Gerecht EU 19 maart 2003, T-213/00, ECLI:EU:T:2003:76
Tekst
Trefwoorden
1. Handelingen van de instellingen - Keuze van rechtsgrondslag - Gebruik van verschillende rechtsgrondslagen - Inadequaatheid van aantal gekozen rechtsgrondslagen - Geen invloed en geen negatieve gevolgen voor adressaat van handeling
2. Mededinging - Zeevervoer - Verordening nr. 4056/86 - Horizontale prijsvaststellingsovereenkomsten tussen leden van lijnvaartconference en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen - Verbod - Niet-toepasselijkheid van groepsvrijstelling voor dergelijke overeenkomsten tussen leden van lijnvaartconference
(Art. 81, lid 1, sub a, EG; verordeningen van de Raad nr. 1017/68, art. 2, sub a, en nr. 4056/86, art. 3)
3. Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Mededeling van punten van bezwaar - Noodzakelijke inhoud
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 19, lid 1, nr. 1017/68, art. 26, lid 1, en nr. 4056/86, art. 23, lid 1)
4. Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Recht van betrokken partijen om standpunt over inaanmerkingneming van eigen argumenten kenbaar te maken - Geen
5. Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Overeenkomst tussen scheepvaartmaatschappijen om geen kortingen op gepubliceerde tarieven van kosten en toeslagen te verlenen - Merkbaar mededingingsbeperkend doel - Bedoeling mededinging te beperken en daadwerkelijke toepassing van overeenkomst - Irrelevant
(Art. 81, lid 1, sub a, EG; verordening nr. 1017/68 van de Raad, art. 2, sub a)
6. Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Begrip - Handelingen die bepaalde rechtssituatie kunnen aantasten - Beroep uitsluitend gericht tegen motivering van handeling - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG)
7. Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Verplichting tot afbakening van betrokken markt - Strekking
(Art. 81 EG)
8. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten - Criteria - Onbeduidende ongunstige beïnvloeding van markt - Niet verboden overeenkomst
(Art. 81, lid 1, EG)
9. Mededinging - Vervoer - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Cumulatieve voorwaarden - Invloed op verplichting tot afbakening van betrokken markten
(Art. 81, lid 3, EG; verordening nr. 1017/68 van de Raad, art. 5)
10. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria vastgesteld in richtsnoeren van Commissie - Toepasselijkheid op inbreuken op mededingingsregels op gebied van vervoer
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
11. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Volledige rechtsmacht - Effect
(Art. 229 EG; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 17, nr. 1017/68, art. 24, en nr. 4056/86, art. 21)
12. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Berekeningsmethode vastgesteld in richtsnoeren van Commissie - Besluit van Commissie zich in concreet geval daaraan te houden - Gevolgen - Verplichting tot motivering van elke afwijking
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
13. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Duur van inbreuken - Overeenkomst die ongeacht gevolgen ervan wegens mededingingsbeperkend doel is gewraakt - Inaanmerkingneming van duur van bestaan van overeenkomst met voorbijgaan aan niet-toepassing
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
14. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Niet-toepassing van overeenkomst - Inaanmerkneming van die verzachtende omstandigheid bij onderzoek van zwaarte van inbreuk - Toelaatbaarheid
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
15. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Medewerking van onderneming tijdens administratieve procedure - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11, leden 4 en 5)
16. Mededinging - Administratieve procedure - Verplichtingen van Commissie - Inachtneming van redelijke termijn
(Verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/86 van de Raad)
17. Mededinging - Administratieve procedure - Verjaring inzake geldboeten - Uitsluitende toepassing van verordening nr. 2988/74 - Niet-toepasselijkheid van overwegingen in verband met beginsel van inachtneming van redelijke termijn
(Verordening nr. 2988/74 van de Raad, art. 2, leden 1 en 3)
18. Mededinging - Geldboeten - Oplegging - Noodzaak dat onderneming profijt heeft getrokken uit inbreuk - Geen
(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
19. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Financiële situatie van betrokken onderneming - Inaanmerkingneming - Verplichting - Geen
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
20. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Verplichting voor Commissie om zich aan haar vroegere beschikkingspraktijk te houden - Geen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
21. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Omslaan van totaalbedrag over verschillende groepen ondernemingen naar maatstaf van belang van activiteit in betrokken bedrijfstak van ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
22. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Zwaarte van inbreuk - Beoordeling op basis van totale omzet van onderneming - Toelaatbaarheid - Inaanmerkingneming van eigen rol van elke onderneming
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
23. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Bepaling - Criteria - Zwaarte van inbreuk - Beoordeling met inaanmerkingneming van economische realiteit op tijdstip dat inbreuk werd gepleegd
(Art. 81, lid 1, EG; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 2, nr. 1017/68, art. 22, lid 2, en nr. 4056/86, art. 19, lid 2)
24. Mededinging - Administratieve procedure - Verjaring van recht van vervolging - Stuiting - Verzoek om inlichtingen - Voorwaarde - Noodzakelijk verband tussen gevraagde inlichtingen en onderzochte inbreuk
(Verordeningen van de Raad nr. 17, art. 11, lid 1, nr. 1017/68, art. 19, nr. 2988/74, art. 1, lid 1, sub b, en 2, leden 1, sub a, en 3, en nr. 4056/86, art. 16)
Samenvatting
$$1. In een geval dat de Commissie een beschikking waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld en geldboeten aan de daders worden opgelegd, heeft gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen, kan de vergissing die het gebruik van een van die grondslagen eventueel kon vormen, wanneer de betrokken marktdeelnemers één van die gekozen rechtsgrondslagen niet betwisten, alleen dan grond opleveren voor de nietigverklaring van die beschikking indien de eventuele vergissing negatieve gevolgen voor de betrokkenen heeft teweeggebracht.
( cf. punt 85 )
2. Een overeenkomst om geen kortingen op kosten en toeslagen te verlenen, die tussen de leden van een lijnvaartconference en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen is gesloten, moet als een horizontale collectieve prijsvaststellingsovereenkomst worden aangemerkt. Horizontale prijsafspraken zijn evenwel niet alleen uitdrukkelijk verboden bij artikel 81, lid 1, sub a, EG en artikel 2, sub a, van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, maar zij vormen ook duidelijke inbreuken op het communautaire mededingingsrecht. Dat geldt ook in het kader van verordening nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] op het zeevervoer, aangezien een dergelijke prijsvaststellingsovereenkomst tussen de leden van een lijnvaartconference en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen afbreuk doet aan de daadwerkelijke concurrentie van de niet bij een conference aangesloten scheepvaartmaatschappijen, terwijl volgens de achtste overweging van verordening nr. 4056/86 een daadwerkelijke concurrentie van de kant van de niet-conferencelijnen een van de voornaamste rechtvaardigingsgronden voor de groepsvrijstelling van artikel 3 van die verordening vormt.
( cf. punten 100, 210 )
3. In de mededeling van de punten van bezwaar, die de Commissie in het kader van de toepassing van de mededingingsregels moet formuleren, moeten deze punten van bezwaar, zij het bondig, worden gesteld in bewoordingen die voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Enkel dan immers kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen en ondernemersverenigingen alle informatie te verschaffen die deze nodig hebben om zich te verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in de beschikking aan de betrokkenen geen andere dan de in de mededeling van de punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd, en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.
( cf. punt 109 )
4. De omstandigheid dat rekening is gehouden met een argument dat door een onderneming is aangevoerd in de loop van de administratieve procedure die ertoe heeft geleid dat tegen haar een beschikking wegens schending van de mededingingsregels is vastgesteld, zonder dat deze onderneming de gelegenheid heeft gekregen vóór de vaststelling van de eindbeschikking haar standpunt ter zake kenbaar te maken, vormt op zichzelf geen schending van de rechten van de verdediging.
( cf. punt 113 )
5. Een tussen de leden van een lijnvaartconference en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen gesloten overeenkomst inzake het vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen het noorden van Europa en het Verre Oosten, die de betrokken ondernemingen verbiedt hun klanten kortingen op de gepubliceerde tarieven van kosten en toeslagen te verlenen, strekt ertoe dat door het zijdelings bepalen van de prijzen de mededinging wordt beperkt in de zin van artikel 81, lid 1, sub a, EG of artikel 2, sub a, van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, aangezien die ondernemingen op grond van die overeenkomst wederzijds afstand hebben gedaan van de vrijheid om hun klanten kortingen op de gepubliceerde tarieven aan te bieden.
De omstandigheid dat die overeenkomst de betrokken ondernemingen niet verbiedt om het tarief van de extra kosten of het vrachttarief te wijzigen, kan niet betekenen dat de betrokken mededingingsbeperking niet merkbaar is, wanneer partijen bij de overeenkomst bijna 90 % van het totale vervoer op de betrokken lijnen voor hun rekening namen en de bij de conference aangesloten scheepvaartmaatschappijen een gemeenschappelijk eenvormig tarief toepassen. Vaststaat namelijk dat de betrokken kosten en toeslagen een aanzienlijk deel van de totale transportkosten kunnen uitmaken.
Aangezien de overeenkomst een mededingingsbeperkend doel heeft en deze beperking merkbaar is, behoeft de Commissie niet de bedoeling van partijen om de mededinging te beperken of de mededingingsbeperkende gevolgen van de overeenkomst aan te tonen.
( cf. punten 175, 177-179, 183 )
6. Op welke overwegingen een bezwarende handeling ook moge berusten, alleen het dispositief kan rechtsgevolgen hebben en derhalve bezwarend zijn. De in de motivering daarvan geformuleerde beoordelingen zijn als zodanig niet vatbaar voor beroep tot nietigverklaring, tenzij zij, als motivering van een bezwarende handeling, noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief.
( cf. punt 186 )
7. In het kader van de toepassing van artikel 81 EG moet in voorkomend geval de relevante markt worden afgebakend om uit te maken of een overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Bijgevolg is de Commissie uitsluitend verplicht in een beschikking krachtens artikel 81 EG de relevante markt af te bakenen, wanneer zonder een dergelijke afbakening niet kan worden uitgemaakt of de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde gedraging de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
( cf. punt 206 )
8. Het verbod van artikel 81, lid 1, EG geldt niet voor een overeenkomst die slechts in geringe mate de mededinging beperkt of de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt.
( cf. punt 207 )
9. De relevante markt moet in voorkomend geval worden afgebakend uitsluitend om uit te maken of een overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Daarentegen is de precieze afbakening van alle relevante markten niet absoluut noodzakelijk om uit te maken of een overeenkomst voldoet aan de vier voorwaarden voor een individuele ontheffing van artikel 81, lid 3, EG en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren. Voor de beoordeling of is voldaan aan de vierde voorwaarde van artikel 81, lid 3, sub b, EG en artikel 5, sub b, van de reeds aangehaalde verordening, moet de Commissie inderdaad onderzoeken of de betrokken overeenkomst volgens de toepasselijke bepalingen de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten respectievelijk van de relevante vervoermarkt kan uitschakelen. De vier voorwaarden voor een ontheffing zijn evenwel cumulatief, zodat de ontheffing reeds moet worden geweigerd zodra één van de voorwaarden niet is vervuld.
Aangezien de Commissie vaststelt dat de eerste drie voorwaarden voor een individuele ontheffing niet zijn vervuld en dat geen standpunt behoeft te worden bepaald ten aanzien van de vierde voorwaarde, moet bijgevolg worden aangenomen dat zij niet verplicht is eerst alle relevante markten af te bakenen om na te gaan of de betrokken overeenkomst in aanmerking kan komen voor een individuele ontheffing. Om uit te maken of de eerste drie voorwaarden zijn vervuld, moet immers rekening worden gehouden met de voordelen die uit de overeenkomst voortvloeien, niet alleen voor de relevante markt, maar ook voor iedere markt waarop de betrokken overeenkomst positieve effecten kan sorteren. Zowel artikel 81, lid 3, EG als artikel 5 van verordening nr. 1017/68 voorzien in de mogelijkheid van een ontheffing ten gunste van overeenkomsten die bijdragen tot de technische of economische vooruitgang, zonder dat zij daarvoor een bijzondere band met de relevante markt verlangen.
( cf. punten 225-227 )
10. Hoewel de mededeling van de Commissie inzake de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, formeel enkel ziet op de geldboeten die krachtens die twee artikelen worden opgelegd, moet wegens de gelijkluidende bewoordingen van de relevante bepalingen van verordening nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] op het zeevervoer, en verordening nr.1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, ervan worden uitgegaan dat de Commissie zich voor de berekening van de geldboeten in het kader van de toepassing van verordeningen nrs. 4056/86 en 1017/68 naar analogie op de richtsnoeren kan baseren.
( cf. punt 242 )
11. Bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete wegens inbreuken op de mededingingsregels beschikt de Commissie over een beoordelingsmarge en is zij niet verplicht om daarbij een precieze mathematische formule toe te passen. Krachtens artikel 17 van verordening nr. 17, artikel 24 van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, en artikel 21 van verordening nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] op het zeevervoer, heeft het Gerecht evenwel volledige rechtsmacht in de zin van artikel 229 EG, ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete wordt opgelegd, zodat het de opgelegde geldboete kan intrekken, verlagen of verhogen.
( cf. punt 252 )
12. Wanneer de Commissie besluit voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten voor marktdeelnemers die inbreuk hebben gemaakt op de mededingingsregels, de methode toe te passen die is geformuleerd in de door haar vastgestelde richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, moet zij zich, gelet op de bij de bekendmaking daarvan aangegane verbintenis, daaraan houden, tenzij zij specifiek de gronden aangeeft die in voorkomend geval een afwijking van de methode op een bepaald punt rechtvaardigen.
( cf. punt 271 )
13. Aangezien de Commissie de gevolgen van een overeenkomst niet heeft bewezen en zij daartoe niet verplicht was, daar de betrokken overeenkomst een mededingingsbeperkend doel had, is het feit dat de betrokken overeenkomst al dan niet ten uitvoer is gelegd, irrelevant voor de berekening van de duur van de inbreuk. Voor de berekening van de duur van een overeenkomst met een mededingingsbeperkend doel moet namelijk uitsluitend worden bepaald hoe lang deze overeenkomst heeft bestaan, te weten de periode die is verstreken tussen de datum waarop zij is gesloten en die waarop zij is beëindigd.
( cf. punt 280 )
14. Het is irrelevant dat met de niet-toepassing van een mededingingsbeperkende overeenkomst voor de bepaling van het bedrag van de op te leggen geldboeten niet specifiek rekening is gehouden in het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op het onderzoek van de verzachtende omstandigheden, maar bij het onderzoek van de zwaarte van de inbreuk, aangezien de inaanmerkingneming van deze factor bij de bepaling van het boetebedrag in elk geval tot verlaging van het basisbedrag van de geldboeten heeft geleid, zoals is bepaald in punt 3, eerste alinea, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd.
( cf. punt 293 )
15. In het kader van een administratieve procedure inzake toepassing van de mededingingsregels voor de Commissie, rechtvaardigt een medewerking aan het onderzoek die niet verder gaat dan dat waartoe de ondernemingen krachtens artikel 11, leden 4 en 5, van verordening nr. 17 verplicht zijn, geen verlaging van de geldboete, zoals voorzien in de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen.
Wanneer een onderneming de feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, ontkent, draagt zij overigens niet bij tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en bestraffen van de inbreuken op de mededingingsregels.
( cf. punten 303-304 )
16. De eerbiediging van een redelijke termijn door de Commissie bij de vaststelling van beschikkingen na afloop van de administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, dat verband houdt met het beginsel van goed bestuur. Zo kan de Commissie haar standpunt niet sine die voor zich uitschuiven, en is zij ter verzekering van de rechtszekerheid en een behoorlijke rechterlijke bescherming gehouden, binnen een redelijke termijn een beschikking te geven of een administratieve brief te sturen, wanneer om een dergelijke brief is gevraagd.
De vraag of de duur van de procedure redelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke elementen van elke zaak, met name de context van de zaak, het gedrag van partijen tijdens de procedure, het belang van de zaak voor de verschillende betrokken ondernemingen en de ingewikkeldheid ervan.
( cf. punten 317-318 )
17. Hoewel de overschrijding van een redelijke termijn, in het bijzonder wanneer zij leidt tot schending van de rechten van de verdediging van de betrokkenen, de nietigverklaring rechtvaardigt van een beschikking waarbij een inbreuk op de mededingingsregels is vastgesteld, kan hetzelfde niet gelden wanneer het bedrag van de bij deze beschikking opgelegde geldboeten wordt betwist, aangezien de bevoegdheid van de Commissie tot oplegging van geldboeten is geregeld bij verordening nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap. Bij die verordening is namelijk een volledige regeling ingevoerd die in bijzonderheden de termijnen vaststelt waarbinnen de Commissie, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele eis van rechtszekerheid, geldboeten mag opleggen aan de ondernemingen waartegen procedures inzake toepassing van de communautaire mededingingsregels lopen. Artikel 2, lid 3, daarvan bepaalt, dat de verjaring in elk geval na tien jaar intreedt, wanneer de verjaring overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening is gestuit, zodat de Commissie niet eindeloos kan wachten met haar beslissing inzake de geldboeten, omdat anders de verjaring intreedt. Gezien deze regeling moeten overwegingen in verband met de verplichting van de Commissie om haar bevoegdheid tot oplegging van geldboeten binnen een redelijke termijn uit te oefenen, van de hand worden gewezen.
( cf. punten 321, 324 )
18. Al moet de hoogte van een wegens een inbreuk op de mededingingsregels opgelegde geldboete in verhouding staan tot de duur en de andere factoren die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, waaronder het profijt dat de betrokken onderneming uit haar praktijken heeft kunnen trekken, het feit dat een onderneming uit de inbreuk geen profijt heeft getrokken, kan de oplegging van een geldboete niet beletten, omdat deze geldboete anders haar preventieve werking zou verliezen.
De Commissie is derhalve niet verplicht bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten aan te tonen dat de inbreuk de betrokken ondernemingen een onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd, noch om desgevallend rekening te houden met het feit dat uit de betrokken inbreuk geen profijt is getrokken, waartoe zij zich overigens niet heeft verbonden in haar mededeling inzake de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd.
( cf. punten 340-343 )
19. Op mededingingsgebied kan de Commissie naar gelang van de omstandigheden overwegen om geen geldboete op te leggen of het bedrag ervan te verlagen wegens de financiële moeilijkheden van de betrokken onderneming.
Zij is echter geenszins verplicht om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de deficitaire situatie van de betrokken onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt.
( cf. punten 351-352 )
20. Op mededingingsgebied kan uit het feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als een verzachtende omstandigheid heeft beschouwd, niet worden afgeleid dat zij verplicht is zulks in een latere beschikking eveneens te doen.
( cf. punt 353 )
21. Ter zake van de vaststelling van de hoogte van de geldboeten voor de verschillende ondernemingen die aan dezelfde inbreuk op de mededingingsregels hebben deelgenomen, mag de Commissie eerst het totale bedrag van de op te leggen geldboete bepalen en dit vervolgens omslaan over de betrokken ondernemingen door ze naar maatstaf van hun activiteiten in de betrokken bedrijfstak in groepen in te delen, voorzover de bepaling van de drempels voor de vorming van de verschillende groepen samenhangend en objectief is gerechtvaardigd volgens de vereisten van het beginsel van gelijke behandeling, en toereikend is gemotiveerd.
Deze methode leidt er weliswaar toe dat het verschil in grootte tussen ondernemingen van dezelfde groep buiten beschouwing wordt gelaten, maar maakt het mogelijk het doel te bereiken dat de grote ondernemingen strenger worden gestraft.
( cf. punten 384-385, 416, 437 )
22. Ter zake van de vaststelling van de hoogte van de geldboeten voor de verschillende ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, is de methode die erin bestaat dat de zwaarte van de inbreuk wordt bepaald door een op basis van de aard van de inbreuk vastgesteld basisbedrag aan de grootte van de betrokken ondernemingen aan te passen, in overeenstemming met de sanctieregels neergelegd in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, en verordening nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] op het zeevervoer.
Voor de bepaling van de grootte van een onderneming mag de Commissie verwijzen naar haar totale omzet die een aanwijzing vormt voor haar economische macht en voor haar daadwerkelijke vermogen om schade aan andere marktdeelnemers toe te brengen, en niet naar haar omzet op de relevante markt.
Voor de zwaarte van de inbreuk moet de Commissie ook rekening houden met de verschillende rol, bijvoorbeeld leider of volger, die elke onderneming heeft gespeeld.
( cf. punten 398-403 )
23. Op mededingingsgebied dient de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk betrekking te hebben op de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip van de inbreuk. Om de grootte en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk te beoordelen, welke factoren relevant zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk, moet de Commissie bijgevolg uitgaan van de omzet die elk van de betrokken ondernemingen heeft behaald in de loop van de periode waarin de inbreuk is gepleegd.
( cf. punt 460 )
24. Artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap, formuleert het beginsel van een verjaringstermijn van vijf jaar, waarop de stuiting van de verjaring in artikel 2 van die verordening een uitzondering vormt die eng moet worden uitgelegd.
Voorts blijkt uit de eerste alinea van dat artikel 2, lid 1, sub a, dat om de verjaring te stuiten de schriftelijke verzoeken om inlichtingen van de Commissie, die in die bepaling uitdrukkelijk worden genoemd als voorbeeld van handelingen die de verjaring stuiten, moeten worden verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk".
Overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 en, wat het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, en het zeevervoer betreft, overeenkomstig artikel 19 van verordening nr. 1017/68 en artikel 16 van verordening nr. 4056/86 moeten de verzoeken om inlichtingen volgens het eerste lid van deze bepalingen noodzakelijk" zijn. Een verzoek om inlichtingen is noodzakelijk" in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 17, en van de voornoemde artikelen 19 respectievelijk 16, die in gelijkluidende bewoordingen zijn geformuleerd, indien het op goede gronden kan worden geacht verband te houden met de vermoede inbreuk.
Om de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 2988/74 geldig te kunnen stuiten, moet bijgevolg een verzoek om inlichtingen noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor de vervolging van de inbreuk.
Hoewel aldus de verzending van verzoeken om inlichtingen de verjaring van de geldboeten kan stuiten, wanneer die verzoeken tot doel hebben de Commissie in staat te stellen haar verplichtingen bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten na te komen, kan bijvoorbeeld niet worden toegelaten dat de Commissie verzoeken om inlichtingen zou verzenden met als enig doel de verjaringstermijn kunstmatig te verlengen teneinde de bevoegdheid tot oplegging van geldboeten te behouden. Verzoeken om inlichtingen die enkel dit doel nastreven, zijn namelijk niet noodzakelijk voor de vervolging van de inbreuk. Zou de Commissie de verjaringstermijn mogen stuiten door verzending van verzoeken om inlichtingen die niet noodzakelijk zijn voor de vervolging van de inbreuk, dan zou dat betekenen dat zij stelselmatig de verjaring mag verlengen tot de maximumtermijn van tien jaar als bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2988/74, waardoor de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 1, lid 1, van die verordening geen bestaansreden meer heeft en in een verjaringstermijn van tien jaar wordt omgezet.
( cf. punten 484-488 )
Partijen
In zaak T-213/00,
CMA CGM, gevestigd te Marseille (Frankrijk),
Cho Yang Shipping Co. Ltd, gevestigd te Seoul (Zuid-Korea),
Evergreen Marine Corp. Ltd, gevestigd te Taipei (Taiwan),
Hanjin Shipping Co. Ltd, gevestigd te Taipei,
Hapag-Lloyd Container Linie GmbH, gevestigd te Seoul,
Kawasaki Kisen Kaisha Ltd, gevestigd te Tokyo (Japan),
Malaysia International Shipping Corporation Berhad, gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië),
Mitsui OSK Lines Ltd, gevestigd te Tokyo,
Neptune Orient Lines Ltd, gevestigd te Singapore (Singapore),
Nippon Yusen Kaisha, gevestigd te Tokyo,
Orient Overseas Container Line Ltd, gevestigd te Wanchai (Hongkong),
P & O Nedlloyd Container Line Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Senator Lines GmbH, rechtsopvolger van DSR-Senator Lines GmbH, gevestigd te Bremen (Duitsland),
Yangming Marine Transport Corp., gevestigd te Taipei,
aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Pheasant, C. Barlen, M. Levitt, D. Waelbroeck en U. Zinsmeister, vervolgens door Pheasant, Levitt, Waelbroeck en Zinsmeister, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Oliver en E. Gippini Fournier, vervolgens door Oliver als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2000/627/EG van de Commissie van 16 mei 2000 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG [zaak nr. IV/34.018 - Far East Trade Tariff Charges and Surcharges Agreement (FETTCSA)] (PB L 268, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, K. Lenaerts en J. Azizi, rechters,
griffier: J. Plingers, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 mei 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), was oorspronkelijk van toepassing op alle door het EEG-Verdrag bestreken activiteiten. Omdat het in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en gelet op de bijzondere aspecten van deze sector evenwel noodzakelijk is gebleken voor deze bedrijfstak andere mededingingsregels vast te stellen dan voor de overige bedrijfstakken, heeft de Raad verordening nr. 141/62 van 26 november 1962 houdende niet-toepassing op de vervoersector van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1962, 124, blz. 2751), vastgesteld.
1. Verordening nr. 1017/68
2 Op 19 juli 1968 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 175, blz. 1), vastgesteld.
3 Volgens artikel 1 van verordening nr. 1017/68 is deze verordening op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke tot doel of ten gevolge hebben, het bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden, het beperken of controleren van het vervoersaanbod, het verdelen van de vervoersmarkten, de toepassing van technische verbeteringen of de technische samenwerking, de gemeenschappelijke financiering of verwerving van materieel of benodigdheden voor vervoer, die rechtstreeks verband houdt met vervoersprestaties, voorzover zulks noodzakelijk is voor de gemeenschappelijke exploitatie van een groep ondernemingen voor vervoer over de weg of over de binnenwateren zoals omschreven in artikel 4, en op machtsposities op de vervoersmarkt". Krachtens deze bepaling is verordening nr. 1017/68 eveneens van toepassing op handelingen van tussenpersonen in het vervoer welke hetzelfde doel of dezelfde gevolgen hebben als bovengenoemde".
4 In artikel 2 van verordening nr. 1017/68 is bepaald:
Behoudens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, zonder dat daartoe enige voorafgaande beschikking is vereist, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan uit:
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden of van andere contractuele voorwaarden,
[...]"
5 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1017/68 bepaalt evenwel:
Het verbod van artikel 2 is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die uitsluitend tot doel en ten gevolge hebben de toepassing van technische verbeteringen of de technische samenwerking door middel van:
[...]
c) de organisatie en uitvoering van opeenvolgend, aanvullend, vervangend of gecombineerd vervoer, alsmede de vaststelling en toepassing van algemene vervoerprijzen en -voorwaarden, met inbegrip van mededingingsprijzen;
[...]
g) de invoering van uniforme regels betreffende de structuur en de toepassingsvoorwaarden van vervoerstarieven, voorzover daarin geen vervoerprijzen en -voorwaarden worden vastgesteld."
6 Artikel 5 van verordening nr. 1017/68 luidt:
Het verbod van artikel 2 kan met terugwerkende kracht buiten toepassing worden verklaard:
- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,
- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
die bijdragen
- tot verbetering van de kwaliteit van de vervoersdiensten, of
- tot bevordering van een grotere continuïteit en stabiliteit in en de bevrediging van de vervoersbehoeften, op markten die onderhevig zijn aan sterke schommelingen in de tijd van vraag en aanbod, of
- tot verhoging van de productiviteit der ondernemingen, of
- tot bevordering van de technische of economische vooruitgang
mits daarbij in redelijke mate rekening wordt gehouden met de belangen der gebruikers en zonder nochtans
a) de betrokken vervoersondernemingen beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,
b) aan deze ondernemingen de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken vervoermarkt, de mededinging uit te schakelen."
7 Verordening nr. 1017/68 bepaalt ook de voorwaarden voor toepassing van voormelde materiële regels. Deze verordening staat de ondernemingen in het bijzonder toe om overeenkomsten te sluiten en toe te passen zonder deze bij de Commissie te moeten aanmelden, met het risico van nietigverklaring met terugwerkende kracht indien deze overeenkomsten zouden worden onderzocht op grond van een klacht of een ambtshalve optreden van de Commissie, dit onverminderd de mogelijkheid dat deze overeenkomsten met terugwerkende kracht geoorloofd worden verklaard in het geval dat een dergelijk onderzoek achteraf plaatsvindt (artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1017/68). Ondernemingen die een beroep wensen te doen op artikel 5, kunnen evenwel krachtens artikel 12 van verordening nr. 1017/68 daartoe een verzoek bij de Commissie indienen.
2. Verordening (EEG) nr. 4056/86
8 Op 22 december 1986 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 4056/86 vast, tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag op het zeevervoer (PB L 378, blz. 4).
9 Volgens artikel 1, lid 2, heeft verordening nr. 4056/86 uitsluitend betrekking op internationale diensten voor het zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap [...]".
10 Artikel 2, lid 1, van deze verordening bepaalt evenwel:
Het verbod van artikel [81], lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die uitsluitend tot doel en ten gevolge hebben te komen tot technische verbeteringen of technische samenwerking door middel van:
[...]
c) de organisatie en uitvoering van opeenvolgend of aanvullend zeevervoer, alsmede de vaststelling of toepassing van algemene prijzen en voorwaarden voor dit vervoer;
[...]
f) de vaststelling of toepassing van uniforme regels betreffende de structuur en de toepassingsvoorwaarden van vervoerstarieven."
11 In de zevende overweging van verordening nr. 4056/86 verklaart de Raad, dat deze overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van technische aard van het kartelverbod kunnen worden uitgezonderd omdat zij de mededinging in de regel niet beperken".
12 Artikel 3 van verordening nr. 4056/86 bevat voorts een groepsvrijstelling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van alle of van een deel der leden van een lijnvaartconference of van verscheidene lijnvaartconferences die ten doel hebben het vaststellen van vervoerstarieven en -voorwaarden". Volgens artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86 wordt onder lijnvaartconference verstaan:
een groep van twee of meer vervoerders die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook, heeft getroffen binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoerstarieven en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten".
13 Verordening nr. 4056/86 staat de ondernemingen toe om overeenkomsten te sluiten en toe te passen zonder deze bij de Commissie te moeten aanmelden, met het risico van nietigverklaring met terugwerkende kracht indien deze overeenkomsten zouden worden onderzocht op grond van een klacht of een ambtshalve optreden van de Commissie, dit onverminderd de mogelijkheid dat deze overeenkomsten met terugwerkende kracht geoorloofd worden verklaard in het geval dat een dergelijk onderzoek achteraf plaatsvindt (artikel 11, lid 4, van verordening nr. 4056/86). Ondernemingen die een beroep wensen te doen op artikel 81, lid 3, van het Verdrag, kunnen evenwel krachtens artikel 12 van verordening nr. 4056/86 daartoe een verzoek bij de Commissie indienen.
De feiten
14 Verzoeksters zijn scheepvaartmaatschappijen die hebben deelgenomen aan de Far East Trade Tariff Charges and Surcharges Agreement (hierna: FETTCSA" of FETTCSA-overeenkomst"). De FETTCSA is een overeenkomst van 5 maart 1991 tussen scheepvaartmaatschappijen die verbindingen onderhouden tussen Noord-Europa en het Verre Oosten. Deze overeenkomst is op 4 juni 1991 in werking getreden en op 10 mei 1994 beëindigd. De FETTCSA is niet bij de Commissie aangemeld.
15 Aanvankelijk bestond de FETTCSA uit 14 leden van de Far Eastern Freight Conference (hierna: FEFC"), te weten de tussen Noord-Europa en Zuidoost- en Oost-Azië geldende lijnvaartconference, aan de orde in beschikking 94/985/EG van de Commissie van 21 december 1994 inzake een procedure op grond van artikel [81] van het Verdrag (IV/33.218 - Far Eastern Freight Conference) (PB L 378, blz. 17), welke beschikking heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 28 februari 2002, Compagnie générale maritime e.a./Commissie (T-86/95, Jurispr. blz. II-1011), en zes niet bij de FEFC aangesloten scheepvaartmaatschappijen.
16 De FEFC-leden die partij waren bij de FETTCSA, waren Ben Line Container Holdings Ltd, Compagnie générale maritime (hierna: CGM"), East Asiatic Company, Hapag-Lloyd AG, Kawasaki Kisen Kaisha (hierna: K Line"), A.P. Møller-Maersk Line (hierna: Maersk"), Malaysia International Shipping Corporation Bhd (hierna: MISC"), Mitsui OSK Lines Ltd (hierna: MOL"), Nedlloyd Lijnen BV (hierna: Nedlloyd"), Neptune Orient Lines Ltd (hierna: NOL"), Nippon Yusen Kaisha (hierna: NYK"), Orient Overseas Container Line Ltd (hierna: OOCL"), P & O Containers Ltd (hierna: P& O") en Polish Ocean Line (hierna: POL"). De bij de FETTCSA aangesloten onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen waren Cho Yang Shipping Co. Ltd (hierna: Cho Yang"), Deutsche Seereederei Rostock (hierna: DSR"), Evergreen Marine Corp. (Taiwan) Ltd (hierna: Evergreen"), Hanjin Shipping Co. Ltd (hierna: Hanjin"), Senator Linie GmbH & Co. KG (hierna: Senator Lines") en Yangming Marine Transport Corp. (hierna: Yangming").
17 Volgens artikel 2 ervan beoogde de FETTCSA:
- industriële normen op te stellen voor de berekening en vaststelling van kosten en toeslagen middels gemeenschappelijke procedures, en
- een gemeenschappelijk mechanisme te hanteren voor de berekening en vaststelling van kosten en toeslagen voor ander vervoer dan zeevervoer en inlandvervoersdiensten.
18 De in de FETTCSA bedoelde kosten en toeslagen zijn extra kosten bovenop de zeevrachttarieven, die door de scheepvaartmaatschappijen aan de verladers in rekening worden gebracht ter dekking van bepaalde kosten, met name de kosten die ontstaan als gevolg van de schommeling van de wisselkoersen of van de brandstofprijs en die van de containerbehandeling in havens of terminals. Vaststaat dat de kosten en toeslagen een aanzienlijk deel van het totale zeevrachttarief kunnen bedragen, en tot 60 % van het tarief op de oost-west routes kunnen uitmaken.
19 Op 1 maart 1991 stelde het secretariaat van de FEFC de Commissie in kennis van de bijeenkomst die op 5 maart 1991 te Singapore zou worden gehouden tussen de vertegenwoordigers van de FEFC en de onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen met het oog op de sluiting van de FETTCSA.
20 Op 25 maart 1991 deelde het secretariaat van de FEFC de Commissie mee, dat op 5 maart 1991 een beginselakkoord ter zake van een uniform mechanisme voor de berekening en vaststelling van andere kosten en toeslagen dan die welke gelden voor zeevervoer en inlandvervoer" was gesloten.
21 Op 15 juli 1991 dienden de Europese Raden van Zeeverladers (the European Shippers' Councils"; hierna: ESC") bij de Commissie een klacht in tegen de FETTCSA-overeenkomst.
22 Op 28 september 1992 gaf de Commissie het secretariaat van de FETTCSA kennis van haar voorlopige juridische beoordeling van de FETTCSA-overeenkomst van 5 maart 1991. De Commissie stelde zich op het standpunt dat deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG viel en niet kon worden aangemerkt als een technische regeling" in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 4056/86. Zij deelde partijen bij de FETTCSA derhalve mee dat deze overeenkomst krachtens artikel 12 van verordening nr. 4056/86 bij haar moest worden aangemeld.
23 Op 19 april 1994 zond de Commissie partijen bij de FETTCSA een mededeling van de punten van bezwaar, waarin werd vastgesteld dat de FETTCSA niet valt onder het begrip technische regeling zoals omschreven in artikel 2 van verordening nr. 4056/86 en artikel 3 van verordening nr. 1017/68, en verder in strijd is met artikel 81, lid 1, EG en artikel 2 van verordening nr. 1017/68, voorzover zij de volgende mededingingsbeperkende overeenkomsten bevat: een overeenkomst om geen kortingen aan te bieden, een overeenkomst over de wisselkoersen, een overeenkomst over de berekening van de kosten en toeslagen, en een overeenkomst over de uitwisseling van informatie. Verder kunnen volgens de mededeling van de punten van bezwaar deze mededingingsbeperkende overeenkomsten niet in aanmerking komen voor de groepsvrijstelling krachtens artikel 3 van verordening nr. 4056/86, noch voor de individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG of artikel 5 van verordening nr. 1017/68. Daar de overeenkomst niet is aangemeld, geeft de mededeling van de punten van bezwaar bovendien te kennen dat de Commissie voornemens is om geldboetes op te leggen.
24 Op 16 september 1994 deelden partijen bij de FETTCSA de Commissie hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar mee. Bij dit antwoord was de definitieve tekst gevoegd van een verklaring van instemming met de in casu relevante beginselen van mededingingsrecht, die partijen bij de FETTCSA niet betwisten. Tegelijkertijd hebben partijen bij de FETTCSA de Commissie verschillende malen benaderd voor een eventuele beëindiging van de procedure.
25 Op 24 maart 1995 zond de Commissie de vertegenwoordiger van de FETTCSA een verzoek om informatie teneinde de omzetcijfers van partijen bij de FETTCSA voor 1993 en 1994 te verkrijgen.
26 Daar partijen bij de FETTCSA sterk van mening bleven verschillen over de feiten van de zaak, deelde de Commissie de vertegenwoordiger van de FETTCSA op 8 augustus 1995 mee dat zij voornemens was een formele beschikking te geven. In dat kader vroeg de Commissie de vertegenwoordiger van de FETTCSA, of partijen bij de FETTCSA bereid waren de tegen hen aangevoerde feiten niet te betwisten.
27 Vaststaat dat na dit laatste verzoek van de Commissie geen briefwisseling meer plaatsvond tussen de Commissie en partijen bij de FETTCSA totdat de Commissie op 30 juni 1998 de vertegenwoordiger van de FETTCSA opnieuw verzocht om inlichtingen over de omzetcijfers van partijen bij de FETTCSA voor 1997.
28 Op 11 oktober 1999 zond de Commissie de vertegenwoordiger van de FETTCSA een verzoek om inlichtingen over de omzetcijfers van de partijen bij de FETTCSA voor 1998.
29 Op 16 mei 2000 stelde de Commissie op basis van verordening nr. 17 en verordeningen nrs. 1017/68 en 4056/86, beschikking 2000/627/EG vast inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag [zaak IV/34.018 - Far East Trade Tariff Charges and Surcharges Agreement (FETTCSA)] (PB L 268, blz. 1; hierna: beschikking" of bestreden beschikking").
De bestreden beschikking
30 Volgens de bestreden beschikking wordt partijen bij de FETTCSA verweten, dat zij een overeenkomst hebben gesloten om geen kortingen te verlenen op kosten en toeslagen (hierna ook: extra kosten"), ongeacht of het ging om bedragen gepubliceerd als onderdeel van een FEFC-tarief of door een afzonderlijke maatschappij (punt 133 van de bestreden beschikking). Volgens de Commissie is deze overeenkomst opgenomen in de notulen van de bijeenkomst van partijen bij de FETTCSA van 9 juni 1992 (punten 33-39 van de bestreden beschikking).
31 De in de overeenkomst bedoelde kosten en toeslagen zijn beschreven in bijlage II bij de beschikking (zie ook de punten 28-30, 37, 42-53 en 126-130). De voornaamste kosten en toeslagen zijn:
- bunkertoeslag (Bunker Adjustment Factor"; hierna: BAF"): vaststaat dat de BAF een door een vervoerder toegepaste prijsaanpassing is waarmee schommelingen in de kosten van de scheepsbrandstof worden uitgedrukt ten opzichte van een basisniveau dat deel uitmaakt van het vrachttarief;
- valutatoeslag (Currency Adjustment Factor"; hierna: CAF"): vaststaat dat de CAF wordt vastgesteld op basis van een weging van elke munteenheid in de CAF-mand op basis van de valuta waarin iedere scheepvaartmaatschappij haar inkomsten verwerft en haar onkosten voldoet, en dient ter compensatie van schommelingen in de wisselkoersen tussen de munteenheid waarin de vervoerder zijn diensten aan verladers in rekening brengt en de valuta waarin de vervoerder zijn kosten voldoet;
- de terminalkosten (Terminal Handling Charges"; hierna: THC"): in bijlage II bij de beschikking zijn de THC beschreven als door verladers te betalen kosten voor a) het in ontvangst nemen en opslaan door de vervoerder van gecontaineriseerde exportgoederen of vracht die in de terminal in containers moet worden verladen en het bij het schip afleveren door de vervoerder van de vracht zodat deze kan worden geladen, b) het van het schip in ontvangst nemen door de vervoerder van gecontaineriseerde importgoederen en het regelen van de opslag van deze goederen in de terminal en de verplaatsing hiervan vanuit de terminal, en c) het opmaken van de documenten die verband houden met de sub a en b genoemde handelingen;
- toeslag onvolledige containerlading (Less-than-Container-Load Service Charges"; hierna: LCLSC"): vaststaat dat de LCLSC door verladers te betalen kosten zijn voor a) het door de vervoerder bij het containergoederenstation in ontvangst nemen van exportgoederen die geen volledige container vullen en per container moeten worden samengepakt, en de verdere opslag en behandeling van de goederen overeenkomstig de instructies van de vervoerder, b) het van de vervoerder ontvangen van LCL-importgoederen en de opslag en behandeling daarvan voordat ze aan de wegvervoerder worden overgedragen, en c) het opmaken van de documenten die verband houden met de sub a en b genoemde handelingen;
- toeslag voor oponthoud: in bijlage II bij de beschikking is deze toeslag beschreven als de kosten voor lading en/of uitrusting die langer dan de voor het innemen van lading in havens/terminals/containerdepots toegestane kostenvrije periode in bezit wordt gehouden;
- liggeld: volgens bijlage II bij de beschikking zijn dit de kosten die door verladers dienen te worden betaald voor het langer dan de voorgeschreven kostenvrije periode vasthouden van containers/opleggers van vervoerders.
32 De andere kosten en toeslagen waarop de in de beschikking beoogde overeenkomst betrekking heeft, omvatten de speciale-uitrustingspremie, oorlogstoeslagen, nietstandaardkosten voor laden en lossen, optiehavens, wijziging van bestemming, wijziging van de leveringsstatus en zendingen met een waarde die buiten de normale cognossementsaansprakelijkheid van de vervoerder valt (punt 37 van de bestreden beschikking).
33 Met betrekking tot de toepasselijke mededingingsregels stelt de beschikking vast dat de betrokken kosten en toeslagen zeevervoersdiensten betreffen die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 vallen, diensten op het gebied van vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (of aanvullende diensten hiervoor) die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1017/68 vallen, en diensten die niet binnen de werkingssfeer van die twee verordeningen vallen en bijgevolg binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 vallen (punten 123 en 126-130 van de bestreden beschikking).
34 De Commissie verklaart derhalve dat zij in dit geval de krachtens verordening nr. 17 en verordeningen nrs. 1017/68 en 4056/86 geldende procedures heeft toegepast (punt 124 van de bestreden beschikking). Zo geeft de Commissie te kennen dat, zelfs indien zij niet de juiste verordening(en) had aangeduid die van toepassing is (zijn) op elk van de kosten en toeslagen, partijen de procedurele waarborgen hebben genoten van alle eventueel toepasselijke verordeningen (punt 124 van de bestreden beschikking).
35 Volgens de Commissie is de relevante markt voor de beoordeling van de door partijen bij de FETTCSA gesloten overeenkomst om geen kortingen te verlenen (hierna ook: betrokken overeenkomst"), die van de exploitatie van lijnvaartdiensten voor het vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen het noorden van Europa en het Verre Oosten" (punt 55 van de bestreden beschikking).
36 Tot slot van haar inhoudelijke analyse concludeert de Commissie, dat de betrokken overeenkomst de prijsconcurrentie beperkt in strijd met artikel 81, lid 1, sub a, EG en artikel 2, sub a, van verordening nr. 1017/68, zelfs indien partijen bij een dergelijke overeenkomst geen afspraken hebben gemaakt over het niveau van de gepubliceerde prijzen (punten 131-144 van de bestreden beschikking).
37 De Commissie stelt ook vast dat de activiteiten van partijen in het kader van de FETTCSA verder gingen dan een technische regeling in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 4056/86 en van artikel 3 van verordening nr. 1017/68, en dat de overeenkomst om geen korting te verlenen geen technische regeling was (punten 145-161 van de bestreden beschikking).
38 Met betrekking tot de toepassing van artikel 81, lid 3, EG stelt de Commissie vast dat de groepsvrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 niet van toepassing is, aangezien noch de FETTCSA zelf, noch de overeenkomst om geen korting aan te bieden een overeenkomst of regeling vormt in het kader waarvan partijen uniforme of gemeenschappelijke tarieven toepassen. De partijen waren bijgevolg geen lijnvaartconference in de zin van artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86 (punt 162 van de bestreden beschikking).
39 Wat de mogelijkheid van een individuele vrijstelling betreft, hoewel voor geen enkele in het kader van de FETTCSA gesloten overeenkomst een verzoek om een dergelijke individuele vrijstelling is ingediend, onderzoekt de Commissie, gelet op haar verplichting krachtens artikel 11, lid 4, van verordening nr. 4056/86 en artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1017/68, of aan de voorwaarden voor toekenning daarvan is voldaan. Na haar onderzoek komt zij evenwel tot de conclusie, dat de overeenkomst om geen korting aan te bieden niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, EG (punten 163-174 van de bestreden beschikking), en dat de FETTCSA niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van verordening nr. 1017/68 (punt 175 van de bestreden beschikking).
40 Daar de inbreuk volgens de bestreden beschikking opzettelijk is gepleegd, wordt daarbij aan elke partij bij de FETTCSA krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, artikel 22, lid 2, van verordening nr. 1017/68 en artikel 19, lid 2, van verordening nr. 4056/86 een geldboete opgelegd (punten 176-207 van de bestreden beschikking).
41 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
Artikel 1
De overeenkomst om geen kortingen op de gepubliceerde tarieven van kosten en toeslagen te verlenen, gesloten tussen de ondernemingen die voorheen lid waren van de [FETTCSA] en tot welke deze beschikking is gericht, vormde een inbreuk op de bepalingen van artikel 81, lid 1, [EG] en artikel 2 van verordening [...] nr. 1017/68.
Artikel 2
Er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, [EG] en artikel 5 van verordening [...] nr. 1017/68.
Artikel 3
De ondernemingen tot welke deze beschikking is gericht, wordt gelast zich voortaan te onthouden van elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg heeft als de in artikel 1 bedoelde inbreuk.
Artikel 4
De hieronder vastgestelde geldboeten worden opgelegd aan de ondernemingen tot welke deze beschikking is gericht.
CMA CGM SA 134 000 EUR
Hapag-Lloyd Container Linie GmbH 368 000 EUR
Kawasaki Kisen Kaisha Limited 620 000 EUR
A.P. Møller-Maersk Sealand 836 000 EUR
Malaysia International Shipping Corporation
Berhad 134 000 EUR
Mitsui O.S.K. Lines Ltd 620 000 EUR
Neptune Orient Lines Ltd 368 000 EUR
Nippon Yusen Kaisha 620 000 EUR
Orient Overseas Container Line Ltd 134 000 EUR
P& O Nedlloyd Container Line Ltd 1 240 000 EUR
Cho Yang Shipping Co., Ltd 134 000 EUR
DSR-Senator Lines GmbH 368 000 EUR
Evergreen Marine Corp. (Taiwan) Ltd 368 000 EUR
Hanjin Shipping Co., Ltd 620 000 EUR
Yangming Marine Transport Corp. 368 000 EUR"
Procesverloop en conclusies van partijen
42 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 augustus 2000, hebben verzoeksters het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld.
43 Naar aanleiding van een vraag van verzoeksters van 28 maart 2001 heeft het Gerecht hen bij brief van 4 april 2001 verzocht aanvullende schriftelijke opmerkingen in te dienen over de relevantie van het arrest van het Hof van 15 februari 2001, Oostenrijk/Commissie (C-99/98, Jurispr. blz. I-1101). Verzoeksters hebben op 25 april 2001 hun opmerkingen ter griffie van het Gerecht neergelegd. De opmerkingen van de Commissie dienaangaande zijn vervat in haar dupliek.
44 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan; bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het partijen verzocht om bepaalde stukken over te leggen en schriftelijke vragen te beantwoorden. Partijen hebben aan die verzoeken voldaan.
45 Ter terechtzitting van 2 mei 2002 hebben partijen pleidooi gevoerd en vragen van het Gerecht beantwoord.
46 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- de beschikking in haar geheel of, subsidiair, althans voorzover zij op grond van verordening nr. 17 en verordening nr. 1017/68 is vastgesteld, nietig te verklaren;
- de hun opgelegde boetes in te trekken of, subsidiair, het bedrag daarvan te verlagen;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
47 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
48 Verzoeksters baseren hun beroep op zes middelen. Eerste middel: onjuiste rechtsgrondslag van de bestreden beschikking en schending van de rechten van de verdediging op dat punt; tweede middel: onjuiste toepassing van artikel 81, lid 1, EG en van artikel 2 van verordening nr. 1017/68; derde middel: geen of onjuiste afbakening van de relevante markten; vierde middel: betreffende geldboeten; vijfde middel: betreffende verjaring; en zesde middel: schending van de motiveringsplicht ten aanzien van een aantal van de in sommige andere middelen genoemde punten.
1. Eerste middel: onjuiste rechtsgrondslag van de bestreden beschikking en schending van de rechten van de verdediging op dat punt
49 Verzoeksters stellen dat, voorzover de bestreden beschikking op basis van verordening nr. 17 en verordening nr. 1017/68 is vastgesteld, zij op een onjuiste rechtsgrondslag is gebaseerd. Volgens hen zijn ook hun rechten van verdediging op dat punt geschonden.
De rechtsgrondslag van de bestreden beschikking
a) Argumenten van partijen
50 Verzoeksters zijn van mening dat in de bestreden beschikking de verordeningen op basis waarvan zij is vastgesteld, onjuist zijn uitgelegd. Zij stellen dat de in de bestreden beschikking bedoelde kosten en toeslagen volledig onder verordening nr. 4056/86 vallen, en dat de Commissie zich derhalve ten onrechte tegelijkertijd op de verordeningen nrs. 4056/86 en 1017/68 en nr. 17 heeft gebaseerd.
51 Om te beginnen was de FETTCSA volgens hen een overeenkomst die uitsluitend betrekking heeft op de kosten en toeslagen van het zeevervoer. De FETTCSA machtigt partijen niet om kosten en toeslagen met betrekking tot het inlandvervoer te bespreken.
52 Verzoeksters verklaren verder, dat het begrip zeevervoer" in artikel 1, leden 2 en 3, van verordening nr. 4056/86 de toepassing van de verordening op bepaalde inlandactiviteiten geenszins uitsluit. Zij merken dan ook op dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 4056/86 betrekking heeft op overeenkomsten inzake bepaalde inlandactiviteiten, waar het verwijst naar a) de vaststelling of de uniforme toepassing van normen of typen voor [...] vaste installaties"; b) de uitwisseling of het gemeenschappelijk gebruik voor het vervoersbedrijf, van [...] vaste installaties"; e) het samenvoegen van afzonderlijke zendingen". Verzoeksters verwijzen ook nog naar artikel 5, lid 4, van verordening nr. 4056/86, volgens hetwelk de vervoerstarieven de voorwaarden dienen te behelzen betreffende het laden en lossen, en de juiste omvang van de diensten die vallen onder enig ander tarief dan dat voor het zeevervoer.
53 Behalve wat de BAF betreft, waarvoor de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat hij onder verordening nr. 4056/86 valt, is volgens verzoeksters de analyse van de Commissie van de regeling die van toepassing is op elk van de overige in geding zijnde kosten en toeslagen, bijgevolg onjuist om de hiernavolgende redenen.
54 Wat in de eerste plaats de CAF betreft, zijn verzoeksters van mening dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij valt onder de verordeningen nr. 4056/86, nr. 17 en nr. 1017/68, voorzover hij wordt toegepast op de prijs van respectievelijk het zeevervoer, de havendiensten en het inlandvervoer. Verzoeksters wijzen erop dat zij in de periode waarin de FETTCSA van kracht was, de CAF enkel op hun tarieven voor zeevervoer hebben toegepast. Zij vestigen bovendien de aandacht op het feit dat een CAF per definitie alleen kan worden toegepast op kosten die worden gefactureerd in de munteenheid van de tarieven voor zeevervoer, namelijk Amerikaanse dollars (USD"). Er kan geen CAF worden toegepast op het inlandvervoer en de havendiensten omdat deze in de plaatselijke munteenheid worden gefactureerd, in welk geval dus geen schommeling in de wisselkoers behoeft te worden gecompenseerd.
55 Wat in de tweede plaats de THC betreft, stellen verzoeksters dat de Commissie ten onrechte concludeert dat zij niet onder verordening nr. 4056/86 vallen maar onder verordening nr. 17 of verordening nr. 1017/68.
56 Aangaande de feiten wijzen verzoeksters er om te beginnen op, dat anders dan in de bestreden beschikking is aangegeven, de THC niet de kosten dekken van de ontvangst van in containers te verladen vracht, de opslag van containers en de verplaatsing van de containers vanuit de terminal. Immers, terwijl de eerste handeling onder de LCLSC valt, geeft de tweede na het verstrijken van een bepaalde periode aanleiding tot liggeld. Verzoeksters verklaren vervolgens, dat zij de THC uitsluitend hebben toegepast op handelingen die in het havengebied in verband met het laden of het lossen van schepen zijn verricht. Bovendien worden de kosten van het inlandvervoer voor de vaststelling van de hoogte van de THC niet in aanmerking genomen. Ten slotte varieert de hoogte van de THC niet naargelang de zeevervoerder al dan niet het inlandvervoer verzorgt.
57 Verzoeksters stellen ten aanzien van het recht dat, voorzover de THC de kosten dekken van activiteiten die nauw samenhangen" met het verrichten van een zeevervoersdienst en onontbeerlijk" zijn voor deze dienstverrichting, uit het arrest van het Gerecht van 6 juni 1995, Union internationale des chemins de fer/Commissie (T-14/93, Jurispr. blz. II-1503), volgt dat zij uitsluitend onder verordening nr. 4056/86 vallen. De Commissie heeft overigens zelf in het kader van parallelle procedures erkend (zaak Compagnia di navigazione marittima, C-339/95, doorgehaald, en arrest Compagnie générale maritime e.a./Commissie, aangehaald in punt 15 hierboven), dat het laden en lossen van schepen een wezenlijk element van het zeevervoer is en daarvan integrerend deel uitmaakt. De bestreden beschikking berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting: ten eerste, zij vermeldt niet de activiteiten die nauw samenhangen met en onontbeerlijk zijn" voor het inlandvervoer, waarop de THC betrekking hebben; ten tweede, zij komt tot de conclusie dat de vrachtbehandeling niet onder verordening nr. 4056/86 valt, op grond dat het geen zeevervoersdiensten als zodanig zijn" (punt 128), terwijl het in rekening brengen van behandelingskosten door een scheepvaartmaatschappij, zonder dat de aard van de betrokken dienst in aanmerking moet worden genomen, noodzakelijkerwijs onder het verrichten van zeevervoer valt; en ten derde, zij verwijst ten onrechte naar beschikking 98/190/EG van de Commissie van 14 januari 1998 betreffende een procedure op grond van artikel [82] van het Verdrag (IV/34.801 - FAG - Flughafen Frankfurt/Main AG) (PB L 72, blz. 30), voorzover de kwestie van het aanbieden van platformafhandelingsdiensten aan de luchtvaartmaatschappijen, die volgens de Commissie onder verordening nr. 17 vielen, verschilt van die betreffende de dekking van de kosten van deze diensten door middel van belastingen en rechten die door de passagier of de eigenaar van de vracht aan de luchtvaartmaatschappij moeten worden betaald.
58 Wat in de derde plaats de LCLSC betreft, heeft de Commissie volgens verzoeksters ten onrechte geconcludeerd dat zij wél onder de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68, maar niet onder verordening nr. 4056/86 konden vallen. Volgens verzoeksters geeft de analyse van de Commissie blijk van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als haar analyse van de THC. Verzoeksters herhalen met name dat het irrelevant is dat de handelingen waarop de LCLSC betrekking hebben, geen zeevervoersdiensten als zodanig zijn", aangezien de betrokken handelingen nauw samenhangen met en onontbeerlijk zijn voor het verrichten van zeevervoersdiensten. De groepageactiviteiten zijn een wezenlijk deel van het containervervoer over zee. De kosten van behandeling en laden/lossen van de goederen in de havens zijn vanaf het begin van het conferencestelsel altijd gedekt door de door de scheepvaartmaatschappijen gezamenlijk afgesproken kosten en begrepen in de tarieven van de conferences, zodat een overeenkomst inzake de kosten van het verrichten van gelijkwaardige activiteiten met het oog op gecontaineriseerd vervoer moet worden geacht deel uit te maken van de onder verordening nr. 4056/86 vallende zeevervoersactiviteiten. Indien een toeslag onvolledige containerlading, zoals de Commissie erkent, onder verordening nr. 1017/68 kan vallen, voorzover hij op het inlandvervoer wordt toegepast, dan moet hij volgens verzoeksters ook onder verordening nr. 4056/86 kunnen vallen, voorzover hij op zeevervoer wordt toegepast. Verzoeksters merken in dit verband op dat artikel 2, lid 1, sub e, van verordening nr. 4056/86 overeenkomsten tussen vervoerders betreffende het samenvoegen van afzonderlijke zendingen" binnen de werkingssfeer van die verordening brengt.
59 Wat in de vierde plaats de toeslag voor oponthoud en het liggeld betreft, waarop volgens de Commissie eventueel de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 van toepassing zijn, maar niet verordening nr. 4056/86, merken verzoeksters om te beginnen op dat de bestreden beschikking deze twee soorten van kosten verwart. Zij preciseren dat het liggeld aan de adressaat van de container in rekening gebrachte kosten zijn wanneer de in de haven of de terminal afgeleverde container niet binnen de overeengekomen termijn wordt opgehaald, terwijl de toeslag voor oponthoud aan de lader en/of adressaat van de container in rekening gebrachte kosten zijn wanneer de bij hem afgeleverde containers langer dan de voor laden of lossen overeengekomen termijnen in bezit worden gehouden. Deze kosten komen dus niet overeen met een dienst of een door de vervoerder verrichte handeling, maar dienen ter compensatie van de kosten of de verliezen van de vervoerder doordat de klant te laat is met het in ontvangst nemen van de goederen of met het teruggeven van de container. Bijgevolg kan de Commissie niet stellen dat deze kosten geen verband houden met zeevervoersdiensten als zodanig". Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat deze kosten per definitie rechtstreeks verband houden met het zeevervoer en de levering van goederen, zodat zij onder verordening nr. 4056/86 moeten vallen.
60 Volgens verzoeksters rechtvaardigt het gebruik van een onjuiste rechtsgrondslag op zich de - volledig of gedeeltelijke - nietigverklaring van de bestreden beschikking zonder dat rekening behoeft te worden gehouden met de eventuele praktische gevolgen van de vergissing van de Commissie. Blijkens de arresten van het Hof van 28 mei 1998, Parlement/Raad (C-22/96, Jurispr. blz. I-3231), en 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad (C-376/98, Jurispr. blz. I-8419), waarbij het Hof de betwiste richtlijnen op grond van hun onjuiste rechtsgrondslag nietig heeft verklaard, is het bestaan van praktische gevolgen" geenszins een voorwaarde voor de nietigverklaring van een op basis van een onjuiste rechtsgrondslag vastgestelde handeling. Het in punt 57 hierboven aangehaalde arrest Union internationale des chemins de fer/Commissie, dat door de Commissie is aangevoerd, is niet ter zake dienend, aangezien het Gerecht in dat arrest weliswaar verwees naar de negatieve procedurele gevolgen van de keuze van een onjuiste rechtsgrondslag, maar niet van oordeel was dat die gevolgen een noodzakelijke voorwaarde voor de nietigverklaring van de door die onregelmatigheid aangetaste handeling zijn. Verder bevat het arrest van het Hof van 11 maart 1997 in hogere voorziening, Commissie/UIC (C-264/95 P, Jurispr. blz. I-1287), generlei aanwijzing dat het Hof van oordeel was dat de door de Commissie gekozen onjuiste rechtsgrondslag niet volstond om de nietigverklaring te rechtvaardigen.
61 Daarbij komt nog dat volgens verzoeksters de verkeerde keuze van de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking voor hen negatieve praktische gevolgen heeft gehad.
62 Om te beginnen zijn hun bij de bestreden beschikking op basis van de verordeningen nr. 1017/68 en nr. 17 geldboetes opgelegd. Voorzover de bestreden beschikking ten onrechte op deze verordeningen is gebaseerd, missen de daarbij opgelegde geldboetes dus elke rechtsgrondslag. In dit verband doet het er weinig toe dat de bestreden beschikking ook op verordening nr. 4056/86 is gebaseerd. Immers, verzoeksters zijn van mening dat indien de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat de betrokken overeenkomst onder de verordeningen nr. 17 en/of nr. 1017/68 valt, daaruit volgt dat elke bepaling van de bestreden beschikking, die op grond van deze verordeningen is vastgesteld, rechtsgrondslag mist. Bijgevolg verlenen deze verordeningen geen rechtsgrondslag aan de bepalingen van de bestreden beschikking, daaronder begrepen de vaststelling van inbreuken, het bevel om deze te beëindigen en de toepassing van geldboetes, wat betreft de kosten en toeslagen waarvan de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij onder de verordeningen nr. 17 en/of nr. 1017/68 vallen. Volgens verzoeksters moeten de geldboetes althans in dat opzicht nietig worden verklaard, en is het irrelevant dat de Commissie andere delen van de bestreden beschikking op verordening nr. 4056/86 baseert.
63 Ten tweede merken verzoeksters op dat, indien de bestreden beschikking een onderdeel van het acquis communautaire zou worden, de lijnvaartexploitanten zich niet meer kunnen beroepen op de groepsvrijstelling van verordening nr. 4056/86 voor hun overeenkomsten inzake kosten en toeslagen, en derhalve verplicht zijn ze aan te melden met het oog op de individuele vrijstelling krachtens de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68.
64 Ten derde stellen verzoeksters dat de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 verschillende gezichtspunten op het gebied van economisch beleid en wetgeving weergeven, zodat niet kan worden aangenomen dat de toetsing van een overeenkomst aan verordening nr. 1017/68 of verordening nr. 17 een passende beoordeling zou omvatten van alle factoren die relevant zijn voor een analyse van de overeenkomst in het licht van verordening nr. 4056/86 en de economische en praktische context daarvan.
65 Om al deze redenen stellen verzoeksters dat de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking in hun geheel of althans gedeeltelijk, voorzover zij gebaseerd zijn op verordeningen nr. 17 en nr. 1017/86, nietig moeten worden verklaard. In dit laatste geval vorderen verzoeksters bovendien nietigverklaring van de geldboeten die hun bij de bestreden beschikking zijn opgelegd krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 22, lid 2, van verordening nr. 1017/68. Volgens verzoeksters moet immers de nietigverklaring van de rechtsgrondslag, waarop de toepassing van een geldboete berust, leiden tot de nietigverklaring van deze boete, die dan geen rechtsgrondslag meer heeft. Aangezien uit de bestreden beschikking blijkt dat de geldboetes zijn opgelegd krachtens de drie verordeningen tezamen, die daarbij waarschijnlijk alle drie even belangrijk waren, moeten volgens verzoeksters deze geldboetes ten belope van twee derde van hun bedrag nietig worden verklaard.
66 Senator Lines stelt nog wat haar betreft, dat de rechtsdwaling van de Commissie op zich de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt. Zij betoogt dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van de legaliteit van de sanctie, dat is geformuleerd in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (EVRM") en bevestigd in de communautaire rechtspraak (zie met name arrest Hof van 25 september 1984, Könecke, 117/83, Jurispr. blz. 3291).
67 De Commissie concludeert tot afwijzing van het betoog van partijen inzake de onjuiste rechtsgrondslag.
b) Beoordeling door het Gerecht
68 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de bestreden beschikking volgens haar considerans is vastgesteld op de grondslag van verordening nr. 17, met name de artikelen 3, lid 1, en 15, lid 2, ervan, van verordening nr. 1017/68, met name de artikelen 11, lid 1, en 22, lid 2, ervan, en van verordening nr. 4056/86, met name de artikelen 11, lid 1, en 19, lid 2, ervan.
69 Vervolgens zij erop gewezen, dat de Commissie in punt 123 van de bestreden beschikking verklaart, dat de kosten en toeslagen die onder de FETTCSA vallen, zeevervoersdiensten betreffen die binnen de werkingssfeer van verordening [...] nr. 4056/86 vallen, diensten op het gebied van vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (of aanvullende diensten hiervoor) die binnen de werkingssfeer van verordening [...] nr. 1017/68 vallen en diensten die niet binnen de werkingssfeer van die twee verordeningen vallen en die bijgevolg binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 vallen".
70 Ten slotte zij vastgesteld dat de Commissie in de punten 125 tot en met 130 van de bestreden beschikking onderzoekt in hoeverre de verschillende relevante verordeningen van toepassing zijn op de voornaamste in geding zijnde kosten en toeslagen. De Commissie is tot de volgende conclusies gekomen:
- De BAF heeft betrekking op zeevervoer en derhalve valt een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake de BAF binnen de werkingssfeer van verordening [...] nr. 4056/86" (punt 126).
- Voorzover een CAF wordt toegepast op de prijs van zowel het zeevervoer, de havendiensten en het inlandvervoer, valt een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake een CAF binnen de werkingssfeer van respectievelijk verordening [...] nr. 4056/86, verordening nr. 17 en verordening [...] nr. 1017/68" (punt 127).
- [...] Een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake THC [valt] binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 en niet van verordening [...] nr. 4056/86. Voorzover een overeenkomst inzake een THC tot doel of ten gevolge heeft tarieven en voorwaarden met betrekking tot inlandvervoer vast te stellen, zal verordening [...] nr. 1017/68 en niet verordening nr. 17 van toepassing zijn" (punt 128).
- [...] Een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake een LCL-toeslag [valt] binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 en niet van verordening [...] nr. 4056/86. Voorzover een overeenkomst inzake een LCL-toeslag tot doel of ten gevolge heeft tarieven en voorwaarden met betrekking tot inlandvervoer vast te stellen, zal verordening [...] nr. 1017/68 en niet verordening nr. 17 van toepassing zijn" (punt 129).
- [...] Een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake toeslagen voor oponthoud of liggelden [valt] binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 en niet van verordening [...] nr. 4056/86. Voorzover een overeenkomst inzake toeslagen voor oponthoud of liggelden tot doel of ten gevolge heeft tarieven en voorwaarden met betrekking tot inlandvervoer vast te stellen, zal verordening [...] nr. 1017/68 en niet verordening nr. 17 van toepassing zijn" (punt 130).
71 Verzoeksters voeren aan dat de bestreden beschikking uitsluitend op verordening nr. 4056/86 had moeten worden gebaseerd en niet op deze verordening en de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 tezamen, omdat elk van voornoemde kosten en toeslagen enkel onder verordening nr. 4056/86 valt. Volgens verzoeksters moet de onterechte verwijzing naar de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 als rechtsgrondslag van de bestreden beschikking, tot nietigverklaring daarvan leiden.
72 Om te bepalen welke verordening van toepassing is op de kosten en toeslagen die onder de in de bestreden beschikking bedoelde overeenkomst vallen, moet worden uitgemaakt welke verordening van toepassing is op de diensten waarop die kosten en toeslagen betrekking hebben. De kosten en toeslagen vallen namelijk onder de werkingssfeer van de verordeningen die van toepassing kunnen zijn op de diensten waarop die kosten en toeslagen betrekking hebben. De Commissie heeft derhalve in punt 123 terecht vastgesteld dat de kosten en toeslagen welke zeevervoersdiensten betreffen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 vallen, dat die welke diensten op het gebied van vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren of aanvullende diensten hiervoor betreffen, onder verordening nr. 1017/68 vallen, en dat die welke diensten betreffen die niet binnen de werkingssfeer van die twee verordeningen vallen, onder verordening nr. 17 vallen.
73 Om uit te maken welke verordening van toepassing is op de diensten waarop de betrokken kosten en toeslagen betrekking hebben, moeten die diensten worden onderzocht in het licht van de bepalingen die de werkingssfeer van de betrokken verordeningen afbakenen (arrest Compagnie générale maritime e.a./Commissie, aangehaald in punt 15 hierboven, punt 260).
74 Aangezien verzoeksters stellen dat de kosten en toeslagen waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, alle volledig vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 en niet van de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68, moet in casu worden uitgemaakt in hoeverre de bestreden beschikking de toepassing van verordening nr. 4056/86 op de betrokken kosten en toeslagen uitsluit, en vervolgens worden onderzocht of de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de toepassing van verordening nr. 4056/86 daarop uit te sluiten.
75 Aangaande de toepassing van verordening nr. 4056/86 op de betrokken kosten en toeslagen moet om te beginnen worden opgemerkt, dat tussen partijen vaststaat dat de BAF onder de werkingssfeer van die verordening valt.
76 Vervolgens zij met betrekking tot de CAF opgemerkt dat de bestreden beschikking volgens de bewoordingen van punt 127 weliswaar de eventuele toepassing van de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 overweegt, voorzover de CAF van toepassing is op de prijs van de havendiensten en het inlandvervoer, maar dat de Commissie volgens dit punt verder concludeert dat de CAF valt onder verordening nr. 4056/86, voorzover hij op de prijs van het zeevervoer wordt toegepast. Hieruit volgt dat, zelfs al is de Commissie uitgegaan van een distributieve toepassing van de betrokken verordeningen, zij formeel de toepassing van verordening nr. 4056/86 op de CAF heeft overwogen. Zonder dat de bezwaren van verzoeksters betreffende de onjuiste toepassing van de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 op de CAF in aanmerking behoeven te worden genomen, zij vastgesteld dat de eventuele vergissing van de Commissie op dat punt niet van dien aard is dat zij de ongeldigheid van de bestreden beschikking zou meebrengen.
77 Ten slotte, anders dan de Commissie met betrekking tot de THC stelt, kan uit de verklaring in punt 128 van de bestreden beschikking, dat een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake THC [althans ten dele] binnen de werkingssfeer van verordening nr. 17 en niet van verordening [...] nr. 4056/86" valt, niet worden afgeleid dat die beschikking de gedeeltelijke toepassing van verordening nr. 4056/86 op die extra kosten bevestigt. Immers, uit deze passage van de bestreden beschikking blijkt duidelijk, dat de woorden ten dele" niet slaan op de toepassing van verordening nr. 4056/86 maar op die van verordening nr. 17. Deze uitlegging vindt steun in de daaropvolgende zin van dat punt, die luidt dat voorzover een overeenkomst inzake een THC tot doel of ten gevolge heeft tarieven en voorwaarden met betrekking tot inlandvervoer vast te stellen, verordening [...] nr. 1017/68 en niet verordening nr. 17 van toepassing zal zijn".
78 Bijgevolg heeft de Commissie blijkens de punten 126 tot en met 130 van de bestreden beschikking de toepassing van verordening nr. 4056/86 enkel met betrekking tot de THC, de LCLSC, de toeslag voor oponthoud en het liggeld uitgesloten.
79 Derhalve moet worden nagegaan of de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar zij de toepassing van verordening nr. 4056/86 op die kosten en toeslagen heeft uitgesloten.
80 In dit verband zij eraan herinnerd, dat de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling niet alleen mag afhangen van de opvatting van een instelling omtrent het nagestreefde doel, maar moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn (arrest Hof van 26 maart 1987, Commissie/Raad, 45/86, Jurispr. blz. 1493, punt 11, en arrest Gerecht van 7 juli 1999, Wirtschaftsvereinigung Stahl/Commissie, T-106/96, Jurispr. blz. II-2155, punt 109). Volgens vaste rechtspraak heeft voorts de Commissie krachtens artikel 253 EG de verplichting om haar beschikkingen te motiveren, teneinde de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist, en de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 51).
81 In casu zij om te beginnen opgemerkt dat blijkens punt 125 van de bestreden beschikking de Commissie niet heeft bepaald welke verordening geldt voor alle kosten en toeslagen die onder de betrokken overeenkomst vallen, maar uitsluitend voor de voornaamste daarvan. Zoals hierboven is vastgesteld, geeft de bestreden beschikking immers een beschrijving van de toepassing van de relevante verordeningen enkel voor zes kosten en toeslagen die onder de betrokken overeenkomst vallen, te weten de BAF, de CAF, de THC, de LCLSC, de toeslag voor oponthoud en het liggeld. Volgens de bestreden beschikking behelst de betrokken overeenkomst, die een schending vormt van artikel 81, lid 1, EG, niet enkel een verbod om kortingen te verlenen met name op voornoemde zes kosten en toeslagen, maar op alle kosten en toeslagen die op de routes tussen Noord-Europa en het Verre Oosten worden toegepast. Blijkens de punten 28 en 29 van de bestreden beschikking - punt 29 verwijst naar bijlage II ervan - had de betrokken overeenkomst ook betrekking op andere kosten en toeslagen, zoals de speciale-uitrustingspremie, oorlogstoeslagen, alsmede extra kosten inzake optiehavens, wijziging van bestemming, wijziging van de leveringsstatus en inzake het vervoer van zendingen met een waarde die buiten de normale cognossementsaansprakelijkheid van de vervoerder valt.
82 Vastgesteld moet worden dat de bestreden beschikking in bijlage II weliswaar een beschrijving geeft van het voorwerp van elk van voornoemde kosten en toeslagen, maar niet de verordeningen aanduidt die op sommige daarvan van toepassing zijn. Blijkens de punten 126 tot en met 130 van de bestreden beschikking kunnen op de daarin behandelde zes kosten en toeslagen diverse verordeningen worden toegepast, eventueel tezamen.
83 Vervolgens zij met betrekking tot de THC, LCLSC, toeslag voor oponthoud en liggeld opgemerkt dat de bestreden beschikking enkel aangeeft dat verordening nr. 4056/86 niet van toepassing is op grond dat de diensten waarvoor deze extra kosten worden aangerekend, geen zeevervoersdiensten als zodanig zijn. De bestreden beschikking verklaart met betrekking tot de eerste twee alleen maar dat zij ladingbehandelingsdiensten binnen het haven- of terminalgebied zijn, en met betrekking tot de volgende twee dat zij betrekking hebben op handelingen die equivalent zijn aan respectievelijk opslag van goederen en huur van uitrusting.
84 Deze verklaringen van algemene aard geven echter niet de precieze redenen aan waarom, gelet op artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 4056/86, de betrokken kosten en toeslagen niet vallen binnen de werkingssfeer van die verordening als afgebakend in deze bepalingen. In punt 142 van de bestreden beschikking wijst de Commissie zelf erop dat havendiensten, landvervoersdiensten en stuwadoorsdiensten zijn aan te merken als aanvullende diensten bij het zeevervoer. In die omstandigheden was de Commissie des te meer verplicht om in de bestreden beschikking uiteen te zetten waarom dergelijke aanvullende diensten bij het zeevervoer, die voorts door de zeevervoerders in het kader van het tarief voor zeevervoer in rekening worden gebracht, geen zeevervoersdiensten zijn die onder verordening nr. 4056/86 vallen.
85 Daar de bestreden beschikking geen enkele aanwijzing bevat omtrent de rechtsgrondslag die is gekozen voor een aantal van de kosten en toeslagen die onder de betrokken overeenkomst vallen, en omtrent de redenen die de niet-toepassing van verordening nr. 4056/86 op de THC, LCLSC, toeslag voor oponthoud en liggeld rechtvaardigen, kan het Gerecht derhalve niet uitsluiten dat de Commissie in de bestreden beschikking de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 ten onrechte heeft toegepast op de kosten en toeslagen die onder de betrokken overeenkomst vallen. Zonder dat in dit stadium op deze vraag uitspraak behoeft te worden gedaan, moet evenwel om te beginnen worden uitgemaakt of de eventuele vergissing van de Commissie ten aanzien van de rechtsgrondslag, tot negatieve gevolgen voor verzoeksters heeft geleid. Immers, aangezien in casu de bestreden beschikking gebaseerd is op drie rechtsgrondslagen waarvan één niet door verzoeksters wordt betwist, kan enkel indien sprake is van dergelijke negatieve gevolgen voor verzoeksters, de vergissing van de Commissie grond opleveren voor de nietigverklaring van de bestreden beschikking (zie in die zin arrest Union internationale des chemins de fer/Commissie, aangehaald in punt 57 hierboven, punt 58).
86 Blijkens punt 124 van de bestreden beschikking heeft de Commissie in casu de krachtens de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 geldende procedures tezamen toegepast. Het staat namelijk vast dat de Commissie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking alle procedurele formaliteiten van de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 in acht heeft genomen. Zo heeft de Commissie onder meer de bij de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 ingestelde drie Adviescomités voor mededingingsregelingen en economische machtsposities geraadpleegd, en heeft zij overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1017/68 minstens 20 dagen laten verstrijken nadat die comités hun advies hadden uitgebracht. De Commissie heeft in punt 124 van de bestreden beschikking dus terecht vastgesteld dat, zelfs indien zij niet de juiste verordening(en) had vermeld die van toepassing is (zijn) op elk van de kosten en toeslagen, partijen de procedurele waarborgen hebben genoten van alle verordeningen die eventueel van toepassing hadden kunnen zijn. In dat opzicht lijkt de onterechte verwijzing naar de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 als rechtsgrondslag van de bestreden beschikking verzoeksters niet te kunnen benadelen.
87 Verzoeksters voeren evenwel aan dat de vergissing van de Commissie ten aanzien van de rechtsgrondslag voor hen heeft geleid tot drie soorten van negatieve gevolgen, die grond opleveren voor nietigverklaring van de bestreden beschikking.
88 In de eerste plaats worden hun bij de bestreden beschikking geldboeten opgelegd krachtens de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68. Daar de Commissie enkel bevoegd is om geldboeten op te leggen op basis van de verordeningen tot uitvoering van artikel 81 EG en niet rechtstreeks op basis van laatstgenoemde bepaling, en aangezien zij de vastgestelde inbreuk ten onrechte op die verordeningen baseert, missen de door haar opgelegde geldboeten, althans gedeeltelijk, ten belope van twee derde van het bedrag ervan, elke rechtsgrondslag.
89 Verzoeksters' opvatting is gebaseerd op de premisse, dat de bestreden beschikking dient te worden opgevat als een bundel afzonderlijke individuele beschikkingen, waarvan elke beschikking betrekking heeft op een van de betrokken kosten of toeslagen. In die omstandigheden zou elke ten onrechte op verordening nr. 17 of verordening nr. 1017/68 gebaseerde beschikking rechtsgrond missen voorzover daarbij geldboeten worden opgelegd, en zou zij derhalve nietig moeten worden verklaard.
90 Vastgesteld moet evenwel worden, dat deze opvatting geen steun vindt in de bestreden beschikking.
91 Ten eerste wordt met name in punt 133 van deze beschikking vastgesteld dat verzoeksters inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG, niet wegens het bestaan van een aantal verschillende overeenkomsten, waarvan elk tot doel heeft kortingen op bepaalde kosten of toeslagen te verbieden, maar wegens het bestaan van een enkele overeenkomst om geen kortingen te verlenen op alle kosten en toeslagen die door de bij de FETTCSA aangesloten scheepvaartmaatschappijen worden toegepast. Volgens de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking is die overeenkomst neergelegd in één document, te weten de notulen van een FETTCSA-bijeenkomst van 9 juni 1992.
92 Ten tweede zijn de geldboetes in de bestreden beschikking wegens de vastgestelde inbreuk opgelegd vanwege het doel van de betrokken overeenkomst, namelijk de mededinging beperken, ongeacht de gevolgen daarvan voor de hoogte van de prijzen van de diensten waarop de betrokken kosten en toeslagen betrekking hebben. In het bijzonder volgt uit de punten 176 en 179 van de bestreden beschikking dat de geldboeten werden opgelegd op basis van de drie verordeningen tezamen. Ter terechtzitting hebben verzoeksters overigens erkend dat zij niet de geringste vorm van bewijs of aanwijzing in de beschikking konden vinden ten bewijze dat het bedrag van de geldboete is uitgesplitst naar gelang van het gevolg van de betrokken overeenkomst voor elk van de onder de relevante verordeningen vallende diensten.
93 Ten derde is de bestreden beschikking vastgesteld na afloop van één enkele administratieve procedure met inachtneming van de eisen die in elk van de toepasselijke drie verordeningen worden gesteld. Met name staat buiten kijf dat elk van de bij de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 ingestelde drie Adviescomités is geraadpleegd over alle in de bestreden beschikking bedoelde kosten en toeslagen.
94 Voorzover verzoeksters zelf erkennen dat verordening nr. 4056/86 een passende rechtsgrondslag voor de bestreden beschikking vormt, moet in die omstandigheden worden geconcludeerd dat, zelfs indien bepaalde onder de bestreden beschikking vallende kosten en toeslagen niet onder de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 zouden vallen, artikel 19, lid 2, van verordening nr. 4056/86 volstaat als grondslag voor de bevoegdheid van de Commissie om alle geldboeten op te leggen, waarmee het sluiten van de betrokken overeenkomst wordt bestraft.
95 In de tweede plaats merken verzoeksters op dat, indien de bestreden beschikking een onderdeel van het acquis communautaire zou worden, de lijnvaartexploitanten zich niet meer kunnen beroepen op de groepsvrijstelling van verordening nr. 4056/86 voor hun overeenkomsten inzake kosten en toeslagen, en derhalve verplicht zouden zijn ze aan te melden met het oog op een individuele vrijstelling overeenkomstig de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68.
96 In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat tussen partijen vaststaat dat de FETTCSA geen lijnvaartconference is in de zin van artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86, en dat de scheepvaartmaatschappijen die de betrokken overeenkomst hebben ondertekend, zich niet kunnen beroepen op de groepsvrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 met het oog op bepaalde prijsvaststellingsovereenkomsten. Anders dan verzoeksters stellen, kan de bestreden beschikking bijgevolg niet bedoeld zijn om een onderdeel van het acquis communautaire te worden dat als zodanig aan de lijnvaartconferences kan worden opgelegd. Ongeacht de inhoud van de vaststellingen van de Commissie in de punten 123 tot en met 130 van de bestreden beschikking ter zake van de toepassing van verordening nr. 4056/86 op de kosten en toeslagen die in de betrokken overeenkomst zijn bedoeld, kan, zonder dat een uitspraak over de gegrondheid van die vaststellingen behoeft te worden gedaan, worden volstaan met op te merken dat verzoeksters vrij blijven om de overeenkomsten die zij in het kader van de lijnvaartconferences sluiten tot vaststelling van het bedrag van de kosten en toeslagen, niet bij de Commissie aan te melden indien de overeenkomsten volgens hen onder de groepsvrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 vallen. Verder behouden zij hoe dan ook het recht om voor het Gerecht op te komen tegen elke eventuele toekomstige beoordeling dienaangaande door de Commissie.
97 Ten derde stellen verzoeksters dat de verordeningen nr. 17, nr. 1017/68 en nr. 4056/86 verschillende gezichtspunten op het gebied van economisch beleid en wetgeving weergeven, zodat niet kan worden aangenomen dat de toetsing van een overeenkomst aan de verordeningen nr. 17 of nr. 1017/68 een passende beoordeling zou omvatten van alle factoren die relevant zijn voor een analyse van de overeenkomst in het licht van verordening nr. 4056/86 en van de economische en praktische context daarvan.
98 In dit verband zij vastgesteld dat verordening nr. 4056/86 volgens de vijfde overweging van de considerans is ingevoerd teneinde rekening te houden met de noodzaak, enerzijds, toepassingsregels vast te stellen waarmee de Commissie zich ervan kan vergewissen dat de mededinging op de gemeenschappelijke markt niet op onrechtmatige wijze wordt vervalst, en, anderzijds, een overdadige reglementering van de sector te vermijden. Zo heeft het Gerecht reeds erop gewezen dat artikel 3 van verordening nr. 4056/86 voorziet in een volstrekt uitzonderlijke groepsvrijstelling voor door de leden van de lijnvaartconferences gesloten horizontale prijsvaststellingsovereenkomsten voor het zeevervoer wegens de stabiliserende werking daarvan (arrest Compagnie générale maritime e.a./Commissie, aangehaald in punt 15 hierboven, punt 254). In die omstandigheden kan derhalve in beginsel niet worden uitgesloten, zoals verzoeksters terecht stellen, dat de toetsing van een overeenkomst of een praktijk aan verordening nr. 4056/86, althans in bepaalde opzichten tot andere resultaten kan leiden dan de toetsing aan de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68.
99 In casu moet echter worden vastgesteld dat verzoeksters weliswaar melding maken van de mogelijkheid dat de beoordeling van hun overeenkomst anders had kunnen uitvallen, indien deze uitsluitend was getoetst aan verordening nr. 4056/86, maar zij preciseren geenszins in welk opzicht die toetsing anders had kunnen uitvallen en zij voeren geen enkel bewijs tot staving van hun stelling aan.
100 Verder zij eraan herinnerd dat in het onderhavige geval de in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk bestaat in een overeenkomst om geen kortingen op kosten en toeslagen te verlenen, die tussen de leden van een lijnvaartconference, de FEFC, en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen is gesloten. Om de redenen die in het kader van het middel betreffende onjuiste toepassing van artikel 81, lid 1, EG en artikel 2 van verordening nr. 1017/68 zullen worden uiteengezet, moet een dergelijke overeenkomst als een horizontale collectieve prijsvaststellingsovereenkomst worden aangemerkt. Horizontale prijsafspraken zijn evenwel niet alleen uitdrukkelijk verboden bij artikel 81, lid 1, sub a, EG en artikel 2, sub a, van verordening nr. 1017/68, maar zij vormen ook duidelijke inbreuken op het communautaire mededingingsrecht (arresten Gerecht van 10 maart 1992, Montedipe/Commissie, T-14/89, Jurispr. blz. II-1155, punt 265, en 6 april 1995, Tréfilunion/ Commissie, T-148/89, Jurispr. blz. II-1063, punt 109). Dat geldt ook in het kader van verordening nr. 4056/86, aangezien de betrokken prijsvaststellingsovereenkomst tussen de leden van een lijnvaartconference en onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen is gesloten, en dus afbreuk doet aan de daadwerkelijke concurrentie van de niet bij een conference aangesloten scheepvaartmaatschappijen, terwijl volgens de achtste overweging van verordening nr. 4056/86 een daadwerkelijke concurrentie van de kant van de niet-conferencelijnen een van de voornaamste rechtvaardigingsgronden voor een groepsvrijstelling van artikel 3 van die verordening vormt. Volgens artikel 7, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 4056/86 kunnen derhalve handelingen van lijnvaartconferences die tot uitschakeling van feitelijke of potentiële mededinging buiten de conference leiden, de intrekking door de Commissie van de groepsvrijstelling rechtvaardigen.
101 Vastgesteld moet dus worden dat verzoeksters niet hebben aangetoond in welk opzicht het gebruik van de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 in plaats van verordening nr. 4056/86 als rechtsgrondslag voor de bestreden beschikking met betrekking tot een aantal van de betrokken kosten en toeslagen tot een andere beoordeling van de betrokken overeenkomst kon leiden.
102 Bijgevolg kan geen van de door verzoeksters gestelde negatieve gevolgen in aanmerking worden genomen.
103 Zonder dat behoeft te worden onderzocht of de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar zij de bestreden beschikking op de verordeningen nr. 17 en nr. 1017/68 heeft gebaseerd, moet bijgevolg verzoeksters' middel betreffende een onjuiste rechtsgrondslag worden afgewezen, aangezien de gestelde vergissing verzoeksters niet de procedurele waarborgen van de toepasselijke procesregels heeft ontzegd en geen negatief gevolg voor hun rechtspositie heeft gehad.
Schending van de rechten van de verdediging
a) Argumenten van partijen
104 Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij niet eenmaal in de administratieve procedure uitvoerig heeft onderzocht welke verordening van toepassing is op de verschillende in de bestreden beschikking bedoelde kosten en toeslagen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex