Gerecht EU 11 juli 2002, T-152/99, ECLI:EU:T:2002:188
Tekst
Trefwoorden
1. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3 (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, EG)]
2. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt - Steun voor redding van onderneming in moeilijkheden - Voorwaarden - Uitzonderlijke maatregel om gedurende beperkte periode bedrijf voort te zetten - Kennelijk onjuiste beoordeling door Commissie - Geen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3 (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, EG)]
3. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Inaanmerkingneming van situatie op tijdstip van vaststelling van maatregel
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
4. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden - Voorwaarden - Uitvoering onder toezicht van Commissie, van door haar goedgekeurd herstructureringsplan
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3 (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, EG)]
5. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Herstructureringssteun voor in steungebied gevestigde onderneming in moeilijkheden - Bijzondere voorwaarden - Beoordeling
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub a en c (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, sub a en c, EG)]
6. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Omzetting in kapitaal van deel van schulden van onderneming bij overheidsorgaan - Beoordelingscriterium - Criterium van particuliere investeerder - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
7. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Selectieve maatregel - Financiële voordelen door overheidsorgaan discretionair aan onderneming toegekend - Daaronder begrepen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
8. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Kwijtschelding van schulden door overheidsorganen aan onderneming in moeilijkheden in kader van gerechtelijke procedure en in overeenstemming met toepasselijke nationale recht verleend - Daaronder begrepen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
9. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Rechtskarakter - Uitlegging op basis van objectieve elementen - Rechterlijke toetsing - Omvang
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
10. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Kwijtschelding van schulden door overheidsorganen aan onderneming in moeilijkheden verleend - Verhouding tussen kwijtgescholden bedragen en totale schuld van onderneming - Irrelevantie - Beoordelingscriterium - Criterium van particuliere schuldeiser
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
11. Steunmaatregelen van de staten - Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen lidstaten - Aantasting van mededinging - Beoordelingscriteria
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]
12. Steunmaatregelen van de staten - Beschikking van Commissie waarbij niet-aangemelde steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Motiveringsplicht - Omvang
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93, lid 3, en 190 (thans art. 88, lid 3, EG en 253 EG)]
Samenvatting
1. De Commissie beschikt op het gebied van artikel 92, lid 3, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 3, EG) over een ruime beoordelingsvrijheid. De toetsing door de gemeenschapsrechter moet dus beperkt blijven tot het onderzoek van de naleving van de procedurevoorschriften, de nakoming van de motiveringsplicht, de materiële juistheid van de feiten, het ontbreken van kennelijk onjuiste beoordelingen en van misbruik van bevoegdheid. Het staat niet aan de gemeenschapsrechter zijn beoordeling op economisch vlak in de plaats te stellen van die van de Commissie.
( cf. punt 48 )
2. De Commissie heeft geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt waar zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de tussen mei en december 1995 door een overheidsorgaan aan de betrokken onderneming toegekende leningen en borgstellingen niet konden worden aangemerkt als reddingssteun in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, nu vaststaat dat dit overheidsorgaan in 1993 en 1994 aan dezelfde onderneming reeds leningen en borgstellingen van dezelfde aard als de gestelde reddingssteun had toegekend, en dat deze maatregelen reeds bestemd waren om de onderneming in staat te stellen het hoofd te bieden aan haar economische en financiële problemen en haar bedrijf voort te zetten. De Commissie kon dus tot de conclusie komen dat in casu niet was voldaan aan de voorwaarde dat reddingssteun normaal een uitzonderlijke ingreep van korte duur dient te zijn om het bedrijf voort te zetten.
( cf. punten 50-51 )
3. De vraag of een maatregel een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) is, moet worden beantwoord in het licht van de situatie op het tijdstip waarop deze maatregel werd getroffen. Zou de Commissie rekening houden met latere gebeurtenissen, dan zou zij immers de lidstaten begunstigen die hun plicht verzaken om de door hen voorgenomen steunmaatregelen in het ontwerpstadium aan te melden. Het feit dat de op leningen van een overheidsorgaan aan een onderneming in moeilijkheden toepasselijke rentevoet naderhand aan de marktrente is aangepast (ongeacht of deze aanpassing al dan niet als een eenvoudige boekhoudkundige ingreep" wordt aangemerkt) is niet van belang.
( cf. punt 53 )
4. De communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden verlangen dat de herstructureringssteun aan een onderneming in moeilijkheden gepaard gaat met een plan. Voor de goedkeuring van dit plan door de Commissie gelden drie materiële voorwaarden: het moet het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken onderneming mogelijk maken, buitensporige vervalsing van de mededinging vermijden, en de evenredigheid van de steun met de kosten en baten van de herstructurering garanderen. Het staat bovendien aan de betrokken onderneming het herstructureringsplan volledig uit te voeren zoals het door de Commissie is goedgekeurd, terwijl de uitvoering, het verloop en het welslagen van dat plan geschiedt onder toezicht van de Commissie, bij wie jaarlijks gedetailleerde verslagen moeten worden ingediend.
( cf. punt 78 )
5. Uit de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden volgt, dat het feit dat een noodlijdende onderneming is gevestigd in een steungebied, niet betekent dat steun zonder meer wordt toegestaan, en de richtsnoeren preciseren dat de mededinging zo min mogelijk dient te worden vervalst, ook bij steun aan ondernemingen in steungebieden". Evenzo doet de uitzonderlijke mogelijkheid tot versoepeling van de eis van de capaciteitsvermindering in het geval van een markt met een structurele overcapaciteit niet af aan de eerste eis, dat een coherent en haalbaar herstructureringsplan om de levensvatbaarheid van de onderneming te kunnen herstellen wordt ingediend. Derhalve kan de Commissie niet worden verweten dat zij een onderneming niet in aanmerking laat komen voor een op de behoeften van regionale ontwikkeling gebaseerde afwijking, indien deze onderneming, indien zij is overgegaan tot capaciteitsverminderingen die - met enige soepelheid - als toereikend kunnen worden aangemerkt, niet voldoet aan een of meer van de overige voorwaarden van de richtsnoeren.
( cf. punt 114 )
6. Deelnemingen van de overheid in het kapitaal van een onderneming, in welke vorm ook, kunnen staatssteun zijn.
Ten einde vast te stellen of de omzetting in kapitaal van een deel van de schulden van een onderneming bij een overheidsorgaan het karakter van staatssteun heeft, moet het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie worden gehanteerd. Derhalve moet worden beoordeeld, of in soortgelijke omstandigheden een particuliere investeerder die beschikt over middelen die vergelijkbaar zijn met die van een publieke investeerder, tot een zo belangrijke transactie bereid zou zijn geweest. Het gedrag van een particuliere investeerder, waarmee de deelneming van de publieke investeerder die doelstellingen van economisch beleid nastreeft, moet worden vergeleken, hoeft niet noodzakelijkerwijs het gedrag te zijn van een gewone investeerder die kapitaal belegt om daaruit op min of meer korte termijn een rendement te halen, maar moet ten minste het gedrag zijn van een particuliere holding of een particuliere groep van ondernemingen met een algemeen of sectoraal structuurbeleid, en moet worden ingegeven door het uitzicht op rendement op langere termijn.
De beoordeling door de Commissie van de vraag of een investering voldoet aan het criterium van de particuliere investeerder, impliceert een ingewikkelde economische beoordeling. Bij de vaststelling van een handeling die een ingewikkelde economische beoordeling impliceert, beschikt de Commissie evenwel over een ruime beoordelingsvrijheid, en de rechterlijke toetsing van deze handeling op dit punt blijft beperkt tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen en de motiveringsplicht is nagekomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten of van misbruik van bevoegdheid. Met name staat het niet aan het Gerecht om zijn economische beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie.
( cf. punten 125-127 )
7. De specificiteit van een overheidsmaatregel, dat wil zeggen zijn selectieve karakter, is een van de kenmerken van het begrip steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Daarom moet worden onderzocht of de betrokken maatregel al dan niet leidt tot voordelen die uitsluitend ten goede komen aan bepaalde ondernemingen of bepaalde bedrijfstakken.
Wanneer het orgaan dat de financiële voordelen toekent, over een discretionaire bevoegdheid beschikt op grond waarvan het de begunstigden kan kiezen of de voorwaarden kan bepalen waaronder de maatregel wordt toegekend, kan deze maatregel niet als een algemene maatregel worden aangemerkt. Dit is het geval wanneer de kwijtschelding van schulden niet automatisch voortvloeit uit de toepassing van een nationale wet inzake de surseance van betaling waarbij een algemene procedure is ingevoerd die geldt voor elke onderneming in moeilijkheden, maar uit de discretionaire keuze van de betrokken overheidsorgaan.
( cf. punten 156-157 )
8. Artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) maakt geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, doch ziet naar hun gevolgen. Het enkele feit dat overheidsorganen schulden van een onderneming in moeilijkheden hebben kwijtgescholden in het kader van een gerechtelijke procedure en in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht, kan niet volstaan om deze kwijtschelding te beschouwen als een algemene maatregel, waarop artikel 92, lid 3, van het Verdrag niet van toepassing is.
( cf. punt 158 )
9. Het begrip staatssteun, zoals omschreven in het Verdrag, is een juridisch begrip en moet worden uitgelegd op basis van objectieve elementen. Om deze reden moet de gemeenschapsrechter in beginsel en gelet op zowel de concrete gegevens van het hem voorgelegde geschil als het technische of ingewikkelde karakter van de door de Commissie gemaakte beoordelingen, volledig toetsen of een maatregel al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) valt .
( cf. punt 159 )
10. Het aandeel van de schuldvorderingen van de overheidsorganen in het totaalbedrag van de schulden van een onderneming in moeilijkheden, kan op zich geen doorslaggevende factor vormen bij de beoordeling van de vraag of de kwijtschelding die deze organen aan deze onderneming hebben verleend, elementen van staatssteun bevat. Door de inaanmerkingneming van deze factor worden de mogelijkheden tot schuldsanering van een onderneming in moeilijkheden immers onnodig beperkt, wanneer het totaalbedrag van de openbare schuldvorderingen hoger is dan dat van de particuliere schuldvorderingen. Indien omgekeerd het totaalbedrag van de particuliere schuldvorderingen hoger is dan dat van de openbare schuldvorderingen, kan een door een overheidsorgaan getroffen schuldsaneringsmaatregel slechts moeilijk als een steunmaatregel van de staat worden aangemerkt.
De betrokken overheidsorganen hoeven zich bij de verlening van kwijtschelding van schulden niet te gedragen als openbare investeerders, waarvan het gedrag zou moet worden vergeleken met dat van een particuliere investeerder die een algemeen of sectoraal structuurbeleid volgt en zich door vooruitzichten van rentabiliteit op lange termijn van het geïnvesteerde kapitaal laat leiden. Deze organen dienen in werkelijkheid te worden vergeleken met een particuliere schuldeiser, die betaling tracht te verkrijgen van de bedragen die hem verschuldigd zijn door een schuldenaar in financiële moeilijkheden.
Derhalve staat het aan de Commissie om voor elk van de betrokken overheidsorganen te bepalen, of de door hen verleende kwijtschelding kennelijk omvangrijker was dan die welke een hypothetische particuliere schuldeiser zou hebben verleend, die zich ten aanzien van de onderneming in dezelfde situatie bevindt als het betrokken overheidsorgaan, en die de hem verschuldigde bedragen tracht te verhalen.
Hoewel een schijnbare wanverhouding tussen de respectieve kwijtschelding van schulden van de openbare en de particuliere schuldeisers een aanwijzing kan vormen voor het bestaan van eventuele staatssteun, ontslaat dit element op zich de Commissie niet van haar plicht om te onderzoeken, of gezien de omstandigheden van het concrete geval de door de openbare schuldeisers verleende kwijtschelding verder gaat dan hetgeen door commerciële vereisten wordt gerechtvaardigd, zodat de enige verklaring daarvoor is dat de schuldeisers daarmee aan de betrokken onderneming een voordeel willen toekennen.
( cf. punten 166-167, 170-171 )
11. Wanneer steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun ongunstig te worden beïnvloed. Bovendien kan een steunmaatregel ook dan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen, wanneer de begunstigde onderneming, die concurreert met ondernemingen uit andere lidstaten, niet zelf deelneemt aan de grensoverschrijdende activiteiten. Immers, wanneer een lidstaat steun toekent aan een onderneming, kan het binnenlands aanbod in stand blijven of stijgen, met het gevolg dat de kansen van ondernemingen uit andere lidstaten om naar eerstbedoelde staat te exporteren of om hun diensten op de markt van eerstbedoelde staat aan te bieden, afnemen.
Ook de betrekkelijk geringe omvang van de steunontvangende onderneming sluit niet a priori de mogelijkheid uit dat het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed.
( cf. punten 220-221 )
12. In de motivering van een beschikking inzake staatssteun is de Commissie, wat de voorwaarde inzake ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, niet verplicht een economische analyse te maken van de feitelijke situatie in de betrokken sectoren, het marktaandeel van de betrokken onderneming, de positie van de concurrerende ondernemingen en het handelsverkeer in de betrokken producten en diensten tussen de lidstaten, wanneer zij heeft uiteengezet waarom de litigieuze steunmaatregelen de mededinging vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.
Bovendien is de Commissie in het geval van onwettig verleende steun niet verplicht de werkelijke invloed van die steun op de mededinging en op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan te tonen. Een dergelijke verplichting zou er immers toe leiden, dat lidstaten die steun verlenen zonder zich te houden aan de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG), worden bevoordeeld boven lidstaten die hun steunvoornemens wél aanmelden.
( cf. punten 223, 225-226 )
Partijen
In zaak T-152/99,
Hijos de Andrés Molina, SA (HAMSA), in faillissement, gevestigd te Sevilla (Spanje), vertegenwoordigd door L. M. Olivencia Brugger en J. L. Ballester García-Izquierdo, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door D. S. Ortiz Vaamonde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en D. Triantafyllou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/484/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de door de Spaanse overheid aan de onderneming Hijos de Andrés Molina SA (HAMSA) toegekende staatssteun (PB L 193, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: P. Lindh, kamerpresident, R. García-Valdecasas, J. D. Cooke, M. Vilaras en N. J. Forwood, rechters,
griffier: O. Speltdoorn, referendaris,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 De feiten
Hijos de Andrés Molina SA (hierna: verzoekster" of onderneming") is gevestigd in de provincie Jaén (Spanje) en houdt zich bezig met de bereiding van vleesproducten, diervoeding en kaas, alsmede met het fokken en slachten van varkens. Aanvankelijk was het maatschappelijk kapitaal in handen van de familie Molina.
2 Op 13 maart 1995 heeft de Juzgado de Primera Instancia nr. 4 de Jaén verklaard dat verzoekster, die al enige jaren in economische en financiële moeilijkheden verkeerde, in de toestand verkeerde dat zij had opgehouden te betalen.
3 Bij overeenkomst van 5 mei 1995 heeft de familie Molina tegen betaling van één Spaanse peseta (ESP) de blote eigendom van haar aandelen overgedragen aan het Instituto de Fomento de Andalucía (hierna: IFA"), een overheidsorgaan van de autonome gemeenschap Andalusië (Spanje). Volgens deze overeenkomst zou de familie Molina op 31 december 1997 automatisch de volle eigendom van die aandelen herkrijgen.
4 In december 1995 heeft verzoekster een herstructureringsplan opgesteld, dat haar moeilijkheden diende te verhelpen (hierna: herstructureringsplan", of plan"). Dit plan werd herzien in april 1997 (hierna: aanvulling van april 1997") en nog eens in januari 1998.
5 Bij schrijven van 1 juli 1996 heeft de Spaanse regering de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) tardief kennisgegeven van een reeks steunmaatregelen van IFA ten gunste van verzoekster, te weten:
- reddingssteun" in de periode van mei tot en met december 1995 in de vorm van:
- twee borgstellingen voor bedragen van, respectievelijk, 100 miljoen ESP en 50 miljoen ESP;
- drie leningen van respectievelijk 350, 125 en 25 miljoen ESP tegen een rente van 6 % 's jaars, die op 9 april 1996 is opgetrokken tot de rente op de interbancaire markt van Madrid (hierna: MIBOR") + 0,5 %;
- herstructureringssteun" in de periode van januari tot en met juni 1996 in de vorm van:
- drie borgstellingen, voor een bedrag van respectievelijk 100, 75 en 25 miljoen ESP (waarvan de laatste is toegekend voor een bedrag van 21 748 150 ESP);
- twee leningen van respectievelijk 1 739 miljoen ESP (tegen MIBOR-rente + 0,5 %) en 850 miljoen ESP (tegen een rente van 10,5 %).
6 Bij onderzoek van deze kennisgeving heeft de Commissie vastgesteld dat verzoekster vóór mei 1995 ook nog de volgende steun had ontvangen:
- een lening van 375 miljoen ESP tegen een rente van 10 %, toegekend op 12 augustus 1993;
- een borgstelling voor een bedrag van 375 miljoen ESP, toegekend op 18 juni 1993;
- een lening van 550 miljoen ESP tegen een rente van 6 %, toegekend op 28 juni 1994;
- een borgstelling voor een bedrag van 200 miljoen ESP, toegekend op 28 juni 1994.
7 De Commissie heeft ook geconstateerd, dat na de kennisgeving aan verzoekster de volgende vormen van steun zijn toegekend:
- een lening van 1 100 miljoen ESP tegen MIBOR-rente + 0,5 %, toegekend op 5 november 1996;
- een lening van 700 miljoen ESP tegen MIBOR-rente + 0,5 %, toegekend in twee gedeelten op 2 juni en op 31 juli 1997;
- een borgstelling voor een bedrag van 450 miljoen ESP, toegekend op 6 februari 1998;
- een borgstelling voor een bedrag van 300 miljoen ESP, toegekend op 2 mei 1997;
- een lening van 275 951 288 ESP, die verband houdt met de door IFA op 2 augustus 1996 via het overheidsbedrijf Sociedad para la Promoción y Reconversión de Andalucía SA overgenomen schuldvordering, die voortvloeit uit een door de financiële instelling Caixa d'Estalvis i de Pensions de Barcelona aan verzoekster toegekende lening van 300 miljoen ESP.
8 Bij brief van 29 april 1997 heeft de Commissie de Spaanse regering in kennis gesteld van haar besluit om de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag in te leiden en heeft zij haar uitgenodigd opmerkingen te maken. De overige lidstaten en belanghebbenden werden van de inleiding van deze procedure in kennis gesteld en door middel van de bekendmaking van voormelde brief in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1997 (PB C 196, blz. 10) uitgenodigd opmerkingen te maken. De Spaanse regering heeft haar opmerkingen meegedeeld bij brieven van 4, 11 en 23 juli en 21 augustus 1997. Derden belanghebbenden hebben hun opmerkingen gemaakt bij brieven van 27 januari, 6 februari, 26 en 28 mei en 22 juli 1997. Bij brief van 16 maart 1998 heeft de Spaanse regering haar commentaar op deze laatste opmerkingen gegeven.
9 Op 29 april 1997 heeft IFA een deel van de schuld die verzoekster bij hem had, namelijk een bedrag van 4 680 miljoen ESP, in kapitaal omgezet. Verzoeksters kapitaal is vervolgens tot 500 miljoen ESP verminderd. Als gevolg van deze verrichtingen werd IFA eigenaar van 80,6 % van verzoeksters aandelen, terwijl de familie Molina nog slechts de resterende 19,4 % in handen had.
10 Op 28 mei 1997 heeft de algemene vergadering van verzoeksters schuldeisers een akkoord over de kwijtschelding van schulden goedgekeurd, dat op 3 november 1997 door de Juzgado de Primera Instancia nr. 4 de Jaén is bekrachtigd (hierna: kwijtscheldingsakkoord"). De Spaanse fiscus en de sociale zekerheid hebben verzoekster bij individuele overeenkomsten kwijtschelding verleend. Zo hebben de overheidsorganen verzoekster de volgende schulden kwijtgescholden:
- van een totale schuld van 2 211 154 000 ESP heeft IFA 2 192 754 000 ESP kwijtgescholden;
- van een totale schuld van 87 489 000 ESP heeft de Junta de Andalucía 69 089 000 ESP kwijtgescholden;
- van een totale schuld van 177 199 000 ESP heeft de gemeente Jaén 158 800 000 ESP kwijtgescholden;
- van een totale schuld van 927 876 000 ESP heeft de belastingdienst 338 589 000 ESP kwijtgescholden;
- van een schuld wegens niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen van 1 479 miljoen ESP heeft de sociale zekerheid 789 938 000 ESP kwijtgescholden;
- van een totaal van 11 221 000 ESP heeft de Confederación Hidrográfica del Guadalquivir 5 144 000 ESP kwijtgescholden.
11 Bij brief van 10 oktober 1997 heeft de Commissie de Spaanse regering in kennis gesteld van haar besluit om de procedure uit te breiden tot de kapitalisatie en de kwijtschelding van schulden door de overheidsorganen, en heeft zij haar uitgenodigd opmerkingen te maken. De overige lidstaten en de belanghebbenden zijn van de uitbreiding in kennis gesteld en door middel van de bekendmaking van deze brief in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1997 (PB C 361, blz. 3) uitgenodigd eventuele opmerkingen kenbaar te maken. De Spaanse autoriteiten hebben hun opmerkingen meegedeeld bij brief van 19 december 1997 en derden belanghebbenden bij brieven van 15 en 23 december 1997. De Spaanse autoriteiten hebben bij brieven van 2 en 16 maart, 16 juli, 8 september en 21 oktober 1998 aanvullende inlichtingen verstrekt.
12 Op 3 februari 1999 heeft de Commissie beschikking 1999/484/EG betreffende de door de Spaanse overheid aan verzoekster toegekende staatssteun (PB L 193, blz. 1; hierna: bestreden beschikking") vastgesteld.
13 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
Artikel 1
Onderstaande, door Spanje aan [verzoekster] toegekende steunmaatregelen zijn onwettig omdat de Commissie zich daarover in het ontwerpstadium niet heeft kunnen uitspreken. Bovendien zijn zij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag en komen zij niet in aanmerking voor de afwijkingen van de leden 2 en 3 van genoemd artikel, en bijgevolg moeten zij worden ingetrokken:
1. Staatssteun in de vorm van borgstellingen, namelijk:
a) de borgstelling voor 375 miljoen ESP, toegekend op 18 juni 1993 en aangesproken op 29 september 1996 voor een bedrag van 401 934 206 ESP;
b) de borgstelling voor 200 miljoen ESP, toegekend op 28 juni 1994 en aangesproken op 29 januari 1996 voor een bedrag van 207 578 082 ESP;
c) de borgstelling voor 100 miljoen ESP, toegekend op 16 augustus 1995 en op 19 augustus 1996 en 11 november 1997 vervangen door een borgstelling voor hetzelfde bedrag;
d) de borgstelling voor 50 miljoen ESP, toegekend op 14 september 1995 en vervangen op 19 augustus 1996 en 11 november 1997;
e) de drie volgende borgstellingen: één voor 100 miljoen ESP, toegekend op 8 oktober 1996; één voor 75 miljoen ESP, toegekend op 20 augustus 1996, en één voor 21 748 150 ESP, toegekend op 11 november 1997;
f) de twee volgende borgstellingen: één voor 450 miljoen ESP, toegekend op 6 februari 1998, en één voor 300 miljoen ESP, toegekend op 2 mei 1997.
2. Staatssteun in de vorm van leningen, namelijk:
a) een lening van 375 miljoen ESP, toegekend op 12 augustus 1993;
b) een lening van 550 miljoen ESP, toegekend op 28 juni 1994;
c) twee leningen van 350 miljoen ESP en van 125 miljoen ESP, toegekend op 24 oktober 1995;
d) een lening van 25 miljoen ESP, toegekend op 17 oktober 1996;
e) een lening van 1 739 miljoen ESP, toegekend op 30 december 1995;
f) een lening van 850 miljoen ESP, toegekend op 11 juli 1996;
g) een lening van 1 100 miljoen ESP, toegekend op 5 november 1996;
h) een lening van 700 miljoen ESP, toegekend in twee tranches: 400 miljoen ESP op 2 juni 1997 en 300 miljoen ESP op 31 juli 1997;
i) een lening van 275 951 288 ESP, die verband houdt met het door IFA op 2 augustus 1996 via de openbare onderneming Sociedad para la Promoción y Reconversión de Andalucía SA (SOPREA) overgenomen saldo van een lening van 300 miljoen ESP die aan [verzoekster] door de financiële instelling Caixa d'Estalvis i Pensions de Barcelona was toegekend.
3. Staatssteun in de vorm van kwijtschelding van schulden door overheidsorganen, namelijk:
de kwijtschelding van een deel van [verzoeksters] schulden door overheidsorganen, goedgekeurd op de vergadering van [verzoeksters] crediteuren van 28 mei 1997, ten bedrage van:
- Gemeentebestuur Jaén: 158 800 000 ESP,
- Belastingdienst: 338 589 000 ESP,
- Junta de Andalucía: 69 089 000 ESP,
- Sociale zekerheid: 789 938 000 ESP,
- Confederación Hidrográfica
del Guadalquivir: 5 144 000 ESP.
Artikel 2
Spanje moet de aangegane leningsovereenkomsten zo spoedig mogelijk opzeggen en de in artikel 1 vermelde, nog geldige borgstellingen intrekken.
Artikel 3
1. Spanje neemt de maatregelen die nodig zijn om de in artikel 1 bedoelde steun terug te vorderen:
- wat de borgstellingen betreft, voor het verschil tussen de voor de lening verkregen rentevoet en de op een vrije markt geldende rentevoet;
- wat de leningen, de aangesproken borgstellingen en de kwijtscheldingen van schulden betreft, voor het volledige bedrag.
2. De terugbetaling moet volgens de procedures en bepalingen van de nationale wetgeving geschieden. De terug te vorderen bedragen dragen rente vanaf de datum van toekenning van de betrokken steun. De rente wordt berekend op basis van de marktrente, uitgaande van de rente die wordt toegepast bij de berekening van het subsidie-equivalent in het raam van de regionale steunmaatregelen.
[...]"
Procesverloop en conclusies van partijen
14 Bij op 24 juni 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.
15 Bij op 23 september 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft het Koninkrijk Spanje een verzoek ingediend tot tussenkomst in de zaak ter ondersteuning van verzoeksters conclusies. De president van de Vijfde kamer (uitgebreid) heeft bij beschikking van 25 januari 2000 dit verzoek tot tussenkomst toegewezen.
16 Het Koninkrijk Spanje heeft op 3 maart 2000 zijn memorie in interventie neergelegd, naar aanleiding waarvan partijen in het hoofdgeding hun opmerkingen hebben gemaakt.
17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge procedure over te gaan, en heeft het als maatregel tot organisatie van de procesgang partijen verzocht schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde stukken over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken gevolg gegeven. Verzoekster en het Koninkrijk Spanje werd eveneens verzocht ter terechtzitting bepaalde punten mondeling toe te lichten.
18 Ter terechtzitting van 3 mei 2001 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
19 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- primair, de bestreden beschikking in haar geheel nietig te verklaren;
- subsidiair, de bestreden beschikking gedeeltelijk nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
20 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
21 Het Koninkrijk Spanje ondersteunt verzoeksters conclusies.
In rechte
22 Verzoekster voert tot staving van haar beroep om te beginnen vijf middelen aan tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking:
- schending van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en artikel 93 van het Verdrag, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten wat de door IFA in 1993 en 1994 toegekende leningen en borgstellingen betreft;
- schending van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en van de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 1994, C 368, blz. 12; hierna: kaderregeling"), alsmede kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten wat de tussen mei en december 1995 verleende reddingssteun betreft;
- schending van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en van de kaderregeling, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten wat de na december 1995 verleende herstructureringssteun betreft;
- schending van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten wat de kapitalisatie van haar schulden door IFA betreft;
- schending van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten wat de kwijtschelding van schulden door haar openbare schuldeisers betreft.
23 Verzoekster voert vervolgens drie middelen aan tot nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel:
- kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten bij het algemene onderzoek van de ten gunste van haar getroffen maatregelen;
- schending van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag;
- geen invloed van de litigieuze maatregelen op de handel tussen lidstaten en motiveringsgebrek ten aanzien van dit punt.
Het eerste middel, betreffende de in 1993 en 1994 verleende steun
Argumenten van partijen
24 Volgens verzoekster en het Koninkrijk Spanje vallen de leningen en borgstellingen die IFA in 1993 en 1994 heeft toegekend (zie punt 6 hierboven), onder respectievelijk de algemene steunregeling N 624/92, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van 16 december 1992, en de algemene steunregeling N 428/93, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van 24 september 1993. Daar de beschikkingen van de Commissie tot goedkeuring van deze steunregelingen geen terugwerkende kracht kunnen hebben, wordt daarmee noodzakelijkerwijs voor de toekomst goedkeuring verleend voor latere maatregelen in het kader van deze steunregelingen.
25 Zij betwisten niet de stelling van de Commissie, dat deze twee steunregelingen een wijziging van steunregeling NN 71/88 vormen. Zij zijn het echter niet eens met de conclusies die de Commissie daaraan verbindt. Verzoekster voert onder meer aan, dat de Commissie geen argument kan ontlenen aan de brief van de Spaanse autoriteiten van 12 september 1989 met betrekking tot steunregeling NN 71/88, omdat deze in werkelijkheid steunmaatregelen ten gunste van de mijnbouwwerkzaamheden in het gebied van Huelva (Spanje) betreft. Bovendien is het voorbehoud van de Commissie, dat de steun aan de landbouwondernemingen vooraf diende te worden aangemeld, in casu niet van toepassing.
26 Wat de door IFA in 1993 toegekende lening en borgstelling betreft, stellen verzoekster en het Koninkrijk Spanje zich op het standpunt, dat de potentiële begunstigden van steunregeling NN 71/88 over het algemeen in Andalusië gevestigde ondernemingen zijn, en dat voor steunregeling N 624/92 hetzelfde geldt. De beperkingen in verband met het statuut van coöperatieve vereniging, van naamloze vennootschap in handen van de werknemers, of van zelfstandige, als bedoeld in regeling NN 71/88, raken verzoekster niet. Laatstgenoemde voegt hieraan toe, dat de in steunregeling N 624/92 beoogde leningen niet alleen bestemd waren voor de financiering van de vaste en lopende activa, maar ook voor de herfinanciering van de passiva.
27 Met betrekking tot de door IFA in 1994 toegekende lening en borgstelling stellen verzoekster en het Koninkrijk Spanje, dat de begunstigden van steunregeling N 428/93 geen kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) konden zijn.
28 De Commissie stelt, dat bij de steunregelingen N 624/92 en N 428/93 in 1992 respectievelijk 1993 verleende steun werd goedgekeurd. Bovendien betwist zij, dat de in 1993 en 1994 verleende steun voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van steunregeling NN 71/88 en van de daaruit voortvloeiende steunregelingen N 624/92 en N 428/93.
Beoordeling door het Gerecht
29 Om te beginnen moet de context van de steunregelingen N 624/92 en N 428/93 in herinnering worden gebracht.
30 Deze steunregelingen zijn gebaseerd op een van de twee algemene steunregelingen die door de Commissie onder referentienummer NN 71/88 zijn geregistreerd, te weten de regeling inzake de toekenning van steun door IFA ten gunste van in Andalusië gevestigde ondernemingen (hierna: IFA-steunregeling NN 71/88"). De andere steunregeling met dit referentienummer betrof de investeringssteun ten gunste van het mijnbouwgebied van de provincie Huelva.
31 De in IFA-steunregeling NN 71/88 beoogde maatregelen bestonden in subsidies, rentesubsidies, borgstellingen, leningen en deelnemingen. Voor elk van deze categorieën van maatregelen gold een specifieke begroting.
32 Bij beschikking van 26 oktober 1989 heeft de Commissie steunregeling NN 71/88 goedgekeurd. Bij verlenging van een aantal van de in deze steunregelingen voorziene maatregelen moesten de Spaanse autoriteiten haar overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag de desbetreffende begrotingsontwerpen" meedelen. Zij heeft hen er ook op gewezen, dat zij haar krachtens dit artikel in het ontwerpstadium van elke, zelfs geringe wijziging van de steunregeling van Andalusië" in kennis moesten stellen. Ten slotte heeft zij hen verzocht, haar jaarlijks vóór het einde van het eerste halfjaar een rapport te doen toekomen, waarin voor elke soort steunmaatregel wordt aangegeven het bedrag van de in het voorgaande jaar verleende steun, dat van de investeringssteun, alsmede het aantal daarbij betrokken gevallen, daar deze gegevens regionaal volgens de provincies en sectoraal worden uitgesplitst". Met betrekking tot de rentesubsidies en de IFA-leningen heeft de Commissie gepreciseerd, dat dit rapport voor elk van de vier soorten rentesubsidies en voor elk van de twee soorten leningen" moest worden opgesteld.
33 Volgens de stukken werd de IFA-steunregeling NN 71/88 jaarlijks verlengd, waarbij de voor de verschillende categorieën van maatregelen bestemde middelen en zelfs enkele kenmerken van deze regeling werden gewijzigd. De Spaanse autoriteiten hebben herhaaldelijk nagelaten deze verlengingen en wijzigingen in het ontwerpstadium mee te delen, zoals de Commissie in haar beschikking van 26 oktober 1989 en in latere goedkeuringsbeschikkingen had verlangd, maar hebben daarmee gewacht tot nadat met de toekenning van de betrokken steun was begonnen. Zo zijn de gegevens inzake de steunregeling voor 1992 (geregistreerd onder referentienummer N 624/92) pas op 18 oktober 1992 aan de Commissie meegedeeld, en die inzake de steunregeling voor 1993 (geregistreerd onder referentienummer N 428/93) pas op 1 juli 1993. De Commissie schijnt evenwel daartegen geen bezwaar te hebben gemaakt, en haar daaropvolgende goedkeuringsbeschikkingen hadden de facto terugwerkende kracht. De beschikking inzake steunregeling N 624/92 kon namelijk pas op 16 december 1992 en die inzake steunregeling N 428/93 pas op 24 september 1993 worden vastgesteld.
34 Blijkens het voorgaande moet het argument van verzoekster en het Koninkrijk Spanje, dat de door IFA in 1993 toegekende lening van 375 miljoen ESP en borgstelling voor hetzelfde bedrag onder steunregeling N 624/92 vallen, van de hand worden gewezen. Deze regeling kan namelijk enkel betrekking hebben op de steun die IFA in 1992 heeft toegekend.
35 Evenmin kunnen de lening van 550 miljoen ESP en de borgstelling voor 200 miljoen ESP, die in 1994 aan verzoekster werden toegekend, onder steunregeling N 428/93 vallen, nu deze enkel kon gelden voor de in 1993 verleende steun. Hoe dan ook, in casu waren de voorwaarden van laatstgenoemde regeling niet vervuld. In hun mededeling van 1 juli 1993 houdende kennisgeving van deze regeling hadden de Spaanse autoriteiten namelijk de begunstigden daarvan uitdrukkelijk omschreven als KMO's, dus in feite ondernemingen met ten hoogste 250 werknemers en ofwel een jaaromzet van maximum 20 miljoen ecu of een jaarlijks balanstotaal van maximum 10 miljoen ecu. Tussen partijen staat vast dat verzoekster deze maxima overschrijdt.
36 Verder kunnen de door IFA in 1993 toegekende lening en borgstelling niet onder steunregeling N 428/93 vallen, daar verzoekster geen KMO is, zoals in het voorgaande punt is vastgesteld. Hoe dan ook, geen van de partijen stelt dat deze lening en borgstelling onder deze regeling vallen.
37 Evenzo stelt geen van de partijen dat de door IFA in 1994 toegekende lening en borgstelling onder steunregeling N 462/94 vallen, die een verlenging van de IFA-steunregeling voor de periode 1994 tot en met 1999 is. Tijdens de administratieve procedure heeft het Koninkrijk Spanje zich slechts op steunregeling N 462/94 beroepen ter rechtvaardiging van de gestelde reddings- en herstructureringssteun voor verzoekster in 1995 en 1996 (punt 11 van de bestreden beschikking).
38 Bijgevolg is niet aangetoond, dat de leningen en borgstellingen die IFA in 1993 en 1994 aan verzoekster heeft toegekend, onder door de Commissie goedgekeurde algemene steunregelingen vielen. Derhalve mocht de Commissie ze terecht beschouwen als ad-hocmaatregelen om de onderneming in staat te stellen haar activiteiten voort te zetten. Het eerste middel dient dus ongegrond te worden verklaard, zonder dat de andere argumenten van partijen behoeven te worden onderzocht.
Het tweede middel, betreffende de reddingssteun
Argumenten van partijen
39 Verzoekster en het Koninkrijk Spanje stellen dat de door IFA tussen mei en december 1995 verleende borgstellingen en leningen (zie punt 5 hierboven) zijn aan te merken als reddingssteun in de zin van de kaderregeling, zodat zij door de Commissie op grond van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag hadden moeten worden goedgekeurd.
40 Om te beginnen wijzen zij erop, dat de Spaanse autoriteiten zes maanden na de toekenning van voormelde leningen de aanvankelijk vastgestelde rente met terugwerkende kracht hebben aangepast aan de marktrente, te weten de MIBOR + 0,5 %. Zij verzetten zich tegen de zienswijze dat deze aanpassing niet meer is dan een boekhoudkundige ingreep", en wijzen erop dat dit het resultaat van een echte juridisch bindende overeenkomst is en dat de vervallen rente is inbegrepen in de kapitalisatie van 29 april 1997 (zie punt 9 hierboven), nadat deze rente was berekend volgens de op de markt geldende rentevoet. Dat deze leningen niet zijn terugbetaald en dat daarover geen rente is betaald, is irrelevant daar in de kaderregeling daarover niets wordt gezegd.
41 Verzoekster en het Koninkrijk Spanje stellen vervolgens, dat de betrokken borgstellingen en leningen nauw verband hielden met de opstelling van het herstructureringsplan, enkel de voortzetting van de exploitatie van de onderneming tot doel hadden, werden gerechtvaardigd door dringende sociale problemen, en de betrokken markt in andere lidstaten niet ongunstig hebben beïnvloed. Deze steun verschilde dus wezenlijk van de steun die in 1993 en 1994 aan verzoekster was toegekend. Het Koninkrijk Spanje stelt verder, dat de Commissie in elk geval niet de onwettigheid van laatstgenoemde steunmaatregelen kan aanvoeren ten betoge dat de tussen mei en december 1995 toegekende borgstellingen en leningen geen reddingssteun zijn.
42 Ten slotte stelt verzoekster dat de Commissie afwijkt van haar beschikkingspraktijk. Zij verwijst meer in het bijzonder naar de beschikking van de Commissie van 21 juni 1995 betreffende steun van de Italiaanse Staat aan Enichem Agricoltura SpA (PB 1996, L 28, blz. 18; hierna: beschikking Enichem"), en herinnert aan het standpunt van de Commissie in zaak T-149/95 die heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 5 november 1997, Ducros/Commissie (Jurispr. blz. II-2031). Het Koninkrijk Spanje voegt daaraan toe, dat in laatstbedoeld arrest is bevestigd dat de steun niet noodzakelijk in één keer behoeft te worden betaald.
43 De Commissie betwist de zienswijze dat de tussen mei en december 1995 toegekende borgstellingen en leningen reddingssteun zijn. Deze maatregelen voldoen niet aan de in punt 3.1 van de kaderregeling gestelde voorwaarden.
44 Ten eerste was de op de betrokken leningen toegepaste rentevoet lager dan de marktrente; de terugwerkende wijziging van deze rentevoet door de Spaanse autoriteiten is niet meer dan een boekhoudkundige ingreep, daar het kapitaal van deze lening niet is terugbetaald en daarover nimmer rente is betaald. Dat de vervallen rente was begrepen in de op 29 april 1997 verrichte kapitalisatie, doet niet ter zake, aangezien laatstbedoelde verrichting zelf staatssteun vormt.
45 Ten tweede beoogt de reddingssteun de voortzetting van de exploitatie van de onderneming in moeilijkheden gedurende een korte periode, over het algemeen niet langer dan zes maanden, teneinde de vaststelling van realistische herstelmaatregelen mogelijk te maken. In 1993 en 1994 heeft verzoekster echter reeds steun ontvangen met hetzelfde doel als de betrokken borgstellingen en leningen. De reddingssteun behoeft weliswaar niet per se in één keer te worden uitbetaald, maar hij kan niet gespreid over een lange periode worden toegekend.
46 Ten slotte zijn volgens de Commissie de verwijzingen naar de beschikking Enichem en het arrest Ducros/Commissie, reeds aangehaald, irrelevant.
Beoordeling door het Gerecht
47 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad".
48 Er zij ook op gewezen, dat volgens vaste rechtspraak de Commissie op het gebied van artikel 92, lid 3, van het Verdrag over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt (arresten Hof van 21 maart 1990, België/Commissie, C-142/87, Jurispr. blz. I-959, punt 56, en 11 juli 1996, SFEI e.a., C-39/94, Jurispr. blz. I-3547, punt 36). De toetsing door de gemeenschapsrechter moet dus beperkt blijven tot het onderzoek van de naleving van de procedurevoorschriften, de nakoming van de motiveringsplicht, de materiële juistheid van de feiten, het ontbreken van kennelijk onjuiste beoordelingen en van misbruik van bevoegdheid (arrest Gerecht van 22 oktober 1996, Skibsværftsforeningen e.a./Commissie, T-266/94, Jurispr. blz. II-1399, punt 170). Het staat niet aan de gemeenschapsrechter zijn beoordeling op economisch vlak in de plaats te stellen van die van de Commissie (arrest Gerecht van 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie, T-380/94, Jurispr. blz. II-2169, punt 56).
49 Volgens punt 3.1 van de kaderregeling moet de reddingssteun:
- bestaan in kassteun in de vorm van een kredietgarantie of af te lossen kredieten tegen een rente gelijk aan de marktrente;
- zich qua bedrag beperken tot het strikt noodzakelijke voor de voortzetting van de exploitatie van een onderneming (bijvoorbeeld dekking van de loonkosten, lopende leveringen);
- alleen worden uitgekeerd voor de periode (over het algemeen niet langer dan zes maanden) die noodzakelijk is voor de vaststelling van de noodzakelijke en mogelijke herstelmaatregelen;
- worden gerechtvaardigd door dringende sociale redenen en niet ten gevolge hebben dat de industriële situatie in andere lidstaten uit het evenwicht wordt gebracht.
Een voorwaarde is voorts dat de redding in beginsel een eenmalig karakter dient te hebben. Het herhaaldelijk verlenen van reddingssteun, met als enig werkelijke resultaat een bestendiging van de bestaande situatie, waarbij het onvermijdelijke wordt uitgesteld terwijl de daarmee gepaard gaande industriële en sociale problemen worden verschoven naar andere, efficiëntere producenten en andere lidstaten, is beslist onaanvaardbaar. Reddingssteun dient derhalve doorgaans een eenmalige ingreep te zijn om de bestaande situatie te bestendigen gedurende een korte periode waarin de toekomst van de onderneming kan worden geëvalueerd.
[...]"
50 In de bestreden beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat de tussen mei en december 1995 door IFA aan verzoekster toegekende leningen en borgstellingen niet konden worden aangemerkt als reddingssteun in de zin van de kaderregeling, op grond dat zij reeds in voorgaande jaren met hetzelfde doel dergelijke steun" had ontvangen (punt 107 van de beschikking). Volgens haar was in casu niet voldaan aan het vereiste dat reddingssteun doorgaans een eenmalige ingreep dient te zijn om de bestaande situatie te bestendigen gedurende een korte periode. Opgemerkt zij dat, anders dan het Koninkrijk Spanje stelt, de Commissie haar conclusies er dus niet op heeft gebaseerd dat de aan de gestelde reddingssteun voorafgaande steunmaatregelen op zich onwettig waren.
51 Er kan niet worden gesteld, dat deze conclusies op een kennelijke onjuiste beoordeling berusten. Zoals blijkt uit de stukken en het onderzoek van het eerste middel, staat immers vast dat IFA reeds in 1993 en 1994 aan verzoekster leningen en borgstellingen van dezelfde aard als de gestelde reddingssteun had toegekend, en dat deze maatregelen reeds bestemd waren om de onderneming in staat te stellen het hoofd te bieden aan haar economische en financiële problemen en haar bedrijf voort te zetten.
52 De verwijzingen van verzoekster en het Koninkrijk Spanje naar de beschikking Enichem en het arrest Ducros/Commissie (reeds aangehaald) zijn irrelevant. Daarin gaat het immers niet om reddings- maar om herstructureringssteun.
53 Wat meer in het bijzonder de in dit middel betrokken leningen betreft, zij bovendien opgemerkt dat verzoekster en het Koninkrijk Spanje niet betwisten dat de aanvankelijk vastgestelde rente lager was dan de marktrente. De vraag of een maatregel een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag is, moet worden beantwoord in het licht van de situatie op het tijdstip waarop deze maatregel werd getroffen. Zou de Commissie rekening houden met latere factoren, dan zou zij immers de lidstaten begunstigen die evenals het Koninkrijk Spanje in casu hun plicht verzaken om de door hen voorgenomen steunmaatregelen in het ontwerpstadium aan te melden. Het feit dat de op deze leningen toepasselijke rentevoet naderhand aan de marktrente is aangepast - ongeacht of deze aanpassing al dan niet als een eenvoudige boekhoudkundige ingreep" wordt aangemerkt - is derhalve niet van belang.
54 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Het derde middel, betreffende de herstructureringssteun
Argumenten van partijen
55 Verzoekster verwijt de Commissie in de eerste plaats, dat zij het herstructureringsplan kennelijk verkeerd heeft uitgelegd.
56 Zij voert om te beginnen aan dat dit plan voorziet in een vermindering van haar productiecapaciteit.
57 Zij stelt - hierbij ondersteund door het Koninkrijk Spanje -, dat de in de tabel in punt 27 van de bestreden beschikking vervatte productiecijfers voor 1995 niet representatief zijn, nu zij, zoals blijkt uit het herstructureringsplan, op dat tijdstip een ernstige crisis doormaakte. Zij heeft concrete maatregelen ter vermindering van haar productiecapaciteit getroffen, te weten de sluiting van een slachthuis, een uitsnijderij en haar productielijn voor vleespasteien, en de gerechtelijke verkoop van één van de diervoederfabrieken. Het Koninkrijk Spanje betwist de stelling van de Commissie, dat deze maatregelen tot productievermindering niet overeenkomen met de werkelijk gebruikte capaciteit. Verzoekster voert verder aan, dat de aanvulling van april 1997 gezien de opgedane ervaring" enkel voorziet in omvangrijker dan de aanvankelijk voorgenomen capaciteitsverminderingen. Wat de gedane investeringen betreft, deze dienden enkel voor de instandhouding van bepaalde activa of om te voorkomen dat zij onbruikbaar werden.
58 Ten tweede stelt verzoekster dat de Commissie aan het feit dat het herstructureringsplan was opgesteld op basis van ontoereikende en onbetrouwbare feiten, geen argumenten kon ontlenen om het plan als ongeschikt te bestempelen. Zoals de door de rechter aangewezen bewindvoerders hebben opgemerkt in hun verslag over de situatie van de onderneming op het tijdstip waarop de stukken inzake de surseance van betaling werden gepresenteerd, bevatte haar boekhouding vele onregelmatigheden. Meer bepaald ontbraken boeken die zich leenden voor de opstelling van de jaarrekening", bestond er geen planning", en waren haar boekhoudkundige archieven onvolledig. Haar voormalige accountant was overigens voor deze onregelmatigheden ter verantwoording geroepen. Haar rekeningen voor 1994, zoals opgesteld door de familie Molina, waren bovendien onjuist en ten tijde van de opstelling van het plan nog niet door de algemene vergadering goedgekeurd. De beperkte speciale herziening van haar rekeningen van 7 mei 1995, waarmee een accountantsfirma was belast, was op dat tijdstip evenmin beschikbaar. Volgens verzoekster en het Koninkrijk Spanje is IFA er ondanks deze moeilijkheden in geslaagd om een realistisch en passend herstructureringsplan op te stellen.
59 Ten derde betogen verzoekster en het Koninkrijk Spanje, dat de Commissie niet naar behoren rekening heeft gehouden met de resultaten die de onderneming tijdens de uitvoering van het herstructureringsplan heeft behaald. Zij heeft een winst van 808 miljoen ESP in 1997 en van 244 miljoen ESP in het eerste halfjaar van 1998 geboekt, haar brutowinstmarge is aanmerkelijk verbeterd, haar kosten zijn beduidend gedaald en haar zelffinancieringscapaciteit was positief geworden. Ook het feit dat derde ondernemingen belangstelling voor haar overname hadden getoond, was een bewijs van het welslagen van het herstructureringsplan. Verzoekster en het Koninkrijk Spanje verklaren in dit verband dat de verkoopprocedure van de onderneming met zeer strikte inachtneming van de bekendmakings- en mededingingsregels is verlopen, daar een gespecialiseerde consulent potentiële kopers moest zoeken en hun offertes evalueren. Ten slotte is het Koninkrijk Spanje van mening dat de Commissie de feiten verdraait wanneer zij in punt 117 van de bestreden beschikking opmerkt, dat de Spaanse autoriteiten in hun brief van 8 september 1998 enerzijds hadden verklaard dat verzoekster weer rendabel was, en anderzijds hadden erkend dat zij zou worden geliquideerd. De Spaanse autoriteiten hadden namelijk van de liquidatie van de onderneming enkel gesproken voor het geval de Commissie een negatieve beschikking zou geven.
60 In de tweede plaats stellen verzoekster en het Koninkrijk Spanje dat de door IFA na december 1995 verleende steun is aan te merken als herstructureringssteun in de zin van de kaderregeling.
61 Om te beginnen herhalen zij, dat het herstructureringsplan binnen een redelijk tijdsbestek het herstel van de rendabiliteit van de onderneming mogelijk heeft gemaakt, en meer in het bijzonder heeft geleid tot een vermindering van haar productiecapaciteit en tot een inkrimping van haar personeelsbestand. Verzoekster maakt opnieuw melding van de moeilijke context waarin het plan is opgesteld (punt 58 hierboven) en merkt op, dat de Commissie in haar beschikkingspraktijk herhaalde malen herstructureringssteun heeft goedgekeurd hoewel pas verscheidene jaren na de toekenning ervan een herstructureringsplan was opgesteld. Voorts heeft de Commissie in haar beschikking Enichem enkel de verwachting" uitgedrukt dat de herstructurering de rendabiliteit van de betrokken onderneming op de lange duur zou herstellen. In casu is verzoeksters rendabiliteit nog geen drie jaar na toepassing van het herstructureringsplan hersteld. Voorts heeft de Commissie zich in tal van beschikkingen op het standpunt gesteld, dat het bestaan van een privatiseringsproces tot het herstel van de rendabiliteit van de betrokken onderneming zou leiden, en heeft zij in de beschikking Enichem genoegen genomen met de loutere toezegging van de Italiaanse autoriteiten om het geherstructureerde bedrijfsonderdeel van de betrokken onderneming te privatiseren. Verzoekster en het Koninkrijk Spanje stellen voorts nogmaals, dat de in 1993 en 1994 verleende steun valt onder de door de Commissie goedgekeurde algemene steunregelingen en derhalve verschilt van de steun die de onderneming na december 1995 heeft ontvangen. Het argument van de Commissie dat de steun niet in één keer is betaald, kan dus niet slagen. Ten slotte beroept verzoekster zich opnieuw op het standpunt van de Commissie in de zaak die tot het arrest Ducros/Commissie (reeds aangehaald) heeft geleid.
62 Ten tweede voeren verzoekster en het Koninkrijk Spanje aan, dat overeenkomstig punt 3.2.2, sub ii, van de kaderregeling maatregelen zijn genomen om nadelige gevolgen voor concurrenten zoveel mogelijk te compenseren. Er bestaat geen structurele overcapaciteit in de sector vleesproducten, en de vleesverwerking behoort niet tot de sectoren die zijn uitgesloten in de bijlage bij beschikking 94/173/EG van de Commissie van 22 maart 1994 tot vaststelling van de selectiecriteria voor investeringen ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van land- en bosbouwproducten en tot intrekking van beschikking 90/342/EEG (PB L 79, blz. 29). Luidens beschikking 94/173 kunnen investeringen voor de diervoederproductie bovendien voor communautaire bijstand in aanmerking komen, indien de jaarlijkse productie minder dan 20 000 ton bedraagt, zoals in verzoeksters geval. Verder voorzag het herstructureringsplan in een vermindering (of althans een heroriëntering) van de productiecapaciteit, wat zoals in de bestreden beschikking is erkend, in alle afdelingen van verzoeksters onderneming daadwerkelijk is gebeurd. Ten slotte verbaast het Koninkrijk Spanje zich erover dat de Commissie in haar verweerschrift stelt, dat haar conclusie dat de steun [aan verzoekster] niet voldeed aan de in de kaderregeling gestelde voorwaarden, niet gebaseerd is op het uitblijven van capaciteitsverminderingen". In de bestreden beschikking voert de Commissie immers meermaals aan dat het herstructureringsplan in een verhoging van de productiecapaciteiten voorzag, ten betoge dat deze steunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn.
63 Ten derde stellen verzoekster en het Koninkrijk Spanje, dat de betrokken steun in een juiste verhouding stond tot de kosten en baten van de herstructurering.
64 Verzoekster is in dit verband van mening, dat de Commissie geen argument kon ontlenen aan het feit dat alleen de Staat door de inbreng van nieuwe middelen tot het herstructeringsplan had bijgedragen. In het arrest Ducros/Commissie (reeds aangehaald) heeft het Gerecht in dit opzicht als beslissende factoren erkend, dat de geïnstalleerde capaciteit was verminderd en dat de Staat had toegezegd de betrokken onderneming te privatiseren. In de beschikking Enichem heeft de Commissie hetzelfde standpunt ingenomen. Verder hebben verzoeksters werknemers en haar particuliere schuldeisers toegevingen gedaan om haar voortbestaan te verzekeren. Meer bepaald lag het gemiddelde percentage van kwijtschelding van schulden door de particuliere schuldeisers hoger dan het percentage dat door de openbare schuldeisers is kwijtgescholden. Zij wijst erop dat haar schulden bij de particuliere sector veel meer dan 4 % van haar totale schuldenlast bedroegen, en dat de Commissie in haar beschikking 98/364/EG van 15 juli 1997 betreffende de aan Grupo de Empresas Álvarez" (GEA) verleende steun (PB 1998, L 164, blz. 30) van mening was, dat de voorwaarde inzake de evenredigheid van de steun was vervuld aangezien de procedure van surseance van betaling leidde tot een aanzienlijke vermindering van de schulden". Ten slotte heeft de Commissie in beschikking 97/17/EG van 30 juli 1996 betreffende aan Santana Motor SA verleende steun (PB 1997, L 6, blz. 34; hierna: beschikking Santana Motor") zich ertoe beperkt de moeilijke socio-economische omstandigheden van het betrokken gebied in aanmerking te nemen, dat ook het gebied is waar verzoekster zich heeft gevestigd.
65 Ten vierde betwisten verzoekster en het Koninkrijk Spanje de opvatting in punt 132 van de bestreden beschikking, dat moet worden aangenomen dat er tot juni 1997 alleen een reeks ad-hocsteunmaatregelen was om de onderneming draaiende te houden, daar het herstructureringsplan te laat was meegedeeld aan de Commissie, die zich niet tijdig over dit plan had kunnen uitspreken noch, in voorkomend geval, tijdens de uitvoering ervan voorwaarden had kunnen stellen. Verzoekster stelt dat de Commissie dit plan in werkelijkheid al 18 maanden vóór de vaststelling van de bestreden beschikking in haar bezit had. Het Koninkrijk Spanje voert aan, dat dit plan op het juiste moment is verwezenlijkt, namelijk na een periode van zes maanden die nodig was om de oorzaak van de problemen van de onderneming vast te stellen en maatregelen voor te stellen die haar voortbestaan konden garanderen. Verzoekster en het Koninkrijk Spanje voegen daaraan toe, dat de Commissie nimmer belangstelling voor het herstructureringsplan heeft getoond, geen enkele maatregel of voorwaarde heeft voorgesteld, geen vergaderingen met de Spaanse autoriteiten voor de bespreking van dit plan heeft belegd, en evenmin om nadere toelichting daarvan heeft verzocht. Ten slotte herhaalt verzoekster dat de Commissie in haar beschikking Enichem de reddings- en herstructureringssteun die drie jaar vóór de opstelling van het herstructureringsplan waren toegekend, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard.
66 Ten vijfde merkt verzoekster op dat volgens de kaderregeling de Commissie bij de beoordeling van herstructureringssteun in steungebieden rekening moet houden met de behoeften van de regionale ontwikkeling. In casu heeft de Commissie het bijzondere socio-economische kader van de provincie Jaén volledig buiten beschouwing gelaten.
67 In de eerste plaats ontkent de Commissie dat zij het herstructureringsplan onjuist heeft beoordeeld.
68 Ten eerste voorzag dit plan duidelijk in een verhoging van de productiecapaciteit van al verzoeksters afdelingen, en in investeringen waarmee een aanzienlijke kapitaalinbreng was gemoeid. Om te beginnen is de kritiek van verzoekster en het Koninkrijk Spanje met betrekking tot de tabel in punt 27 van de bestreden beschikking ongegrond, daar de productie van de onderneming reeds sedert 1992 daalde. Weliswaar is nadien in een aantal van verzoeksters afdelingen de productiecapaciteit verminderd, maar het ging daarbij niet om de werkelijk gebruikte capaciteit. Bovendien was de vermindering het resultaat van ad-hocbeslissingen die waren genomen op grond van de omstandigheden, en met name van het feit dat de afzet in 1996, 1997 en 1998 beneden de prognoses van het herstructureringsplan was gebleven.
69 Ten tweede, aldus de Commissie, was het herstructureringsplan onvolledig, zoals de Spaanse autoriteiten zelf hebben aangevoerd, en berustte het op ontoereikende en weinig betrouwbare gegevens. De door verzoekster en het Koninkrijk Spanje aangevoerde omstandigheden waaronder dit plan is opgesteld, zijn niet ter zake dienend, en eerst in april 1997 zijn de nodige aanpassingen uitgevoerd.
70 Ten derde zijn de bezwaren van verzoekster en het Koninkrijk Spanje tegen haar beoordeling van de resultaten die de onderneming op grond van het herstructureringsplan heeft behaald, ongegrond.
71 In de tweede plaats betwist de Commissie de opvatting dat de betrokken steunmaatregelen voldoen aan de voorwaarden van de kaderregeling.
72 Zij herhaalt om te beginnen, dat het herstructureringsplan pas tweeënhalf jaar na de toekenning van de eerste steun aan verzoekster is opgesteld, betrouwbaar noch volledig was, niet voorzag in vermindering van de productiecapaciteit, en het herstel van de rendabiliteit van de onderneming niet mogelijk heeft gemaakt. Voorts is zij van mening, dat verzoekster geen parallel kan trekken met de beschikking Enichem.
73 Ten tweede, aldus de Commissie, zijn geen maatregelen getroffen om de nadelige gevolgen van deze steunmaatregelen voor de concurrenten zoveel mogelijk weg te nemen. Om te beginnen stelt zij nogmaals, dat het herstructureringsplan niet in vermindering van de productiecapaciteit voorzag. Vervolgens stelt zij, dat zij in de bestreden beschikking geen gewag heeft gemaakt van het bestaan van een structurele overcapaciteit in de vleesverwerkende industrie. Zij heeft een dergelijke overcapaciteit slechts vastgesteld in de sectoren van de diervoeding en het fokken en slachten van varkens. Overeenkomstig punt 2.1, derde streepje, van de bijlage bij beschikking 94/173 komen investeringen voor de diervoederproductie voor eenheden met een jaarlijkse productie van minder dan 20 000 ton, gelegen in gebieden van doelstelling 1, enkel in aanmerking voor communautaire bijstand indien het bewijs van een ontoereikende capaciteit is geleverd. Ten slotte heeft de Commissie de mogelijkheid overwogen om de eis van capaciteitsvermindering soepeler toe te passen, omdat verzoekster in een probleemgebied is gevestigd.
74 Ten derde, aldus de Commissie, stond de betrokken steun niet in een juiste verhouding tot de kosten en baten van de herstructurering. Om te beginnen heeft de familie Molina geen nieuw kapitaal ingebracht, omdat alleen IFA bij de herkapitalisatie betrokken was, en evenmin als gevolg van de vermindering van haar deelneming in verzoeksters kapitaal verlies geleden. Dat de particuliere schuldeisers in het kader van een procedure van surseance van betaling hebben afgezien van het verhaal van een deel van hun schuldvorderingen, kan niet als een bijdrage van de onderneming tot haar eigen herstructurering worden beschouwd. De door de particuliere schuldeisers kwijtgescholden schulden stelden hoe dan ook weinig voor. Verder betwist de Commissie de relevantie van de verwijzingen van verzoekster naar de beschikkingen GEA, Sanatana Motor en Enichem en het reeds aangehaalde arrest Ducros/Commissie.
75 Ten vierde heeft de Commissie het herstructureringsplan pas op 23 juli 1997 ontvangen, zodat zij zich niet tijdig over de inhoud daarvan heeft kunnen uitspreken noch voorwaarden voor de uitvoering ervan heeft kunnen stellen. Zij ontkent dat er tussen haar diensten en de Spaanse autoriteiten geen vergaderingen hebben plaatsgehad, en stelt dat zij laatstgenoemden voortdurend deelgenoot heeft gemaakt van haar twijfels omtrent de rechtmatigheid van de steunmaatregelen en het vermogen van het plan om de rendabiliteit van de onderneming te herstellen.
76 Ten vijfde, heeft bij de beoordeling of steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, de socio-economische situatie van een regio een verschillende weerslag, naargelang het gaat om regionale (artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag) of sectorale steunmaatregelen (artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag). Eerstgenoemde maatregelen beogen de ontwikkeling van de achtergestelde regio's door investeringen en het scheppen van arbeidsplaatsen in het kader van de duurzame ontwikkeling te bevorderen, en worden alleen verenigbaar geacht indien het evenwicht kan worden gewaarborgd tussen de met de toekenning ervan verbonden concurrentievervalsingen en de voor de regionale ontwikkeling geboden voordelen. Dit laatste element wordt in het algemeen geacht te ontbreken in het geval van individuele steunmaatregelen, tenzij het gaat om verscheidene sectoren bestrijkende steunregelingen waarop in de betrokken achtergebleven regio alle ondernemingen in de betrokken sectoren een beroep kunnen doen. Uitgaande van deze criteria is de Commissie in de bestreden beschikking tot de conclusie gekomen, dat de steun aan verzoekster niet was opgevat als steun ter bevordering van nieuwe investeringen of nieuwe werkgelegenheid op regionaal vlak, noch als maatregel om de achterstand in de infrastructuur horizontaal voor alle ondernemingen in de regio aan te pakken, maar als steun voor de redding en de herstructurering van één welbepaalde onderneming. Overeenkomstig punt 2.4 van de kaderregeling is de enige vrijstelling voor dit soort steunmaatregelen die van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag. A contrario verwijzend naar het arrest van het Hof van 14 januari 1997, Spanje/Commissie (C-169/95, Jurispr. blz. I-135), erkent de Commissie evenwel dat de regionale implicaties ook in het kader van een onderzoek van de bedrijfstak" in aanmerking moeten worden genomen. In de bestreden beschikking heeft zij de betrokken steunmaatregelen naar behoren getoetst aan punt 3.2.3 van de kaderregeling, dat voorziet in bijzondere voorwaarden voor herstructureringssteun in steungebieden. Wanneer de behoeften van de regionale ontwikkeling het rechtvaardigen, kan zij van de betrokken onderneming een geringere capaciteitsvermindering verlangen dan in andere gevallen. Ten slotte herhaalt de Commissie, dat zij in haar beschikking Santana Motor rekening heeft gehouden met het socio-economische kader tezamen met andere factoren die in casu niet aanwezig zijn.
Beoordeling door het Gerecht
77 Punt 3.2.1 van de kaderregeling bepaalt:
Herstructureringssteun werpt specifieke bezwaren op in verband met de mededinging, omdat hij een onredelijk deel van de last van structurele aanpassing en de daarmee gepaard gaande sociale en industriële problemen kan verschuiven naar andere producenten die geen steun ontvangen, alsmede naar andere lidstaten. Het algemene beginsel dient derhalve te zijn dat herstructureringssteun alleen wordt toegestaan indien kan worden aangetoond dat de goedkeuring van deze steun in het belang van de Gemeenschap is. Dit kan zich alleen voordoen wanneer aan zeer strenge criteria wordt voldaan en volledig rekening wordt gehouden met de mogelijke concurrentievervalsende gevolgen van de steun."
78 Ingevolge de kaderregeling moet de herstructureringssteun gepaard gaan met een plan. Punt 3.2.2 stelt de goedkeuring van dit plan afhankelijk van drie materiële voorwaarden: het moet het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken onderneming mogelijk maken, buitensporige vervalsing van de mededinging vermijden, en de evenredigheid van de steun met de kosten en baten van de herstructurering garanderen. Het staat aan de betrokken onderneming het herstructureringsplan volledig uit te voeren zoals het door de Commissie is goedgekeurd (punt 3.2.2, sub iv), terwijl de uitvoering, het verloop en het welslagen van dat plan geschiedt onder toezicht van de Commissie, bij wie jaarlijks gedetailleerde verslagen moeten worden ingediend (punt 3.2.2, sub v).
79 Onderzocht moet worden, of de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat in casu aan deze voorwaarden niet was voldaan. Behoudens de bijzondere bepalingen voor onder meer steungebieden (zie punt 109 hierna), moet aan alle voorwaarden zijn voldaan, wil herstructureringssteun door de Commissie worden goedgekeurd (punt 3.2.2 van de kaderregeling).
- Het herstel van de levensvatbaarheid
80 Punt 3.2.2, sub i, eerste alinea, van de kaderregeling bepaalt:
De conditio sine qua non van elk herstructureringsplan is dat het de levensvatbaarheid en gezondheid op lange termijn van de onderneming dient te herstellen binnen een redelijk tijdsbestek en op grond van realistische veronderstellingen inzake de omstandigheden waaronder deze in de toekomst zal functioneren. Derhalve moet herstructureringssteun gekoppeld zijn aan een levensvatbaar herstructurerings/herstelprogramma dat in detail aan de Commissie is voorgelegd. Met het plan moet het concurrentievermogen van het bedrijf binnen een redelijk tijdsbestek worden hersteld. [...] De onderneming moet op grond van het herstructureringsplan in staat worden geacht alle kosten met inbegrip van afschrijvingen en financiële lasten te dekken en een minimale kapitaalopbrengst te verkrijgen, zodat de onderneming na uitvoering van het plan geen staatssteun meer nodig zal hebben en op eigen kracht op de markt zal kunnen concurreren. Evenals reddingssteun zou herstructureringssteun derhalve over het algemeen slechts één keer mogen worden toegekend."
81 Vastgesteld zij, dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft gewezen op verschillende elementen waaruit genoegzaam blijkt dat het herstructureringsplan niet aan voormelde vereisten voldoet.
82 In de eerste plaats heeft de Commissie opgemerkt, dat dit plan was opgesteld op basis van ontoereikende en weinig betrouwbare gegevens" (punt 111), dat het alleen betrekking had op de reeds tussen mei en december 1995 toegekende steun en op de in 1996 toegestane lening van 1 739 miljoen ESP", en ook melding maakte van andere financiële noden van de onderneming die deze op de markt of eventueel via staatssteun zou moeten dekken, zonder echter de betrokken bedragen te vermelden" (punt 112).
83 Onderzoek van dit plan leert dat deze feitelijke vaststellingen gegrond zijn. In de inleiding tot de aanvulling van april 1997 hebben de Spaanse autoriteiten overigens uitdrukkelijk opgemerkt dat het herstructureringsplan op onvolledige en onjuiste gegevens berust. In hun memories beperken verzoekster en het Koninkrijk Spanje zich tot de opmerking dat zich bij de opstelling ervan een aantal problemen hebben voorgedaan, hetgeen echter niet wegneemt dat het plan ontoereikend is.
84 In de tweede plaats waren de in het herstructureringsplan opgenomen maatregelen volgens de Commissie niet van dien aard dat zij de rendabiliteit van de onderneming konden herstellen.
85 Onder verwijzing naar de punten 26 en 27 van de bestreden beschikking, waarin die maatregelen en de productieprognoses worden geformuleerd, wees de Commissie te beginnen erop, dat [...], om de onderneming weer rendabel te maken, [in het plan] in een aanzienlijke productieverhoging in alle afdelingen werd voorzien", en achtte zij het niet realistisch om de levensvatbaarheid te herstellen door een verhoging van de productie [...], aangezien het om een sector met structurele overcapaciteit gaat" (punt 113).
86 Verzoekster en het Koninkrijk Spanje antwoorden hierop, dat het herstructureringsplan voorzag in een vermindering van de productiecapaciteit, en betwisten zij het bestaan van een structurele overcapaciteit in de betrokken sectoren.
87 Wat het eerste punt betreft, blijkt uit een onderzoek van het herstructureringsplan dat dit niet de vermindering van verzoeksters productiecapaciteit beoogt. Integendeel, het maakt daadwerkelijk gewag van een verhoging van die capaciteit voor de meeste productieafdelingen en van aanzienlijke investeringen. Bovendien heeft verzoekster, die door het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang (zie punt 17 hierboven) uitdrukkelijk is gevraagd om precies aan te geven in welke passages van het plan wordt gesproken van een vermindering van haar productiecapaciteit, zich in wezen beperkt tot de vermelding van een aantal maatregelen tot inkrimping van haar personeelsbestand.
88 Tussen partijen staat weliswaar vast dat verzoekster in 1995 een ernstige crisis heeft doorgemaakt, waardoor haar in de tabel in punt 27 van de bestreden beschikking weergegeven productiecijfers voor dat jaar bijzonder laag waren. Een vergelijking van de in dezelfde tabel vervatte productiedoelstellingen van de onderneming met deze cijfers kan derhalve een enigszins verdraaid beeld geven van de omvang van de in het herstructureringsplan voorgenomen maatregelen met betrekking tot de productiecapaciteit. Uit de gegevens die verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 17 hierboven) heeft meegedeeld, blijkt echter dat haar totale omzet en de productiecijfers van elk van haar afdelingen reeds vanaf 1993 merkbaar daalden. Zelfs wanneer 1994 in plaats van 1995 als referentiejaar wordt genomen, moet derhalve worden vastgesteld dat de prognoses van het plan duiden op een handhaving en in bepaalde gevallen zelfs op een verhoging van de productie van verzoeksters afdelingen. De bezwaren tegen de door de Commissie in de bestreden beschikking gehanteerde cijfers moeten derhalve van de hand worden gewezen.
89 De Commissie maakt in de bestreden beschikking weliswaar ook melding van verzoeksters latere capaciteitsverminderingen (zie punten 46, 124 en 141 van de bestreden beschikking), maar dit zijn, zoals zij in punt 125 van de bestreden beschikking terecht opmerkt, slechts schijnbare verminderingen, nu zij betrekking hebben op inmiddels niet meer benutte productiecapaciteiten. Zo vermeldt de aanvulling van april 1997 met betrekking tot de sluiting van het slachthuis met een capaciteit van 240 varkens per uur uitdrukkelijk, dat dit slachthuis al drie jaar buiten werking" was (blz. 104). Uit deze aanvulling blijkt eveneens dat de gesloten uitsnijderij al niet meer in gebruik was (blz. 104) en dat de beide diervoederfabrieken nagenoeg stillagen" (blz. 34).
90 Om dezelfde redenen kan verzoekster ook geen argument ontlenen aan de beschikking Enichem. In de zaak die tot die beschikking heeft geleid, had de betrokken onderneming immers niet alleen haar personeelsbestand maar ook haar productiecapaciteit voor het gehele productassortiment drastisch verminderd.
91 Met betrekking tot de stelling van de Commissie dat er op de gemeenschappelijke markt voor de productie van diervoeding en het fokken en slachten van varkens een structurele overcapaciteit bestaat, kan worden volstaan met de vaststelling dat verzoekster en het Koninkrijk Spanje geen overtuigend bewijs aandragen ter weerlegging van die zienswijze.
92 Ten tweede heeft de Commissie in de bestreden beschikking vastgesteld, dat de interne herstructureringsmaatregelen dus onrealistisch waren, ook omdat zij op ontoereikende en onbetrouwbare gegevens waren gebaseerd" (punt 113). Om de hierboven in de punten 82 en 83 uiteengezette redenen kan de juistheid van deze conclusie niet worden betwist.
93 In de derde plaats heeft de Commissie eraan herinnerd, dat steunmaatregelen van de staat in beginsel moeten worden beoordeeld in het licht van de situatie bij de toekenning en niet in functie van latere ontwikkelingen" (punt 115), en heeft zij de door verzoekster op basis van het herstructureringsplan behaalde resultaten onderzocht. Daaruit bleek dat dit plan inderdaad het herstel van verzoeksters rendabiliteit niet mogelijk had gemaakt.
94 Zij heeft in wezen een verbetering van verzoeksters resultaten in de laatste jaren vastgesteld, maar zich op het standpunt gesteld dat dit positieve vooruitzicht wegens een reeks van factoren aanmerkelijk moest worden genuanceerd.
95 Om te beginnen heeft de Commissie vastgesteld, dat ondanks het feit dat verzoekster sedert 1993 ononderbroken staatssteun had ontvangen als enig alternatief voor [haar] zeker al sinds 1994 dreigende faillissement [...] kapitalisatie van de schulden overbleef" (punt 114). Deze opmerking, waarvan de relevantie niet kan worden betwist, berust op volstrekt juiste feitelijke vaststellingen. Enerzijds staat vast dat aan verzoekster tussen 1993 en 1997 ononderbroken aanzienlijke steun is toegekend. Anderzijds staat in de aanvulling van april 1997 uitdrukkelijk vermeld, dat verzoekster zou moeten worden geliquideerd indien haar schulden bij IFA, ten belope van 4 680 miljoen ESP, niet werden gekapitaliseerd.
96 Verder was de Commissie van mening, dat om de rendabiliteit van de onderneming te herstellen haar situatie weer gezond moest zijn gemaakt, zodat de zware financiële lasten van de onderneming die de activa blokkeren, niet buiten beschouwing konden worden gelaten, en er geen vrede kon worden genomen met een eventuele recente positieve cash flow gelet op de aanhoudende verliezen van de onderneming" (punt 115). Niet alleen kan aan de relevantie van deze overwegingen niet worden getwijfeld, maar zij vinden ook steun in de stukken. Zo staat vast dat verzoeksters verliezen in 1992, 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997 respectievelijk 1 231 miljoen ESP, 2 616 miljoen ESP, 2 123 miljoen ESP, 3 229 miljoen ESP, 2 690 miljoen ESP en 1 503 miljoen ESP beliepen, en dat zij in het eerste halfjaar van 1998 nog 126 miljoen ESP bedroegen. De door verzoekster en het Koninkrijk Spanje aangevoerde winsten bestaan alleen wanneer de buitengewone uitgaven en inkomsten van de onderneming in aanmerking worden genomen. In het bij hun opmerkingen van 21 oktober 1998 gevoegde document wijzen de Spaanse autoriteiten er zelf op, dat in casu het netto-bedrijfsresultaat in aanmerking moet worden genomen om te voorkomen dat de ontwikkeling van de onderneming verkeerd wordt begrepen". In zijn memorie van interventie geeft het Koninkrijk Spanje eveneens te kennen, dat de reden waarom geen rekening is gehouden met de buitengewone resultaten om de ontwikkeling van de onderneming te controleren, is dat deze resultaten [...] in de onderneming niet regelmatig worden behaald zodat, hoewel zij een onderneming op korte termijn weer rendabel kunnen maken, niet kan worden gesteld dat het herstel van de rendabiliteit op lange termijn daaraan is toe te schrijven". Verzoeksters schuldenlast bedroeg in de jaren 1992 tot en met 1998 6 208 miljoen ESP, 6 966 miljoen ESP, 7 969 miljoen ESP, 9 194 miljoen ESP, 14 005 miljoen ESP, 6 159 miljoen ESP en 6 834 miljoen ESP. Ten slotte zijn verzoeksters uitgaven, anders dan zij stelt, niet aanmerkelijk gedaald, maar tussen 1995 en 1998 betrekkelijk stabiel gebleven.
97 Ten derde heeft de Commissie het feit dat een derde onderneming belangstelling voor overname van verzoekster heeft getoond, niet overtuigend geacht. De redenen die zij voor die zienswijze aanvoert, kunnen niet als kennelijk onjuist worden aangemerkt. Blijkens de stukken had het overnamebod geen betrekking op de onderneming als economisch rendabele eenheid, maar alleen op bepaalde activa, namelijk op het gebied van de vleesproducten, en moest de onderneming daarna worden geliquideerd. Bovendien bevatte het bod van de potentiële koper belangrijke beperkingen met betrekking tot de passiva en de overige lasten die hij bereid was over te nemen (punten 50, sub c, en 119 van de bestreden beschikking). Verder is niet genoegzaam aangetoond dat de voorgenomen overname niet zelf een element van staatssteun bevatte. Aan de overname ging immers niet een openbare, transparante en onvoorwaardelijke uitnodiging tot het uitbrengen van een overnamebod vooraf, maar een gespecialiseerde consulent had informeel naar potentiële kopers gezocht en hun eventuele offertes beoordeeld.
98 Bovendien kan verzoekster zich niet beroepen op de beschikking Enichem, omdat de feiten waarop deze beschikking berust, wezenlijk verschillen van die van het onderhavige geval. Behalve dat in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, een herstructureringsplan bestond met aanzienlijke capaciteitsverminderingen (zie punt 90 hierboven), hadden de geherstructureerde activiteiten van de betrokken onderneming reeds in het eerste jaar van toepassing van het plan positieve resultaten behaald, en waren de financiële vooruitzichten dat vanaf het daaropvolgende jaar op een goede winstgevendheid die voor een particuliere investeerder aanvaardbaar is", mocht worden gerekend. Bovendien was de goedkeuring van de betrokken steunmaatregelen afhankelijk gesteld van een aantal strikte voorwaarden die dienden te waarborgen dat de voorgestelde maatregelen tot het gewenste resultaat leidden. Ten slotte was de privatisering beschouwd als een extra garantie voor het voortbestaan van de onderneming, voorzover de opbrengst van de verkoop van dochterondernemingen en activa van de begunstigde onderneming volledig wordt gebruikt ter vermindering van de door de goedgekeurde steun te dekken schulden".
99 Blijkens het voorgaande heeft de Commissie geen kennelijke fout gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat niet is voldaan aan de eerste materiële voorwaarde van de kaderregeling.
- Vermijding van buitensporige vervalsing van de mededinging
100 Ter vermijding van buitensporige vervalsing van de mededinging moeten maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor concurrenten zo veel mogelijk te compenseren". In het bijzonder preciseert punt 3.2.2, sub ii, tweede alinea, van de kaderregeling:
Wanneer uit een objectieve beoordeling van de vraag- en aanbodzijde van een relevante markt in de Europese Gemeenschap waarop de begunstigde actief is, blijkt dat er sprake is van een structureel overschot van de productiecapaciteit, dient het herstructureringsplan bij te dragen, evenredig met de hoogte van het ontvangen steunbedrag, tot de herstructurering van de bedrijfstak op de relevante markt in de Europese Gemeenschap door onomkeerbare vermindering of sluiting van capaciteit. Een vermindering of sluiting is onomkeerbaar indien de betrokken activa worden gesloopt, zodanig worden veranderd dat ze nooit meer dezelfde capaciteit kunnen behalen of worden omgebouwd en voorgoed voor een ander gebruik worden bestemd [...]"
101 In de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat aan deze voorwaarde niet was voldaan, daar een aantal activiteiten van verzoekster geschiedden in sectoren waarvoor er op de gemeenschappelijke markt een structurele overcapaciteit bestaat" (punt 123), het herstructureringsplan niet voorzag in verminderingen van de productiecapaciteit (punt 125), en de latere verminderingen geen betrekking leken te hebben op werkelijk door de onderneming gebruikte capaciteit" (punt 125).
102 Blijkens de punten 85 tot en met 91 hierboven hebben verzoekster en het Koninkrijk Spanje niet de kennelijke onjuistheid van deze vaststellingen aangetoond. De conclusie dient dus te luiden, dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de tweede materiële voorwaarde van de kaderregeling niet was voldaan.
- Evenredigheid van de steun uit het oogpunt van de kosten en baten van de herstructurering
103 Wat de evenredigheid van de steun uit het oogpunt van de kosten en baten van de herstructurering betreft, bepaalt punt 3.2.2, sub iii, eerste alinea, van de kaderregeling:
Het bedrag en de intensiteit van de steun moeten tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum worden beperkt en verband houden met de voordelen die de Commissie ervan verwacht. Derhalve wordt van de begunstigden van de steun doorgaans verwacht dat zij met eigen middelen of via externe commerciële financiering een belangrijke bijdrage leveren aan het herstructureringsplan. [...] Steun voor financiële herstructurering dient de financiële lasten van de onderneming niet buitensporig te verlichten [...]"
104 Volgens de Commissie in de bestreden beschikking was aan deze derde voorwaarde niet voldaan, omdat door vers geld in te brengen alleen door de Staat tot het herstructureringsplan [is] bijgedragen" (punt 127).
105 Uit de argumenten van verzoekster en het Koninkrijk Spanje blijkt niet dat deze overweging kennelijk onjuist is.
106 In de eerste plaats kan het feit dat verzoeksters particuliere schuldeisers, daaronder begrepen de familie Molina, haar kwijtschelding van schulden hadden verleend en dat haar werknemers toegevingen hadden gedaan, niet worden gelijkgesteld met een bijdrage die de steunontvangende onderneming met eigen middelen of via externe commerciële financiering tegen marktvoorwaarden levert in de zin van punt 3.2.2, sub iii, eerste alinea, van de kaderregeling. Hetzelfde geldt voor de vermindering van de deelneming van de familie Molina in verzoeksters kapitaal.
107 In de tweede plaats zijn de omstandigheden van de onderhavige zaak duidelijk niet dezelfde als die welke hebben geleid tot de beschikkingen GEA, Santana Motor en Enichem en tot het reeds aangehaalde arrest Ducros/Commissie, waarop verzoekster zich heeft beroepen. In de zaak die tot de beschikking GEA heeft geleid, was duidelijk bepaald dat de begunstigde onderneming een belangrijk deel van de herstructureringskosten met eigen middelen zou dekken. In de beschikking Santana Motor heeft de Commissie met name rekening gehouden met het feit dat de steunintensiteit slechts 36,3 % van de totale herstructureringskosten bedroeg en ongeveer overeenkwam met de omvang van de door de onderneming tot stand gebrachte capaciteitsverminderingen (30 %). In de beschikking Enichem heeft de Commissie, afgezien van de in punt 98 hierboven vermelde bijzonderheden, vastgesteld dat de begunstigde een aanzienlijke bijdrage zal leveren aan de financiering van het herstructurerings- en liquidatieplan door middel van herinvestering van de opbrengst van de verkoop van activa en dochterondernemingen en door de uiteindelijke privatisering van het geherstructureerde onderdeel". In de beschikking waarop het reeds aangehaalde arrest Ducros/Commissie betrekking heeft tenslotte, had de Commissie weliswaar in aanmerking genomen dat de geïnstalleerde capaciteit van de twee begunstigde ondernemingen was verminderd en dat de Italiaanse Staat had toegezegd een daarvan te privatiseren, waarbij evenwel zij aangetekend dat de vermindering 50 % bedroeg en dat de privatisering moest geschieden door middel van een onvoorwaardelijke [uitnodiging tot het uitbrengen van een overnamebod], zodat de markt de prijs van [de onderneming] zal kunnen bepalen en eventuele buitensporige bestanddelen van de verleende steun bijgevolg zullen wegvallen" (punt 68).
108 Blijkens het voorgaande, en zonder dat behoeft te worden ingegaan op de twee laatste voorwaarden van punt 3.2.2 van de kaderregeling (punten 78 en 79 hierboven), heeft de Commissie geen kennelijke fout gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat de betrokken steun geen herstructureringssteun was, maar alleen een reeks concrete steunmaatregelen met als enig doel de onderneming in de markt te houden" (punt 132 van de bestreden beschikking).
- Bijzondere voorwaarden voor herstructureringssteun in steungebieden
109 Volgens punt 3.2.3 van de kaderregeling moet de Commissie bij de beoordeling van herstructureringssteun in steungebieden rekening houden met de behoeften van de regionale ontwikkeling, doch blijven de in punt 3.2.2 (zie punt 78 hierboven) opgesomde criteria van toepassing op steungebieden. Zo bepaalt punt 3.2.3 van de kaderregeling onder meer:
In het bijzonder moet de herstructurering leiden tot een economisch levensvatbare onderneming die bijdraagt tot de feitelijke ontwikkeling van het gebied zonder dat voortdurende steun nodig is. Herhaaldelijk verleende steun zal dus niet soepeler worden behandeld dan in gebieden die niet in aanmerking komen voor regionale steun. Evenzo dienen herstructureringsplannen volledig uitgevoerd te worden en onder toezicht te staan. Om buitensporige vervalsing van de mededinging te voorkomen dient het steunbedrag voorts in verhouding te staan tot de kosten en baten van de herstructurering. Een enigszins flexibeler benadering is in steungebieden evenwel mogelijk ten aanzien van de vereiste capaciteitsvermindering indien er sprake is van een markt met structurele overcapaciteit. Als de ontwikkeling van de regio daarbij gebaat is, zal de Commissie een geringere capaciteitsvermindering verlangen in steungebieden dan in gebieden die niet in aanmerking komen voor regionale steun en zal zij een onderscheid maken tussen gebieden die in aanmerking komen voor regionale steun op grond van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag en gebieden die in aanmerking komen op grond van artikel 92, lid 3, sub c, om rekening te houden met het feit dat de problemen van de eerste categorie gebieden ernstiger zijn."
110 Anders dan verzoekster stelt, heeft de Commissie deze beginselen in de bestreden beschikking correct toegepast.
111 In de eerste plaats heeft zij nogmaals gesteld, dat verzoekster gedurende vijf jaar gebruik had gemaakt van herhaalde steun zonder dat deze steun tot een duurzaam herstel van haar rendabiliteit heeft geleid, dat het herstructureringsplan niet correct was uitgevoerd en dat op de uitvoering ervan niet naar behoren kon worden toegezien, en dat die steun niet in een juiste verhouding stond tot de kosten en baten van de herstructurering (punten 136 en 137). Uit de overwegingen in de punten 80 tot en met 99 en 104 tot en met 108 hierboven volgt, dat deze vaststellingen in elk geval wat betreft de criteria van het herstel van de levensvatbaarheid en de evenredigheid van de steun, geen kennelijke beoordelingsfout bevatten.
112 In de tweede plaats is de Commissie nader ingegaan op de argumenten van de Spaanse autoriteiten met betrekking tot de verminderingen van de productiecapaciteit die verzoekster zou hebben uitgevoerd, en heeft zij daarna herhaald dat het herstructureringsplan niet in dergelijke verminderingen voorzag en dat de later geregistreerde verminderingen eenmalig waren en niet pasten in het raam van een herstructureringsplan" (punten 139 en 140).
113 In dit kader heeft de Commissie er wel degelijk rekening mee gehouden dat verzoekster in een probleemgebied is gevestigd. Uit punt 141 van de bestreden beschikking blijkt immers, dat zij wegens deze omstandigheid uitdrukkelijk bereid was om zich met betrekking tot de vereiste capaciteitsverminderingen minder veeleisend te tonen. Zij kon evenwel niet anders dan vaststellen, dat zelfs bij een soepele beoordeling de betrokken steun niet voor een afwijking in aanmerking kon komen, aangezien niet was voldaan aan de overige voorwaarden van de kaderregeling.
114 Deze laatste vaststelling is niet kennelijk onjuist. Zoals in punt 3.2.3 van de kaderregeling is beklemtoond, betekent het feit dat een noodlijdende onderneming is gevestigd in een steungebied, immers niet dat steun zonder meer wordt toegestaan, en de kaderregeling preciseert dat de mededinging zo min mogelijk dient te worden vervalst, ook bij steun aan ondernemingen in steungebieden". Evenzo heeft het Gerecht in het arrest van 15 maart 2001, Prayon-Rupel/Commissie (T-73/98, Jurispr. blz. II-867, punt 71) opgemerkt, dat de uitzonderlijke mogelijkheid tot versoepeling van de eis van de capaciteitsvermindering in het geval van een markt met een structurele overcapaciteit niet afdeed aan de eerste eis, dat een coherent en haalbaar herstructureringsplan om de levensvatbaarheid van de onderneming te kunnen herstellen wordt ingediend". Derhalve kan de Commissie niet worden verweten dat zij een onderneming niet in aanmerking laat komen voor een op de behoeften van regionale ontwikkeling gebaseerde afwijking, indien deze onderneming, zelfs indien zij is overgegaan tot capaciteitsverminderingen die - met enige soepelheid - als toereikend kunnen worden aangemerkt, niet voldoet aan een of meer van de overige voorwaarden van de kaderregeling.
115 Bijgevolg moet het derde middel worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere grieven en argumenten van verzoekster en het Koninkrijk Spanje in dit verband.
Het vierde middel, betreffende de kapitalisatie van een deel van verzoeksters schulden
Argumenten van partijen
116 Verzoekster en het Koninkrijk Spanje stellen dat de kapitalisatie, ten belope van 4 680 miljoen ESP, van een deel van de schulden van de onderneming bij IFA geen staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag is. Bij deze verrichting heeft dit overheidsorgaan zich immers als een particuliere investeerder gedragen.
117 Zij betogen in dit verband, dat die verrichting voorzien was in het herstructureringsplan en een voorwaarde was voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming.
118 Zij preciseren dat het hoofddoel van de operatie erin bestond ervoor te zorgen dat IFA de controle verkreeg over de verzoekende onderneming. Anders had de familie Molina op 31 december 1997 automatisch de controle verkregen over een gesaneerde onderneming, en was IFA weer een eenvoudige schuldeiser" zonder enige invloed op de uitvoering van het herstructureringsplan, de inning van de schuldvorderingen en de toekomst van de onderneming geworden.
119 Verzoekster en het Koninkrijk Spanje stellen ook dat, zonder deze kapitalisatie door IFA, de onderneming overeenkomstig artikel 260 van de Ley de Sociedades Anónimas (wet op de naamloze vennootschap) had moeten worden failliet verklaard en geliquideerd, hetgeen economisch niet de meest aangewezen optie was. Immers, niet alleen zou deze liquidatieprocedure rechtstreeks door de familie Molina zijn geleid, maar zij zou ook het vermogen van de onderneming hebben uitgeput en de meeste schuldeisers, waaronder IFA, zouden hun geld voorgoed kwijt zijn geweest. Verder betoogt verzoekster dat herkapitalisatie voordeliger was dan liquidatie. In dit verband heeft zij ter terechtzitting opgemerkt, dat het in de brief van de Spaanse autoriteiten van 21 oktober 1998 genoemde getal van 3 700 miljoen ESP enkel haar activa in de sector vleesproducten betrof. Uit die brief blijkt dat de totale waarde van haar activa in werkelijkheid 6 125 miljoen ESP bedroeg, en dus hoger was dan het bedrag van de herkapitalisatie.
120 Ten slotte voert het Koninkrijk Spanje aan, dat de kapitalisatie van verzoeksters schulden niet tot een nieuwe kapitaalinbreng in haar onderneming heeft geleid.
121 Volgens de Commissie is de litigieuze herkapitalisatie staatssteun, aangezien een particuliere investeerder zulks onder de gegeven omstandigheden niet zou hebben gedaan.
122 Volgens de rechtspraak kan reeds dan van staatssteun worden gesproken, wanneer het bedrag van de door de overheid verrichte herkapitalisatie boven dat van de liquidatiewaarde van de activa van de betrokken onderneming ligt. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 17 hierboven) heeft zij onder verwijzing naar een brief van de Spaanse autoriteiten van 21 oktober 1998 verklaard, dat in het meest definitieve bod tot overname van verzoekster haar activa op 3 700 miljoen ESP werden geraamd, wat beduidend lager is dan het bedrag van de herkapitalisatie.
123 Verder stelt de Commissie dat de bij de Spaanse wet op de naamloze vennootschap opgelegde verplichting om het financieel evenwicht te herstellen van een onderneming waarvan het vermogen als gevolg van verliezen aanzienlijk is gedaald, uitsluitend geldt voor het geval wordt beoogd de onderneming in leven te houden, terwijl de mogelijkheid om haar te liquideren blijft bestaan en economisch interessanter kan blijken te zijn dan een grootscheepse herkapitalisatie. Verzoeksters voornaamste schuldeisers waren overheidsorganen, die dus over voorrechten en zelfs over hypothecaire zekerheden beschikten.
124 Met betrekking tot het argument van het Koninkrijk Spanje dat de herkapitalisatie tot geen enkele nieuwe kapitaalinbreng heeft geleid, merkt de Commissie op, zoals uit punt 88 van de bestreden beschikking blijkt, dat daarmee bij de berekening van het totale bedrag van de staatssteun aan verzoekster geen rekening is gehouden, om een dubbele inschrijving in de boekhouding te voorkomen.
Beoordeling door het Gerecht
125 Volgens vaste rechtspraak kunnen deelnemingen van de overheid in het kapitaal van een onderneming, in welke vorm ook, staatssteun zijn (arrest Hof van 21 maart 1991, Italië/Commissie, C-305/89, Jurispr. blz. I-1603, punt 18).
126 Ten einde vast te stellen of de kapitalisatie van een deel van verzoeksters schulden bij IFA het karakter van staatssteun heeft, moet het in de bestreden beschikking vermelde criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie worden gehanteerd, dat overigens door verzoekster en het Koninkrijk Spanje niet wordt betwist. Derhalve moet worden beoordeeld, of in soortgelijke omstandigheden een particulier investeerder die beschikt over middelen die vergelijkbaar zijn met die van een publiek investeerder, tot een dergelijke belangrijke transactie bereid zou zijn geweest. Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd, dat het gedrag van een particulier investeerder, waarmee de deelneming van de publieke investeerder die doelstellingen van economisch beleid nastreeft moet worden vergeleken, niet noodzakelijkerwijs het gedrag hoeft te zijn van een gewone investeerder die kapitaal belegt om daaruit op min of meer korte termijn een rendement te halen, maar ten minste het gedrag moet zijn van een particuliere holding of een particuliere groep van ondernemingen met een algemeen of sectoraal structuurbeleid, en moet worden ingegeven door het uitzicht op rendement op langere termijn (arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 20; arrest Hof van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-278/92-C-280/92, Jurispr. blz. I-4103, punten 20-22; arresten Gerecht van 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie, T-126/96 en T-127/96, Jurispr. blz. II-3437, punt 79, en 12 december 2000, Alitalia/Commissie, T-296/97, Jurispr. blz. II-3871, punt 96).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex