Gerecht EU 25 mei 2004, T-154/01, ECLI:EU:T:2004:154

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑154/01

Distilleria F. Palma SpA

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Verordening (EEG) nr. 822/87 – Gemeenschappelijke ordening van wijnmarkt – Verordening (EEG) nr. 1780/89 – Verordening (EEG) nr. 2710/93 – Verordening (EG) nr. 416/96 – Afzet van door distillatie verkregen alcohol – Verordening (EEG) nr. 3390/90 – Inschrijving voor gebruik als motorbrandstof – Weigering van Commissie om bepaalde aanbestedingsvoorwaarden te wijzigen – Overmacht – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Ontvankelijkheid”

Arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 mei 2004

Samenvatting van het arrest

1. Procedure – Beroep tot schadevergoeding – Vordering tot schadevergoeding van contractuele oorsprong – Arbitragebeding – Ontbreken – Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter

(Art. 235 EG, 238 EG en 240 EG)

2. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Aanduiding van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Beroep tot vergoeding van door gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)

1. Bij gebreke van een arbitragebeding in de zin van artikel 238 EG kan het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 235 EG is ingesteld, geen uitspraak doen op dit beroep, aangezien het in werkelijkheid gaat om een verzoek om schadevergoeding van contractuele oorsprong. Anders zou het Gerecht zijn rechterlijke bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 240 EG exclusief tot zijn bevoegdheid behoren, terwijl die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarin de Gemeenschap partij is, aan de nationale rechterlijke instanties voorbehoudt.

(cf. punt 50)

2. Krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in het verzoekschrift zelf.

Om aan dit vereiste te voldoen moet een beroep tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade bevatten: de gegevens die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoekende partij aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoekende partij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade

(cf. punten 56, 58-59)

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer) 25 mei 2004(1)

„Verordening (EEG) nr. 822/87 – Gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt – Verordening (EEG) nr. 1780/89 – Verordening (EEG) nr. 2710/93 – Verordening (EG) nr. 416/96 – Afzet van bij distillatie verkregen alcohol – Verordening (EEG) nr. 3390/90 – Openbare inschrijving voor gebruik als motorbrandstof – Weigering van Commissie om bepaalde aanbestedingsvoorwaarden te wijzigen – Overmacht – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Ontvankelijkheid”

verzoekster,

tegen

verweerster,

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

het navolgende

Pirrung Meij Forwood

De griffier De president van de Tweede kamer

H. Jung J. Pirrung

1 – Procestaal: Italiaans.

Aangehaald in