Gerecht EU 14 mei 1998, T-348/94, ECLI:EU:T:1998:102
Tekst
Trefwoorden
1 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Grondrechten - Eerbiediging verzekerd door gemeenschapsrechter - Inaanmerkingneming van Europees Verdrag voor rechten van de mens
(Verdrag betreffende Europese Unie, art. F, lid 2)
2 Mededinging - Administratieve procedure - Niet-toepasselijkheid van artikel 6 van Europees Verdrag voor rechten van de mens - Eerbiediging van procedurele waarborgen door Commissie - Doeltreffende rechterlijke toetsing van beschikkingen van Commissie - Onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie - Volledige rechtsmacht
(EG-Verdrag, art. 85 en 86; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17; besluit 88/591 van de Raad)
3 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Recht van verweer - Eerbiediging in kader van administratieve procedure
4 Mededinging - Administratieve procedure - Mededeling van punten van bezwaar - Noodzakelijke inhoud
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 4)
5 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 190)
6 Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Identificatie van voorwerp van geschil - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
7 Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
8 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk opleveren - Ondernemingen aan wie inbreuk, bestaande in deelneming aan geheel kartel, ten laste kan worden gelegd - Criteria
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
9 Mededinging - Mededingingsregelingen - Inbreuk die ertoe strekt mededinging op bepaalde geografische markt te beperken - Voorafgaande afbakening van geografische markt - Geen verplichting
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
10 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen geldboete wordt opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels
(EG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
11 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzwarende omstandigheden - Verhulling van mededingingsregeling - Bewijs voortvloeiend uit ontbreken van aantekeningen betreffende vergaderingen van bij mededingingsregeling betrokken ondernemingen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
12 Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Opzet - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
13 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Gedrag dat afwijkt van binnen mededingingsregeling overeengekomen gedrag - Beoordeling
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
14 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Financiële toestand van betrokken onderneming - Geen verzachtende omstandigheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
15 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Ontbreken van maatregelen ter controle van uitvoering van mededingingsregeling - Geen verzachtende omstandigheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
16 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Berekeningsmethoden - Omrekening van omzet van ondernemingen in referentiejaar in ecu op basis van gemiddelde wisselkoers van dat jaar - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
17 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
18 De grondrechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert. Daarbij laat de gemeenschapsrechter zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzigingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt, of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe.
19 Wanneer de Commissie de bepalingen van het communautaire mededingingsrecht toepast, kan zij niet als "rechterlijke instantie" in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden aangemerkt. Bijgevolg kan een beschikking tot toepassing van de communautaire mededingingsregels niet onwettig zijn op de enkele grond dat zij is vastgesteld binnen het kader van een systeem waarin de Commissie zowel de functie van aanklager als van beslissend orgaan vervult. Tijdens de administratieve procedure voor de Commissie is zij evenwel verplicht, de in het gemeenschapsrecht vastgestelde procedurele waarborgen te eerbiedigen.
Het gemeenschapsrecht verleent de Commissie een toezichthoudende taak, die mede de taak omvat om inbreuken op de artikelen 85, lid 1, en 86 van het Verdrag te vervolgen. Verordening nr. 17 verleent haar bovendien de bevoegdheid om bij beschikking aan de ondernemingen en ondernemersverenigingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk op deze bepalingen hebben gemaakt, geldboeten op te leggen.
Het vereiste van een doeltreffende rechterlijke toetsing van elke beschikking van de Commissie waarbij een inbreuk op de communautaire mededingingsregels wordt vastgesteld en daarvoor een sanctie wordt opgelegd, is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat voortvloeit uit de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben. Een dergelijk beginsel wordt niet geschonden, wanneer een dergelijke toetsing krachtens besluit 88/591 van de Raad wordt uitgeoefend door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, zoals het Gerecht, dat overeenkomstig de door de betrokken natuurlijke of rechtspersoon tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring aangevoerde middelen de juridische en feitelijke gegrondheid van elke beschuldiging door de Commissie op het gebied van de mededinging kan beoordelen, en dat overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 17 bevoegd is om te beoordelen of de opgelegde geldboete evenredig is aan de zwaarte van de vastgestelde inbreuk.
20 De eerbiediging van het recht van verweer in iedere procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, is te beschouwen als een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen.
21 De mededeling van de punten van bezwaar, die tot doel heeft de op grond van de mededingingsregels vervolgde ondernemingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich te kunnen verdedigen voordat de Commissie een eindbeschikking geeft, moet gesteld zijn in bewoordingen die, hoe bondig ook, voor de belanghebbenden voldoende duidelijk zijn om te weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt.
22 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.
Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
23 Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf.
24 Het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, kan haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd. Zelfs indien een dergelijke onderneming zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
25 Om elk van de in een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel dat verschillende mededingingsverstorende gedragingen omvat, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan één of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
26 Wanneer de Commissie een inbreuk vaststelt die ertoe strekt de mededinging op een bepaalde geografische markt te beperken, behoeft voor de vaststelling van deze mededingingsbeperking niet eerst de geografische markt te worden afgebakend.
27 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.
Bij een beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen.
Ten slotte moet de motivering van de beschikking in de beschikking zelf voorkomen en kunnen latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking worden genomen.
Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de ondernemingen tot wie zij is gericht, in staat te stellen de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.
28 Het feit dat de ondernemingen die bij een prijsafspraak betrokken waren, de aankondiging van de onderling afgestemde prijsverhogingen hebben gearrangeerd en dat zij werden ontmoedigd aantekeningen betreffende vergaderingen over dit onderwerp te maken, bewijst dat zij zich van de onrechtmatigheid van hun gedrag bewust waren en dat zij maatregelen hebben genomen om de afspraak te verhullen. Dergelijke maatregelen kan de Commissie bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als verzwarende omstandigheden in aanmerking nemen.
Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen kunnen, gelet op het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen, genoegzaam bewijs opleveren voor het feit dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
29 Voor de vaststelling dat een inbreuk op de communautaire mededingingsregels opzettelijk is begaan, is niet vereist, dat de onderneming zich ervan bewust was, het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te overtreden. Het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd.
30 Het feit dat een onderneming waarvan de deelneming aan een onderlinge afstemming van prijzen met haar concurrenten is aangetoond, zich op de markt niet overeenkomstig de met haar concurrenten overeengekomen wijze heeft gedragen, is niet noodzakelijkerwijze een omstandigheid die bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking moet worden genomen. Een onderneming die in weerwil van de onderlinge afstemming met haar concurrenten een min of meer zelfstandig marktbeleid voert, kan namelijk gewoonweg proberen zich het kartel ten nutte te maken.
31 Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete is de Commissie niet verplicht, de deficitaire situatie van de betrokken onderneming als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen. De erkenning van een dergelijke verplichting zou erop neerkomen, dat aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt, een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel wordt verschaft.
32 Ofschoon het bestaan van maatregelen ter controle van de uitvoering van een mededingingsregeling bij de vaststelling van de geldboeten wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels als een verzwarende omstandigheid in aanmerking kan worden genomen, kan het ontbreken van dergelijke maatregelen als zodanig geen verzachtende omstandigheid opleveren.
33 Wanneer de Commissie aan meerdere ondernemingen een geldboete oplegt wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels belet niets haar, het bedrag daarvan uit te drukken in ecu, een monetaire eenheid die in nationale munteenheden kan worden omgerekend. Dit stelt overigens de ondernemingen beter in staat om de bedragen van de opgelegde geldboeten te vergelijken. Bovendien onderscheidt de mogelijke omrekening van de ecu in nationale munteenheid deze monetaire eenheid van de "rekeneenheid", bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, die geen betalingseenheid is, zodat het bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijze in nationale valuta moet worden vastgesteld.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete mag de Commissie een methode gebruiken waarbij de omzet van het referentiejaar van elke onderneming in ecu wordt omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoers van dat jaar en niet op basis van de wisselkoers op de datum waarop de beschikking is vastgesteld.
Om te beginnen moet de Commissie normaliter één zelfde berekeningsmethode gebruiken voor de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die worden bestraft wegens deelneming aan eenzelfde inbreuk. Vervolgens moet de Commissie om de verschillende meegedeelde, in de respectieve nationale valuta van de betrokken ondernemingen uitgedrukte omzetcijfers te kunnen vergelijken, deze omzetten in één zelfde munteenheid omrekenen, zoals de ecu, waarvan de waarde op basis van de waarde van elke nationale munteenheid van de lidstaten wordt bepaald.
Enerzijds kan de Commissie, door uit te gaan van de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk beoordelen, aangezien deze factoren relevant zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Anderzijds kan de Commissie, door voor de omrekening van de betrokken omzetten in ecu uit te gaan van de gemiddelde wisselkoersen van het aangehouden referentiejaar, voorkomen dat eventuele valutaschommelingen sedert de beëindiging van de inbreuk invloed hebben op de beoordeling van de relatieve omvang en economische macht van de ondernemingen, alsmede van de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk en derhalve op de beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk. De beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient namelijk betrekking te hebben op de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip waarop deze inbreuk werd gepleegd.
Met de methode van berekening van de geldboete, waarbij de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar wordt gebruikt, kunnen bijgevolg de willekeurige effecten van de wijzigingen van de reële waarde van de nationale munteenheden worden voorkomen, die tussen het referentiejaar en het jaar van vaststelling van de beschikking kunnen optreden en in casu ook inderdaad zijn opgetreden. Zo deze methode kan betekenen, dat een bepaalde onderneming een bedrag moet betalen dat in nationale munteenheid uitgedrukt nominaal hoger of lager is dan het bedrag dat zij had moeten betalen ingeval de wisselkoers van de datum van vaststelling van de beschikking werd toegepast, is dit slechts de logische consequentie van de schommelingen van de reële waarde van de verschillende nationale munteenheden.
34 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.
Verder kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.
Partijen
In zaak T-348/94,
Enso Española SA, gevestigd te Castellbisbal, Barcelona (Spanje), aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Creus Carreras en X. Ruiz Calzado, advocaten te Barcelona, J. R. García-Gallardo, advocaat te Burgos, en B. García Porras, advocaat te Salamanca, vervolgens door A. Creus Carreras, X. Ruiz Calzado en E. Contreras Ynzenga, advocaat te Madrid,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. E. González-Díaz en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, vervolgens door R. Lyal, bijgestaan door R. Garcia Vicente, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.
3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.
4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.
5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.
6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
xviii) Enso Española SA, een geldboete van 1 750 000 ECU;
(...)"
13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.
14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.
15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.
16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.
17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.
18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.
19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.
20 Verzoekster Enso Española SA (hierna: "Enso Española"), voorheen Tampella Española SA, heeft volgens de beschikking een aantal vergaderingen van het JMC (tussen februari 1989 en april 1991), de PC (van mei 1988 tot mei 1989) en het EC (van februari 1987 tot mei 1989) bijgewoond.
Procesverloop
21 Bij op 18 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.
22 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-352/94 en T-354/94).
23 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
24 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).
25 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
26 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.
27 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
28 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.
29 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
30 De partijen in de in punt 26 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
31 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- De beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover zij op haar betrekking heeft;
- subsidiair, de haar opgelegde geldboete in te trekken;
- meer subsidiair, de haar opgelegde geldboete aanzienlijk te verlagen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten en renten voor het stellen van een bankgarantie of van de eventuele betaling van het geheel of een gedeelte van de geldboete.
32 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
De vordering tot nietigverklaring van de beschikking
A - Het middel: schending van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie
Argumenten van partijen
33 Verzoekster stelt, dat het feit dat de Commissie zowel de functie van onderzoekend als van beslissend orgaan vervult, in strijd is met het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, een grondrecht.
34 Dit middel valt uiteen in twee onderdelen. In het eerste onderdeel betoogt verzoekster dat het grondrecht waarop zij zich beroept, is erkend in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: "EVRM"). In het tweede onderdeel stelt zij, dat het is bevestigd in de constitutionele tradities van de lidstaten.
35 Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel herinnert zij eraan, dat een rechterlijke instantie waarvoor een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM is ingesteld, onpartijdig moet zijn. Bijgevolg moeten het onderzoek in de strafprocedure en de vaststelling van de beslissing waarmee een einde aan deze procedure wordt gemaakt, door twee verschillende instanties of personen worden verricht (arresten Europees Hof voor de rechten van de mens van 1 oktober 1982, Piersack, serie A, nr. 53, en 26 oktober 1984, De Cubber, serie A, nr. 86). De Europese Commissie voor de rechten van de mens heeft beslissingen op het gebied van het mededingingsrecht als een strafvervolging aangemerkt (beslissing van 9 februari 1990, M & Co./Duitsland, nr. 13258/87, vol. 64, blz. 138, en advies in de zaak Stenuit/Franse Staat, nr. 11598/85, rapport van 30 mei 1991, serie A, nr. 232-A).
36 De in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen hadden om drie redenen moeten worden geëerbiedigd.
37 Om te beginnen heeft de beschikking van de Commissie een strafrechtelijk karakter (advies van de Europese Commissie voor de rechten van de mens in de zaken Stenuit/Franse Staat en M & Co./Duitsland, reeds aangehaald). Het strafrechtelijke karakter van de geldboeten is een gevolg van hun repressieve karakter, waarvan het bewijs wordt geleverd door de publiciteit die de Commissie met het oog op de preventie daaraan geeft.
38 In de tweede plaats hadden zelfs indien de opgelegde sanctie geen strafrechtelijk karakter heeft, de strafrechtelijke waarborgen moeten worden toegepast op een administratieve procedure die tot een sanctie kan leiden, zoals de administratieve procedure voor de Commissie. In dit verband is de formele kwalificatie welke in het nationale recht en in casu in het gemeenschapsrecht aan dergelijke sancties wordt gegeven, van weinig belang.
39 Met een beroep op de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (arresten van 8 juni 1976, Engel e.a., serie A, nr. 22; 21 februari 1984, Öztürk, serie A, nr. 73, en 28 juni 1984, Campbell en Fell, serie A, nr. 80) is zij van mening, dat het recht op een eerlijk proces in casu kan worden toegepast in weerwil van het feit dat de Commissie niet is gelijkgesteld met een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM (arresten Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punten 79-91, en 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Jurispr. blz. 1825).
40 Ten slotte kan de partijdigheid van de Commissie volgens verzoekster worden gecompenseerd door de mogelijkheid om nadien een beroep in te stellen voor een rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht (arrest De Cubber, reeds aangehaald). Dit is in casu evenwel niet het geval, omdat het door het Gerecht krachtens de artikelen 172 en 173 van het Verdrag uitgeoefende toezicht in geen enkel opzicht een toetsing in volle omvang is waarbij alle beoordelingen op het punt van de feiten en het recht kunnen worden getoetst in de zin van het arrest De Cubber (reeds aangehaald).
41 Het bij artikel 173 van het Verdrag ingestelde beroep verleent het Gerecht niet de bevoegdheid om de feitelijke situatie of de economische omstandigheden op basis waarvan de desbetreffende beschikkingen of aanbevelingen zijn gegeven, te beoordelen, behalve wanneer de Commissie wordt beschuldigd van misbruik van bevoegdheid of van een kennelijke schending van de verdragsbepalingen of van enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel. Op basis van twee arresten van het Hof (arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, Jurispr. blz. 2545, punt 34, en 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 23) is verzoekster van mening, dat de rechterlijke toetsing van de beschikkingen van de Commissie op basis van artikel 173 van het Verdrag een eenvoudige wettigheidstoetsing is, die niet beantwoordt aan de vereisten van een toetsing in volle omvang.
42 Bij de in artikel 172 van het Verdrag bedoelde toetsing van de geldboeten gaat het letterlijk om een volledige rechtsmacht en deze toetsing vormt derhalve een uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter in het kader van het beroep tot nietigverklaring (arrest Hof van 13 juni 1958, Meroni & Co. Industrie Metallurgische/Hoge Autoriteit, 9/56, Jurispr. blz. 9).
43 Deze toetsing is evenwel geen toetsing in volle omvang in de zin van het EVRM, omdat het Gerecht dit slechts kan uitoefenen in geval van kennelijke onbillijkheid (arrest Hof van 10 december 1957, ALMA/Hoge Autoriteit, 8/56, Jurispr. blz. 189, 203), of van een wezenlijke feitelijke of juridische vergissing (conclusie van advocaat-generaal Warner bij arrest Hof van 12 juli 1979, BMW Belgium e.a./Commissie, 32/78, 36/78-82/78, Jurispr. blz. 2435).
44 Zelfs indien deze toetsing als een toetsing in volle omvang moet worden beschouwd, heeft zij niet op alle bestanddelen van de bestreden beschikking betrekking, zoals door het Europees Hof voor de rechten van de mens wordt vereist. Het enige mogelijke gevolg van deze toetsing kan de wijziging van de opgelegde sanctie zijn, zonder dat de feiten en de feitelijke beoordelingen die door de Commissie als rechtsgrondslag voor deze sanctie zijn gebruikt, worden onderzocht.
45 In het tweede onderdeel van het middel verklaart verzoekster, dat het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie door de tradities van de lidstaten is erkend.
46 Artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie schrijft de toepassing van de grondrechten voor, zoals zij uit de constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien. Het recht op een onpartijdige rechter wordt in de lidstaten gewaarborgd in de twee soorten van procedures voor toezicht op inbreuken op het gemeenschapsrecht, zoals deze in het arrest De Cubber (reeds aangehaald) worden onderscheiden.
47 In het eerste soort van procedure worden de onderzoeks- en de beslissingsfase van meet af aan gescheiden. Verschillende nationale stelsels van toezicht op de mededinging, namelijk het Franse, het Griekse, het Belgische, het Portugese, het Spaanse, het Deense, het Oostenrijkse, het Finse en het Zweedse stelsel, kennen dit onderscheid tussen onderzoek en beslissing. Sommige daarvan, namelijk het Belgische, het Portugese, het Spaanse, het Deense en het Zweedse stelsel, kennen in een latere fase zelfs een toetsing in volle omvang. Daarentegen biedt de procedure tot toepassing van het mededingingsrecht in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Luxemburg en Nederland de met de bescherming van de vrije mededinging belaste organen niet de mogelijkheid om geldboeten op te leggen.
48 In het tweede soort van procedure, die geldt in Duitsland en Italië, worden de onderzoeks- en de beslissingsfase niet onderscheiden, doch wordt nadien wel een beroep in volle omvang voorzien met zodanige kenmerken dat het in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.
49 Gelet op deze omstandigheden, waarborgen de constitutionele tradities van de lidstaten het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie beter dan de "de minimis"-uitlegging die door het Europees Hof voor de rechten van de mens aan artikel 6 EVRM wordt gegeven. Zelfs indien het Gerecht van oordeel mocht zijn, dat de beschikking het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie overeenkomstig de door het Europees Hof voor de rechten van de mens vastgestelde regels eerbiedigt, zou het bijgevolg niet kunnen verklaren, dat zij het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie, zoals omschreven in de constitutionele tradities van de lidstaten en gereflecteerd in de door hen ingestelde procedures voor de toepassing van het mededingingsrecht, eerbiedigt.
50 De Commissie is in de eerste plaats van mening, dat het communautaire mededingingsrecht niet deel uitmaakt van het strafrecht, zodat artikel 6, lid 1, EVRM dienaangaande niet geldt.
51 In de tweede plaats stelt zij, dat zij niet als rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM kan worden aangemerkt.
52 In de derde plaats is zij van mening, dat verzoekster artikel 173 van het Verdrag en de daarop betrekking hebbende rechtspraak onjuist uitlegt, wanneer zij stelt dat de beginselen van het arrest de Cubber van het Europees Hof voor de rechten van de mens niet in de communautaire context kunnen worden toegepast, omdat later geen beroep mogelijk is voor een rechterlijke instantie die alle feitelijke punten van de beschikking, alsmede de daaraan door de Commissie gegeven beoordeling kan toetsen of herzien.
53 Artikel 173 van het Verdrag verleent de gemeenschapsrechter, door middel van de toetsing van de feitelijke onjuistheden of de verkeerde toepassing van het recht, de bevoegdheid om zowel de vaststelling als de beoordeling van de feiten door de Commissie in volle omvang te herzien. Weliswaar kan de gemeenschapsrechter zijn oordeel niet in de plaats stellen van dat van de auteur van de beschikking, doch dit doet niet af aan het feit dat de Commissie overeenkomstig artikel 176 van het Verdrag gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van een eventueele arrest houdende nietigverklaring (arrest Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, T-68/89, T-77/89 en T-78/89, Jurispr. blz. II-1403). Ten slotte heeft de Europese Commissie voor de rechten van de mens zelf zich op het standpunt gesteld, dat artikel 173 een voorbeeld van een beperkte, doch normale toetsing in de zin van artikel 6 EVRM is (rapport van 17 juli 1980, zaak Kaplan, DR, vol. 21, blz. 66).
54 Wat de herziening van de sanctie uit hoofde van artikel 172 van het Verdrag betreft, gaat de gemeenschapsrechter in de praktijk verder dan een toetsing van de kennelijke onbillijkheid (arrest ALMA/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald) of een wezenlijke vergissing (conclusie van advocaat-generaal Warner bij arrest BMW Belgium e.a./Commissie, reeds aangehaald), omdat de gemeenschapsrechter daarnaast onder meer nagaat, of de geldboete evenredig is aan de zwaarte van de inbreuk (arresten Hof van 12 juli 1962, Acciaierie Ferriere e Fonderie di Modena/Hoge Autoriteit, 16/61, Jurispr. blz. 575, 608 en 613, en 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, 260).
Beoordeling door het Gerecht
55 Volgens vast rechtspraak behoren de grondrechten tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert (zie in het bijzonder advies Hof van 28 maart 1996, advies 2/94, Jurispr. blz. I-1759, punt 33, en arrest Hof van 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 14). Daarbij laten het Hof en het Gerecht zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (arrest Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en arrest Kremzow, reeds aangehaald, punt 14). Bovendien eerbiedigt de Unie volgens artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie "de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht".
56 Het is eveneens vaste rechtspraak, dat de Commissie niet als een "rechterlijke instantie" in de zin van artikel 6 EVRM kan worden aangemerkt (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 7). Bijgevolg is verzoeksters argument dat de beschikking onwettig is op de enkele grond dat zij is vastgesteld binnen het kader van een systeem waarin de Commissie zowel de functie van aanklager als van beslissend orgaan vervult, niet ter zake dienend. Niettemin moet worden beklemtoond, dat de Commissie tijdens de administratieve procedure verplicht is, de in het gemeenschapsrecht vastgestelde procedurele waarborgen te eerbiedigen.
57 Verzoekster stelt ook nog, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de partijdigheid van de Commissie, in strijd met de uit het EVRM voortvloeiende vereisten, niet kan worden gecompenseerd door de mogelijkheid om tegen de door haar vastgestelde beschikking beroep in te stellen voor een rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht.
58 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het gemeenschapsrecht de Commissie een toezichthoudende taak verleent, die mede de taak omvat om inbreuken op de artikelen 85, lid 1, en 86 van het Verdrag te vervolgen.
59 Verordening nr. 17 verleent haar bovendien de bevoegdheid om bij beschikking aan de ondernemingen en ondernemersverenigingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk op deze bepalingen hebben gemaakt, geldboeten op te leggen.
60 Het vereiste van een doeltreffende rechterlijke toetsing van elke beschikking van de Commissie waarbij een inbreuk op de bovengenoemde communautaire mededingingsregels wordt vastgesteld en daarvoor een sanctie wordt opgelegd, is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat voortvloeit uit de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben (zie in deze zin arrest Gerecht van 27 juni 1995, Guérin automobiles/Commissie, T-186/94, Jurispr. blz. II-1753, punt 23).
61 In casu is dit algemene beginsel van gemeenschapsrecht niet geschonden.
62 In de eerste plaats is het Gerecht een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die is ingesteld bij besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1, gerectificeerd in PB 1989, L 241, blz. 4). Zoals uit de derde overweging van dit besluit blijkt, is het in het bijzonder ingesteld om in beroepen die een grondig onderzoek van complexe feiten vergen, de rechtsbescherming van de justitiabelen te verbeteren.
63 In de tweede plaats is het Gerecht krachtens artikel 3, lid 1, sub c, van dit besluit bevoegd om de bevoegdheden uit te oefenen, die door de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen en door de handelingen ter uitvoering daarvan aan het Hof van Justitie zijn opgedragen, in het bijzonder "ten aanzien van de beroepen, krachtens artikel 173, tweede alinea, (...) van het EEG-Verdrag door natuurlijke of rechtspersonen ingesteld (...) betreffende de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels". In het kader van deze beroepen krachtens artikel 173 van het Verdrag moet de toetsing van de wettigheid van de beschikking van de Commissie waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld en uit dien hoofde aan de desbetreffende natuurlijke of rechtspersonen een geldboete wordt opgelegd, als een doeltreffende rechterlijke toetsing van de betrokken handeling worden beschouwd. De middelen die door de betrokken natuurlijke of rechtspersoon tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring kunnen worden aangevoerd, bieden het Gerecht de mogelijkheid om de juridische en feitelijke gegrondheid van elke beschuldiging door de Commissie op het gebied van de mededinging te beoordelen.
64 In de derde plaats heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 17 "volledige rechtsmacht in de zin van artikel 172 van het Verdrag ter zake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete of dwangsom wordt vastgesteld; het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen". Bijgevolg is het bevoegd om te beoordelen of de opgelegde geldboete evenredig is aan de zwaarte van de vastgestelde inbreuk.
65 Gelet op al het voorgaande, dient het middel te worden afgewezen.
B - Het middel: schending van het recht van verweer Argumenten van partijen
66 Verzoekster betoogt, dat in de mededeling van de punten van bezwaar de geografische markt waarop zij inbreuken op het gemeenschapsrecht zou hebben gepleegd, in het geheel niet wordt afgebakend. In dit document wordt de Spaanse markt eenmaal genoemd en worden de Ierse, de Portugese en de Griekse markt nooit vermeld.
67 Verzoekster verklaart, daaruit te hebben afgeleid dat het onderzoek geen betrekking had op de Spaanse, de Ierse, de Portugese en de Griekse markt. Bijgevolg achtte zij het niet noodzakelijk om zich te verdedigen tegen de door de Commissie gestelde schendingen op deze geografische markten.
68 In tegenstelling tot hetgeen de Commissie in haar memories voor het Gerecht stelt,
had de mededeling van de punten van bezwaar niet "duidelijk de Spaanse en de Ierse markt en gedeeltelijk de Portugese en de Griekse markt bestreken (althans was het systeem van informatie-uitwisseling betreft)". Met deze verklaring erkent de Commissie overigens impliciet, dat het kartel niet de Griekse en de Portugese markt bestreek.
69 Meer in het bijzonder met betrekking tot de dekking van de Spaanse en de Ierse markt, is de verwijzing van de Commissie naar een aantal bijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar (bijlagen 5, 6, 18, 20-22, 55, 56, 60, 71, 80, 81, 109, 110, 111 en 118) niet relevant, omdat geen van deze bijlagen ook maar de geringste aanwijzing bevat dat de ten laste gelegde inbreuk de betrokken markten bestreek. In het bijzonder hebben de bijlagen 5, 6, 55, 56, 60 en 71 geen betrekking op Ierland.
70 Wat de beweerde gedeeltelijke dekking van de Portugese en de Griekse markt betreft, erkent de Commissie zelf volgens verzoekster, dat tijdens de vergaderingen van de PG Paperboard geen onderwerpen betreffende de Portugese en de Griekse markt werden besproken. Bovendien hebben vele bijlagen waarop de Commissie zich beroept, niet op deze markten betrekking.
71 In elk geval zijn de aanwijzingen waaruit blijkt dat de mededeling van de punten van bezwaar geen betrekking had op de Spaanse, de Ierse, de Griekse en de Portugese markt, volgens haar veel concludenter dan de aanwijzingen in tegengestelde zin, in het bijzonder en vooral omdat de Commissie geen van deze vier landen in haar in deze mededeling van de punten van bezwaar uiteengezette, zeer gedetailleerde analyse van de zeven prijsinitiatieven had opgenomen.
72 Bij vergelijking van de overzichtstabellen betreffende de prijsinitiatieven met de tabellen in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar en bij de beschikking, blijken in de tabellen in bijlage bij de beschikking twee korte noten betreffende de prijsverhogingen in Spanje te zijn toegevoegd met betrekking tot de initiatieven van oktober 1990 (initiatief E) en januari 1991 (initiatief G). Enkel de tweede noot heeft betrekking op verzoekster.
73 Geen van de bovenbedoelde vier markten wordt in de beschikking vermeld met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de prijsbesluiten van de PG Paperboard op de nationale markten.
74 Zonder een duidelijke aanduiding van de relevante geografische markt heeft de Commissie de verplichting geschonden om de relevante markt adequaat af te bakenen, een vereiste dat nochtans door het Gerecht als algemeen beginsel is erkend (arrest SIV e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 159).
75 In de beschikking wordt verklaard dat het onderzoek en de inbreuk de gehele Gemeenschap, behalve Portugal en Griekenland, bestreken (punt 138 van de considerans), terwijl in de mededeling van de punten van bezwaar te verstaan was gegeven, dat de aangevoerde punten van bezwaar evenmin betrekking hadden op Spanje en Ierland. Door in de beschikking punten van bezwaar in aanmerking te nemen ten aanzien waarvan verzoekster niet haar standpunt kenbaar had kunnen maken, heeft de Commissie in strijd gehandeld met artikel 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB L 127, blz. 2268; hierna: "verordening nr. 99/63").
76 De Commissie is van mening dat de mededeling van de punten van bezwaar, een term die zowel op het basisdocument als de bijlagen daarbij slaat, duidelijk met betrekking tot alle aspecten van de inbreuk de Spaanse en de Ierse markt bestrijkt en de Portugese en de Griekse markt gedeeltelijk, voor zover de bewijzen van de onderlinge afstemming betreffende deze twee markten enkel betrekking hebben op het systeem van informatie-uitwisseling. Uit deze laatste omstandigheid kan haars inziens evenwel niet worden afgeleid, dat het kartel niet de gehele Gemeenschap bestreek. Dit moet eenvoudigweg aldus worden verstaan, dat er geen duidelijke bewijzen bestonden dat het kartel ook deze markten bestreek.
77 Met betrekking tot de geografische omvang van de inbreuk verwijst de Commissie naar de bijlagen 5, 6, 18, 20 tot en met 22, 49, 55, 56, 58, 60, 71, 80, 81, 86, 88, 109, 110, 111, 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Op basis van deze documenten concludeert zij, dat verzoeksters beslissing om zich gedurende de administratieve procedure niet op dit punt te verdedigen, geheel voor haar rekening komt.
78 Met betrekking tot de prijsinitiatieven is de Commissie van oordeel, dat de door verzoekster in haar memories gemaakte vergelijking tussen de overzichtstabellen kennelijk onjuist is, omdat de inlichtingen betreffende de prijsverhogingen van oktober 1989 en januari 1991 haar vóór de vaststelling van de beschikking ter kennis zijn gebracht.
79 Wat de noodzaak betreft om de relevante geografische markt af te bakenen vóór een bepaalde gedraging op haar wettigheid aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag wordt getoetst, is zij van oordeel, dat in het kader van de beoordeling van een mededingingsbeperking deze afbakening niet noodzakelijk is, wanneer het, zoals in casu, duidelijk is dat de deelneming van nagenoeg alle ondernemingen die op de betrokken markt op het geografisch grondgebied van de Gemeenschap opereren, elke mogelijkheid uitsluit om eventueel de "de minimis"-regel op de inbreuk toe te passen. Volgens haar is deze analyse niet in tegenspraak met het reeds aangehaalde arrest SIV e.a./Commissie.
Beoordeling door het Gerecht
80 De eerbiediging van het recht van verweer in iedere procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, is te beschouwen als een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen (arrest Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 9).
81 Ter uitvoering van dit beginsel wordt in artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en in artikel 4 van verordening nr. 99/63 bepaald, dat de Commissie in haar eindbeschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking neemt, waarover de betrokken ondernemingen hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken.
82 In artikel 1, zevende streepje, van de beschikking wordt de in deze bepaling genoemde ondernemingen ten laste gelegd, dat zij "in de gehele Gemeenschap" gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen planden en ten uitvoer legden.
83 Verzoekster stelt dat in de mededeling van de punten van bezwaar een dergelijke heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen niet wordt vermeld voor vier lidstaten van de Gemeenschap, namelijk Spanje, Ierland, Griekenland en Portugal, zodat moet worden nagegaan, of in casu de bewoordingen van de mededeling van de punten van bezwaar, hoe bondig ook, voor verzoekster voldoende duidelijk waren om te weten, welke geografische omvang deze heimelijke verstandhouding had. Enkel dan immers kon de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen alle informatie verschaffen die zij nodig hebben om zich te verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft (zie in het bijzonder arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punt 42).
84 De aan verzoekster toegezonden mededeling van de punten van bezwaar omvat het basisdocument, de bijlagen en de afzonderlijke gegevens betreffende verzoekster. In het basisdocument komt geen dispositief voor, doch het bevat "een samenvatting van de inbreuk". In deze samenvatting wordt onder meer verklaard, dat de producenten die karton aanbieden in de EEG in onderlinge afstemming en in strijd met artikel 85 van het EEG-Verdrag "gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de hele EEG gepland en ten uitvoer gelegd hebben". Daarin wordt uitdrukkelijk verklaard, dat deze samenvatting moet worden gelezen in samenhang met de in de rest van het document uiteengezette gedetailleerde punten van bezwaar.
85 Lezing van de mededeling van de punten van bezwaar als geheel bevestigt dat volgens de Commissie de gestelde inbreuk het gehele grondgebied van de Gemeenschap bestreek. In dit verband kan het onderzoek van de in de mededeling van de punten van bezwaar gestelde feiten betreffende de geografische omvang van de mededingingsverstorende handelingen niet worden beperkt tot de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, omdat uit de mededeling van de punten van bezwaar (blz. 83-88) blijkt, dat de hoofdkenmerken van het gestelde "prijs vóór tonnage"-beleid ten doel hadden, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken.
86 Bij het onderzoek van de feiten wordt in de mededeling van de punten van bezwaar (blz. 37) met betrekking tot de rol van het JMC bij de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen verklaard:
"In het JMC werd per markt tot in detail de tenuitvoerlegging van de door de PWG genomen prijsbeslissingen besproken. De belangrijkste functie van het JMC was $[te] bepalen of, en zo ja, hoe prijsverhogingen ten uitvoer kunnen worden gelegd, alsook te werken aan de totstandkoming van een gelijksoortig (dat wil zeggen uniform) prijssysteem in Europa'."
87 Met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen wordt daarin (blz. 51) verklaard, dat het kartel betrekking had op "het totale marktaandeel in West-Europa".
88 Dienaangaande wordt verwezen naar de verklaringen van Stora (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 1.1):
"In de PWG werden besprekingen over de marktaandelen in tonnen gevoerd. De kwaliteiten van primaire vezels (GC- en UC-kwaliteiten) en de gerecycleerde kwaliteiten (GD- en UD-kwaliteiten) werden afzonderlijk behandeld. Er werd gesproken over niveaus voor Europa als geheel en voor individuele landen. Voor de besprekingen sloeg $Europa' op de landen van de EG en de EVA."
89 Met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen wordt opgemerkt (blz. 69):
"Uit de documentatie blijkt ook dat het zogenoemde $equivalente' (of $Europese') prijssysteem ingevoerd werd, waarbij voor heel Europa gelijktijdig identieke lijstprijzen geïntroduceerd werden."
90 Met betrekking tot de juridische beoordeling wordt in de sectie "De aard van de inbreuk" onder meer verklaard (blz. 83):
"De hoofdkenmerken van de $prijs vóór tonnage'-regeling waren:
(...)
- de periodieke uitvoering van overeengekomen prijsinitiatieven met gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen door alle producenten op elke nationale markt;
- het bereiken van een uniform systeem van prijsvaststelling op Europese basis;
(...)"
91 Ten slotte wordt in de sectie "Beïnvloeding van de handel tussen lidstaten" in de mededeling van de punten van bezwaar gesteld (blz. 88):
"In het onderhavige geval moesten, op grond van het alomtegenwoordige karakter van de door heimelijke verstandhouding getroffen afspraken, die de handel in een belangrijk industrieel product in de gehele EEG (en andere Westeuropese landen) zo goed als volledig bestreken, de handelsstromen noodzakelijkerwijs een ander verloop hebben dan zonder deze afspraken het geval zou zijn geweest."
92 De gegevens betreffende de geografische omvang van de gestelde inbreuk in de mededeling van de punten van bezwaar zelf worden in dit document bevestigd door de voornaamste bewijsstukken waarop de Commissie zich beroept, namelijk de verklaringen van Stora. Volgens deze verklaringen was ten minste het gehele grondgebied van de Gemeenschap de geografische omvang van de mededingingsverstorende handelingen. Met betrekking tot de twee in 1988 vastgestelde prijsverhogingen verklaart Stora bijvoorbeeld, dat "overeenstemming werd bereikt over de invoering (in 1988) van twee prijsverhogingen in de gehele markt van de EG" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 4). Zoals reeds is opgemerkt (zie punt 88 supra) verklaart zij ook, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen op geheel Europa betrekking had.
93 Onder deze omstandigheden moet de mededeling van de punten van bezwaar worden geacht, aan de hiervoor vermelde verplichting tot duidelijkheid te voldoen, in die zin dat het gehele grondgebied van de Gemeenschap als geografische omvang van de heimelijke verstandhouding wordt vermeld. Bijgevolg is het feit dat een aantal landen van de Gemeenschap niet uitdrukkelijk is genoemd, op zichzelf niet relevant.
94 In casu was de Commissie evenmin verplicht, vóór de vaststelling van de mededingingsbeperking de geografische markt af te bakenen waarop deze plaats had (zie punten 231 e.v. infra).
95 Aangezien uit de door verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht verstrekte gegevens blijkt, dat het grootste gedeelte van haar verkopen op de Spaanse markt plaatsvond, moet worden vastgesteld, dat verscheidene in de mededeling van de punten van bezwaar vermelde en als bijlage daarbij gevoegde documenten expliciet betrekking hebben op de Spaanse markt (bijlagen 109, 110, 111, 117 en technische bijlagen E en G).
96 In het bijzonder wordt bijlage 109 in de mededeling van de punten van bezwaar (blz. 55) als volgt gecommentarieerd:
"De op de vergadering [van het JMC] aanwezige producenten (...) brachten verslag uit over de voortgang op elke nationale markt van de prijsverhoging die volgens de aankondiging (voor de meeste landen) inging op 1 oktober 1989."
97 De Spaanse markt is een van de nationale markten die expliciet in bijlage 109 wordt vermeld:
"c) Spanje
Prijsverhoging is aangekondigd en kan zonder grotere problemen ten uitvoer worden gelegd (...)"
98 Bovendien wordt in technische bijlage E, betreffende de prijsinitiatieven van oktober 1989, bijlage 111 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij Rena aangetroffen prijslijst, gecommentarieerd en gedeeltelijk weergegeven. Weliswaar wordt deze lijst vermeld als bijlage 110 bij de mededeling van de punten van bezwaar, doch een oplettend lezer kan het niet zijn ontgaan, dat het in feite bijlage 111 betrof.
99 De weergegeven gegevens betreffen de prijzen per kartonkwaliteit en per land, alsmede de datum van aankondiging van de prijsverhogingen, en dit document bevat expliciet gegevens over de Spaanse nationale markt.
100 Ten slotte wordt in technische bijlage E verklaard:
"De details van de prijsverhogingen van elke fabrikant worden in tabel E aangegeven.
(N.B.: Finnboard, Feldmühle en Kopparfors hebben hun prijzen voor Spanje met de in bijlage 117 genoemde prijzen verhoogd)."
101 Hoewel de verwijzing naar bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar een spijtige vergissing is, omdat in werkelijkheid bijlage 111 wordt bedoeld, moet worden vastgesteld, dat de Spaanse nationale markt expliciet wordt genoemd in technische bijlage E.
102 Ten slotte bevat technische bijlage G (blz. 4), betreffende de prijsinitiatieven van januari 1991, de navolgende inlichting:
"De details van de prijsverhogingen van elke fabrikant worden in tabel G aangegeven.
De belangrijkste producenten die op de Spaanse markt leveren (Cascades, Finnboard, Iggesund, Tampella Española, Feldmühle) kondigden allen een prijsverhoging van 5 PTA/kg aan."
103 Concluderend kan verzoekster, gelet op voorgaande overwegingen, geen schending van haar recht van verweer stellen.
104 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
C - Het middel: schending van artikel 190 van het Verdrag
Argumenten van partijen
105 Met een beroep op het relatieve karakter van het motiveringsvereiste (conclusie van advocaat-generaal Van Gerven bij arrest Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, I-2559, I-2572) stelt verzoekster, dat de verplichting tot motivering van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd strikt moet worden uitgelegd, vooral wanneer de beschikking van de Commissie veel verder gaat dan de vroegere beschikkingen (arrest Hof van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, Jurispr. blz. 1491).
106 In casu heeft de Commissie met betrekking tot verzoekster niet op duidelijke en samenhangende wijze in de beschikking uiteengezet, op basis van welke feitelijke en juridische overwegingen zij deze heeft vastgesteld. Verzoekster noch het Gerecht kan de elementen van haar redenering derhalve kennen. Dit geldt in het bijzonder voor de afbakening van de relevante geografische markt en voor de beoordeling van verzoeksters deelneming aan de beweerde inbreuken.
107 Ten slotte heeft de Commissie haars inziens de motiveringsplicht geschonden met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboeten.
108 De Commissie betoogt dat dit middel dient te worden afgewezen, omdat daarin slechts in algemene termen een schending van artikel 190 van het Verdrag wordt gesteld. In ieder geval is het ongefundeerd, omdat de beschikking toereikend is gemotiveerd.
Beoordeling door het Gerecht
109 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 51).Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (zie met name arrest Van Landewyck e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 66).
110 In casu wordt verzoekster in de beschikking rechtstreeks ter sprake gebracht in het kader van de beschrijving van de onderling afgestemde prijsverhogingen (punten 77 en 89 van de considerans). Verder wordt in de punten van de beschikking waarin de besprekingen binnen het JMC met een mededingingsverstorend doel worden beschreven (in het bijzonder de punten 44-46, 58, 71, 73, 84, 85 en 87 van de considerans), noodzakelijkerwijze gedoeld op verzoekster, die niet betwist dat zij de vergaderingen van dit orgaan heeft bijgewoond. Ten slotte wordt in de beschikking duidelijk uiteengezet, op grond van welke redenering de Commissie van oordeel is, dat verzoekster betrokken was bij een algemeen kartel (punten 116-119 van de considerans).
111 In die omstandigheden heeft de motivering van de beschikking verzoekster voldoende aanwijzingen gegeven om de voornaamste gegevens feitelijk en rechtens te kennen, die ten grondslag liggen aan de redenering op basis waarvan de Commissie verzoekster aansprakelijk heeft gesteld voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
112 Aangaande de motivering betreffende de door de beschikking bedoelde geografische markt volstaat de vaststelling, dat niet alleen het dispositief (artikel 1), doch ook de motivering van de beschikking (in het bijzonder punt 2, eerste alinea, derde en vijfde streepje, punt 44, tweede alinea, tweede streepje, punt 52 en punt 76, eerste alinea, van de considerans) betrekking hebben op mededingingsverstorende gedragingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap.
113 Bijgevolg kan verzoeksters argument van een ontoereikende motivering op dit punt niet worden aanvaard.
114 Met betrekking tot de gestelde schending van de verplichting tot motivering van de vaststelling van het bedrag van de geldboeten ten slotte dient te worden vastgesteld, dat een dergelijke schending, zo zij al bewezen mocht zijn, de wettigheid van artikel 3 van de beschikking waarbij verzoekster een geldboete wordt opgelegd, niet zou kunnen aantasten. De desbetreffende argumenten dienen derhalve tezamen met de tot staving van de vordering tot intrekking of verlaging van de geldboete aangevoerde middelen te worden onderzocht (zie punten 238 e.v. infra).
115 Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.
D - Het middel: onjuiste toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag op verzoeksters handelingen
Argumenten van partijen
116 Dit middel valt uiteen in vier onderdelen.
117 In het eerste onderdeel ontkent verzoekster, dat zij ooit aan een algemeen beleid tot beperking van de mededinging heeft deelgenomen.
118 Zij herinnert eraan, dat zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft erkend dat zij lid was van de PG Paperboard en aan de vergaderingen van een aantal organen van de PG Paperboard, alsmede aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling had deelgenomen. Zij was zich evenwel niet bewust van het feit dat de verstrekte inlichtingen tot een mededingingsbeperking konden leiden.
119 Haar aansluiting bij een algemeen beleid tot beperking van de mededinging kan niet worden afgeleid uit haar beperkte deelneming aan de organen van de PG Paperboard en uit de uitwisseling van informatie binnen dit kader. Overigens wordt haar deelneming aan de organen van de PG Paperboard volgens haar door de Commissie, wanneer zij in haar verweerschrift spreekt van "organen van het kartel", ten onrechte gelijkgesteld met een deelneming aan het kartel zelf.
120 Volgens verzoekster heeft de Commissie geen betrouwbare en concludente bewijzen verstrekt voor de vaststelling van verzoeksters band met het gemeenschappelijke systeem. Aangezien verzoekster in geen van de in de beschikking als bewijs aangevoerde documenten wordt genoemd, kan enkel een aanwezigheid tijdens vergaderingen en een deelneming aan een informatie-uitwisseling als bewezen worden beschouwd. In dit verband wijst verzoekster met nadruk op het verschil dat bestaat tussen deelneming aan een algemeen beleid tot beperking van de mededinging en het deelnemen aan enige handelingen die minder zware inbreuken van dit beleid opleveren (aanwezigheid bij vergaderingen en deelneming aan informatie-uitwisseling).
121 Na onderzoek van het criterium dat de Commissie heeft gebruikt om de deelneming van elk van de adressaten van de beschikking aan het kartel aan te tonen (punten 116-121 van de considerans van de beschikking), concludeert verzoekster dat na toepassing van dit criterium op haar individuele situatie moet worden vastgesteld, dat zij niet aan het gestelde gemeenschappelijke systeem heeft deelgenomen. Met geen van de in de beschikking aangevoerde documenten kan namelijk een band van verzoekster met de heimelijke verstandhouding worden aangetoond.
122 In het tweede onderdeel van het middel betoogt verzoekster, dat zij niet heeft deelgenomen aan de tijdens de vergadering van het JMC van 6 september 1990 afgesproken prijsverhogingen (punt 89 van de considerans van de beschikking). Zoals zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft uiteengezet (punt 5.2.2 en in het bijzonder punt 5.2.2.1), is haar deelneming aan de onderlinge afstemmingen betreffende de prijzen en de tenuitvoerlegging daarvan niet bewezen.
123 Bovendien bevat de beschikking, noch de mededeling van de punten van bezwaar enigerlei aanwijzing dat zij aan het toezicht op de tenuitvoerlegging van de prijsverhogingen heeft deelgenomen.
124 In haar repliek preciseert zij, dat wanneer zij verklaart dat zij niet aan de onderlinge afstemmingen betreffende de prijzen heeft deelgenomen, dit om te beginnen aldus moet worden begrepen, dat zij geen enkele verplichting was aangegaan om een bepaald prijsniveau toe te passen, hetgeen niet betekent dat zij niet wist dat er overeenkomsten dienaangaande bestonden die de grote producenten waarschijnlijk tijdens vergaderingen van de PWG hadden gesloten. Vervolgens moet dit aldus worden begrepen, dat haar commerciële beleid te allen tijde volgens andere maatstaven werd gevoerd dan die welke door haar concurrenten werden toegepast.
125 In het derde onderdeel van het middel betoogt verzoekster, dat zij niet aan een heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van de productiehoeveelheden, noch aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen heeft deelgenomen.
126 Zij stelt vast dat volgens de beschikking (punten 51 e.v. van de considerans) binnen de PG Paperboard een regeling tot beheersing van de prijzen en het productievolume tot stand is gebracht op basis van een zogenoemd "prijs vóór tonnage"-beleid. Ook wordt daarin verklaard (punt 58 van de considerans), dat de kleinere kartonproducenten, hoewel zij niet in de details van de PWG-besprekingen over marktaandelen waren ingewijd, in het kader van het "prijs vóór tonnage"-beleid dat zij allen onderschreven, op de hoogte waren van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om het aanbod op een constant niveau te handhaven en van de noodzaak om hun eigen gedrag daaraan aan te passen.
127 Wat verzoekster betreft, is er evenwel geen enkel bewijs voor deze verklaring. Integendeel, haar commerciële beleid, dat in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar wordt uiteengezet, was altijd geweest om de productiehoeveelheid op de markt te vergroten, zelfs ten koste van de met de verkregen prijzen behaalde winst.
128 Bovendien verklaart zij, dat de Commissie haar ten onrechte een deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen ten laste legt. In punt 116 van de considerans van de beschikking erkent de Commissie namelijk, dat enkele grote producenten overeenkomsten over de productiehoeveelheden en de marktaandelen hebben gesloten.
129 De gestelde marktverdeling is volgens haar evenmin bewezen en wordt in de beschikking nergens gestaafd. In elk geval volstaat de ontwikkeling van verzoeksters verkopen op de markten van de Gemeenschap om aan te tonen dat deze beschuldiging wat haar betreft ongefundeerd is.
130 Ten slotte betoogt verzoekster in het vierde onderdeel van het middel, dat evenmin als in de mededeling van de punten van bezwaar (zie punten 66 e.v. supra) in de beschikking de relevante geografische markt wordt gepreciseerd. De enige passage van de beschikking waarin de grenzen van deze geografische markt worden aangegeven, is punt 138 van de considerans, waarin wordt erkend dat de inbreuken niet zijn gepleegd op de Portugese en de Griekse markt. Verzoekster vestigt evenwel de aandacht op een incoherentie tussen dit punt van de considerans en punt 61 van de considerans, waarin wordt gesteld dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling geheel West-Europa bestreek.
131 Deze vraag van de afbakening van de relevante geografische markt is van wezenlijk belang ter beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van een inbreuk, alsmede ter beoordeling van de zwaarte en de strekking van deze inbreuk. Verzoekster heeft slechts in geringe mate aan de inbreuk deelgenomen, omdat de procedure niet betrekking had op de Spaanse, de Portugese, de Griekse en de Ierse markt waarop zij het grootste gedeelte van haar activiteiten ontplooide.
132 Bovendien blijken de Spaanse en de Ierse markt tot de relevante geografische markt te worden gerekend (punt 72 van de considerans van de beschikking), terwijl de meeste in de beschikking aangevoerde bewijzen in het geheel niet op deze nationale markten betrekking hebben. In het bijzonder hebben de bewijzen die door de Commissie worden aangevoerd om het bestaan van een overeenkomst betreffende de prijsverhogingen aan te tonen, slechts op de Spaanse en de Ierse markt betrekking voor de prijsverhogingen van oktober 1989, april 1990 en januari 1991.
133 Volgens de Commissie zijn de door verzoekster in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar aangevoerde argumenten niet ontvankelijk, omdat niet is aangetoond dat deze argumenten relevant zijn om de geldigheid van de beschikking in twijfel te trekken.
134 Vervolgens verklaart zij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dat in een zaak als de onderhavige de juiste aanpak is: het bestaan en de werking alsmede de meest opvallende kenmerken van het kartel als geheel aan te tonen en vervolgens te bepalen, of er geloofwaardig en overtuigend bewijs bestaat voor de vaststelling van de band van iedere individuele producent met het gemeenschappelijke stelsel en voor welke periode elke producent aan het kartel deelnam. In dit verband beroept zij zich op punt 116, tweede alinea, van de considerans van de beschikking, volgens hetwelk de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en de beheersing van de hoeveelheden onlosmakelijk verbonden aspecten van eenzelfde algemeen plan waren.
135 Zij gaat ervan uit, dat elke producent die lid van de PG Paperboard en van de verschillende comités was, aan het kartel heeft deelgenomen, omdat de PG Paperboard zelf een voornamelijk onrechtmatig doel had. De PWG en het JMC hielden zich nagenoeg exclusief bezig met de vaststelling van de prijzen en de verdeling van de markt.
136 Verder zijn er volgens de Commissie vele rechtstreekse bewijzen waaruit verzoeksters betrokkenheid bij de inbreuk blijkt, zoals de beschikking en de bijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar aantonen. Verzoekster wordt genoemd in de voornaamste documenten die het bestaan van het kartel als geheel of van zijn verschillende manifestaties bewijzen.
137 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel betoogt de Commissie, dat verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen is aangetoond. Haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar bevestigt slechts haar deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, aangezien haar deelneming aan de organen van het kartel haar belet om als rechtvaardiging voor het gestelde tijdsverschil in de aankondiging van de prijzen een intelligente aanpassing aan de marktcondities aan te voeren.
138 Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel merkt de Commissie op, dat verzoekster haar deelneming aan de voornaamste organen van het kartel, de PWG daargelaten, niet ontkent en dat wat deze organen betreft het bestaan van de overeenkomst en van de aan verzoekster toegerekende onderling afgestemde feitelijke gedraging is bewezen (zie in het bijzonder de punten 111-113 van de considerans van de beschikking). Dit vereist dus geen rechtstreeks bewijs dat iedere veronderstelde deelnemer uitdrukkelijk instemde met, of een duidelijke handeling beging ter ondersteuning van ieder individueel aspect of elke manifestatie van het kartel gedurende het bestaan daarvan (punt 116 van de considerans van de beschikking). Zowel materieelrechtelijke als praktische redenen pleiten tegen een dergelijke gefragmenteerde benadering, omdat de kern van de inbreuk ligt in het feit, dat de producenten jarenlang samen onrechtmatig hebben gehandeld volgens een gemeenschappelijk plan (zelfde punt van de considerans).
139 Zelfs indien enkel de grote producenten in de PWG over in het bijzonder de marktaandelen en machinestilstand spraken, betekent dit niet, dat de kleine producenten niet bij dit onderdeel van de inbreuk betrokken waren. Deze laatsten waren namelijk op de hoogte van het beleid van de PWG met betrekking tot de marktaandelen en aanvaardden dit (punt 58 van de considerans van de beschikking), hadden de invoering van het systeem van toezicht op de verkoophoeveelheden en marktaandelen vergemakkelijkt door de nodige informatie aan Fides te verstrekken, en waren in het kader van het JMC op de hoogte gebracht van de plannen betreffende machinestilstand (punt 71 van de considerans).
140 De Commissie concludeert, dat het vierde onderdeel van het middel eveneens dient te worden afgewezen.
141 Dienaangaande verwijst zij voornamelijk naar de hiervoor uiteengezette argumenten (zie punten 76 e.v. supra). Zij beklemtoont evenwel, dat in punt 138 van de considerans van de beschikking wordt verklaard, dat er voor Griekenland en Portugal geen betrouwbaar bewijsmateriaal inzake prijsafspraken voorhanden is, en niet dat in deze landen geen inbreuken werden gepleegd. Zij weerlegt eveneens de door verzoekster gestelde incoherentie tussen het feit dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling Europa bestreek en het ontbreken van bewijsmateriaal inzake prijsafspraken voor Griekenland en Portugal.
Beoordeling door het Gerecht
142 Om te beginnen dienen de eerste drie onderdelen van het middel, volgens welke verzoekster niet aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk zou hebben deelgenomen, te worden onderzocht. Het vierde onderdeel, volgens hetwelk de relevante geografische markt niet nauwkeurig genoeg zou zijn afgebakend, zal afzonderlijk worden onderzocht.
De eerste drie onderdelen van het middel: verzoekster zou niet aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk hebben deelgenomen
143 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf (zie in het bijzonder beschikking Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T-56/92, Jurispr. blz. II-1267, punt 21).
144 In casu moet worden aangenomen, dat wanneer verzoekster naar de in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar aangevoerde argumenten verwijst, zij geen middel of argument aanvoert dat verschilt van de middelen of argumenten die zij in haar inleidend verzoekschrift heeft voorgedragen. De verwijzing in haar verzoekschrift naar bepaalde redeneringen in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar dient dus ter ondersteuning en aanvulling van specifieke punten in het verzoekschrift zelf. Onder deze omstandigheden moeten de door verzoekster in het kader van dit middel aangevoerde argumenten als ontvankelijk worden beschouwd.
145 In de eerste plaats dient te worden onderzocht, of de Commissie verzoeksters deelneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag voor de periode van maart 1988 tot februari 1989, het tijdstip waarop verzoekster toegeeft dat zij de vergaderingen van het JMC begon bij de wonen, heeft bewezen. In de tweede plaats zal worden onderzocht, of de Commissie verzoeksters deelneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag voor de resterende periode, dat wil zeggen van februari 1989 tot april 1991, heeft bewezen.
1. De periode van maart 1988 tot februari 1989
146 In punt 162, vierde alinea, van de considerans van de beschikking wordt verklaard:
"Enso Española begon in 1987 bijeenkomsten van een PG Paperboard-werkgroep (het $Economic Committee') regelmatig bij te wonen. De op 25 mei 1988 gehouden $President Conference' was de eerste dergelijke bijeenkomst die zij bijwoonde. Zij beweert dat zij eerst in februari 1989 de bijeenkomsten van de JMC begon bij te wonen. Zij nam evenwel deel aan het eerste prijsinitiatief van 1988 en aangenomen mag worden dat haar daadwerkelijke deelname aan de inbreuk ongeveer op dat tijdstip is begonnen."
147 Ten bewijze van verzoeksters deelneming aan een inbreuk op de communautaire mededingingsregels gedurende de onderzochte periode, baseert de Commissie zich op de deelneming van deze onderneming aan de vergaderingen van de PC van 25 mei en 17 november 1988 (tabel 3 in bijlage bij de beschikking), haar deelneming aan de vergadering van het EC van 3 mei 1988 (tabel 6 in bijlage bij de beschikking) en ten slotte op verzoeksters feitelijke prijsgedrag.
148 Elk van deze bewijzen zal in de hiervoor genoemde volgorde worden onderzocht.
a) Bijwoning van een aantal vergadering van de PC door verzoekster
149 Wat de bijwoning van twee specifieke vergaderingen van de PC door verzoekster betreft, voert de Commissie geen enkel bewijs omtrent het doel van die vergaderingen aan. Wanneer zij zich op deze bijwoning beroept als bewijs van de deelneming van de onderneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, baseert zij zich noodzakelijkerwijze op de algemene beschrijving in de beschikking van het doel van de vergaderingen van dit orgaan, alsmede op de bewijzen die in de beschikking zijn aangevoerd om deze beschrijving te staven.
150 Dienaangaande wordt in de beschikking verklaard: "Zoals door Stora werd uiteengezet, was een van de taken van de PWG, de $President Conference' in te lichten over de maatregelen die nodig waren om orde op de markt te scheppen (...) Op deze wijze werden de algemeen-directeuren die de $President Conferences' bijwoonden, ingelicht over de door de PWG genomen besluiten en over de aanwijzingen die aan hun verkoopdivisies moesten worden gegeven ter uitvoering van de overeengekomen prijsinitiatieven" (punt 41, eerste alinea, van de considerans). De Commissie merkt eveneens op: "De PWG kwam altijd vóór de geplande $President Conference' bijeen, en daar beide vergaderingen werden voorgezeten door dezelfde persoon, werden de resultaten van de besprekingen in de PWG zonder twijfel door hem medegedeeld aan anderen van de zogeheten $Presidents', die niet tot de kerngroep behoorden" (punt 38, tweede alinea, van de considerans).
151 Stora deelt mee, dat degenen die de vergaderingen van de PC bijwoonden, werden ingelicht over de door de PWG genomen besluiten (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8). De juistheid van deze verklaring wordt evenwel betwist door een aantal ondernemingen die de vergaderingen van de PC hebben bijgewoond. In het bijzonder wordt de juistheid impliciet door verzoekster betwist, voor zover zij betwist dat zij aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft deelgenomen. Bijgevolg kunnen de verklaringen van Stora betreffende de rol van de PC niet zonder dat zij door andere bewijzen worden gestaafd, worden geacht het doel van de vergaderingen van dit orgaan genoegzaam te bewijzen.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0348.1
152 Weliswaar bevat het dossier een document, namelijk een verklaring van 22 maart 1993 van een voormalig lid van de directie van Feldmühle (Roos), die op het eerste gezicht de verklaringen van Stora bevestigt. Roos deelt in het bijzonder mee: "De inhoud van de besprekingen binnen de PWG werd aan de niet binnen deze groep vertegenwoordigde ondernemingen doorgegeven tijdens de onmiddellijk daarop volgende President Conference, of, indien niet onmiddellijk een President Conference plaatsvond, tijdens het JMC." Zelfs indien dit document in de beschikking niet uitdrukkelijk wordt aangevoerd tot staving van de beweringen van de Commissie betreffende het doel van de vergaderingen van de PC, kan het evenwel in elk geval niet als een aanvullend bewijs naast de verklaringen van Stora worden beschouwd. Deze verklaringen geven namelijk een synthese van de antwoorden die door elk van de drie ondernemingen in handen van Stora gedurende de periode van de inbreuk zijn verstrekt, en Feldmühle, het voormalige lid van de directie van deze laatste onderneming, moet wel een van de bronnen van de verklaringen van Stora zelf zijn.
153 De Commissie stelt in de beschikking, dat bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij de handelsagent van Mayr-Melnhof in het Verenigd Koninkrijk aangetroffen notitie betreffende een vergadering te Wenen op 12 en 13 december 1986, "het door Stora toegegeven feit dat tijdens de $President Conference' wel degelijk besprekingen zijn gevoerd over heimelijke prijsafspraken", bevestigt (punten 41, derde alinea, en 75, tweede alinea, van de considerans). Dit document bevat de navolgende inlichtingen:
"Prijszetting in het VK
Op de laatste vergadering van Fides verklaarde de vertegenwoordiger van Weig, dat volgens Weig 9 % te hoog was voor het Verenigd Koninkrijk en dat zij akkoord ging met 7 %! Grote teleurstelling, omdat dit neerkomt op een $onderhandelingsniveau' voor alle anderen. De prijspolitiek in het Verenigd Koninkrijk zal worden overgelaten aan RHU met steun van [Mayr-Melnhof], zelfs indien dit een tijdelijk lager tonnage betekent, terwijl wij proberen (en zullen laten blijken dat wij proberen) de doelstelling van 9 % te halen. [Mayr-Melnhof/FS] handhaven een groeibeleid in het Verenigd Koninkrijk doch de winstdaling is groot en wij moeten alles doen om de prijzen weer onder controle te krijgen. [Mayr-Melnhof] is het ermee eens dat het feit dat bekend is dat zij hun tonnage in Duitsland met 6 000 ton hebben verhoogd, niets oplost!"
154 De Fides-vergadering waarop aan het begin van de aangehaalde passage wordt gedoeld, is volgens Mayr-Melnhof (antwoord op een verzoek om inlichtingen, bijlage 62 bij de mededeling van de punten van bezwaar) waarschijnlijk de vergadering van de PC op 10 november 1986, waarbij verzoekster volgens tabel 3 in bijlage bij de beschikking niet aanwezig was.
155 Vastgesteld moet worden, dat het onderzochte document aantoont, dat Weig heeft gereageerd door informatie te verstrekken omtrent haar toekomstig prijsbeleid in het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van een aanvankelijk niveau van prijsverhoging.
156 Het kan evenwel niet als bewijs worden beschouwd, dat Weig heeft gereageerd ten opzichte van een bepaald niveau van prijsverhoging dat op een datum vóór 10 november 1986 was overeengekomen tussen de ondernemingen die lid waren van de PG Paperboard.
157 De Commissie voert namelijk geen enkel ander bewijs dienaangaande aan. Bovendien kan de verwijzing van Weig naar een prijsverhoging van "9 %" worden verklaard door de prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk die door Thames Board Ltd was aangekondigd op 5 november 1986 (bijlage A-12-1). Deze aankondiging is kort nadien bekendgemaakt, zoals blijkt uit een persknipsel (bijlage A-12-3). Ten slotte heeft de Commissie geen enkel ander document overgelegd dat een rechtstreeks bewijs kan opleveren dat tijdens vergaderingen van de PC over prijsverhogingen is gesproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten, dat de uitspraken van Weig, zoals weergegeven in bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, zijn gedaan in de marge van de vergaderingen van de PC van 10 november 1986, zoals Weig ter terechtzitting herhaaldelijk heeft gesteld.
158 In de beschikking stelt de Commissie eveneens, dat "uit documenten die de Commissie bij FS-karton (onderdeel van de M-M-groep) heeft aangetroffen, blijkt dat eind 1987 in het kader van de twee $Presidents'-werkgroepen overeenstemming was bereikt over de met elkaar verband houdende problemen van hoeveelheidsbeheersing en prijsdiscipline" (punt 53, eerste alinea, van de considerans). Zij verwijst daarvoor naar bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).
159 De opsteller van het document wijst bij wijze van inleiding op de nauwere samenwerking op Europees niveau in de "Präsidentenkreis", een uitdrukking die door Mayr-Melnhof aldus is uitgelegd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder verwijzing naar een bijzondere gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a).
160 Ofschoon in het kader van onderhavige zaak niet wordt betwist, dat bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar een bewijs oplevert, dat de verklaringen van Stora bevestigt omtrent het bestaan van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen tussen de tot de "Präsidentenkreis" toegelaten ondernemingen en omtrent een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand tussen deze zelfde ondernemingen, legt de Commissie evenwel geen enkel ander bewijs over waarin wordt bevestigd dat de PC vooral ten doel had, heimelijk afspraken te maken over de marktaandelen en de beheersing van de productiehoeveelheden. Bijgevolg kan de term "Präsidentenkreis" in bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, ondanks het commentaar van Mayr-Melnhof, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin wordt gedoeld op andere organen dan de PWG.
161 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie niet bewezen dat de vergaderingen van de PC buiten de rechtmatige activiteiten een mededingingsverstorende rol hebben gespeeld. Daaruit volgt, dat zij uit de aangevoerde bewijzen niet kon afleiden, dat de ondernemingen die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
162 Bijgevolg dient te worden geconcludeerd, dat verzoeksters deelneming aan twee vergaderingen van de PC niet aantoont, dat zij gedurende de periode van maart 1988 tot februari 1989 inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft gemaakt.
b) Bijwoning van een vergadering van het EC door verzoekster
163 Vaststaat dat verzoekster gedurende de periode van maart 1988 tot februari 1989 één enkele vergadering van het EC heeft bijgewoond, namelijk die van 3 mei 1988. Aangezien de Commissie geen enkel bewijs betreffende deze vergadering heeft aangevoerd, dient meer in het algemeen te worden onderzocht, of de vergaderingen van het EC een mededingingsverstorend doel hadden.
164 Volgens de beschikking was "het $centrale thema' van de besprekingen van het $Economic Committee' de analyse en beoordeling van de marktsituatie in de verschillende landen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Het EC "besprak (onder meer) de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles, en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC (of zijn voorganger, het $Marketing Committee', vóór eind 1987)" (punt 49, eerste alinea, van de considerans).
165 Volgens de Commissie waren "de besprekingen over de marktomstandigheden (...) niet ongericht: de discussies over de stand van zaken op elke nationale markt moeten gezien worden in het kader van de geplande prijsinitiatieven, met inbegrip van de noodzakelijk geachte tijdelijke stilleggingen van fabrieken ter ondersteuning van prijsverhogingen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Verder is de Commissie van mening: "Het $Economic Committee' is misschien minder duidelijk bij de prijsbepaling als zodanig betrokken geweest, doch alle deelnemers moeten zich bewust zijn geweest van het ongeoorloofde oogmerk waarvoor de inlichtingen die zij welbewust aan het JMC verstrekten, zouden worden gebruikt" (punt 119, tweede alinea, van de considerans).
166 Tot staving van haar beweringen dat de besprekingen in het EC een mededingingsverstorend doel hadden, verwijst de Commissie naar één enkel document, namelijk een vertrouwelijke notitie die is opgesteld door een vertegenwoordiger van FS-Karton (van de Mayr-Melnhof-groep) betreffende de "hoogtepunten" ("highlights") van de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex