Gerecht EU 8 juli 2004, T-48/00, ECLI:EU:T:2004:219

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

8 juli 2004 ( *1 )

In zaak T-48/00,

Corus UK Ltd, voorheen British Steel plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door J. Pheasant en M. Readings, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, oorspronkelijk vertegenwoordigd door M. Erhart en B. Doherty, vervolgens door M. Erhart en A. Whelan als gemachtigden, bijgestaan door N. Khan, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: N. J. Forwood, kamerpresident, J. Pirrung en A. W. H. Meij, rechters,

griffier : J. Plingers, administrateur,

gezien de procedure en na de mondelinge behandeling op 19, 20 en 21 maart 2003,

het navolgende

Arrest

Feiten en procedure ( 1 )

1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”).

[...]

Procesverloop voor het Gerecht

34 Bij zeven verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 28 februari en 3 april 2000, hebben Mannesmann, Corus, Dalmine, NKK Corp., Nippon, Kawasaki en Sumitomo beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld.

35 Bij beschikking van 18 juni 2002 is beslist, de partijen gehoord, om de zeven zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te voegen voor de mondelinge behandeling. Ten gevolge van deze voeging hebben alle verzoeksters in de zeven zaken alle dossiers betreffende de onderhavige procedure ter griffie van het Gerecht kunnen raadplegen. Er zijn ook maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen.

36 Op rapport van de rechterrapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) beslist over te gaan tot de mondelinge behandeling. De partijen hebben pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 19, 20 en 21 maart 2003.

Conclusies van partijen

37 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: — artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren; — artikel 1 van de bestreden beschikking nietig te verklaren; — de geldboete die haar wegens de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk is opgelegd, nietig te verklaren; — subsidiair, het bedrag van de geldboete die haar wegens de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk is opgelegd, te verlagen; — de Commissie te gelasten de geldboete of, subsidiair, het bedrag waarmee zij wordt verlaagd, terug te betalen, vermeerderd met de rente over het totaalbedrag of, in voorkomend geval, over het bedrag waarmee zij wordt verminderd, vanaf de datum van betaling door Corus tot de datum van terugbetaling door de Commissie; — de Commissie te verwijzen in de door verzoekster in de onderhavige procedure gemaakte kosten; — elke andere maatregel te gelasten die het Gerecht nodig acht voor de uitvoering van zijn arrest.

38 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: — het beroep te verwerpen; — verzoekster in de kosten te verwijzen.

De vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking

Het middel inzake het niet-bestacm van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk

Argumenten van partijen

39 Corus betwist dat de leveringscontracten voor gladde buizen die zij met Vallourec, Mannesmann en Dalmine heeft gesloten, een inbreuk vormden. Zij heeft deze contracten immers om gewettigde commerciële redenen gesloten en de onderhandelingen hierover hebben afzonderlijk en los van elkaar plaatsgevonden. De Commissie heeft niet aangetoond dat zij aan enig gezamenlijk overleg heeft deelgenomen.

40 Verzoekster stelt dat zij tot maart 1994 eigenares is gebleven van de onderneming Imperial, die gladde OCTG-buizen van een schroefdraad voorzag, met de bedoeling om deze als een zelfstandige onderneming te verkopen. Na de sluiting van haar fabriek te Clydesdale in april 1991 beschikte zij niet meer over een interne bevoorradingsbron voor gladde buizen, die nodig was voor de voortzetting van de activiteit van Imperial. Om de waarde van deze onderneming te behouden en haar zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor eventuele kopers, was het voor Corus dus van belang om overeenkomsten met derde ondernemingen te sluiten, om zich te verzekeren van betrouwbare leveringen van gladde buizen van hoge kwaliteit om op lange termijn te kunnen voldoen aan de vraag naar OCTG-schroefdraadbuizen van oliemaatschappijen die werkzaam waren op het Brits continentaal plat. De kwaliteit van de producten was van wezenlijk belang, aangezien aan het gebruik van de afgewerkte producten risico's zijn verbonden, met name gelet op de klimatologische en geologische omstandigheden op het Brits continentaal plat van de Noordzee.

41 Tot staving van dit argument legt Corus een overeenkomst over die zij in 1992 met de oliemaatschappij Conoco heeft gesloten, tezamen met het daarbij gevoegde bestek. Daaruit blijkt dat Corus verplicht was te voldoen aan de door Conoco opgelegde specificaties, met name met betrekking tot de kwaliteit van de bij de productie van OCTG-schroefdraadbuizen gebruikte gladde buizen. De controleprocedure voorzag zelfs in een onafhankelijke inspectie van de staalfabrieken waar de gladde buizen voor Corus werden geproduceerd.

42 Verder stelt Corus dat de drie overeenkomsten die zij met Vallourec, Dalmine en Mannesmann heeft gesloten, elk voor een oorspronkelijke periode van vijf jaar, waarna zij stilzwijgend konden worden verlengd, en die zogenaamd de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk uitmaken, niet één enkele overeenkomst kunnen vormen, aangezien zij op verschillende tijdstippen zijn ondertekend, namelijk respectievelijk op 24 juli 1991, 4 december 1991 en 9 augustus 1993.

43 Volgens Corus was het voor haar logisch om haar vraag naar gladde buizen over drie verschillende leveranciers te verdelen. Een groter aantal leveranciers zou niet in overeenstemming zijn geweest met de wensen van haar klanten, die gewoonlijk aandrongen op een beperking van het aantal leveranciers die betrokken waren bij de productie van de door hen bestelde buizen, aangezien de door hen verrichte kwaliteitscontroles, gelet op het zeer grote belang van de veiligheid van de producten in hun activiteitensector, zeer duur zijn. Corus van haar kant diende verschillende leveranciers te hebben om zich in te dekken tegen de negatieve financiële gevolgen van eventuele stakingen of defecte walsmachines, en om rekening te houden met de sterk fluctuerende vraag naar OCTG-buizen.

44 Verder worden OCTG-buizen gewoonlijk op maat gemaakt in het kader van leveringscontracten van lange duur. Dat de leveringscontracten in casu een looptijd van vijf jaar hadden en stilzwijgend verlengbaar waren, is dus helemaal niet abnormaal. Bij elke bestelling van buizen worden immers de kwaliteit en de afmetingen daarvan precies vastgelegd, zodat haast nooit rechtstreeks uit voorraad wordt verkocht. Verder stelt Corus dat de ondernemingen in de aardoliesector erop staan dat de bestelde buizen overeenkomstig hun behoeften binnen korte termijnen ter beschikking worden gesteld, in het bijzonder wegens de hoge exploitatiekosten van boorplatformen.

45 Gelet op de hierboven vermelde kwaliteitsvereisten, is de opmerking van de Commissie in punt 152 van de bestreden beschikking dat de sector van stalen buizen ten tijde van de sluiting van de leveringscontracten te kampen had met een structurele overcapaciteit en dat het met name mogelijk was om deze buizen uit Hongarije, Polen, Tsjechoslowakije en Kroatië te importeren, irrelevant aangezien de buizen uit die landen niet de vereiste kwaliteit hadden en die landen bovendien destijds politiek weinig stabiel waren. Wat de andere mogelijke bevoorradingsbronnen betreft, vertoonden de producten uit Latijns-Amerika hetzelfde kwaliteitsprobleem als die uit de landen van Oost-Europa, terwijl Noord-Amerika was uitgesloten omdat de producenten van dat gebied niet geïnteresseerd waren in de export van hun producten. Verder belemmerden de transportkosten en de leveringstermijnen de import van Japanse producten, met name omdat de prijzen van OCTG-buizen in Europa relatief laag waren. Het was voor Corus uit commercieel oogpunt dan ook logisch om voor drie communautaire leveranciers te kiezen.

46 Corus is het niet eens met het argument van de Commissie in punt 152 van de bestreden beschikking dat de leveringstermijnen voor Corus niet erg belangrijk waren gelet op het feit dat de leveringscontracten in een leveringstermijn van vijf tot zes weken voorzagen en er geen andere sanctie wegens niet-levering was vastgesteld dan dat het niet geleverde tonnage werd opgenomen in de berekening van het jaartonnage waarop de leverancier recht had.

47 Volgens Corus is de vraag naar OCTG-buizen op het continentaal plat van het Verenigd Koninkrijk zo instabiel dat de enige praktische mogelijkheid om in al haar behoeften te voorzien erin bestond de door de drie leveranciers te leveren hoeveelheden gladde buizen in procenten en niet in vaste hoeveelheden uit te drukken. Dat systeem bood immers als enige de mogelijkheid om rekening te houden met een overaanbod of schaarste op de markt waarvoor de gladde buizen waren bestemd.

48 Verder kon dankzij de formule die de prijzen die Corus voor de buizen betaalde, koppelde aan de prijzen die zij kreeg voor de door haar verkochte OCTG-buizen, rekening worden gehouden met de belangrijke prijsfluctuatie die door deze instabiele vraag werd veroorzaakt. Het was commercieel gezien uiterst moeilijk om een vaste prijs met de leveranciers af te spreken die voldoende laag was voor Corus om er zeker van te zijn dat haar daaropvolgende verkopen van OCTG-buizen nooit onrendabel zouden zijn. Volgens Corus werd geen informatie over de door haar verkochte hoeveelheden buizen en de door haar klanten betaalde prijzen aan haar leveranciers meegedeeld, ondanks het feit dat deze gegevens in bovenbedoelde formule werden gebruikt. Enkel de prijs van gladde buizen die uit deze formule resulteerde, werd meegedeeld aan de leveranciers, die overigens het recht hadden de correcte toepassing van deze formule door een onafhankelijk accountant te laten controleren.

49 Volgens Corus is het argument van de Commissie dat geen van de leveringscontracten op zich beschouwd enige zin heeft, omdat elk van deze contracten aan elk van de leveranciers een percentage van de door haar benodigde buizen toebedeelt, irrelevant. Uit dit argument volgt immers geenszins dat de vier in de bestreden beschikking bestrafte Europese producenten overleg hebben gepleegd over de leveringscontracten. Corus heeft daarentegen elk van deze contracten gesloten in het kader van haar algemene bevoorradingsstrategie, die zij zelfstandig had vastgesteld.

50 Volgens Corus biedt de uitleg die zij heeft verstrekt over de commerciële logica die aan de betrokken leveringscontracten ten grondslag ligt, een alternatieve verklaring voor haar gedrag, zodat de Commissie dient te bewijzen dat de vier bestrafte ondernemingen hebben samengespannen, zonder zich daarbij op deze contracten te baseren (conclusie van advocaatgeneraal M. Darmon bij arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeytiö e.a./Commissie, bekend als het „houtslijp II-arrest”, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, I-1445, punt 195). Dienaangaande stelt zij dat parallel gedrag enkel als bewijs van samenspanning kan worden aangemerkt indien de samenspanning de enige aannemelijke verklaring ervoor is (houtslijp II-arrest, reeds aangehaald, punt 71).

51 Corus voegt hieraan toe dat het door de Commissie in haar verweerschrift aangevoerde argument dat de in de vorige punten onderzochte clausules van de leveringscontracten de mededinging beperken, in elk geval niet aantoont dat de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde specifieke inbreuk is gepleegd. Ook al zouden deze clausules immers daadwerkelijk de mededinging verstoren, levert deze omstandigheid, althans op zich beschouwd, niet het bewijs op dat de vier Europese producenten hebben samengespannen om de Japanse producenten van de Britse markt uit te sluiten.

52 Bovendien tonen de schriftelijke bewijzen die de Commissie met name in de punten 91 en 147 van de bestreden beschikking ter ondersteuning van haar betoog aanvoert, niet aan dat Corus en andere Europese buizenproducenten een overeenkomst hebben gesloten. De Commissie zelf heeft geaarzeld om zich in haar verweerschrift ten volle op deze bewijzen te baseren. Volgens Corus is de analyse van de bewijselementen door de Commissie incoherent aangezien zij met name niet uitlegt hoe en waarom de bilaterale overeenkomst tussen Corus en Vallourec, waarvan de nota's van 1990 het bewijs zouden vormen, tot een multilaterale overeenkomst tussen de vier Europese producenten zou zijn omgevormd. Dienaangaande stelt zij dat de Commissie de nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking slechts kan vermijden door aan te tonen dat de vier Europese producenten op basis van onderling overleg hebben besloten om de leveringscontracten voor gladde buizen te sluiten.

53 Verder stelt Corus dat, aangezien ervan is uitgegaan dat de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk vanaf december 1991 door Dalmine is gepleegd, de bewijselementen van 1993 irrelevant zijn met betrekking tot de zogenaamde overgang van de fundamentele regels naar verbeterde fundamentele regels. Voorts merkt zij op dat de Commissie zich in de mededeling van punten van bezwaar op het standpunt had gesteld dat de nota's van 1990 het bewijs vormden van het bestaan van een overeenkomst tussen de vier Europese producenten, maar dat zij in de bestreden beschikking op dit standpunt is teruggekomen.

54 Corus onderzoekt vervolgens bepaalde van de in de punten 78 tot en met 81 van de bestreden beschikking geanalyseerde en in punt 147 opnieuw genoemde nota's, namelijk de nota van 23 maart 1990, „Overwegingen over de verlenging van de VAM-overeenkomst” (hierna: „nota Overwegingen over de VAM-overeenkomst”), weergegeven op bladzijde 15622 van het dossier van de Commissie, de nota van 2 mei 1990, „Strategische overwegingen over de betrekkingen van VLR” (hierna: „nota Strategische overwegingen”), weergegeven op bladzijde 15610 van het dossier, en de nota Bijeenkomst van 24.7.90. In dit verband levert zij geen uitdrukkelijk commentaar op de in punt 62 van de bestreden beschikking en in punt 56 van de mededeling van punten van bezwaar aangehaalde, niet gedateerde nota „Bespreking BSC”, die op bladzijde 15596 van het dossier is weergegeven. Corus merkt op dat de nota Overwegingen over de VAM-overeenkomst en de nota Strategische overwegingen door werknemers van Vallourec zijn opgesteld en slechts hun persoonlijke standpunt verwoorden. Zij bewijzen dus geenszins dat er een overeenkomst tussen Vallourec en Corus heeft bestaan. De Commissie heeft zich ten onrechte gebaseerd op het feit dat een van de in deze twee nota's voorgestelde oplossingen met de door haar in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde overeenkomst overeenstemt. De opsteller van de nota Overwegingen over de VAM-overeenkomst heeft deze oplossing uitdrukkelijk verworpen omdat hij ze nauwelijks realiseerbaar achtte, en heeft een andere oplossing voorgesteld, die Corus de mogelijkheid bood haar leveranciers van gladde buizen vrij te kiezen.

55 Wat de nota Bijeenkomst van 24.7.1990 betreft, stelt Corus dat al haar werknemers die aan de betrokken bijeenkomst hebben deelgenomen, in augustus 1997 met pensioen zijn gegaan, zodat zij niet erg diep op dit document kan ingaan. Volgens haar blijkt uit deze nota niet duidelijk welke van de opmerkingen in het verslag de inhoud van de bijeenkomst weerspiegelen, en welke het persoonlijke standpunt van de opsteller ervan verwoorden. Bovendien kan uit deze nota niet worden afgeleid dat Corus en Vallourec een specifieke gedragslijn zijn overeengekomen. Voorzover ten slotte de Commissie deze nota aanvoert om het bestaan van een overeenkomst tussen de vier Europese producenten aan te tonen, merkt Corus op dat er geen bewijs is dat er extra besprekingen hebben plaatsgevonden waaraan Dalmine en Mannesmann zouden hebben deelgenomen.

56 Verder stelt Corus dat uit haar faxbericht aan Vallourec van 22 januari 1993, met als opschrift „Samenwerkingsakkoord BS” („BS cooperation agreement”, waarbij een brief van 21 januari 1993 en een vertrouwelijke nota van dertien bladzijden zijn gevoegd), dat op bladzijde 4626 van het dossier van de Commissie is weergegeven en in punt 91 van de bestreden beschikking is onderzocht, niet valt op te maken dat er sprake was van enige samenspanning. Dit faxbericht is verzonden in het kader van onderhandelingen die Corus met Vallourec, Dalmine en Mannesmann heeft gevoerd om de mogelijkheid van een gecoördineerd rationaliseringsplan te onderzoeken, en vormt geenszins het bewijs van een onwettige geheime afspraak. Corus beklemtoont in het bijzonder dat volgens het faxbericht „Samenwerkingsakkoord BS” de nationale controle-instanties dienden te worden geraadpleegd voordat een transactie kon plaatsvinden.

57 Verder blijkt uit het faxbericht „Samenwerkingsakkoord BS” dat Corus haar aanwezigheid op de markten van naadloze buizen tot een minimum wilde beperken, zodat dit document niet aantoont dat zij een inbreuk heeft gepleegd, zoals de Commissie stelt. Corus had immers geen commercieel belang meer bij de betrokken leveringscontracten nadat zij in maart 1994 de onderneming Imperial aan Vallourec had verkocht.

58 Verder is Corus van mening dat het document „Systeem voor naadloze stalen buizen in Europa en marktevolutie” („Seamless Steel Tube System in Europe and Market Evolution”), dat is weergegeven op bladzijde 2051 van het dossier van de Commissie (hierna: „document Systeem voor stalen buizen”) en in punt 91 van de bestreden beschikking is onderzocht, een intern document van Dalmine is dat niet het bewijs oplevert dat Corus heeft deelgenomen aan besprekingen die tot ongeoorloofde geheime afspraken hebben kunnen leiden.

59 De Commissie stelt om te beginnen dat punt 71 van het hierboven in punt 50 aangehaalde houtslijp II-arrest, waarop Corus zich beroept, enkel relevant is wanneer de Commissie zich uitsluitend baseert op het bewijs van parallelle gedragingen om het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen aan te tonen. In casu daarentegen is in de leveringscontracten zelf met zoveel woorden gesteld dat de partijen zich ervan wilden verzekeren dat Corus een nationale producent in de zin van de fundamentele regels zou blijven. Deze zienswijze wordt bovendien door een reeks schriftelijke bewijzen gestaafd.

60 Verder wordt het argument dat afzonderlijk en onafhankelijk over de drie leveringscontracten voor gladde buizen is onderhandeld, tegengesproken door het feit dat elk contract aan elke leverancier een vast percentage van de door Corus gekochte buizen toebedeelt.

61 Verder is het argument van Corus dat zij slechts leveringscontracten kon sluiten met communautaire producenten, weinig geloofwaardig. Ook het argument inzake het belang van de leveringstermijnen wordt tegengesproken door de bepalingen van haar eigen contracten. Verder is het argument dat de kwaliteit van de producten belangrijk was in tegenspraak met het feit dat zijzelf heeft voorgesteld om gladde buizen van producenten van derde landen te kopen, zoals in de bestreden beschikking is opgemerkt (punt 78).

62 De Commissie voegt hieraan toe dat er volgens punt 152 van de bestreden beschikking sprake is van structurele overcapaciteit, ook binnen de Gemeenschap, zodat het argument van Corus dat de buizen van de Oost-Europese producenten niet de vereiste kwaliteit hadden, irrelevant is.

63 In elk geval is het argument van Corus dat het voor haar logisch was om met de drie communautaire producenten te handelen, irrelevant aangezien de ongeoorloofde samenspanning er juist in bestaat dat Corus en deze producenten zijn overeengekomen om de handelsactiviteiten van Corus te behandelen als een gemeenschappelijk goed dat door middel van mededingingsbeperkende leveringscontracten onder hen diende te worden verdeeld.

64 De Commissie stelt dat, ook al zou Corus kunnen aantonen dat het voor haar commercieel voordelig was om aan elk van de drie leveranciers een percentage van haar aankopen van gladde buizen toe te bedelen, dit niet wegneemt dat elke contractuele clausule waarin dit was vastgesteld, een mededingingsbeperking inhield, zoals in punt 153 van de bestreden beschikking is opgemerkt.

65 In elk geval is het niet juist dat de procentuele verdeling van de aankopen van Corus voor haar het enige middel was om te verzekeren dat haar variabele behoeften aan gladde buizen volledig zouden worden gedekt. Volgens de Commissie had zij dit commerciële doel ook kunnen bereiken door verschillende kaderovereenkomsten met leveranciers te sluiten waarin eenheidsprijzen waren vastgelegd.

66 Wat de clausule van de leveringscontracten betreft waarin de prijs van gladde buizen werd gekoppeld aan de prijs die Corus kreeg voor de verkoop van de schroefdraadbuizen, is de Commissie van mening dat elke producent die een product koopt om het na afwerking door te verkopen, het risico loopt dat de prijs op de markt van afgewerkte producten zal dalen. Corus legt niet uit waarom het in casu noodzakelijk was om dit risico uit te schakelen. Zij legt evenmin uit waarom de leveranciers van gladde buizen bereid moesten zijn om dit commercieel risico met haar te delen.

67 Wat de in punt 153 van de bestreden beschikking uiteengezette omstandigheid betreft dat de prijsformule voor gladde buizen een uitwisseling impliceerde van commerciële informatie die volgens de rechtspraak vertrouwelijk diende te blijven (arresten Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punt 403, en British Steel/Commissie, T-151/94, Jurispr. blz. II-629), acht de Commissie het argument van Corus ter verdediging van het gebruik van deze formule niet overtuigend. Met betrekking tot de door Corus verkochte hoeveelheid schroefdraadbuizen merkt de Commissie op dat de leveranciers zeer gemakkelijk de totale verkoop van deze producten door Corus konden berekenen, aangezien elk van hen in een vast percentage van haar behoeften voorzag.

68 Aangaande de in de punten 78 tot en met 81 van de bestreden beschikking genoemde bewijselementen uit 1990 en 1993 stelt de Commissie om te beginnen dat deze niet zijn aangevoerd om het bestaan van een vast akkoord aan te tonen, maar om duidelijk te maken welke de onderliggende bedoelingen waren van de leveringscontracten waarop de Commissie zich rechtstreeks beroept om de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk aan te tonen.

69 Met betrekking tot het argument van Corus dat in de bestreden beschikking niet duidelijk is uiteengezet hoe de overeenkomst tussen Corus en Vallourec vervolgens is omgevormd tot een overeenkomst tussen vier partijen, merkt de Commissie om te beginnen op dat deze tweede overeenkomst is uitgewerkt in het kader van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde ruimere overeenkomst betreffende de eerbiediging van de fundamentele regels, waarbij de vier betrokken Europese producenten sinds 1990 partij waren. In 1990 hebben Corus en Vallourec dus de in artikel 2 van de bestreden beschikking beschreven overeenkomst gesloten, en van meet af aan was het de bedoeling dat Dalmine en Mannesmann zich daarbij zouden aansluiten. Volgens de Commissie zijn Dalmine en Mannesmann wellicht vóór de ondertekening van de leveringscontracten tot deze tweede overeenkomst toegetreden, maar heeft zij bij ontbreken van bewijzen over de precieze datum van deze toetreding deze inbreuk slechts tegen hen in aanmerking genomen vanaf de datum van de ondertekening van deze contracten. Het is dus in elk geval duidelijk dat Corus en ten minste Vallourec vanaf 1990 partij waren bij de overeenkomst. Verder zijn de vier partijen bij de overeenkomst in 1993 bijeengekomen, en vanaf dat tijdstip waren zij alle partij bij de overeenkomst.

70 Met betrekking tot het argument dat de vermeende mededingingsbeperkingen in de clausules van de leveringscontracten niet dezelfde zijn als die welke de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk vormen, merkt de Commissie op dat deze beperkingen slechts het schriftelijke gedeelte van de overeenkomst vormen, en dat het andere gedeelte niet in een document is neergelegd.

Beoordeling door het Gerecht

71 Om te beginnen dient het argument van Corus te worden verworpen dat haar uitleg over de commerciële logica die aan de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde leveringscontracten ten grondslag ligt, een ander licht werpt op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten biedt die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een schending van de communautaire mededingingsregels (zie in die zin arrest Hof van 28 maart 1984, CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 16; houtslijp H-arrest, hierboven aangehaald in punt 50, punten 126 en 127; arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, bekend als het „PVC II-arrest”, T-305/94-T-307/94, T-313/94-T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931, punt 725). Het argument dat de Commissie in casu op basis van andere elementen dan de leveringscontracten het bestaan diende te bewijzen van een mededingingsregeling tussen de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde ondernemingen, is irrelevant.

72 De rechtspraak waarop Corus zich dienaangaande baseert, heeft immers betrekking op de situatie waarin de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt (zie in die zin PVC II-arrest, hierboven aangehaald in punt 71, punten 727 en 728). In het bijzonder is de bewijsregel waarvan sprake in punt 71 van het hierboven in punt 50 aangehaalde houtslijp II-arrest enkel relevant wanneer de Commissie zich uitsluitend baseert op parallelle gedragingen om het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen aan te tonen. Dit is in casu niet het geval, aangezien de inbreuk is vastgesteld op basis van de bewoordingen van de leveringscontracten zelf, die een inbreuk op de communautaire mededingingsregels vormen (zie punten 110 e.v. van de bestreden beschikking), en de Commissie verder tot staving van haar stelling een reeks aanvullende schriftelijke bewijzen aanvoert (zie punten 78 e.v. van de bestreden beschikking).

73 Ook al zou Corus dus hebben kunnen aantonen dat zij er objectief gezien commercieel belang bij had om de drie leveringscontracten met Vallourec, Dalmine en Mannesmann te sluiten, doet dit geenszins af aan de stelling van de Commissie dat deze overeenkomsten ongeoorloofd waren. Mededingingsverstorende praktijken zijn immers zeer vaak in het individuele commerciële belang van de ondernemingen, althans op korte termijn.

74 Het doel en de gevolgen van de leveringscontracten zijn door de Commissie in punt 111 van de bestreden beschikking omschreven als volgt: „Het doel van deze contracten was de levering van gladde buizen aan de marktleider voor OCTG in het Noordzeegebied, met het oogmerk een nationale producent in het Verenigd Koninkrijk te handhaven teneinde de ‚fundamentals’ in het kader van de Europa-Japanclub te doen respecteren. Deze contracten hadden tot doel en tot voornaamste gevolg dat de voorziening in de volledige behoefte aan gladde buizen van concurrent [Corus] (vanaf 1994 Vallourec) onder [Mannesmann], Vallourec en Dalmine werd verdeeld. Zij lieten de aankoopprijs van gladde buizen afhangen van de prijzen die [Corus] voor buizen met schroefdraad berekende. Aldus beperkten zij de vrijheid van [Corus] (na februari 1994 Vallourec) om zich te bevoorraden en verplichtten zij deze onderneming om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen, evenals de verkochte hoeveelheden. Op hun beurt verbonden [Mannesmann], Vallourec (tot februari 1994) en Dalmine zich ertoe een concurrent ([Corus], en vanaf maart 1994 Vallourec) producthoeveelheden te leveren die niet van tevoren vaststonden.”

75 De aan het Gerecht overgelegde leveringscontracten bevestigen in wezen de feiten zoals die in de punten 111, 78 tot en met 82 en 153 van de bestreden beschikking zijn vastgesteld. Deze contracten verdelen immers de voorziening in de behoeften van Corus aan gladde buizen tussen de drie andere Europese producenten (40 % voor Vallourec, 30 % voor Dalmine en 30 % voor Mannesmann). Verder is in deze contracten bedongen dat de prijs die Corus voor de gladde buizen betaalt, wordt bepaald volgens een wiskundige formule die rekening houdt met de prijs die zij voor haar schroefdraadbuizen krijgt.

76 Gelet op deze vaststellingen, kan worden volstaan met op te merken dat de leveringscontracten tot doel en tot gevolg hadden dat althans in de verhoudingen tussen de vier Europese producenten de risico's van de mededinging werden vervangen door een afspraak over de verdeling van de winst uit de mogelijke verkoop van schroefdraadbuizen op de Britse markt (zie, naar analogie, met betrekking tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen, arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, bekend als het „cement-arrest”, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 3150).

77 Met elk van de leveringscontracten heeft Corus haar concurrenten op zo'n wijze gebonden dat zij geen daadwerkelijke concurrentie op haar thuismarkt meer leverden en een dergelijke concurrentie ook niet meer te verwachten viel.

78 Corus heeft haar positie op haar thuismarkt immers verstevigd, ten koste van haar vrije keuze van leveranciers, aangezien drie van haar potentiële concurrenten op de Britse markt voor schroefdraadbuizen zich op zo'n wijze aan haar hebben gebonden dat zij hun verkoop van gladde buizen zouden zien verminderen, mocht Corus minder schroefdraadbuizen verkopen. Verder zou de winstmarge op de verkoop van gladde buizen waartoe de drie leveranciers zich hebben verbonden, ook verminderen, mocht de prijs die Corus voor haar schroefdraadbuizen krijgt, dalen. In deze omstandigheden was het praktisch ondenkbaar dat deze drie producenten Corus daadwerkelijk op de Britse markt voor schroefdraadbuizen wilden beconcurreren, met name op het gebied van de prijzen (zie punt 153 van de bestreden beschikking).

79 Omgekeerd heeft elk van de communautaire concurrenten van Corus, door dergelijke contracten te sluiten, zich van een indirecte deelneming op de thuismarkt van deze laatste en van een gedeelte van de daaruit voortvloeiende winsten verzekerd. Om deze voordelen te verkrijgen hebben zij de facto afgezien van de mogelijkheid om schroefdraadbuizen op de Britse markt te verkopen en, zeker vanaf de ondertekening van het derde contract op 9 augustus 1993, waarbij de resterende 30 % aan Mannesmann werd toebedeeld, om een groter deel van de gladde buizen aan Corus te leveren dan vooraf aan elk van hen was toebedeeld. Verder zijn zij de bezwarende en dus commercieel abnormale verplichting aangegaan om aan hun concurrent, Corus, hoeveelheden buizen te leveren die vooraf slechts zijn vastgesteld onder verwijzing naar haar verkopen van schroefdraadbuizen.

80 Vastgesteld dient te worden dat, indien de leveringscontracten niet hadden bestaan, de drie andere Europese producenten dan Corus er normalerwijs, afgezien van de fundamentele regels, een reëel of althans potentieel commercieel belang bij hadden gehad om Corus op de Britse markt van schroefdraadbuizen en elkaar, als leveranciers van gladde buizen aan Corus, te beconcurreren.

81 Bovendien dient te worden opgemerkt dat elk van de leveringscontracten voor een oorspronkelijke duur van vijfjaar is gesloten. Deze betrekkelijk lange duur bevestigt en versterkt het mededingingsverstorende karakter van deze contracten.

82 Bovendien impliceerde de in elk van de drie leveringscontracten vastgestelde prijsformule voor gladde buizen, zoals de Commissie opmerkt, een ongeoorloofde uitwisseling van commerciële informatie (zie punt 153 van de bestreden beschikking; zie ook punt 111 van de beschikking), die vertrouwelijk moet blijven omdat anders de concurrerende ondernemingen hun commercieel beleid niet langer zelfstandig kunnen bepalen (zie in die zin hierboven in punt 67 aangehaalde arresten Thyssen Stahl/Commissie, punt 403, en British Steel/Commissie, punten 383 e.V.).

83 Het argument van Corus dat zij geen informatie over de door haar verkochte hoeveelheden buizen en de door haar klanten betaalde prijzen aan haar leveranciers verstrekte, kan haar in de omstandigheden van het onderhavige geval niet vrijpleiten.

84 Met betrekking tot de door Corus verkochte hoeveelheden schroefdraadbuizen dient te worden vastgesteld dat haar leveranciers deze gemakkelijk konden berekenen, aangezien elk van hen in beginsel in een vast percentage van haar behoeften voorzag.

85 Met betrekking tot de prijzen dient te worden vastgesteld dat Corus de prijzen die zij voor haar schroefdraadbuizen kreeg, inderdaad niet als zodanig aan haar medecontractanten meedeelde. De verklaring in punt 111 van de bestreden beschikking dat de leveringscontracten „[Corus] verplichtten [...] om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen”, dient dus te worden genuanceerd aangezien de contractuele verplichtingen niet zo ver gingen. Zoals de Commissie in punt 153 van de bestreden beschikking en voor het Gerecht terecht heeft opgemerkt, bestond er evenwel een wiskundig verband tussen de prijzen van de schroefdraadbuizen en de prijzen die voor de gladde buizen werden betaald, zodat de drie betrokken leveranciers precieze aanwijzingen kregen over de richting, het tijdstip en de omvang van elke prijsschommeling van de door Corus verkochte schroefdraadbuizen.

86 De verstrekking van dergelijke informatie aan concurrenten is niet alleen in strijd met artikel 81, lid 1, EG, maar bovendien maakt het geen wezenlijk verschil of deze informatie betrekking heeft op de prijzen zelf van de schroefdraadbuizen, dan wel enkel op de schommeling ervan. In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de in het vorige punt vastgestelde onnauwkeurigheid van weinig of geen belang is in de ruimere context van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, en dus niet afdoet aan de vaststelling van deze inbreuk.

87 Met betrekking tot het algemenere argument van Corus dat de in het vorige punt vastgestelde mededingingsbeperkingen niet de door de Commissie in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde specifieke inbreuk vormen, dient eraan te worden herinnerd dat deze beperkingen duidelijk zijn uiteengezet in de punten van de bestreden beschikking waarin deze inbreuk is beschreven, in het bijzonder in punt 111, dat hierboven in punt 74 in extenso is aangehaald. Volgens artikel 2, lid 1, van de bestreden beschikking zijn de leveringscontracten weliswaar gesloten „in het kader van de in artikel 1 genoemde inbreuk”, maar uit dit artikel blijkt duidelijk dat de sluiting van deze mededingingsverstorende contracten op zich de in artikel 2 vastgestelde inbreuk vormt.

88 In elk geval wordt deze zienswijze bevestigd door het feit dat de Commissie in artikel 2, lid 2, van de bestreden beschikking de duur van de door elk van de Europese producenten gepleegde inbreuk laat anlangen van de periode waarin hel of de contracten waarbij zij respectievelijk partij waren, van kracht waren.

89 Verder volstaan deze vaststellingen om ook het argument van Corus te ontkrachten dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de vier Europese producenten op de in de bestreden beschikking uiteengezette wijze hebben samengespannen. Ongeacht de mate waarin de vier Europese producenten in werkelijkheid hebben samengespannen, dient te worden vastgesteld dat elk van hen een van de mededingingsbeperkende leveringscontracten heeft ondertekend, die in het kader van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk op artikel 81, lid 1, EG zijn gesloten, op Corus na, die er drie heeft ondertekend.

90 In deze omstandigheden heeft de Commissie zich ten overvloede op een reeks andere aanwijzingen dan de leveringscontracten gebaseerd om het bestaan van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk aan te tonen. Voor het onderzoek van het onderhavige middel hoeven dus niet alle argumenten die verzoekster dienaangaande heeft aangevoerd, te worden onderzocht.

91 Aangezien het voor de beoordeling van bepaalde andere aangevoerde middelen relevant is te weten in welke mate de vier communautaire producenten hebben samengespannen met betrekking tot de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, dienen in het kader van het onderhavige middel bepaalde stukken uit het dossier van de Commissie in de onderhavige zaak te worden onderzocht ter beoordeling van het argument van Corus dat de drie betrokken leveringscontracten op verschillende tijdstippen zijn gesloten, zodat de Commissie hieruit niet het bestaan van één enkele inbreuk kon afleiden waarbij de vier Europese producenten betrokken zouden zijn geweest.

92 In dit verband is het document Overwegingen over de VAM-overeenkomst van 23 maart 1990 bijzonder relevant. Onder het opschrift „Scenario 2” wijst Verluca op de mogelijkheid om „van de Japanners gedaan te krijgen dat zij buiten [de] markt [van het Verenigd Koninkrijk] blijven, en dat de zaak onder Europeanen wordt geregeld”, en hij vervolgt: „In dat geval zouden de gladde buizen inderdaad onder [Mannesmann], [Vallourec] en Dalmine worden verdeeld.” In de volgende paragraaf merkt hij op dat „we er waarschijnlijk belang bij [zouden] hebben de verkoop van [Vallourec] zowel aan de prijs als aan het volume van de door [Corus] verkochte VAM te koppelen”. Aangezien dit laatste voorstel precies overeenstemt met de voornaamste bepalingen van de overeenkomst die zestien maanden later tussen Vallourec en Corus zou worden gesloten, is het duidelijk dat Vallourec deze strategie daadwerkelijk heeft toegepast en dat deze overeenkomst is gesloten om deze strategie ten uitvoer te leggen.

93 Ook het argument van Corus dat Verluca aan het einde van de nota Strategische overwegingen en de nota Overwegingen over de VAM-overeenkomst niet heeft voorgesteld om het onderdeel van de fundamentele regels betreffende de eerbiediging van de Europese thuismarkten door de Japanse producenten te versterken, wat een van de drie overwogen scenario's was, dient te worden verworpen. Uit de bewoordingen van deze twee nota's blijkt immers duidelijk dat de auteur ervan deze oplossing verkoos en ze slechts met tegenzin heeft verworpen, omdat hij ze niet realiseerbaar achtte. In het bijzonder was volgens de nota Strategische overwegingen de „meest voordelige oplossing voor [Vallourec]” dat „de Europeanen van de Japanners gedaan zouden krijgen dat zij van de markt van het Verenigd Koninkrijk voor buttress- en premiumbuizen zouden wegblijven”. Verluca verwerpt deze oplossing in deze nota enkel omdat hij „jammer genoeg niet gelooft dat deze oplossing [...] kan werken”. Aangezien deze oplossing is toegepast, is de voorlopige verwerping ervan in deze nota's irrelevant.

94 Verder bevestigt het feit dat Corus vervolgens een haast identieke overeenkomst heeft gesloten, eerst met Vallourec, vervolgens met Dalmine en ten slotte met Mannesmann, zodat de voorziening in de behoeften van Corus aan gladde buizen daadwerkelijk vanaf 1993 onder deze drie ondernemingen werd verdeeld, zoals Verluca het voor ogen had, dat deze drie overeenkomsten wellicht zijn gesloten ter uitvoering van een gemeenschappelijke Europese strategie. Zoals de Commissie opmerkt, heeft Vallourec om te beginnen deze strategie bedacht en in een eerste fase een leveringscontract met Corus gesloten. Vervolgens hebben Dalmine en Mannesmann zich bij haar aangesloten, wat blijkt uit het feit dat elk van deze twee ondernemingen een leveringscontract met Corus hebben gesloten.

95 Gelet op een en ander, is de Commissie er in de bestreden beschikking terecht van uitgegaan dat de leveringscontracten de in artikel 2 vastgestelde inbreuk vormden en dus het bestaan ervan rechtens genoegzaam aantoonden. Voor zover nodig dient ook te worden opgemerkt dat de aanvullende bewijselementen die de Commissie heeft aangevoerd, haar stelling bevestigen dat deze contracten waren gesloten in het kader van een ruimer gemeenschappelijk beleid.

96 Het onderhavige middel dient dan ook te worden verworpen.

Het middel inzake schending van de rechten van de verdediging omdat de bewijzen die voor de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk zijn aangevoerd, in de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking verschillend zijn beoordeeld

Argumenten van partijen

97 Volgens Corus zijn de in de punten 78 tot en met 81 van de bestreden beschikking genoemde nota's van 1990 in de bestreden beschikking anders beoordeeld dan in de mededeling van punten van bezwaar, met name omdat de Commissie in punt 147 van de beschikking niet langer stelt dat uit deze bewijselementen blijkt dat de vier Europese producenten een overeenkomst over gladde buizen hadden gesloten.

98 Verder heeft de Commissie de in punt 91 van de bestreden beschikking aangehaalde documenten van 1993 (namelijk het faxbericht van Corus aan Vallourec, „Samenwerkingsakkoord BS”, en het document Systeem voor stalen buizen) voor het eerst in de bestreden beschikking aangevoerd als bewijs dat de leveringscontracten een ongeoorloofde overeenkomst vormden. Aangezien Corus dus niet de gelegenheid heeft gehad om tijdens de administratieve procedure opmerkingen te maken over de desbetreffende analyse in de bestreden beschikking, zijn haar rechten van verdediging geschonden.

99 De Commissie antwoordt hierop dat de eindbeschikking niet noodzakelijk op elk punt identiek hoeft te zijn aan de mededeling van punten van bezwaar. In casu is de Commissie zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in de bestreden beschikking tot de conclusie gekomen dat Corus vanaf 1990 met ten minste één andere onderneming en vanaf 1993 met haar drie Europese leveranciers heeft deelgenomen aan de overeenkomst die de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk uitmaakt. Zo er al een verschil zou bestaan tussen de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking, doet dit geen afbreuk aan de rechten van verdediging van Corus. Ook kan een dergelijk verschil de nietigverklaring van een eindbeschikking slechts rechtvaardigen indien de administratieve procedure zonder deze zogenaamde onregelmatigheid tot een ander resultaat had kunnen leiden (arrest Hof van 10 juli 1980, Distillers/Commissie, 30/78, Jurispr. blz. 2229, punt 26). Om een schending van de rechten van de verdediging aan te tonen, dient Corus dus te bewijzen dat de bestreden beschikking anders had kunnen luiden indien zij de gelegenheid had gehad het bestaan te betwisten van een overeenkomst waaraan drie andere ondernemingen hadden deelgenomen in plaats van slechts een. Aangezien Corus stelt dat er geen enkele overeenkomst is gesloten, is de Commissie van mening dat zij bij dit standpunt zou blijven, ongeacht het aantal ondernemingen dat met haar aan de betrokken inbreuk heeft deelgenomen, en dat Corus zich naar behoren heeft kunnen verdedigen.

Beoordeling door het Gerecht

100 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat een verschil tussen de mededeling van punten van bezwaar en de uiteindelijke beschikking enkel een schending inhoudt van de rechten van de verdediging, indien een in de beschikking vastgestelde grief niet op zo'n duidelijke wijze in de mededeling van punten van bezwaar is uiteengezet dat de adressaten zich daartegen hebben kunnen verdedigen (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 76, punten 852-860).

101 Verder is de beoordeling in de mededeling van punten van bezwaar vaak beknopter dan die in de eindbeschikking, aangezien het slechts gaat om een voorlopig standpunt van de Commissie. Verschillen in formulering tussen de mededeling van punten van bezwaar en de eindbeschikking, die voortvloeien uit het feit dat deze twee documenten een verschillend doel hebben, kunnen in beginsel de rechten van de verdediging niet schenden. Zo is het in casu volkomen vanzelfsprekend dat de mededeling van punten van bezwaar geen punt bevat zoals punt 144 van de bestreden beschikking, waarin de Commissie uitdrukkelijk conclusies trekt uit de in de punten 78 tot en met 81 en 91 van de beschikking onderzochte bewijselementen. Het zou daarentegen als voorbarig kunnen worden beschouwd, mocht de mededeling van punten van bezwaar een dergelijke conclusie bevatten.

102 De Commissie heeft in punt 78 van de bestreden beschikking opgemerkt dat „[...] Vallourec en [Corus] het begrip ‚fundamentals improved’ [introduceerden]”, terwijl zij in punt 63 van de mededeling van punten van bezwaar had overwogen dat „de Europeanen” dit hadden gedaan. Aldus stelt zij in de bestreden beschikking niet langer dat uit de nota's van Vallourec blijkt dat er vanaf 1990 tussen alle vier de Europese producenten een overeenkomst heeft bestaan betreffende de op de Britse markt in de handel gebrachte gladde buizen.

103 Door haar standpunt aldus te wijzigen heeft de Commissie in de bestreden beschikking alleen maar de feiten in aanmerking genomen die zij, met name op grond van de antwoorden van de adressaten van de mededeling van bezwaar, voldoende bewezen achtte. Aangezien de betrokken nota's uitsluitend betrekking hebben op Vallourec en Corus, heeft de Commissie beslist om punt 78 van de bestreden beschikking in dit opzicht voorzichtiger te formuleren dan punt 63 van de mededeling van punten van bezwaar.

104 In elk geval schaadt dit verschil in formulering geenszins de belangen van de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, maar vloeit het voort uit het feit dat de Commissie in de bestreden beschikking de waarde van de nota's van Vallourec als bewijs van het bestaan van de in artikel 2 van de beschikking vastgestelde inbreuk minder hoog inschat dan in de mededeling van punten van bezwaar. Dit verschil kan dan ook geen schending van de rechten van de verdediging opleveren.

105 Met betrekking tot de argumenten betreffende het faxbericht van Corus aan Vallourec, „Samenwerkingsakkoord BS”, en het document Systeem voor stalen buizen, kan worden volstaan met vast te stellen dat punt 118 van de mededeling van punten van bezwaar in juist dezelfde bewoordingen is gesteld als punt 91 van de bestreden beschikking, en dus op dezelfde wijze en in dezelfde context naar deze twee bewijsstukken verwijst. Verder is, anders dan Corus stelt, zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in de bestreden beschikking verklaard dat in het faxbericht „Samenwerkingsakkoord BS” sprake is van de in artikel 2 van de beschikking bedoelde overeenkomsten: „Een van de voorstellen bestond erin de OCTG-activiteiten op Vallourec over te dragen en de leveringscontracten voor gladde buizen tussen [Corus] en Vallourec, [Mannesmann] en Dalmine te handhaven, in dezelfde verhoudingen” (punt 118 van de mededeling van punten van bezwaar en punt 91 van de bestreden beschikking).

106 Bijgevolg is het onderhavige middel ongegrond en dient de vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking te worden afgewezen.

De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking

Het middel inzake de gevolgen van het niet-bestaan van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk voor de vaststelling van het bestaan van de in artikel 1 bedoelde inbreuk

Argumenten van partijen

107 Mocht artikel 2 van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, dan zijn er volgens verzoekster geen toereikende bewijzen dat zij vanaf 1991 aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk heeft deelgenomen.

108 Om te beginnen is de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk in punt 164 ervan beschreven als een middel om het in het kader van de Europa-Japanclub afgesproken beginsel van eerbiediging van de nationale markten ten uitvoer te leggen. Mocht artikel 2 van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, dan zou het enige bewijs van Corus' deelneming aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk worden gevormd door het feit dat zij aan de bijeenkomsten van deze club heeft deelgenomen.

109 Volgens Corus maakte haar deelneming aan deze bijeenkomsten evenwel deel uit van haar reeds in 1987 vastgestelde strategie om zich van de markt van naadloze buizen terug te trekken, die zij in april 1991 met de sluiting van haar fabriek voor gladde buizen te Clydesdale, had uitgevoerd. Uit het document „Nota voor de presidenten” („Paper for Presidents”), dat op bladzijde 4902 van het dossier van de Commissie is weergegeven en dat door de Commissie is aangevoerd als bewijs van de deelneming van Corus aan deze bijeenkomsten, blijkt dat tijdens deze bijeenkomsten de mogelijke herstructurering van de Europese staalindustrie is onderzocht. In de context van deze herstructurering heeft Corus trachten te onderhandelen over de afbouw van haar laatste activiteiten op de markt van gladde buizen. Volgens haar zijn er geen schriftelijke bewijzen dat haar deelneming aan deze bijeenkomsten heeft geleid tot de door de Commissie in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde onwettige heimelijke afspraken.

110 De Commissie stelt dat de bewijzen op basis waarvan zij de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk heeft vastgesteld, verschillen van die welke zij heeft aangevoerd om de in artikel 2 vastgestelde inbreuk aan te tonen. Zij merkt bovendien op dat Corus noch deze bewijzen noch het bestaan van de fundamentele regels betreffende de verdeling van de markten heeft betwist.

Beoordeling door het Gerecht

111 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat, aangezien de vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking om de hierboven uiteengezette redenen is afgewezen, het onderhavige middel in beginsel niet kan slagen.

112 Het onderhavige middel kan immers slechts gegrond zijn indien de Commissie zich ten onrechte op het bestaan van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk heeft gebaseerd om de deelneming van Corus aan de in artikel 1 vastgestelde inbreuk te bewijzen. Dat zou in de eerste plaats het geval zijn indien de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betreffende gladde buizen niet rechtens genoegzaam was aangetoond, of, in de tweede plaats, indien niet was aangetoond dat deze inbreuk bestond in ongeoorloofde afspraken tussen de vier Europese producenten in het kader van de in artikel 1 vastgestelde inbreuk betreffende de stroomafwaartse markt van schroefdraadbuizen, die zij tezamen met de Japanse producenten binnen de Europa-Japanclub hebben gepleegd.

113 Hierboven in de punten 71 tot en met 96 is evenwel geoordeeld dat de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk rechtens genoegzaam is bewezen. Bovendien is hierboven in de punten 91 tot en met 96 geoordeeld dat de inbreukmakende overeenkomsten daadwerkelijk zijn ondertekend in het kader van het overleg tussen de vier Europese adressaten van de bestreden beschikking, dat met name was gericht op de versterking van de in het kader van de Europa-Japanclub gesloten ongeoorloofde overeenkomst.

114 In elk geval is de Commissie er in artikel 1 van de bestreden beschikking niet zonder meer van uitgegaan dat Corus louter wegens haar mededingingsverstorende gedrag op de stroomopwaartse markt van gladde buizen — dat de in artikel 2 vastgestelde inbreuk uitmaakt — aan de in artikel 1 vastgestelde inbreuk heeft deelgenomen, maar heeft zij opgemerkt dat deze onderneming bovendien rechtstreeks heeft deelgenomen aan de met de andere Europese en de Japanse producenten gesloten marktverdelingsovereenkomst voor schroefdraadbuizen.

115 Het bestaan van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk bevestigt weliswaar het standpunt van de Commissie over de in artikel 1 vastgestelde inbreuk, maar deze laatste inbreuk en de deelneming van Corus eraan zijn voornamelijk vastgesteld op basis van andere bewijzen dan die waarmee de Commissie de in artikel 2 vastgestelde inbreuk heeft aangetoond, in het bijzonder op basis van de verklaringen van Verluca (zie met name punten 62-67 van de bestreden beschikking). Corus heeft de relevantie van deze bewijzen voor de vaststelling van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk niet betwist. Ook al zou dus artikel 2 van de bestreden beschikking, anders dan hierboven is geoordeeld, nietig moeten worden verklaard, zou deze nietigverklaring niet die van artikel 1 met zich kunnen brengen.

116 Wat de door verzoekster aangevoerde redenen betreft waarom zij aan de bijeenkomsten van de Europa-Japanclub heeft deelgenomen, is het vaste rechtspraak dat, wanneer een onderneming, zelfs zonder daarin een actief aandeel te hebben, deelneemt aan ondernemersvergaderingen die tot doel hebben de mededinging te verstoren, en zich niet publiekelijk van de inhoud ervan distantieert, waardoor zij bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij aan de uit deze vergaderingen resulterende mededingingsregeling deelneemt en zich daaraan zal houden, ervan uit kan worden gegaan dat zij aan de betrokken mededingingsregeling deelneemt (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 232).

117 In casu heeft Corus niet ontkend dat zij aan de bijeenkomsten van de Europa-Japanclub heeft deelgenomen en, zoals hierboven reeds is opgemerkt, evenmin argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat de bewijselementen op basis waarvan de Commissie de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk heeft vastgesteld, onjuist zijn of geen bewijskracht hebben.

118 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel te worden verworpen.

Het middel inzake onjuiste beoordeling van de duur van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde geldboete

Argumenten van partijen

119 Corus voert ook aan dat de Commissie zich heeft vergist bij de vaststelling van de duur van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk. Op grond van dit middel vordert zij de gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 en de vermindering van het bedrag van haar geldboete.

120 Corus stelt dat de Commissie heeft verklaard dat zij op grond van de vrijwillige beperkingsovereenkomsten, die tot 1990 van kracht waren, ervan is uitgegaan dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking beschreven inbreuk vanaf dat jaar is gepleegd (punt 108 van de bestreden beschikking). Volgens Corus zijn deze overeenkomsten evenwel verlengd tot begin 1991, zodat er volgens de redenering van de Commissie vóór 1991 geen sprake kan zijn van een inbreuk. Zij voegt hieraan toe dat het bewijs van deze verlenging zal worden geleverd door een andere adressaat van de bestreden beschikking. Corus heeft in haar verzoekschrift het Gerecht verzocht zo nodig een voorafgaande onderzoeksmaatregel te gelasten, en verzoekt het Gerecht in repliek om de Commissie of derde partijen te gelasten elk voor de onderhavige procedure relevant document over te leggen, met name elk document waaruit blijkt dat de vrijwillige beperkingsovereenkomsten zijn verlengd.

121 De Commissie stelt vast dat Corus geen enkel bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat de met de Japanse regering gesloten vrijwillige beperkingsovereenkomsten pas in 1991 zijn beëindigd. Aangezien de hoop dat een andere partij dit bewijs zal leveren, niet gelijk staat aan een dergelijk bewijs, acht de Commissie het niet nodig om op dit argument te antwoorden. Door geen geldboete op te leggen voor de periode waarin de vrijwillige beperkingsovereenkomsten van kracht waren, heeft zij in elk geval reeds een toegeving gedaan, gelet op haar bekendmaking inzake de invoer van Japanse producten in de Gemeenschap (PB 1972, C 111, blz. 13).

Beoordeling door het Gerecht

122 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de Commissie in punt 108 van de bestreden beschikking heeft verklaard dat zij had kunnen vaststellen dat de inbreuk in 1977 was begonnen, maar dat zij wegens de vrijwillige beperkingsovereenkomsten hiervan heeft afgezien. Aldus is zij in artikel 1 van de bestreden beschikking ervan uitgegaan dat er pas vanaf 1990 sprake was van een inbreuk. Hiermee heeft de Commissie een toegeving gedaan aan de adressaten van de bestreden beschikking.

123 Geen van de partijen heeft voor het Gerecht gesteld dat in de onderhavige zaak op deze toegeving dient te worden teruggekomen. Hieruit volgt dat het onderzoek van het Gerecht in de onderhavige procedure geen betrekking dient te hebben op de wettigheid of de opportuniteit van deze toegeving, maar enkel op de vraag of de Commissie, die in de considerans van de bestreden beschikking uitdrukkelijk deze toegeving heeft gedaan, deze in casu correct heeft toegepast. Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen dient aan te voeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk is gepleegd, aangezien de bewijslast omtrent het bestaan, en dus de duur, van de inbreuk op haar rust (arresten CRAM en Rheinzink/Commissie, hierboven aangehaald in punt 71, punt 20, en houtslijp II-arrest, hierboven aangehaald in punt 50, punt 127; arresten Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, T-68/89, T-77/89 en T-78/89, Jurispr. blz. II-1403, punten 193-195,198-202, 205-210, 220-232, 249, 250 en 322-328, en 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T-62/98, Jurispr. blz. II-2707, punten 43 en 72).

124 Gelet op de hierboven beschreven toegeving, is de beëindiging van de vrijwillige beperkingsovereenkomsten het bepalende criterium om uit te maken of de inbreuk al dan niet in 1990 heeft bestaan. Aangezien het gaat om internationale overeenkomsten tussen de Japanse regering, vertegenwoordigd door het ministerie van Internationale Handel en Industrie, en de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, dient te worden vastgesteld dat deze laatste overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur de stukken had moeten bewaren waaruit bleek wanneer deze overeenkomsten afliepen. Zij had deze stukken dus aan het Gerecht moeten kunnen overleggen. De Commissie heeft voor het Gerecht evenwel verklaard dat zij in haar archieven heeft gezocht, maar geen stukken kon overleggen waaruit bleek wanneer deze overeenkomsten zijn afgelopen.

125 Hoewel algemeen gesproken de verzoekende partij niet op grond van omstandigheden die zij niet kan aantonen de bewijslast op de verwerende partij kan afwentelen, kan de bewijslastregeling in casu niet in het voordeel van de Commissie spelen met betrekking tot de vraag wanneer de door haar gesloten internationale overeenkomsten zijn afgelopen. Het is onbegrijpelijk dat de Commissie geen bewijsstukken kan voorleggen met betrekking tot een omstandigheid waarbij zij zo direct betrokken is, wat meebrengt dat het Gerecht niet in staat is om met kennis van zaken te oordelen over het tijdstip waarop deze overeenkomsten zijn afgelopen. Het ware in strijd met het beginsel van goede rechtsbedeling om de gevolgen van deze tekortkoming van de Commissie te laten dragen door de adressaten van de bestreden beschikking, die anders dan de verwerende instelling niet in staat waren het ontbrekende bewijs te leveren.

126 In deze omstandigheden dient uitzonderlijk te worden geoordeeld dat de Commissie het bewijs van de datum van beëindiging van de vrijwillige beperkingsovereenkomsten diende te leveren. Evenwel dient te worden vastgesteld dat de Commissie noch in de bestreden beschikking noch voor het Gerecht het bewijs van dit tijdstip heeft geleverd.

127 Verder hebben noch Corus, noch, a fortiori, de Commissie gesteld dat de vrijwillige beperkingsovereenkomsten in 1991 nog van kracht waren.

128 In deze omstandigheden dient er voor de onderhavige procedure van te worden uitgegaan dat de tussen de Commissie en de Japanse autoriteiten gesloten vrijwillige beperkingsovereenkomsten tot eind 1990 van kracht zijn gebleven.

129 In elk geval hebben de Japanse verzoeksters bewijselementen aangedragen waaruit blijkt dat de vrijwillige beperkingsovereenkomsten, althans op Japans niveau, tot 31 december 1990 zijn verlengd, wat de stelling van Corus in de onderhavige procedure bevestigt (zie arrest Gerecht van heden, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, punt 345). Vastgesteld dient te worden dat het Gerecht in gevoegde zaken waarin alle partijen de gelegenheid hebben gehad alle dossiers te raadplegen, ambtshalve rekening kan houden met bewijselementen die in de dossiers in de parallelle zaken zijn vervat (zie in die zin arresten Gerecht van 13 december 1990, Nefarma en Bond van Groothandelaren in het Farmaceutische Bedrijf/Commissie, T-113/89, Jurispr. blz. II-797, punt 1, en Prodifarma e.a./Commissie, T-116/89, Jurispr. blz. II-843, punt 1). In casu dient het Gerecht uitspraak te doen in zaken die zijn gevoegd voor de mondelinge behandeling, die betrekking hebben op dezelfde beschikking en waarin alle verzoekende partijen de herziening van het bedrag van de hun opgelegde geldboeten hebben gevorderd.

130 Aldus neemt het Gerecht in de onderhavige zaak formeel kennis van de door de vier Japanse verzoeksters verstrekte bewijselementen en hoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek van Corus om de Commissie te gelasten deze documenten in de onderhavige procedure over te leggen.

131 Verder dient te worden opgemerkt dat Corus het Gerecht niet alleen heeft verzocht de bestreden beschikking nietig te verklaren wat het beginpunt en dus de duur van de in artikel 1 ervan vastgestelde inbreuk betreft, maar ook om in de uitoefening van de volledige rechtsmacht die overeenkomstig artikel 229 EG bij artikel 17 van verordening nr. 17 aan het Gerecht is verleend, het bedrag van haar geldboete te verminderen om rekening te houden met deze verminderde duur. Deze volledige rechtsmacht heeft tot gevolg dat het Gerecht, wanneer het de bestreden handeling hervormt door het bedrag van de door de Commissie opgelegde geldboeten te wijzigen, rekening moet houden met alle relevante feiten en omstandigheden (arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P-C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 692). In deze omstandigheden en gelet op het feit dat alle verzoeksters hebben gesteld dat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan dat de inbreuk op 1 januari 1990 is begonnen, zou het niet passend zijn dat het Gerecht de situatie van elk van de verzoekende partijen in de omstandigheden van het onderhavige geval afzonderlijk zou beoordelen door enkel de feitelijke elementen in aanmerking te nemen op basis waarvan de partijen hun pleidooi hebben opgebouwd en geen rekening te houden met die welke andere verzoekende partijen of de Commissie mogelijkerwijs hebben aangevoerd.

132 Verder volgt uit dit alles dat het argument van de Commissie dat Corus het onderhavige middel niet degelijk heeft onderbouwd, in de omstandigheden van het onderhavige geval irrelevant is.

133 Uit een en ander volgt dat, gelet op de toegeving van de Commissie in de bestreden beschikking, de duur van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk met één jaar dient te worden verminderd. Artikel 1 van de bestreden beschikking dient dus nietig te worden verklaard voor zover de Commissie ervan uit is gegaan dat de aan Corus verweten inbreuk vóór 1 januari 1991 is begonnen.

134 De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking dient te worden afgewezen voor het overige.

De vordering tot nietigverklaring van de geldboete

Argumenten van partijen

135 In het kader van deze vordering voert Corus één enkel middel aan, namelijk schending van de rechten van de verdediging. Volgens haar volgt uit de rechtspraak dat de mededeling van punten van bezwaar een duidelijke uiteenzetting dient te bevatten van alle wezenlijke elementen waarop de Commissie zich baseert, om de adressaten ervan de nodige aanwijzingen te verstrekken zodat zij zich kunnen verdedigen, niet alleen ten aanzien van de vastgestelde inbreuk, maar ook, in voorkomend geval, ten aanzien van de opgelegde geldboeten. Om de rechten van verdediging van de adressaten te beschermen, dient de Commissie dus op basis van de elementen waarover zij beschikt, in de mededeling van punten van bezwaar voldoende aanwijzingen te verstrekken over de duur van de verweten inbreuk, de zwaarte ervan en over de vraag of de inbreuk opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd (arresten Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punten 14, 15 en 21; 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 20, en 16 maart 2000, Compagnie Maritime Belge Transports e.a./Commissie, C-395/96 P en C-396/96 P, Jurispr. blz. I-1365, punt 142).

136 Aangaande de duur van de inbreuk voegt Corus hieraan toe dat het Hof uitdrukkelijk heeft gepreciseerd dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar dient aan te geven van welke duur van de inbreuk zij voorlopig is uitgegaan op basis van de stukken waarover zij beschikt, en zich er niet toe kan beperken te verklaren dat voor de vaststelling van de geldboete rekening zal worden gehouden met de duur van de inbreuk, zoals de Commissie beweert (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 135, punt 15). Volgens Corus geldt hetzelfde voor de verplichting om aan te geven hoe zwaar de inbreuk is en of zij uit onachtzaamheid dan wel opzettelijk is gepleegd, zodat de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar ook in dit opzicht hun rechten van verdediging naar behoren kunnen uitoefenen. Volgens haar heeft het Gerecht in het hierboven in punt 76 aangehaalde cementarrest (punten 483 en 484) deze interpretatie bevestigd. Anders zou deze verplichting geen enkele zin hebben, aangezien zij zou inhouden dat in de mededeling van punten van bezwaar louter de relevante criteria dienen te worden uiteengezet, die hoe dan ook reeds uit artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kunnen worden afgeleid.

137 In casu is de Commissie deze verplichting niet nagekomen, noch wat de zwaarte van de inbreuk betreft, noch wat de vraag betreft of deze opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd, aangezien de punten 153 en 154 van de mededeling van punten van bezwaar geen enkele aanwijzing over deze twee elementen bevatten. Corus preciseert dat zij in punt 6.7 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar (bijlage 11 bij het verzoekschrift) de Commissie op dit hiaat heeft gewezen, en dat de Commissie haar geen aanvullende informatie hierover heeft verstrekt.

138 In deze omstandigheden heeft Corus naar eigen zeggen niet de gelegenheid gehad zich uit te spreken over het standpunt dat de Commissie over deze punten heeft ingenomen vóór de vaststelling van de bestreden beschikking, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat de inbreuk die Corus zou hebben gepleegd zeer zwaar was en dat deze laatste zich bewust was van de onwettigheid van haar praktijken (punt 161 van de bestreden beschikking). De rechten van verdediging van Corus zijn dus geschonden, zodat de haar opgelegde geldboete nietig dient te worden verklaard.

139 Volgens de Commissie heeft Corus het hierboven in punt 135 aangehaalde arrest Musique diffusion française e.a./Commissie (punt 21) verkeerd begrepen, voor zover zij hieruit afleidt dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar een voorlopige beoordeling dient te geven van de elementen die zij bij de vaststelling van het boetebedrag in aanmerking wil nemen. In werkelijkheid heeft het Hof louter vastgesteld dat de Commissie dient te preciseren op basis van welke criteria dit bedrag zal worden vastgesteld. De uitlegging van het arrest Musique diffusion française e.a./Commissie door Corus is immers onverenigbaar met die van het Hof in het hierboven in punt 135 aangehaalde arrest Michelin/Commissie (punt 19), volgens hetwelk de Commissie zou vooruitlopen op haar eindbeschikking, hetgeen onjuist zou zijn, wanneer zij aanwijzingen omtrent de hoogte van de beoogde geldboeten zou verstrekken voordat de onderneming waartegen een onderzoek is ingesteld de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken omtrent de tegen haar in aanmerking genomen bezwaren.

140 Verder is het argument dat Corus ontleent aan de punten 483 en 484 van het hierboven in punt 76 aangehaalde cementarrest irrelevant, aangezien het in deze punten ging om de vraag of de Commissie in haar mededeling van punten van bezwaar had aangegeven dat zij van plan was aan bepaalde ondernemingen een geldboete op te leggen. In casu daarentegen staat vast dat in punt 154 van de mededeling van punten van bezwaar duidelijk is aangegeven dat de Commissie voornemens was een geldboete aan Corus op te leggen.

141 Uit artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 blijkt evenwel dat de Commissie hierbij noodzakelijkerwijs rekening dient te houden met de zwaarte en de duur van de verweten inbreuk. Corus moest zich dus wel bewust zijn van de relevantie van deze factoren in dit verband. Aangezien verder slechts een geldboete op grond van deze bepaling kan worden opgelegd indien is vastgesteld dat de inbreuk opzettelijk of uit onachtzaamheid is gepleegd, was Corus door deze verwijzing voldoende over het standpunt van de Commissie over deze criteria ingelicht. Aangezien de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten”) vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar aan de adressaten ervan zijn bekendgemaakt, had Corus hieruit moeten afleiden dat de haar verweten marktverdelingsovereenkomst een zeer zware schending van artikel 81, lid 1, EG inhield.

142 Voorzover het Gerecht in het hierboven in punt 76 aangehaalde cementarrest heeft geoordeeld dat in de mededeling van punten van bezwaar dient te worden gepreciseerd of de inbreuk opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd en hoe zwaar zij is, is de Commissie van mening dat dit in de tekst zelf van de mededeling van punten van bezwaar kan geschieden, en niet noodzakelijkerwijs hoeft te gebeuren in het gedeelte ervan dat verwijst naar artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17. Dienaangaande merkt de Commissie op dat de mededeling van punten van bezwaar volgens Corus voldoende informatie betreffende de duur van de inbreuk bevatte. Aangezien deze informatie is vervat in andere passages van de mededeling van punten van bezwaar dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van de geldboete, stelt de Commissie dat Corus het beginsel heeft aanvaard dat in dit opzicht rekening dient te worden gehouden met de gehele mededeling van punten van bezwaar. De mededeling van punten van bezwaar bevat een gedetailleerde beschrijving van de inbreuk, waaruit blijkt dat de Commissie deze als zwaar beschouwde (zie in het bijzonder punt 147 van de mededeling van punten van bezwaar). Met betrekking tot de vraag of de inbreuk opzettelijk is gepleegd, herinnert de Commissie eraan dat zij volgens de rechtspraak geen subjectieve intentie dienaangaande hoeft te bewijzen, maar enkel dat de partijen hadden moeten weten dat hun gedraging een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG vormde (arrest Hofvan 14 februari 1978, United Brands/Commissie, 27/76, Jurispr. blz. 207, punt 299). Bijgevolg hoeft de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar slechts aan te geven dat er objectief gezien van uit kan worden gegaan dat de handelingen van de partijen opzettelijk of uit onachtzaamheid zijn verricht.

143 In elk geval heeft Corus in de punten 1.6, 3.14 en 3.15 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk argumenten aangevoerd die de zwaarte van de inbreuk dienden te minimaliseren, en in de punten 6.3, 6.4 en 6.7 uitdrukkelijk naar deze factor verwezen. In de punten 3.12, 3.15 en 4.5 tot en met 4.9 van haar antwoord heeft zij rechtvaardigingsgronden voor haar gedrag aangevoerd, en vervolgens is zij, in de punten 6.1 en 6.2, onder het opschrift „Vragen betreffende de geldboeten”, tot de conclusie gekomen dat zij artikel 81, lid 1, EG niet had geschonden; zij heeft dus elke inbreuk en, a fortiori, elke opzettelijke inbreuk ontkend. De Commissie leidt hieruit af dat Corus de gelegenheid heeft gehad én te baat heeft genomen om haar standpunt over alle aspecten van de geldboeten kenbaar te maken, en dat haar rechten van verdediging dus niet zijn geschonden. De vermeende schending van de rechten van verdediging van Corus heeft dus geen negatieve invloed gehad op haar vermogen om zich in de praktijk te verdedigen, zodat de bestreden beschikking in elk geval niet op deze grond nietig hoeft te worden verklaard (zie in die zin PVC II-arrest, hierboven aangehaald in punt 71, punt 1020).

Beoordeling door het Gerecht

144 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de mededeling van punten van bezwaar een duidelijke uiteenzetting dient te bevatten van alle wezenlijke elementen waarop de Commissie zich baseert, om de adressaten ervan de nodige aanwijzingen te verstrekken zodat zij zich kunnen verdedigen, niet alleen ten aanzien van de vastgestelde inbreuk, maar ook, in voorkomend geval, ten aanzien van de opgelegde geldboeten. Om de rechten van verdediging van de adressaten te beschermen, dient de Commissie dus op basis van de elementen waarover zij beschikt, in de mededeling van punten van bezwaar voldoende aanwijzingen te verstrekken over de duur van de verweten inbreuk, de zwaarte ervan en over de vraag of de inbreuk opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd (hierboven in punt 135 aangehaalde arresten Musique diffusion française e.a./Commissie, punten 14, 15 en 21; Michelin/Commissie, punt 20, en Compagnie Maritime Belge Transports e.a./Commissie, punt 142).

145 De verplichting om aan te geven hoe zwaar de inbreuk is en of zij opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd, zou worden uitgehold indien de loutere parafrasering van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 op zich volstond om eraan te voldoen (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 76, punten 483 en 484). Het zou zinloos zijn om van de Commissie enkel te eisen dat zij de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar inlicht over de bepalingen van verordening nr. 17, die zij hoe dan ook worden geacht te kennen, op straffe van nietigverklaring van de beschikking waarbij de inbreuk is vastgesteld.

146 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de Commissie, anders clan zijzelf stelt, verplicht is in de mededeling van punten van bezwaar een korte voorlopige beoordeling te geven van de duur en de zwaarte van de verweten inbreuk en van de vraag of de inbreuk in de omstandigheden van hel onderhavige geval opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd. Of deze voorlopige beoordeling, die de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat moet stellen zich te verdedigen, toereikend is, dient evenwel te worden getoetst, niet alleen aan de bewoordingen van de betrokken handeling, maar ook aan de context waarin deze is gesteld en aan het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie, naar analogie, arrest Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T-371/94 en T-394/94, Jurispr. blz. II-2405, punten 89 e.V.).

147 Aangaande de vraag of de inbreuk opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd, dient in casu te worden geoordeeld dat de in de mededeling van punten van bezwaar verstrekte informatie volstaat om aan de vereisten van de rechtspraak te voldoen.

148 De Commissie heeft immers herhaaldelijk in de mededeling van punten van bezwaar (met name in de punten 129 en 137) gepreciseerd dat de in het kader van de Europa-Japanclub gesloten overeenkomst ertoe strekte de markten van schroefdraadbuizen te verdelen en dus de mededinging te beperken. De Commissie hoeft in een beschikking waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld, enkel aan te tonen dat een gedraging, die objectief gezien een inbreuk uitmaakt, opzettelijk of uit onachtzaamheid is verricht, om een geldboete op grond van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 te kunnen opleggen. Het is duidelijk dat een marktverdelingsovereenkomst, zoals die welke in artikel 1 van de bestreden beschikking is vastgesteld, noodzakelijkerwijs opzettelijk is gesloten, aangezien een onderneming een dergelijke overeenkomst niet uit onachtzaamheid kan sluiten.

149 In deze omstandigheden dient de conclusie te luiden dat de mededeling van punten van bezwaar er in casu geen twijfel over laat bestaan dat de Commissie in die fase van de procedure ervan is uitgegaan dat de vervolgens in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk opzettelijk was gepleegd.

150 Daarentegen zijn de argumenten van de Commissie inzake haar voorlopige beoordeling van de zwaarte van de inbreuk weinig overtuigend.

151 In de punten 153 en 154 van de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie enkel onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 verklaard dat zij van plan was een geldboete op te leggen. Weliswaar heeft zij in punt 147 van de mededeling van punten van bezwaar uiteengezet dat het ging om een marktverdelingsovereenkomst die een aanzienlijke („appreciable”) beperking van de mededinging impliceerde, maar uit deze verklaring kan niet worden opgemaakt of het volgens haar om een „zware” dan wel een „zeer zware” inbreuk in de zin van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten ging.

152 Ook het argument van de Commissie in verband met het tijdstip van bekendmaking van deze richtsnoeren kan niet overtuigen. Hier dient opnieuw te worden vastgesteld dat, mocht het Gerecht oordelen dat deze bekendmaking op zich volstaat om de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen uit de beschrijving van de aard van de inbreuk af te leiden in welke categorie de Commissie deze inbreuk indeelt, de uit de rechtspraak voortvloeiende verplichting om aanwijzingen over de zwaarte van de inbreuk te verstrekken, elk praktisch nut zou verliezen (hierboven, punt 145).

153 In casu dient clan ook te worden vastgesteld dat de mededeling van punten van bezwaar gebrekkig is aangezien de Commissie daarin geen voorlopige beoordeling heeft gegeven van de zwaarte van de gepleegde inbreuk.

154 Deze vaststelling kan evenwel op zich niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beschikking. De verplichting om in de mededeling van punten van bezwaar een korte, voorlopige beoordeling te geven van de duur en de zwaarte van de verweten inbreuk en de vraag of de inbreuk opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid is gepleegd, is immers geen doel op zich, maar beoogt de adressaat van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen zich naar behoren te verdedigen (zie hierboven, punt 146, en, naar analogie, cementarrest, hierboven aangehaald in punt 76, punt 156).

155 Deze verplichting is dus onlosmakelijk verbonden met het beginsel van de rechten van de verdediging en wordt daardoor bepaald (zie, naar analogie, cementarrest, hierboven aangehaald in punt 76, punt 156, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). De gemeenschapsrechter hoeft communautaire maatregelen niet nietig te verklaren wegens hiaten in een voorbereidend document zoals een mededeling van punten van bezwaar, wanneer deze geen gevolgen voor de verdediging van de betrokken ondernemingen hebben gehad. Bijgevolg dient te worden onderzocht of de verdediging van Corus door het hierboven in punt 153 genoemde gebrek in het gedrang is gebracht.

156 In casu heeft Corus in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, met name in afdeling 6 ervan, uitdrukkelijk argumenten aangevoerd die de zwaarte van de gepleegde inbreuk dienden te minimaliseren. Zij heeft in het bijzonder gesteld dat uit de omstandigheden waarin de betrokken marktverdelingsovereenkomst is gesloten volgt dat een eventueel door haar gepleegde inbreuk niet zwaar genoeg is om de oplegging van een geldboete te rechtvaardigen (zie punt 6.3 van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar), dat zij zich op het ogenblik waarop de inbreuk zou zijn gepleegd van de markt van naadloze OCTG-buizen en transportbuizen aan het terugtrekken was en dus haar positie aan het afbouwen was (zie punt 6.4, paragraaf 3, van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar) en, ten slotte, dat zij binnen een beperkt geografisch gebied aan de inbreuk heeft deelgenomen en dat de inbreuk slechts op een beperkte categorie van producten betrekking had (zie respectievelijk punten 6.4, paragraaf 2, en punt 6.5 van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar). Bovendien heeft Corus in afdeling 3 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar deze elementen uitvoerig met feitelijke argumenten gestaafd.

157 Bijgevolg heeft Corus niet aangetoond hoe de administratieve procedure anders had kunnen verlopen en hoe de zwaarte van de inbreuk in de bestreden beschikking anders had kunnen worden beoordeeld, wat tot een ander boetebedrag zou hebben geleid, indien de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar had gepreciseerd in welke categorie zij de inbreuk die bestond uit de in het kader van de Europa-Japanclub gesloten marktverdelingsovereenkomst, had ingedeeld (zie in die zin PVC II-arrest, hierboven aangehaald in punt 71, punt 1021, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). De loutere verklaring van Corus in punt 6.7 van haar antwoord, dat zij ervan uitgaat dat zij een nieuwe gelegenheid zal krijgen om zich over de in de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten genoemde criteria uit te spreken, kan haar juridische positie in dit opzicht niet wijzigen.

158 Ten slotte dient ten overvloede te worden vastgesteld dat deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat Corus voor het Gerecht in wezen praktisch dezelfde argumenten heeft aangevoerd (zie hierna, punten 161 e.v.) als in afdeling 6 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar (zie hierboven, punt 156), meer bepaald tegen de beoordeling van de zwaarte van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk in de punten 159 tot en met 165 van de beschikking. De gemeenschapsrechter bezit evenwel volledige rechtsmacht om het bedrag van de krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 opgelegde geldboeten te herzien. Indien een partij van mening is dat de Commissie een van de hiermee verband houdende factoren onjuist heeft beoordeeld, heeft zij dus de mogelijkheid om alle mogelijke argumenten tot staving van deze stelling voor het Gerecht aan te voeren.

159 In deze omstandigheden is er geen enkele reden om ervan uit te gaan dat, mocht de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar een voorlopige beoordeling van de zwaarte van de inbreuk hebben gegeven, de argumenten van Corus in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aanzienlijk zouden hebben verschild van die welke zij de facto in afdeling 6 van dit antwoord heeft aangevoerd.

160 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel, en dus ook de vordering tot nietigverklaring van de geldboete, te worden afgewezen.

De vordering tot vermindering van het boetebedrag

Het middel inzake onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk

Argumenten van partijen

161 Corus stelt dat zij, ook al zou zij aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk hebben deelgenomen, zich in een geheel andere commerciële positie bevond dan de andere bestrafte producenten, aangezien zij zich van de markt van naadloze buizen aan het terugtrekken was. De Commissie had er dus van moeten uitgaan dat de door haar gepleegde inbreuk minder zwaar was en bijgevolg het basisbedrag van de opgelegde geldboete voor haar op een lager niveau moeten vaststellen dan voor de andere deelnemers aan de inbreuk.

162 Verder beklemtoont Corus dat haar activiteiten traditioneel waren gericht op de markt van het Verenigd Koninkrijk, die volgens de Commissie slechts „half beschermd” was (punt 62 van de bestreden beschikking) en waarop de Japanse producenten belangrijke concurrenten waren. Bovendien waren de naadloze OCTG-buizen die Corus op deze markt verkocht, voornamelijk premium-schroefdraadbuizen en niet de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde standaardschroefdraadbuizen. Volgens Corus had de Commissie dus bij de beoordeling van de zwaarte van de door haar gepleegde inbreuk ook met deze factoren rekening moeten houden.

163 Verder herinnert Corus eraan dat de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk door de Commissie als een hulpmiddel voor de uitvoering van de in artikel 1 vastgestelde inbreuk wordt beschouwd. De eventuele nietigverklaring van artikel 2 dient dan ook noodzakelijkerwijs invloed te hebben op de zwaarte van de vermeende deelneming van Corus aan de in artikel 1 bedoelde hoofdinbreuk.

164 De Commissie merkt op dat zij in de punten 106 en 162 van de bestreden beschikking uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met het feit dat de in artikel 1 vastgestelde inbreuk slechts beperkte gevolgen heeft gehad en dat zij het boetebedrag dienovereenkomstig heeft verminderd. Het argument van Corus dat haar deelneming aan de inbreuk beperkte gevolgen heeft gehad, is dus in de onderhavige procedure irrelevant.

165 Bovendien zou de eventuele nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking geen enkele invloed hebben op het boetebedrag, aangezien, zoals Corus opmerkt, geen afzonderlijke geldboete op grond van deze bepaling is opgelegd.

Beoordeling door het Gerecht

166 Vooraf dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de bestreden beschikking weliswaar niet uitdrukkelijk naar de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft verwezen, maar bij de bepaling van de boetebedragen de berekeningswijze die zij daarin aan zichzelf heeft opgelegd, heeft toegepast (zie dienaangaande arrest Hercules Chemicals/Commissie, hierboven aangehaald in punt 116, punt 53, in hogere voorziening bevestigd door arrest Hof van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

167 Volgens punt 1 A van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten dient „bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk [...] rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt”. In punt 159 van de bestreden beschikking verklaart de Commissie dat zij bij de bepaling van de zwaarte van de inbreuk rekening heeft gehouden met juist deze drie criteria.

168 In punt 161 van de bestreden beschikking heeft de Commissie evenwel haar conclusie dat het in artikel 1 van de bestreden beschikking om een „zeer ernstige” inbreuk gaat, hoofdzakelijk gebaseerd op de aard van de inbreukmakende gedragingen van alle ondernemingen. Dienaangaande heeft zij aangevoerd dat de bestrafte marktverdelingsovereenkomst naar haar aard een zeer negatieve invloed heeft op de mededinging en erg schadelijk is voor de goede werking van de interne markt, dat de inbreuk met opzet is gepleegd, en dat er een geheim en geïnstitutionaliseerd systeem was opgezet om de mededinging te beperken. In datzelfde punt 161 heeft de Commissie ook rekening gehouden met het feit dat „de vier betrokken lidstaten de grootste verbruikers van naadloze OCTG[-buizen] en [transportbuizen] in de Gemeenschap zijn en derhalve een grote geografische markt vormen”.

169 Anderzijds heeft de Commissie in punt 160 van de bestreden beschikking vastgesteld dat „de concrete gevolgen van de inbreuk voor de markt beperkt [zijn] gebleven”, doordat de twee specifieke producten waarop deze inbreuk betrekking had, namelijk standaard-OCTGbuizen en „projecť'-transportbuizen, slechts 19 % van het communautaire gebruik van naadloze OCTG-buizen en transportbuizen uitmaakten, en door de technologische vooruitgang in een gedeelte van de vraag naar naadloze buizen kon worden voorzien door gelaste buizen.

170 Aldus heeft de Commissie in punt 162 van de bestreden beschikking, na deze inbreuk op basis van de in punt 161 genoemde factoren in de categorie van de „zeer zware” inbreuken te hebben ingedeeld, rekening gehouden met de relatief beperkte omvang van de verkopen van de betrokken producten door de adressaten van de bestreden beschikking in de vier betrokken lidstaten (73 miljoen euro per jaar). Deze verwijzing naar de omvang van de betrokken markt komt in wezen overeen met bovenbedoelde beoordeling in punt 160 van de bestreden beschikking dat de inbreuk een beperkte weerslag op de markt heeft gehad. De Commissie heeft dus beslist om het op basis van de zwaarte van de inbreuk te bepalen bedrag vast te stellen op slechts 10 miljoen euro. De richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten voorzien evenwel in beginsel in een geldboete van „meer dan 20 miljoen [euro]” voor een inbreuk van deze categorie. Deze vermindering van het op basis van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag tot 50 % van het minimumbedrag dat gewoonlijk voor een „zeer zware” indruk wordt vastgesteld, houdt op passende wijze rekening met de beperkte weerslag van de inbreuk op de betrokken markt.

171 Ten slotte heeft de Commissie in punt 165 van de bestreden beschikking vastgesteld dat alle adressaten van de bestreden beschikking grote ondernemingen waren, zodat er geen reden was om op die grond naar gelang van de deelnemers aan de inbreuk tussen de vastgestelde boetebedragen te differentiëren.

172 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de Commissie in het kader van deze beoordeling haar conclusie dat de inbreuk zeer zwaar was grotendeels heeft gebaseerd op de aard van de inbreuk. Uit de nota's van Vallourec, waarop de Commissie zich met name in de punten 62, 67, 78 en 80 van de bestreden beschikking heeft gebaseerd, blijkt dat tussen Corus en Vallourec een bijzonder nauwe samenwerking bestond.

173 Met betrekking tot het argument van Corus dat zij zich van de markten van OCTG-buizen en transportbuizen aan het terugtrekken was en zich derhalve in een andere commerciële situatie bevond dan alle andere adressaten van de bestreden beschikking, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat de subjectieve redenen waarom een onderneming een inbreuk pleegt, irrelevant zijn voor de beoordeling van de objectieve zwaarte ervan. Zolang Corus zich niet van de betrokken markten heeft teruggetrokken en verder actief aan de verweten inbreuk deelneemt, doet het niet ter zake dat haar aanwezigheid op deze markten slechts tijdelijk is.

174 Anderzijds dient te worden opgemerkt dat de Commissie in punt 92 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat Corus op 22 februari 1994 haar draadsnijactiviteiten aan Vallourec had overgedragen en dat de door haar gepleegde inbreuk slechts van 1990 tot februari 1994 heeft geduurd, zoals in artikel 1, lid 2, van de beschikking is vastgesteld. Volgens punt 166 van de bestreden beschikking is de aan Corus verweten inbreuk slechts voor een periode van vier jaar, van 1990 tot 1994, in aanmerking genomen, wat wordt bevestigd door het feit dat het basisbedrag voor Corus in punt 167 op 14 miljoen euro is vastgesteld. Uit de bestreden beschikking, in haar geheel beschouwd, kan worden opgemaakt dat het jaar 1990 in deze berekening is opgenomen en dat het jaar 1994 ervan is uitgesloten.

175 Gelet op met name de bovengenoemde nauwe samenwerking tussen Corus en Vallourec, is er in casu dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de door Corus gepleegde inbreuk als zodanig minder zwaar was dan die van de andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen. Zoals in het vorige punt is gezegd, heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk in het geval van Corus minder lang heeft geduurd; aldus heeft zij voldoende rekening gehouden met het feit dat Corus zich in februari 1994 van de markt voor schroefdraadbuizen heeft teruggetrokken.

176 Verder dient eraan te worden herinnerd dat een onderneming, zelfs indien vaststaat dat zij slechts aan een of meer bestanddelen van de mededingingsregeling rechtstreeks heeft deelgenomen, voor de gehele mededingingsregeling aansprakelijk kan worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke afspraken waaraan zij deelnam, inzonderheid op de bijeenkomsten die jarenlang op regelmatige tijdstippen waren georganiseerd, deel uitmaakten van een algemeen plan om de normale werking van de mededinging te vervalsen, en dat dit algemene plan alle bestanddelen van de mededingingsregeling omvatte (PVC II-arrest, hierboven aangehaald in punt 71, punt 773). Aangezien er, zoals hierboven is vastgesteld, een bijzonder nauwe samenwerking bestond tussen Corus en Vallourec (zie ook punten 62, 67, 78 en 80 van de bestreden beschikking), is het duidelijk dat Corus rechtstreeks betrokken was bij de uitwerking van de in het kader van de Europa-Japanclub vastgestelde gemeenschappelijke strategie en alle details kende van de marktverdelingsovereenkomst die de bestrafte inbreuk uitmaakt. In casu is er dan ook geen enkele reden om ervan uit te gaan dat Corus niet aansprakelijk is voor de gehele mededingingsregeling.

177 Aangaande het feit dat de offshore-markt van het Verenigd Koninkrijk, een belangrijke sector van de thuismarkt van Corus, slechts gedeeltelijk beschermd was, blijkt uit de nota's van Vallourec (zie punten 62, 67, 78 en 80 van de bestreden beschikking) en de documenten „Nota voor de presidenten” en „g) Japans” [,,g) Japanese” document, weergegeven op bladzijde 4909 van het dossier van de Commissie] (zie punt 84), die door werknemers van Corus zijn opgesteld, dat Corus de Japanse verkopen op deze markt zoveel mogelijk trachtte te beperken. In deze omstandigheden kan Corus zich niet op deze beperkte bescherming beroepen om te stellen dat de door haar gepleegde inbreuk niet „zeer zwaar” was. Verder doet het feit dat de offshore-markt van het Verenigd Koninkrijk slechts een beperkte bescherming genoot, geenszins af aan de vaststelling van de Commissie in punt 161 van de bestreden beschikking dat de betrokken geografische markt uitgebreid was.

178 Met betrekking tot het argument van Corus dat haar deelneming aan de inbreuk een beperkte weerslag op de betrokken markten heeft gehad, met name doordat de Japanners concurrentie leverden op haar thuismarkt en zij voornamelijk premium-OCTGbuizen en geen standaard-OCTGbuizen verkocht, dient opnieuw te worden vastgesteld dat de Commissie rekening heeft gehouden met de beperkte weerslag van de inbreuk op de markten, door het op basis van de zwaarte van de inbreuk bepaalde bedrag vast te stellen op 50 % van het minimale bedrag dat gewoonlijk voor een „zeer zware” inbreuk wordt vastgesteld (hierboven, punt 170).

179 Punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten voorziet weliswaar in de mogelijkheid „onder bepaalde omstandigheden op de bedragen die in elk van de [...] categorieën [van inbreuken] worden opgelegd, een weging toe te passen om rekening te houden met het specifieke gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging”. Volgens deze alinea is deze aanpak aangewezen „met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd”.

180 Uit het gebruik van de uitdrukking „onder bepaalde omstandigheden” en van de term „met name” in de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten blijkt evenwel dat de Commissie zichzelf geen automatische verplichting heeft opgelegd om een weging op basis van de individuele omvang van de ondernemingen toe te passen, maar dat het gaat om een beoordelingsmarge die zij zichzelf heeft toegekend in zaken waarin dit noodzakelijk is. In dit verband dient te worden herinnerd aan de rechtspraak dat de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt die haar toelaat om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten die zij wil opleggen, al dan niet met bepaalde factoren rekening te houden, met name gelet op de omstandigheden van de zaak (zie in die zin beschikking Hof van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 54, en arresten Hofvan 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie, C-219/95 P, Jurispr. blz. I-4411, punt 32 en 33, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 131, punt 465; zie ook in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, KNP BT/Commissie, T-309/94, Jurispr. blz. II-1007, punt 68). Gelet op de hierboven aangehaalde bewoordingen van punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten, dient te worden aangenomen dat de Commissie een zekere marge heeft behouden bij de beoordeling van de opportuniteit om op basis van de omvang van elke onderneming een weging op de geldboeten toe te passen.

181 Dienaangaande dient er ook aan te worden herinnerd dat de geldboeten in mededingingszaken een afschrikkende werking moeten hebben (zie dienaangaande punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten). Aangezien de bestreden beschikking was gericht tot grote ondernemingen, zoals in punt 165 van de bestreden beschikking is opgemerkt, hadden de geldboeten hun afschrikkende werking kunnen verliezen indien het op basis van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag nog veel meer was verminderd.

182 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Commissie de grenzen van haar hierboven in punt 180 vastgestelde beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden, door punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten in casu niet toe te passen.

183 Met betrekking tot het argument van Corus dat de eventuele nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking een weerslag moest hebben op het bedrag van de geldboete die ter bestraffing van de in artikel 1 vastgestelde inbreuk is opgelegd, kan worden volstaan met op te merken dat geen enkele geldboete wegens de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk is opgelegd en dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag dat zij de facto aan Corus heeft opgelegd, geenszins rekening heeft gehouden met deze inbreuk (punt 164 van de bestreden beschikking). Dit argument is dan ook irrelevant.

184 Uit een en ander volgt dat het onderhavige middel dient te worden verworpen.

Het middel inzake schending van het vertrouwensbeginsel

Argumenten van partijen

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in