat kan worden ingesteld door een ambtenaar die niet is bevorderd wegens de, volgens hem ongerechtvaardigde, toekenning van een ontoereikend en dus onder de bevorderingsdrempel gelegen aantal punten, of door een niet-bevorderde ambtenaar die weliswaar een aantal punten heeft dat gelijk is aan de bevorderingsdrempel, maar betoogt dat dit aantal ontoereikend is en zich verzet tegen de keuzes die het TABG op basis van bijkomstige overwegingen binnen de ex aequo-groep heeft gemaakt;
– een beroep dat uitsluitend is gericht tegen het besluit waarbij het TABG de lijst van de bevorderde ambtenaren vaststelt, en dat kan worden ingesteld door een niet-bevorderde ambtenaar die een aantal punten heeft dat gelijk is aan de bevorderingsdrempel, en enkel de bovenbedoelde keuzes bekritiseert.
107 Terwijl het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten onbetwistbaar een maatregel van individuele aard vormt, waartegen een klacht kan worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het is gericht, en in elk geval uiterlijk op de dag waarop betrokkene ervan kennis krijgt, vormt het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren een bundel handelingen van individuele aard die gericht zijn tot de naar de betrokken rang bevorderde ambtenaren. Deze bundel handelingen is echter bezwarend voor de ambtenaar wiens naam niet op de lijst is geplaatst, aangezien deze een stilzwijgende weigering om hem te bevorderen vormt.
108 Zo moet het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren ten opzichte van de niet-bevorderde ambtenaar worden beschouwd als een handeling van individuele aard waardoor een andere persoon dan degene tot wie het gericht is, zich bezwaard kan voelen in de zin van artikel 90, lid 2, tweede streepje, in fine (zie in die zin arrest Hof van 19 februari 1981, Schiavo/Raad, 122/79 en 123/79, Jurispr. blz. 473, punten 21‑23, en beschikking Gerecht van 2 juni 2005, Vounakis/Commissie, T‑326/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 24). In dat geval gaat overeenkomstig deze bepaling de termijn ten opzichte van de niet-bevorderde ambtenaar in op de dag waarop hij kennis krijgt van deze handeling, en in elk geval uiterlijk op de dag van bekendmaking ervan.
109 Gelet op de in artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45 vastgelegde verplichting voor de Commissie om de lijst van de bevorderde ambtenaren bekend te maken in Mededelingen van de Administratie, zouden voor de indiening van een klacht door een ambtenaar in het geval bedoeld in punt 106, tweede streepje, naar gelang van de gelaakte handeling twee afzonderlijke data voor het ingaan van de termijn gelden. In het geval bedoeld in punt 106, derde streepje, zou gewoonlijk de dag van bekendmaking moeten worden aangehouden als de dag waarop de termijn voor de klacht ingaat.
110 Een dergelijke situatie is echter niet verenigbaar met de bijzondere aard van de nieuwe bevorderingsprocedure, die wordt veroorzaakt doordat er sprake is van een bezwarende handeling van complexe aard.
111 Ook al kunnen alle betrokken ambtenaren door de bekendmaking van de lijst van bevorderden, waarop enkel de namen en de werkplek van de betrokkenen staan, zeker en definitief uitsluitsel krijgen over de uitkomst van de bevorderingsronde, deze stelt hen niet in staat kennis te nemen van het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten.
112 Alleen door op het intranet van de Commissie en de site Sysper 2 zijn persoonlijke bevorderingsdossier te raadplegen zal de al dan niet bevorderde ambtenaar kennis kunnen nemen van zijn totaalaantal punten en de verdeling ervan.
113 Zo zal de betrokken ambtenaar kunnen weten of hij al dan niet de bevorderingsdrempel heeft bereikt en of de weigering om hem te bevorderen wordt verklaard door bijkomstige overwegingen, zoals die genoemd in artikel 10 van het uitvoeringsbesluit betreffende artikel 45, en zal hij kennis kunnen nemen van de uitkomst van een eventueel oneigenlijk beroep tegen het toegekende aantal gratificatiepunten van het DG, het eventueel toegekende aantal gratificatiepunten voor supplementaire taken en tot slot, wat de bevorderingsronde 2003 betreft, het aantal op voorstel van de bevorderingscomités toegekende overgangsgratificatiepunten dat in het kader van de overgangsregeling mogelijk is toegekend.
114 Deze informatie kan bepalend zijn voor de beslissing van de betrokken ambtenaar om een klacht in te dienen, aangezien hij uiteindelijk tot de conclusie kan komen – gelet op het verkregen aantal punten en de bijzonderheden daarvan, de door de administratie vastgestelde definitieve bevorderingsdrempel en de in de betrokken ronde daadwerkelijk bevorderde ambtenaren – dat het niet zinvol is om een dergelijke procedure in te leiden, of dat deze enkel moet worden ingeleid tegen het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten of tegen het besluit tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren.
115 Zoals is uiteengezet, kunnen het besluit van het TABG tot vaststelling van het totaalaantal punten en het besluit tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren weliswaar juridisch effectief worden onderscheiden en kunnen zij zoals in het onderhavige geval het voorwerp vormen van afzonderlijke vorderingen tot nietigverklaring, maar het is zeker dat die besluiten in werkelijkheid nauw met elkaar verbonden zijn. De bekendmaking van de lijst van de bevorderde ambtenaren stelt de betrokken ambtenaren evenwel niet in staat om volledige kennis te hebben van de bezwarende handeling waarmee de bevorderingsprocedure wordt afgesloten, die complex van aard is.
116 Voorts blijkt uit de bevorderingsronde 2003 dat een aanzienlijk aantal dagen kan verstrijken tussen de dag van bekendmaking van de lijst van de bevorderde ambtenaren en de dag waarop het voor de ambtenaar zinvol is om zijn bevorderingsdossier op Sysper 2 te raadplegen. Deze vertraging wordt verklaard door de tijd die de verantwoordelijke dienst nodig heeft om de betrokken site bij te werken, waarbij de gegevens over alle bij de bevorderingsronde betrokken ambtenaren – 14 000 in 2003 – worden opgenomen. Deze voor het bijwerken van de site benodigde tijd is natuurlijk niet precies bekend wanneer de bovenbedoelde lijst wordt bekendgemaakt in Mededelingen van de Administratie, die in 2003 geen enkele aanwijzing dienaangaande bevatten.
117 Zelfs al kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de betrokken ambtenaar, zoals verzoeker in het onderhavige geval, binnen de voor de indiening van een klacht gestelde termijn van drie maanden kennis zal hebben van zijn totale puntenaantal en de verdeling ervan, dan zal deze tijdsduur, die de ambtenaar wordt gegeven om zijn klacht naar behoren voor te bereiden en in te dienen, worden ingekort met zoveel tijd als nodig is om de persoonlijke bevorderingsdossiers op de site Sysper 2 bij te werken, indien ervan wordt uitgegaan dat er twee tijdstippen zijn waarop deze termijn ingaat, wanneer de betrokkene zowel het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren als het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten aanvecht.
118 In deze omstandigheden moet in het belang van de rechtszekerheid, gelijke behandeling en behoorlijk bestuur ervan worden uitgegaan dat de termijn van drie maanden voor de indiening van een klacht tegen zowel het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren als het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten ingaat op de dag dat de ambtenaar naar behoren kennis neemt van zijn bijgewerkte persoonlijke bevorderingsdossier op de site Sysper 2.
119 Dienaangaande heeft de Commissie in haar antwoord op de vragen van het Gerecht aangegeven dat de raadpleging van deze site om veiligheidsredenen elektronisch wordt „getraceerd” en dat een „toegangsprotocol” het dus mogelijk maakt te registreren op welke dagen en door wie de site wordt geraadpleegd.
120 Bovendien blijkt uit de stukken dat de Commissie een korte samenvatting van het verloop van de bevorderingsronde 2003 heeft gepubliceerd in Mededelingen van de Administratie nr. 82‑2003, waarvan punt 4 luidt als volgt:
„Bijwerking van de dossiers in Sysper 2
De voorstellen voor de toekenning van punten die afkomstig zijn van de bevorderingscomités en zijn overgenomen door het [TABG], zijn nu opgenomen in het dossier van iedere ambtenaar.
Ingevolge artikel 25 van het Statuut, dat bepaalt dat elk besluit dat ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, te zijner kennis dient te worden gebracht, wordt iedere ambtenaar bij deze verzocht kennis te nemen van zijn dossier in Sysper 2.”
121 Ook al kan deze werkwijze niet worden gelijkgesteld aan een werkelijke kennisgeving in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, er moet van worden uitgegaan dat de raadpleging door de ambtenaar van zijn persoonlijke bevorderingsdossier in Sysper 2 moet plaatsvinden binnen een redelijke termijn na de bekendmaking van de korte samenvatting, die inmiddels deel uitmaakt van de praktijk van de Commissie op het gebied van de bevorderingsprocedure, om elke mogelijkheid te voorkomen dat de uit de bevorderingsronde resulterende rechtsposities te laat ter discussie worden gesteld.
122 In casu staat vast dat verzoeker kennis heeft gekregen van de vaststelling van zijn totale puntenaantal en de verdeling ervan door op 16 december 2003 zijn bijgewerkte persoonlijke bevorderingsdossier op Sysper 2 te raadplegen, dat wil zeggen voorafgaand aan de bekendmaking van de korte samenvatting, en dat hij zijn klacht tegen zowel het besluit van het TABG tot vaststelling van de lijst van de bevorderde ambtenaren als het besluit tot vaststelling van het totaalaantal punten heeft ingediend op 12 februari 2004, waarbij hij dus de daarvoor gestelde termijn heeft geëerbiedigd.
123 Deze klacht is afgewezen bij besluit van het TABG van 15 juni 2004, welk besluit de daaropvolgende dag aan verzoeker is meegedeeld. Deze laatste heeft het onderhavige beroep ingesteld op 22 juli 2004, dat wil zeggen binnen de in artikel 91, lid 3, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden.
124 Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex