Gerecht EU 31 maart 2004, T-216/02, ECLI:EU:T:2004:96
Tekst
Zaak T‑216/02
Fieldturf Inc.
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk – Woordmerk LOOKS LIKE GRASS... FEELS LIKE GRASS... PLAYS LIKE GRASS – Absolute weigeringsgrond – Artikel 7, lid 1, sub b, en artikel 73 van verordening (EG) nr. 40/94 – Weigering tot inschrijving”
Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 31 maart 2004
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken zonder onderscheidend vermogen – Woordmerk „LOOKS LIKE GRASS... FEELS LIKE GRASS... PLAYS LIKE GRASS” – Waren en diensten die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)
2. Gemeenschapsmerk – Procedurevoorschriften – Beslissingen van Bureau – Eerbiediging van rechten van verdediging
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 73)
1. Het woordmerk „LOOKS LIKE GRASS... FEELS LIKE GRASS... PLAYS LIKE GRASS”, waarvan de inschrijving wordt gevraagd voor synthetische grasvelden en de installatie ervan, mist elk onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, aangezien dit merk niet dadelijk zal worden opgevat als een aanduiding van de commerciële herkomst van de betrokken waren of diensten, maar als een eenvoudige reclameslogan.
Wat de opgegeven waren betreft, is het merk immers slechts de banale aaneenschakeling van drie ondubbelzinnige verklaringen inzake de eigenschappen van deze waren, zodat dit merk het relevante publiek rechtstreeks te kennen geeft dat deze waren soortgelijke eigenschappen als die van natuurlijk gras bezitten. Wat de opgegeven diensten betreft, valt weliswaar niet uit te sluiten dat het aangevraagde merk daarvoor onderscheidend vermogen kan hebben, maar een gemeenschappelijke oplossing voor de in de inschrijvingsaanvraag opgegeven waren en diensten is geboden, omdat daarin geen onderscheid wordt gemaakt, en met name niet wordt verzocht, de aanvraag tot de diensten te beperken voor het geval dat hij wordt afgewezen voor de waren, en bovendien – en vooral – omdat deze waren en diensten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het voorwerp van deze diensten is immers uitsluitend de installatie van deze waren.
(cf. punten 30, 33, 35)
2. Artikel 73 van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, volgens hetwelk de beslissingen van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) slechts kunnen worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren, wordt niet geschonden door het feit dat een kamer van beroep van het BHIM een partij niet op de hoogte heeft gebracht van de resultaten van een onderzoek op internet dat zij heeft verricht en in haar beslissing heeft vermeld, wanneer de kamer van beroep tot haar conclusie is gekomen op basis van een redenering die losstaat van de verwijzing naar dit onderzoek en alleen daarnaar heeft verwezen ter bevestiging van de juistheid van haar conclusie.
(cf. punten 39‑42)
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer) 31 maart 2004(1)
„Gemeenschapsmerk – Woordmerk LOOKS LIKE GRASS... FEELS LIKE GRASS... PLAYS LIKE GRASS – Absolute weigeringsgrond – Artikel 7, lid 1, sub b, en artikel 73 van verordening (EG) nr. 40/94 – Weigering tot inschrijving”
verzoekster,
tegen
verweerder,
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
het navolgende
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
Legal Tiili Vilaras
De griffier De president van de Vierde kamer
H. Jung H. Legal
1 – Procestaal: Engels.