Gerecht EU 21 april 2004, T-127/02, ECLI:EU:T:2004:110
Tekst
Zaak T‑127/02
Concept – Anlagen u. Geräte nach „GMP” für Produktion u. Labor GmbH
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk – Beeldmerk met woordelement ,ECA’ – Absolute weigeringsgrond – Embleem van internationale intergouvernementele organisatie – Artikel 7, lid 1, sub h, van verordening (EG) nr. 40/94 – Artikel 6 ter van Verdrag van Parijs”
Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 21 april 2004
Samenvatting van het arrest
1. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Middelen rechtens niet uiteengezet in verzoekschrift – Algemene verwijzing naar bijlagen – Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken die krachtens Verdrag van Parijs moeten worden geweigerd – Bescherming van emblemen van staten en van internationale organisaties – Omvang
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub h)
3. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken die krachtens artikel 6 ter van Verdrag van Parijs moeten worden geweigerd – Europees embleem – Beeldmerk dat bestaat uit cirkel van sterren met woordelement „ECA” − Nabootsing uit heraldisch oogpunt die indruk van verband tussen merk en Europese instellingen kan wekken
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub h)
1. Krachtens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen om, in voorkomend geval, zonder de beschikking te hebben over nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Ofschoon het verzoekschrift als zodanig op specifieke punten kan worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn deze bij het verzoekschrift gevoegd, geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die volgens bovengenoemde bepaling in het verzoekschrift moeten worden vermeld.
Wanneer de verzoeker zich ertoe beperkt in zijn verzoekschrift algemeen te verwijzen naar argumenten die hij in een vorige procedure heeft aangevoerd, zonder dat hij zegt welke specifieke punten van het verzoekschrift hij door deze verwijzing wenst aan te vullen en evenmin in welke bijlagen deze eventuele argumenten worden uiteengezet, dient het Gerecht niet in de bijlagen te zoeken naar de argumenten waarnaar de verzoeker zou kunnen verwijzen, en dient het deze evenmin te onderzoeken, aangezien dergelijke argumenten niet-ontvankelijk zijn.
(cf. punten 17‑21)
2. De emblemen van staten en van internationale intergouvernementele organisaties worden krachtens artikel 6 ter, lid 1, sub a, en b, van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, waarnaar wordt verwezen in artikel 7, lid 1, sub h, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, niet alleen beschermd tegen de inschrijving en het gebruik van merken die identiek zijn aan de emblemen of deze als bestanddeel hebben, maar ook tegen de invoeging van elke nabootsing van de emblemen uit heraldisch oogpunt in deze merken.
Het feit dat een aangevraagd merk, anders dan het te beschermen embleem, ook een woordbestanddeel bevat, verhindert derhalve op zich de toepassing van dit artikel niet. Van belang is, of het aangevraagde merk een element bevat dat kan worden beschouwd als het Europees embleem of als een nabootsing ervan uit heraldisch oogpunt, waarbij dit element niet noodzakelijk identiek hoeft te zijn aan het betrokken embleem. Dat het betrokken embleem wordt gestileerd of dat slechts een deel van het embleem wordt gebruikt, neemt niet weg dat het gaat om een nabootsing uit heraldisch oogpunt.
Bovendien dient bij de vergelijking „uit heraldisch oogpunt” gebruik te worden gemaakt van de heraldische omschrijving van het embleem en niet van de geometrische beschrijving ervan, die van nature veel gedetailleerder is.
(cf. punten 40‑41, 44)
3. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub h, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk wordt inschrijving geweigerd van „merken die bij gebreke van goedkeuring van de bevoegde autoriteiten krachtens artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs geweigerd moeten worden”. Deze bepaling heeft tot doel, de inschrijving en het gebruik te verhinderen van fabrieks‑ of handelsmerken die identiek zijn aan staatsemblemen of daarmee bepaalde overeenstemmingen vertonen. Een dergelijke inschrijving of een dergelijk gebruik zou immers afbreuk doen aan het recht van de staat om toezicht te houden op het gebruik van de symbolen van zijn soevereiniteit, en zou het publiek kunnen misleiden omtrent de oorsprong van de waren waarvoor dergelijke merken worden gebruikt. Deze bescherming geldt krachtens artikel 6 ter, lid 1, sub b, van het Verdrag van Parijs ook voor wapens, vlaggen en andere emblemen, initialen of benamingen van internationale intergouvernementele organisaties.
Een beeldteken dat bestaat uit een cirkel van eenvormige, even grote sterren met vijf punten waarvan er een naar boven is gericht, die op een vierkante achtergrond rond het woordelement „ECA” is geplaatst, zonder enige kleuraanduiding, waarvan inschrijving is aangevraagd voor een aantal waren en diensten van de klassen 9, 41 en 42 in de zin van de Overeenkomst van Nice, waaronder bespeelde gegevensdragers alsmede het organiseren en houden „van colloquia, seminars, symposia, congressen en conferenties; onderwijs, scholing, opleiding; advisering inzake opleiding en bijscholing”, is uit heraldisch oogpunt een nabootsing van het Europese embleem in de zin voor voornoemde bepaling.
Wat de eventuele toepassing van artikel 6 ter, lid 1, sub c, tweede volzin, van het Verdrag van Parijs betreft, sluit de aard van de waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd, de mogelijkheid niet uit dat het betrokken publiek gelooft dat er een verband bestaat tussen de aanvrager en de Raad van Europa, de Europese Unie of de Europese Gemeenschap. De inschrijving van het aangevraagde merk kan derhalve bij het publiek de indruk wekken dat er een verband bestaat tussen het aangevraagde merk en de betrokken instellingen. De aanwezigheid van het acroniem „ECA” in het midden van het teken dat als merk wordt aangevraagd, versterkt deze indruk.
(cf. punten 39, 51, 68‑69)
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer) 21 april 2004(1)
„Gemeenschapsmerk – Beeldmerk met woordelement ‚ECA’ – Absolute weigeringsgrond – Embleem van internationale intergouvernementele organisatie – Artikel 7, lid 1, sub h, van verordening (EG) nr. 40/94 – Artikel 6 ter van Verdrag van Parijs”
verzoekster,
tegen
verweerder,
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
het navolgende
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
Legal Tiili Vilaras
De griffier De president van de Vierde kamer
H. Jung H. Legal
1 – Procestaal: Duits.