Gerecht EU 27 november 1997, T-290/94, ECLI:EU:T:1997:186
Tekst
Trefwoorden
1 Procedure - Interventie - Exceptie van niet-ontvankelijkheid niet opgeworpen door verweerder - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, vierde alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 116, lid 3)
2 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Adviescomité voor concentraties - Termijn voor convocatie
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 19, lid 5)
3 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Verplichtingen van Commissie jegens gekwalificeerde derden - Derde ondernemingen die concurreren met partijen bij concentratie - Recht om te worden gehoord - Draagwijdte
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18; verordening nr. 2367/90 van de Commissie, art. 15)
4 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Verplichtingen van Commissie jegens gekwalificeerde derden - Ontbreken van specifieke verplichting aangaande duur van termijn voor indiening van opmerkingen
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, lid 4; verordening nr. 2367/90 van de Commissie, art. 15, lid 2)
5 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Verplichtingen van Commissie jegens gekwalificeerde derden - Mededeling, voor voorafgaand advies, van definitieve versie van toezeggingen van betrokken ondernemingen - Geen
(Verordening nr. 4064/69 van de Raad, art. 6, lid 1, sub c, 8, lid 2, en 18, lid 4)
6 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Aanbrenging van wijzigingen in aangemeld plan - Verplichting om nieuwe aanmelding te vragen - Geen
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 6, lid 1, sub c, en 8, lid 2; verordening nr. 2367/90 van de Commissie, afdeling I)
7 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Aanbrenging van wijzigingen in aangemeld plan - Ontbreken van vooraf vastgestelde termijn - Wijziging die te laat zou zijn aangebracht - Verplichting van Commissie om termijn voor geven van beschikking te schorsen - Geen
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 10; verordening nr. 2367/90 van de Commissie, art. 9)
8 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van regels inzake concentraties tussen ondernemingen
(EG-Verdrag, art. 190)
9 Mededinging - Concentraties - Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt - Concentraties die geen machtspositie in leven roepen of versterken - Inaanmerkingneming van marktpositie van betrokken ondernemingen en van hun toegang tot afzetmarkten
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2)
10 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Standpuntbepaling over keuze van derde die is aangewezen voor overname van activiteit die van een van bij concentratie betrokken partijen moet worden afgesplitst om op tijdstip van goedkeuring te worden overgedragen - Onbevoegdheid van Commissie - Opleggen van verplichtingen betreffende deugdelijkheid van overnemer van activiteit - Gebruik door Commissie van bevoegdheden ex artikel 8, lid 2, van verordening nr. 4064/89 - Omvang van rechterlijke toetsing
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 8, lid 2)
Samenvatting
11 Volgens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, kunnen de conclusies van het verzoek tot tussenkomst slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een van de partijen. Bovendien bepaalt artikel 116, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat de interveniënt het geding aanvaardt in de stand op het ogenblik van de tussenkomst. Bijgevolg is hij niet gerechtigd een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen die niet is geformuleerd in de conclusies van verweerder.
12 In het kader van de bij verordening nr. 4064/89 ingestelde controle op concentraties van ondernemingen kan de niet-inachtneming van de termijn voor de bijeenroeping van het adviescomité voor concentraties, zelfs bij gebreke van uitzonderlijke omstandigheden verband houdend met een gevaar voor ernstige schade in de zin van artikel 19, lid 5, van die verordening, op zichzelf de eindbeschikking van de Commissie niet onwettig maken. De in deze bepaling gestelde termijn van veertien dagen is immers een zuiver intern procedurevoorschrift, net als de termijn voor de bijeenroeping van het adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, die is vastgesteld in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 17. De niet-inachtneming van een dergelijke regel kan de eindbeschikking van de Commissie slechts onwettig maken wanneer zij van voldoende wezenlijke aard is en nadelige gevolgen heeft voor de juridische en feitelijke situatie van de partij die zich op een vormfout beroept.
Dit is niet het geval wanneer het adviescomité in feite voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van de belangrijke elementen van de zaak en zijn advies heeft kunnen uitbrengen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder op een wezenlijk punt op een dwaalspoor te zijn gebracht door onjuistheden of leemten. In een dergelijk geval kan de niet-inachtneming van de convocatietermijn immers geen gevolgen hebben voor de uitkomst van de raadplegingsprocedure en, in voorkomend geval, voor de inhoud van de eindbeschikking.
13 Uit artikel 18 van verordening nr. 4064/89, betreffende "het horen van de betrokkenen en van derden" in het kader van de controle op concentraties, blijkt duidelijk, dat de procedurele positie van derden niet kan worden gelijkgesteld met die van de betrokken personen, ondernemingen en ondernemersverenigingen. Een derde bij de procedure kan zich immers niet op dezelfde garanties beroepen als de betrokken personen en inzonderheid niet op de rechten die aan deze laatsten worden toegekend door artikel 18, leden 1 en 3, waarin met name wordt bepaald, dat de betrokken personen vóór de vaststelling van een beschikking krachtens artikel 8, lid 2, tweede alinea, van de verordening in de gelegenheid moeten worden gesteld, "hun standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde bezwaren in alle fasen van de procedure tot aan de raadpleging van het adviescomité kenbaar te maken" en dat "de Commissie (...) haar beschikkingen uitsluitend [baseert] op bezwaren waarover de betrokkenen hun opmerkingen kenbaar hebben kunnen maken".
Al zijn de procedurele rechten van de derden niet even uitgebreid als de rechten die aan de betrokken personen ter verzekering van hun recht van verweer zijn toegekend, toch hebben derden die een voldoende belang aannemelijk maken, krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 het recht te worden gehoord wanneer zij daarom verzoeken. De wijze waarop dit recht kan worden uitgeoefend, wordt gepreciseerd in artikel 15 van verordening nr. 2367/90 van de Commissie.
Uit het samenstel van deze bepalingen volgt, dat de derde ondernemingen, concurrenten van de partijen bij de concentratie, het recht hebben om op hun verzoek door de Commissie te worden gehoord om hun standpunt over de voor hen nadelige gevolgen van het aangemelde concentratieplan kenbaar te maken, doch dat een dergelijk recht moet worden verzoend met de inachtneming van het recht van verweer alsmede met het hoofddoel van de verordening, namelijk de ondernemingen waarop zij van toepassing is, doeltreffend toezicht en rechtszekerheid te waarborgen.
14 Gelet op het feit dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 2367/90 van de Commissie geen specifieke verplichting bevat aangaande de duur van de door de Commissie aan gekwalificeerde derden verleende termijn voor het kenbaar maken van hun opmerkingen, is in het kader van de controle op concentraties de enkele omstandigheid dat een derde slechts twee werkdagen heeft gehad om zijn opmerkingen kenbaar te maken over de door een bij de concentratie betrokken partij in de loop van de procedure voorgestelde wijzigingen van het concentratieplan, niet van dien aard, dat daaruit blijkt dat het hem door artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 verleende recht om te worden gehoord, door de Commissie niet in acht is genomen. Deze uitlegging klemt temeer, daar het rechtmatig belang van gekwalificeerde derden om te worden gehoord, weliswaar kan impliceren dat zij daartoe voldoende tijd krijgen, maar dit moet worden verzoend met het dwingende vereiste van snelheid, dat de algemene opzet van verordening nr. 4064/89 kenmerkt en ingevolge hetwelk de Commissie voor het geven van de eindbeschikking strikte termijnen in acht moet nemen, bij gebreke waarvan de concentratie wordt geacht verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te zijn.
15 In het kader van de controle op concentraties wordt het rechtmatige belang van de gekwalificeerde derden om hun standpunt kenbaar te maken over de nadelige gevolgen die de concentratie voor de mededinging zou hebben, ten volle gevrijwaard wanneer zij in staat worden gesteld om op basis van de gegevens die hun door de Commissie tijdens de krachtens artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 ingeleide procedure zijn meegedeeld, en met name van de door de betrokken ondernemingen aangeboden verbintenissen, hun standpunt kenbaar te maken over de eventuele wijzigingen van het concentratieplan om ernstige twijfel over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt weg te nemen. In dat geval is immers afdoende gewaarborgd, dat de overwegingen van de concurrerende derde ondernemingen in voorkomend geval door de Commissie in aanmerking kunnen worden genomen bij de toetsing van de concentratie aan het gemeenschapsrecht, en inzonderheid bij het beoordelen, of de door de betrokken ondernemingen voorgestelde verbintenissen daartoe volstaan.
Bovendien verplicht artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 de Commissie niet, de gekwalificeerde derden voor voorafgaand advies de definitieve versie mee te delen van de verbintenissen die de betrokken ondernemingen zijn aangegaan op basis van de bezwaren die de Commissie met name na kennisneming van de opmerkingen van de derden over de door de betrokken ondernemingen voorgestelde verbintenissen had geformuleerd. Ingevolge artikel 18, lid 1, van die verordening dienen immers alleen de betrokken personen in de gelegenheid te worden gesteld om hun standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde bezwaren in alle fasen van de procedure tot aan de raadpleging van het adviescomité kenbaar te maken, inzonderheid wanneer de Commissie van plan is om overeenkomstig artikel 8, lid 2, tweede alinea, van die verordening aan haar beschikking voorwaarden en verplichtingen te verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de door hen aangegane verbintenissen nakomen. Hieruit volgt, dat alleen de betrokken ondernemingen en de andere betrokken personen, omdat zij in beginsel de enigen zijn aan wie de voorwaarde wordt opgelegd, in de gelegenheid moeten worden gesteld op nuttige wijze hun standpunt kenbaar te maken over de bezwaren die tegen de voorgestelde verbintenissen zijn gemaakt, om hen in voorkomend geval in staat te stellen de nodige wijzigingen aan te brengen en om de inachtneming van hun recht van verweer te verzekeren.
16 In het kader van verordening nr. 4064/89 biedt de inleiding van de in artikel 6, lid 1, sub c, bedoelde procedure de betrokken ondernemingen onder meer de gelegenheid, het aanvankelijke concentratieplan te wijzigen om de ernstige twijfels van de Commissie over de verenigbaarheid van de transactie met de gemeenschappelijke markt weg te nemen. De aldus aan de betrokken ondernemingen geboden mogelijkheid om het aangemelde plan te wijzigen, is uitdrukkelijk voorzien in artikel 8, lid 2, van die verordening.
Bijgevolg kan artikel 6 van verordening nr. 4064/89, volgens hetwelk de Commissie "de aanmelding onderzoekt" om onder meer uit te maken of de aangemelde transactie ernstige twijfels over haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt doet ontstaan, niet aldus worden uitgelegd, dat het de Commissie verplicht, de door de betrokken ondernemingen aan het aangemelde concentratieplan aangebrachte wijzigingen te weigeren en om een nieuwe aanmelding te verzoeken, ook al gaat het om substantiële wijzigingen. Het substantiële karakter van de aan een aanmelding aangebrachte wijzigingen is immers op zichzelf niet ter zake dienend, daar die eventualiteit uitdrukkelijk is geregeld in afdeling I van verordening nr. 2367/90 van de Commissie.
17 In het kader van de controle op concentraties bepaalt verordening nr. 4064/89 noch toepassingsverordening nr. 2367/90 van de Commissie, dat de betrokken ondernemingen slechts met inachtneming van een vooraf vastgestelde termijn verbintenissen kunnen voorstellen om het aangemelde concentratieplan te wijzigen. Bij gebreke van specifieke bepalingen in die zin kan de Commissie niet weigeren, verbintenissen te onderzoeken die nagenoeg aan het einde van de in verordening nr. 4064/89 gestelde termijn van vier maanden voor het geven van de beschikking worden voorgesteld, wanneer die verbintenissen beantwoorden aan een door de Commissie tijdens de procedure gestelde essentiële voorwaarde om het concentratieplan goed te keuren, het adviescomité zijn advies over het gewijzigde concentratieplan met volledige kennis van zaken heeft kunnen uitbrengen en de gekwalificeerde derden in staat zijn gesteld hun standpunt over de voorgestelde verbintenissen kenbaar te maken. De Commissie gaat daardoor niet verder dan passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, dat volgens de opzet van verordening nr. 4064/89 bestaat in het waarborgen van de doeltreffendheid van de controle en van de rechtszekerheid van de betrokken ondernemingen door de inachtneming van strikte termijnen.
Bovendien blijkt uit artikel 10 van verordening nr. 4064/89 en artikel 9 van verordening nr. 2367/90 van de Commissie, dat de termijn voor het geven van de beschikking slechts kan worden geschorst wanneer de Commissie van mening is, dat zij niet beschikt over alle gegevens die zij nodig heeft voor het geven van haar beschikking. Wanneer de Commissie derhalve in het kader van de haar daartoe verleende beoordelingsvrijheid van mening is, dat zij over die gegevens beschikt, kan zij niet zonder schending van artikel 10, lid 4, van verordening nr. 4064/89 de voor haar geldende termijn van vier maanden schorsen op de enkele grond, dat de verbintenisvoorstellen te laat zijn ingediend, maar is zij integendeel gehouden, haar beschikking te geven zodra de ernstige twijfels omtrent de transactie haars inziens zijn weggenomen.
18 Al is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische elementen waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt, en van de overwegingen die haar tot het geven van haar beschikking hebben gebracht, toch is niet vereist, dat een beschikking houdende toepassing van de regels inzake concentraties van ondernemingen, ingaat op alle feiten en rechtsvragen die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen. Bovendien moet bij de vraag, of de motivering van een besluit aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht worden geslagen op de tekst van het besluit, doch ook op de context waarin het is genomen, en op de rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
19 Volgens artikel 2, lid 2, van verordening nr. 4064/89 moet de Commissie een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaren wanneer de betrokken concentratie geen machtspositie in het leven roept of versterkt, en wanneer het in het leven roepen of de versterking van een dergelijke machtspositie niet tot gevolg heeft dat de mededinging op de markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd. Wanneer geen machtspositie in het leven wordt geroepen of versterkt, moet de concentratie derhalve worden goedgekeurd zonder dat behoeft te worden onderzocht, welke gevolgen de concentratie voor de daadwerkelijke mededinging heeft.
Bij haar beoordeling moet de Commissie volgens artikel 2, lid 1, van die verordening onder meer rekening houden met de marktpositie van de betrokken ondernemingen en met hun toegang tot de afzetmarkten. Daarbij mogen de marktaandelen van de producten die een bij de concentratie betrokken onderneming in onderaanneming vervaardigt voor rekening van distributeurs die deze producten onder hun huismerken verkopen, in beginsel niet volledig of ten dele worden opgeteld bij het marktaandeel dat deze onderneming voor haar rekening neemt met soortgelijke producten die zij onder haar eigen merk verkoopt. Aangezien de distributeurs die producten onder hun huismerken verkopen om de onder fabrikantenmerken verkochte producten te beconcurreren, moet het marktaandeel dat zij door deze verkopen verwerven, dus in de regel aan henzelf worden toegerekend voor het beoordelen van de mededinging die de fabrikanten van producten van exclusieve of minder exclusieve merken ondervinden.
20 In het kader van verordening nr. 4064/89 is de Commissie niet bevoegd, een standpunt in te nemen over de - naar wordt gezegd voor de handhaving van een daadwerkelijke mededinging nadelige - keuze van de derde die is aangewezen voor de overname van een activiteit van een van de bij de concentratie betrokken ondernemingen die van die onderneming moet worden afgesplitst en op het ogenblik van de goedkeuring van de concentratie moet worden overgedragen, in welke overname het aan de Commissie voorgelegde concentratieplan niet voorzag. In dat geval is er immers geen sprake van een concentratie die op de betrokken markt een machtspositie in het leven kan roepen of versterken.
Om dezelfde redenen kan de Commissie niet uit hoofde van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 4064/89 verplichtingen opleggen met betrekking tot de deugdelijkheid van de overnemer van deze activiteit. In het kader van een beroep tot nietigverklaring kan de gemeenschapsrechter zijn eigen oordeel niet in de plaats van het oordeel van de Commissie stellen en geen uitspraak doen op de vraag, of de Commissie ingevolge dat artikel aan haar beschikking voorwaarden en verplichtingen had moeten verbinden, vooral omdat deze bepaling betrekking heeft op het onderzoek ten gronde van de verenigbaarheid van de voorgenomen concentratie met de gemeenschappelijke markt.
Partijen
In zaak T-290/94,
Kaysersberg SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Kaysersberg (Frankrijk), vertegenwoordigd door D. Voillemot en J.-P. Gunther, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. González Díaz, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, en vervolgens door G. Marenco, juridisch hoofdadviseur, en G. Charrier, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Goméz de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Procter & Gamble GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Schwalbach (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, G. Scasselati-Sforzolini, advocaat te Bologna, en N. Levy, barrister, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, Place Winston Churchill 2,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/893/EG van de Commissie van 21 juni 1994 houdende verenigbaarverklaring van een concentratie met de gemeenschappelijke markt en met de EER-Overeenkomst met toepassing van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad [IV/M.430 - Procter & Gamble/VP Schickedanz (II)] (PB 1994, L 354, blz. 32),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos, A. Potocki en M. Jaeger, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23 april 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en procedure
Algemene context van de concentratie
1 De concentratie die aan de orde is in beschikking 94/893/EG van de Commissie van 21 juni 1994 houdende verenigbaarverklaring van een concentratie met de gemeenschappelijke markt en met de EER-Overeenkomst (IV/M.430 - Procter & Gamble/VP Schickedanz (II), PB 1994, L 354, blz. 32) (hierna: "bestreden beschikking" of "beschikking"), (zie hieronder r.o. 41 e.v.), betreft de overname door Procter & Gamble GmbH (hierna: "P&G") van de vennootschap Vereinigte Papierwerke Schickedanz AG (hierna: "VPS").
2 P&G is een 100 % dochteronderneming van de Amerikaanse vennootschap Procter & Gamble Company. In 1992/1993 bedroeg de geconsolideerde omzet van de groep 23 626 miljoen ECU, waarvan 7 814 miljoen ECU binnen de Gemeenschap was behaald. P&G is niet alleen actief in de sectoren hygiëne- en schoonheidsproducten, waspoeders, voedingsmiddelen en dranken, maar ook op het gebied van absorberend papier en producten voor de maandhygiëne van vrouwen.
3 Op het ogenblik van de feiten was P&G marktleider voor maandverband in West-Europa. Voor 1993 werd haar marktaandeel in de Gemeenschap en de landen van de Europese Vrijhandels Associatie geraamd op 42 % in waarde en 33,5 % in volume. Met name op de Duitse markt was P&G, met volgens de bestreden beschikking (punt 119) een marktaandeel van 35 à 40 % in waarde, via haar merk Always een van de belangrijkste producenten van maandverband. In Spanje had P&G met de merken Ausonia en Evax in 1993 een marktaandeel van 75 à 80 % in waarde en van 65 à 70 % in volume (punt 119 van de beschikking).
4 Ook op de markt van celstofluiers voor baby's stond P&G sterk, met name met haar merk Pampers. In 1993 had zij in de Gemeenschap een marktaandeel van 45 à 50 % in volume (punt 25 van de beschikking). Ofschoon de groep P&G ter zake marktleider was op de Amerikaanse markt, was P&G tot 1994 in Europa niet actief in de sector absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik, die onder meer papieren zakdoeken, toiletpapier, keukenpapier en demaquillagewatjes omvat.
5 Vóór de overname door P&G was VPS een 100 % dochteronderneming van Gustav und Grete Schickedanz (hierna: "GGS"), een personenvennootschap naar Duits recht. In 1992/1993 bedroeg de geconsolideerde omzet van VPS 681 miljoen ECU, waarvan 645 miljoen binnen de Gemeenschap was behaald. VPS was actief op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen, absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik, celstofluiers voor baby's, producten voor volwassenen met incontinentieproblemen, watten en een aantal producten voor lichaamsverzorging.
6 Ter zake van de hygiëneproducten voor vrouwen was VPS vooral in Duitsland aanwezig op de markt van maandverband, enerzijds met haar exclusief merk Camelia en met haar minder exclusieve merken Blümia en Femina, en anderzijds als producent voor distributeursmerken. In 1993 bedroeg het marktaandeel van de Camelia-producten van VPS op de Duitse markt van maandverband 20 à 25 % (in waarde en in volume). Het totale marktaandeel van de merken Blümia en Femina bedroeg 5 à 10 % in waarde en 10 à 15 % in volume (punt 119 van de beschikking). VPS verkocht haar Camelia-producten ook in Spanje, waar haar marktaandeel in 1993 evenwel minder dan 5 % bedroeg, en in Oostenrijk, Italië en Zwitserland. Ten slotte vervaardigde VPS tampons, die zij onder het merk Tampona verkocht.
7 VPS was niet alleen aanwezig op de markt van hygiëneproducten voor vrouwen, maar met de merken Moltex en Born ook op de markt van celstofluiers voor baby's. In 1993 had zij in die sector in de Gemeenschap een marktaandeel van 1 à 5 % (punt 25 van de beschikking).
8 In de sector absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik had VPS in 1993 slechts een gering marktaandeel in de hele Gemeenschap, maar een marktaandeel van 15 à 20 % (in volume) op de Duitse markt (punt 13 van de beschikking).
Procedure voor de Commissie
9 Op 9 december 1993 meldde P&G overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (gerectificeerde versie in PB 1990, L 257, blz. 13; hierna: "verordening nr. 4064/89"), een plan voor de volledige overname van het kapitaal van VPS bij de Commissie aan.
10 In het kader van deze eerste aanmelding antwoordde de vennootschap Kaysersberg SA op 21 december 1993 op een vragenlijst van de Commissie van 17 december 1993. Daarbij verstrekte zij een aantal gegevens over de sectoren hygiëneproducten voor vrouwen en producten voor volwassenen met incontinentieproblemen in Frankrijk, en formuleerde zij haar opmerkingen over de gevolgen van de voorgenomen concentratie.
11 Kaysersberg, een naamloze vennootschap naar Frans recht, is een dochteronderneming van de Nederlandse groep Jamont NV, die gezamenlijk wordt gecontroleerd door James River Corporation en Cragnotti & Partners. Zij behaalde in 1993 een omzet van 4 miljard 818 miljoen FF. Kaysersberg is vooral in Frankrijk en België aanwezig in de sector hygiëneproducten voor vrouwen. Met haar dochteronderneming Vania Expansion, die maandverband en tampons verkoopt, was Kaysersberg in 1993 marktleider in Frankrijk met een totaal marktaandeel van meer dan 30 % in waarde. Kaysersberg is ook actief in de sector absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik, met name met het merk Lotus, in de sector producten voor volwassenen met incontinentieproblemen en in de sector kinderhygiëne (celstofluiers voor baby's).
12 Na de intrekking van de aanvankelijke aanmelding meldde P&G op 17 januari 1994 overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4064/89 een nieuw concentratieplan bij de Commissie aan. Volgens dit plan zou P&G alle aandelen van VPS en van andere filialen van GGS in verwante sectoren overnemen.
13 In het kader van dit nieuwe plan bepaalden de overname-overeenkomst tussen P&G en GGS en de accessoire overeenkomst tussen P&G, GGS en VPS, dat VPS haar activiteiten op het gebied van "celstofluiers voor baby's" van haar andere activiteiten zou scheiden en deze tot aan de voltooiing van de transactie in een afzonderlijke vennootschap zou onderbrengen. Onmiddellijk na de overname van VPS zou P&G de aandelen van deze afzonderlijke vennootschap aan een trustee overdragen. Deze trustee werd door P&G op 22 december 1993 aangewezen met de opdracht, een koper te vinden voor die aandelen (punten 5 en 6 van de beschikking).
14 In de aanmelding bood P&G bovendien aan, zich ertoe te verbinden af te zien van het verwerven van de controle over de afdeling "producten voor de maandhygiëne van vrouwen" van de sector "niet-Camelia-producten" van VPS, dat wil zeggen over de materiële en immateriële activa betreffende de merken Blümia, Femina en Tampona en betreffende de activiteiten van VPS als fabrikant voor distributeursmerken (hierna: "niet-Camelia-activiteiten") (punt 8 van de beschikking).
15 Op 22 januari 1994 publiceerde de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de kennisgeving bedoeld in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 4064/89 (PB 1994, C 19, blz. 15). In punt 4 van die kennisgeving verzocht de Commissie "belanghebbende derden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken".
16 Op 24 januari 1994 antwoordde Kaysersberg op een vragenlijst die de Commissie haar op 19 januari had toegezonden. Daarbij verstrekte zij de gevraagde gegevens over de geografische markt en over de mededingingssituatie ter zake van hygiëneproducten voor vrouwen, en deelde zij de Commissie haar opmerkingen over de gevolgen van de voorgenomen concentratie mee.
17 Bij brieven van 14 maart, 29 april, 18 en 31 mei 1994 zette Kaysersberg de briefwisseling met de Commissie voort.
18 Na onderzoek van de aanmelding besloot de Commissie op 17 februari 1994 de in artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 bedoelde procedure in te leiden met betrekking tot maandverband, op grond dat de aangemelde concentratie ernstige twijfel deed rijzen over haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt.
19 Op 30 maart 1994 zond de Commissie aan P&G haar mededeling van de punten van bezwaar.
20 Bij brief van 12 april 1994 zond de Commissie Kaysersberg krachtens artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2367/90 van de Commissie van 25 juli 1990 betreffende de aanmeldingen, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden, overeenkomstig verordening nr. 4064/89 (PB 1990, L 219, blz. 5; hierna: "verordening nr. 2367/90"), een kopie van de mededeling van de punten van bezwaar om haar in kennis te stellen van de aard en het voorwerp van de procedure en haar uit te nodigen haar standpunt kenbaar te maken.
21 De mededeling van de punten van bezwaar bevatte onder meer het volgende.
22 Om te beginnen herinnerde de Commissie eraan, dat volgens de overname-overeenkomsten de activiteiten van VPS op het gebied van "celstofluiers voor baby's" in een afzonderlijke vennootschap moesten worden ondergebracht, en dat een trustee, die door P&G op 22 december 1993 is aangewezen, tot taak had, die vennootschap aan een nieuwe koper over te dragen. Zij leidde daaruit af, dat die verbintenis een bestanddeel van de aanmelding was, en dat, ongeacht welke grieven de Commissie in geval van overname zou formuleren, de aanmelding niet op die activiteiten zag (punt 7 van de mededeling van de punten van bezwaar). Voorts herinnerde zij eraan, dat P&G eenzijdig had aangeboden zich ertoe te verbinden af te zien van het verwerven van de controle over de niet-Camelia-activiteiten van VPS, en zij verklaarde, dat P&G na de inleiding van de in artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 bedoelde procedure had laten weten, dat die verbintenissen zouden worden gehandhaafd indien de Commissie krachtens artikel 8 van verordening nr. 4064/89 de aangemelde transactie in al haar onderdelen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart (punten 8-10 van de mededeling van de punten van bezwaar).
23 Na te hebben opgemerkt, dat de aangemelde transactie een concentratie met een communautaire dimensie is, wees de Commissie erop, dat de procedure was ingeleid met betrekking tot maandverband. De elementen die de Commissie in haar mededeling van de punten van bezwaar in aanmerking heeft genomen, kunnen worden samengevat als volgt.
24 Met betrekking tot de relevante markt van het product was de Commissie van mening, dat er een afzonderlijke markt bestond voor elk van de hygiëneproducten voor vrouwen, te weten inlegkruisjes, tampons en maandverband. Wat de afbakening van de geografische markt betreft, oordeelde de Commissie, dat de markt van maandverband een nationale dimensie had. Dienaangaande hield zij onder meer rekening met de hoge concentratiegraad in Duitsland en Spanje, met de merkvastheid van de verbruiksters, met de moeilijke toegang tot de distributie, met de noodzaak van grote reclame-investeringen om vaste voet te krijgen op de markt, alsmede met de omstandigheid dat de laatste jaren verschillende pogingen om toegang te krijgen tot de markt zijn mislukt.
25 Bij haar beoordeling van de transactie wees de Commissie erop, dat de waarde van de markt van maandverband in West-Europa is toegenomen nadat in het begin van de jaren 90 nieuwe geavanceerde producten, zoals Always, waren geïntroduceerd, die een aanzienlijke meerwaarde hebben ten opzichte van de klassieke producten. Volgens de Commissie kon het marktaandeel van partijen het best worden beoordeeld aan de hand van het marktaandeel in waarde, met name omdat er tussen de exclusieve merken en de minder exclusieve merken of de distributeursmerken prijsverschillen van 50 tot 100 % bestaan, omdat de merkartikelen, waarvoor intensief reclame wordt gemaakt, een overheersende positie innemen, en omdat rekening moet worden gehouden met de financiële capaciteit van de vennootschappen, gelet op het feit dat de exclusieve producten de groeisector vormen.
26 Volgens de Commissie lagen de marktaandelen op de nationale markten van maandverband, waarop de transactie voornamelijk betrekking heeft, in 1993 als volgt (punt 93 van de mededeling van de punten van bezwaar):
DUITSLAND
SPANJE
OOSTENRIJK
waarde
1993
volume
1993
waarde
1993
volume
1993
waarde
1993
volume
1993
P&G
VP Camelia
P&G + Camelia
VP andere merken
Johnson & Johnson
Mölnlycke
Kimberly-Clark
Rauscher
Eigen merken
Andere
36,3 %
24,5 %
60,8 %
6,9 %
13,4 %
-
0,9 %
-
12,5 %
5,1 %
20,4 %
21,6 %
42 %
12 %
9,2 %
-
0,8 %
-
23,7 %
12,3 %
79,8 %
1,4 %
81,2 %
-
1,1 %
-
-
-
10,6 %
7,1 %
65,9 %
1,1 %
67 %
0,1 %
0,8 %
-
-
-
18,6 %
13,5 %
24,6 %
13,9 %
38,5 %
2,9 %
30,1 %
-
-
17,8 %
9,2 %
1,5 %
17,6 %
12,6 %
30,2 %
2,4 %
24,8 %
-
-
27,6 %
2,2 %
12,81 %
27 De Commissie herinnerde eraan, dat de markt van maandverband vooral in Duitsland werd gekenmerkt door hoge drempels, die met name voortvloeiden uit de grote merkvastheid, uit de noodzaak om vernieuwende producten te ontwikkelen en grote reclameacties te voeren alsmede uit de moeilijke toegang tot de detailhandel. Bovendien zou de concentratiegraad in Duitsland en Spanje, die vóór de transactie reeds hoog was, nog zijn toegenomen.
28 De Commissie hield ook rekening met de positie van P&G op de markt van maandverband, die bijzonder sterk was in de sector die het snelst groeit, namelijk die van het ultradunne maandverband, met de sterke positie die P&G als grote leverancier van producten voor dagelijks gebruik in haar commerciële betrekkingen met de distributeurs heeft, alsmede met de financiële capaciteit van P&G ten aanzien van haar concurrenten op het gebied van maandverband. Volgens de Commissie was de komst van potentiële concurrenten die de machtspositie van P&G in Duitsland en Spanje aan het wankelen zouden kunnen brengen, weinig waarschijnlijk, daar Mölnlycke en Kimberly Clark in de loop van de laatste tien tot vijftien jaar en Kaysersberg tussen 1970 en 1985 verschillende keren vruchteloos hadden gepoogd op de Duitse markt door te dringen.
29 Gelet op een en ander, en inzonderheid op het marktaandeel dat P&G na afloop van de transactie zou bezitten, op de toegangsdrempels en op de potentiële concurrentie, was de Commissie van mening dat, de aan de Duitse, Spaanse en Oostenrijkse markt van maandverband inherente factoren in aanmerking genomen, de overname van VPS door P&G, zelfs na de overdracht van de activiteiten van VPS op het gebied van "celstofluiers voor baby's" en rekening houdend met de door P&G aangegane verbintenis om af te zien van het verwerven van de controle over de niet-Camelia-activiteiten, P&G in staat zou stellen op deze markten onafhankelijk van haar klanten en concurrenten op te treden (punt 145 van de mededeling van de punten van bezwaar). Met name wat de Duitse markt betreft, was de Commissie van mening, dat de overname van VPS en van haar belangrijk Duits merk Camelia, dat ook het laatste grote onafhankelijke nationale merk is, de toegang tot de Duitse markt voor nieuwkomers zou bemoeilijken, doordat deze dan zouden gedwongen zijn de markt als nieuwkomer te betreden in de plaats van via de overname van een reeds aanwezige onderneming (punt 146 van de mededeling van de punten van bezwaar).
30 De Commissie concludeerde derhalve, dat de aangemelde concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt kon zijn, daar zij tot het ontstaan van een machtspositie op de Duitse en Oostenrijkse markt van maandverband en tot de versterking van een machtspositie in Spanje kon leidden, waardoor een daadwerkelijke mededinging op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt op significante wijze zou worden belemmerd in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4064/89 (punt 151 van de mededeling van de punten van bezwaar).
31 Op 25 en 26 april organiseerde de Commissie overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 2367/90 een eerste zitting waarop de partijen bij de concentratie en derden, waaronder Kaysersberg, werden gehoord. Deze hoorzitting werd op 6 mei 1994 gevolgd door een tweede zitting waarop de partijen bij de concentratie en derden werden gehoord. Op 9 mei 1994 zond Kaysersberg de Commissie een kopie van de tekst van de opmerkingen van haar president-directeur tijdens de eerste hoorzitting.
32 Op 27 mei 1994 kwam het adviescomité voor concentraties een eerste keer bijeen en bracht het een ongunstig advies uit over de aangemelde concentratie [Standpunt van het adviescomité voor concentraties vastgesteld op de 20e en 22e bijeenkomst van respectievelijk 27 mei en 20 juni 1994 betreffende een gewijzigde ontwerpbeschikking ten aanzien van zaak IV/M.430 - Procter & Gamble/VP Schickedanz (II), PB 1994, C 379, blz. 34, punten 1-8].
33 Op 10 juni 1994 stelde P&G de Commissie nieuwe verbintenissen over de overdracht van de door VPS op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen onder het merk Camelia gevoerde activiteiten (hierna: "Camelia-activiteiten") voor om de bezwaren van de Commissie over de verenigbaarheid van de voorgenomen transactie met de gemeenschappelijke markt weg te nemen.
34 Bij brief van 13 juni verzocht de Commissie P&G, bepaalde wijzigingen aan te brengen in haar voorstellen. Daartoe zond de Commissie P&G een gewijzigd ontwerp van verbintenissen, waarin rekening was gehouden met de gevraagde wijzigingen. Tevens verzocht zij haar, een niet-vertrouwelijke versie van die tekst op te stellen om derden te kunnen raadplegen. Bij brief van 14 juni 1994 aanvaardde P&G de voorgestelde wijzigingen.
35 Op woensdag 15 juni 1994 deelde de Commissie Kaysersberg een brief van P&G van 15 juni met de niet-vertrouwelijke versie van het aanvaarde ontwerp van verbintenissen mee. Zij liet Kaysersberg tevens weten, dat zij haar krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 en artikel 15 van verordening nr. 2367/90 de mogelijkheid bood schriftelijke opmerkingen in te dienen. Deze opmerkingen moesten haar uiterlijk op maandag 20 juni 1994 in de ochtend bereiken, om aan het adviescomité te kunnen worden meegedeeld.
36 Volgens de aan Kaysersberg meegedeelde niet-vertrouwelijke versie stelde P&G verbintenissen voor over de Camelia-activiteiten, daaronder begrepen a) de fabriek te Forschheim en de productielijnen voor hygiëneproducten voor vrouwen, b) de merknaam Camelia en c) alle andere activa en passiva die deel uitmaken van of noodzakelijk zijn voor de Camelia-activiteiten. De navolgende verbintenissen werden voorgesteld:
"1. P&G verbindt zich ertoe, zo spoedig mogelijk nadat de Commissie op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 een gunstige beslissing heeft genomen en in elk geval uiterlijk op 1 juli 1994, Goldman Sachs International Limited (Goldman Sachs) aan te wijzen om in haar naam te goeder trouw met belangstellende derden onderhandelingen te voeren met het oog op de verkoop van Camelia. P&G zal met Goldman Sachs diens vergoeding overeenkomen, met dien verstande dat een gedeelte van die vergoeding verband zal houden met de koopsom.
2. P&G verbindt zich ertoe, aan Goldman Sachs een onherroepelijke opdracht te geven binnen [...] een koper voor de Camelia-activiteiten te vinden, met dien verstande dat deze koper een levensvatbare bestaande of toekomstige concurrent dient te zijn, onafhankelijk van en niet verbonden met P&G, die in staat is de Camelia-activiteiten zodanig te handhaven en te ontwikkelen dat zij concurrentieel zijn op de betrokken markt. P&G zal al het redelijke doen om het personeel dat thans voor Camelia werkzaam is, waaronder het commercieel en administratief personeel, te stimuleren bij deze onafhankelijke derde in dienst te treden. P&G wordt geacht aan deze verbintenis te hebben voldaan, indien zij binnen (...) een bindende intentieverklaring voor de verkoop van Camelia heeft ondertekend, mits deze verkoop binnen een termijn van (...) wordt voltooid. P&G verbindt zich ertoe, Goldman Sachs op gewone commerciële basis, voorafgaand aan de verkoop van Camelia aan een derde, alle bijstand te verlenen waarom zij verzoekt.
3. Alleen P&G mag een aanbod accepteren of, indien er verschillende aanbiedingen zijn, het aanbod kiezen dat zij het beste acht. De waarde van deze aanbiedingen zal worden vastgesteld aan de hand van de prijs, alsmede andere verbintenissen die op de waarde van het aanbod van invloed zijn.
4. P&G verbindt zich ertoe, binnen een termijn van (...) de fabriek te Forschheim voor overdracht aan een derde gereed te maken en er in het bijzonder voor te zorgen, dat deze fabriek afzonderlijk van P&G kan worden bestuurd.
5. Voorafgaand aan de voltooiing van de verkoop van Camelia aan een derde zal P&G ervoor zorgen, dat Camelia als een afzonderlijke en verkoopbare eenheid met eigen rekeningen wordt beheerd, en dat de inspanningen op het gebied van verkoop en distributie voor Camelia losstaan van de activiteiten van P&G op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen. Verder verbindt P&G zich ertoe, er zorg voor te dragen dat Camelia wordt beheerd door een eigen directie die Camelia op onafhankelijke wijze dient te beheren teneinde de ononderbroken levensvatbaarheid en marktwaarde ervan te waarborgen, en dat P&G te dien einde volgens de gebruikelijke gang van zaken voldoende financiële middelen ter beschikking zal stellen. Voorafgaand aan de voltooiing van de verkoop van Camelia aan een derde zal P&G Camelia niet bij een ander bedrijfsonderdeel van P&G onderbrengen. Verder verbindt P&G zich ertoe, Camelia niet structureel te wijzigen zonder voorafgaande toestemming van de Commissie.
6. De directie van Camelia zal P&G geen toegang verlenen tot bedrijfsgeheimen, know-how, commerciële informatie of andere industriële informatie of eigendomsrechten van vertrouwelijke of gepatenteerde aard in verband met Camelia.
7. P&G verbindt zich ertoe, Goldman Sachs opdracht te geven om de (...) over de relevante ontwikkelingen in zijn onderhandelingen met gegadigden voor de overname van Camelia schriftelijk verslag uit te brengen, en deze verslagen met de ondersteunende documentatie aan de Commissie te doen toekomen. De documentatie dient een verslag van de directie van Camelia over de lopende exploitatie te bevatten.
8. Elk geschil tussen P&G en de derde koper van Camelia ten gevolge van of met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verbintenissen, zal worden voorgelegd aan een onafhankelijke, door P&G en die derde overeen te komen arbitrage-instantie."
["P&G hereby gives the following undertakings to the Commission with respect to VP's Camelia-branded feminine hygiene products business, which comprises: (i) the Forschheim plant and the production lines dedicated to the manufacture of feminine hygiene products; (ii) the Camelia brand name; and (iii) all other assets and liabilities that form part of or are necessary for the operation of VP's Camelia-branded feminine hygiene products business (hereafter referred to as the $Business').
1. P&G undertakes that, as soon as practicable after the Commission has adopted a favourable decision under the Regulation 4064/89 and in any event no later than July 1, 1994, it shall appoint Goldman Sachs International Limited ($Goldman Sachs') to act on its behalf in conducting good faith negotiations with interested third parties with a view to selling the Business. P&G and Goldman Sachs shall agree on the latter's remuneration, it being understood that part of such remuneration shall consist of a fee related to the consideration of the sale.
2. P&G undertakes that it shall give Goldman Sachs an irrevocable mandate to find a purchaser for the Business within [confidential] of its appointment, it being understood that such purchaser shall be a viable existing or prospective competitor independent of and unconnected to P&G and capable of maintaining and developing the Business as an active competitive force on the market concerned. P&G shall take all reasonable steps to encourage the relevant personnel currently employed in the Business, including sales and administrative personnel, to take up employment with such independent third party. P&G shall be deemed to have complied with this undertaking if, within [confidential], it has entered into a binding letter of intent for the sale of the Business, provided that such sale is completed within [confidential]. P&G undertakes to give, on an arm's length basis, all assistance requested by Goldman Sachs prior to the sale to the third party.
3. P&G alone shall be free to accept any offer or to select the offer it considers best in case of a plurality of offers. The value of any such offers shall be determined by the price offered plus other obligations affecting the value of such offers.
4. P&G undertakes that, within [confidential], the Forscheim plant shall be rendered capable of being transferred to an independent third party and, most particularly, that the Forscheim plant is capable of being managed separately from P&G.
5. Prior to the completion of the sale of the Business to a third party, P&G shall ensure that the Business is managed as a distinct and saleable entity with its own management, accounts and a sales distribution effort for the Business that is separate from P&G's catamenials business. P&G further undertakes that the Business shall have its own management that shall be under instructions to manage it on an independent basis in order to ensure its continued viability and market value, and that P&G shall provide sufficient financial resources to this end in the ordinary course of business. Prior to the completion of the sale of the Business to a third party, P&G shall not integrate the Business into any P&G business unit. P&G further undertakes that it shall make no structural changes to the Business without prior Commission approval.
6. P&G shall not obtain from the Business management any business secrets, know-how, commercial information, or any other industrial information of a confidential or proprietary nature relating to the Business.
7. P&G undertakes that it shall cause Goldman Sachs to provide a written report on a [confidential] basis on any relevant developments in its negotiations with third parties interested in purchasing the Business, and that such reports, together with supporting documentation, shall be furnished to the Commission. Such supporting documentation shall include a report prepared by the management of the Business on its on-going commercial operations.
8. Any dispute between P&G and the third party purchasing the Business arising out of or in the connection with the implementation of these undertakings shall be submitted to independent arbitration to be mutually agreed between P&G and such third party."]
37 Op 16 juni 1994 zond P&G de Commissie een brief, waarin zij verklaarde, dat de op 14 juni 1994 voorgestelde verbintenissen de op 17 januari 1994 voorgestelde verbintenissen betreffende de activiteiten van VPS op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen wijzigden en vervingen, en dat zij bijgevolg, in geval van een gunstige beslissing van de Commissie, de controle over de niet-Camelia-activiteiten van VPS zou mogen verwerven en behouden.
38 Op vrijdag 17 juni 1994 diende Kaysersberg haar opmerkingen bij de Commissie in. In die brief betoogde Kaysersberg allereerst, dat de door P&G voorgestelde verbintenissen niet-ontvankelijk moesten worden geacht, omdat zij te laat waren ingediend en de derden niet voldoende tijd hadden gekregen om te reageren. Vervolgens zette zij uiteen, om welke redenen de voorgestelde verbintenissen haars inziens ontoereikend waren en welke wijzigingen zij wenste.
39 Op 20 juni 1994 kwam het adviescomité voor concentraties tussen ondernemingen een tweede keer bijeen. In haar standpuntbepaling verklaart het comité:
"9. Gelet op de informatie die het Comité van de Commissie heeft ontvangen met betrekking tot de aanpassingen die Procter & Gamble heeft voorgesteld in haar schrijven van 15 juni 1994 teneinde de problemen in verband met de concurrentie waartoe de concentratie zou leiden te verhelpen, deelt het Comité het standpunt van de Commissie dat de concentratie verenigbaar kan worden verklaard met de gemeenschappelijke markt en met de EER-Overeenkomst op voorwaarde dat de activiteiten in verband met de hygiënische beschermende produkten van het merk Camelia worden afgestoten.
10. De (...) genoemde aanpassingen volstaan (...) indien de volgende voorwaarden worden vervuld:
a) de benoeming van een onafhankelijke trustee door Procter & Gamble die wordt belast met de afstoting van de activiteiten in verband met de hygiënische beschermende produkten van het merk Camelia en het beheer van deze activiteiten zonder inmenging van Procter & Gamble totdat genoemde afstoting een feit is;
b) de vaststelling van een korte termijn voor de afstoting;
c) de potentiële koper dient te beschikken over de financiële middelen en bewezen deskundigheid op produktmarkten zodat deze in staat is de activiteiten in verband met de hygiënische beschermende produkten van het merk Camelia te handhaven en verder uit te breiden zodat daadwerkelijke concurrentie met Procter & Gamble ontstaat;
d) de activiteiten in verband met de hygiënische beschermende produkten van het merk Camelia dienen onafhankelijk van Procter & Gamble te worden beheerd totdat de afstoting een feit is;
e) niettegenstaande het recht van Procter & Gamble de uiteindelijke koper te kiezen, dient de Commissie het recht te hebben het profiel van de potentiële kopers van te voren te onderzoeken;
f) de Commissie dient voldoende controle- en beslissingsbevoegdheid te houden om toe te zien op de correcte naleving van de verbintenissen.
11. Voorts is een minderheid van het Comité van mening dat Procter & Gamble verplicht moet worden de B-merken en eigen merken van VP Schickedanz af te stoten."
40 Na de bijeenkomst van het adviescomité werd de definitieve versie van de verbintenissen van P&G door de Commissie voorbereid en door P&G aanvaard.
De omstreden beschikking van 21 juni 1994
41 Op 21 juni 1994 gaf de Commissie, gelet op de verbintenissen die P&G jegens haar had aangegaan, de omstreden beschikking waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de EER-overeenkomst werd verklaard.
42 Artikel 1 van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Mits volledig wordt voldaan aan alle voorwaarden en verplichtingen van de verbintenis die Procter & Gamble GmbH ten opzichte van de Commissie is aangegaan met betrekking tot de activiteiten van VPS op het gebied van produkten voor de vrouwelijke hygiëne met de merknaam Camelia, welke voorwaarden en verplichtingen zijn opgenomen in overweging 186 van deze beschikking, wordt de door Procter & Gamble GmbH op 17 januari 1994 aangemelde concentratie, bestaande in de overname van VP Schickedanz AG, verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt en met de EER-Overeenkomst."
43 Die beschikking werd op 27 juni 1994 aan Kaysersberg ter informatie meegedeeld.
44 De beschikking kan worden samengevat als volgt.
45 De Commissie merkt om te beginnen op, dat de verbintenis om af te zien van het verwerven van de controle over de activiteiten van VPS op het gebied van "celstofluiers voor baby's" een onderdeel is van de aanmelding, en dat de beschikking derhalve, ondanks de bezwaren die de Commissie tegen een dergelijke overname mocht hebben, niet ziet op deze markt (punt 7 van de beschikking). Met betrekking tot de door P&G aanvankelijk voorgestelde en in de aanmelding opgenomen verbintenis om af te zien van het verwerven van de controle over de niet-Camelia-activiteiten van VPS, verklaart de Commissie, dat P&G naar aanleiding van haar bezwaren zowel de af te stoten merken als de voorwaarden van deze afstoting ingrijpend heeft gewijzigd en aldus in plaats van de niet-Camelia-producten van VPS de voor vrouwen bestemde hygiëneproducten van het merk Camelia heeft gesteld (punt 8 van de beschikking).
46 Na te hebben opgemerkt, dat de aangemelde concentratie een communautaire dimensie heeft, herinnert de Commissie eraan, dat de concentratie betrekking heeft op de navolgende door VPS vervaardigde producten, namelijk keukenpapier, hygiëneproducten voor vrouwen, producten voor volwassenen met incontinentieproblemen, katoenen producten en een aantal producten voor lichaamsverzorging, en dat de procedure is ingeleid met betrekking tot maandverband.
47 Met betrekking tot absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik merkt de Commissie op, dat ofschoon P&G marktleider is in de Verenigde Staten en Canada, zij in Europa niet actief is in deze sector, en dat volgens P&G het strategische doel van de transactie het doordringen op de Europese markt van die producten is. Verder stelt zij vast, dat het totale marktaandeel van VPS in deze sector in de Gemeenschap gering is en in Duitsland 15 à 20 % bedraagt, en dat voor elke productmarkt afzonderlijk beschouwd VPS in Duitsland een marktaandeel van 35 à 40 % heeft voor papieren zakdoekjes en van 15 à 20 % voor toiletpapier.
48 De Commissie concludeert:
"Aangezien de activiteiten van P&G en VPS elkaar in deze sector niet overlappen en de marktaandelen van VPS klein zijn, vormt de transactie voor deze produkten geen aanleiding voor bezwaren in verband met de concurrentie" (punt 13 van de beschikking).
49 Met betrekking tot de producten voor volwassenen met incontinentieproblemen, de producten uit katoen en de cosmetica komt de Commissie, na onder meer de positie van P&G en VPS op deze markten te hebben onderzocht, eveneens tot de conclusie, dat de transactie geen ernstige twijfel omtrent haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt doet rijzen (punten 14-23 van de beschikking).
50 Aangaande de celstofluiers voor baby's is de Commissie van mening, dat P&G zonder de in de aanmelding vervatte verbintenis en ondanks de slechts geringe toename van haar marktaandeel, door de transactie een machtspositie zou verkrijgen, gelet op haar marktaandeel in de Gemeenschap, dat 45 à 50 % bedraagt, haar financiële middelen, de geavanceerde technologieën en haar sterke positie ten opzichte van de detailhandel (punten 24-26 van de beschikking).
51 Met betrekking tot de hygiëneproducten voor vrouwen concludeert de Commissie, na een uiteenzetting die grotendeels is gebaseerd op de in de mededeling van de punten van bezwaar vervatte gegevens (punten 27-182 van de beschikking), allereerst dat de aangemelde transactie met het aanvankelijke voorstel van P&G om de niet-Camelia-activiteiten van VPS op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen af te stoten, de nieuwe P&G in staat zal stellen om onafhankelijk van haar afnemers en concurrenten op de Duitse en de Spaanse markt van maandverband op te treden (punt 183 van de beschikking). Zij stelt met name vast, dat P&G na de concentratie in Duitsland een marktaandeel van 60 à 65 % in waarde en van 40 à 45 % in volume zou hebben, terwijl haar grootste concurrent slechts een marktaandeel van 10 à 15 % in waarde en van 5 à 10 % in volume zou hebben. Zij voegt daaraan toe, dat de overname van het merk Camelia van VPS door P&G anderen de toegang tot de Duitse markt zou bemoeilijken. Deze zouden daardoor immers worden verplicht als nieuwkomer toe te treden in de plaats van door overname van een reeds gevestigde onderneming (punt 184 van de beschikking).
52 Voorts wijst de Commissie erop, dat P&G heeft voorgesteld het aangemelde concentratieplan te wijzigen door verbintenissen aan te gaan met betrekking tot de Camelia-activiteiten van VPS (punt 186 van de beschikking).
53 In de in de beschikking opgenomen verbintenissen van P&G staat onder meer te lezen:
"Hierbij gaat P&G jegens de Commissie de volgende verbintenissen aan met betrekking tot het bedrijfsonderdeel van VP dat verband houdt met de produkten voor vrouwelijke hygiëne met de merknamen Camelia en dat het volgende omvat:
i) de fabriek te Forschheim en de produktielijnen voor de vervaardiging van produkten voor vrouwelijke hygiëne; ii) de merknaam Camelia; iii) alle andere activa en passiva die deel uitmaken van of noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de activiteiten van VP op het gebied van de produkten voor vrouwelijke hygiëne met de merknaam Camelia (hierna: $Camelia' genoemd).
1) P&G verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk nadat de Commissie op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 een gunstige beslissing heeft genomen en in ieder geval uiterlijk op het moment van de verwerving van de aandelen van VP, een onafhankelijke, door de Commissie goed te keuren $trustee' aan te wijzen (hierna: $de trustee' genoemd) om namens haar toe te zien op het dagelijks bestuur van Camelia teneinde de levensvatbaarheid en marktwaarde ervan in stand te houden en deze snel en doelmatig van de overige activiteiten van P&G te scheiden. De trustee zal tegelijkertijd Goldman Sachs International Ltd ($Goldman Sachs') aanwijzen om in zijn naam te goeder trouw met belanghebbende derden onderhandelingen te voeren met het oog op de verkoop van Camelia. (...)
2) P&G verbindt zich ertoe de trustee een onherroepelijke opdracht te geven binnen (...), een geschikte koper voor Camelia te vinden, met dien verstande dat deze koper een levensvatbare bestaande of toekomstige concurrent dient te zijn, onafhankelijk van en niet verbonden met P&G, die beschikt over de financiële middelen en bewezen deskundigheid op het gebied van consumptiegoederen om Camelia zodanig te handhaven en te ontwikkelen dat het actief concurreert met de produkten voor vrouwelijke hygiëne van P&G op de diverse betrokken markten. (...)
(...)
8) P&G zal de bedrijfsonderdelen van VP op het gebied van hygiënische beschermende produkten van eigen en B-merken niet doen opgaan in haar eigen commerciële en produktiestructuren voor hygiënische beschermende produkten voordat de verkoop van Camelia is voltooid.
(...)" (punt 186 van de beschikking).
54 De Commissie zet vervolgens uiteen:
"De Commissie is ervan overtuigd dat het aanbod van P&G om een bedrijfsonderdeel dat het maandverbandmerk Camelia omvat, af te stoten, zal voorkomen dat P&G in Duitsland een machtspositie verwerft en in Spanje haar machtspositie versterkt. Na de concentratie en afstoting van Camelia zal de marktstructuur in Duitsland en Spanje er als volgt uitzien, in aanmerking genomen dat P&G de niet-Camelia-activiteiten van VPS nu niet zal afstoten.(1)
Duitsland
Spanje
Waarde
1993
Volume
1993
Waarde
1993
Volume
1993
P&G
VP andere merken
Totaal P&G
VP Camelia
J&J
Kimberly-Clark
Eigen merken
Andere merken
35-40 %
5-10 %
40-45 %
20-25 %
10-15 %
" 1 %
10-15 %
5-10 %
20-25 %
10-15 %
30-35 %
20-25 %
5-10 %
" 1 %
20-25 %
10-15 %
75-80 %
0 %
75-80 %
1-5 %
1-5 %
-
10-15 %
5-10 %
65-70 %
" 1 %
65-70 %
1-5 %
" 1 %
-
15-20 %
10-15 %
Zoals uit de tabel blijkt, zal P&G haar aandeel op de Duitse markt met 6,9 % vergroten tot een totaal van 43,2 % in waarde, tegenover een aandeel van 24,5 % voor Camelia en 13,4 % voor J&J. De vergroting van het marktaandeel van P&G zal uitsluitend het gevolg zijn van haar verwerving van de activiteiten van VPS op het gebied van B- en van winkelmerken (dat wil zeggen geen A-merken), terwijl de bestaande Always-produkten van P&G concurrentie zullen ondervinden van twee belangrijke leveranciers van A-merken maandverband. In Spanje zal de vergroting van het aandeel van P&G minder dan 0,1 % bedragen. De Commissie is derhalve tot de conclusie gekomen dat de door P&G voorgestelde verbintenissen met betrekking tot de activiteiten van VPS op het gebied van maandverband met de merknaam Camelia voldoende zijn om te voorkomen dat op de Duitse of de Spaanse markt of elders in de EER een machtspositie ontstaat of wordt versterkt" (punt 187 van de beschikking).
Aan de beschikking gegeven gevolgen
55 Bij brief van 5 juli 1994 deelde P&G de Commissie mee, dat met de vennootschap Kimberly Clark onderhandelingen werden gevoerd over de overdracht van de Camelia-activiteiten van VPS, en dat de overdracht kon plaatsvinden op het ogenblik van de definitieve verkoop van de activa van VPS aan P&G, of kort daarna.
56 Op 20 juli 1994 liet de Commissie bij wege van perscommuniqué weten, dat VPS op 16 juli 1994 aan P&G was verkocht, dat tegelijkertijd alle activa van VPS op het gebied van hygiëneproducten voor vrouwen (met name de Camelia-activiteiten) waren overgedragen aan de vennootschap Kimberly Clark, en dat de activiteiten van VPS op het gebied van celstofluiers voor baby's aan de groep Wirths waren verkocht.
57 Volgens interveniënte P&G waren de merken Camelia en Tampona en de huismerken op 16 juli 1994 aan Kimberly Clark verkocht en was het merk Blümia op die datum aan die onderneming in licentie gegeven. Verder verklaarden de Commissie en interveniënte, dat het merk Femina van VPS door de Duitse winkelketen Rewe was gekocht.
Procedure en conclusies van partijen
58 In die omstandigheden heeft Kaysersberg bij een op 19 september 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
59 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 januari 1995, heeft P&G verzocht te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Voorts heeft zij krachtens artikel 35, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht, zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge procedure de Engelse taal te mogen gebruiken.
60 Bij een op 1 februari 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster gevraagd, een aantal stukken van haar dossier vertrouwelijk te behandelen ingeval het verzoek tot tussenkomst wordt ingewilligd.
61 Bij beschikking van de president van de uitgebreide Eerste kamer van het Gerecht van 19 mei 1995 is het verzoek tot tussenkomst van P&G ingewilligd en is bepaald, dat verschillende stukken van verzoeksters dossier vertrouwelijk zullen worden behandeld.
62 Bij beschikking van 16 augustus 1995 (zaak T-290/94, Kaysersberg, Jurispr. 1995, blz. II-2249) heeft het Gerecht het door P&G ingediende verzoek om afwijking van de taalregeling afgewezen voor zover het betrekking had op de schriftelijke procedure, en heeft het P&G toegestaan tijdens de mondelinge behandeling de Engelse taal te gebruiken.
63 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang is de Commissie evenwel op 24 januari 1997 verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en een niet-vertrouwelijke versie van een aantal stukken over te leggen. Op 19 februari 1997 heeft de Commissie op de schriftelijke vragen van het Gerecht geantwoord en de gevraagde stukken overgelegd.
64 Ter terechtzitting van 23 april 1997 zijn partijen en interveniënte gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op mondelinge vragen van het Gerecht.
65 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beschikking van de Commissie van 21 juni 1994 nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
66 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
67 Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:
- zonder de zaak ten gronde te behandelen, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat verzoekster geen procesbelang heeft aangetoond; of
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke interveniënte zijn opgekomen.
68 In haar antwoord op de memorie in interventie heeft verzoekster geconcludeerd dat het het Gerecht behage:
- alle door verweerster aangevoerde middelen af te wijzen;
- interveniënte in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Summiere uiteenzetting van het betoog van partijen
69 In haar beroepschrift stelt verzoekster, dat haar krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring van de beschikking ontvankelijk is. Zij voert allereerst aan, dat zij actief heeft deelgenomen aan de procedure die de vaststelling van de beschikking is voorafgegaan. Bovendien zou zij als belangrijke marktdeelnemer in de sectoren hygiëneproducten voor vrouwen, absorberend papier en hygiëneproducten voor baby's in Frankrijk en België, rechtstreeks en individueel zijn geraakt, doordat de transactie van dien aard is, dat zij de toegang tot de Duitse markt, inzonderheid de markt van maandverband, nog meer belemmert. Dit is reeds een gesloten markt, waarop zij ondanks ononderbroken commerciële investeringen en niettegenstaande de nabijheid van haar fabrieken nog niet is weten door te dringen. Ten slotte zou de beschikking haar de gelegenheid hebben ontnomen de Camelia-activiteiten over te nemen, doordat zij P&G de mogelijkheid heeft geboden deze activiteiten op niet-transparante wijze aan Kimberly Clark over te dragen.
70 De Commissie heeft geen opmerkingen ingediend over de ontvankelijkheid van het beroep.
71 Interveniënte P&G is van oordeel, dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij erkent weliswaar, dat de Commissie de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep niet heeft betwist, en dat zij als interveniënte niet bevoegd is om een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, doch zij wijst erop, dat er gevallen zijn waarin het Hof in een dergelijke situatie de ontvankelijkheid ambtshalve heeft onderzocht (arrest van 15 juni 1993, zaak C-225/91, Matra, Jurispr. 1993, blz. I-3203, r.o. 13).
72 In het onderhavige geval zou de beschikking geen significante invloed hebben gehad op de concurrentiepositie van verzoekster, zodat deze niet kan worden geacht rechtstreeks en individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 173 van het Verdrag (arrest Hof van 10 december 1969, gevoegde zaken 10/68 en 18/68, Eridania, Jurispr. 1969, blz. 459). Interveniënte betoogt dienaangaande, dat zij geen enkel marktaandeel in de sector hygiëneproducten voor vrouwen heeft gewonnen, aangezien zij op het ogenblik van de overname van VPS niet alleen - overeenkomstig de beschikking - de Camelia-activiteiten, maar ook de niet-Camelia-activiteiten heeft afgestoten. Verder wijst zij erop, dat zij geen enkele activiteit van VPS op de markt van celstofluiers voor baby's heeft overgenomen. De in de sector absorberend papier voor hygiëne en huishoudelijk gebruik verkregen marktaandelen zouden te verwaarlozen zijn.
73 De beschikking zou verzoekster overigens niet de mogelijkheid hebben ontnomen de Camelia-activiteiten te verwerven. Deze zou daarvoor overigens nooit belangstelling hebben getoond, ofschoon P&G zich ertoe had verbonden die activiteiten over te dragen.
74 Ten slotte zou verzoekster geen procesbelang hebben, daar een eventuele nietigverklaring van de beschikking haar geen enkele compensatie zou opleveren en haar inzonderheid niet in staat zou stellen, de Camelia-activiteiten te verwerven. Bovendien zou de Commissie ten volle rekening hebben gehouden met de bezwaren die verzoekster tijdens de administratieve procedure had geformuleerd.
Beoordeling door het Gerecht
75 Het Gerecht wijst erop, dat verweerster niet heeft aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk is, maar enkel heeft gevorderd, dat het beroep ten gronde zou worden verworpen. Er dient evenwel aan te worden herinnerd, dat volgens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, de conclusies van het verzoek tot tussenkomst slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een van de partijen. Bovendien bepaalt artikel 116, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat de interveniënt het geding aanvaardt in de stand op het ogenblik van de tussenkomst.
76 Bijgevolg is interveniënte niet gerechtigd een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen en behoeft het Gerecht de door haar aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid derhalve niet te onderzoeken (arresten Hof van 24 maart 1993, zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125, r.o. 20-22, en Matra, reeds aangehaald, r.o. 12, en arresten Gerecht van 22 oktober 1996, zaak T-266/94, Skibsvaerftsforeningen e.a., Jurispr. 1996, blz. II-1399, r.o. 39, en 12 december 1996, zaak T-19/92, Leclerc, Jurispr. 1996, blz. II-1851, r.o. 50).
77 Mitsdien is het Gerecht van oordeel, dat het de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep niet ambtshalve dient te onderzoeken.
Ten gronde
78 Tot staving van haar beroep voert verzoekster vijf middelen inzake verschillende schendingen van wezenlijke vormvoorschriften en een zesde middel inzake kennelijke beoordelingsfouten aan.
79 Als eerste middel wordt aangevoerd, dat het adviescomité voor concentraties in strijd met artikel 19, leden 5 en 6, van verordening nr. 4064/89 niet daadwerkelijk en ernstig is geraadpleegd. Het tweede middel betreft schending van artikel 18 van verordening nr. 4064/89 doordat verzoekster niet in staat is gesteld opmerkingen in te dienen over de inhoud van de verbintenissen van P&G. Als derde middel verwijt verzoekster de Commissie, dat deze in strijd met de artikelen 6 en 8 van verordening nr. 4064/89 en met afdeling I van verordening nr. 2367/90 een substantiële wijziging van de aanmelding heeft aanvaard. Het vierde middel betreft schending van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en van de bepalingen van de verordeningen nrs. 4064/89 en 2367/90 doordat de Commissie geen afdoende en redelijke termijnen in acht heeft genomen alvorens de beschikking vast te stellen. Als vijfde middel wordt aangevoerd dat de beschikking in strijd met artikel 190 EG-Verdrag onvoldoende is gemotiveerd. Het zesde middel ten slotte betreft schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 4064/89 doordat de Commissie kennelijke fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de gevolgen van de transactie voor verschillende markten.
Het eerste middel: het ontbreken van ernstige en daadwerkelijke raadpleging van het adviescomité
Summiere uiteenzetting van het betoog van partijen
80 Verzoekster betoogt, dat de raadpleging van het adviescomité niet aan de eisen van artikel 19, leden 5 en 6, van verordening nr. 4064/89 voldeed. Het adviescomité zou niet voldoende tijd hebben gekregen om de door P&G voorgestelde verbintenissen betreffende de overdracht van Camelia te onderzoeken en een daadwerkelijk en ernstig advies uit te brengen over de voorgenomen concentratie. Het adviescomité, dat door de Commissie op 15 juni 1994 was aangezocht, zou immers zijn bijeengekomen op 20 juni daaraanvolgend. Dit is, anders dan door bovengenoemd artikel 19, lid 5, wordt geëist, minder dan veertien dagen na de verzending van de uitnodiging. De Commissie heeft in het onderhavige geval evenwel niet aangetoond, dat zij deze termijn uitzonderlijk had verkort om ernstige schade bij P&G te voorkomen.
81 Bovendien zouden de aan het adviescomité met het oog op zijn bijeenkomst verstrekte gegevens dit comité niet in staat hebben gesteld, een juist en getrouw beeld te krijgen van het concentratieplan. Het comité zou zijn advies dus hebben uitgebracht zonder het daadwerkelijke belang van de niet-Camelia-activiteiten van VPS te kennen, ofschoon de aanvankelijke verbintenis om deze activiteit af te stoten nog steeds voorkwam in de aan het comité voorgelegde verbintenisvoorstellen van P&G van 15 juni. Voorts is de in de voorstellen van 15 juni aangegeven wijze waarop de Camelia-activiteiten zouden worden afgestoten, na de bijeenkomst van het comité op wezenlijke punten gewijzigd, daar aanvankelijk was aangegeven, dat P&G deze activiteiten zou overdragen aan een derde van zijn keuze, terwijl de definitieve verbintenissen veel strikter bleken te zijn.
82 De Commissie betoogt, dat volgens de rechtspraak de niet-inachtneming van de termijn van veertien dagen op zichzelf een op grond van verordening nr. 4064/89 gegeven beschikking niet onwettig kan maken wanneer de bijeenroeping aldus is gebeurd dat het comité in staat is geweest zijn advies met volledige kennis van zaken uit te brengen (arrest Gerecht van 10 juli 1991, zaak T-69/89, RTE, Jurispr. 1991, blz. II-485). Bovendien moet ter zake van concentraties rekening worden gehouden met de kortheid van de termijnen, die de algemene structuur van verordening nr. 4064/89 kenmerkt (arrest Gerecht van 28 oktober 1993, zaak T-83/92, Zunis Holding e.a., Jurispr. 1993, blz. II-1169, r.o. 38). De Commissie wijst er dienaangaande op, dat zij krachtens artikel 19, lid 5, laatste zin, van verordening nr. 4064/89 in uitzonderlijke gevallen de termijn van veertien dagen kan verkorten om ernstige schade bij een of meer bij een concentratie betrokken ondernemingen te voorkomen. De Commissie voert weliswaar niet aan, dat P&G ernstige schade dreigde te leiden, doch betoogt, dat een verslechtering van de toestand van VPS viel te vrezen wanneer niet snel een beschikking zou worden gegeven.
83 De Commissie is in elk geval van mening, dat gelet op de omstandigheden van de zaak, de aan het adviescomité verleende termijn voor het onderzoek van de verbintenisvoorstellen van P&G van 15 juni, die uiteindelijk bestonden in de overdracht van de Camelia-activiteiten, voldoende was om het comité in staat te stellen zijn advies met volledige kennis van zaken uit te brengen. Zij wijst erop, dat de nationale autoriteiten nauw en voortdurend bij de procedure zijn betrokken, met name door de overlegging van de belangrijkste stukken van het dossier en door de organisatie van twee formele hoorzittingen, en dat het comité reeds een eerste keer was bijeengekomen op 27 mei 1994.
84 De inhoud van de definitieve verbintenis van P&G, namelijk af te zien van het verwerven van de Camelia-activiteiten, zou overigens niet wezenlijk verschillen van de aan het adviescomité meegedeelde voorstellen van 15 juni. Alleen de wijze van uitvoering daarvan zou na het advies zijn verstrakt. Met betrekking tot de aanvankelijke verbintenis van P&G om af te zien van het verwerven van de niet-Camelia-activiteiten betoogt de Commissie, dat deze op het ogenblik van de bijeenkomst van het adviescomité nog steeds aan de orde was, en dat aangezien slechts een minderheid van het comité van oordeel was dat P&G ook deze activiteit moest afstoten, zij overeenkomstig de meerderheidsopvatting heeft beslist, P&G daar niet om te verzoeken.
85 Interveniënte wijst erop, dat de laatste wijzigingen aan haar voorstellen van 15 juni 1994, welke wijzigingen zij na de bijeenkomst van het comité heeft aanvaard, vooral van procedurele aard zijn en door de Commissie zijn aangebracht om rekening te houden met de opmerkingen van de nationale autoriteiten en van de derden. De Commissie zou de opvatting van het adviescomité derhalve volledig hebben overgenomen, ofschoon zij niet gebonden is door de adviezen van dit comité. Interveniënte merkt bovendien op, dat het adviescomité geen enkel bezwaar heeft geformuleerd over de convocatietermijn.
Beoordeling door het Gerecht
86 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 19, lid 3, van verordening nr. 4064/89 het adviescomité voor concentraties vóór de vaststelling van een beschikking uit hoofde van, onder meer, artikel 8, lid 2, van die verordening moet worden geraadpleegd. Volgens artikel 19, lid 5, van die verordening komt het comité op zijn vroegst veertien dagen na de verzending van de uitnodiging bijeen, en kan de Commissie in uitzonderlijke gevallen deze termijn op passende wijze verkorten om ernstige schade bij een of meer bij een concentratie betrokken ondernemingen te voorkomen. Volgens artikel 19, lid 6, van de verordening houdt de Commissie overigens "met het advies van het comité zoveel mogelijk rekening".
87 Vaststaat in het onderhavige geval, dat het adviescomité voor zijn tweede bijeenkomst, namelijk die van 20 juni 1994, niet met inachtneming van de in artikel 19, lid 5, van verordening nr. 4064/89 bedoelde termijn is bijeengeroepen. Het Gerecht wijst er overigens op, dat de Commissie weliswaar melding maakt van haar bezorgdheid voor een eventuele verslechtering van de toestand van VPS wanneer niet snel een beschikking zou worden gegeven, doch niet aanvoert, dat zij de termijn voor de bijeenroeping van het adviescomité heeft verkort om ernstige schade bij deze onderneming of bij P&G te voorkomen. Dienaangaande blijkt bovendien uit de niet weersproken opmerkingen van verzoekster, dat geen van die twee ondernemingen de Commissie tijdens de administratieve procedure heeft verzocht om toepassing van artikel 7, lid 4, van de verordening. Volgens die bepaling kan de Commissie, bij wijze van uitzondering, de totstandkoming van een concentratie in de loop van de procedure toestaan, om ernstige schade bij een of meer bij een concentratie betrokken ondernemingen te voorkomen.
88 Het Gerecht is evenwel van oordeel, dat de niet-inachtneming van de termijn voor de bijeenroeping van het adviescomité, zelfs bij gebreke van uitzonderlijke omstandigheden verband houdend met een gevaar voor ernstige schade in de zin van artikel 19, lid 5, van verordening nr. 4064/89, op zichzelf de eindbeschikking van de Commissie niet onwettig kan maken. Opgemerkt zij immers, dat die termijn van veertien dagen een zuiver intern procedurevoorschrift is, net als de termijn voor de bijeenroeping van het adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, die is vastgesteld in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), waarin eveneens wordt bepaald, dat het adviescomité "op zijn vroegst twee weken na de verzending der convocaties" bijeenkomt. Volgens vaste rechtspraak kan de niet-inachtneming van een dergelijke regel de eindbeschikking van de Commissie evenwel slechts onwettig maken wanneer zij van voldoende wezenlijke aard is en nadelige gevolgen heeft voor de juridische en feitelijke situatie van de partij die zich op een vormfout beroept (arrest RTE, reeds aangehaald, r.o. 27). Dit is niet het geval wanneer het adviescomité in feite voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van de belangrijke elementen van de zaak en zijn advies heeft kunnen uitbrengen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder op een wezenlijk punt op een dwaalspoor te zijn gebracht door onjuistheden of leemten. In een dergelijk geval kan de niet-inachtneming van de convocatietermijn immers geen gevolgen hebben voor de uitkomst van de raadplegingsprocedure en, in voorkomend geval, voor de inhoud van de eindbeschikking.
89 In het onderhavige geval moet allereerst worden opgemerkt, dat het adviescomité zelf zich niet ertegen heeft verzet, dat zijn bijeenkomst zou plaatsvinden op de door de Commissie bepaalde datum, te weten minder dan veertien dagen na de convocatie.
90 Verder is het Gerecht van mening, dat uit het advies zelf van het adviescomité blijkt, dat dit comité, niettegenstaande de kortheid van de hem verleende termijn, zich met volledige kennis van zaken heeft kunnen uitspreken over de door P&G voorgestelde verbintenis en derhalve over het ontwerp van beschikking van de Commissie. Er dient immers op te worden gewezen, dat het comité weliswaar verklaart dat het net als de Commissie van mening is dat de verbintenissen betreffende de overdracht van de Camelia-activiteiten volstaan om de transactie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de Europese Economische Ruimte te maken, doch eveneens als zijn mening te kennen heeft gegeven, dat bepaalde punten betreffende, respectievelijk, de aanwijzing van een trustee, het bepalen van een korte termijn voor de overdracht, de gesteldheid van de potentiële koper, de onafhankelijkheid van het bestuur van Camelia tot aan de overdracht, en ten slotte de mogelijkheid voor de Commissie om de bijzondere eigenschappen van de potentiële overnemers te onderzoeken en toe te zien op de nakoming van de verbintenissen, moesten worden verduidelijkt en daadwerkelijk moesten worden toegepast (zie hierboven r.o. 39). Het adviescomité blijkt dus, ondanks de niet-inachtneming van de convocatietermijn, voldoende tijd te hebben gehad om nauwkeurige aanbevelingen te formuleren over de voorwaarden waaronder de voorgestelde overdracht van de Camelia-activiteiten van VPS moest plaatsvinden.
91 Het Gerecht stelt overigens vast, dat die aanbevelingen van het comité over de wijze van overdracht van de Camelia-activiteiten grotendeels zijn overgenomen in de na de bijeenkomst van het comité opgestelde definitieve versie van de verbintenissen. In de definitieve versie van de verbintenissen, zoals die in punt 186 van de beschikking staat te lezen, wordt met name bepaald, dat op de datum van de overname van VPS een trustee door P&G zal worden aangewezen en door de Commissie zal worden goedgekeurd om te zorgen voor de overdracht van de Camelia-activiteiten aan een leefbare koper, en dat de koper de Camelia-activiteiten moet kunnen ontwikkelen om "met de producten voor vrouwelijke hygiëne van P&G op de diverse betrokken markten" te concurreren (zie hierboven r.o. 53). Verzoeksters argument, dat na de bijeenkomst van het comité de wijze van overdracht van de Camelia-activiteiten dus op wezenlijke punten is gewijzigd in die zin dat zij strikter is geworden, is niet van dien aard, dat daaruit blijkt dat het comité op een wezenlijk punt op een dwaalspoor is gebracht. Aangezien deze wijzigingen immers juist op grond van de aanbevelingen van het adviescomité zijn aangebracht ter verstrakking van de wijze van nakoming van de verbintenis van P&G om deze activiteit af te stoten, blijkt uit die wijzigingen geenszins, dat het comité niet met volledige kennis van zaken uitspraak heeft kunnen doen, maar integendeel, dat de Commissie overeenkomstig artikel 19, lid 6, van verordening nr. 4064/89 zoveel mogelijk rekening heeft gehouden met het advies van het comité.
92 Verzoeksters betoog, dat het adviescomité het reële belang van de niet-Camelia-activiteiten niet heeft kunnen beoordelen omdat in de hem bij de convocatie overgelegde verbintenisvoorstellen van P&G van 15 juni 1994 niet uitdrukkelijk was aangegeven dat de aanvankelijke verbintenis om deze activiteit af te stoten niet langer gold, kan volgens het Gerecht evenmin worden aanvaard.
93 De aan het adviescomité meegedeelde verbintenisvoorstellen van P&G bevatten inderdaad geen uitdrukkelijke bepaling over het lot van de niet-Camelia-activiteiten van VPS, en P&G heeft de Commissie inderdaad pas bij brief van 16 juni, dus na de convocatie van het adviescomité, laten weten dat zij van plan was deze activiteit te behouden.
94 Het Gerecht stelt evenwel allereerst vast, dat noch het ontbreken van een clausule over de niet-Camelia-activiteiten in de op 15 juni 1994 aan het adviescomité meegedeelde verbintenisvoorstellen van P&G, noch het feit dat P&G de Commissie pas na de convocatie van het adviescomité uitdrukkelijk heeft laten weten dat zij van plan was deze activiteit te behouden, van dien aard was, dat het het comité heeft belet zijn standpunt te bepalen over de vraag, of P&G ook moest worden verplicht de niet-Camelia-activiteiten af te stoten. Deze uitlegging vindt steun in het feit, dat volgens het standpunt van het adviescomité slechts een minderheid van de leden van dit comité na afloop van de bijeenkomst van oordeel was, dat "Procter & Gamble verplicht moet worden de B-merken en eigen merken van VP Schickedanz af te stoten" (zie hierboven r.o. 39 en punt 11 van het standpunt van het adviescomité). Hieruit volgt dat, zoals uit de niet weersproken opmerkingen van de Commissie blijkt, het adviescomité in elk geval bij het begin van zijn bijeenkomst op de hoogte is gebracht van het voornemen van P&G betreffende de niet-Camelia-activiteiten.
95 Verder bevat het dossier geen enkel element dat twijfel kan doen rijzen over het feit, dat het adviescomité over alle gegevens beschikte die het nodig had om het belang van de niet-Camelia-activiteiten van VPS te beoordelen. Integendeel, de autoriteiten van de Lid-Staten werden nauw en voortdurend bij het onderzoek van het concentratieplan betrokken, en hun vertegenwoordigers in het adviescomité waren aldus op het ogenblik van de tweede bijeenkomst op de hoogte van alle belangrijke gegevens van het dossier, met name van de gegevens betreffende het marktaandeel van deze activiteit. Afgezien van het feit, dat zulks volgens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 4064/89 het toezenden van de aanmelding en van de belangrijkste stukken van de procedure inhoudt, blijkt uit het dossier, dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten in het onderhavige geval aanwezig waren op de door de Commissie op 25 en 26 april en 6 mei 1994 georganiseerde formele hoorzittingen, tijdens dewelke de aanmeldende partijen en de derden zijn gehoord, en op 27 mei 1994 een eerste keer in het adviescomité zijn bijeengekomen om hun standpunt te bepalen over de eerste ontwerpbeschikking van de Commissie. Dat het comité zijn standpunt destijds heeft bepaald op basis van een ontwerp volgens hetwelk de concentratie werd verboden, neemt niet weg, dat de beoordeling van de transactie, zoals die aanvankelijk was aangemeld, een onderzoek impliceerde van de draagwijdte van de destijds door P&G voorgestelde verbintenis om de niet-Camelia-activiteiten van VPS af te stoten, en in het kader daarvan een beoordeling van het belang van deze activiteit op de betrokken markt inhield.
96 In die omstandigheden en gelet op het feit, dat niet is aangevoerd dat een belangrijk en nieuw gegeven over het belang van de niet-Camelia-activiteiten niet aan het adviescomité is meegedeeld, is het Gerecht van oordeel, dat het adviescomité zijn standpunt heeft kunnen bepalen met volledige kennis van zaken over de noodzaak voor P&G om deze activiteit af te stoten.
97 Bijgevolg moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel: het niet raadplegen van de derden over de verbintenissen van P&G
Summiere uiteenzetting van het betoog van partijen
98 Verzoekster betoogt, dat in strijd met artikel 18, leden 1, 3 en 4, van verordening nr. 4064/89 de "belanghebbende concurrenten" niet zijn geraadpleegd. Zij stelt onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 13 februari 1979 (zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461), dat zij niet in staat is gesteld haar standpunt over de verbintenissen van P&G op nuttige wijze kenbaar te maken, daar de Commissie haar voor het maken van haar opmerkingen over de voorstellen van P&G slechts een termijn van twee werkdagen heeft verleend en haar de definitieve versie van de verbintenissen van P&G niet voor voorafgaand advies heeft meegedeeld, ofschoon die voorstellen nog waren gewijzigd. Bijgevolg heeft zij geen opmerkingen kunnen formuleren over de situatie die door de overname van de niet-Camelia-activiteiten van VPS door P&G is ontstaan, daar zij uit de op 15 juni 1994 aan de derden meegedeelde verbintenisvoorstellen van P&G niet kon opmaken, dat de aanvankelijke verbintenis om de niet-Camelia-activiteiten af te stoten, zou worden ingetrokken.
99 Verzoekster komt op tegen het betoog van de Commissie, dat derde ondernemingen zich niet op artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 kunnen beroepen. Volgens haar is de door de Commissie aangevoerde rechtspraak betreffende de procedurele rechten van derden in het kader van de toepassing van verordening nr. 17 in het onderhavige geval niet relevant, daar de gevolgde redeneringen niet zonder meer ook voor de toepassing van verordening nr. 4064/89 kunnen gelden en het in de aangehaalde zaken om andere feiten ging.
100 Zelfs al zouden die ondernemingen een andere behandeling te beurt vallen dan de in artikel 18, leden 1, 2 en 3, van verordening nr. 4064/89 bedoelde ondernemingen, volgens verzoekster eiste artikel 18, lid 4, van die verordening in elk geval, dat zij door de Commissie tijdig en op basis van volledige informatie werd gehoord. Derden hebben immers het recht om bij de administratieve procedure te worden betrokken teneinde hun rechtmatige belangen te kunnen vrijwaren (arrest Gerecht van 15 juli 1994, zaak T-17/93, Matra Hachette, Jurispr. 1994, blz. II-595). Het recht van de concurrenten om tijdens de procedure tussen te komen moet a fortiori in het kader van het toezicht op de concentraties worden geëerbiedigd wegens de moeilijkheid om de vóór de concentratie bestaande situatie achteraf te herstellen. De uit het ontbreken van een klachtprocedure voortvloeiende beperking van de rechten van de derden zou overigens moeten worden gecompenseerd door de mogelijkheid voor de derden om kennis te krijgen van alle door de partijen tijdens de procedure aangegane verbintenissen. Bovendien worden de klagers in het kader van verordening nr. 17 op de hoogte gebracht van het resultaat van de verbintenissen van de ondernemingen waartegen hun klacht is gericht, en geeft de Commissie pas een definitieve beschikking na hun opmerkingen dienaangaande te hebben gehoord (arrest Hof van 17 november 1987, gevoegde zaken 142/84 en 156/84, BAT en Reynolds, Jurispr. 1987, blz. 4487).
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0290.1
101 De Commissie betoogt, dat artikel 18, leden 1, 2 en 3, van verordening nr. 4064/89 enkel ziet op de bij een concentratie betrokken ondernemingen, in het onderhavige geval P&G, GGS en VPS, en niet op derde ondernemingen zoals verzoekster, die zich derhalve alleen op lid 4 van dit artikel kan beroepen (arrest Gerecht van 24 maart 1994, zaak T-3/93, Air France, Jurispr. 1994, blz. II-121, r.o. 81; het zogenoemde arrest "Dan Air"). Bovendien hebben het Hof en het Gerecht herhaaldelijk gewezen op het onderscheid tussen het recht van de betrokken ondernemingen om te worden gehoord, en de rechten van derden in de verschillende procedureverordeningen op het gebied van de mededinging (arresten Hof van 9 juli 1987, zaak 43/85, Ancides, Jurispr. 1987, blz. 3131, en het arrest BAT en Reynolds, reeds aangehaald; arrest Matra Hachette, reeds aangehaald). Met betrekking tot het argument, dat de procedure van toezicht op de concentraties niet kan worden vergeleken met de toepassing van de artikelen 85 en 86, merkt de Commissie op, dat haar toezicht krachtens de artikelen 85, 86, en 92 tot en met 94 van het Verdrag en haar toezicht krachtens verordening nr. 4064/89, elkaar aanvullen om een stelsel van onvervalste mededinging op de gemeenschappelijke markt tot stand te brengen. Aangaande het ontbreken van een klachtprocedure in het kader van het toezicht op de concentraties, verklaart de Commissie, dat dit berust op een keuze van de gemeenschapswetgever, en dat in elk geval artikel 4, leden 1 en 3, van verordening nr. 4064/89 de bij een concentratie met een communautaire dimensie betrokken ondernemingen verplicht, die concentratie aan te melden, en de Commissie verplicht, het feit van die aanmelding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend te maken.
102 Allereerst is de Commissie van mening, dat zij in het onderhavige geval artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 niet heeft geschonden door Kaysersberg slechts twee werkdagen te geven om de door P&G voorgestelde verbintenissen te onderzoeken. Zij betoogt dat verzoekster, gelet op het feit dat zij aan de hele procedure heeft deelgenomen, wist dat de verkoop van Camelia het voornaamste struikelblok voor de goedkeuring van de transactie vormde, en niet verbaasd kon zijn over de verbintenisvoorstellen van P&G. Bovendien blijkt uit het feit, dat verzoekster haar opmerkingen reeds op 17 in de plaats van op 20 juni heeft toegezonden, dat zij haar standpunt op nuttige wijze kenbaar heeft kunnen maken.
103 Verder is de Commissie van mening, dat zij de procedurele rechten van verzoekster niet heeft geschonden door haar de definitieve versie van de verbintenissen van P&G niet mee te delen teneinde haar om haar opmerkingen dienaangaande te verzoeken. Allereerst hebben de derden, anders dan de in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 4064/89 bedoelde ondernemingen, er geen recht op, in alle fasen van de procedure van onderzoek van een concentratie te worden gehoord. Verder is in de definitieve verbintenissen van P&G ruimschoots rekening gehouden met de opmerkingen van de derden, en met name met die van verzoekster, daar, enerzijds, de procedure voor de overdracht van Camelia is verstrakt, en anderzijds, de derden er tijdens de procedure steeds op hadden gehamerd, dat de aanvankelijke verbintenis van P&G om de niet-Camelia-activiteiten van VPS af te stoten nauwelijks iets inhield. De Commissie concludeert daaruit, dat zij niet gehouden was de derden over de definitieve versie van de verbintenissen te raadplegen, daar zij, met name gelet op hun eerdere opmerkingen, van oordeel was, dat deze verbintenissen elk gevaar voor het ontstaan van een machtspositie wegnamen. De tegenovergestelde oplossing dreigde de inachtneming van de in verordening nr. 4064/89 gestelde termijnen onmogelijk te maken.
104 Volgens interveniënte hebben de derden ingevolge artikel 18, lid 4, van die verordening slechts recht op summiere inlichtingen over de aangemelde transactie, en is de Commissie geenszins gehouden, hun de tijdens de procedure geformuleerde verbintenisvoorstellen mee te delen teneinde hun om hun opmerkingen dienaangaande te verzoeken. De Commissie zou de derden derhalve meer mogelijkheden hebben geboden om hun opmerkingen kenbaar te maken, dan zij ingevolge verordening nr. 4064/89 verplicht was. Bovendien zou verzoekster niet hebben aangetoond, dat indien de raadplegingsprocedure anders ware gevoerd, de inhoud van de beschikking anders zou zijn geweest, zodat het bestaan van een vormgebrek niet is aangetoond.
Beoordeling door het Gerecht
105 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat uit artikel 18 van verordening nr. 4064/89, betreffende "het horen van de betrokkenen en van derden", duidelijk voortvloeit, dat de procedurele positie van derden, zoals verzoekster, niet kan worden gelijkgesteld met die van de betrokken personen, ondernemingen en ondernemersverenigingen bedoeld in de eerste drie leden van dit artikel. De bij de in geding zijnde concentratie betrokken personen, te weten de partijen bij het aan de Commissie voorgelegde concentratieplan, genieten weliswaar de in die bepalingen genoemde specifieke garanties voor de eerbiediging van hun recht van verweer tijdens de administratieve procedure, doch de derden, wier rechtssituatie in voorkomend geval slechts zijdelings door de beschikking kan worden beïnvloed, hebben ingevolge artikel 18, lid 4, enkel het recht door de Commissie te worden gehoord indien zij daarom verzoeken en nadat zij hebben aangetoond, daarbij voldoende belang te hebben (arrest Gerecht van 27 april 1995, zaak T-96/92, CCE de la Société générale des grandes sources e.a, Jurispr. 1995, blz. II-1213, r.o. 56; en het arrest Dan Air, reeds aangehaald, r.o. 81).
106 Anders dan verzoekster stelt, wordt deze uitlegging bevestigd door het arrest van het Hof in de zaak Ancides, reeds aangehaald, waarin is geoordeeld, dat in het kader van verordening nr. 17 de derden die een voldoende belang aannemelijk maken, niet kunnen worden gelijkgesteld met de betrokken personen. Artikel 19, lid 2, van laatstgenoemde verordening bepaalt immers uitdrukkelijk en in dezelfde bewoordingen als artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89, dat de derden die een voldoende belang aannemelijk maken, enkel op hun verzoek moeten worden gehoord (zie ook het arrest CCE de la Société générale des grandes sources e.a, reeds aangehaald, r.o. 56). Dat in die zaak de derde onderneming tijdens de procedure voor de Commissie niet had gevraagd te worden gehoord, is van geen belang voor de vraag, welke bepalingen in het kader van verordening nr. 4064/89 op de derden van toepassing zijn. Ook verzoeksters argument, dat de reeds aangehaalde arresten BAT en Reynolds, en Matra Hachette, betrekking hadden op de toegang van derden tot het dossier, kan niets afdoen aan het feit, dat in het kader van verordening nr. 4064/89 alleen artikel 18, lid 4, op de derden ziet.
107 Hieruit volgt, dat verzoekster als derde bij de procedure zich niet op dezelfde garanties kan beroepen als de betrokken personen en met name niet op de rechten die aan deze laatsten worden toegekend door artikel 18, leden 1 en 3, waarin met name wordt bepaald, dat de betrokken personen vóór de vaststelling van een beschikking krachtens artikel 8, lid 2, tweede alinea, in de gelegenheid moeten worden gesteld "om hun standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde bezwaren in alle fasen van de procedure tot aan de raadpleging van het adviescomité kenbaar te maken" en dat "de Commissie (...) haar beschikkingen uitsluitend [baseert] op bezwaren waarover de betrokkenen hun opmerkingen kenbaar hebben kunnen maken".
108 Al zijn de procedurele rechten van de derden niet even uitgebreid als de rechten die aan de betrokken personen ter verzekering van hun recht van verweer zijn toegekend, toch hebben de derden die een voldoende belang aannemelijk maken, krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 het recht te worden gehoord wanneer zij daarom verzoeken. Daartoe wordt in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2367/90 gepreciseerd, dat wanneer derden die een voldoende belang aannemelijk maken, overeenkomstig artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 verzoeken om te worden gehoord, "de Commissie hen in kennis [stelt] van de aard en het voorwerp van de procedure en (...) een termijn [vaststelt] binnen welke zij hun standpunt kenbaar kunnen maken". Volgens lid 2 van dat artikel "[maken] de in lid 1 bedoelde derden (...) binnen de vastgestelde termijn hun standpunt kenbaar, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling. Zij kunnen hun mondelinge verklaringen schriftelijk bevestigen." In lid 3 van dit artikel wordt bepaald, dat ingeval de derden die een voldoende belang aannemelijk maken, niet verzoeken om te worden gehoord, de Commissie "[hen] in de gelegenheid [kan] stellen hun standpunt kenbaar te maken". In dat geval bestaat er dus geen verplichting tot het verstrekken van informatie.
109 Uit het samenstel van deze bepalingen volgt, dat de derde ondernemingen, concurrenten van de partijen bij de concentratie, het recht hebben om op hun verzoek door de Commissie te worden gehoord om hun standpunt over de voor hen nadelige gevolgen van het aangemelde concentratieplan kenbaar te maken, doch dat een dergelijk recht moet worden verzoend met de inachtneming van het recht van verweer alsmede met het hoofddoel van de verordening, namelijk de ondernemingen waarop zij van toepassing is, doeltreffend toezicht en rechtszekerheid te waarborgen (zie, bijvoorbeeld, beschikking van de president van het Gerecht van 2 december 1994, zaak T-322/94 R, Union Carbide, Jurispr. 1994, blz. II-1159, r.o. 36).
110 In het kader van dit systeem van bescherming van de respectieve rechten van de betrokkenen en de derden dient bijgevolg te worden uitgemaakt, of verzoeksters procedurele rechten in het onderhavige geval zijn geschonden door het feit dat zij niet in staat is gesteld haar standpunt over de verbintenissen van P&G nuttig kenbaar te maken. Verzoekster betoogt dienaangaande, dat zij enerzijds niet voldoende tijd heeft gehad om commentaar te leveren op de door P&G op 15 juni 1994 ingediende voorstellen, en dat zij anderzijds niet is geraadpleegd over de definitieve versie van de verbintenissen, volgens welke P&G de niet-Camelia-activiteiten mocht behouden.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex