Gerecht EU 7 november 2002, T-141/99, ECLI:EU:T:2002:270

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Partijen

In de gevoegde zaken T-141/99, T-142/99, T-150/99 en T-151/99,

Vela Srl, gevestigd te Milaan (Italië),

Tecnagrind SL, gevestigd te Barcelona (Spanje),

vertegenwoordigd door G. M. Scarpellini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeksters,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga als gemachtigde, bijgestaan door M. Moretto, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende, in zaak T-141/99, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (1999) 540 van de Commissie van 9 maart 1999 houdende intrekking van de bijstand die aan Vela Srl is toegekend bij beschikking C (92) 1494 van de Commissie van 30 juni 1992 betreffende de toekenning van steun uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, krachtens verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het EOGFL, afdeling Oriëntatie (PB L 374, blz. 25), in het kader van project nr. 92.IT.06.001, genaamd "Actie in de vorm van een demonstratieproject inzake de introductie en verkoopbevordering van Luffa cylindrica in achtergestelde Europese gebieden", in zaak T-142/99, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (1999) 541 van de Commissie van 4 maart 1999 houdende intrekking van de bijstand die aan Sonda Srl is toegekend bij beschikking C (93) 3401 van de Commissie van 26 november 1993 betreffende de toekenning van steun uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, krachtens verordening nr. 4256/88, in het kader van project nr. 93.IT.06.057, genaamd "Proef- en demonstratieproject ter vermindering van de productiekosten en de bemesting in de zonnebloemteelt", in zaak T-150/99, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (1999) 532 van de Commissie van 4 maart 1999 houdende intrekking van de bijstand die aan Tecnagrind SL is toegekend bij beschikking C (93) 3395 van de Commissie van 26 november 1993 betreffende de toekenning van steun uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, krachtens verordening nr. 4256/88, in het kader van project nr. 93.ES.06.031, genaamd "Proef- en demonstratieproject inzake het meervoudig gebruik van vetiver (Vetiveria Zizanoides) in het Middellandse-Zeegebied", en in zaak T-151/99, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (1999) 533 van de Commissie van 4 maart 1999 houdende intrekking van de bijstand die aan Tecnagrind SL is toegekend bij beschikking C (96) 2235 van de Commissie van 13 september 1996 betreffende de toekenning van steun uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, krachtens verordening nr. 4256/88, in het kader van project nr. 95.ES.06.005 genaamd, "Demonstratieproject inzake de verwerking van ricinus (Ricinus Communis) op landbouwbedrijven ten behoeve van de extractie van natuurlijke aroma's",

wijst HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, K. Lenaerts en J. Azizi, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur,

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 20 februari 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

Juridisch kader

1 Teneinde de economische en sociale samenhang in de zin van artikel 158 EG te versterken, heeft verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9) de structuurfondsen onder meer belast met de bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand, alsmede de bespoediging van de aanpassing van de landbouwstructuren en de bevordering van de ontwikkeling van het platteland in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (artikel 1, punt 1, en punt 5, sub a en b). Deze verordening is gewijzigd bij verordening nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 5).

2 De oorspronkelijke versie van artikel 5, lid 2, sub e, van verordening nr. 2052/88 bepaalde, dat de financiële bijstandsverlening van de structuurfondsen kan plaatsvinden in de vorm van steun ten behoeve van de technische bijstand en van de voorbereidende studies inzake de opstelling van de acties. De bij verordening nr. 2081/93 gewijzigde versie luidt, dat de financiële bijstandsverlening van de structuurfondsen kan plaatsvinden in de vorm van steun ten behoeve van de technische bijstand, met inbegrip van de maatregelen inzake de voorbereiding van, de beoordeling vooraf van, het toezicht op en de evaluatie van de acties, en de proef- en demonstratieprojecten.

3 Op 19 december 1988 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 4256/88 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het EOGFL, Afdeling Oriëntatie (PB L 374, blz. 25), vastgesteld. Deze verordening is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2085/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 44).

4 De oorspronkelijke versie van artikel 8 van verordening nr. 4256/88 bepaalde, dat de bijdrage van het EOGFL voor de in artikel 5, lid 2, sub e, van verordening nr. 2052/88 bedoelde vorm van bijstandsverlening onder meer betrekking kan hebben op de uitvoering van proefprojecten inzake het bevorderen van plattelandsontwikkeling, met inbegrip van het ontwikkelen en optimaal benutten van bossen (eerste streepje) en de uitvoering van demonstratieprojecten die aan de landbouwers de werkelijke mogelijkheden moeten laten zien van de productiesystemen, -methoden en -technieken die aansluiten bij de doelstellingen welke met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden beoogd (vierde streepje). In de bij verordening nr. 2085/93 gewijzigde redactie bepaalt dit artikel dat het EOGFL, in het kader van zijn taken, ten belope van ten hoogste 1 % van zijn jaarlijkse middelen kan bijdragen aan de financiering van onder meer de uitvoering van proefprojecten inzake aanpassing van de land- en bosbouwstructuur en bevordering van de plattelandsontwikkeling, en de uitvoering van demonstratieprojecten, inclusief projecten inzake de ontwikkeling en valorisatie van de bossen alsmede inzake het verwerken en de afzet van landbouwproducten, die de werkelijke mogelijkheden moeten laten zien van productie- en beheersystemen, -methoden en -technieken die aansluiten bij de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

5 Op 19 december 1988 heeft de Raad tevens verordening nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1), vastgesteld. Deze verordening is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20).

6 Uit de twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 4253/88 volgt, dat de bijstandsverlening door de Gemeenschap in het kader van de structuurfondsen voornamelijk de vorm van medefinanciering van operationele programma's moet aannemen. De wijze waarop deze bijstandsverlening moet geschieden, is vastgelegd in artikel 17 van deze verordening, zoals gewijzigd.

7 Verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, bevat tevens bepalingen betreffende de betaling van de financiële bijstand (artikel 21), de controle op de gefinancierde acties (artikel 23) en de vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand (artikel 24).

8 Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, bepaalt met betrekking tot de financiële controle:

"Onverminderd de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en onverminderd het bepaalde in artikel 206 van het Verdrag en alle inspecties op grond van artikel 209, onder c), van het Verdrag, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de structuurfondsen gefinancierde acties, alsook de beheers- en controlesystemen, ter plaatse controleren, onder meer door middel van steekproeven.

De Commissie stelt de betrokken lidstaat vooraf in kennis van een controle ter plaatse teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. De uitvoering door de Commissie van eventuele controles ter plaatse zonder aanzegging wordt beheerst door overeenkomsten die in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement zijn gesloten in het kader van het partnerschap. Ambtenaren of andere personeelsleden van de lidstaat mogen aan de controles deelnemen.

De Commissie kan de betrokken lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van het betalingsverzoek na te gaan. Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controle deelnemen en zijn verplicht dit te doen indien de betrokken lidstaat hierom verzoekt.

De Commissie ziet erop toe dat de controles die zij verricht, zodanig gecoördineerd worden dat herhaling van controles in een zelfde zaak en in een zelfde periode wordt vermeden. De betrokken lidstaat en de Commissie stellen elkaar onverwijld op de hoogte van alle passende informatie betreffende de resultaten van de uitgevoerde controles."

9 Artikel 24 van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, bepaalt met betrekking tot de vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand:

"1. Indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen.

2. Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht.

3. Ieder bedrag dat tot een terugvordering wegens onverschuldigde betaling aanleiding geeft, moet aan de Commissie worden terugbetaald. Niet-terugbetaalde bedragen worden in overeenstemming met het Financieel Reglement en met de regels die de Commissie volgens de in titel VIII bedoelde procedures vaststelt, vermeerderd met de moratoire interessen."

De feiten

10 De onderhavige zaken hebben betrekking op vier van de vijf projecten die tussen januari 1992 en maart 1995 op basis van artikel 8 van verordening nr. 4256/88 zijn ingediend door een reeks ondernemingen die in handen zijn van een kleine groep natuurlijke personen.

11 Zaak T-141/99 heeft betrekking op het door de Italiaanse onderneming Vela Srl (hierna: "Vela") ingediende project inzake de introductie en verkoopbevordering van Luffa cylindrica in achtergestelde Europese gebieden. Zaak T-142/99 betreft het project van de door Vela gecontroleerde Italiaanse onderneming Sonda Srl (hierna: "Sonda") ter vermindering van de productiekosten en de bemesting in de zonnebloemteelt. In zaak T-150/91 gaat het om het project inzake het meervoudig gebruik van vetiver in het Middellandse-Zeegebied dat is ingediend door de Spaanse onderneming Tecnagrind SL (hierna: "Tecnagrind"). Zaak T-151/99 heeft betrekking op het project van Tecnagrind inzake de verwerking van ricinus op landbouwbedrijven ten behoeve van de extractie van natuurlijke aroma's. Tijdens de in het vorige punt vermelde periode is door de Italiaanse onderneming Faretra Srl (hierna: "Faretra") ook een project ingediend betreffende de ontwikkeling van de beweiding van bomen.

Project Luffa

12 Op 17 januari 1992 heeft Vela bij de Commissie een verzoek om financiële bijstand van de Gemeenschap ingediend voor een project, ter demonstratie op landbouwkundig terrein en voor industrieel gebruik, inzake de introductie en verkoopbevordering in bepaalde achtergestelde Europese gebieden van Luffa cylindrica, een plant van de familie der komkommerachtigen, waarvan de rijpe vrucht een vezelachtige pulp bevat die bijzonder sterk is (project nr. 92.IT.06.001; hierna: "project Luffa").

13 Volgens het verzoek zou het project Luffa worden uitgevoerd op het landbouwbedrijf van de heer Troglia te Alghero in de provincie Sassari (Italië). Het project was bedoeld om in toepassingen buiten de voedingsmiddelensector chemische en synthetische producten te vervangen door biologisch afbreekbare producten. Vela verklaarde over een uitstekende materiaalkennis te beschikken en haar onderzoek op dit gebied te zullen voortzetten. Zij maakte melding van contacten met de landbouwfaculteit van de universiteit van Sassari en met de Provinciale Landbouw- en Bosbouwinspectie van Sassari, die beide belangstelling voor het project zouden hebben getoond.

14 Qua personeelsinzet vergde het project Luffa een projectleider voor een periode van 26 manmaanden, een productmanager voor 28 manmaanden, een technisch manager voor eenzelfde periode, een landbouwkundig ingenieur voor 24 manmaanden en landarbeiders voor 140 manmaanden. Het totale budget van het project bedroeg 2 310 000 ECU. Vela vroeg om financiële bijstand van de Gemeenschap ter hoogte van 75 %, dat wil zeggen een bedrag van 1 732 500 ECU. Tezamen met het landbouwbedrijf van de heer Troglia wilde zij 10 % van het project, dus 231 000 ECU, financieren; voor de resterende 15 % wilde zij een beroep doen op regionale fondsen. Vela verklaarde dat het Italiaanse bedrijf SoFIM (hierna: "SoFIM") had toegezegd, zich garant te zullen stellen voor 25 % van het medefinancieringsbedrag van het project Luffa, in de vorm van de opening van een rekening-courantkrediet, voor het geval de financiële steun van de Sardische regionale instanties te laat zou worden uitbetaald.

15 Bij beschikking C (92) 1494 van 30 juni 1992 (hierna: "toekenningsbeschikking voor het project Luffa") heeft de Commissie Vela voor het project Luffa financiële steun uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toegekend (artikel 1).

16 Volgens artikel 2 van deze beschikking bedroeg de looptijd van het project Luffa 45 maanden, te rekenen vanaf de datum van voornoemde beschikking, dat wil zeggen de periode van 30 juni 1992 tot en met 31 maart 1996.

17 Krachtens artikel 3 van de beschikking kwamen de totale kosten van het project Luffa, die waren geraamd op 2 310 000 ECU, volledig in aanmerking voor financiering, waarbij de financiële bijdrage van de Gemeenschap beperkt bleef tot maximaal 1 470 000 ECU. Verder bepaalde dit artikel, dat indien van de uiteindelijk gemaakte kosten een kleiner deel voor financiering in aanmerking zou komen dan aanvankelijk was voorzien, de bijstand bij de uitbetaling van het saldo dienovereenkomstig zou worden verlaagd.

18 Uit het financieringsplan in bijlage I bij de toekenningsbeschikking voor het project Luffa volgt, dat het resterende bedrag moest worden gefinancierd door de Provinciale Inspectie van Sassari, ten belope van 350 000 ECU, en door Vela, ten belope van 490 000 ECU.

19 Volgens de financieringsvoorwaarden in bijlage II bij de beschikking mocht de Commissie, teneinde de juistheid van de financiële gegevens betreffende de diverse uitgaven na te gaan, inzage vorderen van alle originele stukken dan wel de gewaarmerkte afschriften daarvan, waarbij zij hetzij ter plaatse een onderzoek kon instellen hetzij om toezending van de betrokken stukken kon verzoeken (punt 5). Voorts kon de Gemeenschap, indien een van de in deze bijlage vermelde voorwaarden niet werd nageleefd of indien acties werden uitgevoerd die niet in bijlage I waren gespecificeerd, de financiële bijstand opschorten, verminderen of intrekken en de reeds uitbetaalde bijdrage terugvorderen (punt 10).

20 Op 24 september 1992 heeft de Commissie Vela een eerste tranche van de bijstand, ten belope van 584 000 ECU, uitbetaald.

21 Op 3 mei 1993 heeft Vela om uitbetaling van een tweede tranche ter hoogte van 438 000 ECU verzocht. Na een administratieve en financiële controle ter plaatse tussen 19 en 23 juli 1993 en een bezoek aan de demonstratievelden, waarbij geen bijzondere onregelmatigheden aan het licht waren getreden, heeft de Commissie deze tweede tranche betaald.

22 Bij brieven van 11 en 23 maart 1994 heeft Vela de Commissie ervan in kennis gesteld, dat de Provinciale Inspectie van Sassari haar niet de in de toekenningsbeschikking voor het project Luffa bedoelde financiering van 350 000 ECU had toegekend, zodat het haar door SoFIM ter beschikking gestelde financieringsbedrag was verhoogd van 580 000 ECU tot 840 000 ECU.

23 Op 11 juni 1996 heeft Vela de Commissie verzocht haar het saldo van de communautaire steun, te weten 438 000 ECU, uit te betalen.

24 Van 22 tot en met 26 juli 1996 heeft de Commissie opnieuw een controle ter plaatse verricht. Afgezien van het feit dat sommige uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen, is ook ditmaal niets bijzonders geconstateerd.

25 Op 17 december 1996 heeft de Commissie Vela het saldo van de communautaire steun uitgekeerd.

Project Girasole

26 Op 8 september 1993 heeft Sonda bij de Commissie een verzoek ingediend om financiële bijstand van de Gemeenschap voor een proef- en demonstratieproject ter vermindering van de productiekosten en de bemesting in de zonnebloemteelt (project nr. 93.IT.06.057; hierna: "project Girasole").

27 Volgens dit verzoek zou het project Girasole worden uitgevoerd op het landbouwbedrijf Santa Margherita in de provincie Sassari (Italië). Het project had tot doel, de technische en de energiekosten in de zonnebloemteelt te verlagen door middel van grondbedekking. Dit procédé houdt in, dat een ondoorlaatbaar dekzeil over de velden wordt gespreid, waardoor de groei van onkruid wordt tegengegaan en bij de irrigatie een aanzienlijke hoeveelheid water kan worden bespaard. De uitvoering van dit project vergde minimaal veertien medewerkers.

28 Bij beschikking C (93) 3401 van 26 november 1993 (hierna: "toekenningsbeschikking voor het project Girasole") heeft de Commissie Sonda voor het project Girasole financiële bijstand van het EOFGL, afdeling Oriëntatie, toegekend (artikel 1).

29 Volgens artikel 2 van deze beschikking bedroeg de looptijd van het project 26 maanden, van 1 november 1993 tot en met 31 december 1995.

30 De totale kosten van het project Girasole bedroegen 1 235 000 ECU. Krachtens artikel 3 van de beschikking kwam daarvan 1 036 000 ECU in aanmerking voor financiering, waarbij de financiële bijdrage van de Gemeenschap beperkt bleef tot maximaal 777 000 ECU. Verder bepaalde dit artikel, dat indien de van uiteindelijk gemaakte kosten een kleiner deel voor financiering in aanmerking zou komen dan aanvankelijk was voorzien, de bijstand bij de uitbetaling van het saldo dienovereenkomstig zou worden verlaagd.

31 Uit het financieringsplan in bijlage I bij de toekenningsbeschikking voor het project Girasole volgt, dat het resterende bedrag ten belope van 458 000 ECU moest worden gefinancierd door Sonda.

32 Volgens de financieringsvoorwaarden in bijlage II bij de beschikking mocht de Commissie, teneinde de juistheid van de financiële gegevens betreffende de diverse uitgaven na te gaan, inzage vorderen van alle originele stukken dan wel de gewaarmerkte afschriften daarvan, waarbij zij hetzij ter plaatse een onderzoek kon instellen hetzij om toezending van de betrokken stukken kon verzoeken (punt 5). Voorts kon de Gemeenschap, indien een van de in deze bijlage vermelde voorwaarden niet werd nageleefd of indien acties werden uitgevoerd die niet in bijlage I waren gespecificeerd, de financiële bijstand opschorten, verminderen of intrekken en de reeds uitbetaalde bijdrage terugvorderen (punt 10).

33 Op 11 januari 1994 heeft de Commissie Sonda een eerste tranche van 310 800 ECU uitbetaald, dat wil zeggen 40 % van de communautaire bijstand. Op 11 januari 1995 heeft zij Sonda een tweede tranche van 233 100 ECU uitbetaald. Op 31 mei 1996 heeft zij het saldo van de communautaire bijstand uitgekeerd.

34 In 1997 is Sonda in het kader van een fusie opgegaan in Vela.

Project Vetiver

35 Op 15 september 1993 heeft Tecnagrind bij de Commissie een verzoek om financiële bijstand van de Gemeenschap ingediend voor een demonstratieproject inzake de gebruiksmogelijkheden van vetiver, een plant met buitengewoon sterke vezelachtige wortels, in het Middellandse-Zeegebied (project nr. 93.ES.06.031; hierna: "project Vetiver").

36 Volgens dit verzoek had het project Vetiver tot doel, de verbouwing van vetiver te ontwikkelen teneinde bodemerosie tegen te gaan, op basis van een methode van autofinanciering, namelijk door de uit deze plant geëxtraheerde aroma's te verkopen aan de parfumindustrie.

37 Met het project Vetiver waren de volgende kosten gemoeid: de huur gedurende 30 maanden van een terrein van 10 hectare, het geschikt maken van dit terrein voor de teelt van vetiver, de kosten van advies en technisch toezicht, geraamd op 10 manmaanden, de huur van een mobiele turbodistillatie-installatie voor de extractie van de aroma's, de aanschaf van de benodigde instrumenten en uitrusting voor het controleren van de planten en de eindproducten, personeelskosten, geraamd op 10 manmaanden, alsmede diverse kosten in verband met het gebruik van externe laboratoria, keuringen en de diensten van gespecialiseerde technici en onderzoekers.

38 Bij beschikking C (93) 3395 van 26 november 1993 (hierna: "toekenningsbeschikking voor het project Vetiver") heeft de Commissie Tecnagrind voor het project Vetiver een financiële bijdrage van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toegekend (artikel 1).

39 Volgens artikel 2 van deze beschikking bedroeg de looptijd van het project Vetiver 30 maanden, van januari 1994 tot en met juni 1996.

40 De totale kosten van het project Vetiver bedroegen 1 261 131 ECU. Krachtens artikel 3 van de beschikking kwam daarvan 1 237 125 ECU in aanmerking voor financiering, waarbij de financiële bijdrage van de Gemeenschap beperkt bleef tot maximaal 927 843 ECU. Verder bepaalde dit artikel, dat indien van de uiteindelijk gemaakte kosten een kleiner deel voor financiering in aanmerking zou komen dan aanvankelijk was voorzien, de bijstand bij de uitbetaling van het saldo dienovereenkomstig zou worden verlaagd.

41 Uit het financieringsplan in bijlage I bij de toekenningsbeschikking voor het project Vetiver volgt, dat het resterende bedrag ten belope van 333 288 ECU moest worden gefinancierd door Tecnagrind.

42 Volgens de financieringsvoorwaarden in bijlage II bij beschikking mocht de Commissie, teneinde de juistheid van de financiële gegevens betreffende de diverse uitgaven na te gaan, inzage vorderen van alle originele stukken dan wel de gewaarmerkte afschriften daarvan, waarbij zij hetzij ter plaatse een onderzoek kon instellen hetzij om toezending van de betrokken stukken kon verzoeken (punt 5). Voorts kon de Gemeenschap, indien een van de in deze bijlage vermelde voorwaarden niet werd nageleefd of indien acties werden uitgevoerd die niet in bijlage I waren gespecificeerd, de financiële bijstand opschorten, verminderen of intrekken en de reeds uitbetaalde bijdrage terugvorderen (punt 10).

43 Op 13 januari 1994 heeft de Commissie Tecnagrind een eerste tranche van 371 137 ECU, dat wil zeggen 40 % van het bedrag aan communautaire bijstand voor het project Vetiver, uitbetaald.

44 Op 19 januari 1995 heeft zij een tweede tranche van 278 352 ECU betaald, dat wil zeggen 30 % van het bedrag aan communautaire bijstand.

45 Op 24 december 1996 heeft Tecnagrind haar eindrapport over het project Vetiver aan de Commissie toegezonden. Op 12 februari en 27 maart 1997 heeft zij aanvullende stukken toegezonden.

46 Op 20 maart 1997 heeft zij de Commissie verzocht om betaling van het saldo van de bijstand, te weten 278 353 ECU. Op 5 juni 1997 heeft zij haar verzoek aan de Commissie herhaald.

47 Op 12 juni 1997 heeft de Commissie Tecnagrind laten weten, dat zij een algemene technische en boekhoudkundige controle verrichtte van alle krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 gefinancierde projecten die door haar waren goedgekeurd, en dat zij, gelet op de omvang van deze operatie, eerst na circa vijf maanden tot uitbetaling van het saldo zou kunnen overgaan.

Project Ricino

48 Op 31 maart 1995 heeft Tecnagrind bij de Commissie een verzoek om financiële bijstand van de Gemeenschap ingediend voor een demonstratieproject inzake de verwerking van ricinus op landbouwbedrijven ten behoeve van de extractie van natuurlijke aroma's (project nr. 95.ES.06.005; hierna: "project Ricino").

49 Blijkens dit verzoek had het project Ricino tot doel, ricinus te telen en te verwerken teneinde door middel van een natuurlijk fermentatieproces een perzikaroma te verkrijgen, dat slechts op zeer kostbare wijze uit de vrucht zelf kan worden gewonnen. Het project Ricino moest de winstgevendheid van een dergelijke teelt aantonen en werkgelegenheid creëren. De uitvoering ervan was opgedragen aan de Andalusische coöperatie Campo de Paterna. Twee andere Spaanse ondernemingen, Codema SA (hierna: "Codema") en Genforsa SA (hierna: "Genforsa") zouden aan dit project deelnemen door elk 5 % van de financiering voor hun rekening te nemen.

50 Bij beschikking C (96) 2235 van 13 september 1996 (hierna: "toekenningsbeschikking voor het project Ricino") heeft de Commissie Tecnagrind voor het project Ricino financiële bijstand van het EOFGL, afdeling Oriëntatie, toegekend (artikel 1).

51 Volgens artikel 2 van deze beschikking had de communautaire financiering betrekking op de periode van 1 september 1996 tot en met 30 juni 1999.

52 De looptijd van het project Ricino bedroeg 28 maanden, van september 1996 tot en met december 1998. De totale kosten van het project werden geraamd op 1 264 674 ECU. Krachtens artikel 3 van de beschikking kwam daarvan 1 262 674 ECU in aanmerking voor financiering, waarbij de financiële bijdrage van de Gemeenschap beperkt bleef tot maximaal 947 005 ECU. Verder bepaalde dit artikel, dat indien van de uiteindelijk gemaakte kosten een kleiner deel voor financiering in aanmerking zou komen dan aanvankelijk was voorzien, de bijstand bij de uitbetaling van het saldo dienovereenkomstig zou worden verlaagd.

53 Uit het financieringsplan in bijlage I bij de toekenningsbeschikking voor het project Ricino volgt, dat het resterende bedrag moest worden gefinancierd door Tecnagrind, ten belope van 191 401 ECU, Codema, ten belope van 63 134 ECU, en Genforsa, ten belope van 63 134 ECU.

54 Volgens de financieringsvoorwaarden in bijlage II bij de beschikking mocht de Commissie, teneinde de juistheid van de financiële gegevens betreffende de diverse uitgaven na te gaan, inzage vorderen van alle originele stukken dan wel de gewaarmerkte afschriften daarvan, waarbij zij hetzij ter plaatse een onderzoek kon instellen hetzij om toezending van de betrokken stukken kon verzoeken (punt 5). Voorts kon de Gemeenschap, indien een van de in deze bijlage vermelde voorwaarden niet werd nageleefd of indien acties werden uitgevoerd die niet in bijlage I waren gespecificeerd, de financiële bijstand opschorten, verminderen of intrekken en de reeds uitbetaalde bijdrage terugvorderen (punt 10).

55 Op 20 januari 1997 heeft de Commissie Tecnagrind een eerste tranche van 378 802 ECU, dat wil zeggen 40 % van de communautaire bijstand voor het project Ricino, uitbetaald.

56 Op 15 mei 1997 heeft Tecnagrind de Commissie het technisch tussenrapport over de voortgang van het project Ricino toegezonden.

57 Op 7 juli 1997 heeft zij de Commissie om betaling van de tweede tranche van de communautaire bijstand verzocht.

Project Pascolo Arboreo

58 Op 8 september 1993 heeft Faretra bij de Commissie een verzoek om financiële bijstand van de Gemeenschap ingediend voor een proef- en demonstratieproject ter ontwikkeling van een extensieve, milieuvriendelijke veeteelt in het Middellandse-Zeegebied, genaamd "beweiding van bomen" (project nr. 93.IT.06.058; hierna: "project Pascolo Arboreo"). Bij beschikking van 26 november 1993 heeft de Commissie Faretra voor het project Pascolo Arboreo financiële bijstand van het EOGFL ter hoogte van 890 625 ECU toegekend. Deze bijstand is volledig aan Faretra uitbetaald.

Controles ter plaatse in juli en november 1997

59 Naar aanleiding van een verificatie van een Iers project door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Rekenkamer") in januari 1997 heeft de Commissie besloten controles te verrichten bij een aantal krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 gesubsidieerde projecten, omdat zij vermoedde dat een georganiseerd netwerk op bedrieglijke wijze communautaire subsidies probeerde te verkrijgen. Ook de projecten Luffa, Girasole, Pascolo Arboreo, Vetiver en Ricino werden aan deze controles onderworpen.

60 Bij brieven van 10 juni 1997 heeft de Commissie Vela, Sonda en Tecnagrind in kennis gesteld van haar voornemen om overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 4253/88 de onder hun verantwoordelijkheid vallende projecten ter plaatse te controleren.

61 De controle ter plaatse van de projecten Vetiver en Ricino heeft plaatsgevonden tussen 22 en 25 juli 1997. De controles zijn verricht door ambtenaren van de directoraten-generaal (DG's) "Landbouw" en "Financiële Controle" en van de Eenheid voor de coördinatie van de fraudebestrijding (UCLAF). De ambtenaren van DG "Financiële Controle" en van UCLAF hebben naderhand verslag uitgebracht met hun conclusies. Een ambtenaar van de Intervención General del Estado (dienst van het Spaanse ministerie van Financiën) was bij de verificaties van de communautaire ambtenaren aanwezig.

62 Op grond van de conclusies in de in het vorige punt bedoelde verslagen meende de Commissie over voldoende gegevens te beschikken om de procedure tot opschorting van de financiële bijstand voor de projecten Vetiver en Ricino in te leiden en besloot zij tot controle van de Italiaanse projecten over te gaan.

63 Bij brieven van 23 september 1997 heeft de Commissie Vela en Sonda meegedeeld, dat zij voornemens was vanaf 10 november 1997 overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 4253/88 de projecten Luffa en Girasole ter plaatse te controleren. Zij richtte eenzelfde brief tot Faretra in verband met het project Pascolo Arboreo.

64 Deze controle heeft plaatsgevonden van 10 tot en met 14 november 1997, eerst te Milaan en vervolgens te Sassari. Doel ervan was de projecten Luffa, Girasole en Pascolo Arboreo te controleren en de in juli 1997 verrichte controle van de projecten Vetiver en Ricino te completeren. De controle is verricht door ambtenaren van de DG's "Landbouw" en "Financiële Controle" en van UCLAF. Ook ambtenaren van de Ragioneria Generale dello Stato (Italiaanse dienst Algemene boekhouding) hebben aan de controle deelgenomen. De ambtenaar van DG "Financiële Controle" heeft naar aanleiding van deze controle een verslag uitgebracht, waarin werd aanbevolen de procedure van intrekking van de bijstand voor de betrokken projecten in te leiden en de ten behoeve van deze projecten onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Ook de ambtenaren van de Italiaanse overheid hebben een proces-verbaal opgesteld, waarin zij hun bevindingen in het kader van de controle van 10 tot en met 12 november 1997 op de vestiging van Vela in Milaan uiteenzetten.

Administratieve procedure

65 Bij brieven van 3 april 1998 heeft de Commissie Vela, Sonda en Tecnagrind meegedeeld dat zij overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 4253/88 een onderzoek uitvoerde naar de financiële bijstand die hun was toegekend voor de onder hun verantwoordelijkheid vallende projecten, en dat hierbij feiten aan het licht waren gekomen die onregelmatigheden konden opleveren, zodat zij had besloten de procedure bedoeld in voornoemd artikel van verordening nr. 4253/88 en in punt 10 van bijlage II bij elk van de toekenningsbeschikkingen in te leiden. In deze brieven werd uiteengezet om welke feiten het precies ging.

66 De Commissie gunde Vela, Sonda en Tecnagrind een termijn van zes weken om haar de nodige uitleg te geven en de boekhoudkundige en administratieve bescheiden te verstrekken ten bewijze van de volledige naleving van de verplichtingen die hun bij de toekenning van de financiële bijstand van het EOGFL waren opgelegd.

67 Tegelijkertijd verzocht zij de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk Spanje om hun opmerkingen over de projecten Luffa en Girasole, respectievelijk de projecten Vetiver en Ricino kenbaar te maken.

68 Bij brieven van 19 juni 1998 hebben Vela en Tecnagrind opmerkingen gemaakt over de projecten Luffa en Girasole, respectievelijk de projecten Vetiver en Ricino.

Bestreden beschikking in zaak T-141/99

69 Bij beschikking van 9 maart 1999 (hierna: "bestreden beschikking in zaak T-141/99") heeft de Commissie krachtens artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 de aan Vela toegekende financiële bijstand ingetrokken en een bedrag van 1 470 000 euro teruggevorderd.

70 In deze beschikking overweegt de Commissie onder meer het volgende:

"1. Volgens de toekenningsbeschikking moest het gedeelte van de voor financiering in aanmerking komende uitgaven voor het project [Luffa] dat niet is gedekt door de financiële bijdrage van de Gemeenschap, te weten 840 000 ECU, worden gefinancierd door de begunstigde. Op grond van de bevindingen tijdens het controlebezoek [van november 1997] moet worden betwijfeld of er sprake is van medefinanciering van het project [Luffa].

2. Uit het gecombineerde onderzoek van de boekhouding betreffende het onderhavige project en vier andere projecten, die eveneens communautaire financiële bijstand krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 genieten, is gebleken dat er een circuit van onderlinge geldstromen bestaat tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten, sommige vennoten van die ondernemingen en andere, daaraan gelieerde ondernemingen. Het gaat hierbij om de volgende projecten (met de daarbij behorende begunstigde ondernemingen): het project dat thans aan de orde is (begunstigde: Vela Srl), project nr. 9[3].IT.06.057 (begunstigde: Sonda Srl), project nr. 93.IT.06.058 (begunstigde: Faretra Srl), project nr. 93.ES.06.031 (begunstigde: Tecnagrind SL) en project nr. 95.ES.06.005 (begunstigde: Tecnagrind SL). De betrokken vennoten zijn de heren Claudio Zarotti en Marco Troglia. De aan de vennoten van de begunstigde ondernemingen gelieerde ondernemingen zijn AITEC Srl, Noesi Sas en Azienda agricola Barrank. De onderlinge geldstromen tussen deze ondernemingen, vennoten en gelieerde ondernemingen belopen, voor alle vijf projecten tezamen, zo'n 10 miljard Italiaanse lires (ITL), dat wil zeggen circa 65 % van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven (of van de geraamde uitgaven, voorzover de projecten nog zijn niet afgerond). De diensten van de Commissie hebben alle onderlinge geldstromen gereconstrueerd, met als uitkomst dat de betrokken ondernemingen voor het grootste deel aan dezelfde beperkte groep van natuurlijke personen toebehoren. De systematische onderaanneming tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten en de gelieerde ondernemingen heeft inkomsten gegenereerd waarvan de economische grondslag niet is aangetoond en die op ongerechtvaardigde wijze het aandeel in de medefinanciering door de begunstigde vormen.

3. De door Faretra Srl, Sonda Srl, AITEC Srl, de heer Baldassar[r]e, Azienda agricola Barrank en de heer Claudio Zarotti aan de begunstigde in rekening gebrachte uitgaven, ten belope van een bedrag (van ongeveer 3 000 000 000 ITL) dat overeenkomt met 60 % van de totale uitgaven die voor het project zijn gedeclareerd, zijn niet gerechtvaardigd. De rol van de vier onderaannemers (Faretra Srl, Sonda Srl, AITEC Srl en de heer Baldassar[r]e) was geregeld in overeenkomsten houdende de terbeschikkingstelling van personeel, materieel en specifieke deskundigheid. De controles op basis van de boekhouding en de inventarislijsten van deze vier onderaannemers hebben uitgewezen, dat zij noch over personeel, noch over specifiek materieel beschikten. Het ontbrak hun dus aan expertise en er is niets dat hun deelname aan de uitvoering van het project [Luffa] rechtvaardigt. Bovendien hebben deze verschillende ondernemingen geen uitgaven verricht die de facturen kunnen rechtvaardigen.

4. Tal van facturen van andere ondernemingen zijn onvoldoende onderbouwd of tonen een scheve verhouding tussen de betaalde prijs en de geleverde dienst. Het betreft met name de volgende facturen:

a) de aan Magenta Finance betaalde factuur ten belope van 61 882 002 ITL (circa 29 000 ECU) in verband met een $Handleiding voor landbouwers'; deze handleiding kon niet aan de inspecteurs van de Commissie worden overgelegd;

b) de aan Detentor betaalde factuur ten bedrage van 20 939 ECU met betrekking tot de $honoraria voor een haalbaarheidsstudie en voor modellen en tekeningen van een prototype van een pers voor de compressie van balen luffa bij lage temperaturen';

c) de aan Cedarcliff betaalde factuur ten bedrage van 133 057 ECU met betrekking tot, onder meer, een kaartsysteem van 160 ondernemingen waaraan de begunstigde voorlichting moest geven. De begunstigde was niet in staat het gefactureerde bedrag in relatie tot de geleverde prestatie te rechtvaardigen."

Bestreden beschikking in zaak T-142/99

71 Bij beschikking van 4 maart 1999 (hierna: "bestreden beschikking in zaak T-142/99") heeft de Commissie krachtens artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 de aan Sonda toegekende financiële bijstand ingetrokken en een bedrag van 770 000 euro teruggevorderd.

72 In deze beschikking overweegt de Commissie onder meer het volgende:

"1. Volgens de toekenningsbeschikking moest het gedeelte van de voor financiering in aanmerking komende uitgaven voor het project [Girasole] dat niet is gedekt door de financiële bijdrage van de Gemeenschap, namelijk 458 000 ECU, worden gefinancierd door de begunstigde. Op grond van de bevindingen tijdens het controlebezoek [van november 1997] moet worden betwijfeld of er sprake is van medefinanciering van het project [Girasole].

2. Uit het gecombineerde onderzoek van de boekhouding betreffende het onderhavige project en vier andere projecten, die eveneens communautaire financiële bijstand krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 genieten, is gebleken dat er een circuit van onderlinge geldstromen bestaat tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten, sommige vennoten van die ondernemingen en andere, daaraan gelieerde ondernemingen. Het gaat hierbij om de volgende projecten (met de daarbij behorende begunstigde ondernemingen): het project dat thans aan de orde is (begunstigde: Sonda Srl), project nr. 92.IT.06.001 (begunstigde: Vela Srl), project nr. 93.IT.06.058 (begunstigde: Faretra Srl), project nr. 93.ES.06.031 (begunstigde: Tecnagrind SL) en project nr. 95.ES.06.005 (begunstigde: Tecnagrind SL). De betrokken vennoten zijn de heren Claudio Zarotti en Marco Troglia. De aan de vennoten van de begunstigde ondernemingen gelieerde ondernemingen zijn AITEC Srl, Noesi Sas en Azienda agricola Barrank. De onderlinge geldstromen tussen deze ondernemingen, vennoten en gelieerde ondernemingen belopen, voor alle vijf projecten tezamen, zo'n 10 miljard Italiaanse lires (ITL), dat wil zeggen circa 65 % van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven (of van de geraamde uitgaven, voorzover de projecten nog zijn niet afgerond). De diensten van de Commissie hebben alle onderlinge geldstromen gereconstrueerd, met als uitkomst dat de betrokken ondernemingen voor het grootste deel aan dezelfde beperkte groep van natuurlijke personen toebehoren. De systematische onderaanneming tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten en de gelieerde ondernemingen heeft inkomsten gegenereerd waarvan de economische grondslag niet is aangetoond en die op ongerechtvaardigde wijze het aandeel in de medefinanciering door de begunstigde vormen.

3. De door twee ondernemingen (Faretra Srl, voor een bedrag van circa 1 155 000 000 ITL, en Noesi Sas, voor een bedrag van circa 830 000 000 ITL) in rekening gebrachte uitgaven, die overeenkomen met 90 % van de totale uitgaven die voor het project zijn gedeclareerd (2 255 934 354 ITL), zijn niet gerechtvaardigd.

De deelname van beide ondernemingen was geregeld in overeenkomsten houdende de terbeschikkingstelling van personeel, materieel en specifieke deskundigheid. De controles op basis van de boekhouding en de inventarislijsten van deze ondernemingen hebben uitgewezen, dat zij noch over personeel, noch over specifiek materieel beschikten. Het ontbrak hun dus aan expertise en er is niets dat hun deelname aan de uitvoering van het betrokken project rechtvaardigt. Bovendien hebben deze ondernemingen geen uitgaven verricht die de facturen kunnen rechtvaardigen."

Bestreden beschikking in zaak T-150/99

73 Bij beschikking van 4 maart 1999 (hierna: "bestreden beschikking in zaak T-150/99") heeft de Commissie krachtens artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 de aan Tecnagrind toegekende financiële bijstand voor het project Vetiver ingetrokken en een bedrag van 649 490 euro teruggevorderd.

74 In deze beschikking overweegt de Commissie onder meer het volgende:

"1. Uit het gecombineerde onderzoek van de boekhouding betreffende het onderhavige project en vier andere projecten, die eveneens communautaire financiële bijstand krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 genieten, is gebleken dat er een circuit van onderlinge geldstromen bestaat tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten, sommige vennoten van die ondernemingen en andere, daaraan gelieerde ondernemingen. Het gaat hierbij om de volgende projecten (met de daarbij behorende begunstigde ondernemingen): het project dat thans aan de orde is (begunstigde: Tecnagrind SL), project nr. 92.IT.06.001 (begunstigde: Vela Srl), project nr. 93.IT.06.057 (begunstigde: Sonda Srl), project nr. 9[5].ES.06.005 (begunstigde: Tecnagrind SL) en project nr. 93.IT.06.058 (begunstigde: Faretra Srl). De betrokken vennoten zijn de heren Claudio Zarotti en Marco Troglia. De aan de vennoten van de begunstigde ondernemingen gelieerde ondernemingen zijn AITEC Srl, Noesi Sas en Azienda agricola Barrank. De onderlinge geldstromen tussen deze ondernemingen, vennoten en gelieerde ondernemingen belopen, voor alle vijf projecten tezamen, zo'n 10 miljard Italiaanse lires (ITL), dat wil zeggen circa 65 % van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven (of van de geraamde uitgaven, voorzover de projecten nog zijn niet afgerond). De diensten van de Commissie hebben alle geldstromen gereconstrueerd, met als uitkomst dat de betrokken ondernemingen voor het grootste deel aan dezelfde beperkte groep van natuurlijke personen toebehoren. De systematische onderaanneming tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten en de gelieerde ondernemingen heeft inkomsten gegenereerd waarvan de economische grondslag niet is aangetoond en die op ongerechtvaardigde wijze het aandeel in de medefinanciering door de begunstigde vormen.

2. De opgaven in het financieringsverzoek stroken niet met de werkelijkheid:

a) In dit verzoek staat vermeld dat $[Tecnagrind] actief is op het gebied van de agrarische dienstverlening'. Deze onderneming is echter opgericht op 25 januari 1993, terwijl het verzoek om financiering bij de Commissie is ingediend op 15 september 1993. Bovendien heeft deze onderneming geen enkele activiteit verricht.

b) Verder stond in het verzoek dat $in de regio een aantal onderzoeken en proeven zijn gedaan in samenwerking met de faculteit Fysische Geografie van de universiteit van Murcia en met het Instituut La Alberca van de dienst Agrarisch Onderzoek van de regio Murcia'. De heer Troglia, bestuurder en projectleider, heeft tijdens de controle [van juli 1997] gesteld, dat de onderzoeken en de proeven uitsluitend door deze overheidsinstanties waren verricht, zonder enige tussenkomst van de begunstigde.

3. Tijdens het controlebezoek heeft [Tecnagrind] geen enkel document kunnen overleggen waaruit blijkt, dat het project voor 25 % wordt medegefinancierd, zoals voorgeschreven in punt 7 van bijlage I bij de toekenningsbeschikking.

4. In het eindrapport staat vermeld dat het areaal voor de productie en distillatie van de vetiverwortels 2 hectare beslaat. Bij de controle ter plaatse hebben de diensten van de Commissie geconstateerd, dat slechts een halve hectare was bebouwd.

5. Uit de factuur van de eigenaar van het gehuurde terrein blijkt, dat dit terrein 4 hectare groot was en niet 10 hectare, zoals vermeld in het project en het eindrapport. Verder bedroeg de huur volgens de verschillende facturen die tijdens de controle zijn overgelegd, 712 000 Spaanse peseta (ESP), terwijl de voor dit deel van de uitgaven gereserveerde begrotingspost 10 934 772 ESP beliep. Het verschil is aangewend om andere kosten mee te bestrijden, zonder dat de Commissie daarvoor tevoren om goedkeuring is verzocht, zoals voorgeschreven in punt 1 van bijlage II bij de beschikking.

6. Sommige kosten die tot de algemene kosten van de onderneming behoren, zoals de honoraria van Asedem (fiscaal en boekhoudkundig adviesbureau) of telefoonrekeningen (Italiaanse mobiele telefoon van de heer Troglia), zijn voor 50 % aan het project toegerekend, zonder dat dit gerechtvaardigd was. Verder zijn facturen gedeclareerd voor diensten die na de eindfase van het project zijn geleverd en die dus niet bij de medefinanciering in aanmerking hadden mogen worden genomen."

Bestreden beschikking in zaak T-151/99

75 Bij beschikking van 4 maart 1999 (hierna: "bestreden beschikking in zaak T-151/99") heeft de Commissie krachtens artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 de aan Tecnagrind toegekende financiële bijstand voor het project Ricino ingetrokken en een bedrag van 378 802 euro teruggevorderd.

76 In deze beschikking overweegt de Commissie onder meer het volgende:

"1. Uit het gecombineerde onderzoek van de boekhouding betreffende het onderhavige project en vier andere projecten, die eveneens communautaire financiële bijstand krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 genieten, is gebleken dat er een circuit van onderlinge geldstromen bestaat tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten, sommige vennoten van die ondernemingen en andere, daaraan gelieerde ondernemingen. Het gaat hierbij om de volgende projecten (met de daarbij behorende begunstigde ondernemingen): het project dat thans aan de orde is (begunstigde: Tecnagrind SL), project nr. 92.IT.06.001 (begunstigde: Vela srl), project nr. 93.IT.06.057 (begunstigde: Sonda Srl), project nr. 93.ES.06.031 (begunstigde: Tecnagrind SL) en project nr. 93.IT.06.058 (begunstigde: Faretra Srl). De betrokken vennoten zijn de heren Claudio Zarotti en Marco Troglia. De aan de vennoten van de begunstigde ondernemingen gelieerde ondernemingen zijn AITEC Srl, Noesi Sas en Azienda agricola Barrank. De onderlinge geldstromen tussen deze ondernemingen, vennoten en gelieerde ondernemingen belopen, voor alle vijf projecten tezamen, zo'n 10 miljard Italiaanse lires (ITL), dat wil zeggen circa 65 % van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven (of van de geraamde uitgaven, voorzover de projecten nog zijn niet afgerond). De diensten van de Commissie hebben alle geldstromen gereconstrueerd, met als uitkomst dat de betrokken ondernemingen voor het grootste deel aan dezelfde beperkte groep van natuurlijke personen toebehoren. De systematische onderaanneming tussen de begunstigde ondernemingen van de vijf projecten en de gelieerde ondernemingen heeft inkomsten gegenereerd waarvan de economische grondslag niet is aangetoond en die op ongerechtvaardigde wijze het aandeel in de medefinanciering door de begunstigde vormen.

De heer Troglia, bestuurder van [Tecnagrind] en projectleider, heeft tijdens de controle [van juli 1997] aan de inspecteurs verklaard, dat [Tecnagrind] niet over de nodige praktijkkennis beschikte om een kleine verwerkingsinstallatie te bouwen die aan de bedrijfseisen van de boeren voldeed, reden waarom zij deze activiteit, en meer in het algemeen de gehele industriële fase van het project, aan Vela had uitbesteed. Tijdens de controle die de diensten van de Commissie tussen 10 en 14 november 1997 hebben verricht bij [Vela], die financiële bijstand krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 geniet, is gebleken dat deze onderneming noch over personeel noch over specifiek materieel beschikte. Zij bezat dus niet de vereiste praktijkkennis, zodat de tussenkomst van [Vela] als onderaannemer van het project niet gerechtvaardigd was.

2. Naar is gebleken, zijn met de heer De Bartolomeis en het bedrijf Cedarcliff verschillende contracten gesloten voor een totale waarde van 155 800 ECU, dat wil zeggen meer dan 12 % van de totale kosten van het project. Volgens de heer Troglia hebben de aan Cedarcliff onderaanbestede werkzaamheden betrekking op de verspreidingsfase van het project. De desbetreffende facturen konden niet aan het project worden toegerekend op het moment van aanvang daarvan, omdat de verspreiding pas aan het eind van het project zou plaatsvinden.

3. Tijdens het controlebezoek is geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat de begunstigde onderneming in staat was het project voor 25 % mede te financieren, zoals voorgeschreven in punt 8.3. van bijlage I bij de toekenningsbeschikking.

4. Sommige kosten die algemene kosten van de onderneming vormen, zoals de honoraria van Asedem (fiscaal en boekhoudkundig adviesbureau) of telefoonrekeningen (Italiaanse mobiele telefoon van de heer Troglia), zijn voor 50 % aan het project toegerekend, zonder dat dit gerechtvaardigd was."

Procesverloop

77 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juni 1999, heeft Vela twee beroepen ingesteld strekkende tot, respectievelijk, nietigverklaring van de bestreden beschikking in zaak T-141/99 en nietigverklaring van de bestreden beschikking in zaak T-142/99.

78 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 juni 1999, heeft Tecnagrind twee beroepen ingesteld strekkende tot, respectievelijk, nietigverklaring van de bestreden beschikking in zaak T-150/99 en nietigverklaring van de bestreden beschikking in zaak T-151/99.

79 Op verzoek van partijen heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht overeenkomstig artikel 77, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de behandeling van de vier zaken geschorst, aanvankelijk tot 12 januari 2000, bij beschikkingen van 12 november 1999, en vervolgens tot 12 april 2000, bij beschikkingen van 10 januari 2000. De schriftelijke procedure is afgesloten op 14 maart 2001.

80 Nadat partijen hierover waren gehoord, heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht bij beschikkingen van 29 november 2001 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering de zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

81 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht bepaalde stukken over te leggen en bepaalde vragen te beantwoorden. Partijen hebben hieraan binnen de gestelde termijnen gevolg gegeven.

82 De terechtzitting, die aanvankelijk zou plaatsvinden op 10 januari 2002, is uitgesteld tot 20 februari 2002, zulks naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van verzoeksters, die kenbaar hebben gemaakt dat de mededeling van de griffie van het Gerecht, met daarin vervat de schriftelijke vragen van het Gerecht en de kennisgeving van de datum van de terechtzitting, hen te laat had bereikt.

83 Tijdens de terechtzitting van 20 februari 2002 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

Conclusies van partijen

84 In elk van de zaken concludeert de verzoekende partij dat het het Gerecht behage:

- de bestreden beschikking nietig te verklaren en, subsidiair, het bedrag van de aan de Commissie terug te betalen financiële bijstand te verminderen tot een door het Gerecht te bepalen bedrag;

- de in het verzoekschrift gedane verzoeken om instructiemaatregelen in te willigen;

- de Commissie in de kosten te verwijzen.

85 In elk van de zaken concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- de verzoekende partij in de kosten te verwijzen.

Ten gronde

86 Ter terechtzitting hebben verzoeksters bevestigd dat, zoals uit hun memories blijkt, de onderhavige beroepen uitsluitend strekken tot nietigverklaring van de bestreden beschikkingen. Zij hebben hieraan toegevoegd, dat het summiere betoog betreffende de vergoeding van de geleden schade louter ter behoud van rechten is gevoerd en dat het in het kader van de onderhavige zaken niet als een vordering tot schadevergoeding moet worden beschouwd. Het Gerecht heeft hiervan kennis genomen.

87 Voorts hebben verzoeksters, die allen door dezelfde advocaat worden vertegenwoordigd, en verweerster, die in alle vier zaken eveneens door één advocaat wordt vertegenwoordigd, naar aanleiding van de voeging van voornoemde zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest, toegang gekregen tot alle gegevens in de op deze zaken betrekking hebbende dossiers, waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. Deze gegevens moeten derhalve als één enkel dossier inzake de vier zaken worden beschouwd.

88 In alle vier zaken steunen de beroepen tot nietigverklaring op vier identieke middelen. Het eerste middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van het Verdrag en het afgeleide gemeenschapsrecht, en misbruik van bevoegdheid. Het tweede middel heeft betrekking op een motiveringsgebrek en beoordelingsfouten. Het derde middel heeft betrekking op schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het vierde middel is gebaseerd op schending van het evenredigheidsbeginsel.

I - Het eerste middel, ontleend aan schending en onjuiste toepassing van het Verdrag en het afgeleide gemeenschapsrecht, en misbruik van bevoegdheid

89 In alle vier zaken bestaat dit middel uit twee onderdelen. In het kader van het eerste onderdeel stellen verzoeksters, dat de Commissie de controles van juli en november 1997 ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 23 van verordening nr. 4253/88 en haar brieven van 3 april 1998 en dat zij de bestreden beschikkingen ten onrechte op artikel 24 van deze verordening heeft gebaseerd; voorts zou zij haar bevoegdheid hebben misbruikt. In het kader van het, subsidiair aangevoerde, tweede onderdeel van het middel betogen verzoeksters, dat de Commissie voornoemde bepalingen van verordening nr. 4253/88 niet correct heeft toegepast.

Het eerste onderdeel van het middel

90 Verzoeksters betogen om te beginnen dat de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88 niet als juridische grondslag konden dienen voor de controles van juli en november 1997 en de bestreden beschikkingen. Op grond van de punten 5 en 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen waren deze algemene bepalingen namelijk niet van toepassing. In zaak T-141/99 voegt Vela hieraan toe dat de Commissie, gelet op de controles die zij in juli 1993 en juli 1996 vóór de uitbetaling van de tweede tranche, respectievelijk het saldo van de financiële bijstand voor het project Luffa had verricht, de in punt 5 van bijlage II bij de betrokken toekenningsbeschikking bedoelde controlemogelijkheden had uitgeput.

91 Volgens verzoeksters waren de controles van juli en november 1997 in werkelijkheid niet bedoeld om na te gaan, of de projecten overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 4256/88 waren uitgevoerd. Deze controles vonden plaats in het kader van een algemeen fraudeonderzoek. Zij hadden tot doel de financiële banden tussen de bij de verschillende projecten betrokken ondernemingen te onderzoeken en waren toegespitst op de administratieve en boekhoudkundige aspecten van deze projecten, waaronder voornamelijk de wijze van medefinanciering. Derhalve hadden deze controles moeten worden gebaseerd op verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1), en op verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292, blz. 2).

92 Het Gerecht merkt dienaangaande op, dat partijen het erover eens zijn dat de controles van juli en november 1997 waren gebaseerd op artikel 23 van verordening nr. 4253/88.

93 Voorts blijkt uit de in de punten 60 en 63 genoemde brieven van de Commissie van 10 juni en 23 september 1997 en uit de door deze instelling aan het dossier toegevoegde verslagen van UCLAF van 30 september 1997 naar aanleiding van de controle van juli 1997 (hierna: "verslag van UCLAF van 30 september 1997"), respectievelijk van DG "Financiële Controle" van 18 december 1997 naar aanleiding van de controle van november 1997 (hierna: "verslag van DG $Financiële Controle' van 18 december 1997"), dat deze controles hebben bestaan in een verificatie van de concrete uitvoering van de betrokken projecten en van het administratieve, financiële en boekhoudkundige beheer daarvan, met name de regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven en de naleving door de begunstigde ondernemingen van de in de toekenningsbeschikkingen opgenomen verplichting tot medefinanciering. Uit het verslag van DG "Financiële Controle" van 18 december 1997 volgt bovendien, dat "uitgaande van de constatering dat de controles die in het verleden met betrekking tot een aantal afzonderlijke projecten zijn verricht, geen bewijs hebben opgeleverd van het bestaan van onregelmatigheden of fraude, het controleteam heeft gekozen voor een globale aanpak, bestaande uit kruislingse controles tussen de verschillende projecten, de verschillende begunstigden en de overige betrokkenen" (blz. 4 van het verslag).

94 Bij de in punt 65 bedoelde brieven van 3 april 1998 heeft de Commissie Vela, Sonda en Tecnagrind ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 4253/88 een onderzoek uitvoerde naar de hun door het EOFGL toegekende financiële bijstand. Aangezien hierbij feiten aan het licht waren gekomen die onregelmatigheden konden opleveren, had zij besloten de procedure als bedoeld in artikel 24 van voornoemde verordening en in punt 10 van bijlage II bij elk van de toekenningsbeschikkingen in te leiden.

95 Van oordeel dat het onderzoek van de dossiers inzake de projecten het bestaan van onregelmatigheden had bevestigd, heeft de Commissie op basis van artikel 24, leden 2 en 3, van verordening nr. 4253/88 de bestreden beschikkingen gegeven, waarbij de in de toekenningsbeschikkingen bedoelde financiële bijstand is ingetrokken en de door de begunstigde ondernemingen van het EOGFL ontvangen bedragen zijn teruggevorderd.

96 Onderzocht moet worden of de Commissie de hier in geding zijnde controlemaatregelen en beschikkingen terecht heeft gebaseerd op de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88.

97 Volgens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de structuurfondsen gefinancierde acties ter plaatse controleren, onder meer door middel van steekproeven.

98 Uit de algemene bewoordingen ervan volgt, dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie een juridische grondslag biedt voor de controle van projecten die steun van een structuurfonds genieten of hebben genoten. Bij gebreke van andersluidende bepalingen moet voornoemde bepaling worden geacht zich uit te strekken tot elke actie die door enig structuurfonds, met inbegrip van het EOGFL, afdeling "Oriëntatie", wordt gefinancierd. Anders dan verzoeksters in hun memories lijken te stellen, is er niets wat erop duidt dat de onderzochte bepaling uitsluitend van toepassing is op acties waarvoor financiële steun is toegekend door de betrokken lidstaat of de door deze aangewezen instanties en die door deze lidstaat bij de Commissie zijn ingediend, en niet op acties zoals die welke in de bestreden beschikkingen centraal staan, namelijk acties die financiële steun genieten uit hoofde van een beschikking van de Commissie.

99 Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel moet voorts worden aangenomen, dat een controle ter plaatse krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 kan worden verricht door elke ambtenaar of ieder personeelslid van de Commissie, tijdens de uitvoeringsfase van het betrokken project, bijvoorbeeld naar aanleiding van een verzoek om uitbetaling van een tranche van de bijstand, of in de fase daarna, en zowel tot doel kan hebben na te gaan of de daadwerkelijke uitvoering van het project in overeenstemming is met de doelstellingen van de communautaire regelgeving en van de toekenningsbeschikking, als te verifiëren of de uitvoeringsvoorwaarden van het project, met name die welke verband houden met het financieel en boekhoudkundig beheer ervan, in acht zijn genomen.

100 Uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 kan geenszins worden afgeleid, dat het de Commissie verboden is op grond van deze bepaling nogmaals een controle ter plaatse te verrichten na de concrete afronding van het project, terwijl eerder reeds een of meer controles van deze aard hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van verzoeken om uitbetaling van de bijstand. Verder wijst niets erop, dat de ambtenaren of personeelsleden van de Commissie krachtens voornoemde bepaling geen kruislingse controles mogen uitvoeren die tegelijkertijd betrekking hebben op verschillende door het EOGFL gefinancierde projecten.

101 Elke andere lezing van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 dan die welke is uiteengezet in de drie voorgaande punten, zou tot gevolg hebben dat de krachtens verordening nr. 2052/88 op de Commissie rustende verplichting om bij te dragen tot de doeltreffendheid van de door de Gemeenschap met behulp van de structuurfondsen gevoerde actie ter verwezenlijking van de in artikel 158 EG geformuleerde doelstelling van economische en sociale samenhang, haar nuttig effect verliest.

102 Derhalve moet worden geoordeeld, dat de Commissie zich in de onderhavige gevallen terecht op artikel 23 van verordening nr. 4253/88 heeft gebaseerd om de in de bestreden beschikkingen bedoelde projecten in juli en november 1997 aan controles ter plaatse te onderwerpen.

103 Op grond van artikel 24 van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd, kan de Commissie, indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, tot een passend onderzoek van het geval overgaan, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen.

104 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat aangezien de Commissie in de onderhavige gevallen naar aanleiding van de controles ter plaatse in juli en november 1997 het bestaan van onregelmatigheden vermoedde, zij zich terecht op artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 heeft beroepen om de in haar brieven van 3 april 1998 aan Vela, Sonda en Tecnagrind vermelde onderzoeksprocedure in te leiden.

105 Volgens artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 kan de Commissie na afloop van het in lid 1 van dit artikel bedoelde onderzoek de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht. Zoals in de rechtspraak is gepreciseerd (arrest Hof van 24 januari 2002, Conserve Italia/Commissie, C-500/99 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 85-91), ontleent de Commissie aan deze bepaling eveneens de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand wanneer het onderzoek van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 een onregelmatigheid bevestigt.

106 Artikel 24, lid 3, van verordening nr. 4253/88 bepaalt dat ieder bedrag dat onverschuldigd is betaald, aan de Commissie moet worden terugbetaald, in voorkomend geval vermeerderd met de vertragingsrente.

107 Gelet op hetgeen in de twee voorgaande punten is overwogen, moet worden geoordeeld dat aangezien de Commissie van mening was dat de onderzoeksprocedure de onregelmatigheden had bevestigd waaromtrent tijdens de controles van juli en november 1997 een vermoeden was gerezen, zij in casu gerechtigd was om na afloop van dit onderzoek op de grondslag van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 de bestreden beschikkingen te geven.

108 De stelling van verzoeksters dat de toepassing van verordening nr. 4253/88 in de onderhavige gevallen was uitgesloten als gevolg van het bepaalde in de punten 5 en 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen, kan niet worden aanvaard.

109 Punt 5 van bijlage II bepaalt namelijk: "Met het oog op de verificatie van de financiële gegevens betreffende de verschillende uitgaven kan de Commissie verzoeken elk origineel bewijsstuk of een gewaarmerkt afschrift daarvan te mogen onderzoeken. De Commissie kan dit onderzoek rechtstreeks ter plaatse uitvoeren, dan wel om toezending van de betrokken stukken verzoeken". Deze bepaling expliciteert slechts de bevoegdheid tot controle ter plaatse waarover de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 beschikt om op enig moment de regelmatigheid na te gaan van het financieel en boekhoudkundig beheer van het betrokken project, ook na de concrete uitvoeringsfase van het project en zelfs wanneer reeds eerder controles ter plaatse hebben plaatsgevonden.

110 Punt 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen luidt als volgt: "Indien een van de voormelde [financiële] voorwaarden niet wordt nageleefd of indien acties worden uitgevoerd die niet in bijlage I zijn gespecificeerd, kan de Gemeenschap haar eigen bijdrage opschorten, verminderen of intrekken en terugbetaling van de uitbetaalde bedragen vorderen. Indien terugbetaling noodzakelijk blijkt, kan zij betaling van rente eisen. Alvorens tot opschorting, vermindering, intrekking of terugvordering wordt overgegaan, wordt de begunstigde in de gelegenheid gesteld binnen een door de Commissie te bepalen termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken." Zoals verzoeksters in hun verzoekschrift zelf stellen, komt dit punt inhoudelijk overeen met het bepaalde in artikel 24, leden 2 en 3, van verordening nr. 4253/88.

111 Hieruit volgt dat de punten 5 en 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen niet moeten worden beschouwd als een autonome rechtsgrondslag voor het buiten toepassing stellen van de algemene bepalingen van de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88, maar als een aanvullende grondslag voor de Commissie om de maatregelen en besluiten te nemen die zij in casu heeft genomen. Dit betekent dat de Commissie in haar brieven van 3 april 1998 haar beslissingen om de onderzoeksprocedure ten aanzien van de projecten Luffa, Girasole, Vetiver en Ricino in te leiden, terecht heeft gebaseerd op zowel artikel 24 van verordening nr. 4253/88 als op punt 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen.

112 Ook de stelling van verzoeksters dat de controles van juli en november 1997 op de verordeningen nrs. 2988/95 en 2185/96 hadden moeten worden gebaseerd, kan niet worden aanvaard.

113 Immers, afgezien van het feit dat het poneren van deze stelling de innerlijke tegenstrijdigheid weergeeft van het betoog van verzoeksters, die enerzijds betogen dat de Commissie zich uitsluitend op de punten 5 en 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen mocht beroepen en anderzijds dat zij zich had moeten beroepen op de bepalingen van de in het voorgaande punt genoemde verordeningen, moet erop worden gewezen dat krachtens de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 2988/95 de bij deze verordening vastgestelde bepalingen moeten worden toegepast "ter aanvulling van de bestaande regelgeving". Volgens artikel 9, lid 2, van die verordening kan de Commissie "onder de bij de sectoriële regelingen bepaalde voorwaarden controles en verificaties ter plaatse verrichten", terwijl artikel 10 van de verordening bepaalt dat "[a]anvullende algemene bepalingen betreffende de controles en verificaties ter plaatse (...) op een later tijdstip [worden] aangenomen".

114 Deze aanvullende algemene bepalingen zijn vastgesteld bij verordening nr. 2185/96. Uit de zesde overweging van de considerans van deze verordening volgt, dat voornoemde bepalingen "de toepassing van de in artikel 9, lid 2, van (...) verordening [nr. 2988/95] bedoelde sectoriële communautaire regelingen onverlet laten". Artikel 1 van dezelfde verordening bepaalt: "Bij deze verordening worden de aanvullende algemene bepalingen vastgesteld in de zin van artikel 10 van verordening (...) nr. 2988/95" (...) "Onverminderd het bepaalde in de sectoriële communautaire regelingen is deze verordening van toepassing op alle activiteitsgebieden van de Gemeenschappen".

115 Uit de twee voorgaande punten blijkt, dat de bepalingen van de verordeningen nrs. 2988/95 en 2185/96 die zijn gewijd aan de bevoegdheden van de Commissie tot controle en verificatie ter plaatse, aanvullend van toepassing beogen te zijn, onverminderd het bepaalde in de sectoriële communautaire regelingen. Zij stellen de bij die regelingen aan de Commissie geboden rechtsgrondslagen om ter waarborging van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap controles ter plaatse te verrichten, dan ook niet buiten toepassing.

116 In de onderhavige gevallen bood artikel 23 van verordening nr. 4253/88 - ten aanzien van welke verordening verzoeksters niet betwisten dat zij een sectoriële communautaire regeling in de zin van voornoemde bepalingen van de verordeningen nrs. 2988/95 en 2185/96 is - de Commissie een passende rechtsgrondslag voor de in juli en november 1997 ter plaatse verrichte controles, zodat zij daartoe geen beroep op laatstgenoemde bepalingen hoefde te doen.

117 Gelet op de voorgaande analyse (punten 92-116) moet worden geconcludeerd, dat de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88 een passende en toereikende rechtsgrondslag boden voor de controles ter plaatse die de Commissie in juli en november 1997 met betrekking tot de in de bestreden beschikkingen bedoelde projecten heeft uitgevoerd, voor de inleiding van een onderzoeksprocedure ten aanzien van deze verschillende projecten en voor het geven van de bestreden beschikkingen. Het in de punten 90 en 91 uiteengezette betoog van verzoeksters moet derhalve worden verworpen.

118 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat de Commissie hen naar behoren in kennis had moeten stellen van de rechtsgrondslag, het doel en de context van de controles van juli en november 1997, alsmede van de rechtsgrondslag waarop zij de bestreden beschikkingen voornemens was te baseren, zodat zij de wettigheid van de door de Commissie voorgenomen maatregelen hadden kunnen nagaan en hun verdediging doeltreffend hadden kunnen voorbereiden. Aangezien zij niet wisten dat deze controles de methode van medefinanciering van de projecten betroffen, waren zij niet in staat zich te verzekeren van de medewerking van accountants en juridisch adviseurs die hen behulpzaam zouden zijn geweest bij het verschaffen van de benodigde toelichting.

119 Wat om te beginnen het informeren van Vela, Sonda en Tecnagrind over de rechtsgrondslag, het doel en de context van de controles van juli en november 1997 betreft, merkt het Gerecht ten aanzien van de zaken T-141/99 en T-142/99 op, dat de Commissie in haar brieven aan Vela en Sonda van 10 juni 1997 waarin zij haar voornemen kenbaar maakte om de projecten Luffa en Girasole aan een controle ter plaatse te onderwerpen (zie punt 60), heeft vermeld dat de geplande controle was gebaseerd op artikel 23 van verordening nr. 4253/88. Zij heeft Vela en Sonda verzocht om haar ambtenaren tijdens deze controle toegang te verschaffen tot alle documenten, waaronder die met betrekking tot de boekhouding, en alle bewijsstukken betreffende hun project, en om hen in contact te brengen met degenen die daarover uitleg zouden kunnen geven.

120 In haar brieven aan dezelfde ondernemingen van 23 september 1997 (zie punt 63) heeft de Commissie meegedeeld, dat haar diensten op grond van artikel 23 van verordening nr. 4253/88 vanaf 10 november 1997 de projecten Luffa en Girasole ter plaatse zouden controleren. Zij vervolgde dat haar ambtenaren tijdens die controle een onderhoud wensten te hebben met de wettelijke vertegenwoordigers van de ondernemingen en met degenen die technisch en administratief verantwoordelijk waren voor de uitvoering van het project. Voorts verzocht zij dat haar ambtenaren bij die inspectie de beschikking zouden krijgen over een reeks in de bijlage vermelde documenten betreffende de voor het project verantwoordelijke onderneming en het project als zodanig, alsmede over enig ander met voornoemde documenten verband houdend stuk dat met het oog op de controle noodzakelijk zou kunnen zijn. De Commissie maakte kenbaar dat zij onder meer zou worden vertegenwoordigd door ambtenaren van DG "Financiële Controle" en van UCLAF, en dat ook vertegenwoordigers van de Ragioneria Generale dello Stato aan de controle zouden deelnemen. Tot slot verzocht zij de ondernemingen haar onverwijld een afschrift te doen toekomen van hun balans van de jaren 1992 tot en met 1996 (Vela) en van de jaren 1993 tot en met 1996 (Sonda), een afschrift van de gedetailleerde lijst van uitgaven die overeenkomstig het financieringsplan in de toekenningsbeschikkingen betreffende de projecten Luffa en Girasole waren verricht, en een afschrift van de lijst van uitgaven in verband met de overeenkomsten van Vela met Tecnagrind, Sonda en Faretra (project Luffa) en de overeenkomsten van Sonda met Tecnagrind, Vela en Faretra (project Girasole).

121 Aangaande de zaken T-150/99 en T-151/99 merkt het Gerecht op, dat de Commissie in haar brief aan Tecnagrind van 10 juni 1997, waarin zij haar voornemen kenbaar heeft gemaakt om de projecten Vetiver en Ricino aan een controle ter plaatse te onderwerpen (zie punt 60), heeft meegedeeld dat deze controle, die zou plaatsvinden op 22 en 23 juli 1997, was gebaseerd op artikel 23 van verordening nr. 4253/88. Zij heeft aangegeven dat zij tijdens die controle een onderhoud wenste te hebben met de wettelijke vertegenwoordigers van de onderneming en met degenen die technisch, administratief en financieel verantwoordelijk waren voor de uitvoering van het project. Voorts heeft zij erom verzocht, dat haar ambtenaren bij die inspectie de beschikking zouden krijgen over een reeks in de bijlage vermelde documenten betreffende de onderneming en de betrokken projecten, alsmede over enig ander met voornoemde documenten verband houdend stuk dat met het oog op de controle noodzakelijk zou kunnen zijn. Daarnaast heeft de Commissie Tecnagrind meegedeeld, dat zij onder meer zou worden vertegenwoordigd door ambtenaren van DG "Financiële Controle" en van UCLAF, en dat ook vertegenwoordigers van de Intervención General de la Administración del Estado aan de controle zouden deelnemen.

122 Wat zaak T-150/99 betreft, zij daaraan toegevoegd dat Tecnagrind een afschrift bij het dossier heeft gevoegd van de tot haar gerichte brief van de Commissie van 12 juni 1997 waaruit blijkt dat deze instelling, als reactie op het verzoek van Tecnagrind om uitbetaling van het saldo van de financiële bijstand van het EOGFL voor het project Vetiver haar beslissing om die uitbetaling op te schorten rechtvaardigde met het feit dat zij een algemene technische en boekhoudkundige verificatie van de op basis van artikel 8 van verordening nr. 4253/88 gefinancierde projecten verrichtte (zie punt 47).

123 Uit de voorgaande vier punten volgt, dat Vela, Sonda en Tecnagrind voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn ingelicht over het feit dat de door de Commissie voorgenomen controles ter plaatse op artikel 23 van verordening nr. 4253/88 waren gebaseerd en dat zij zouden bestaan in een onderzoek van het financieel en boekhoudkundig beheer van de projecten in hun geheel, waaronder de naleving van de in de toekenningsbeschikking opgenomen verplichting tot medefinanciering. Op grond van de verstrekte informatie konden de betrokken ondernemingen verder ook weten, dat de ambtenaren van de Commissie voornemens waren kruislingse controles te verrichten tussen de verschillende door hen geïnitieerde projecten.

124 Het feit dat de Commissie pas na de controles van juli en november 1997 in haar brieven van 3 april 1998, in het licht van de tijdens die controles gedane constateringen, haar kritiek op de methode van medefinanciering van de begunstigde ondernemingen heeft gepreciseerd en deze ondernemingen heeft verzocht hun opmerkingen hieromtrent te maken, kan niet worden beschouwd als een gebrek aan duidelijkheid in de brieven van de Commissie van 10 en 23 september 1997 over het doel van de in deze brieven aangekondigde controles.

125 Aangaande het informeren van Vela, Sonda en Tecnagrind over de rechtsgrondslag waarop de Commissie voornemens was de bestreden beschikkingen te baseren, merkt het Gerecht in de zaken T-141/99 en T-142/99 voorts op, dat de Commissie in haar brieven aan Vela en Sonda van 10 juni 1997 (zie punt 60) heeft gewezen op de mogelijke maatregelen die na afloop van de onderzoeksprocedure op grond van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 zouden kunnen worden genomen.

126 Bovendien volgt uit de brief van de Commissie van 3 april 1998 aan Vela, Sonda en Tecnagrind (zie punt 65), dat zij hun heeft meegedeeld dat zij een onderzoek in de zin van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 uitvoerde en dat zij, gelet op het feit dat daarbij gegevens aan het licht waren gekomen die onregelmatigheden konden opleveren, had besloten de in die bepaling en in punt 10 van bijlage II bij de toekenningsbeschikkingen voorziene procedure in te leiden. Na een uiteenzetting van haar grieven heeft zij benadrukt dat die gegevens een onregelmatigheid of een belangrijke wijziging in de zin van voornoemde bepaling van verordening nr. 4253/88 zouden kunnen vormen. Voorts heeft zij de begunstigde ondernemingen gewezen op de maatregelen die zij op basis van de leden 2 en 3 van deze bepaling zou kunnen nemen indien het onderzoek de onregelmatigheden bevestigde.

127 De in de twee voorgaande punten bedoelde informatie was voldoende duidelijk en precies om Vela, Sonda en Tecnagrind in staat te stellen de rechtsgrondslag van de door de Commissie ingeleide onderzoeksprocedure en de door haar na afloop van deze procedure te geven beschikkingen te kennen. Bovendien moet worden opgemerkt dat verzoeksters reeds in hun brief van 19 juni 1998, waarin zij hun opmerkingen over de door de Commissie in haar brieven van 3 april 1998 (zie punt 68) geuite grieven hebben gemaakt, hebben aangevoerd dat deze instelling zich niet op de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88 kon beroepen, hetgeen aantoont dat zij duidelijk hadden begrepen op welke bepalingen het optreden van de Commissie was gebaseerd.

128 Uit de voorgaande analyse (punten 119-127) volgt, dat het in punt 118 uiteengezette betoog van verzoeksters moet worden verworpen.

129 In de derde plaats betogen verzoeksters dat het verschil tussen de door de Commissie genoemde grondslag en doelstelling van de controles van juli en november 1997 en de daadwerkelijke grondslag en doelstelling daarvan wijst op misbruik van bevoegdheid, hetgeen nietigverklaring van de bestreden beschikkingen wettigt.

130 Het Gerecht herinnert er in dit verband aan, dat het begrip misbruik van bevoegdheid in het gemeenschapsrecht duidelijk is gedefinieerd en dat het betrekking heeft op de omstandigheid dat een gemeenschapsinstelling een handeling uitsluitend, of althans hoofdzakelijk vaststelt ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden (zie, onder meer, arresten Hof van 20 juni 1991, Cargill/Commissie, C-248/89, Jurispr. blz. I-2987, punt 26, en 25 juni 1997, Italië/Commissie, C-285/94, Jurispr. blz. I-3519, punt 52; arresten Gerecht van 6 april 1995, Ferriere Nord/Commissie, T-143/89, Jurispr. blz. II-917, punt 68, en 24 april 1996, Industrias Pesqueras Campos e.a./Commissie, T-551/93, T-231/94-T-234/94, Jurispr. blz. II-247, punt 168).

131 In de onderhavige gevallen blijkt evenwel duidelijk, dat de door de Commissie in juli en november 1997 uitgevoerde controles ter plaatse waren gebaseerd op artikel 23 van verordening nr. 4253/88 en tot doel hadden om overeenkomstig het bepaalde in dit artikel de regelmatigheid na te gaan van het financieel en boekhoudkundig beheer van de betrokken projecten, zoals de Commissie Vela, Sonda en Tecnagrind heeft meegedeeld in de brieven waarin zij hun in kennis heeft gesteld van haar voornemen om tot deze controles over te gaan.

132 Het betoog van verzoeksters betreffende misbruik van bevoegdheid moet derhalve worden verworpen.

133 Gezien de voorgaande overwegingen faalt het eerste onderdeel van het eerste middel.

Het tweede onderdeel van het middel

134 Verzoeksters betogen dat de Commissie in de onderhavige gevallen de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88 niet correct heeft toegepast.

135 Om te beginnen stelt Vela in de zaken T-141/99 en T-142/99, dat de Commissie in strijd met de eisen van artikel 23 van verordening nr. 4253/88 bij de controle van november 1997 geen steekproeven heeft verricht. Bovendien vormden deze controles een herhaling van de controles van juli 1993 en juli 1996.

136 Het Gerecht wijst er in de eerste plaats op, dat artikel 23, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 4253/88 bepaalt dat ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de structuurfondsen gefinancierde acties ter plaatse mogen controleren, "onder meer door middel van steekproeven". Het controleren door middel van steekproeven wordt in deze bepaling bij wijze van voorbeeld aangehaald; de mogelijkheid voor ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie om naar gelang van de omstandigheden grondiger dan enkel steekproefsgewijs controles ter plaatse uit te voeren, wordt dan ook niet uitgesloten.

137 In de tweede plaats is van belang, dat de Commissie ingevolge artikel 23, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 4253/88 erop toeziet dat de controles die zij verricht, zodanig worden gecoördineerd dat herhaling van controles "in een zelfde zaak en in een zelfde periode" wordt vermeden.

138 Zonder dat behoeft te worden onderzocht of een eventuele herhaling van de controles door de Commissie in een zelfde zaak en in een zelfde periode als zodanig de wettigheid van deze controles en van de door deze instelling naar aanleiding daarvan gegeven beschikking kan aantasten, moet worden opgemerkt dat het dossier in de onderhavige gevallen geen enkel bewijs bevat dat de projecten Luffa en Girasole in november 1997 aan andere controles door de Commissie zijn onderworpen dan die welke ter plaatse is uitgevoerd door ambtenaren van de DG's "Landbouw" en "Financiële Controle" en van UCLAF.

139 Aangaande de controles die de Commissie in juli 1993 en juli 1996 ter plaatse heeft uitgevoerd, moet in de eerste plaats worden geconstateerd dat deze controles in een andere periode hebben plaatsgevonden dan de controle van november 1997.

140 Zoals Vela voorts zelf onderstreept in haar verzoekschrift in zaak T-141/99, hadden deze controles tot doel na te gaan of aan de voorwaarden in bijlage II bij de toekenningsbeschikking betreffende het project Luffa was voldaan, waarvan de uitbetaling afhing van de tweede tranche van de financiële bijstand voor dit project (controle van juli 1993) en van het saldo van deze bijstand (controle van juli 1996). De controle van november 1997 had daarentegen tot doel, de regelmatigheid na te gaan van het boekhoudkundig en financieel beheer van de projecten Luffa en Girasole in het licht van nieuwe gegevens die aan de dag waren getreden tijdens een controle van een Iers project door de Rekenkamer in januari 1997 en tijdens de controle van de projecten Vetiver en Ricino door de Commissie bij Tecnagrind in juli 1997, en die op een onregelmatig beheer zouden kunnen duiden.

141 Tenslotte hadden de controles van juli 1993 en juli 1996 uitsluitend betrekking op het project Luffa, zodat het argument van Vela met betrekking tot het repetitieve karakter van de controle van november 1997 feitelijk onjuist is voorzover het zaak T-142/99 aangaat.

142 Het in punt 135 uiteengezette betoog van Vela moet derhalve worden verworpen.

143 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat de Commissie destijds heeft verzuimd hun mee te delen of zij een afschrift van de brieven die zij hun op 3 april 1998 had gezonden, aan de betrokken nationale autoriteiten had doen toekomen en of die autoriteiten een termijn was gegund voor het maken van opmerkingen over de in die brieven geformuleerde stellingen. Verzoeksters hebben pas uit de bestreden beschikkingen kunnen opmaken, dat de nationale autoriteiten door de Commissie waren verzocht opmerkingen in te dienen.

144 Met een beroep op het fundamentele belang dat op grond van artikel 23 van verordening nr. 4253/88 en de rechtspraak moet worden gehecht aan de verplichting om de lidstaat in de administratieve procedure te raadplegen, stellen verzoeksters dat de Commissie, door de nationale autoriteiten pas in de fase van indiening van opmerkingen over de gestelde onregelmatigheden bij de procedure te betrekken en door verzoeksters tijdens die procedure niet ervan in kennis te stellen dat zij deze autoriteiten had verzocht opmerkingen in te dienen, heeft belet dat tussen verzoeksters en voornoemde autoriteiten een contradictoir debat werd gevoerd.

145 Het Gerecht merkt echter om te beginnen op, dat de brieven van de Commissie van 10 juni 1997 aan Tecnagrind (zie punt 60) en van 23 september 1997 aan Vela en Sonda (zie punt 63) alsmede de verslagen van UCLAF van 30 september 1997 en van DG "Financiële Controle" van 18 december 1997 eensluidend aantonen, dat vertegenwoordigers van de Spaanse autoriteiten - ambtenaren van de Intervención General de la Administración del Estado - en van de Italiaanse autoriteiten - ambtenaren van de Ragioneria Generale dello Stato - hebben deelgenomen aan de controles van juli 1997 en november 1997.

146 Hieruit blijkt dat de Commissie, alvorens tot de controles ter plaatse over te gaan, de betrokken lidstaten overeenkomstig artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88 heeft geïnformeerd, zodat deze zich bij die controles konden doen vertegenwoordigen door hun ambtenaren; dit betekent dat de stelling van verzoeksters dat die lidstaten pas bij de procedure die in de bestreden beschikkingen is uitgemond, zijn betrokken op het moment van indiening van opmerkingen over de door de Commissie na afloop van die controles aangevoerde onregelmatigheden, ongegrond is.

147 Voorts wijst het Gerecht erop, dat de Commissie krachtens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 verplicht is om, indien de toegekende bijstand door de uitvoering van de betrokken actie of maatregel niet lijkt te worden gerechtvaardigd, de betrokken lidstaat te vragen binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen mede te delen over het geval dat zij aan een passend onderzoek onderwerpt. Artikel 24 van de verordening schrijft echter niet voor, dat de Commissie de begunstigde van de financiële bijstand over de naleving van deze verplichting informeert. Hieruit volgt dat het door verzoeksters gevoerde betoog ten bewijze dat artikel 24 van verordening nr. 4253/88 is geschonden omdat de Commissie zou hebben verzuimd hun in haar brieven van 3 april 1998 in kennis te stellen van haar verzoek aan de betrokken nationale autoriteiten om binnen een bepaalde termijn opmerkingen in te dienen over de in die brieven geformuleerde stellingen, in rechte niet kan slagen en dus moet worden verworpen.

148 Ten overvloede zij eraan herinnerd, dat de Commissie in haar brieven van 3 april 1998 aan Vela, Sonda en Tecnagrind te kennen had gegeven dat zij de verleende financiële bijstand aan een onderzoek overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 4253/88 onderwierp (zie punt 65). In hun brieven van 19 juni 1998 (zie punt 68) hebben verzoeksters de bepalingen van artikel 24, lid 1, van die verordening letterlijk weergegeven. Zij waren derhalve zeer wel op de hoogte van de verplichting van de Commissie om de betrokken lidstaten uit te nodigen binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen. In deze omstandigheden stond het hun vrij om bij de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat navraag te doen omtrent de naleving van deze verplichting en, voorzover zij dit zinvol achtten, vóór het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn om opmerkingen te maken over de in haar brieven van 3 april 1998 geformuleerde stellingen, een contradictoir debat met deze autoriteiten aan te gaan.

149 In repliek stellen verzoeksters dat de door de Commissie bij haar verweerschriften gevoegde documenten ten bewijze dat de betrokken nationale autoriteiten op 3 april 1998 zijn verzocht hun opmerkingen mede te delen over de inhoud van de op diezelfde dag aan Vela, Sonda en Tecnagrind verzonden brieven, elke bewijskracht ontberen.

150 In de zaken T-141/99 en T-142/99 merkt Vela allereerst op dat het document dat de Commissie met het oog hierop bij haar verweerschrift in deze twee zaken heeft gevoegd, gedateerd noch ondertekend is.

151 Het Gerecht merkt evenwel op dat de Commissie bij haar duplieken in beide zaken een afschrift heeft gevoegd van een door G. Legras, directeur-generaal van DG "Landbouw", ondertekende brief van 3 april 1998 aan de permanente vertegenwoordiging van de Italiaanse Republiek bij de Europese Unie, waarbij deze vertegenwoordiging is gevraagd haar opmerkingen mede te delen over de gestelde onregelmatigheden inzake de projecten Luffa en Girasole. Het bezwaar van Vela moet dan ook worden afgewezen.

152 Voorts stellen verzoeksters in alle vier zaken, dat de bij de memories van de Commissie gevoegde afschriften van haar brieven van 3 april 1998 aan de permanente vertegenwoordigingen van de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk Spanje niet vergezeld gaan van een ontvangstbevestiging waaruit blijkt dat zij ook daadwerkelijk door deze vertegenwoordigingen zijn ontvangen. Verzoeksters stellen dat de Commissie derhalve niet heeft aangetoond dat de krachtens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 op haar rustende verplichting is nagekomen.

153 In het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft de Commissie echter aan het dossier een afschrift toegevoegd van het telefaxbericht dat zij op 18 februari 2002 heeft ontvangen van de permanente vertegenwoordiging van de Italiaanse Republiek en waarin deze vertegenwoordiging meedeelt dat haar brief van 3 april 1998, met daarin het verzoek om opmerkingen te maken over de gestelde onregelmatigheden betreffende de projecten Luffa en Girasole, op 9 april 1998 is ontvangen en is geregistreerd onder nummer 1781. Ook heeft de Commissie een afschrift overgelegd van de brief van 12 februari 2002 van de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje waarin deze vertegenwoordiging, onder bijvoeging van het bewijsstuk, meedeelt dat de brief van de Commissie van 3 april 1998, met daarin het verzoek om opmerkingen te maken over de gestelde onregelmatigheden betreffende de projecten Vetiver en Ricino, op 7 april 1998 is ontvangen en is geregistreerd onder nummer A 14-13535.

154 Het betoog van verzoeksters dat niet zou zijn aangetoond dat de betrokken permanente vertegenwoordigingen de brieven van de Commissie van 3 april 1998 daadwerkelijk hebben ontvangen, snijdt dan ook geen hout.

155 In de derde plaats betogen verzoeksters dat in de bestreden beschikkingen niet wordt gepreciseerd of en, in voorkomend geval, in hoeverre de Commissie rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de betrokken nationale autoriteiten.

156 Het Gerecht herinnert er op dit punt allereerst aan, dat artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 vereist dat de Commissie, indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, zodat zij overgaat tot een passend onderzoek van het geval, de betrokken lidstaat verzoekt haar binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen mee te delen.

157 Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd, dat zij voor de Commissie de verplichting inhoudt om de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen te maken en om zich vóór het verstrijken van deze termijn te onthouden van het nemen van enige beslissing, omdat deze verplichting anders geen nuttig effect zou hebben. Wanneer de termijn echter eenmaal is verstreken, mag de Commissie, wanneer het door haar ingestelde onderzoek het bestaan van een onregelmatigheid heeft bevestigd, een van de in artikel 24 van deze verordening genoemde maatregelen treffen, ook al heeft de lidstaat geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn opmerkingen te maken. Elke andere uitlegging zou erop neerkomen dat een lidstaat het nemen van een beslissing door de Commissie eindeloos zou kunnen blokkeren door niet te reageren op de brief van deze instelling waarin hij is verzocht zijn opmerkingen mee te delen.

158 Verder is de Commissie op grond van de motiveringsplicht weliswaar gehouden om in voorkomend geval in de beschikking tot opschorting, vermindering of intrekking van de financiële bijstand in te gaan op de eventuele opmerkingen die de betrokken lidstaat tijdens de administratieve procedure heeft gemaakt, maar noch de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88, wier schending verzoeksters aanvoeren in het hier aan de orde zijnde onderdeel van hun middel, noch de motiveringsplicht verplichten de Commissie ertoe, te preciseren dat de betrokken nationale autoriteiten in voornoemde procedure geen opmerkingen hebben gemaakt.

159 In de onderhavige gevallen heeft de Commissie, zonder dat dit door verzoeksters is weersproken, in haar verweerschriften gesteld dat noch de Italiaanse noch de Spaanse autoriteiten na kennisneming van haar brieven van 3 april 1998 opmerkingen hadden ingediend. Dit verklaart waarom de bestreden beschikkingen niets vermelden over het standpunt van de betrokken nationale autoriteiten.

160 De voorgaande analyse leidt ertoe dat het tweede onderdeel van het eerste middel moet worden verworpen. Mitsdien faalt dit middel in zijn geheel.

II - Het tweede middel, ontleend aan een motiveringsgebrek en beoordelingsfouten

161 In alle vier zaken bestaat dit middel uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel stellen verzoeksters dat de bestreden beschikkingen een motiveringsgebrek vertonen. In het kader van het tweede onderdeel betwisten verzoeksters de door de Commissie in deze beschikkingen geconstateerde onregelmatigheden.

Het eerste onderdeel van het middel

162 Verzoeksters betogen dat de bestreden beschikkingen uitsluitend zijn gebaseerd op het bestaan van ernstige twijfel omtrent de naleving van de verplichting tot medefinanciering of op gegevens die onregelmatigheden kunnen opleveren, doch niet op vaststaande feiten. Verder preciseert de Commissie niet hoe zij het bestaan van de gestelde onderlinge geldstromen heeft vastgesteld en waarom zij deze geldstromen ongerechtvaardigd acht; evenmin verduidelijkt zij het causaal verband tussen de geldstromen en het gestelde gebrek aan medefinanciering. Voorts kan uit de lezing van de bestreden beschikkingen niet worden opgemaakt wat de betekenis is van de hierin gebezigde formulering "inkomsten zonder aantoonbare economische grondslag". In de zaken T-141/99 en T-142/99 verwijt Vela de Commissie dat zij spreekt van een wanverhouding tussen de voor de betrokken projecten gedeclareerde uitgaven en de in het kader daarvan verrichte werkzaamheden, zonder dat zij preciseert welke uitgaven betrekking hebben op werkzaamheden die haars inziens niet zijn uitgevoerd.

163 Verzoeksters stellen verder dat de motivering van de bestreden beschikkingen innerlijk tegenstrijdig is, omdat in een van de passages daarvan zonder onderscheid wordt gesproken over de banden tussen de begunstigde ondernemingen van de betrokken projecten, tussen sommige vennoten van deze ondernemingen en tussen laatstgenoemden en de aan hen gelieerde ondernemingen, terwijl in een andere passage wordt gesteld dat de betrokken ondernemingen voor het merendeel in handen zijn van dezelfde beperkte groep natuurlijke personen.

164 In zaak T-150/99 voegt Tecnagrind hieraan toe, dat de Commissie in haar brieven van 3 april 1998 melding heeft gemaakt van onderlinge geldstromen ten belope van 10 783 284 972 ITL, dat wil zeggen 71 % van de totale kosten van de betrokken projecten, terwijl zij in de in deze zaak bestreden beschikking een bedrag van 10 miljard ITL noemt, dat wil zeggen 65 % van die kosten. In deze omstandigheden valt niet te achterhalen, welke methode de Commissie heeft gehanteerd om het bedrag van de terug te betalen bijstand te berekenen, en is enige twijfel omtrent de juistheid van deze berekening op zijn plaats.

165 In zaak T-151/99 stelt Tecnagrind, dat de Commissie in de in deze zaak bestreden beschikking zichzelf tegenspreekt; enerzijds stelt zij namelijk dat de systematische onderaanneming tussen de begunstigde ondernemingen van de projecten en de daaraan gelieerde ondernemingen tot inkomsten heeft geleid waarvan de economische grondslag niet is aangetoond en die op ongerechtvaardigde wijze het aandeel van de medefinanciering uitmaken, terwijl zij anderzijds stelt dat Tecnagrind tijdens de inspectie ter plaatse geen enkel document heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze onderneming het project Ricino, overeenkomstig de betrokken toekenningsbeschikking, voor 25 % had medegefinancierd.

166 Aangaande de aan elk project eigen onregelmatigheden die de Commissie in de verschillende bestreden beschikkingen heeft genoemd, betogen verzoeksters verder dat zij de Commissie in hun brief van 19 juni 1998 uitvoerig hebben uiteengezet dat de door haar betwiste facturen overeenkwamen met de werkzaamheden die in het kader van het betrokken project waren verricht. In de bestreden beschikkingen gaat de Commissie daar echter niet op in. Zij volstaat met de opmerking dat de begunstigde ondernemingen geen argumenten hebben aangevoerd die de in haar brieven van 3 april 1998 nauwkeurig verwoorde grieven kunnen weerleggen. Hierdoor heeft de Commissie haar motiveringsplicht geschonden.

167 In zaak T-150/99 stelt Tecnagrind verder nog dat de Commissie in de in deze zaak bestreden beschikking, in weerwil van haar verzoek in haar brief van 19 juni 1998, geenszins verduidelijkt op welke facturen zij doelt met haar stelling dat aan de begroting voor het project Vetiver facturen zijn toegerekend voor werkzaamheden die na de voltooiingsfase van dit project zijn verricht.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in