Gerecht EU 15 december 1999, T-132/96, ECLI:EU:T:1999:326
Tekst
Trefwoorden
1 Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Tot lidstaat gerichte beschikking van Commissie waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beroep van regionale overheid die deze steun heeft verleend - Ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]
2 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steun voor streken die nadeel ondervinden van deling van Duitsland - Draagwijdte van afwijking - Strikte uitlegging - Economische nadelen die hun oorzaak vinden in isolement dat grens tussen twee zones heeft teweeggebracht
[EG-Verdrag, art. 92, lid 2, sub c (thans, na wijziging, art. 87, lid 2, sub c, EG)]
3 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Samenwerkingsplicht van lidstaat die om afwijking verzoekt
[EG-Verdrag, art. 92, lid 2 (thans, na wijziging, art. 87, lid 2, EG)]
4 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking in lijn van eerdere beschikkingen - Summiere motivering
[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG)]
5 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Steunmaatregelen om ernstige verstoring van economie van lidstaat te verhelpen - Strikte uitlegging - Verstoring die gehele economie van betrokken lidstaat aantast
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub b (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, sub b, EG]
6 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3 (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, EG)]
7 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Steun voor ontwikkeling van bepaalde streken - Beoordeling door Commissie - Verplichting tot inaanmerkingneming van gevolgen van steun op gemeenschapsniveau
[EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub a en c (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, sub a en c, EG)]
8 Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Invoering van kaderregeling inzake steun aan economische sector - Niet-dwingend bij gebreke van instemming van lidstaten - Inaanmerkingneming door Commissie met oog op toepassing van artikel 92 van Verdrag (thans, na wijziging, art. 87 EG) en artikel 93 van Verdrag (thans artikel 88 EG) - Toelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 (thans art. 88 EG)]
9 Steunmaatregelen van de staten - Beschikking van Commissie - Beoordeling van wettigheid aan hand van gegevens die beschikbaar waren op moment van vaststelling van beschikking - Inaanmerkingneming van te verwachten ontwikkeling van mededinging
[EG-Verdrag, art. 92, lid 1, en 173 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG en 230 EG)]
10 Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Verplichting om binnen redelijke termijn standpunt te bepalen - Mogelijkheid van beroep wegens nalaten bij stilzitten
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 en 175 (thans art. 88 EG en 232 EG)]
11 Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Mogelijkheid om vooraf vastgestelde operationele criteria toe te passen - Aantasting van prerogatieven van Raad - Geen - Onderscheid tussen investeringen op onontsloten terrein en uitbreidingsinvesteringen - Kwalificatie volgens gemeenschapsrecht
[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 (thans art. 88 EG)]
Samenvatting
1 Het lager openbaar lichaam dat volgens zijn nationaal recht rechtspersoonlijkheid bezit, kan krachtens artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, art. 230 EG) beroep tot nietigverklaring instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen en tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
Door een tot een lidstaat gerichte beschikking van de Commissie waarbij bepaalde staatssteunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard, wordt individueel geraakt het lager openbaar lichaam dat de steun heeft verleend en voor een deel met eigen middelen heeft bekostigd, en dat wegens de beschikking in de onmogelijkheid verkeert zijn autonome bevoegdheden naar eigen goeddunken uit te oefenen, en verplicht is de administratieve procedure tot terugvordering van de steun van de ontvangers in gang te zetten, waarvoor het op nationaal niveau als enige bevoegd is.
Het moet worden geacht door genoemde beschikking rechtstreeks te worden geraakt, wanneer de nationale autoriteiten tot wie de beschikking is gericht, bij de doorzending ervan aan hem geen enkele discretionaire bevoegdheid hebben uitgeoefend.
Bovendien heeft het een belang om op te komen tegen die beschikking, dat verschilt van het belang van de lidstaat waarvan het deel uitmaakt.
2 Aangezien artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 2, sub c, EG), volgens hetwelk met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn "steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze maatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren", in het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Amsterdam is gehandhaafd, en aangezien een gelijkluidende bepaling is opgenomen in artikel 61, lid 2, sub c, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan niet worden aangenomen, dat deze bepaling na de hereniging van Duitsland zonder voorwerp is geraakt.
Aangezien artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag echter voorziet in een afwijking van het in artikel 92, lid 1, geformuleerde algemene beginsel van onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, moet deze bepaling strikt worden uitgelegd. Bovendien dient bij de uitlegging van deze bepaling niet uitsluitend met de aldaar gebezigde bewoordingen te rade te worden gegaan, doch ook met het de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.
Waar de uitdrukking "deling van Duitsland" refereert aan de totstandkoming van de scheidingslijn tussen de twee zones in 1948, kunnen met de "door deze deling berokkende economische nadelen" alleen die economische nadelen worden bedoeld, welke hun oorzaak vinden in het isolement dat de instelling of handhaving van die grens heeft teweeggebracht, zoals de insluiting van bepaalde streken, de onderbreking van verkeerswegen, of het verlies van de natuurlijke afzetmarkten van bepaalde ondernemingen, die daarom ondersteuning behoeven, hetzij om zich aan de nieuwe omstandigheden te kunnen aanpassen, hetzij om deze nadelige situatie te kunnen overleven.
De uitlegging volgens welke artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag het mogelijk maakt, de onbetwistbare economische achterstand van de nieuwe deelstaten volledig te compenseren, totdat deze een ontwikkelingsniveau hebben bereikt dat vergelijkbaar is met dat van de oude deelstaten, miskent zowel het uitzonderingskarakter van deze bepaling als de context en het doel ervan. Voor de verschillen in ontwikkeling tussen de oude en de nieuwe deelstaten zijn immers andere oorzaken aan te wijzen dan de deling van Duitsland als zodanig, in het bijzonder de verschillende politiek-economische systemen die aan deze en aan gene zijde van de grens werden ingevoerd.
3 De lidstaat die om machtiging verzoekt om steun te verlenen in afwijking van de verdragsregels, is verplicht met de Commissie samen te werken. Ingevolge deze verplichting dient hij met name alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan deze instelling kan nagaan, of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking is voldaan.
4 In de door artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) vereiste motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen en de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen.
Een beschikking die is vastgesteld in een context die de partijen goed kennen, en die in de lijn ligt van een vaste beschikkingspraktijk, mag evenwel summier worden gemotiveerd.
Voorts dient toetsing aan het motiveringsvereiste te gebeuren met inachtneming van, onder meer, het belang dat de adressaat of andere betroffenen bij een toelichting kunnen hebben, in het bijzonder wanneer zij een actieve rol hebben gespeeld in de procedure die tot de vaststelling van de bestreden handeling heeft geleid, en op de hoogte zijn van de redenen, feitelijk en rechtens, waarom de Commissie haar beschikking heeft vastgesteld.
Bovendien is de Commissie niet gehouden, in de motivering van een beschikking in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden zijn aangevoerd, zolang zij maar rekening houdt met alle omstandigheden en factoren die relevant zijn in het concrete geval. Bijgevolg levert in het bijzondere geval van een beschikking op het gebied van staatssteun, voorzover de verzoekende partijen nauw betrokken zijn geweest bij de administratieve procedure die tot de vaststelling van de beschikking heeft geleid, noch het feit dat de gedetailleerde cijfers van de kosten-batenanalyse van de voorziene investering niet in de beschikking zijn opgenomen, noch het feit dat deze analyse niet aan de beschikking is gehecht, schending van de motiveringsplicht op.
5 Uit de context en de algemene opzet van artikel 92, lid 3, sub b, van het Verdrag (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, sub b, EG), volgens hetwelk als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd steunmaatregelen om een ernstige verstoring van de economie van een lidstaat op te heffen, blijkt, dat de betrokken verstoring de gehele economie van de betrokken lidstaat moet aantasten en niet enkel de economie van een van de streken of gebiedsdelen van die lidstaat. Dit is overigens in overeenstemming met het beginsel dat een uitzonderingsbepaling als artikel 92, lid 3, sub b, van het Verdrag strikt moet worden uitgelegd.
6 De toetsing door de gemeenschapsrechter van het gebruik dat de Commissie maakt van de ruime beoordelingsvrijheid waarover deze instelling op het gebied van artikel 92, lid 3, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 3, EG) beschikt, en die een ingewikkelde afweging van economische en sociale gegevens in een communautaire context impliceert, moet beperkt blijven tot de vraag, of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Met name mag de gemeenschapsrechter zijn beoordeling op economisch vlak niet in de plaats te stellen van die van de Commissie.
7 Het verschil in formulering tussen de punten a en c van artikel 92, lid 3, van het Verdrag (thans, na wijziging, art. 87, lid 3, EG) betekent niet, dat de Commissie bij de toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, op geen enkele manier rekening zou mogen houden met het gemeenschappelijk belang en zich ertoe moet beperken, de regionale specificiteit van de betrokken maatregelen na te gaan zonder hun invloed op de betrokken markt of markten in de gehele Gemeenschap te beoordelen.
Bij de toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, alsook sub c, wordt niet alleen rekening gehouden met de gevolgen die de door deze bepalingen van het Verdrag bestreken steunmaatregelen voor de regio hebben, maar ook, gelet op artikel 92, lid 1, met de gevolgen van deze maatregelen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten en derhalve met de mogelijke sectoriële repercussies daarvan op gemeenschapsniveau.
8 Ofschoon de voorschriften van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan bepaalde sectoren van de industrie, die de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 1, EG) als dienstige maatregelen aan de lidstaten heeft voorgesteld, geenszins dwingend zijn en de lidstaten enkel binden indien deze ermee hebben ingestemd, staat niets eraan in de weg dat de Commissie in het kader van de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij bij de toepassing van artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en artikel 93 van het Verdrag beschikt, de steunmaatregelen die bij haar moeten worden aangemeld, met inachtneming van die voorschriften onderzoekt.
9 De wettigheid van een beschikking betreffende steunmaatregelen moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf.
Bovendien is de Commissie, wanneer zij nagaat of er sprake is van een steunmaatregel in de zin van de artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) niet strikt gebonden aan de ten tijde van de vaststelling van haar beschikking bestaande mededingingsvoorwaarden. Zij dient haar beoordeling te verrichten in een dynamisch perspectief en daarbij rekening te houden met de te verwachten ontwikkeling van de mededinging en met de gevolgen die de betrokken steun voor de mededinging zal hebben.
Bijgevolg kan de Commissie niet worden aangewreven, dat zij rekening heeft gehouden met omstandigheden die na de vaststelling van een voornemen tot invoering of wijziging van een steunmaatregel zijn ingetreden. De omstandigheid dat de betrokken lidstaat in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) de voorgenomen maatregelen tot uitvoering heeft gebracht voordat de onderzoeksprocedure tot een eindbeslissing heeft geleid, is in dit verband irrelevant.
10 Ofschoon de Commissie in de inleidende onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) over een redelijke termijn moet kunnen beschikken, dient zij nochtans met bekwame spoed te werk te gaan en rekening te houden met het belang dat de lidstaten erbij hebben spoedig te weten waar zij aan toe zijn op gebieden waar ingrijpen dringend noodzakelijk kan zijn wegens het effect dat deze lidstaten van de voorgenomen stimulerende maatregelen verwachten. De Commissie dient derhalve haar standpunt te bepalen binnen een redelijke termijn, die door het Hof is bepaald op twee maanden.
Deze algemene verplichting met bekwame spoed te werk te gaan, geldt voor de Commissie ook wanneer zij besluit de contradictoire onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden; wanneer zij op dit punt in gebreke blijft, kan dit nalaten in voorkomend geval door de gemeenschapsrechter worden bestraft in het kader van een procedure krachtens artikel 175 van het Verdrag (thans artikel 232 EG).
11 De ingevolge artikel 94 van het Verdrag (thans artikel 89 EG) aan de Raad toekomende bevoegdheid tot vaststelling van alle verordeningen die dienstig zijn voor de toepassing van artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, art. 87 EG) en artikel 93 van het Verdrag (thans artikel 88 EG), wordt niet aangetast wanneer de Commissie in het kader van de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij bij de toepassing van deze bepalingen beschikt, vooraf vastgestelde operationele criteria toepast, zoals die welke ten grondslag liggen aan het onderscheid tussen investeringen op onontsloten terrein en uitbreidingsinvesteringen.
Bovendien vindt de kwalificatie van een investering als uitbreidingsinvestering of als investering op onontsloten terrein, plaats in een communautaire context en staat zij los van de wijze waarop die investering moet worden gekwalificeerd volgens het boekhoud- of belastingrecht van de lidstaat waartoe de begunstigde onderneming behoort.
Partijen
In de gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96,
Freistaat Sachsen, vertegenwoordigd door K. Pfeiffer en J. Sedemund, advocaten te Berlijn, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
en
Volkswagen AG en Volkswagen Sachsen GmbH, vennootschappen naar Duits recht, respectievelijk gevestigd te Wolfsburg en Mosel (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Schütte, advocaat te Berlijn, en M. Maier, advocaat te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Bonn & Schmitt, advocaten aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekers,
ondersteund door
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Röder, vervolgens door W.-D. Plessing, Ministerialräte, bij het Bondsministerie van Financiën als gemachtigden, bijgestaan door T. Oppermann, hoogleraar aan de universiteit van Tübingen, Graurheindorferstraße 108, Bonn (Duitsland),
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Nemitz en A. Jessen, leden van de juridische dienst, vervolgens door P. Nemitz, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe, G. Berrisch en M. Nuñez Müller, advocaten te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. Collins, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door S. Moore, Barrister, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënt,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 99/666/EG van de Commissie van 26 juni 1996 betreffende steun van Duitsland aan het Volkswagen-concern voor de fabrieken in Mosel en in Chemnitz (PB L 308, blz. 46),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Potocki, kamerpresident, K. Lenaerts, C. W. Bellamy, J. Azizi en A. W. H. Meij, rechters,
griffier: A. Mair, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 30 juni 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Bij brief van 31 december 1988 stelde de Commissie de lidstaten ervan in kennis, dat tijdens haar vergadering van 22 december 1988 en ten vervolge op haar besluit van 19 juli 1988 om op grondslag van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 1, EG) een algemene communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie in te voeren, de uitvoeringsvoorwaarden van die kaderregeling waren vastgesteld. Die voorwaarden waren vermeld in een bij de brief gevoegd document. Zij verzocht de lidstaten, haar binnen een maand mede te delen of zij de kaderregeling aanvaardden.
2 De communautaire kaderregeling werd bekendgemaakt door een mededeling (89/C 123/03) in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1989, C 123, blz. 3). Volgens punt 2.5 van die mededeling zou de kaderregeling op 1 januari 1989 in werking treden en gedurende twee jaar gelden.
3 Volgens punt 1, vierde alinea, heeft de communautaire kaderregeling onder meer ten doel, een strengere discipline op te leggen aan de toekenning van steun in de automobielsector, zodat de zekerheid wordt geschapen dat het concurrentievermogen van de communautaire industrie niet door oneerlijke mededinging wordt vervalst. In dezelfde alinea beklemtoont de Commissie, dat zij een doeltreffend beleid slechts kan toepassen indien zij stelling kan nemen inzake individuele gevallen alvorens de steun is uitgekeerd.
4 Punt 2.2, eerste alinea, van de communautaire kaderregeling luidt als volgt:
"Alle steunmaatregelen van overheidsinstanties binnen het toepassingsgebied van een goedgekeurde steunregeling aan (een) onderneming(en), die werkzaam is (zijn) in de automobielsector als boven omschreven, vallen, indien de kosten van het te steunen project de 12 miljoen ecu overschrijden, onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding uit hoofde van artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag. Ten aanzien van buiten het toepassingsgebied van een goedgekeurde steunregeling te verlenen steun geldt voor elk project uiteraard, ongeacht de ermee gemoeide uitgaven en de steunintensiteit, de verplichting van aanmelding overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag. (...) De lidstaten moeten de Commissie tijdig, om haar in staat te stellen haar opmerkingen te maken, in kennis stellen van alle projecten tot toekenning of wijziging van steun."
5 In punt 3 van de communautaire kaderregeling, waarin de richtsnoeren voor de beoordeling van gevallen van steunverlening zijn vervat, preciseert de Commissie onder meer:
" - Regionale steun
(...)
De Commissie beseft dat de vestiging van nieuwe auto- en onderdelenfabrieken en/of de uitbreiding van bestaande faciliteiten in achtergebleven gebieden een waardevolle bijdrage kan leveren tot de regionale ontwikkeling. Zij neemt dan ook in het algemeen een positief standpunt in jegens investeringssteun aan het verhelpen van structurele belemmeringen in achtergebleven delen van de Gemeenschap.
Deze steun wordt gewoonlijk automatisch toegekend volgens modaliteiten die tevoren door de Commissie zijn goedgekeurd. Door in de toekomst voorafgaande aanmelding van dergelijke steun te verlangen, geeft de Commissie zichzelf, naar mag worden verwacht, de gelegenheid de voordelen te taxeren die voor de regionale ontwikkeling ontstaan (te weten het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van de regio door levensvatbare banen te scheppen, connecties met lokale en communautaire economie) ten opzichte van eventuele nadelige gevolgen voor de sector in zijn geheel (zoals het ontstaan van omvangrijke overcapaciteit). Zulk een taxatie wil de wezenlijke betekenis van regionale steun voor het bereiken van samenhang binnen de Gemeenschap niet ontkennen, maar streeft naar een situatie waarin andere aspecten van Gemeenschapsbelang, zoals de ontwikkeling van haar industrie, mede in aanmerking worden genomen.
(...)."
6 Nadat de Duitse regering haar had meegedeeld, dat zij had besloten geen toepassing te geven aan de communautaire kaderregeling, stelde de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het Verdrag beschikking 90/381/EEG van 21 februari 1990 vast, betreffende de op de automobielsector toepasselijke Duitse steunregelingen (PB L 188, blz. 55; hierna: "beschikking 90/381"). Artikel 1 van deze beschikking bepaalt:
"1. Vanaf 1 mei 1990 meldt de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie elk voornemen aan voor steunmaatregelen die betrekking hebben op projecten welke binnen het toepassingsgebied van de in de bijlage bij deze beschikking vermelde steunregelingen vallen en waarvan de kosten meer dan 12 miljoen ecu bedragen, en die zijn bestemd voor ondernemingen die bedrijvig zijn in de automobielsector zoals omschreven in punt 2.1 van het communautaire kader inzake staatssteun aan de automobielindustrie. De aanmelding wordt verricht overeenkomstig het bepaalde in de punten 2.2 en 2.3. Bovendien dient de Bondsrepubliek Duitsland jaarlijkse verslagen in zoals door het kader vereist.
2. Behalve met betrekking tot de steunregelingen die zijn opgenomen in de (niet uitputtende) lijst in de bijlage bij deze beschikking, komt de Bondsrepubliek Duitsland de in lid 1 vervatte verplichting ook na met betrekking tot alle andere bestaande, niet in de bijlage vermelde steunregelingen die ten goede zouden kunnen komen aan de sector waarop het kader van toepassing is.
3. Steunmaatregelen uit hoofde van het Berlijnse Förderungsgesetz ten gunste van de automobielindustrie in Berlijn zijn niet aan de in het kader opgelegde verplichting tot voorafgaande aanmelding onderworpen, doch moeten wel in de daardoor vereiste jaarlijkse verslagen worden opgenomen."
7 In een tot de Duitse regering gerichte brief van 2 oktober 1990 hechtte de Commissie haar goedkeuring aan de regeling inzake regionale steun voor het jaar 1991 overeenkomstig het negentiende kaderplan dat was vastgesteld op basis van het "Bundesgesetz über die Gemeinschaftsaufgabe $Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur'" van 6 oktober 1969 (hierna: "wet inzake de gezamenlijke taak"), waarbij zij er echter op wees, dat bij de uitvoering van de voorgenomen maatregelen de in bepaalde sectoren van de industrie bestaande communautaire kaderregeling in acht moest worden genomen. In het negentiende kaderplan (deel I, punt 9.3, blz. 43) zelf is bepaald, dat de Commissie
"besluiten heeft genomen die de steunverlening aan bepaalde sectoren, ook wanneer deze plaatsvindt in het kader van goedgekeurde programma's (bijvoorbeeld inzake regionale steun), verbieden dan wel afhankelijk stellen van de voorafgaande goedkeuring van elk van de steunvoornemens (...)
Dergelijke regelingen bestaan voor de volgende sectoren:
a) (...)
- de automobielsector, voor zover de kosten van het te steunen project de 12 miljoen ecu overschrijden."
8 Op 3 oktober 1990 werd de politieke hereniging van Duitsland uitgeroepen, wat leidde tot de toetreding tot de Bondsrepubliek Duitsland van vijf nieuwe deelstaten (Länder), die voordien de Duitse Democratische Republiek hadden gevormd, waaronder de Freistaat Sachsen.
9 Bij brief van 31 december 1990 berichtte de Commissie de lidstaten, dat zij het noodzakelijk achtte de communautaire kaderregeling te verlengen.
10 Ook dit besluit van de Commissie werd bekendgemaakt door een mededeling (91/C 81/05) in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1991, C 81, blz. 4). In die mededeling staat onder meer te lezen:
"(...) de Commissie (acht) het noodzakelijk om de kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie in haar huidige vorm te verlengen. De enige wijziging waartoe de Commissie heeft besloten, is dat de verplichting tot voorafgaande aanmelding voor de Bondsrepubliek Duitsland ook van toepassing wordt verklaard voor West-Berlijn en de voormalige DDR (artikel 1, lid 3, van de beschikking van de Commissie van 21 februari 1990, zoals gepubliceerd in PB L 188 van 20 juli 1990, komt met ingang van 1 januari 1991 te vervallen).
Na twee jaar zal de kaderregeling opnieuw worden bezien door de Commissie. Indien er wijzigingen (of de mogelijke intrekking van de regeling) noodzakelijk blijken te zijn, zal de Commissie hierover een besluit nemen na overleg met de lidstaten."
11 Bij tot de Duitse regering gerichte brieven van 5 december 1990 en 11 april 1991 keurde de Commissie de toepassing van de wet inzake de gezamenlijke taak op de nieuwe deelstaten goed, waarbij zij er echter nogmaals op wees, dat bij de uitvoering van de voorgenomen maatregelen de in bepaalde sectoren van de industrie bestaande communautaire kaderregeling in acht moest worden genomen. Ook keurde zij bij brief van 9 januari 1991 de uitbreiding van de bestaande regionale steunregelingen tot de nieuwe deelstaten goed, waarbij zij preciseerde dat de bepalingen van de communautaire kaderregeling moesten worden nageleefd.
12 Op 23 december 1992 besloot de Commissie "de bestaande kaderregeling niet te wijzigen". Deze regeling zou van kracht blijven tot de volgende door de Commissie georganiseerde herziening. Dit besluit werd bekendgemaakt door een mededeling (93/C 36/06) in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, C 36, blz. 17).
13 In het arrest van 29 juni 1995, Spanje/Commissie (C-135/93, Jurispr. blz. I-1651, punt 39) stelde het Hof vast, dat genoemd besluit aldus moest worden uitgelegd, dat "de kaderregeling daarbij enkel is verlengd tot een volgende herziening, die evenals de vorige, na afloop van een nieuwe toepassingsperiode van twee jaar diende plaats te vinden", dat wil zeggen op 31 december 1994.
14 Na de uitspraak van dat arrest deelde de Commissie de lidstaten bij brief van 6 juli 1995 mee, dat zij in het belang van de Gemeenschap had beslist, haar besluit van 23 december 1992 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 te verlengen, zodat de kaderregeling ononderbroken van toepassing zou blijven. Daarbij preciseerde zij, dat die verlenging zou gelden totdat de procedure van artikel 93, lid 1, van het Verdrag, die zij tegelijkertijd had ingeleid, zou zijn beëindigd (zie hierna, punt 15). Dit besluit, dat werd bekendgemaakt door een mededeling (95/C 284/03) in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, C 284, blz. 3), werd bij het arrest van het Hof van 15 april 1997, Spanje/Commissie (C-292/95, Jurispr. blz. I-1931), nietig verklaard.
15 In een tweede brief van 6 juli 1995 stelde de Commissie de lidstaten bovendien in kennis van het daags tevoren door haar genomen besluit hun naar aanleiding van het arrest Spanje/Commissie van 29 juni 1995 (reeds aangehaald) voor te stellen, de communautaire kaderregeling weer in te voeren voor een periode van twee jaar, zij het met bepaalde wijzigingen en, inzonderheid, met een verhoging van de aanmeldingsdrempel tot 17 miljoen ecu (zie mededeling 95/C 284/03, reeds aangehaald). De voorgestelde nieuwe tekst van de communautaire kaderregeling bepaalde in punt 2.5: "De dienstige maatregelen treden in werking zodra alle lidstaten hun goedkeuring hebben gegeven of uiterlijk op 1 januari 1996. Alle steunprojecten die op dat moment nog geen definitieve goedkeuring van de bevoegde instanties hebben ontvangen, vallen onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding." De Duitse regering stemde bij brief van 15 augustus 1995 in met deze hernieuwde invoering van de communautaire kaderregeling.
Feiten
16 De inwerkingtreding van de economische, monetaire en sociale unie tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek op 1 juli 1990 had in Saksen een spectaculaire daling van de vraag naar en de productie van Trabant-auto's tot gevolg. Met het oog op het behoud van de automobielindustrie in deze streek begon Volkswagen AG (hierna: "Volkswagen") onderhandelingen met de Treuhandanstalt (publiekrechtelijk orgaan dat belast is met de herstructurering van de ondernemingen van de voormalige DDR; hierna: "THA"), die in oktober 1990 resulteerden in een basisovereenkomst, die onder meer de volgende punten omvatte:
- de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die belast werd met het behoud van de arbeidsplaatsen ("Beschäftigungsgesellschaft"), de Sächsische Automobilbau GmbH (hierna: "SAB"), waarin de THA aanvankelijk een belang van 87,5 % en Volkswagen een belang van 12,5 % had;
- de overname door SAB van de (destijds in aanleg zijnde) lakstraat en van de eindmonteringswerkplaatsen in Mosel (hierna: "Mosel I");
- de overname door Volkswagen Sachsen GmbH (hierna: "VW Sachsen"), een 100 %-dochteronderneming van Volkswagen, van een bestaande automotorenfabriek in Chemnitz (hierna: "Chemnitz I");
- de overname door VW Sachsen van de cilinderkopproductie in Eisenach, en
- de bouw door VW Sachsen van een nieuwe autofabriek in Mosel, die een perserij, een carrosserieafdeling, een lakstraat en een werkplaats voor eindmontering zou omvatten (hierna: "Mosel II"), en van een nieuwe automotorenfabriek in Chemnitz (hierna: "Chemnitz II").
17 Aanvankelijk werden de overname en de herstructurering van Mosel I en Chemnitz I gezien als een tijdelijke oplossing, waarmee moest worden voorkomen dat de bestaande arbeidskrachten hun baan zouden verliezen zolang de inbedrijfstelling van Mosel II en Chemnitz II, die voor 1994 was gepland, nog geen feit was.
18 Bij brief van 19 september 1990 verzocht de Commissie de Duitse regering, de overheidssteun voor die investeringsplannen overeenkomstig de communautaire kaderregeling aan te melden. In brieven van 14 december 1990 en 14 maart 1991 beklemtoonde zij, dat die steun niet kon worden verleend zonder vooraf bij haar te zijn aangemeld en door haar te zijn goedgekeurd. Dit onderwerp stond ook op de agenda van twee bilaterale bijeenkomsten in Bonn op 31 januari en 7 februari 1991.
19 Bij twee decreten van 22 maart 1991 kende de minister van Economische zaken en Werkgelegenheid van de Freistaat Sachsen op basis van de wet inzake de gezamenlijke taak aan VW Sachsen bepaalde investeringssubsidies voor Mosel II en Chemnitz II toe (hierna: "decreten van 1991"). In totaal was voor Mosel II een bedrag van 757 miljoen DEM voorzien, dat in de periode 1991-1994 in tranches zou worden uitbetaald, en voor Chemnitz II een bedrag van 147 miljoen DEM, waarvan de betaling zou worden gespreid over de periode 1991-1996.
20 Bij besluit van 18 maart 1991 kende het Finanzamt Zwickau-Land aan VW Sachsen bepaalde fiscale investeringspremies toe overeenkomstig het Duitse Investitionszulagengesetz (wet inzake fiscale investeringspremies) van 1991.
21 Het Volkswagen-concern verzocht ook, overeenkomstig het Duitse Fördergebietsgesetz (wet steungebieden) van 1991 tot versnelde afschrijving ("Sonderabschreibungen") te mogen overgaan.
22 Bij brief van 25 maart 1991 verstrekten de Duitse autoriteiten de Commissie bepaalde inlichtingen betreffende de in de punten 19 tot en met 21 van dit arrest bedoelde steunmaatregelen. Daarbij merkten zij op, dat zij nog niet over meer gedetailleerde informatie beschikten en dat het de bedoeling was, dat de steun zou worden toegekend in het kader van de door de Commissie voor de nieuwe deelstaten goedgekeurde steunregelingen. Bij schrijven van 17 april 1991 gaf de Commissie te kennen, dat de brief van de Duitse autoriteiten van 25 maart 1991 weliswaar een aanmelding overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag was, maar dat aanvullende informatie noodzakelijk was.
23 Bij brief van 29 mei 1991 verklaarden de Duitse autoriteiten onder meer, dat naar hun mening de communautaire kaderregeling tussen 1 januari en 31 maart 1991 niet op de nieuwe deelstaten van toepassing was geweest. Aangezien de litigieuze steunmaatregelen vóór 31 maart 1991 waren goedgekeurd, kon de Commissie deze volgens de Duitse autoriteiten uitsluitend aan de regelingen inzake regionale steun (zie hiervóór, punt 7) toetsen. Tijdens een bilaterale bijeenkomst op 10 juli 1991 wees de Commissie dit standpunt van de Duitse autoriteiten van de hand, en bij brief van 16 juli 1991 verzocht zij om nadere gedetailleerde informatie. Nadat de Duitse regering op 17 september 1991 had geantwoord, zond de Commissie haar bij brief van 27 november 1991 opnieuw een vragenlijst toe.
24 In oktober en december 1991 ontving het Volkswagen-concern voor Mosel II en Chemnitz II een bedrag van 360,8 miljoen DEM aan rechtstreekse investeringssubsidies en een bedrag van 10,6 miljoen DEM aan fiscale investeringspremies.
25 Bij beschikking van 18 december 1991 (PB 1992, C 68, blz. 14; hierna: "besluit tot inleiding van de onderzoeksprocedure"), aan de Duitse regering ter kennis gebracht op 14 januari 1992, besloot de Commissie ten aanzien van de verschillende steunmaatregelen voor de financiering van de investeringen in Mosel I en II, Chemnitz I en II, en in de fabriek te Eisenach, de onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden.
26 In die beschikking concludeerde de Commissie onder meer:
"(...) de steun die uw autoriteiten voornemens zijn te verlenen, [geeft] om de volgende redenen aanleiding tot ernstige bedenkingen:
- de steunmaatregelen zijn niet correct, overeenkomstig de procedure van artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag, aangemeld bij de Commissie;
- de vermoedelijk hoge steunintensiteit voor een plan dat een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding op de Europese automarkt behelst, zou kunnen leiden tot vervalsing van de concurrentie;
- tot op heden is niet overtuigend aangetoond dat de relatief hoge intensiteit van de regionale steun, het verlenen van indirecte investeringssteun door de THA en het eveneens door de THA verlenen van tijdelijke bedrijfssteun, in redelijke verhouding staan tot de structurele en economische problemen waarmee [het Volkswagen-concern] in de nieuwe deelstaten ongetwijfeld wordt geconfronteerd; integendeel, de totale steunintensiteit lijkt onevenredig hoog en onverenigbaar met de criteria van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie."
27 Bij schrijven van 29 januari 1992 verklaarde de Duitse regering zich bereid alle steunbetalingen op te schorten totdat de onderzoeksprocedure zou zijn afgerond.
28 Bij brief van 24 april 1992 verzocht de Commissie de Duitse autoriteiten, de THA en Volkswagen om nadere gegevens. Nadat op 28 april 1992 een bijeenkomst was gehouden, die was gevolgd door brieven van de Commissie van 14 mei, 5 juni, 21 augustus en 17 november 1992, verstrekten de Duitse autoriteiten aanvullende inlichtingen bij brieven van 20 mei, 3 en 12 juni, 20 en 29 juli, 8 en 25 september, 16 en 21 oktober, en 4 en 25 november 1992. Volkswagen deed dit bij brieven van 15 juni en 30 oktober 1992 en van 12 en 20 juni 1993. Partijen kwamen ook nog bijeen op 16 juni, 9 september, 12 en 16 oktober, en 3 december 1992, alsmede op 8 en 11 juni 1993.
29 Op 13 januari 1993 besloot Volkswagen essentiële onderdelen van de oorspronkelijk voor Mosel en Chemnitz geplande investeringen uit te stellen. De lakstraat en de eindmonteringswerkplaats van Mosel II zouden pas in 1997 operationeel worden en de motorenfabriek Chemnitz II zou eerst in 1996 met de productie beginnen. De Commissie stemde ermee in haar beoordeling te herzien met inachtneming van de nieuwe investeringsplannen van Volkswagen.
30 Op 30 maart 1993 stelde de minister van Economische zaken en Werkgelegenheid van de Freistaat Sachsen twee decreten tot wijziging van de decreten van 1991 vast (hierna: "decreten van 1993"). Het totale bedrag aan subsidies voor de gewijzigde investeringsplannen kwam op 708 miljoen DEM voor Mosel II, in tranches uit te keren over de periode 1991-1997, en op 195 miljoen DEM voor Chemnitz II, in tranches uit te keren over de periode 1992-1997.
31 Tijdens een bespreking op 5 mei 1993 werden de Commissie enkele bijzonderheden over de nieuwe investeringsplannen van Volkswagen verstrekt. De eerste schriftelijke informatie hierover gaven de Duitse autoriteiten bij schrijven van 6 juni 1993. Deze informatie werd door Volkswagen aangevuld bij brieven van 24 juni en 6 juli 1993 en in een faxbericht van 10 november 1993. Deze nieuwe informatie werd voorts besproken tijdens bijeenkomsten op 18 mei, 10 juni en 2 en 22 juli 1993. Bij schrijven van 15 februari 1994 en in een faxbericht van 25 februari 1994 zond de Duitse regering nieuwe gegevens over de door Volkswagen geplande productiecapaciteit.
32 De Commissie kreeg ook nieuwe informatie over die plannen tijdens een fabrieksbezoek begin april 1994 en tijdens bijeenkomsten op 11 mei en op 2, 7 en 24 juni 1994. Deze informatie werd aangevuld met verdere schriftelijke informatie die deels tijdens deze bijeenkomsten werd verstrekt en deels op 10 mei, 30 juni, 4 en 12 juli 1994 door de Duitse autoriteiten en door Volkswagen werd toegezonden.
33 Op 24 mei 1994 stelde de minister van Economische zaken en Werkgelegenheid van de Freistaat Sachsen twee decreten tot wijziging van de decreten van 1991 en 1993 vast (hierna: "decreten van 1994"). Het totale bedrag aan subsidies voor de nieuwe investeringsplannen kwam op 648 miljoen DEM voor Mosel II, in tranches uit te keren over de periode 1991-1997, en op 167 miljoen DEM voor Chemnitz II, in tranches uit te keren over de periode 1992-1997.
34 Bij overeenkomst van 21 juni 1994, aangevuld op 1 november daaraanvolgend, verkreeg Volkswagen van de THA het belang van 87,5 % dat deze in SAB had.
35 Op 27 juli 1994 stelde de Commissie beschikking 94/1068/EG vast, betreffende steun aan het Volkswagen-concern voor investeringen in de nieuwe Duitse deelstaten (PB L 385, blz. 1; hierna: "Mosel I-beschikking"). Daarin stelde zij onder meer het volgende vast (hoofdstuk IV, vierde alinea, van de considerans):
"Bij het inleiden van de procedure had de Commissie de investeringsplannen van Volkswagen in Saksen als één geheel beschouwd en zij wenste daarom over alle steunelementen tezamen een beslissing te nemen. Ook na zijn besluit in 1993 om de investeringen in de nieuwe fabrieken uit te stellen, voerde Volkswagen aanvankelijk aan dat dit voor de productietechniek, het gebruik van de factor arbeid en andere belangrijke variabelen geen gevolgen had. Dit jaar werd echter tijdens een fabrieksbezoek en aan de hand van deskundigenadvies, duidelijk dat dit standpunt niet langer kon worden gehandhaafd. Volkswagen gaf bovendien tegenover de Commissie toe dat de vroegere plannen voor de projecten inmiddels achterhaald zijn en dat aan nieuwe plannen wordt gewerkt. De nieuwe plannen voor de nieuwe automobiel- en motorfabrieken Mosel II en Chemitz II zijn nauw verbonden met de ontwikkeling van de Golf A4 die op hetzelfde tijdstip in productie zal gaan als waarop Mosel II operationeel wordt, namelijk in 1997. De definitieve versie van de nieuwe plannen zal eerst eind 1994 beschikbaar zijn. Voor zover thans bekend, zullen deze nieuwe plannen fundamentele wijzigingen in technologie en productiestructuur inhouden. Het is dus duidelijk dat het verband dat aanvankelijk bestond tussen de investeringen in de oude THA-fabrieken en de plannen voor nieuwe fabrieken in het vrije veld, thans niet meer bestaat. Daarom heeft de Commissie besloten zich vooreerst bij de onderhavige beschikking te beperken tot de herstructureringssteun voor de bestaande fabrieken - waarover zij zich op basis van de beschikbare gegevens een duidelijke mening kan vormen - en over de steun voor de nieuwbouwprojecten eerst een besluit te nemen wanneer Volkswagen en Duitsland definitieve investerings- en staatssteunplannen kunnen voorleggen."
36 Uit de Mosel I-beschikking blijkt, dat de lakstraat en de eindmonteringswerkplaats van Mosel I overeenkomstig de met de THA gesloten overeenkomst (zie hiervóór, punt 16) werden gemoderniseerd en getransformeerd. Tot in 1992 werd Mosel I gebruikt voor de eindassemblage van de VW Polo- en Golf A2-modellen, waarvan de onderdelen in andere fabrieken van het Volkswagen-concern werden vervaardigd en vervolgens aan Mosel werden geleverd. Vanaf juli 1992 kon dankzij het gecombineerde gebruik van de lakstraat en de montageband van Mosel I, waarvan de transformatie pas was voltooid, en van de nieuwe carrosserieafdeling van de Mosel II, die pas operationeel was geworden, in Mosel worden begonnen met de productie van de Golf A3. Het persen vond toen nog elders plaats. Vervolgens werd in januari 1993 de logistiek overgebracht van Wolfsburg naar Mosel I, in de buurt waarvan zich nieuwe toeleveranciers vestigden, die de voor Mosel I en Chemnitz I benodigde onderdelen konden leveren. De nieuwe perserij van Mosel II werd in maart 1994 naast de fabriek Mosel I operationeel.
37 In artikel 1 van de Mosel I-beschikking verklaarde de Commissie onder meer verschillende steunbedragen die tot eind 1993 - toen de herstructurering moest zijn voltooid - waren toegekend, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Het ging om een bedrag van 487,3 miljoen DEM voor Mosel I en van 84,8 miljoen DEM voor Chemnitz I. Daarentegen beschouwde zij bepaalde steunbedragen die na die tijd waren toegekend, als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Het betrof hier in het bijzonder de bedragen die als steun voor vervangings- en moderniseringsinvesteringen moesten worden beschouwd en - aldus de Mosel I-beschikking - volgens de bepalingen van de communautaire kaderregeling niet konden worden toegestaan (zie de Mosel I-beschikking, hoofdstukken IX en X).
38 Vervolgens liet de Duitse regering de Commissie herhaalde malen mondeling weten, dat bij het opstellen van de plannen voor Mosel II en Chemnitz II vertraging was ontstaan. Een brief van 12 april 1995, waarin de Commissie de Duitse autoriteiten eraan herinnerde, dat zij haar de plannen van Volkswagen voor die nieuwe fabrieken moesten voorleggen, zodat zij de desbetreffende steunmaatregelen kon onderzoeken, bleef onbeantwoord. Bij schrijven van 4 augustus 1995 drong de Commissie erop aan, dat de benodigde informatie haar zo spoedig mogelijk zou worden toegezonden. Ook kondigde zij aan, dat zij, ingeval Duitsland geen gehoor zou geven aan deze oproep, op basis van de haar ter beschikking staande informatie een voorlopige beschikking, gevolgd door een eindbeschikking, zou vaststellen. In antwoord op dit schrijven deelde de Duitse regering de Commissie op 22 augustus 1995 schriftelijk mee, dat de investeringsplannen van Volkswagen nog steeds niet waren voltooid.
39 Bij beschikking 96/179/EG van 31 oktober 1995 maande de Commissie de Duitse regering aan, haar alle documentatie, informatie en gegevens te verstrekken inzake de plannen voor nieuwe investeringen van het Volkswagen-concern in de nieuwe deelstaten, en inzake de daarvoor te verlenen steun (PB 1996, L 53, blz. 50).
40 Naar aanleiding van deze beschikking werden de Commissie tijdens een gesprek op 20 november 1995 enkele inlichtingen over het project en de productiecapaciteit verstrekt. Een en ander werd in een schrijven van 13 december 1995 bevestigd en tijdens een fabrieksbezoek op 21 en 22 december 1995 nader toegelicht. Op 15 januari 1996 stelde de Commissie opnieuw vragen aan de Duitse autoriteiten. Na een gesprek op 23 januari 1996 werd het merendeel van de nog ontbrekende gegevens haar bij brieven van 1 en 12 februari verstrekt.
41 Op 21 februari 1996 stelde de minister van Economische zaken en Werkgelegenheid van de Freistaat Sachsen twee decreten tot wijziging van de decreten van 1991, 1993 en 1994 vast (hierna: "decreten van 1996"). Het totale bedrag aan rechtstreekse investeringssubsidies bedroeg voortaan 499 miljoen DEM voor Mosel II, in tranches uit te keren over de periode 1991-1997, en 109 miljoen DEM voor Chemnitz II, in tranches uit te keren over de periode 1992-1997.
42 In een brief van 23 februari 1996 herinnerde de Commissie de Duitse autoriteiten eraan, dat bepaalde gegevens nog ontbraken. Deze werden haar tijdens een gesprek op 25 maart 1996 verstrekt en in twee gesprekken op 2 en 11 april 1996 nader toegelicht. Op 29 mei 1996 vond opnieuw een gesprek plaats.
43 Op 26 juni 1996 stelde de Commissie beschikking 96/666/EG vast, betreffende steun van Duitsland aan het Volkswagen-concern voor de fabrieken in Mosel en in Chemnitz (PB L 308, blz. 46; hierna: "beschikking"). Het dispositief van deze beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
De volgende steunbedragen die Duitsland heeft voorgenomen voor deonderscheiden investeringsprojecten van VW AG in Saksen, zijn verenigbaar met artikel 92, lid 3, c, van het Verdrag en met artikel 61, lid 3, c, van de EER-Overeenkomst:
- door Duitsland aan [het Volkswagen-concern] toegekende steun ten behoeve van [diens] investeringsprojecten in Mosel (Mosel II) en in Chemnitz (Chemnitz II) in de vorm van rechtstreekse investeringssubsidies ter hoogte van 418,7 miljoen DEM;
- door Duitsland aan [het Volkswagen-concern] toegekende steun ten behoeve van diens investeringsprojecten in Mosel (Mosel II) en in Chemnitz (Chemnitz II) in de vorm van fiscale investeringspremies ter hoogte van 120,4 miljoen DEM.
Artikel 2
De volgende, door Duitsland voorgenomen steun voor de onderscheiden investeringsprojecten van Volkswagen AG in Saksen is niet verenigbaar met artikel 92, lid 3, c, van het Verdrag en met artikel 61, lid 3, c, van de EER-Overeenkomst en mag niet worden uitgekeerd:
- de voorgenomen investeringssteun aan [het Volkswagen-concern] voor diens investeringsprojecten in Mosel II en Chemnitz II in de vorm van versnelde afschrijvingen op investeringen in het kader van de Duitse Wet steungebieden met een nominale waarde van 51,67 miljoen DEM;
- de voorgenomen investeringssteun aan [het Volkswagen-concern] voor diens investeringen in Mosel II in de vorm van rechtstreekse investeringssubsidies ten belope van 189,1 miljoen DEM, die het in artikel 1, eerste streepje, genoemde bedrag overschrijdt.
Artikel 3
Duitsland garandeert dat de capaciteit van de fabrieken in Mosel in 1997 niet groter zal zijn dan 432 eenheden per dag. (...)
Voorts verstrekt Duitsland de Commissie jaarverslagen, waarbij het de Commissie toelichtingen verstrekt, over de uitvoering van de subsidiabele investeringen ter hoogte van 2 654,1 miljoen DEM in Mosel II en Chemnitz II en over de inderdaad uitgekeerde steun om te waarborgen dat de gecombineerde effectieve steunintensiteit, uitgedrukt in bruto-subsidie-equivalent, voor Mosel II niet hoger dan 22,3 % en voor Chemnitz II niet hoger dan 20,8 % is (...)
Artikel 4
Duitsland stelt de Commissie binnen één maand te rekenen vanaf de bekendmaking van deze beschikking in kennis van de maatregelen die zijn genomen om deze beschikking na te komen.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland."
44 Naar aanleiding van een op 8 juli 1996 door de voorzitter van de Raad van Bestuur van Volkswagen aan de minister-president van de Freistaat Sachsen geschreven brief keerde de Freistaat Sachsen nog diezelfde maand aan Volkswagen een bedrag van 90,7 miljoen DEM aan rechtstreekse investeringssubsidies uit, die door de beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt waren verklaard.
Procedure
45 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 augustus respectievelijk 13 september 1996, hebben zowel de Freistaat Sachsen als Volkswagen en VW Sachsen een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-132/96 en T-143/96.
46 Bij op 16 september 1996 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Bondsrepubliek Duitsland een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking ingesteld, dat onder nummer C-301/96 is ingeschreven.
47 Bij op diezelfde dag ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie een beroep wegens nalaten tegen de Bondsrepubliek Duitsland ingesteld naar aanleiding van de uitbetaling door de Freistaat Sachsen van een bedrag van 90,7 miljoen DEM aan steun die door de beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. Dit beroep is onder nummer C-302/96 in het register van het Hof ingeschreven.
48 Bij op 8 november 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in zaak T-132/96 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
49 Bij beschikking van 4 februari 1997 heeft het Hof de behandeling van zaak C-301/96, Duitsland/Commissie, geschorst in afwachting van de uitspraak van de arresten van het Gerecht.
50 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 respectievelijk 19 februari 1997, hebben de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk verzocht om toelating tot interventie in de zaken T-132/96 en T-143/96.
51 Bij brieven van 10 april 1997, 17 juli 1997 en 26 mei 1998 hebben verzoekers verzocht, bepaalde gegevens tegenover het Verenigd Koninkrijk vertrouwelijk te behandelen.
52 Bij beschikking van 26 maart 1998 heeft de president van het Hof zaak C-302/96 doorgehaald in het register.
53 Op 29 juni 1998 heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) een informele bijeenkomst met partijen gehouden.
54 Bij beschikking van 30 juni 1998 heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de zaak ten gronde.
55 Bij beschikkingen van 1 en 3 juli 1998 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie in de zaken T-132/96 en T-143/96, ter ondersteuning van de conclusies van, respectievelijk, verzoekers en verweerster. Hij heeft ook gedeeltelijk bewilligd in de verzoeken om vertrouwelijke behandeling.
56 Bij beschikking van 7 juli 1998 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht de zaken T-132/96 en T-143/96 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
57 Bij brieven, tussen 17 en 22 juli 1998 binnengekomen in reactie op een door het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vraag, hebben partijen en de Bondsrepubliek Duitsland zich uitgesproken over de eventuele consequenties die de in zaak C-302/96 tot stand gekomen minnelijke schikking zou kunnen hebben voor het vervolg van de zaken T-132/96 en T-143/96 en, in het bijzonder, voor het voorwerp van het geding.
58 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) besloten de mondelinge behandeling te openen. Met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, dat was verhinderd, zijn partijen tijdens de openbare terechtzitting van 30 juni 1999 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
Conclusies van partijen
59 De Freistaat Sachsen concludeert dat het het Gerecht behage:
- artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
60 Volkswagen en VW Sachsen concluderen dat het het Gerecht behage:
- artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren;
- artikel 3 van de beschikking nietig te verklaren, voor zover de steunintensiteit, uitgedrukt in bruto-subsidie-equivalent, voor Mosel II tot 22,3 % en voor Chemnitz II tot 20,8 % wordt beperkt;
- artikel 1 van de beschikking nietig te verklaren, voor zover het bedrag van de met de gemeenschappelijke markt verenigbare rechtstreekse investeringssubsidies wordt beperkt tot 418,7 miljoen DEM;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
61 De Bondsrepubliek Duitsland ondersteunt de conclusies van verzoekers.
62 In zaak T-132/96 concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
- de Freistaat Sachsen in de kosten te verwijzen. 63 In zaak T-143/96 concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- Volkswagen en VW Sachsen hoofdelijk in de kosten te verwijzen.
64 Het Verenigd Koninkrijk ondersteunt de conclusies van de Commissie.
65 Ter terechtzitting van 30 juni 1999 hebben verzoekers in zaak T-143/96 het Gerecht verzocht vast te stellen, dat het beroep zonder voorwerp is geraakt voor zover het strekt tot nietigverklaring van artikel 2, eerste streepje, van de beschikking, waarin de investeringssteun in de vorm van versnelde afschrijvingen op investeringen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, en dienaangaande artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen. Het Gerecht heeft er tevens akte van genomen, dat dit verzoek volgens de Commissie moet worden beschouwd als een gedeeltelijke afstand van instantie en tot toepassing van artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering moet leiden.
De ontvankelijkheid van het beroep in zaak T-132/96
Argumenten van partijen
66 Tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Commissie in de eerste plaats aan, dat een territoriale eenheid als de Freistaat Sachsen in het kader van de regeling inzake staatssteun a priori niet een beroep krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) kan instellen, aangezien artikel 93 van het Verdrag enkel ziet op de lidstaten als rechtssubjecten tegenover de Gemeenschap.
67 De Commissie beklemtoont in het bijzonder, dat zowel in artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG), als in artikel 93, lid 2, wordt gesproken van steunmaatregelen "door een staat of met staatsmiddelen bekostigd"; dat de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag geformuleerde verplichting tot aanmelding uitsluitend op de betrokken lidstaat rust; dat enkel de lidstaat betrokken is bij de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag; dat indien de Commissie vaststelt, dat een steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, het uitsluitend aan de lidstaat is om die maatregel op te heffen of te wijzigen, en dat in geval van niet-nakoming van deze verplichting het door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag ingestelde beroep uitsluitend tegen de lidstaat is gericht.
68 De toekenning van een beroepsrecht aan een territoriale eenheid zou volgens de Commissie dan ook de exclusieve verantwoordelijkheid van de lidstaat voor met openbare middelen bekostigde steunmaatregelen op losse schroeven zetten en kunnen leiden tot belangenconflicten tussen de betrokken territoriale eenheid en de betrokken lidstaat, die noch door de Commissie, noch door de gemeenschapsrechter zouden kunnen worden opgelost.
69 Hoe dan ook vallen de Freistaat Sachsen en de Bondsrepubliek Duitsland uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt gedeeltelijk samen. Zonder wijziging van de beroepsregeling van artikel 173 EG-Verdrag is het niet mogelijk, de Freistaat Sachsen als "een andere persoon" dan de Bondsrepubliek Duitsland te zien.
70 Ontvankelijkverklaring van het betrokken beroep zou volgens de Commissie bovendien leiden tot een enorme toename van dergelijke beroepen, de rechtsonzekerheid vergroten, het stelsel van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op de helling zetten en daarmee de uitvoering van haar beschikkingen op het gebied van staatssteun in gevaar brengen.
71 De Commissie stelt in de tweede plaats, dat de Freistaat Sachsen geen beroepsrecht kan ontlenen aan artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. In de eerste plaats immers lag aan de in casu door hem verleende steun federale wetgeving ten grondslag, en in de tweede plaats is de Bondsrepubliek Duitsland bevoegd beroep in te stellen krachtens artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag. De Freistaat Sachsen heeft dus niet een procesbelang dat losstaat van dat van de Bondsrepubliek Duitsland, die overigens ook een beroep tot nietigverklaring van de beschikking heeft ingesteld (zaak C-301/96).
72 De omstandigheid dat de Freistaat Sachsen volgens de interne constitutionele orde van de Bondsrepubliek Duitsland de hoedanigheid van "Staat" heeft, heeft in de communautaire rechtsorde geen gevolgen. Het EG-Verdrag kent geen bijzondere rechten toe aan de Duitse deelstaten, afgezien van die welke hun eventueel door artikel 198 A (thans, na wijziging, artikel 263 EG) worden verleend in het kader van het Comité van de regio's. Het is dus niet zo, dat de Freistaat Sachsen als rechtspersoon automatisch communautaire procesbevoegdheid heeft (zie conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest Hof van 8 maart 1988, Exécutif régional wallon en Glaverbel/Commissie, 62/87 en 72/87, Jurispr. blz. 1573, 1582, punt 13; conclusie van advocaat-generaal Van Gerven bij arrest Hof van 22 mei 1990, Parlement/Raad, C-70/88, Jurispr. blz. I-2041, I-2063, en conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest Hof van 29 juni 1993, Gibraltar/Raad, C-298/89, Jurispr. blz. I-3605, I-3621, punten 38-51).
73 Bovendien is overeenkomstig het Fördergebietsgesetz toegekende investeringssteun in de vorm van versnelde afschrijvingen uitsluitend gebaseerd op het Gesetz über Sonderabschreibungen und Abzugsbeträge im Fördergebiet, die overeenkomstig artikel 87 van de Duitse grondwet moet worden toegepast door de belastingdienst. Hetzelfde geldt voor de fiscale investeringspremies (Investitionszulagengesetz, 1993). Ook de wet inzake de gezamenlijke taak, uit hoofde waarvan de in geding zijnde rechtstreekse investeringssubsidies zijn toegekend, is een federale wet die gebaseerd is op artikel 91 bis van de grondwet, volgens welke de "verbetering van de regionale economische structuren" in beginsel een taak is van de verschillende deelstaten, zij het dat deze daarbij nauw moeten samenwerken met de Bund (Bondsstaat) (zie arrest Hof van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie, 248/84, Jurispr. blz. 4013, punten 2 e.v.), die de helft van de kosten voor zijn rekening neemt. Bovendien kan de bondsregering volgens artikel 85 van de grondwet algemene administratieve bepalingen vaststellen, instructies geven aan de autoriteiten van de deelstaat, afgevaardigden naar die autoriteiten toesturen en verslagen en de overlegging van het dossier verlangen. Hieruit blijkt volgens de Commissie in de eerste plaats, dat de Bondsstaat ook in het stadium van de uitvoering van de gezamenlijke taken zijn invloed blijft uitoefenen, en in de tweede plaats, dat de Bondsstaat en de deelstaten identieke belangen hebben wanneer het gaat om de verbetering van de regionale economische structuren. De Freistaat Sachsen is volgens de Commissie dus niet in staat aan te tonen, waarin haar belangen verschillen van die van Duitsland (zie arrest Hof van 10 juli 1986, DEFI/Commissie, 282/85, Jurispr. blz. 2469, punt 18). In casu wordt de rechtsbescherming verzekerd door het feit dat de Bondsrepubliek Duitsland zelf beroep heeft ingesteld.
74 De Commissie betoogt in de derde plaats, dat de Freistaat Sachsen rechtstreeks noch individueel door de beschikking wordt geraakt.
75 Hij wordt niet rechtstreeks geraakt, aangezien hij, anders dan de overige verzoekers, niet aan de administratieve procedure heeft deelgenomen, en aangezien zijn verplichting de investeringssubsidies toe te kennen, op een federale wet berust. De omstandigheid dat volgens § 9 van de wet inzake de gezamenlijke taak de uitvoering van het kaderplan is opgedragen aan de deelstaten, waarbij de Bondsstaat de helft van de kosten vergoedt, doet hieraan niet af. Hoe dan ook gaat het in de beschikking niet enkel om investeringssubsidies, maar ook om andere door de Bondsstaat toegekende premies. Het is één beschikking, die betrekking heeft op alle steunmaatregelen en waarvan de Bondsrepubliek Duitsland de enige adressaat is.
76 De Freistaat Sachsen wordt volgens de Commissie evenmin individueel geraakt. Hij bevindt zich immers niet in een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (zie conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest Hof van 11 juli 1984, Commune de Differdange e.a./Commissie, 222/83, Jurispr. blz. 2889, 2898, 2905).
77 De Commissie stelt tot slot, dat de onderhavige situatie vergelijkbaar is met die waarom het ging in de beschikking van het Gerecht van 16 juni 1998, Comunidad Autónoma de Cantabria/Raad (T-238/97, Jurispr. blz. II-2271). Daarentegen kunnen de arresten van het Gerecht van 30 april 1998, Vlaams Gewest/Commissie (T-214/95, Jurispr. blz. II-717), en 15 juni 1999, Regione autonoma Friuli Venezia Giulia/Commissie (T-288/97, Jurispr. blz. II-1871), niet worden toegepast op de onderhavige zaak, in de eerste plaats omdat de investeringssteun in de vorm van versnelde afschrijvingen door de federale autoriteiten en uit hoofde van federale wetgeving worden toegekend; in de tweede plaats omdat de investeringssubsidies gebaseerd zijn op een federale wet en de Freistaat Sachsen bij de toekenning ervan geen eigen bevoegdheden uitoefent, noch over enige beoordelingsvrijheid beschikt; en in de derde plaats omdat de beschikking de Freistaat Sachsen niet verplicht terugbetaling van de litigieuze steun te vorderen, doch enkel de uitkering van die steun verbiedt.
78 Het Verenigd Koninkrijk sluit zich grotendeels bij de argumenten van de Commissie aan.
79 De Freistaat Sachsen bestrijdt de door de Commissie aangevoerde argumenten. Hij stelt in wezen, dat de Commissie hem tot de instelling van het beroep heeft aangezet, dat hij volgens het Duitse recht bij uitsluiting bevoegd was tot toekenning van de litigieuze steun te besluiten, dat die steun, althans ten dele, door hem is gefinancierd, dat zijn vertegenwoordigers aan de administratieve procedure hebben deelgenomen, en dat hij hoe dan ook rechtstreeks en individueel door de beschikking wordt geraakt.
80 De Bondsrepubliek Duitsland sluit zich grotendeels bij de argumenten van de Freistaat Sachsen aan.
Beoordeling door het Gerecht
81 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de Freistaat Sachsen, die naar Duits recht rechtspersoonlijkheid bezit, beroep tot nietigverklaring kan instellen krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, dat bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen en tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken (zie arrest Vlaams Gewest/Commissie, reeds aangehaald, punt 28, en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking Comunidad Autónoma de Cantabria/Raad, reeds aangehaald, punt 43).
82 Daar de beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland, moet dus worden nagegaan, of zij de Freistaat Sachsen rechtstreeks en individueel raakt.
83 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat degenen die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, en 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, Jurispr. blz. 391, punt 21). Het doel van deze bepaling is immers, ook rechtsbescherming te verlenen aan degene die, ofschoon de bestreden handeling niet tot hem is gericht, daardoor feitelijk wordt getroffen op soortgelijke wijze als de adressaat (arrest Gemeente Differdange e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 9).
84 In casu heeft de beschikking betrekking op steun die de Freistaat Sachsen heeft verleend en voor een deel met eigen middelen heeft bekostigd. Zij heeft niet alleen gevolgen voor de handelingen die door de Freistaat Sachsen zijn verricht, te weten de decreten van 1991, 1993, 1994 en 1996, maar zij belet deze bovendien haar autonome bevoegdheden naar eigen goeddunken uit te oefenen (zie arresten Vlaams Gewest/Commissie, reeds aangehaald, punt 29, en Regione autonoma Friuli Venezia Giulia/Commissie, reeds aangehaald, punt 31),
85 Uit de punten 2 tot en met 4 van het arrest Duitsland/Commissie van 14 oktober 1987 (reeds aangehaald), waarop de Commissie zich beroept, blijkt immers, dat in de Bondsrepubliek Duitsland de regionale steun in beginsel wordt toegekend door de verschillende deelstaten, ook al bepaalt sedert een wijziging van de grondwet in 1969 een nieuw artikel 91 bis, dat de federale regering (Bund) de verschillende deelstaten helpt bij de verbetering van hun regionale economische structuur. Krachtens de op grond van dit artikel 91 bis vastgestelde wet inzake de gezamenlijke taak worden sinds 1972 regelmatig steunprogramma's in de vorm van kaderplannen door de federale regering en de deelstaten gezamenlijk opgesteld. De ter uitvoering van deze kaderplannen toegekende steun wordt door de federale regering en door de deelstaten tezamen gefinancierd. Naast de krachtens de wet inzake de gezamenlijke taak vastgestelde kaderplannen, kunnen de deelstaten ook voorzien in regionale steunprogramma's ten gunste van ondernemingen die op hun grondgebied investeren.
86 Voorts is de Freistaat Sachsen ingevolge de beschikking verplicht, de administratieve procedure in gang te zetten tot terugvordering van de steun van de ontvangers, waarvoor hij op nationaal niveau als enige bevoegd is. In dit verband heeft het Gerecht op verzoek van de Commissie ter terechtzitting akte genomen van het feit, dat een deel van de steun aan de Freistaat Sachsen zelf is terugbetaald.
87 Anders dan de Commissie stelt, kan de positie van de Freistaat Sachsen niet op één lijn worden gesteld met die van de Comunidad Autónoma de Cantabria in de zaak die heeft geleid tot de beschikking Comunidad Autónoma de Cantabria/Raad (reeds aangehaald), aangezien de individualisering waarop die autonome gemeenschap zich beriep, niet meer inhield dan een beroep op de sociaal-economische repercussies die de bestreden handeling op haar grondgebied zou hebben.
88 Bijgevolg wordt de Freistaat Sachsen door de beschikking individueel geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
89 Bovendien is de beschikking weliswaar aan de Bondsrepubliek Duitsland toegezonden, maar de nationale autoriteiten hebben bij de doorzending ervan aan de Freistaat Sachsen geen enkele discretionaire bevoegdheid uitgeoefend.
90 De Freistaat Sachsen wordt derhalve door de bestreden handeling ook rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (zie in deze zin arresten Hof van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie, 41/70, 42/70, 43/70, 44/70, Jurispr. blz. 411, punten 26-28; 29 maart 1979, NTN Toyo Bearing Company e.a./Raad, 113/77, Jurispr. blz. 1185, punt 11, en 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 12).
91 Met betrekking tot de vraag, of het belang van de Freistaat Sachsen bij het aanvechten van de beschikking niet samenvalt met dat van de Duitse Staat (zie arrest Regione autonoma Friuli Venezia Giulia/Commissie, reeds aangehaald, punt 34), moet op grond van het voorgaande worden vastgesteld, dat de positie van de Freistaat Sachsen niet kan worden vergeleken met die van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot het arrest DEFI/Commissie (reeds aangehaald). In die zaak had de Franse regering de bevoegdheid het beheer en het beleid van het DEFI-comité te bepalen en kon het dus ook de belangen bepalen die het diende te behartigen. De in casu in geding zijnde investeringssubsidies zijn daarentegen maatregelen die de Freistaat Sachsen heeft getroffen op basis van de wetgevende en financiële autonomie waarover hij rechtstreeks op grond van de Duitse grondwet beschikt.
92 Bijgevolg heeft de Freistaat Sachsen een eigen belang om op te komen tegen de beschikking, dat verschilt van dat van de Duitse Staat, en kan hij derhalve krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag de beschikking aanvechten.
93 De overige middelen en argumenten die de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, moeten worden afgewezen op dezelfde gronden als die welke in de punten 37 tot en met 49 van het arrest Regione autonoma Friuli Venezia Giulia/Commissie (reeds aangehaald) zijn aangegeven.
94 Om al deze redenen dient de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen.
Ten gronde
95 Tot staving van hun vorderingen in zaak T-143/96 voeren Volkswagen en VW Sachsen in wezen vier middelen aan: een verkeerde voorstelling van de feiten, waarin zij een schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 173 van het Verdrag zien; schending van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag; diverse schendingen van artikel 92, lid 3, van het Verdrag, en schending van het vertrouwensbeginsel. Zij stellen ook, dat de beschikking een aantal motiveringsgebreken vertoont. Tot staving van zijn vorderingen in zaak T-132/96 voert de Freistaat Sachsen twee middelen aan: schending van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag en schending van artikel 92, lid 3, van het Verdrag.
96 Opgemerkt moet echter worden, dat het middel inzake een verkeerde voorstelling van de feiten door de Commissie, zoals het door verzoeksters wordt uiteengezet, geen zelfstandige inhoud heeft naast de overige middelen die tot staving van het beroep worden aangevoerd. Bovendien kan een verkeerde voorstelling van de feiten niet als een "schending van wezenlijke vormvoorschriften" in de zin van artikel 173 van het Verdrag worden aangemerkt. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de wijze waarop partijen hun middelen en argumenten kwalificeren.
97 In casu dienen de aangevoerde middelen en argumenten in drie hoofdrubrieken te worden onderverdeeld, te weten schending van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag, schending van artikel 92, lid 3, van het Verdrag, en schending van het vertrouwensbeginsel. De grieven inzake de verkeerde voorstelling van de feiten en het middel betreffende de ontoereikende motivering van de beschikking kunnen hoe dan ook uitputtend worden onderzocht, ook al worden zij formeel ondergebracht bij een van die drie rubrieken, zoals verzoekers in hun schriftelijke opmerkingen bij het rapport ter terechtzitting hebben erkend.
I - Schending van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag
Argumenten van partijen
98 Volgens verzoekers heeft de Commissie artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag geschonden, door in hoofdstuk X, derde alinea, van de beschikking te verklaren, dat deze afwijking "strikt (moet) worden geïnterpreteerd en (...) niet voor regionale investeringssteun (mag) gelden". De Commissie heeft dus geweigerd te onderzoeken, of in casu aan de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling was voldaan, en zij heeft volstaan met een verwijzing naar doelmatigheidsoverwegingen, ofschoon zij niet over enige beoordelingsvrijheid beschikte, aangezien het hierbij gaat om een wettelijke afwijking van het staatssteunverbod van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (zie arrest Hof van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 17; conclusie van advocaat-generaal Tesauro bij arrest Hof van 21 maart 1990, België/Commissie, C-142/87, Jurispr. blz. I-959, I-979, punt 19; hierna: "arrest Tubemeuse II", en conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest Hof van 13 juli 1988, Frankrijk/Commissie, 102/87, Jurispr. blz. 4067, 4075, punt 25).
99 In de eerste plaats is artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag na de hereniging van Duitsland in 1990 van toepassing gebleven, zelfs in de niet aan de voormalige grens gelegen streken.
100 In de tweede plaats is artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag van toepassing op de nieuwe deelstaten. In deze bepaling wordt namelijk in het algemeen gesproken van de streken die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen Oost en West.
101 Verzoekers beklemtonen, dat artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag niet is ingetrokken bij de ondertekening van het Verdrag van Maastricht, dat een vergelijkbare bepaling is opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en dat deze bepaling bij de sluiting van het Verdrag van Amsterdam ongewijzigd is overgenomen als het nieuwe artikel 87, lid 2, sub c, EG. Volgens de Freistaat Sachsen is de enige voor de hand liggende uitlegging van de aldus door de Hoge Verdragsluitende partijen tot uitdrukking gebrachte wil, dat de betrokken bepaling van toepassing is op alle streken van Duitsland, die wegens de economische schade die het communistische regime er heeft veroorzaakt, qua economische ontwikkeling ver zijn achtergebleven bij de overige streken van de Bondsrepubliek.
102 In dit verband hekelt de Freistaat Sachsen het feit dat de Commissie sedert 1990 hardnekkig weigert artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag op de nieuwe deelstaten toe te passen. Dit is zijn inziens in tegenspraak met het standpunt dat de Commissie innam in haar beschikking van 11 december 1964 betreffende steunmaatregelen ter bevordering van de integratie van het Saargebied in de economie van de Bondsrepubliek Duitsland (Bulletin van de Europese Economische Gemeenschap nr. 2-1965, blz. 37; hierna: "Saargebied-beschikking").
103 In de derde plaats heeft de Duitse regering tijdens de administratieve procedure de toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag verlangd (zie hoofdstuk V, eerste alinea, onder 1, van de beschikking). Daar het hier een wettelijke afwijking van het in artikel 92, lid 1, van het Verdrag neergelegde verbod betreft, was het aan de Commissie geweest om aan te tonen, dat in casu niet aan de voorwaarden voor de toepassing ervan was voldaan, en niet aan de Duitse regering om het tegendeel te bewijzen. De Commissie heeft echter ondanks een brief van haar lid Sir Leon Brittan aan de Duitse regering van 1 juni 1992, waarin werd toegezegd dat de mogelijkheid van toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag door haar diensten zou worden onderzocht, geweigerd van meer gedetailleerde informatie kennis te nemen of zich met deze kwestie in te laten. Daardoor heeft zij ook in strijd gehandeld met de op haar rustende verplichting, zelf de relevante feiten bij elkaar te zoeken (arresten Hof van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450, en 14 februari 1978, United Brands/Commissie, 27/76, Jurispr. blz. 207, punten 267 en 268; arrest Gerecht van 10 maart 1992, Hüls/Commissie, T-9/89, Jurispr. blz. II-499, punten 66-68).
104 In de vierde plaats voldoet de motivering van de beschikking op dit punt (hoofdstuk X, derde alinea) niet aan de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde vereisten en is zij dus ontoereikend om de niet-toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag in het onderhavige geval te rechtvaardigen (zie, onder meer, arresten Hof van 4 juli 1963, Duitsland/Commissie, 24/62, Jurispr. blz. 137; 13 maart 1985, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 296/82 en 318/92, Jurispr. blz. 809, punten 23 en 24; 28 april 1993, Italië/Commissie, C-364/90, Jurispr. blz. I-2097, punten 44 en 45, en 24 oktober 1996, Duitsland/Commissie, C-329/93, C-62/95 en C-63/95, Jurispr. blz. I-5151, punten 36 en 53). De omstandigheid dat de adressaat van een beschikking de motivering ervan in eerdere beschikkingen kan vinden, volstaat in dit verband niet (arrest Hof van 17 maart 1983, Control Data Belgium/Commissie, 294/81, Jurispr. blz. 911, 932).
105 Het motiveringsgebrek dat de beschikking op dit punt vertoont, kan volgens verzoekers niet worden rechtgezet in het verweerschrift, aangezien de beschikking nog niet het begin van een motivering bevat (arresten Hof van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22, en 12 november 1985, Krupp/Commissie, 183/83, Jurispr. blz. 3609, punt 21; arrest Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punten 131 en 137). Hoe dan ook is het in het verweerschrift naar voren gebrachte argument, dat de toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag op de nieuwe deelstaten om territoriale redenen is uitgesloten, in tegenspraak met hetgeen in de beschikking wordt gezegd.
106 In de vijfde plaats is de motivering van de beschikking innerlijk tegenstrijdig, aangezien de Commissie enerzijds de toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag uitsluit op grond dat er in casu sprake is van een "nieuw investeringsplan", terwijl zij anderzijds bij haar onderzoek van de steun in het licht van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag opmerkt, dat het niet om een "nieuwe investering", maar om een "uitbreidingsinvestering" gaat.
107 In de zesde plaats - aldus nog steeds verzoekers - voldoet de Freistaat Sachsen, in het bijzonder het deel waarin de steden Zwickau en Chemnitz gelegen zijn, aan de voorwaarden van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag, aangezien hij economisch volledig van West-Duitsland afgesneden is geweest. De Freistaat Sachsen verwijst in dit verband naar het deskundigenrapport Von Dohnanyi/Pohl, waaruit blijkt dat de slechte economische situatie van de nieuwe deelstaten een gevolg is van de deling van Duitsland.
108 Om de door deze deling veroorzaakte nadelen te bepalen, moet de economische situatie van Saksen vóór de deling worden vergeleken met de economische situatie na die tijd. Daarentegen zijn de gevolgen van het politieke en economische systeem van de Duitse Democratische Republiek in het kader van het onderhavige beroep irrelevant.
109 Vóór de deling van Duitsland beschikte de regio Zwickau/Chemnitz vooral met de onderneming Auto Union AG over een belangrijke automobielindustrie. Als gevolg van de deling kwam de afzet van auto's op de traditionele markten in West-Duitsland en in de rest van Europa volledig stil te liggen. Auto-Union AG vestigde toen nieuwe fabrieken in Ingolstadt in Beieren. Vervolgens stortte de productie van voertuigen en motoren in Zwickau en Chemnitz, ondanks een beperkte afzet naar Oost-Europa, volledig in elkaar. Zonder de deling van Duitsland had Auto-Union AG, thans Audi, in het gebied kunnen blijven en was zij net zo succesvol geweest als thans het geval is.
110 Derhalve zijn alle in geding zijnde steunmaatregelen, die bedoeld zijn om de vestiging van een auto- en een motorenfabriek in Saksen te vergemakkelijken, "noodzakelijk" in de zin van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag, aangezien de door de deling van Duitsland veroorzaakte nadelen nog steeds bestaan. In casu heeft enkel het vooruitzicht dat zij al die steun zou ontvangen, Volkswagen ertoe aangezet te investeren in het opnieuw opbouwen van een automobielindustrie die qua betekenis vergelijkbaar is met die welke vóór de deling in de regio bestond. De investeringen van Volkswagen moeten ook voor andere ondernemers een stimulans zijn om in de streek te investeren.
111 In de zevende plaats is het feit dat de Commissie in de Mosel I-beschikking heeft geweigerd artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag toe te passen, irrelevant, aangezien de Duitse regering noch Volkswagen de mogelijkheid heeft gehad die beschikking in rechte aan te vechten, daar het merendeel van de steunmaatregelen waarom het in die beschikking ging, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
112 De Commissie heeft in de beschikking dan ook ten onrechte de criteria van artikel 92, lid 3, van het Verdrag en, in het bijzonder, van de communautaire kaderregeling toegepast, welke criteria fundamenteel verschillen van die welke zij krachtens artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag had moeten toepassen.
113 De Bondsrepubliek Duitsland sluit zich grotendeels bij verzoekers' argumenten aan en verwijst voor het overige naar haar memories in zaak C-301/96.
114 In een op het onderhavige geval betrekking hebbende brief van 9 december 1992 aan Commissievoorzitter Delors heeft bondskanselier Kohl erop gewezen, dat de Duitse regering "voor de zaken die thans bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aanhangig zijn, artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag relevant acht". Ondanks haar meningsverschil met de Commissie over de toepassing van deze bepaling op de nieuwe deelstaten, heeft de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de administratieve procedure met de Commissie samengewerkt, aangezien deze instelling in andere zaken begrip heeft getoond voor de moeilijke economische situatie van die deelstaten, zodat praktische compromissen mogelijk waren. De Duitse regering heeft echter uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt, dat bij een juiste uitlegging van het Verdrag de betrokken bepaling zou moeten worden toegepast.
115 De Bondsrepubliek Duitsland wijst met klem op het feit dat het om een wettelijke uitzondering gaat: wanneer aan de elementen van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag is voldaan, is de steun "ex lege" verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Bovendien dient het onderzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het Verdrag beperkt te blijven tot de vraag, of de nationale autoriteiten die de steun hebben verleend, de criteria van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag niet hebben toegepast op een wijze die als "misbruik" moet worden bestempeld.
116 Anders dan bij artikel 92, lid 2, sub b, van het Verdrag, betreffende steun in geval van natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, gaat het bij artikel 92, lid 2, sub c, niet om "herstel van de schade", maar om "compensatie" voor de gevolgen van de deling van Duitsland. Deze meer flexibele formulering houdt rekening met de ingewikkelde economische situatie die samenhangt met de door die deling berokkende nadelen. Zij ziet op alle maatregelen die ertoe strekken, in de nieuwe deelstaten economische en sociale structuren te creëren die vergelijkbaar zijn met die welke in overige streken van Duitsland bestaan.
117 Volgens de Duitse regering heeft artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag betrekking op het gehele door de nieuwe deelstaten bestreken grondgebied. De "economische nadelen" waarom het in casu gaat, zijn duidelijk door de deling van Duitsland "berokkend", zoals blijkt uit een vergelijking van de Duitse automobielproductie in Saksen vóór 1939 (ongeveer 27 % in 1936) met die in 1990 (ongeveer 5 %). Deze terugval is hoofdzakelijk te wijten aan het verlies van de traditionele afzetgebieden in het Westen en de gedwongen omschakeling op die van de Comecon in een inefficiënte vorm van economie.
118 De Duitse regering beklemtoont tot slot, dat de investeringen van Volkswagen in Saksen in 1996 in totaal omstreeks 3,5 miljard DEM beliepen en 23 000 arbeidsplaatsen creëerden. Deze investeringen waren dus van het grootste belang voor de wederopbouwwerkzaamheden in de nieuwe deelstaten.
119 De Commissie betoogt, dat zij wel degelijk is nagegaan, of artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag op het onderhavige geval van toepassing was. Zij meent echter, dat zij met dezelfde motivering als in de Mosel I-beschikking mocht concluderen, dat zulks niet het geval was.
120 In de eerste plaats heeft de Duitse regering tijdens de administratieve procedure niet voldaan aan de op haar rustende verplichting, alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan kon worden nagegaan, of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking was voldaan (arrest Philip Morris/Commissie, reeds aangehaald, punt 18, en conclusie van advocaat-generaal Capotorti bij dat arrest, blz. 2693, punt 6; arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 20; conclusie van advocaat-generaal Darmon bij arrest Duitsland/Commissie van 14 oktober 1987, reeds aangehaald, blz. 4025, punt 8). De Duitse regering noch Volkswagen heeft na februari 1993 verzocht om toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag; zij hebben op geen enkel moment concrete elementen aangevoerd tot staving van hun zienswijze, dat aan de in deze bepaling geformuleerde voorwaarden was voldaan, zelfs niet nadat de Commissie in de Mosel I-beschikking had vastgesteld, dat de bepaling niet van toepassing was op het onderhavige geval.
121 In de tweede plaats gaat het bij artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag om een uitzonderingsbepaling, die strikt moet worden uitgelegd (zie arrest Hof van 10 mei 1960, Barbara Erzbergbau e.a./Hoge Autoriteit, 3/58-18/58, 25/58 en 26/58, Jurispr. blz. 377).
122 In de derde plaats verlangt artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag een rechtstreeks causaal verband tussen het te compenseren economisch nadeel en de deling van Duitsland. De rechtstreekse consequenties van die deling zijn echter na de hereniging nagenoeg verdwenen, daar de weg- en spoorwegverbindingen zijn hersteld en de traditionele afzetmarkten weer toegankelijk zijn. Bijgevolg kan deze bepaling sinds 1990 enkel nog in bepaalde uitzonderingsgevallen worden toegepast.
123 Dat artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag in de Verdragen van Maastricht en Amsterdam is gehandhaafd, vindt volgens de Commissie zijn verklaring in het veto dat de Bondsrepubliek Duitsland heeft uitgesproken tegen de intrekking van deze bepaling. Noch uit het Verdrag betreffende de Europese Unie, noch uit het Verdrag van Amsterdam blijkt, dat de verdragsopstellers aan het nieuwe artikel 87, lid 2, sub c, EG een andere betekenis hebben willen geven dan aan artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag in zijn oorspronkelijke uitlegging. Bovendien maken verzoekers niet duidelijk, waarom genoemde bepaling voortaan niet alleen zou moeten zien op de consequenties van de deling van Duitsland, maar ook op de gevolgen van de planeconomie van de Duitse Democratische Republiek en op die van de invoering van de markteconomie na de hereniging van het land.
124 In de vierde plaats kwamen volgens de Commissie zelfs vóór de hereniging van Duitsland slechts enkele streken van de voormalige Bondsrepubliek, die nadeel ondervonden van het feit dat zij in de onmiddellijke nabijheid van de grens lagen, in aanmerking voor steun krachtens artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag. Het ging daarbij hoofdzakelijk om de "Zonenrand" en om West-Berlijn. De hereniging van Duitsland heeft hierin in beginsel geen verandering gebracht. Ook al kan het in bepaalde uitzonderingsgevallen gerechtvaardigd zijn, artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag toe te passen ten aanzien van de aan beide zijden van de voormalige grens gelegen grensgebieden en dus ten aanzien van de "Zonenrand" van de voormalige Duitse Democratische Republiek, deze bepaling staat niet een algemene en uitgebreide ondersteuning van de nieuwe deelstaten toe.
125 In de vijfde plaats beklemtoont de Commissie de bestendigheid van haar beschikkingspraktijk. Sinds de hereniging van Duitsland heeft zij zich slechts in twee beschikkingen gebaseerd op artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag [beschikking 92/465/EEG van de Commissie van 14 april 1992 betreffende een steunmaatregel van de deelstaat Berlijn ten gunste van Daimler-Benz AG Duitsland (PB L 263, blz. 15; hierna: "Daimler-Benz-beschikking"), en beschikking van de Commissie van 13 april 1994 betreffende steun aan producenten van hol glas en porselein in Tettau (PB C 178, blz. 24; hierna: "Tettau-beschikking")]. In beide gevallen waren de rechtstreekse consequenties van de deling nog steeds voelbaar. In haar andere beschikkingen betreffende steun aan de nieuwe deelstaten heeft de Commissie geen gebruik gemaakt van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag. In verband met de Saargebied-beschikking beklemtoont de Commissie, dat het Saargebied bij de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag reeds een deelstaat was. Bovendien kan uit EEG-Bulletin nr. 2-1965 op geen enkele wijze worden afgeleid, dat de betrokken steunmaatregelen werden goedgekeurd op basis van artikel 92, lid 2, sub c, en niet op basis van artikel 92, lid 2, sub b, van het Verdrag.
126 In de zesde plaats is de algemene slechte economische situatie van de nieuwe deelstaten niet een rechtstreekse consequentie van de deling van Duitsland, maar van het politieke systeem van de voormalige Duitse Democratische Republiek en van de hereniging zelf, in het bijzonder van het verlies van de markten van deze deelstaten in het kader van de Comecon en in het kader van de betrekkingen met de voormalige Sovjet-Unie, van de inwerkingtreding van de Duitse monetaire, economische en sociale unie, van de aanpassing van het Oost-Duitse salarisniveau aan dat van West-Duitsland, en van de rechtsonzekerheid die vooral met betrekking tot de eigendomsrechten op onroerende zaken bestaat.
127 Hoe dan ook heeft de automobielindustrie in Zwickau en Chemnitz vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog een terrugval beleefd, juist zoals in andere Europese landen het geval was.
128 Ten slotte was er voor de Commissie, die wist dat haar beschikkingspraktijk onomstreden was, geen enkele reden om de niet-toepasselijkheid van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag in de beschikking uitvoeriger te motiveren.
Beoordeling door het Gerecht
129 Volgens artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag zijn met de gemeenschappelijke markt verenigbaar "steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voor zover deze maatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren".
130 Deze bepaling is na de hereniging van Duitsland geenszins stilzwijgend ingetrokken, doch zowel in het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992 als in het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997 gehandhaafd. Bovendien is een gelijkluidende bepaling opgenomen in artikel 61, lid 2, sub c, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3).
131 Gelet op de objectieve gelding van de voorschriften van gemeenschapsrecht, waarvan de inachtneming en het nuttig effect moeten worden gewaarborgd, kan dan ook niet worden aangenomen, dat deze bepaling na de hereniging van Duitsland haar betekenis heeft verloren, zoals de Commissie in strijd met haar eigen administratieve praktijk (zie, onder meer, de Daimler-Benz-beschikking en de Tettau-beschikking) ter terechtzitting heeft betoogd.
132 Aangezien artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag echter voorziet in een afwijking van het in artikel 92, lid 1, geformuleerde algemene beginsel van onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, moet deze bepaling strikt worden uitgelegd.
133 Bovendien dient men volgens de rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht niet uitsluitend met de aldaar gebezigde bewoordingen te rade te gaan, doch ook met het redeverband en met de doelstellingen van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt (zie arresten Hof van 17 november 1983, Merck, 292/83, Jurispr. blz. 3781, 3792, en 21 februari 1984, St. Nikolaus Brennerei, 337/82, Jurispr. blz. 1051, 1062).
134 In casu refereert de uitdrukking "deling van Duitsland" aan de totstandkoming van de scheidingslijn tussen de twee zones in 1948. Met de "door deze deling berokkende economische nadelen" kunnen derhalve alleen die economische nadelen worden bedoeld, welke hun oorzaak vinden in het isolement dat de instelling of handhaving van die grens heeft teweeggebracht, zoals de insluiting van bepaalde streken (zie de Daimler-Benz-beschikking), de onderbreking van verkeerswegen (zie de Tettau-beschikking), of het verlies van de natuurlijke afzetmarkten van bepaalde ondernemingen, die daarom ondersteuning behoeven, hetzij om zich aan de nieuwe omstandigheden te kunnen aanpassen, hetzij om deze nadelige situatie te kunnen overleven (zie, in deze zin, maar met betrekking tot artikel 70, vierde alinea, EGKS-Verdrag, arrest Barbara Erzbergbau e.a./Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 409).
135 Door zich echter op het standpunt te stellen, dat artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag het mogelijk maakt, de onbetwistbare economische achterstand van de nieuwe deelstaten volledig te compenseren, totdat deze een ontwikkelingsniveau zullen hebben bereikt dat vergelijkbaar is met dat van de oude deelstaten, miskennen verzoekers en de Duitse regering zowel het uitzonderingskarakter van deze bepaling alsook de context en het doel ervan.
136 De economische nadelen die de nieuwe deelstaten algemeen ondervinden, zijn immers niet in de zin van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag door de deling van Duitsland berokkend. De deling van Duitsland als zodanig heeft de economische ontwikkeling van beide zones slechts marginaal beïnvloed. Bovendien heeft zij in het begin die zones gelijkelijk getroffen en niet eraan in de weg gestaan, dat de economie van de oude deelstaten zich daarna gunstig ontwikkelde.
137 Vastgesteld moet dan ook worden, dat voor de verschillen in ontwikkeling tussen de oude en de nieuwe deelstaten andere oorzaken zijn aan te wijzen dan de deling van Duitsland als zodanig, in het bijzonder de verschillende politiek-economische systemen die aan deze en aan gene zijde van de grens werden ingevoerd.
138 Uit het voorgaande volgt tevens, dat de Commissie geen rechtsdwaling heeft begaan, door in hoofdstuk X, derde alinea, van de beschikking in het algemeen te stellen, dat de afwijking overeenkomstig artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag niet voor regionale investeringssteun mag gelden, en dat de in artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag bedoelde afwijkingen en de communautaire kaderregeling volstaan om aan de problemen in de nieuwe deelstaten het hoofd te bieden.
139 Verzoekers stellen in dit verband ten onrechte, dat de motivering tegenstrijdig is, voor zover de Commissie de betrokken investeringen elders in de beschikking als "uitbreidingsinvesteringen" heeft aangemerkt. De uitdrukking "regionale investeringssteun" wordt namelijk gebezigd in reactie op een algemeen argument van de Duitse regering (zie hoofdstuk V, eerste alinea, sub 1, van de beschikking) en heeft dus niet specifiek betrekking op de steun voor de investeringsprojecten van Volkswagen in Mosel II en Chemnitz II, maar op alle steunmaatregelen ter bevordering van de algemene economische ontwikkeling van de nieuwe deelstaten.
140 Met betrekking tot de vraag, of de litigieuze steunmaatregelen, afgezien van het feit dat zij de economische ontwikkeling van de Freistaat Sachsen beogen te bevorderen, specifiek bedoeld zijn om de door de deling van Duitsland veroorzaakte nadelen te compenseren, moet bovendien in herinnering worden gebracht, dat de lidstaat die om een machtiging verzoekt om steun te verstrekken in afwijking van de verdragsregels, verplicht is met de Commissie samen te werken. Ingevolge deze verplichting dient hij met name alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan deze instelling kan nagaan, of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking is voldaan (arrest Italië/Commissie van 28 april 1993, reeds aangehaald, punt 20).
141 Niets in het aan het Gerecht voorgelegde dossier wijst er echter op, dat de Duitse regering of verzoekers tijdens de administratieve procedure specifieke argumenten hebben aangevoerd om het bestaan van een causaal verband tussen de situatie van de Saksische automobielindustrie na de hereniging en de deling van Duitsland aan te tonen.
142 De Commissie heeft dan ook terecht gesteld, dat partijen geen concrete elementen hebben aangevoerd die de toepassing van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag op het onderhavige geval zouden rechtvaardigen.
143 Verzoekers en de Duitse regering, die in dit verband heeft verwezen naar haar memories in zaak C-301/96, hebben wel voor het Gerecht betoogd, dat een vergelijking van de Duitse automobielproductie in Saksen vóór 1939 met die in 1990 moet worden gezien als het bewijs van de economische nadelen die de deling van Duitsland deze streek heeft berokkend. Huns inziens is de relatieve terugval van de Saksische automobielindustrie, vergeleken met die van West-Duitsland in het algemeen, vooral veroorzaakt door de opsplitsing van de Duitse markt en het daarmee samenhangende verlies van de traditionele afzetgebieden van deze industrie in het Westen.
144 Dit betoog moet, voor zover het in de procedure voor het Gerecht al ontvankelijk is nu het niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen (zie arrest Hof van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-278/92, C-179/92 en C-280/92, Jurispr. blz. I-4103, punt 31, en arrest Gerecht van 25 maart 1999, Forges de Clabecq/Commissie, T-37/97, Jurispr. blz. II-859, punt 93), van de hand worden gewezen.
145 Immers, zelfs indien de handel tussen de beide Duitslanden was belemmerd en daardoor de traditionele afzetgebieden van de Saksische automobielindustrie waren weggevallen, zou dit nog niet betekenen, dat de slechte economische situatie van deze industrie in 1990 een rechtstreekse consequentie is van dit verlies van afzetgebieden, waarvan wordt aangenomen dat het is veroorzaakt door de deling van Duitsland in 1948. De door verzoekers uiteengezette moeilijkheden zijn hoofdzakelijk een gevolg van de andere economische organisatie van het Oost-Duitse systeem zelf, die niet in de zin van artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag is "berokkend" door "de deling van Duitsland."
146 Een vergelijking van de situatie van de Saksische automobielindustrie vóór 1939 met die in 1990 is dus op zichzelf onvoldoende om het bestaan van een voldoende rechtstreeks verband tussen de economische nadelen die deze industrie ten tijde van de toekenning van de litigieuze steun ondervond, en de "deling van Duitsland" in de zin van genoemde bepaling aan te tonen.
147 Met betrekking tot de Saargebied-beschikking moet worden opgemerkt, dat geen der partijen deze beschikking in het kader van de onderhavige procedure heeft overgelegd of om overlegging ervan heeft verzocht. Verzoekers hebben niet aangetoond, dat uit deze beschikking blijkt dat de Commissie in het verleden een andere benadering heeft gevolgd, noch dat deze benadering - gesteld dat zij zou zijn aangetoond - de geldigheid van de in 1996 verrichte juridische beoordelingen aantast.
148 Verzoekers en interveniënte hebben derhalve niets aangevoerd dat de conclusie zou rechtvaardigen, dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden door zich op het standpunt te stellen, dat de in geding zijnde steunmaatregelen niet voldeden aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag voorziene afwijking.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex