Gerecht EU 19 oktober 2005, T-318/00, ECLI:EU:T:2005:363
Tekst
Zaak T‑318/00
Freistaat Thüringen
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Misbruik van steun – Risico van omzeiling van bevel tot terugvordering – Terugvordering van steun van vennootschappen die bedrijfsactiva van aanvankelijk begunstigde hebben overgenomen”
Arrest van het Gerecht (Derde kamer – uitgebreid) van 19 oktober 2005
Samenvatting van het arrest
1. Steunmaatregelen van de staten – Administratieve procedure – Mogelijkheid voor Commissie om beschikking te baseren op beschikbare informatie – Voorwaarde – Gebruik vooraf van bevoegdheid om betrokken lidstaat bevel te geven – Rechterlijke toetsing van vaststelling van feiten – Omvang
(Art. 88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 5, lid 2, 6, lid 1, 10, lid 3, en 13, lid 1)
2. Steunmaatregelen van de staten – Steunmaatregelen goedgekeurd door Commissie – Misbruik door begunstigde – Beoordelingscriteria
(Art. 87 EG en 88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 1, sub g)
3. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Beroep op overheidsgarantie – Kwalificatie als steunmaatregel los van toekenning van garantie – Voorwaarde – Afstand van rechten door verstrekker van garantie waardoor schuld van begunstigde wordt verminderd
(Art. 87 EG)
4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking van Commissie inzake staatssteun
(Art. 87 EG en 253 EG)
5. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Draagwijdte van afwijking – Strikte uitlegging – Werkzaamheden van Treuhandanstalt – Begrip privatisering
(Art. 87, leden 1 en 2, sub c, EG)
6. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking waarbij Commissie vaststelt dat individuele steunmaatregel die op grond van vooraf goedgekeurde algemene steunregeling is toegekend, onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt – Motiveringsplicht – Omvang
(Art. 88, lid 3, EG)
7. Handelingen van de instellingen – Motivering – Feitelijke onjuistheid in overigens toereikende motivering van beschikking – Geen invloed op wettigheid van beschikking
(Art. 253 EG)
8. Steunmaatregelen van de staten – Bestaande en nieuwe steunmaatregelen – Financiële bijstand gebruikt voor terugbetaling van door overheidsinstantie gegarandeerd krediet – Kwalificatie als nieuwe steun
(Art. 88 EG)
9. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Steun die oneigenlijk is gebruikt – Oneigenlijk gebruik dat Commissie bekend was – Terugvordering bij begunstigde van steun – Uitgesloten
(Art. 88, lid 2, EG)
10. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Werkingssfeer – Steun toegekend aan groep van ondernemingen die onderling activa overdragen – Terugvordering bij onderneming van groep die geen steun heeft ontvangen en geen voordeel heeft gehaald uit overdrachten – Uitgesloten
(Art. 88, lid 2, EG)
11. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Terugvordering bij onderneming die geen steun heeft ontvangen, maar van begunstigde activa heeft overgenomen en diens activiteit heeft voortgezet – Voorwaarde – Omzeiling van beschikking waarbij terugvordering wordt gelast – Beoordeling in concreet geval
(Art. 88, lid 2, EG)
1. In het kader van de administratieve procedure inzake staatssteun is de Commissie bevoegd een beschikking te geven op grond van de beschikbare informatie wanneer een lidstaat niet aan zijn medewerkingsverplichting voldoet, en nalaat de informatie te verstrekken waarom de Commissie hem heeft verzocht met het oog op het onderzoek van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt. Vóór de vaststelling van een dergelijke beschikking dient de Commissie evenwel een aantal procedureregels in acht te nemen. In het bijzonder dient zij de lidstaat te gelasten, haar binnen de door haar gestelde termijn alle documenten, inlichtingen en gegevens te verschaffen die nodig zijn om de steun op zijn verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken. Alleen wanneer de lidstaat ondanks het bevel van de Commissie de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, heeft de Commissie het recht de procedure te beëindigen en de beschikking betreffende de (on)verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt vast te stellen op basis van de haar ter beschikking staande gegevens. Deze regels zijn overgenomen en gepreciseerd in de artikelen 5, lid 2, 10, lid 3, en 13, lid 1, van verordening nr. 659/1999 betreffende de toepassing van artikel 88 EG.
Dienaangaande, nu de lidstaat en de andere belanghebbenden bij wege van de beschikking om de formele onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 1, van de verordening in te leiden en de publicatie daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie in kennis zijn gesteld van de feiten waarop de Commissie voornemens is haar eindbeschikking te baseren, dienen deze belanghebbenden, zo zij van mening zijn dat bepaalde feiten in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure onjuist zijn, dit tijdens de administratieve procedure aan de Commissie mede te delen; zoniet kunnen zij deze feiten niet meer betwisten tijdens de contentieuze procedure. Daarentegen heeft de Commissie het recht zich te baseren op de – eventueel zelfs onjuiste – feitelijke gegevens waarover zij ten tijde van de vaststelling van de eindbeschikking beschikt, voorzover deze door de betrokkenen onweersproken zijn en de Commissie de lidstaat heeft gelast de nodige informatie te verstrekken met betrekking tot die feitelijke gegevens. Indien de Commissie daarentegen de lidstaat niet gelast om haar informatie te verstrekken betreffende de feiten die zij in aanmerking wenst te nemen, kan zij eventuele feitelijke vergissingen later niet rechtvaardigen met de stelling dat zij bij de vaststelling van de beschikking waarmee de formele onderzoeksprocedure wordt afgesloten, het recht had alleen de haar destijds ter beschikking staande informatie in aanmerking te nemen.
De Commissie ontsnapt evenwel niet aan iedere rechterlijke toetsing van de vaststelling van de feiten. Indien de lidstaat volledig heeft voldaan aan zijn verplichting om alle door de Commissie gevraagde informatie te verstrekken, zal het voor hem immers bijzonder gemakkelijk zijn aan de hand van de door hem in het kader van de procedure verstrekte informatie aan te tonen, dat eventuele feitelijke vergissingen in de bestreden beschikking niet aan hem toe te rekenen zijn. Wanneer de Commissie een beschikking op de beschikbare informatie betreffende bepaalde feitelijke gegevens baseert, zonder daarbij de in de rechtspraak erkende en in verordening nr. 659/1999 neergelegde procedurevoorschriften na te leven, kan het Gerecht bovendien onderzoeken of de inaanmerkingneming van die feitelijke elementen aanleiding kon geven tot een beoordelingsfout die de onwettigheid van de bestreden beschikking meebrengt.
(cf. punten 73, 88‑89)
2. Uit artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG en artikel 1, sub g, van verordening nr. 659/1999 betreffende de toepassing van artikel 88 EG volgt dat de Commissie, ten bewijze van het misbruik van een conform een goedgekeurde steunregeling toegekende steunmaatregel, moet aantonen dat bij het gebruik van die steun inbreuk is gemaakt op die regeling, zoals deze door de Commissie is goedgekeurd, met andere woorden, dat inbreuk is gemaakt op de nationale voorschriften betreffende die regeling of op de bijkomende voorwaarden waarmee de lidstaat heeft ingestemd in het kader van de goedkeuring van de regeling door de Commissie.
In dat verband volstaat de niet-nakoming van een bijkomende voorwaarde die door de steunverstrekker eenzijdig is opgelegd, zonder dat deze voorwaarde uitdrukkelijk is neergelegd in de nationale voorschriften betreffende die regeling, zoals zij door de Commissie zijn goedgekeurd, op zichzelf niet om te kunnen spreken van misbruik van steun in de zin van artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG.
(cf. punten 113‑114, 144‑145, 149)
3. Zowel het bestaan als de omvang van een staatssteun moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden op het tijdstip van de toekenning ervan. Dat op een overheidsgarantie een beroep wordt gedaan wanneer de begunstigde onderneming in gebreke blijft, wijzigt, wat artikel 87 EG betreft, de aard van deze garantie dus niet en doet geen nieuwe steun ontstaan.
In bepaalde gevallen kan evenwel sprake zijn van steun, wanneer de verstrekker van een overheidsgarantie, nadat een beroep op de garantie is gedaan, eenzijdig afstand doet van zijn rechten ten aanzien van de begunstigde. Dit is inzonderheid het geval wanneer de verstrekker van de overheidsgarantie niet handelt als een rationeel deelnemer aan het economische verkeer, die gebruik maakt van alle mogelijkheden om terugbetaling te verkrijgen van het bedrag dat hij op grond van de garantie heeft moeten betalen. Indien blijkt dat de afstand van een aanvankelijk door een kredietgarantie gedekte schuldvordering, na de nakoming van die garantie, definitief is, zodat de schuld van de begunstigde rechtstreeks wordt verminderd, kan die afstand bovendien in beginsel een afzonderlijke steunmaatregel vormen, voorzover hij een bijkomend economisch voordeel verschaft ten opzichte van de kredietgarantie en de uitvoering daarvan.
(cf. punten 125‑126)
4. De door artikel 253 EG verlangde motivering dient de redenering van de communautaire instantie duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen in de handeling zelf, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel, teneinde hun rechten te verdedigen, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Ter zake van een beschikking van de Commissie inzake staatssteun moeten de aan de motivering te stellen eisen met name worden beoordeeld aan de hand van het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de bestreden handeling worden geraakt in de zin van artikel 230 EG, bij een verklaring kunnen hebben. Voor het vereiste om een dergelijke beschikking met redenen te omkleden kan derhalve niet bepalend zijn het belang dat uitsluitend de lidstaat tot dewelke de beschikking is gericht, bij die informatie heeft, aangezien dat belang beperkt kan zijn om bijzondere redenen die verband houden met het feit of de lidstaat al dan niet bepaalde aspecten, feitelijk of rechtens, tijdens de administratieve procedure heeft betwist; bedoeld vereiste geldt integendeel ten aanzien van alle aan de beschikking ten grondslag liggende overwegingen, feitelijk en rechtens.
(cf. punten 127, 156)
5. Het rechtskader dat van toepassing is op de transacties van de Treuhandanstalt, zoals dit door de Commissie is vastgesteld, bevat een aantal uitzonderingen op het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt. Met de vaststelling van deze uitzonderingen beoogde de Commissie de taak van de Treuhandanstalt, een orgaan dat uniek in zijn soort is, te vergemakkelijken, namelijk het herstructureren van de ondernemingen van de voormalige Duitse Democratische Republiek en het veiligstellen van hun overgang van een planeconomie naar een markteconomie.
Hieruit volgt dat het begrip „privatisering”, als voorwaarde voor de toepassing van een regeling die afwijkt van het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, in het kader van de Treuhandanstalt-regelingen restrictief moet worden uitgelegd. In het kader van een dergelijke uitlegging kan er van een privatisering in de zin van de bedoelde regelingen in beginsel slechts sprake zijn indien een particuliere investeerder een aandeel in het kapitaal van een bestaand overheidsbedrijf verwerft dat hem de zeggenschap over die onderneming kan verlenen.
De oprichting van een nieuwe onderneming met een nieuwe handelsactiviteit in de vorm van een joint venture tussen een onderneming uit de voormalige Duitse Democratische Republiek en een onderneming uit de Bondsrepubliek Duitsland kan dus niet worden aangemerkt als een privatisering in de zin van de hiervoor bedoelde Treuhandanstalt-regelingen. In tegenstelling tot de privatisering in de zin van die regelingen, die de overgang beoogt van een onderneming van een planeconomie naar een markteconomie, maakt de oprichting van een nieuwe onderneming de ontwikkeling mogelijk van een nieuw ondernemingsproject met nieuwe middelen en een nieuwe commerciële activiteit.
(cf. punten 176‑177)
6. De Commissie mag de motivering van een beschikking waarbij de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld van steun die is toegekend op grond van een door de Commissie goedgekeurde algemene steunregeling, beperken tot de vaststelling dat de steun niet voldoet aan de bij de goedkeuring van de steunregeling gestelde voorwaarden, wanneer in de loop van de administratieve procedure geen – door de betrokken lidstaat te bewijzen – preciseringen zijn aangevoerd ten bewijze dat er geen sprake was van een steunmaatregel dan wel dat die steunmaatregel hoe dan ook met de gemeenschappelijke markt verenigbaar was, en daarvan geen misbruik was gemaakt.
(cf. punt 180)
7. Zelfs indien een overweging van een bestreden handeling een feitelijk onjuist gegeven bevat, kan dit gebrek niet tot nietigverklaring van die handeling leiden, indien de andere overwegingen van de bestreden beschikking een motivering verschaffen waaruit blijkt dat zij gerechtvaardigd is.
(cf. punt 191)
8. Het loutere feit dat door een overheidsinstantie aan een onderneming toegekende financiële bijstand voor de terugbetaling van een door die instantie gegarandeerd krediet heeft gediend, kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een tussenkomst op grond van die garantie en niet van een nieuwe steunmaatregel.
(cf. punten 247, 281)
9. De Commissie heeft niet het recht te verlangen dat onwettige steun van de begunstigde onderneming wordt teruggevorderd, wanneer zij ten tijde van de vaststelling van een daartoe strekkende beschikking weet of moet weten dat die onderneming niet van die steun heeft geprofiteerd.
Bijgevolg voldoet een beschikking tot terugvordering van steun bij de begunstigde onderneming niet aan de beginselen inzake de terugvordering van onwettige staatssteun, wanneer de Commissie, althans bij de vaststelling ervan, over een geheel van bruikbare en onderling overeenstemmende aanwijzingen beschikte, waaruit bleek dat die onderneming van een groot gedeelte van de steun niet het feitelijk genot heeft gehad ingevolge het oneigenlijk gebruik ervan, en dat op basis van die aanwijzingen – zij het bij benadering – de omvang van het oneigenlijk gebruik kon worden bepaald. De Commissie kan zich ter rechtvaardiging van haar beschikking niet verschuilen achter het feit dat de autoriteiten van de betrokken lidstaat haar geen precieze gegevens hebben verstrekt over het gedeelte van de steun dat oneigenlijk is gebruikt, aangezien zij geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden om die gegevens te verkrijgen.
(cf. punten 321‑323)
10. Een onderneming die behoort tot een groep van verbonden ondernemingen waarin interne mechanismen van activaoverdracht bestaan, kan, hoewel zij er niet de begunstigde van was, niet worden verplicht tot terugbetaling van onwettige staatssteun op grond dat zij, wegens het feit dat zij tot bedoelde groep behoorde, in feite ervan heeft geprofiteerd, aangezien vaststaat dat bedoelde overdrachtsmechanismen alleen in haar nadeel en niet in haar voordeel hebben gewerkt.
(cf. punt 324)
11. Dat een onderneming een gedeelte van de activa van de begunstigde van een onwettige steunmaatregel heeft overgenomen en diens activiteit voortzet, is niet noodzakelijkerwijs voldoende om te besluiten dat er sprake is van een manoeuvre ter omzeiling van de gevolgen van een beschikking van de Commissie tot terugvordering van die steun. Om te bepalen of inderdaad omzeiling heeft plaatsgevonden, moet immers rekening worden gehouden met elementen zoals de voorwaarden van bedoelde overname, en in het bijzonder de prijs die feitelijk is betaald, het behoud van een aantal activa in het vermogen van de begunstigde en de economische logica van de verrichting.
(cf. punten 326‑343)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
19 oktober 2005 (*)
„Staatssteun – Misbruik van steun – Risico van omzeiling van bevel tot terugvordering – Terugvordering van steun van vennootschappen die bedrijfsactiva van aanvankelijk begunstigde hebben overgenomen”
In zaak T‑318/00,
Freistaat Thüringen (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Schütte, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.‑D. Plessing en T. Jürgensen als gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen, advocaat,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.‑D. Borchardt en V. Kreuschitz als gemachtigden, bijgestaan door C. Koenig, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
ODS Optical Disc Service GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door I. Brinker en U. Soltész, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2000/796/EG van de Commissie van 21 juni 2000 betreffende de door Duitsland ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van CDA Compact Disc Albrechts GmbH, Thüringen (PB L 318, blz. 62),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, R. García-Valdecasas, J. D. Cooke, M. Jaeger en F. Dehousse, rechters,
griffier: D. Christensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 mei 2004,
het navolgende
Arrest
Het rechtskader
1 Artikel 87 EG bepaalt:
„1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt [...]”
2 In artikel 88 EG heet het:
„1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.
2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat de steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn [...]”
3 Artikel 5 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1) luidt:
„1. Indien de Commissie van mening is dat de informatie die de betrokken lidstaat [...] heeft verstrekt, onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Wanneer de Commissie het antwoord hierop van de lidstaat ontvangt, geeft zij de lidstaat daarvan bevestiging.
2. Indien de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of deze onvolledig verstrekt, zendt de Commissie een aanmaning, waarbij zij een passende bijkomende termijn vaststelt waarbinnen de informatie moet worden verstrekt.
[...]”
4 Voorts bepaalt artikel 6 van verordening nr. 659/1999:
„1. De beschikking om de formele onderzoeksprocedure in te leiden behelst een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt. In de beschikking worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die normalerwijs niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.
[...]”
5 In artikel 10 van verordening nr. 659/1999 heet het:
„1. Indien de Commissie, uit welke bron ook, over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, onderwerpt zij die informatie onverwijld aan een onderzoek.
2. Zo nodig verzoekt zij de betrokken lidstaat om informatie. [...] Artikel 5, leden l en 2, [is] van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de betrokken lidstaat, ondanks een aanmaning overeenkomstig artikel 5, lid 2, de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, verlangt de Commissie de te verstrekken informatie bij beschikking (‚bevel tot het verstrekken van informatie’). In deze beschikking wordt aangegeven welke informatie wordt verlangd, en wordt een passende termijn gesteld waarbinnen deze moet worden verstrekt.”
6 Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 659/1999 luidt:
„Het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een beschikking overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4. In geval van een beschikking tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure wordt de procedure afgesloten bij een beschikking overeenkomstig artikel 7. Indien een lidstaat niet voldoet aan een bevel tot het verstrekken van informatie, wordt de beschikking op grond van de beschikbare informatie gegeven.”
7 Artikel 14 van de verordening bepaalt:
„1. Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen (‚terugvorderingsbeschikking’). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht.
2. De op grond van een terugvorderingsbeschikking terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.
3. Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel [242 EG], dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voorzover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de communautaire wetgeving.”
8 Voorts luidt artikel 16 van verordening nr. 659/1999, met als opschrift „Misbruik van steun”:
„Onverminderd artikel 23 kan de Commissie in gevallen van misbruik van steun de formele onderzoeksprocedure inleiden overeenkomstig artikel 4, lid 4. De artikelen 6, 7, 9 en 10, artikel 11, lid 1, en de artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn mutatis mutandis van toepassing.”
9 Ten slotte heeft de Commissie in 1994 een communautaire kaderregeling vastgesteld voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 368, blz. 12), die in 1997 is gewijzigd (PB C 283, blz. 2) (hierna: „kaderregeling voor reddings‑ en herstructureringssteun”).
Voorgeschiedenis van het geding
10 Bij beschikking 2000/796/EG van 21 juni 2000 betreffende de door Duitsland ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van CDA Compact Disc Albrechts GmbH, Thüringen (hierna: „bestreden beschikking”), heeft de Commissie zich uitgesproken over de rechtmatigheid van de financiële steun die in de periode 1991‑1995 door verschillende Duitse overheidsinstanties was verleend aan een bedrijf voor de productie van compact discs (hierna: „cd’s”) en toebehoren, gevestigd te Albrechts, in de deelstaat Thüringen (hierna: „cd-fabriek te Albrechts”).
A – Algemene context
11 De Commissie maakt in de bestreden beschikking een onderscheid tussen drie fasen, te weten (i) de oprichtingsfase van de onderneming; (ii) de herstructureringsfase van de onderneming, en ten slotte (iii) de overname van bepaalde bedrijfsactiva door de vennootschap MediaTec Datenträger GmbH (hierna: „MTDA”).
1. Oprichtingsfase van de onderneming (1990-1992)
12 Blijkens de bestreden beschikking is de cd-fabriek te Albrechts opgericht op grond van een joint-ventureovereenkomst, die op 20 februari 1990 is gesloten tussen VEB Kombinat Robotron (een staatsbedrijf), gevestigd te Dresden, in de deelstaat Sachsen (hierna: „Robotron”), en de vennootschap R. E. Pilz GmbH & Co. Beteiligungs KG (hierna: „PBK”), een vennootschap van de te Kranzberg, in de deelstaat Bayern, gevestigde Pilz-groep (hierna: „Pilz-groep”). In het kapitaal van de joint venture, die toen de naam „Pilz & Robotron GmbH & Co. Beteiligungs KG” (hierna: „joint venture”) droeg, nam Robotron een belang van twee derde en PBK een belang van een derde. Het doel van de joint venture bestond in de productie van cd’s, cd-doosjes en toebehoren. Reiner Pilz, directeur van de Pilz-groep, was eveneens belast met het beheer van de joint venture (punt 11 van de bestreden beschikking).
13 Om haar statutair doel te verwezenlijken heeft de joint venture op 29 augustus 1990 met Pilz GmbH & Co. Construction KG, een vennootschap van de Pilz-groep (hierna: „Pilz Construction”), een algemene aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een sleutelklare fabriek voor de productie van cd’s voor de totale prijs van 235,525 miljoen Duitse mark (DEM). Daarbij kwamen nog de kosten voor het bouwrijp maken van de grond, geraamd op 7,5 miljoen DEM (punten 12 en 20 van de bestreden beschikking).
14 Voorts zijn de twee joint-venturepartners op 26 mei 1992 aanvullend overeengekomen om de productiecapaciteit voor cd’s en cd-doosjes uit te breiden. Het totaalbedrag van de daartoe vereiste prestaties en leveringen bedroeg 39 miljoen DEM (punt 22 van de bestreden beschikking).
15 Ter financiering van deze investeringen hebben de joint venture, Robotron en PBK de nodige bedragen bij een bankenconsortium geleend. Deze bankkredieten waren gedeeltelijk of geheel gedekt door garanties van de Treuhandanstalt, de overheidsinstelling die is belast met de financiering van de privatisering van ondernemingen in de voormalige Duitse Democratische Republiek (hierna: „THA”), en van de deelstaat Bayern. Daarenboven hebben de deelstaten Thüringen en Bayern, laatstgenoemde via de Bayerische Landesanstalt für Aufbaufinanzierung (Beiers agentschap voor de financiering van de wederopbouw; hierna: „LfA”), investeringssteun en ‑toelagen aan de joint venture toegekend.
16 Overigens wisselden de aandelen in de joint venture tijdens de oprichtingsfase van de cd-fabriek te Albrechts een aantal maal van eigenaar. Eerst zijn de aandelen in de joint venture van Robotron, ingevolge de liquidatie van Robotron door THA in 1992, aan PBK verkocht. Vervolgens heeft PBK zelf bijna al haar aandelen in de joint venture overgedragen aan de vennootschap Pilz GmbH & Co. Compact Disc KG, een andere vennootschap van de Pilz-groep (hierna: „Pilz Compact Disc”), zodat de joint venture een dochteronderneming van laatstgenoemde vennootschap werd. Op 24 november 1992 ten slotte, na deze overdracht en de verplaatsing van de vennootschapszetel naar Albrechts, heeft de joint venture haar naam in Pilz Albrechts GmbH (hierna: „PA”) gewijzigd. Meteen na de overdracht is zij in het centrale cashmanagement van de Pilz-groep opgenomen (punten 13 en 14 van de bestreden beschikking).
2. Herstructureringsfase (1993-1998)
17 De cd-fabriek was in 1993 operationeel. Van bij de aanvang van de exploitatie ervan, had de fabriek te kampen met ernstige moeilijkheden en ging zij zware schulden aan (punt 15 van de bestreden beschikking).
18 Om uit deze situatie te geraken is op 7 maart 1994 een saneringsovereenkomst gesloten tussen de Pilz-groep (met inbegrip van PA), en de banken en de overheidsinstanties [THA, LfA, Thüringer Industriebeteiligungsgesellschaft (hierna: „TIB”) en Thüringer Aufbaubank (hierna: „TAB”)], die aan de financiering van de bouw van de cd-fabriek te Albrechts hadden deelgenomen. In het kader van deze overeenkomst is een groot gedeelte van de met het oog op de bouw van de cd-fabriek verleende bankkredieten geheel of gedeeltelijk terugbetaald. Daarenboven is ingevolge de saneringsovereenkomst het kapitaal van PA overgedragen aan TIB (98 % van de aandelen) en TAB (2 % van de aandelen), met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994, zodat PA niet langer deel uitmaakte van de Pilz-groep. Met ingang van oktober 1994 wijzigde ook de naam van de vennootschap in CDA Compact Disc Albrechts GmbH (hierna: „CD Albrechts”) (punten 15 en 17 van de bestreden beschikking). Voorts hebben TAB en LfA in 1994 en 1995 een aantal kredieten verstrekt aan CD Albrechts.
19 Eveneens in de loop van 1994 kwamen de Duitse autoriteiten tot de ontdekking dat een groot gedeelte van de financiële steun ter financiering van de bouw van de cd-fabriek te Albrechts oneigenlijk was gebruikt ten behoeve van andere vennootschappen van de Pilz-groep, met name via diens centrale cashmanagement. Daarenboven is op 25 juli 1995 ten aanzien van het vermogen van alle ondernemingen van de Pilz-groep een insolventieprocedure ingeleid. Ten slotte is Reiner Pilz tot een gevangenisstraf veroordeeld wegens bedrieglijk faillissement en andere strafbare feiten (punt 16 van de bestreden beschikking).
3. Overname van bepaalde activa door MTDA
20 Met ingang van 1 januari 1998 verwierf MTDA, een 100 % dochteronderneming van TIB die hoofdzakelijk actief is op het gebied van de productie van informatiedragers met zeer groot vermogen, in het bijzonder beschrijfbare cd’s (cd-rom) en dvd’s, een gedeelte van de activa van CD Albrechts, namelijk het belegd en vlottend kapitaal, de liquide middelen, de technische knowhow en de distributie (punt 18 van de bestreden beschikking).
21 Tegelijkertijd met de overname, wijzigde de naam van CD Albrechts in LCA Logistik Center Albrechts GmbH (hierna: „LCA ”) en die van MTDA in CDA Datenträger Albrechts GmbH (hierna: „CDA”). LCA bleef evenwel eigenaar van de voor de exploitatie van het bedrijf nodige grond, van de gebouwen op die grond, en van de technische infrastructuur en de logistieke installaties. Voorts is tussen LCA en CDA een overeenkomst betreffende de uitwisseling van prestaties gesloten, bestaande uit een huurovereenkomst tegen een jaarlijks huurbedrag van 800 000 DEM en een dienstverleningsovereenkomst voor een van de bedrijfsomzet afhankelijk bedrag van ongeveer 3 miljoen DEM per jaar (punt 19 van de bestreden beschikking).
22 Ten slotte heeft LCA op 22 september 2000 haar liquidatie gevraagd in het kader van een faillissementsprocedure.
B – Verloop van de administratieve procedure
23 Toen zij via persberichten vernam dat de Duitse autoriteiten steun hadden verleend voor de bouw van de cd-fabriek te Albrechts, heeft de Commissie vanaf oktober 1994 de Bondsrepubliek Duitsland om inlichtingen over deze steun verzocht. Vervolgens zijn er tussen de Duitse autoriteiten en de Commissie intense schriftelijke contacten en een aantal bijeenkomsten geweest (punten 1‑3 van de bestreden beschikking).
24 Bij schrijven van 17 juli 1998 heeft de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG ten aanzien van die steunmaatregelen (hierna: „inleidingsbesluit”). In bijlage bij dit schrijven werd de Duitse autoriteiten een vragenlijst toegezonden. Het inleidingsbesluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1988 [Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel [88, lid 2, EG] aan de andere lidstaten en overige belanghebbenden betreffende [door de Duitse regering verleende] steun voor de oprichting van CD Albrechts GmbH, Thüringen, (voordien Pilz-Gruppe, Beieren), PB C 390, blz. 7].
25 In reactie op het inleidingsbesluit hebben de Duitse autoriteiten een aantal brieven met aanvullende informatie gestuurd. Tussen die autoriteiten en de vertegenwoordigers van de Commissie vonden nog een aantal ontmoetingen plaats.
26 Daar de Commissie echter geen genoegen kon nemen met de door de Duitse autoriteiten in antwoord op haar vragen verstrekte informatie, heeft zij die autoriteiten bij brief van 22 juli 1999 aangemaand uiterlijk op 31 augustus 1999 te antwoorden. Nadat de Duitse autoriteiten bij schrijven van 28 juli 1999 om verlenging van deze termijn hadden verzocht en de vertegenwoordigers van de Commissie op 23 september 1999 nogmaals hadden ontmoet, hebben zij bijkomende informatie toegestuurd.
27 Overigens hebben CDA en Point Group Ltd, een concurrente van CDA, zich na het verstrijken van de in het inleidingsbesluit gestelde termijn als belanghebbende gemeld en bij de Commissie opmerkingen ingediend.
28 Ten slotte heeft de Commissie op 21 juni 2000 de procedure afgesloten met de vaststelling van de bestreden beschikking.
C – Vaststelling van de feiten en juridische beoordeling
29 De Commissie heeft een afzonderlijke beoordeling gegeven van de financiële steun die respectievelijk door de Bondsrepubliek Duitsland is verleend tijdens de oprichtingsfase, tijdens de herstructureringsfase, en ten slotte in het kader van de overname van bepaalde activa van CD Albrechts door MTDA.
1. Financiële steun van de Bondsrepubliek Duitsland tijdens de oprichtingsfase
30 De Commissie heeft in de bestreden beschikking vijf financiële steunmaatregelen geïdentificeerd die tijdens de oprichtingsfase waren verleend. In de synoptische tabel in punt 32 van de bestreden beschikking heeft zij daarvan de volgende beschrijving gegeven:
Maatregel Bedrag (in miljoen DEM) Begunstigde onderneming Verleend door Datum Rechtsgrond
1 Volle kredietgarantie (oorspronkelijk voor 80 %) over 52,7 miljoen DEM 54,7 PBK LfA 1991 Gesetz über die Übernahme von Staatsbürgschaften und Garantien des Freistaates Bayern
2 Investeringssteun en ‑toelagen 19,42 joint venture LfA 1991/ 1992 Gemeinschaftsaufgabe „Verbetering van de regionale economische structuur”, Investitionszulage[n]gesetz
3 Afstand 3,0 PBK LfA 1994 Geen
4 Volle garantie 190,0 Robotron AG, joint venture THA 199[2] THA-regime
5 Investeringssteun en ‑toelagen 63,45 joint venture, vanaf 24.11.1992, PA Thüringen 1991 tot 1993 Gemeinschaftsaufgabe „Verbetering van de regionale economische structuur”, Investitionszulage[n]gesetz
Totaal 330,57
31 Uit de tabel blijkt in de eerste plaats dat THA in 1992 een 100 % garantie voor 190 miljoen DEM verleende, die het grootste deel van de aan Robotron en de joint venture verleende bankkredieten dekte. Volgens de Commissie moet deze garantie geacht worden een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel te zijn, aangezien zij niet is toegekend in overeenstemming met de steunregelingen die door de Commissie bij brief SG(91) D/17825 van 26 september 1991 (hierna: „eerste THA-regeling”), respectievelijk bij brief SG(92) D/17613 van 8 december 1992 (hierna: „tweede THA-regeling”) waren goedgekeurd. Nu van de 190 miljoen DEM waarvoor de garantie aanvankelijk was verleend, door THA uit hoofde van de garantie slechts 120 miljoen DEM effectief is uitbetaald, moet volgens de Commissie evenwel enkel laatstbedoeld bedrag worden terugbetaald.
32 In de tweede plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de deelstaat Thüringen in de periode tot 31 december 1993 in totaal voor 63,45 miljoen DEM investeringssteun en ‑toelagen aan de joint venture, en vervolgens aan PA, had verleend op grond van het „Investitionszulagengesetz” (Duitse wet inzake investeringspremies) en van het twintigste en het éénentwintigste „Rahmenplan der Gemeinschaftsaufgabe ‚Verbesserung der regionalen Wirtschaftstruktur’” (voor de jaren 1992 en 1993 vastgestelde kaderplannen ter uitvoering van de Duitse wet van 6 oktober 1969 betreffende de gemeenschapstaak „verbetering van de regionale economische structuur”; hierna: „GA-regeling”). Volgens de Commissie is deze regionale steun ten onrechte op grond van de Gemeinschaftsaufgabe en het Investitionszulagengesetz toegekend, zodat hij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is en dus moet worden terugbetaald. Gelet op de beslissing van de deelstaat Thüringen tot terugvordering van 32,5 miljoen DEM, stelt de Commissie dat nog 30,95 miljoen DEM moet worden teruggevorderd.
33 In de derde plaats kwam de Commissie tot de vaststelling dat de deelstaat Bayern in 1991 en 1992 via LfA voor in totaal 19,42 miljoen DEM investeringssteun en ‑toelagen aan de joint venture had verleend. Aangezien deze steun en toelagen oneigenlijk waren gebruikt ten behoeve van de vennootschappen van de Pilz-groep, stelt de Commissie dat zij ten onrechte op grond van de GA-regeling en het Investitionszulagengesetz zijn verleend. Volgens de Commissie is bijgevolg sprake van met het EG-Verdrag onverenigbare steunmaatregelen.
34 In de vierde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de deelstaat Bayern een garantie voor 80 % had verleend, die vervolgens op 100 % is gebracht, voor definitief aan PBK verleende bankkredieten ten bedrage van in totaal 54,7 miljoen DEM, op grond van de „Richtlinien für die Übernahme von Staatsbürgschaften im Bereich der gewerblichen Wirtschaft” (richtsnoeren betreffende het verlenen van overheidsgaranties in de nijverheidssector, gepubliceerd bij mededeling L 6811‑1/7 – 43358 van het Beierse ministerie van Financiën van 7 augustus 1973; hierna: „reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern”). Volgens de Commissie hebben de Duitse autoriteiten, niettegenstaande het verzoek om inlichtingen in het inleidingsbesluit, niet voldoende gedetailleerde gegevens verstrekt om haar twijfels weg te nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de verrichtingen in verband met de garantie van de deelstaat Bayern (LfA). Daarenboven is de Commissie van mening dat deze garantie, gelet op het feit dat de betrokken steun niet voor de financiering van de investering, maar oneigenlijk is gebruikt, als een onverenigbare steunmaatregel moet worden aangemerkt.
35 In de vijfde plaats stelde de Commissie dat de afstand door LfA van de schuldvordering van 3 miljoen DEM op PBK, die ingevolge de betaling van dat bedrag aan de banken op grond van de in punt 34 bedoelde garantie was ontstaan, staatssteun was. Volgens haar was deze steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, aangezien hij zonder rechtsgrondslag was toegekend.
36 In het licht van die vaststellingen concludeerde de Commissie dat de Bondsrepubliek Duitsland tijdens de oprichtingsfase van de cd‑fabriek te Albrechts voor in totaal 260,57 miljoen DEM staatssteun in strijd met artikel 88, lid 3, EG had toegekend. Deze steunmaatregelen behelzen steun van de deelstaat Thüringen, ten belope van 63,45 miljoen DEM, van LfA, ten belope van 77,12 miljoen DEM (54,7 miljoen DEM in de vorm van een garantie, 19,42 miljoen DEM investeringstoelagen en 3 miljoen DEM in de vorm van een afstand van schuldvordering), en van THA, voor een bedrag van 120 miljoen DEM.
37 Volgens de Commissie zijn die steunmaatregelen in het bijzonder onverenigbaar omdat de vennootschappen van de Pilz-groep daarvan hebben geprofiteerd, zodat daarvan misbruik is gemaakt in de zin van artikel 88, lid 2, EG.
2. Financiële steun tijdens de herstructureringsfase
38 De Commissie heeft in de bestreden beschikking twaalf tijdens de herstructureringsfase verleende financiële steunmaatregelen geïdentificeerd en als staatssteun aangemerkt. In de synoptische tabel in punt 39 van de bestreden beschikking zijn deze als volgt weergegeven:
Maatregel Bedrag (in miljoen DEM) Begunstigde onderneming Verleend door Datum Rechts-grond
1 Krediet 25,0 PA TAB oktober 1993 Geen
2 Krediet 20,0 PA TAB maart 1994 Geen
3 Aankoopprijs 3,0 PBK TIB maart 1994 Geen
4 Subsidie 12,0 PA TIB maart 1994 Geen
5 Deelname in de onderneming 33,0 PA TIB (98 %) TAB (2 %) maart 1994 Geen
6 Krediet 2,0 PA LfA maart 1994 Geen
7 Aandeelhouders-lening 3,5 PA TIB april 1994 Geen
8 Krediet 15,0 Pilz-groep LfA juni 1994 Geen
9 Krediet 15,0 CD Albrechts TAB oktober 1994 Geen
10 Krediet 7,0 CD Albrechts LfA december 1994 Geen
11 Krediet 9,5 CD Albrechts TAB januari 1995 Geen
12 Rente 21,3 sinds eind 1993
Totaal 166,3
39 In de eerste plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TAB in oktober 1993 een krediet van 25 miljoen DEM had verstrekt aan PA, teneinde de liquiditeitstekorten bij die vennootschap op te vangen, en dat dit bedrag evenwel via het gecentraliseerde cashmanagement van de Pilz-groep, rechtstreeks bij de andere vennootschappen van de groep terecht was gekomen.
40 In de tweede plaats kwam de Commissie tot de vaststelling dat TAB in maart 1994 een krediet van 20 miljoen DEM had verstrekt aan PA voor de terugbetaling van de door THA gegarandeerde bankkredieten, en dat ook dit bedrag via het gecentraliseerde cashmanagement rechtstreeks bij de vennootschappen van de Pilz-groep terecht was gekomen.
41 In de derde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TIB in maart 1994 aan PBK 3 miljoen DEM had betaald voor de aankoop van de aandelen die PBK in PA aanhield.
42 In de vierde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TIB in maart 1994 een subsidie in de vorm van een kapitaaldotatie voor PA had toegekend ten bedrage van in totaal 12 miljoen DEM.
43 In de vijfde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TIB en TAB in maart 1994 respectievelijk 98 % en 2 % van het maatschappelijk kapitaal van PA hadden verworven, hetgeen overeenkomt met een bedrag van 33 miljoen DEM.
44 In de zesde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de deelstaat Bayern in maart 1994 via LfA aan PA een krediet van 2 miljoen DEM had verleend.
45 In de zevende plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TIB in april 1994 aan PA een aandeelhouderslening van 3,5 miljoen DEM had verstrekt.
46 In de achtste plaats heeft de Commissie vastgesteld dat LfA in juni 1994 aan de Pilz-groep een bedrijfskrediet ten bedrage van 15 miljoen DEM had verstrekt, dat als overbrugging was bedoeld in afwachting dat voor de cd-fabriek te Albrechts een overnemer werd gevonden.
47 In de negende plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TAB in oktober 1994 aan CD Albrechts een krediet van 15 miljoen DEM had toegekend. Zij merkt op dat dit bedrag weliswaar aan CD Albrechts was betaald, maar was gebruikt voor het verrichten van onvergoed gebleven diensten ten behoeve van de ondernemingen van de Pilz-groep, zodat enkel die ondernemingen daarvan hebben geprofiteerd.
48 In de tiende plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de deelstaat Bayern in december 1994 via LfA aan CD Albrechts een nieuw krediet van 7 miljoen DEM had verstrekt.
49 In de elfde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat TAB in januari 1995 aan CD Albrechts een krediet van 9,5 miljoen DEM had toegekend.
50 In de twaalfde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat PA en CD Albrechts, volgens de informatie van de Duitse autoriteiten, tijdens de periode van eind 1993 tot en met 1998 een rentevoordeel hadden genoten van in totaal 21,3 miljoen DEM.
51 Volgens de Commissie moeten de twaalf hiervoor beschreven financiële steunmaatregelen, voor een bedrag van in totaal 166,3 miljoen DEM, als onrechtmatige en met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun worden aangemerkt. Aangezien TIB en TAB van die steunmaatregelen hebben geprofiteerd, nadat zij de economische verantwoordelijkheid voor de cd-fabriek te Albrechts hadden overgenomen, konden die maatregelen immers enkel op grond van artikel 87, lid 3, sub c, EG en in overeenstemming met de kaderregeling voor reddings‑ en herstructureringssteun door de Commissie worden goedgekeurd. Volgens de Commissie is evenwel duidelijk dat bedoelde steunmaatregelen niet aan de kaderregeling voldoen, aangezien uit de gegevens waarover zij beschikt niet valt te concluderen dat de steun is verleend in het kader van een haalbaar herstructureringsplan dat concrete interne maatregelen bevat op basis waarvan de Commissie zich kan vergewissen van het herstel binnen een redelijke termijn van de langetermijnrentabiliteit en ‑overlevingskansen van de onderneming. Bovendien was geen enkele particuliere belegger bereid om het huidige LCA en CDA over te nemen, zodat, bij ontbreken van een bijdrage van de particuliere sector, niet kan worden nagegaan of de herstructureringsinspanningen in verhouding staan tot de steun.
3. Terugvordering van de steun
52 Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 besliste de Commissie dat de Bondsrepubliek Duitsland om terugbetaling diende te verzoeken van de onrechtmatige en met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun die tijdens de oprichtingsfase of de herstructureringsfase van de cd-fabriek te Albrechts was betaald.
53 Daarenboven benadrukte de Commissie dat zij, ter verzekering van de naleving van haar beschikking en om iedere vorm van concurrentievervalsing te niet te doen, zo nodig verplicht was te eisen dat de procedure voor de terugvordering van de steun niet beperkt zou blijven tot de oorspronkelijke begunstigde onderneming, maar zou worden uitgebreid tot de onderneming die met de overgedragen productiemiddelen de bedrijvigheid van de oorspronkelijke onderneming voortzet. De Commissie stelde dat zij bij de beoordeling of er economische continuïteit bestaat tussen een onderneming en de oorspronkelijke begunstigde onderneming, rekening hield met een aantal elementen, waaronder het voorwerp van overdracht, de verkoopprijs, de identiteit van de aandeelhouders en eigenaren van de oorspronkelijke en de overnemende onderneming, het tijdstip waarop de overdracht plaatsvond en de commerciële aard van de transactie. De Commissie was van mening dat het in het onderhavige geval evenwel zeker was dat LCA en CDA hadden geprofiteerd van de steun die eerder aan PBK, de joint venture en PA was toegekend, nu eerstgenoemden de activa en de infrastructuur van die ondernemingen hebben gebruikt om de activiteit ervan voort te zetten. Dientengevolge besliste de Commissie dat die steun door LCA, CDA en alle andere ondernemingen waaraan activa van de joint venture, PA of PBK waren overgedragen of zouden worden overgedragen, diende te worden terugbetaald, nu zij als „begunstigden” van die steunmaatregelen moesten worden beschouwd.
4. Dispositief van de bestreden beschikking
54 In het licht van die overwegingen beschikte de Commissie als volgt:
„Artikel 1
1. De steunmaatregelen die [de Bondsrepubliek] Duitsland heeft toegekend aan [PBK, de joint venture en PA] met het oog op de bouw, de exploitatie en de consolidering van de cd-fabriek in Albrechts (Thüringen), werden ten belope van 260,57 miljoen DEM in andere onderdelen van de Pilz-groep gebruikt.
De desbetreffende steunmaatregelen zijn afkomstig van de deelstaat Thüringen ten belope van 63,45 miljoen DEM, van [LfA] ten belope van in totaal 77,12 miljoen DEM en van [THA] voor een bedrag van 120 miljoen DEM.
Het oneigenlijk gebruik is een misbruik van steun zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, [EG]; de steunmaatregelen zijn derhalve onverenigbaar met het EG-Verdrag.
2. De steun voor de herstructurering van [CD Albrechts] die in totaal 166,3 miljoen DEM omvat, is overeenkomstig artikel 87, lid 1, [EG] onverenigbaar met de bepalingen van het EG-Verdrag.
Artikel 2
1. [De Bondsrepubliek] Duitsland neemt de nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en onwettig toegekende steun van de respectieve begunstigden terug te vorderen.
2. De terugvordering geschiedt in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde(n) ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.
3. In dit artikel wordt met ‚begunstigden’ bedoeld [CDA] en [LCA], evenals alle andere ondernemingen, waaraan activa en/of infrastructuur van [PBK], [de joint venture] of [PA] zijn of worden overgedragen om de gevolgen van deze beschikking te omzeilen [...]”
Procedure en conclusies van partijen
55 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 oktober 2000 heeft de deelstaat Thüringen een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T‑318/00.
56 Bij beschikking van de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 28 mei 2001 is de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie aan de zijde van de deelstaat Thüringen, en de vennootschap ODS Optical Disc Service GmbH (hierna: „ODS”), een concurrente van CDA, is toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
57 ODS en de Bondsrepubliek Duitsland hebben respectievelijk op 29 augustus en 3 september 2001 hun memorie in interventie ingediend. Op 24 oktober 2001 hebben de deelstaat Thüringen en de Commissie hun opmerkingen over de memories in interventie van ODS en de Bondsrepubliek Duitsland ingediend.
58 Bij beschikking van 30 september 2002, heeft het Gerecht (Derde kamer – uitgebreid) de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het Hof in de zaken C‑328/99, Italië/Commissie, en C‑399/00, SIM 2 Multimedia/Commissie. In het licht van de uitspraak van 8 mei 2003 in deze gevoegde zaken, heeft het Gerecht partijen verzocht hun standpunt te bepalen over het gevolg dat moest worden gegeven aan het onderhavige beroep. Die opmerkingen zijn op 23 en 24 juni 2003 ingediend.
59 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht partijen verzocht hun standpunt te bepalen over het nut van een eventuele voeging van het onderhavige beroep met het onder nummer T‑324/00 ter griffie van het Gerecht ingeschreven beroep van CDA, dat hetzelfde voorwerp heeft. Na ontvangst van de opmerkingen van partijen, zijn de zaken bij beschikking van 8 maart 2004 voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
60 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft het Gerecht partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen en heeft het hun schriftelijk vragen gesteld.
61 Ter terechtzitting van 5 mei 2004 hebben partijen pleidooi gehouden en de vragen van het Gerecht beantwoord.
62 Bij beschikking van 23 juli 2004, zijn de zaken T‑318/00 en T‑324/00 voor het arrest gesplitst.
63 De deelstaat Thüringen concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– subsidiair, artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking nietig te verklaren, voorzover daarin de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de aan de joint venture en PA uitbetaalde steun wordt vastgesteld, en de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 3, van de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
64 De Bondsrepubliek Duitsland, interveniënte, concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren.
65 De Commissie, ondersteund door ODS, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– de deelstaat Thüringen te verwijzen in de kosten.
In rechte
I – Opmerkingen vooraf
66 Tot staving van zijn beroep voert de deelstaat Thüringen een aantal middelen aan: schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, onjuiste vaststelling van bepaalde feiten, schending van de motiveringsplicht, schending van de artikelen 87 en 88 EG, en van de uitvoeringsbepalingen ervan, schending van het evenredigheidsbeginsel, en ten slotte schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van een „zekerheidsbeginsel”.
67 Het Gerecht zal eerst de middelen onderzoeken die worden aangevoerd tot staving van de vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking. Daarna zal het Gerecht overgaan tot onderzoek van de middelen betreffende het terugvorderingsbevel in artikel 2 van de bestreden beschikking.
II – Wettigheid van artikel 1 van de bestreden beschikking
68 De deelstaat Thüringen stelt in wezen dat artikel 1 van de bestreden beschikking onwettig is omdat de Commissie zich in feitelijk opzicht heeft vergist bij de beoordeling van de verschillende financiële steunmaatregelen in verband met het bouwproject voor de cd-fabriek te Albrechts, en omdat haar beoordeling strijdig is met de artikelen 87, lid 1, EG en 88, lid 2, EG en niet aan de motiveringsplicht voldoet.
69 Bijgevolg moeten voor elk van de financiële steunmaatregelen die hierboven zijn geïdentificeerd in de tabellen in de punten 30 en 38, de middelen van de deelstaat Thüringen een na een worden onderzocht.
70 Het Gerecht is evenwel van oordeel dat het noodzakelijk is vooraf de argumentatie van de deelstaat Thüringen te onderzoeken, volgens welke de Commissie niet het recht had om zich te baseren op de informatie waarover zij beschikte ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking.
A – De mogelijkheid om de bestreden beschikking te baseren op de beschikbare informatie
1. Argumenten van partijen
71 De deelstaat Thüringen betoogt dat de Commissie in casu niet het recht had de bestreden beschikking te baseren op de informatie waarover zij beschikte ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking. Hij merkt in de eerste plaats op dat de Commissie, blijkens artikel 13, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 659/1999 en vaste rechtspraak, een beschikking enkel kan baseren op de beschikbare informatie, indien de lidstaat een daartoe door de Commissie tot hem gericht bevel tot het verstrekken van informatie niet of onvolledig heeft beantwoord (arresten Hof van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, „Boussac”, C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punten 19 en 22, en 13 april 1994, Duitsland en Pleuger Worthington/Commissie, C‑324/90 en C‑342/90, Jurispr. blz. I‑1173, punt 26). Voorts merkt hij op, dat de nationale autoriteiten weliswaar de verplichting hebben de Commissie alle relevantie informatie te verstrekken welke nodig is voor de uitoefening van haar toezichthoudende taak inzake staatssteun, maar dat het aan de Commissie staat zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen over de feiten. Volgens hem volgt hieruit dat de Commissie de nationale autoriteiten duidelijk en nauwkeurig in kennis dient te stellen van alle gegevens die zij in het kader van haar taak nodig heeft, en dat zij enkel een beslissing op grond van de beschikbare informatie vaststelt in de extreme gevallen waarin zij, ondanks haar verzoeken, de verlangde nadere informatie niet krijgt. Volgens de deelstaat Thüringen hebben de Duitse autoriteiten evenwel de verschillende verzoeken om informatie van de Commissie, en in het bijzonder de vragen in de bijlage bij het inleidingsbesluit, beantwoord. Hij merkt immers op dat de vragen in de aanmaningbrief van 22 juli 1999, op een enkele uitzondering na, niet dezelfde waren als die in de bijlage bij het inleidingsbesluit, hetgeen zijns inziens aantoont dat er intussen in de procedure vooruitgang was geboekt. Volgens hem had de Commissie, zo zij geen genoegen kon nemen met de antwoorden op de vragen in de bijlage bij het inleidingsbesluit, zulks in haar brief van 22 juli 1999 moeten vermelden. De deelstaat Thüringen is bijgevolg van mening dat de Commissie, nu zij de Duitse autoriteiten niet om dergelijke nadere informatie heeft verzocht, de bestreden beschikking niet kon baseren op de beschikbare informatie.
72 De Commissie, ondersteund door ODS, betwist het betoog van de deelstaat Thüringen.
2. Beoordeling door het Gerecht
73 Blijkens de rechtspraak is de Commissie bevoegd een beschikking te geven op grond van de beschikbare informatie wanneer een lidstaat niet aan zijn medewerkingsverplichting voldoet en de informatie waarom de Commissie hem heeft verzocht met het oog op het onderzoek van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, niet verstrekt (arresten Boussac, punt 71 supra, punt 22, en Duitsland en Pleuger Worthington/Commissie, punt 71 supra, punt 26). Vóór de vaststelling van een dergelijke beschikking dient de Commissie evenwel een aantal procedureregels in acht te nemen. In het bijzonder dient zij de lidstaat te gelasten haar, binnen de door haar gestelde termijn, alle documenten, inlichtingen en gegevens te verschaffen die nodig zijn om de steun op zijn verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken. Enkel wanneer de lidstaat, ondanks het bevel van de Commissie, de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, heeft de Commissie het recht de procedure te beëindigen en de beschikking betreffende de (on)verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt vast te stellen op basis van de haar ter beschikking staande gegevens (arrest Boussac, punt 71 supra, punten 19 en 22). Deze regels zijn overgenomen en gepreciseerd in de artikelen 5, lid 2, 10, lid 3, en 13, lid 1, van verordening nr. 659/1999.
74 In het licht van die beginselen moet worden onderzocht of de Commissie het recht had om de bestreden beschikking in casu louter op grond van de haar in juni 2000 ter beschikking staande informatie vast te stellen.
75 Om te beginnen zij herinnerd aan het verloop van de administratieve procedure in de onderhavige zaak.
76 De procedure nam een aanvang met een brief die in oktober 1994 aan de Duitse autoriteiten is gestuurd. Daarin verzocht de Commissie de Duitse autoriteiten om inlichtingen over de staatssteun voor de bouw van een cd-fabriek te Albrechts. In antwoord hebben de Duitse autoriteiten bij brief van 9 november 1994 een steunmaatregel van de deelstaat Thüringen en van de deelstaat Bayern ten behoeve van de joint venture en de Pilz-groep aangemeld. Bij brief van 15 november 1994 verzocht de Commissie om nadere inlichtingen over die steun, waarna de Duitse autoriteiten, bij brief van 3 maart 1995, nog extra steunmaatregelen van THA, de deelstaat Thüringen en de deelstaat Bayern hebben aangemeld. Aangezien die steunmaatregelen reeds waren toegekend, heeft de Commissie hen onder nummer NN 54/95 geregistreerd (punt 2 van de bestreden beschikking). Bij brieven van 1 augustus 1995, 16 oktober 1995 en 25 november 1996 stelde de Commissie aanvullende vragen, die de Duitse autoriteiten bij brieven van 22 augustus 1995, 25 augustus 1995, 18 januari 1996 en 17 april 1997 hebben beantwoord. Op 3 februari 1997, alsmede op 22 en 23 september 1997 vonden, respectievelijk te Brussel en te Erfurt, ontmoetingen plaats tussen vertegenwoordigers van de Commissie en van de Duitse autoriteiten. Bij brief van 20 januari 1998 namen de Duitse autoriteiten op grond van de ontmoeting met de vertegenwoordigers van de Commissie een algemeen standpunt in over de kwestie (punt 3 van de bestreden beschikking).
77 Aangezien de Commissie na een eerste onderzoek van de informatie van de Duitse autoriteiten van mening was dat de litigieuze maatregelen ernstige twijfels deden rijzen omtrent de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, heeft zij op 17 juli 1998 het inleidingsbesluit vastgesteld.
78 Daarenboven heeft zij in dit besluit de Bondsrepubliek Duitsland gelast „haar binnen één maand na ontvangst van [bedoeld besluit] alle documenten, inlichtingen en gegevens te verstrekken [...] die zij nodig heeft om na te gaan of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met artikel [87 EG]”. Bij het inleidingsbesluit was een bijlage met zeven vragen gevoegd.
79 Bij brief van 26 augustus 1998 heeft de Bondsrepubliek Duitsland gereageerd op het inleidingsbesluit. Op 15 oktober 1998 vergaderden vertegenwoordigers van de Commissie en van de Duitse autoriteiten nogmaals te Brussel. Bij brief van 11 november 1998 zonden de Duitse autoriteiten aanvullende gegevens toe.
80 Daar de Commissie nog geen genoegen kon nemen met de overgelegde informatie, verzocht zij de Duitse autoriteiten bij brief van 4 maart 1999 nogmaals om de vereiste informatie, en inzonderheid om een antwoord op de als bijlage bij het inleidingsbesluit gevoegde vragen.
81 In antwoord op dit nieuwe bevel hebben de Duitse autoriteiten bij brieven van 30 maart, 1 april en 16 april 1999, verdere gegevens meegedeeld.
82 De Commissie kon echter nog steeds geen genoegen nemen met deze informatie in antwoord op de vragen in de bijlage bij het inleidingsbesluit (in het bijzonder vragen 3‑7 in de bijlage). Bijgevolg verzocht zij, bij brief van 22 juli 1999, deze vragen uiterlijk op 31 augustus 1999 te beantwoorden. Voorts verzocht zij de Bondsrepubliek Duitsland om bijkomende informatie en documenten.
83 Nadat de Duitse autoriteiten bij brief van 28 juli 1999 hadden verzocht om verlenging van de door de Commissie gestelde termijn en de vertegenwoordigers van de Commissie op 23 september 1999 nogmaals hadden ontmoet te Brussel, hebben zij op 28 september en 19 oktober 1999 bijkomende informatie toegestuurd.
84 Ten slotte heeft de Commissie op 21 juni 2000 de bestreden beschikking vastgesteld.
85 Wat het argument van de deelstaat Thüringen betreft, dat de Duitse autoriteiten alle gevraagde informatie hebben overgelegd, zodat de Commissie niet het recht had zich te baseren op de beschikbare informatie, moet vooraf worden vastgesteld dat uit het verloop van de administratieve procedure duidelijk blijkt dat de Commissie de door de rechtspraak ontwikkelde en in verordening nr. 659/1999 opgenomen procedureregels in acht heeft genomen. Zij heeft de Bondsrepubliek Duitsland immers driemaal formeel gelast haar de nodige informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of de litigieuze steun zich met de gemeenschappelijke markt verdraagt.
86 Anders dan de deelstaat Thüringen betoogt, blijkt uit de brief van de Commissie van 22 juli 1999 bovendien niet dat de Duitse autoriteiten op één na alle vragen hadden beantwoord. Integendeel, in die brief heeft de Commissie de Duitse autoriteiten met aandrang verzocht om de vragen 3 tot en met 7 van de bijlage bij het inleidingsbesluit te beantwoorden.
87 Voorts heeft de deelstaat Thüringen niet aangetoond dat de Duitse autoriteiten alle vragen van de Commissie in de bijlage bij het inleidingsbesluit volledig hebben beantwoord. Inzonderheid heeft de deelstaat Thüringen niet bewezen dat die autoriteiten een nauwkeurige lijst van de sinds 1991 toegekende steunmaatregelen hebben overgelegd, hoewel de Commissie daar meermaals om had verzocht. Evenmin heeft hij aangetoond dat die autoriteiten de vraag naar het mogelijke bestaan van herstructureringsplannen hebben beantwoord. Bovendien blijkt uit de processtukken dat die autoriteiten slechts een vaag antwoord hebben gegeven op de vragen naar de beschrijving van de verrichtingen in het kader van de overname van de joint venture door TAB en TIB en van de omstandigheden en voorwaarden van de afschrijving van de kredieten door de particuliere banken in 1994.
88 Dienaangaande zij er tevens aan herinnerd, dat volgens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 659/1999 „de beschikking om de formele onderzoeksprocedure in te leiden een samenvatting [behelst] van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt”. Met dit besluit en de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie worden de lidstaat en de andere belanghebbenden in kennis gesteld van de feiten waarop de Commissie voornemens is haar beschikking te baseren. Hieruit volgt dat de belanghebbenden, zo zij van mening zijn dat bepaalde feiten in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure onjuist zijn, dit tijdens de administratieve procedure aan de Commissie dienen mede te delen, zoniet kunnen zij deze feiten niet meer betwisten tijdens de contentieuze procedure (zie in die zin, ten aanzien van een lidstaat, arrest Hof van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C‑278/92–C‑280/92, Jurispr. blz. I‑4103, punt 31). Daarentegen heeft de Commissie, overeenkomstig de hiervoor in punt 73 vermelde beginselen die in de rechtspraak en wetgeving zijn neergelegd, het recht zich te baseren op de – eventueel zelfs onjuiste – feiten, waarover zij beschikt ten tijde van de vaststelling van de eindbeschikking, voorzover deze door de betrokkenen onweersproken zijn en de Commissie de lidstaat heeft gelast de nodige informatie te verstrekken met betrekking tot die feitelijke gegevens. Indien de Commissie daarentegen de lidstaat niet gelast om haar informatie te verstrekken betreffende de feiten die zij in aanmerking wenst te nemen, kan zij eventuele feitelijke vergissingen later niet rechtvaardigen met de stelling dat zij bij de vaststelling van de beschikking waarmee de formele onderzoeksprocedure wordt afgesloten, het recht had alleen de haar destijds ter beschikking staande informatie in aanmerking te nemen.
89 Anders dan de deelstaat Thüringen stelt, ontsnapt de Commissie evenwel niet aan iedere rechterlijke toetsing van de vaststelling van de feiten. Indien de lidstaat volledig heeft voldaan aan zijn verplichting om alle door de Commissie gevraagde informatie te verstrekken, zal het hem immers bijzonder eenvoudig zijn aan de hand van de door hem in het kader van de procedure verstrekte informatie aan te tonen, dat eventuele feitelijke vergissingen in de bestreden beschikking niet aan hem toe te rekenen zijn. Wanneer de Commissie een beschikking op de beschikbare informatie betreffende bepaalde feitelijke gegevens baseert, zonder daarbij de in de rechtspraak erkende en in verordening nr. 659/1999 neergelegde procedurevoorschriften na te leven, kan het Gerecht bovendien onderzoeken of de inaanmerkingneming van die feitelijke elementen aanleiding kon geven tot een beoordelingsfout die de onwettigheid van de bestreden beschikking teweegbrengt.
90 In de hiervoor in de punten 85 tot en met 88 beschreven omstandigheden, en met name gelet op de drie bevelen die de Commissie tijdens de administratieve procedure tot de deelstaat Thüringen heeft gericht, heeft laatstgenoemde echter niet aangetoond dat de Commissie in de bestreden beschikking feiten in aanmerking heeft genomen zonder dat zij de in dat verband geldende procedurevoorschriften heeft nageleefd. De Commissie had dus het recht de bestreden beschikking vast te stellen op basis van de informatie waarover zij beschikte.
91 Gelet op het voorgaande moet de onderhavige grief worden afgewezen.
B – De door de deelstaat Bayern (LfA) aan PBK verleende garantie
1. Argumenten van partijen
92 De deelstaat Thüringen stelt in de eerste plaats dat de Commissie zich betreffende die steunmaatregel in feitelijk opzicht heeft vergist. Anders dan de Commissie in punt 30 van de bestreden beschikking heeft gesteld is de garantie van de deelstaat Bayern, aanvankelijk voor 80 % van de aan PBK verleende bankkredieten, immers niet omgezet in een garantie voor 100 % van de kredieten voor een bedrag van in totaal 54,7 miljoen DEM. Het bedrag van 54,7 miljoen DEM waaraan de Commissie refereert, komt inzonderheid overeen met de boekwaarde van de kredieten (zonder de rente) waarvoor de deelstaat Bayern bij het sluiten van de saneringsovereenkomst in maart 1994 een garantie voor 80 % had verleend. Anders dan de Commissie in de bestreden beschikking heeft gesteld, stemde de deelstaat Bayern niet in met een 100 % garantie voor bedoeld bedrag. Integendeel, in het kader van de saneringsovereenkomst is het totaalbedrag van de door de deelstaat Bayern gegarandeerde kredieten verminderd, enerzijds ingevolge de afstand door de banken van de terugbetaling van de gegarandeerde kredieten, voor een bedrag van 12 miljoen DEM, en anderzijds ingevolge verschillende maatregelen van de deelstaat Bayern. Enkel voor het restbedrag, te weten 41,4 miljoen DEM, heeft de deelstaat Bayern (LfA) in het kader van de saneringsovereenkomst ingestemd met een 100 % garantie en is LfA in 1995 haar garantie volledig moeten nakomen door de betaling van het betrokken bedrag aan de banken. De deelstaat Thüringen preciseert bovendien dat de schuldvordering van 41,4 miljoen DEM van de deelstaat Bayern op de joint venture, die ingevolge de betaling van dat bedrag was ontstaan, alsmede andere schuldvorderingen van de deelstaat Bayern op die vennootschap, voor een bedrag van 9 miljoen DEM, ten slotte op 7 november 1995 door TAB zijn overgenomen voor een bedrag van 15 miljoen DEM. CDA heeft die schuldvordering van TAB op de joint venture na de verwerving van de activa van LCA volledig terugbetaald.
93 De deelstaat Thüringen wijst erop dat de Duitse autoriteiten deze informatie aan de Commissie hebben medegedeeld in het kader van de administratieve procedure. Hij merkt op dat uit de brieven van 18 januari 1996 en 30 maart 1999 immers duidelijk blijkt dat de garantie van de deelstaat Bayern, aanvankelijk voor 80 % van de aan PBK verleende bankkredieten, niet is omgezet in een 100 % garantie voor de kredieten van in totaal 54,7 miljoen DEM. Volgens hem was de toekenning van deze vermeende garantie voor 100 % immers in feite een tussenkomst op grond van de aanvankelijke garantie en gold deze bovendien enkel voor een resterend bedrag van 41,4 miljoen DEM. Volgens de deelstaat Thüringen is de Commissie daar ten onrechte aan voorbijgegaan, hoewel dit gegeven van beslissend belang was, aangezien op grond daarvan kon worden vastgesteld dat de garantie voor 100 %, die de deelstaat Bayern in het kader van de saneringovereenkomst had toegekend, geen nieuwe steunmaatregel was, maar een tussenkomst op grond van een bestaande steunmaatregel, die was toegekend in het kader van een goedgekeurde steunregeling.
94 Voorts benadrukt de deelstaat Thüringen, dat uit die informatie blijkt dat LfA, anders dan de Commissie in punt 30 van de bestreden beschikking heeft gesteld, geen bedrag van 54,7 miljoen DEM, plus 7 miljoen DEM, heeft betaald in het kader van haar tussenkomst op grond van de garantie. Volgens de deelstaat Thüringen heeft LfA immers ten hoogste een bedrag van 48,4 miljoen DEM uitbetaald, aangezien zij, in maart 1994, 3 miljoen DEM aan de banken heeft betaald en twee leningen van elk 2 miljoen DEM aan PA heeft toegekend – voor de terugbetaling van de gegarandeerde kredieten respectievelijk voor de betaling van de toekomstige rente op die kredieten – en zij, in 1995, 41,4 miljoen DEM heeft betaald aan de banken. Hij betoogt dat het verschil tussen dit bedrag van 48,4 miljoen DEM en het in punt 30 van de bestreden beschikking vermelde bedrag van 54,7 miljoen DEM met name valt te verklaren doordat de Commissie bepaalde bedragen tweemaal in rekening heeft gebracht, namelijk een eerste maal als bedrag waarvoor door de deelstaat Bayern een garantie was verleend, en een tweede maal als bedrag dat door LfA op grond van die garantie was betaald.
95 De deelstaat Thüringen voert in de tweede plaats aan dat de Commissie artikel 87, lid 1, EG heeft geschonden, aangezien zij in de punten 89 tot en met 93 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft gesteld dat de litigieuze garantie, wegens de omzetting ervan in een garantie voor 100 %, niet langer voldeed aan de voorwaarden van de reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern.
96 Ten slotte stelt de deelstaat Thüringen dat de Commissie de motiveringsplicht heeft geschonden, aangezien zij haar vaststelling dat de garantie van de deelstaat Bayern niet in overeenstemming was met de toepasselijke reglementering, niet heeft gemotiveerd.
97 De Commissie, ondersteund door ODS, stelt dat het betoog van de deelstaat Thüringen betreffende de garantie van de deelstaat Bayern, in zijn geheel als ongegrond moet worden afgewezen.
98 Enerzijds betwist de Commissie dat zij de met die garantie verband houdende feiten onjuist heeft vastgesteld. Zij stelt om te beginnen dat de Duitse autoriteiten, in weerwil van het tot hen gerichte bevel, geen duidelijkheid hebben verschaft over de met die steunmaatregel verband houdende feiten. Zij merkt immers op dat de Duitse autoriteiten in de brief van 30 maart 1999 enkel hebben verklaard dat het „logisch” was dat de garantie van 80 % op 100 % was gebracht, zonder dienaangaande enige uitleg te geven. Zij stelt dat zij dus conform het arrest van het Hof van 30 juni 1992, Italië/Commissie, „Italgrani” (C‑47/91, Jurispr. blz. I‑4145), het recht had om haar beschikking te geven op grond van de beschikbare informatie. Volgens de Commissie bleek uit die informatie evenwel dat de feitelijke verlening van de garantie, wegens de omzetting ervan, niet voldeed aan de oorspronkelijke voorwaarden van de reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern. Zij merkt immers op dat, nu in die vooraf door de Commissie goedgekeurde steunregeling was bepaald dat ten hoogste voor 80 % van de kredieten garantie kon worden verleend, de garantie van de deelstaat Bayern had moeten worden verminderd ingevolge de afstand door de banken van de terugbetaling van kredieten voor een bedrag van 12 miljoen DEM. Bovendien voert zij aan dat de Duitse autoriteiten noch de deelstaat Thüringen in staat bleken te verklaren waarom de garantie van 52,72 op 54,72 miljoen DEM was gebracht. Ten slotte merkt de Commissie op dat, zelfs zo de deelstaat Thüringen op goede gronden zou kunnen stellen dat het gegarandeerde risico zich had voorgedaan toen de deelstaat Bayern een garantie voor 100 % verleende voor het restbedrag, het een feit blijft dat de deelstaat Bayern voor het nieuwe opeisbare bedrag slechts een garantie had mogen verlenen ten belope van 80 %.
99 De Commissie betoogt anderzijds dat de deelstaat Thüringen ten onrechte stelt dat zij artikel 87, lid 1, EG en de motiveringsplicht heeft geschonden bij de juridische beoordeling van de garantie van de deelstaat Bayern.
2. Beoordeling door het Gerecht
100 De deelstaat Thüringen betwist de wettigheid van artikel 1 van de bestreden beschikking, voorzover daarbij een financiële steunmaatregel van LfA in de vorm van een kredietgarantie voor 54,7 miljoen DEM wordt aangemerkt als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun, op grond van feitelijke onjuistheid, schending van artikel 87, lid 1, EG en schending van de motiveringsplicht.
101 In dat verband moet om te beginnen worden onderzocht of de Commissie zich in feitelijk opzicht heeft vergist waar zij in punt 30 van de bestreden beschikking heeft gesteld dat „wegens de toekenning van zo omvangrijke regionale steun het krediet van het bankenconsortium voor 65,85 miljoen DEM uiteindelijk slechts met 54,7 miljoen DEM [werd] gevaluteerd” en dat „LfA evenwel voor dit bedrag een volle kredietgarantie [verleende] i.p.v. slechts voor 80 %”.
102 Zoals hiervoor in punt 88 is beklemtoond, kan daar enkel sprake van zijn indien de deelstaat Thüringen kan bewijzen dat de Commissie tijdens de administratieve procedure de nodige informatie verkreeg voor de verbetering van de eventuele onjuistheden betreffende de in het inleidingsbesluit vermelde feiten.
103 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie in punt 2.2.1, derde alinea, van het inleidingsbesluit heeft vastgesteld dat „[de deelstaat Beieren] voor dit krediet op grond van een goedgekeurde steunregeling een garantie voor niet-betaling [verleende] ten belope van 80 % (52,72 miljoen DEM).” In de vijfde alinea van hetzelfde punt van het inleidingsbesluit heet het:
„Omdat [PBK] in feite meer investeringssubsidies en ‑steun ontving dan verwacht, werd van het krediet van het bankenconsortium ten belope van 65,85 miljoen DEM slechts 54,7 miljoen DEM opgenomen. Bijgevolg trok de [deelstaat] Beieren in 1994 haar oorspronkelijke garantie voor niet-betaling op, van 80 % (52,72 miljoen DEM) tot 100 % (54,7 miljoen DEM) [...]”
104 Ten slotte vermeldt het inleidingsbesluit, in het kader van de voorlopige beoordeling van de steun, dat „de Commissie bovendien stellig [betwijfelt] of de maatregelen in verband met deze garantie – de omzetting in een garantie voor niet-betaling ten belope van 100 % en de verhoging van het garantiebedrag van 52,72 miljoen DEM tot 54,7 miljoen DEM – onder [een goedgekeurde] steunregeling vielen” (punt 3.1.1, eerste alinea, van het inleidingsbesluit).
105 Uit deze overwegingen blijkt duidelijk dat de Commissie bij de inleiding van de procedure uit de haar ter beschikking staande informatie enerzijds had afgeleid dat de garantie van de deelstaat Bayern, die aanvankelijk gold voor 80 % van de kredieten, in 1994 was omgezet in een garantie voor 100 %, en anderzijds, dat het garantiebedrag van 52,72 op 54,7 miljoen DEM was gebracht.
106 Evenwel moet worden benadrukt dat de Duitse autoriteiten in de brief van 30 maart 1999 hun standpunt ten aanzien van deze voorstelling van de met de garantie van de deelstaat Bayern verband houdende feiten hebben toegelicht. Zij wezen er immers op dat de banken in het kader van de saneringsovereenkomst in verband met door die garantie gedekte kredieten hadden ingestemd met een afstand voor een bedrag van 12 miljoen DEM, waardoor hun eigen risico op die kredieten volledig was gedekt, zodat „het restbedrag van de leningen dus voor 100 % gedekt bleef door de garantie van de deelstaat Bayern”. Bovendien brachten zij in herinnering hoe de door de garantie gedekte kredieten zich hebben ontwikkeld. Blijkens die beschrijving bedroegen de door de garantie van de deelstaat Bayern gedekte kredieten, vóór de afstand van de banken in het kader van de saneringsovereenkomst, in totaal 58,4 miljoen DEM. Ingevolge de afstand door de banken voor een bedrag van 12 miljoen DEM, de tussenkomst door de deelstaat Bayern op grond van zijn garantie voor een bedrag van 3 miljoen DEM en de toekenning door LfA aan PA van een krediet van 2 miljoen DEM voor de terugbetaling van kredieten, is het bedrag van de garantie teruggebracht tot 41,4 miljoen DEM.
107 Gelet op deze informatie, die niet omstandig is weersproken door de Commissie noch door enig processtuk wordt weerlegd, moet worden geconcludeerd dat de Commissie in punt 30 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft vastgesteld, dat het door de garantie gedekte bedrag van 52,72 op 54,7 miljoen DEM was gebracht.
108 Wat de gevolgen van deze feitelijke onjuistheid betreft, moet erop worden gewezen dat de Commissie zich op de vaststelling in punt 30 van de bestreden beschikking heeft gebaseerd om te stellen dat op grond van de garantie van de deelstaat Bayern voor 54,7 miljoen DEM aan steun moest worden teruggevorderd (punten 89‑93 en 123 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft het bedrag van de terug te vorderen steun dus onjuist vastgesteld wegens de hiervoor bedoelde feitelijke onjuistheid.
109 In dat verband is het Gerecht eveneens van oordeel dat het niet over alle gegevens beschikt om de juistheid van de bestreden beschikking te kunnen toetsen en dat het dus ambtshalve het middel dat de bestreden beschikking op dit punt gebrekkig is gemotiveerd, dient op te werpen (zie in die zin arrest Hof van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C‑166/95 P, Jurispr. blz. I‑983, punt 24; arresten Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T‑61/89, Jurispr. blz. II‑1931, punt 129, en 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑44/00, Jurispr. blz. II‑0000, punt 210). De toetsing door het Gerecht wordt immers belemmerd door de motivering in de punten 30, 32 en 89 van de bestreden beschikking, nu daarin niet accuraat en coherent is uiteengezet hoe de Commissie, ter rechtvaardiging van haar berekening van de verschillende betrokken steunbedragen en met het oog op de vaststelling van haar hiervoor in punt 108 bedoeld onjuist besluit, het verband heeft gelegd tussen (i) het bedrag van de bankkredieten, dat is teruggebracht van 65,58 tot 54,7 miljoen DEM (punt 30 van de bestreden beschikking), (ii) de omvang van de door LfA verleende garantie, die van 80 op 100 % van de kredieten is gebracht (punten 30 en 32 van de bestreden beschikking), en (iii) het bedrag van de verleende garantie, dat van 52,72 op 54,7 miljoen DEM is gebracht (punten 30 en 89 van de bestreden beschikking). Bovendien is de Commissie in de bestreden beschikking niet ingegaan op de in de brieven van de Duitse autoriteiten van 18 januari 1996 en 30 maart 1999 aangevoerde argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland, dat de schuldvorderingen van de deelstaat Bayern uiteindelijk voor een bedrag van 15 miljoen DEM door TAB zijn overgenomen, en evenmin heeft zij haar beoordeling van de eventuele gevolgen van deze verrichting voor de omvang en de terugbetaling van de betrokken steun met redenen omkleed. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Commissie ook de in artikel 253 EG neergelegde motiveringsplicht heeft geschonden.
110 Vervolgens moet worden onderzocht of de Commissie bij haar juridische beoordeling van die financiële steun ook inbreuk op artikel 87, leden 1 en 2, EG heeft gemaakt. In dat verband zij eraan herinnerd dat de deelstaat Thüringen aanvoert dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat niet was voldaan aan de voorwaarden van de reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern, enerzijds doordat de oorspronkelijke garantie in een garantie voor 100 % zou zijn omgezet, en anderzijds doordat de door die garantie gedekte kredieten oneigenlijk zouden zijn gebruikt ten behoeve van de Pilz-groep. Volgens de deelstaat Thüringen kon de Commissie dan ook niet op goede gronden concluderen dat de garantie van de deelstaat Bayern van bij het begin met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar was.
111 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de Commissie in de punten 89 tot en met 93 van de bestreden beschikking heeft uiteengezet waarom zij de terugvordering heeft verlangd van het met de garantie van de deelstaat Bayern overeenkomende steunbedrag. Nadat zij in punt 89 erop wees dat de onvolledige informatie van de Duitse autoriteiten de twijfel inzake de omzetting van de aanvankelijke garantie niet hadden kunnen wegnemen, heeft de Commissie aldus vastgesteld dat, in strijd met de reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern, „de vermelde maatregel [...] niet in hoofdzaak voor de financiering van de investering die aan de basis ligt van de subsidieaanvraag [diende], en de investeerder evenmin in voldoende mate met eigen middelen [heeft] deelgenomen in de financiering van de investering” (punten 90 en 91). Bovendien heeft zij opgemerkt dat op grond van de verklaringen van de Duitse autoriteiten, dat de gegarandeerde kredieten hoofdzakelijk economisch ten goede kwamen van de ondernemingen van de Pilz-groep, kan worden geconcludeerd dat van de steunmaatregelen misbruik was gemaakt (punt 92). Bijgevolg concludeerde zij dat „deze steunmaatregelen niet ten goede [zijn] gekomen van het investeringsproject voor de bouw van een cd-fabriek, maar [dienden] om de gehele Pilz-groep in leven te houden en dus in de zin van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag oneigenlijk [zijn] gebruikt”, en „derhalve niet verenigbaar [zijn] met de bepalingen van het EG-Verdrag en [moeten] worden opgeheven en teruggevorderd door de Duitse autoriteiten” (punt 93).
112 Uit deze motivering blijkt in de eerste plaats duidelijk dat de Commissie de terugvordering van de in het kader van de garantie van de deelstaat Bayern verleende steun heeft verlangd, omdat van die steun misbruik was gemaakt. Zoals de Commissie terecht benadrukt, is de vraag naar de omzetting van de aanvankelijke garantie in een garantie voor 100 % slechts zijdelings ter sprake gekomen, en is de beoordeling van de Commissie in deze context in geen geval daarop gebaseerd.
113 In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat het begrip misbruik rechtstreeks voortvloeit uit artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG, waarin het heet: „Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat [van] een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd [...] misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn”. Bovendien wordt in artikel 1, sub g, van verordening nr. 659/1999, het begrip „misbruik van steun” omschreven als „steun die door de begunstigde wordt gebruikt in strijd met een beschikking die werd gegeven overeenkomstig artikel 4, lid 3, of artikel 7, leden 3 en 4, van [bedoelde] verordening”.
114 Blijkens deze bepalingen moet de Commissie, ten bewijze van het misbruik van een conform een goedgekeurde steunregeling toegekende steunmaatregel, aantonen dat bij de toepassing van die steunmaatregel inbreuk is gemaakt op die regeling, zoals deze door de Commissie is goedgekeurd, met andere woorden, dat inbreuk is gemaakt op de nationale voorschriften betreffende die regeling of op de bijkomende voorwaarden waarmee de lidstaat heeft ingestemd in het kader van de goedkeuring van de regeling door de Commissie.
115 Vastgesteld moet worden dat de Commissie in casu duidelijk heeft aangetoond dat van de garantie van de deelstaat Bayern gebruik is gemaakt in strijd met de reglementering betreffende het verlenen van garanties door de deelstaat Bayern. Om te beginnen heeft zij in punt 90 van de bestreden beschikking eraan herinnerd, dat de deelstaat Bayern op grond van die regeling garanties verleent ter dekking van financieringskredieten voor investeringen (bouw, uitbreidingen, etc.), en dat de in aanmerking komende onderneming, om van die garantie te kunnen genieten, in voldoende mate met eigen middelen in de financiering van het project moet deelnemen, de volledige financiering daarvan moet waarborgen en er moet op toezien dat de rente wordt betaald en de kredieten worden terugbetaald binnen een redelijke termijn. Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld dat „de vermelde maatregel [...] niet in hoofdzaak voor de financiering van de investering die aan de basis ligt van de subsidieaanvraag [diende], en de investeerder evenmin in voldoende mate met eigen middelen [heeft] deelgenomen in de financiering van de investering” (punt 91), en dat „de door de overheid gegarandeerde kredieten [...] hoofdzakelijk economisch ten goede kwamen van de ondernemingen van de Pilz-groep” (punt 92).
116 Derhalve is het feit dat de garantie aanvankelijk conform de steunregeling was verleend irrelevant. Zoals de Commissie terecht beklemtoont, is het immers niet de aanvankelijke steuntoekenning, maar het latere gebruik daarvan in strijd met een goedgekeurde steunregeling, dat een misbruik van steun oplevert. Bovendien blijkt uit artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG duidelijk dat de vaststelling van het misbruik een afzonderlijk criterium is, dat los staat van dat van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, zodat het op zichzelf een beschikking van de Commissie tot opheffing of wijziging van een steunmaatregel rechtvaardigt. Anders dan de deelstaat Thüringen stelt, heeft de Commissie in de bestreden beschikking derhalve terecht geen bewijselementen opgenomen inzake de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de garantie van de deelstaat Bayern. De Commissie heeft bijgevolg dus ook voldaan aan haar motiveringsplicht op grond van artikel 253 EG.
117 De argumenten van de deelstaat Thüringen betreffende de vermeende schending van artikel 87 EG moeten dus ongegrond worden verklaard.
118 Gelet op één en ander moet artikel 1 van de bestreden beschikking nietig worden verklaard voorzover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat de in het kader van de bouw van de cd-fabriek te Albrechts verleende staatssteun een bedrag van 54,7 miljoen DEM omvat in de vorm van de garantie van de deelstaat Bayern.
C – Afstand van de schuldvordering van 3 miljoen DEM die de deelstaat Bayern (LfA) aan PBK had toegekend
1. Argumenten van partijen
119 De deelstaat Thüringen voert aan dat de Commissie in punt 96 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft gesteld dat PBK steun heeft ontvangen wegens de afstand door LfA van haar schuldvordering van 3 miljoen DEM op die onderneming. Hij merkt namelijk op dat de Commissie met deze vaststelling eraan voorbij gaat dat zij dat bedrag reeds als steun heeft aangemerkt bij de beoordeling van de door de deelstaat Bayern verleende garantie – dat wil zeggen het bedrag van 54,72 miljoen DEM. Zoals de Duitse autoriteiten in het kader van de procedure bij brieven van 3 maart 1995 en 30 maart 1999 aan de Commissie hadden medegedeeld, ontstond die schuldvordering op PBK echter precies door de betaling van een overeenkomstig bedrag aan de banken ter vermindering van het bedrag van de door de aanvankelijke garantie gedekte kredieten.
120 Vervolgens stelt de deelstaat Thüringen dat de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt, waar zij in de bestreden beschikking stelt dat de afstand door LfA van de schuldvordering van 3 miljoen DEM nieuwe steun vormt. Hij merkt namelijk op dat die steun, zoals in het vorige punt is beklemtoond, gediend heeft voor de terugbetaling van de bankkredieten die voor de bouw van de cd-fabriek te Albrechts waren verleend en door de garantie van de deelstaat Bayern waren gedekt. De deelstaat Thüringen is van mening dat de Commissie hoe dan ook inbreuk heeft gemaakt op de motiveringsplicht, aangezien zij niet heeft vermeld waarom zij de afstand door LfA van de schuldvordering van 3 miljoen DEM ten behoeve van PBK als een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel heeft beschouwd.
121 De Commissie, ondersteund door ODS, betwist de argumentatie van de deelstaat Thüringen inzake de afstand van de schuldvordering van 3 miljoen DEM in haar geheel. Zij merkt om te beginnen op, dat zij zich inzake die steunmaatregel in feitelijk noch in juridisch opzicht heeft vergist, aangezien niet de tussenkomst op grond van de garantie als bijkomende steun is aangemerkt, maar de latere afstand van de schuldvordering die ingevolge die tussenkomst was ontstaan. Overigens benadrukt zij dat die afstand reeds bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure als steun is aangemerkt, met name in de tabel op bladzijde 9 van het inleidingsbesluit, maar dat de Duitse autoriteiten daar vervolgens niets tegen hebben ingebracht. Daarenboven stelt de Commissie dat zij heeft voldaan aan haar motiveringsplicht betreffende die steun. Zij merkt immers op dat zij in punt 96 van de bestreden beschikking op basis van de onvolledige informatie van de Duitse autoriteiten heeft vastgesteld, dat er sprake was van een steunmaatregel die zonder rechtsgrondslag was toegekend, en dus met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar was.
2. Beoordeling door het Gerecht
122 De deelstaat Thüringen voert inzake de afstand door LfA van haar schuldvordering van 3 miljoen DEM op PBK een feitelijke onjuistheid, een kennelijk onjuiste beoordeling en schending van de motiveringsplicht aan.
123 Vooraf zij eraan herinnerd dat de Commissie in punt 96 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat „ook de afstand van de terugbetaling van een krediet van 3 miljoen DEM [...] moet worden beschouwd als een niet-compatibele steunmaatregel die moet worden teruggevorderd, aangezien hij zonder rechtsgrondslag werd besloten”.
124 Volgens de deelstaat Thüringen is die vaststelling gebaseerd op een feitelijke onjuistheid en een onjuiste juridische beoordeling, aangezien de Commissie, waar zij zowel het totaalbedrag van de garantie van de deelstaat Bayern (54,7 miljoen DEM) als het bedrag van de schuldvordering waar die deelstaat ten behoeve van PBK afstand van heeft gedaan (3 miljoen DEM) in aanmerking heeft genomen, dezelfde steun twee maal heeft meegerekend. Volgens de deelstaat Thüringen heeft de Commissie hoe dan ook inbreuk gemaakt op de motiveringsplicht door niet te vermelden waarom zij de afstand van de schuldvordering als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun heeft aangemerkt.
125 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat zowel het bestaan als de omvang van een steunmaatregel moeten worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden op het tijdstip van de toekenning ervan. Dat op die overheidsgarantie een beroep wordt gedaan wanneer de begunstigde onderneming in gebreke blijft, wijzigt, wat artikel 87 EG betreft, de aard van deze garantie dus niet en doet geen nieuwe steun ontstaan.
126 Het is juist dat, in bepaalde gevallen, van steun sprake kan zijn, wanneer de verstrekker van een overheidsgarantie, nadat een beroep op de garantie is gedaan, eenzijdig afstand doet van zijn rechten ten aanzien van de begunstigde. Dit is inzonderheid het geval wanneer de verstrekker van de overheidsgarantie niet handelt als een rationeel deelnemer aan het economische verkeer, die alle mogelijkheden uitoefent om de terugbetaling te verkrijgen van het bedrag dat hij op grond van de garantie moest betalen. Indien blijkt dat de afstand van een aanvankelijk door een kredietgarantie gedekte schuldvordering, na de nakoming van die garantie, definitief is, zodat de schuld van de begunstigde rechtstreeks wordt verminderd, kan die afstand bovendien in beginsel een afzonderlijke steunmaatregel vormen, voorzover hij een bijkomend economisch voordeel verschaft ten opzichte van de kredietgarantie en van de uitvoering daarvan.
127 Evenwel moet worden opgemerkt dat de Commissie eerst in de loop van de procedure voor het Gerecht heeft gesteld dat zij niet de tussenkomst op grond van de garantie, maar de latere afstand van de uit die tussenkomst resulterende schuldvordering, als bijkomende steun heeft aangemerkt. Vastgesteld moet echter worden dat de belanghebbenden noch het Gerecht op basis van de punten 31 en 96 van de bestreden beschikking de redenering in dat verband rechtens genoegzaam kunnen begrijpen, zodat het Gerecht op basis daarvan evenmin kan nagaan waarom de Commissie bij de vaststelling van die beschikking de afstand van de schuldvordering heeft aangemerkt als een nieuwe steunmaatregel, die los stond van die waarmee rekening was gehouden in het kader van de garantie van de deelstaat Bayern of van de uitvoering daarvan. Volgens vaste rechtspraak kunnen de verklaringen van de Commissie in de loop van de procedure voor het Gerecht overigens in beginsel de ontoereikende motivering van de bestreden beschikking niet verhelpen (zie in die zin arrest Hof van 24 oktober 1996, Duitsland e.a./Commissie, C‑329/93, C‑62/95 en C‑63/95, Jurispr. blz. I‑5151, punten 47 en 48, en arresten Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a. en British Midland Airways/Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punten 116‑119, en 18 januari 2005, Confédération nationale du Crédit mutuel/Commissie, T‑93/02, Jurispr. blz. II‑0000, punten 123‑126).
128 Bijgevolg behoeft niet te worden onderzocht of de Commissie inderdaad tweemaal dezelfde steunmaatregel in aanmerking heeft genomen en kon de Commissie in ieder geval niet volstaan met de vaststelling, in punt 96 van de bestreden beschikking, dat de afstand van de terugbetaling van het krediet een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel was, omdat hij „zonder rechtsgrondslag werd besloten”.
129 Zonder dat zijn andere in dat verband aangevoerde grieven behoeven te worden onderzocht, moet worden vastgesteld dat de deelstaat Thüringen terecht aanvoert dat de Commissie, betreffende de kwalificatie als steun van de afstand door LfA van de schuldvordering van 3 miljoen DEM ten behoeve van PBK, inbreuk heeft gemaakt op haar motiveringsplicht op grond van artikel 253 EG.
130 Mitsdien moet artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, voorzover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat de staatssteun voor de bouw, de exploitatie en de consolidering van de cd-fabriek te Albrechts een bedrag van 3 miljoen DEM omvat, op grond van de afstand van de schuldvordering ten gunste van PBK.
D – De 63,45 miljoen DEM en 19,42 miljoen DEM aan investeringssteun en ‑toelagen die respectievelijk door de deelstaat Thüringen en door de deelstaat Bayern (LfA) aan de joint venture en PA zijn toegekend
1. Argumenten van partijen
131 De deelstaat Thüringen betoogt dat de Commissie zich betreffende de door de deelstaat Thüringen en de deelstaat Bayern (LfA) toegekende investeringssteun en ‑toelagen op een aantal vlakken in feitelijk opzicht heeft vergist, beoordelingsfouten heeft gemaakt en de motiveringsplicht heeft geschonden.
132 Om te beginnen voert hij aan dat de Commissie, nu zij in punt 88 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat CD Albrechts een mededeling was toegezonden voor de terugvordering van 32,5 miljoen DEM door hem verleende investeringssteun, in artikel 2 van de bestreden beschikking ten onrechte de terugbetaling verlangt van het volledige steunbedrag, te weten 63,45 miljoen DEM.
133 Vervolgens betoogt de deelstaat Thüringen dat de voor de bouw van de cd-fabriek te Albrechts verleende investeringssteun en ‑toelagen, anders dan de Commissie in de punten 87 en 88 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, bestaande steunmaatregelen zijn, die voldoen aan de eerder door de Commissie goedgekeurde steunregelingen, en geen nieuwe steunmaatregelen, die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar zou zijn wegens de toekenning daarvan in strijd met een vermeend verbod op subsidiëring van investeringsgoederen tussen met elkaar verbonden ondernemingen. Het Investitionszulagengesetz, de GA-regeling, noch het gemeenschapsrecht voorzien immers op algemene wijze in een dergelijk verbod. Vervolgens merkt de deelstaat Thüringen op dat, zelfs zo de GA-regeling in een verbod op subsidiëring van investeringsgoederen tussen met elkaar verbonden ondernemingen zou voorzien, dit verbod in casu zou zijn nageleefd, nu hij de joint venture, vóór de uitbetaling van de steun, telkens om bevestiging heeft verzocht dat de steun niet zou dienen voor de subsidiëring van investeringsgoederen tussen met elkaar verbonden ondernemingen. Volgens hem blijkt dit duidelijk uit de akte van 9 april 1998 waarbij het openbaar ministerie van het Landgericht Mühlhausen strafvervolging heeft ingeleid, die als bijlage bij de brief van 28 september 1999 ter kennis van de Commissie is gebracht. Bovendien kan volgens hem niet worden gesteld dat de joint venture en Pilz Construction ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor de bouw van de cd-fabriek te Albrechts „met elkaar verbonden ondernemingen” waren, nu de Pilz-groep maar een minderheidsaandeelhouder van de joint venture was. Bijgevolg zijn de subsidies in overeenstemming met de GA-regeling toegekend, dus in het kader van een goedgekeurde steunregeling, zodat de toekenning daarvan verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. Het is immers enkel het misbruik van een gedeelte van de steun ten behoeve van de Pilz-groep dat met zich heeft gebracht dat bedoeld gedeelte van de investeringssteun niet voldeed aan de GA-regeling, en dus onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was. In dat verband betwist de deelstaat Thüringen trouwens de zienswijze van de Commissie dat de Duitse autoriteiten tijdens de formele onderzoeksprocedure niet het bewijs hadden geleverd dat van een gedeelte van de steun op regelmatige wijze gebruik was gemaakt. Hij merkt op dat dit immers bleek uit de akte van 9 april 1998 waarbij het openbaar ministerie van het Landgericht Mühlhausen strafvervolging heeft ingeleid (blz. 10‑12).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex