Gerecht EU 3 februari 2005, T-19/01, ECLI:EU:T:2005:31
Tekst
Zaak T‑19/01
Chiquita Brands International, Inc. e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Beroep tot schadevergoeding – Verordening (EG) nr. 2362/98 – Overeenkomst tot oprichting van WTO en aangehechte overeenkomsten – Aanbevelingen en uitspraken van orgaan voor geschillenbeslechting van WTO”
Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) van 3 februari 2005
Samenvatting van het arrest
1. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Verzoekschrift strekkende tot vergoeding van door gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade – Minimumvereisten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Causaal verband – Onmogelijkheid om WTO-overeenkomsten in te roepen om wettigheid van gemeenschapshandeling te betwisten – Uitzonderingen – Gemeenschapshandeling die uitvoering ervan beoogt te verzekeren of uitdrukkelijk en specifiek ernaar verwijst – Ontbreken van dergelijke handeling – Aansprakelijkheid van Gemeenschap – Daarvan uitgesloten
(Art. 288, tweede alinea, EG; verordeningen nrs. 404/93 en 1637/98 van de Raad; verordening nr. 2362/98 van de Commissie)
3. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Delegatie van uitvoeringsbevoegdheid aan Commissie die ruime beoordelingsbevoegdheid voor deze laatste inhoudt
(Art. 211 EG; verordeningen van de Raad nr. 404/93, art. 19, lid 1, en nr. 1637/98)
4. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Discriminatieverbod – Schending – Geen
(Verordeningen nrs. 404/93 en 1637/98 van de Raad; verordeningen nrs. 1442/93 en 2362/98 van de Commissie)
5. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Vrije uitoefening van beroepactiviteit – Schending – Geen
(Verordeningen nrs. 404/93 en 1637/98 van de Raad; verordening nr. 2362/98 van de Commissie)
6. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Evenredigheidsbeginsel – Schending – Geen
(Verordeningen nrs. 404/93 en 1637/98 van de Raad; verordening nr. 2362/98 van de Commissie)
7. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen – Schending – Geen
(Verordeningen nrs. 404/93 en 1637/98 van de Raad; verordeningen nrs. 1442/93 en 2362/98 van de Commissie)
1. Ingevolge artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere aanduiding van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen over het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken.
Om aan deze vereisten te voldoen moet een verzoekschrift strekkende tot vergoeding van de schade die door een gemeenschapsinstelling zou zijn veroorzaakt, de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade.
(cf. punten 64‑65, 191)
2. De Gemeenschap kan slechts niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG wanneer een aantal voorwaarden zijn vervuld, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade, en een causaal verband tussen de gestelde gedraging en de aangevoerde schade. De WTO-overeenkomsten en de bijlagen daarbij behoren, gelet op de aard en opzet ervan, in beginsel evenwel niet tot de normen waaraan het Hof en het Gerecht de wettigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetsen.
Alleen ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de overeenkomsten in de bijlagen bij de WTO-overeenkomst verwijst, dienen het Hof en het Gerecht de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WTO-regels te toetsen.
De Gemeenschap heeft met de vaststelling van de regeling van 1999, met name verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, geen uitvoering willen geven aan een in het kader van de WTO-overeenkomsten aangegane bijzondere verplichting in de zin van die rechtspraak, zodat verzoekster zich niet kan beroepen op schending door de Gemeenschap van haar verplichtingen krachtens voornoemde overeenkomsten.
(cf. punten 76, 114‑115, 170)
3. Teneinde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt te verzekeren, oefent de Commissie volgens artikel 211, vierde streepje, EG de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt. Uit het stelsel van het Verdrag, in het kader waarvan dit artikel moet worden gezien, en uit de eisen van de praktijk volgt, dat het begrip uitvoering ruim moet worden uitgelegd. Aangezien de Commissie als enige in staat is de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan dit voor de Raad aanleiding zijn de Commissie op dit gebied een ruime bevoegdheid te laten. De grenzen van die bevoegdheid moeten dan ook met name worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de marktordening, daar de Commissie gemachtigd is om alle maatregelen te treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, voor zover zij hiermee of met de uitvoeringsregeling van de Raad niet in strijd zijn.
De Raad heeft in casu de Commissie belast met de vaststelling van maatregelen voor het beheer van de tariefcontingenten die rekening houden met de methode van de traditionele handelsstromen krachtens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, en met het treffen van de maatregelen die nodig kunnen zijn om toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel 300 EG gesloten akkoorden, zodat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie kennelijk de grenzen van de haar door de Raad verleende beoordelingsvrijheid heeft overschreden toen zij die doelstellingen met elkaar in overeenstemming trachtte te brengen door de vaststelling van maatregelen inzake de toekenning van de invoercertificaten en de verdeling van de nationale contingenten als bedoeld in verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap.
(cf. punten 183‑185)
4. Hoewel de regeling van 1993 voor de in de handel in bananen uit Latijns-Amerika gespecialiseerde marktdeelnemers en de in de handel in ACS‑ of communautaire bananen gespecialiseerde marktdeelnemers uiteenlopende gevolgen heeft gehad, lijkt dit verschil in behandeling inherent aan het doel om tot dan toe gecompartimenteerde markten te integreren en communautaire en ACS-bananen af te zetten.
Hoewel de communautaire bananenmarkt na de invoering van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen en in de vijf jaar waarin de regeling van 1993 van kracht was, aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan, hebben de bepalingen van verordening nr. 1637/98 tot wijziging van verordening nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, die doeleinden van integratie van de nationale markten en afzet van communautaire en ACS-bananen immers niet gewijzigd, maar alleen de werkwijze van de regeling voor het handelsverkeer met derde landen herzien. Bijgevolg blijft onder de regeling van 1999 het verschil in behandeling van die marktdeelnemers inherent aan de doeleinden van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, en levert het in die omstandigheden geen schending van het non‑discriminatiebeginsel op, die tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden.
(cf. punten 207, 209, 211‑212)
5. De vrije uitoefening van een beroepactiviteit, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, kan aan beperkingen worden onderworpen, voor zover die beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.
Aangezien de regeling van 1999 de doeleinden van algemeen belang van bovengenoemde verordening nr. 404/93, te weten de integratie van de nationale markten en de afzet van de communautaire en ACS-bananen, ongewijzigd nastreeft, levert de ontwikkeling van de economische voorwaarden als gevolg van de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, waarop verzoekster zich beroept, geen grond op voor de conclusie dat er sprake is van een onduldbare aantasting van haar rechten, die niet beantwoordt aan die doeleinden van algemeen belang.
(cf. punten 220‑221)
6. Daar de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, wordt aan de wettigheid van een op dit gebied genomen maatregel slechts afbreuk gedaan, indien deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel. Deze beperking van de rechterlijke toetsing is in het bijzonder geboden, wanneer de Raad en de Commissie zich genoopt zien, bij de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening uiteenlopende belangen tegen elkaar af te wegen en aldus in het kader van de onder hun eigen verantwoordelijkheid vallende politieke beslissingen een keuze te maken.
In casu heeft de Commissie bij de vaststelling van verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, de doeleinden die inherent zijn aan de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, in overeenstemming proberen te brengen met de naleving van de uit de WTO-overeenkomsten en de overeenkomst van Lomé voortvloeiende internationale verplichtingen van de Gemeenschap, en zich tevens proberen te voegen naar de wil van de Raad dat voor het beheer van de tariefcontingenten de methode wordt toegepast waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen, zodat verzoekster moet aantonen dat de bepalingen van verordening nr. 2362/98 die betrekking hebben op de toekenning van de invoercertificaten en de verdeling van de nationale subcontingenten, kennelijk ongeschikt zijn om het beoogde doel te bereiken en verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is, wat zij niet heeft gedaan.
(cf. punten 228‑230)
7. Iedere marktdeelnemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt, kan zich op het vertrouwensbeginsel beroepen.
Daar verzoekster om te beginnen geen partij is bij de geschillen tussen de Gemeenschap en haar handelspartners ter zake van de regelingen van 1993 en 1999, konden de relaties tussen laatstgenoemden geen aanleiding tot die verwachtingen geven.
Wegens de complexiteit van de bepalingen van de WTO-overeenkomsten en de onnauwkeurigheid van bepaalde begrippen waarnaar zij verwijzen, betekent het in artikel 26 van het Verdrag van Wenen neergelegde beginsel van goede trouw bij de uitvoering van internationale verdragen dat van de Gemeenschap een redelijke inspanning wordt verlangd om maatregelen in overeenstemming met die overeenkomsten vast te stellen, maar laat het haar ook vorm en middelen kiezen om dat doel te bereiken. Gelet op de beoordelingsmarge waarover de gemeenschapsinstellingen beschikken bij de keuze van de middelen die nodig zijn voor de verwezenlijking van hun beleid en de uitvoering van hun internationale verplichtingen, mocht verzoekster niet vertrouwen op een wijziging van de regeling van 1993 in overeenstemming met haar belangen.
(cf. punten 255‑256)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid) 3 februari 2005(1)
„Gemeenschappelijke ordening der markten – Bananen – Beroep tot schadevergoeding – Verordening nr. 2362/98 – Overeenkomst tot oprichting van WTO en aangehechte overeenkomsten – Aanbevelingen en uitspraken van orgaan voor geschillenbeslechting van WTO”
verzoeksters,
tegen
verweerster,
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer – uitgebreid),
het navolgende
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer – uitgebreid),
Lindh García-Valdecasas Cooke
Mengozzi Martins Ribeiro
De griffier De president van de Vijfde kamer
H. Jung P. Lindh
Inhoud
Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding
1. Verordening nr. 404/93
2. Verordening nr. 1442/93
3. Verordening nr. 1637/98
4. Verordening nr. 2362/98
5. Verordening nr. 216/2001
6. Verordening nr. 896/2001
7. Samenvatting van het „bananengeschil” in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)
Procesverloop
Conclusies van partijen
Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
De vraag of het verzoekschrift strookt met artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering
De vraag of het verzoekschrift strookt met artikel 44, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering
Ten gronde
1. Summiere uiteenzetting van de middelen
2. Eerste middel: schending van de WTO-regels
Uitlegging van de Nakajima-rechtspraak
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Toepassing van de Nakajima rechtspraak in het onderhavige geval
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
3. Tweede middel: schending van het door de Raad aan de Commissie verleende mandaat tot uitvoering van verordening nr. 1637/98
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
4. Derde middel: schendingen van algemene beginselen van gemeenschapsrecht
Eerste onderdeel: non-discriminatiebeginsel
Ontvankelijkheid
– Argumenten van partijen
– Beoordeling door het Gerecht
Ten gronde
– Argumenten van partijen
– Beoordeling door het Gerecht
Tweede onderdeel: vrijheid van beroepsuitoefening
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Derde onderdeel: evenredigheidsbeginsel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
5. Vierde middel: schending van de volkenrechtelijke beginselen van goede trouw en bescherming van het gewettigd vertrouwen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Kosten
1 – Procestaal: Engels.