Gerecht EU 22 oktober 1997, T-213/95, ECLI:EU:T:1997:157
Tekst
Trefwoorden
1 Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Onrechtmatigheid - Schade - Oorzakelijk verband - Bewijslast
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
2 Mededinging - Administratieve procedure - Verplichtingen van Commissie - Inachtneming van redelijke termijn
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 2, 3, lid 1, en 4, lid 1)
3 Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van recht van verweer - Mededeling van punten van bezwaar - Verplichting om tweede mededeling van punten van bezwaar uit te brengen in geval van wijziging van ten laste gelegde inbreuk
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 2 en 4)
4 Mededinging - Administratieve procedure - Onderzoek van klachten - Vaststelling van prioriteiten door Commissie
5 Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Handelingen van de instellingen - Motivering - Inaanmerkingneming
6 Mededinging - Gemeenschapsregels - Onderneming - Begrip - Privaatrechtelijke instelling die economische activiteit uitoefent op gebied van certificatie van kraanverhuurbedrijven - Daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
7 Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Certificatiesysteem voor kraanverhuurbedrijven - Verbod van inhuur bij niet gecertificeerde ondernemingen - Beoordeling met inachtneming van aard van systeem - Vaststelling van relevante criteria door Commissie
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
8 Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Vaststelling van prijzen - Binnen organisatie uitgewerkt systeem van adviestarieven en verrekentarieven - Systeem dat neerkomt op bepalen van opgelegde prijzen
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
9 Mededinging - Mededingingsregelingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten - Criteria - Mededingingsregeling die gehele grondgebied van Lid-Staat bestrijkt
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
10 Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Voorwaarden - Bewijslast - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(EG-Verdrag, art. 85, lid 3)
11 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van mededingingsregels
(EG-Verdrag, art. 190)
12 Mededinging - Geldboeten - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
13 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Beoordelingsfactoren
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
14 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Omzet van alle ondernemingen die lid zijn van ondernemersvereniging gezamenlijk - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
15 Voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het kader van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag moeten een aantal voorwaarden zijn vervuld: onrechtmatigheid van de aan de betrokken gemeenschapsinstelling verweten gedraging, bestaan van schade en een causaal verband tussen de gedraging van de Gemeenschap en de gestelde schade.
Een causaal verband in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag wordt aangenomen, wanneer er tussen de door de betrokken instelling begane onrechtmatige daad en de gestelde schade een verband van oorzaak en gevolg bestaat, dat door de verzoeker dient te worden bewezen.
16 Wanneer een partij krachtens artikel 2 van verordening nr. 17 bij de Commissie een verzoek om een negatieve verklaring indient, of krachtens artikel 4, lid 1, van deze verordening een aanmelding met het oog op een ontheffing, kan de Commissie haar standpunt niet sine die voor zich uit schuiven. Ter verzekering van de rechtszekerheid en een behoorlijke rechtsbescherming is zij namelijk gehouden, binnen een redelijke termijn een beschikking te geven of een administratieve brief te sturen, wanneer om een dergelijke brief is gevraagd. Eveneens is zij, wanneer krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 een verzoek is ingediend, waarin inbreuken op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag aan de kaak worden gesteld, verplicht binnen een redelijke termijn met betrekking tot de klacht een definitief standpunt in te nemen. De eerbiediging van een redelijke termijn door de Commissie bij de vaststelling van beschikkingen na afloop van de administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt immers een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.
De vraag of de duur van de administratieve procedure redelijk is, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die de Commissie heeft gevolgd, het gedrag van de partijen tijdens de procedure, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen.
17 Ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, alsmede de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63, waarmee toepassing wordt gegeven aan het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer, moeten de bij een procedure tot vaststelling van een inbreuk betrokken ondernemingen in staat zijn, tijdens de administratieve procedure hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot alle punten van bezwaar die in de beschikking in aanmerking worden genomen.
Krachtens dit vereiste is de Commissie, wanneer zij van plan is in haar beschikking punten van bezwaar in aanmerking te nemen, waarop de eerste mededeling van de punten van bezwaar geen betrekking had, verplicht, aan de betrokken ondernemingen een tweede mededeling van de punten van bezwaar te doen toekomen.
18 De Commissie is bevoegd, aan de bij haar aanhangig gemaakte zaken verschillende prioriteiten toe te kennen. Indien zij naar aanleiding van een aanmelding van een mededingingsregeling van mening is, dat de bij haar aangemelde gedragingen niet in aanmerking kunnen komen voor een ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, kan zij ter beoordeling van de mate van prioriteit die aan de aanmelding moet worden toegekend, rekening houden met het feit dat een nationale rechter reeds een einde heeft gemaakt aan de betrokken inbreuken.
19 De motivering van een handeling is onontbeerlijk om te bepalen wat precies in het dispositief is vastgesteld.
20 Een privaatrechtelijke instelling, die een certificatiesysteem heeft opgezet voor kraanverhuurbedrijven en waarbij de aansluiting facultatief is, die zelfstandig de criteria vaststelt, waaraan de gecertificeerde ondernemingen moeten voldoen en die slechts een certificaat afgeeft tegen betaling van een bijdrage, moet als een onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag worden beschouwd, aangezien in de context van het mededingingsrecht deze kwalificatie geldt voor elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.
21 De verenigbaarheid van een gedraging met artikel 85, lid 1, van het Verdrag moet worden beoordeeld met inachtneming van de juridische en economische context van de zaak.
Bij haar onderzoek van een certificatiesysteem voor kraanverhuurbedrijven, in het kader waarvan het de gecertificeerde bedrijven verboden is om kranen in te huren bij niet-gecertificeerde bedrijven, mag de Commissie dus criteria vaststellen waaraan het systeem moet voldoen opdat artikel 85, lid 1, van het Verdrag eventueel niet van toepassing is op het inhuurverbod.
In dit verband zijn het open karakter van het systeem en de aanvaarding van door andere systemen geboden gelijkwaardige waarborgen relevante criteria, op basis waarvan de Commissie kan vaststellen dat het betrokken verbod de mededinging vervalst. Door het verbod wordt het concurrentievermogen van de niet-gecertificeerde bedrijven namelijk aanzienlijk beïnvloed, wanneer de toegang tot het certificatiesysteem moeilijk is. Doordat gecertificeerde bedrijven wordt belet om niet-gecertificeerde bedrijven in te schakelen, ook indien deze laatste waarborgen bieden die gelijkwaardig zijn aan de waarborgen van het certificatiesysteem, wordt dit verbod bovendien niet objectief gerechtvaardigd door een streven om de door het certificatiesysteem gewaarborgde kwaliteit van de producten/diensten te handhaven. Integendeel, doordat door andere systemen geboden gelijkwaardige waarborgen niet worden aanvaard, worden de gecertificeerde bedrijven beschermd tegen de mededinging van niet-gecertificeerde bedrijven.
Het betrokken verbod beperkt overigens niet alleen de handelingsvrijheid van de gecertificeerde bedrijven, maar tast bovendien en vooral het concurrentievermogen van de niet-gecertificeerde bedrijven aan.
22 Een systeem van tarieven, dat is opgesteld door een branche-organisatie waarbij de kraanverhuurbedrijven van een Lid-Staat zijn aangesloten, en dat bestaat uit adviestarieven voor de inhuur van kranen door de opdrachtgevers en verrekentarieven die gelden voor de inhuur tussen de leden van de organisatie, vormt in de praktijk een systeem van aan haar leden opgelegde prijzen, wanneer deze tarieven, op de naleving waarvan toezicht wordt uitgeoefend, nadere inhoud geven aan het begrip aanvaardbare tarieven die de leden verplicht zijn toe te passen, omdat zij anders uit het lidmaatschap van de organisatie worden ontzet. Een dergelijk systeem beperkt de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, wanneer het de leden van de organisatie, zelfs indien sommigen van hen zich niet altijd aan de vastgestelde prijzen houden, in staat stelt om met een redelijke mate van zekerheid te voorzien, welk prijsbeleid de andere leden van de vereniging zullen volgen, en bovendien wordt aangetoond, dat het een optrekking van de markttarieven ten doel heeft.
23 Wil de handel tussen Lid-Staten door een besluit, een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging ongunstig kunnen worden beïnvloed, dan moeten deze mededingingsregelingen, gezien het geheel hunner objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op het handelsverkeer tussen Lid-Staten een zodanige invloed kunnen uitoefenen, dat de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen genoemde staten kan worden belemmerd.
Gedragingen die de mededinging beperken en die het gehele grondgebied van een Lid-Staat bestrijken, hebben naar hun aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist.
24 Voor de verlening van een individuele ontheffing voor een overeenkomst tussen ondernemingen moet cumulatief aan de vier in artikel 85, lid 3, van het Verdrag vermelde voorwaarden zijn voldaan, zodat reeds wanneer aan een van deze vier voorwaarden niet wordt voldaan, de ontheffing moet worden geweigerd. De aanmeldende ondernemingen dienen de Commissie de gegevens te verstrekken, waaruit blijkt, dat aan de vier in artikel 85, lid 3, gestelde voorwaarden wordt voldaan.
De toetsing door de gemeenschapsrechter van ingewikkelde economische beoordelingen door de Commissie in het kader van de haar bij artikel 85, lid 3, van het Verdrag toegekende beoordelingsmarge met betrekking tot elk van de daarin vervatte vier voorwaarden, dient te worden beperkt tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid.
25 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is, dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist, en om de gemeenschapsrechter in staat te stellen de beschikking op haar wettigheid te toetsen. De omvang van deze verplichting is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld. De Commissie dient dus haar beweegredenen met zoveel woorden te vermelden, wanneer zij in het kader van haar beschikkingspraktijk een beschikking geeft die veel verder gaat dan de voorgaande beschikkingen.
Krachtens artikel 190 van het Verdrag is de Commissie weliswaar verplicht, de feitelijke elementen te vermelden waarvan de rechtvaardiging van de genomen maatregel afhangt, alsook de overwegingen rechtens naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch deze bepaling schrijft niet voor, dat de Commissie moet ingaan op alle punten feitelijk en rechtens die door elk van de betrokkenen tijdens de administratieve procedure aan de orde zijn gesteld.
26 Voor inbreuken op de mededingingsregels kan een sanctie worden opgelegd, indien zij opzettelijk of uit onachtzaamheid zijn gepleegd. In dit verband volstaat het, dat degene die de inbreuk heeft gepleegd, niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat door zijn handelwijze de mededinging zou worden beperkt.
Met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van elke concrete zaak en in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beslist de Commissie, of het opportuun is om een geldboete op te leggen teneinde de vastgestelde inbreuk te bestraffen en de doeltreffendheid van het mededingingsrecht te handhaven.
27 Het bedrag van de geldboete die wordt opgelegd wegens een inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag, moet worden vastgesteld met inachtneming van de omstandigheden van de schending en de zwaarte van de inbreuk, waarbij de waardering van de zwaarte van de inbreuk dient te geschieden met inachtneming van in het bijzonder de daaruit voortvloeiende beperkingen van de mededinging.
28 Het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gebruikte genusbegrip "inbreuk", dat zonder onderscheid van toepassing is op overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen, duidt erop, dat de in deze bepaling voorziene maxima gelijkelijk gelden voor overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen. Daaruit volgt, dat het maximum van 10 % van de omzet moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door elk van de ondernemingen die partij is bij de betrokken overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, of door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersverenigingen gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden. De juistheid van deze analyse wordt bevestigd door het feit dat de invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, niet van haar eigen "omzet" afhangt, die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden, die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt.
Partijen
In de gevoegde zaken T-213/95 en T-18/96,
Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf (SCK), stichting naar Nederlands recht, gevestigd te Culemborg (Nederland),
Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven (FNK), vereniging naar Nederlands recht, gevestigd te Culemborg (Nederland),
vertegenwoordigd door M. van Empel, advocaat te Amsterdam, en Th. Janssens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
in zaak T-18/96 ondersteund door
Van Marwijk Kraanverhuur BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Zoetermeer (Nederland),
Kraanbedrijf Nijdam BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Groningen (Nederland),
Kranen, Transport & Montage 's Gilde NV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Geldermalsen (Nederland),
Wassink Transport Arnhem BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Arnhem (Nederland),
Koedam Kraanverhuur BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Vianen (Nederland),
Firma Huurdeman Kraanwagenverhuurbedrijf, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Hoevelaken (Nederland),
Datek NV, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Genk (België),
Th. Hendrickx, woonachtig te Turnhout (België),
vertegenwoordigd door A. Braakman, advocaat te Rotterdam, en W. Sluiter, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Molitor, advocaat aldaar, Rue des Bains 14a,
interveniënten,
betreffende, in zaak T-213/95, een beroep strekkende tot veroordeling van de Commissie krachtens de artikelen 178 en 215 EG-Verdrag tot vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden als gevolg van onrechtmatige gedragingen van de Commissie en, in zaak T-18/96, een beroep tot nietigverklaring van beschikking 95/551/EG van de Commissie van 29 november 1995 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.179, 34.202, 34.216 - Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en de Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven; PB 1995, L 312, blz. 79),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, P. Lindh, J. Azizi, J. D. Cooke en M. Jaeger, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 juni 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Deze zaak betreft de sector van de verhuur van mobiele kranen in Nederland. Een mobiele kraan is een hijskraan die autonoom op het werk kan worden verplaatst. Hierdoor onderscheidt zij zich van torenkranen die zijn geïnstalleerd op een railbaan en zich alleen heen en weer kunnen bewegen over deze railbaan. De mobiele kranen worden voornamelijk gebruikt in de bouw, de petrochemische industrie en de vervoersector.
2 Om technische redenen is de actieradius van een mobiele kraan beperkt tot ten hoogste 50 km. Kenmerkend voor de sector verhuur van mobiele kranen is bovendien, dat contracten worden gesloten op zeer korte termijn voor de uitvoering van de opdracht ("overnight contracting"). Wanneer bij een kraanverhuurbedrijf een kraan wordt besteld voor een opdracht op zeer korte termijn, besluit dit bedrijf, rekening houdende met de lokatie van het werk en de beschikbaarheid van zijn eigen kranen, om ofwel een eigen kraan te gebruiken, dan wel over te gaan tot de inhuur van een kraan van een ander bedrijf dat dichtbij de plaats van het werk is gelegen.
3 De stichting Keuring Bouwmachines (hierna: "Keboma"), die door de Nederlandse minister van Sociale zaken in 1982 is opgericht, keurt de kranen vóór hun eerste ingebruikname in Nederland, om te zien of zij voldoen aan de wettelijke veiligheidseisen, die zijn neergelegd in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen, het Veiligheidsbesluit restgroepen en in verschillende ministeriële regelingen en verschillende publicaties van de Arbeidsinspectie. Keboma is de enige erkende officiële instantie die is belast met onderzoekingen en beproevingen van mobiele kranen. Deze verplichte keuring vóór de eerste ingebruikname geldt na richtlijn 89/392/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende machines (PB 1989, L 183, blz. 9; hierna: "richtlijn 89/392") met ingang van 1 januari 1993 niet meer voor kranen die voorzien zijn van het EG-merkteken en vergezeld gaan van een EG-verklaring van overeenstemming in de zin van deze richtlijn. De kranen moeten door de Keboma drie jaar na de eerste ingebruikname worden gekeurd, en na deze tweede keuring elke twee jaar.
4 De Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven (hierna: "FNK") is een branche-organisatie die op 13 maart 1971 is opgericht, waarin de Nederlandse kraanverhuurbedrijven zijn verenigd. Het statutaire doel van FNK is het behartigen van de belangen van de kraanverhuurbedrijven en van haar leden in het bijzonder, en het bevorderen van het onderlinge contact en de onderlinge samenwerking tussen de leden in de meest ruime zin. De leden van FNK beschikken over 1 552 kranen van de ongeveer 3 000 kranen die in Nederland voor de verhuur bestemd zijn. Tussen 15 december 1979 en 28 april 1992 bevatte artikel 3 van het huishoudelijk reglement van FNK een bepaling op grond waarvan haar leden verplicht waren, bij de inhuur en de verhuur van kranen bij voorrang andere leden in te schakelen (hierna: "voorrangsclausule") en "aanvaardbare" tarieven te hanteren. FNK heeft adviestarieven en kostencalculaties voor de huur van kranen door opdrachtgevers gepubliceerd. Bovendien zijn voor de inhuur tussen de leden van FNK verrekentarieven vastgesteld tijdens regelmatig overleg tussen kraanverhuurbedrijven.
5 De Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf (hierna: "SCK") is een stichting die in 1985 is opgericht door vertegenwoordigers van kraanverhuurbedrijven en opdrachtgevers, waarvan het statutaire doel is het bevorderen en handhaven van de kwaliteit van kraanverhuurbedrijven. Daartoe heeft SCK een certificatiesysteem ingevoerd, in het kader waarvan zij certificaten verleent aan ondernemingen die aan een reeks van eisen betreffende het beheer van een kraanverhuurbedrijf en het gebruik en het onderhoud van kranen voldoen. Door dit certificatiesysteem zouden de opdrachtgevers erop kunnen vertrouwen, dat de betrokken onderneming aan de betrokken vereisten voldoet, zonder dat zij dit zelf behoeven te controleren. Artikel 7, tweede streepje, van het Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijf van SCK voorziet in een verbod voor de gecertificeerde bedrijven om kranen te huren bij bedrijven die niet door SCK zijn gecertificeerd (hierna: "inhuurverbod"). Met ingang van 20 januari 1989 is SCK erkend door de Raad voor de Certificatie, de Nederlandse accrediterende instantie voor certificatie-instellingen, die daarbij vaststelde dat SCK voldeed aan de eisen die worden opgelegd op basis van de Europese EN 45000 normenreeks, waarin de criteria worden bepaald waaraan de certificatie-instellingen moeten voldoen. Volgens artikel 2, punt 5, van de erkenningscriteria van de Raad voor de Certificatie is de instelling die certificaten afgeeft, verplicht erop toe te zien dat ook aan de voorwaarden voor de certificatie wordt voldaan bij toeleverantie. De instelling heeft de navolgende mogelijkheden om aan deze verplichting te voldoen: zij zelf voert de controles bij deze toeleveranciers uit (artikel 2, punt 5, A 1), ofwel zij toetst de controles van de toeleverancier, welke zijn uitgevoerd door de erkende onderneming (artikel 2, punt 5, A 2 en A 3).
6 Op 13 januari 1992 dienden M. W. C. M. van Marwijk (hierna: "Van Marwijk") en tien andere ondernemingen bij de Commissie een klacht en een verzoek om voorlopige maatregelen in. De klagers waren van mening, dat verzoeksters inbreuk maakten op de mededingingsregels van het EG-Verdrag, door ondernemingen die niet door SCK zijn gecertificeerd, van de verhuur van mobiele kranen uit te sluiten, en door prijzen op te leggen voor de kraanverhuur.
7 De statuten en het Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijf van SCK zijn op 15 januari 1992 bij de Commissie aangemeld, en de statuten en het huishoudelijk reglement van FNK op 6 februari 1992. In beide gevallen werd om een negatieve verklaring verzocht en subsidiair om een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag.
8 Naar aanleiding van een door de klagers bij de Nederlandse rechter ingediende rechtsvordering heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht bij vonnis in kort geding van 11 februari 1992 FNK bevolen om de voorrangsclausule en het systeem van adviesprijzen (die gelden voor de verhuur van kranen in de betrekkingen met de opdrachtgevers) en verrekenprijzen (die gelden voor de inhuur tussen kraanverhuurbedrijven) buiten toepassing te laten. Hij beval SCK, het inhuurverbod buiten toepassing te laten. Dit vonnis is, eveneens in een kort geding, op 9 juli 1992 vernietigd door het Gerechtshof te Amsterdam, dat zich in het bijzonder op het standpunt stelde, dat het niet evident en boven iedere twijfel verheven was, dat de betrokken regelingen geen enkele kans op ontheffing door de Commissie maakten. Het inhuurverbod is door SCK op de dag van de uitspraak van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam wederom in werking gesteld. Daarentegen heeft FNK uit eigen beweging afgezien van verdere betrokkenheid bij advies- c.q. verrekentarieven.
9 Op 16 december 1992 bracht de Commissie de punten van bezwaar jegens verzoeksters uit. Hierin deelde zij verzoeksters overeenkomstig artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17") mee, dat zij voornemens was de in artikel 15, lid 5, van deze verordening bedoelde boeteïmmuniteit op te heffen.
10 Op 3 februari 1993 stuurden verzoeksters de Commissie hun antwoord op de punten van bezwaar. In dit antwoord verzochten zij onder meer om een mondelinge hoorzitting.
11 Bij brief van 4 juni 1993 deelde de Commissie hun mee, dat de procedure krachtens artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 slechts zou kunnen worden beëindigd, wanneer het inhuurverbod werd ingetrokken.
12 Klagers dienden opnieuw een vordering in bij de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht, die bij vonnis in kort geding van 6 juli 1993 besliste, dat het inhuurverbod buiten toepassing moest worden gelaten, aangezien de Commissie met betrekking tot de onderhavige regelingen inmiddels haar standpunt kenbaar had gemaakt en het leek dat het inhuurverbod geen enkele kans op een ontheffing door de Commissie maakte.
13 Bij brief van 29 september 1993 deelde de Commissie verzoeksters mee, dat zij de hoorzitting waarom verzoeksters hadden gevraagd, zou houden voordat een definitieve beschikking ingevolge artikel 85 van het Verdrag zou worden gegeven, doch dat een dergelijke hoorzitting niet vereist was met betrekking tot een beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17.
14 Het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 6 juli 1993 is door het Gerechtshof te Amsterdam bekrachtigd bij arrest van 28 oktober 1993. Dit laatste arrest was in het bijzonder gebaseerd op een niet-gedateerde brief van de heer Giuffrida van het directoraat-generaal Concurrentie (DG IV) van de Commissie, welke aan klagers was gestuurd met afschrift aan verzoeksters' advocaat. Volgens verzoeksters is deze brief op 22 september 1993 ter kennis van hen gebracht. De auteur van deze brief verklaarde daarin: "I can confirm that a draft decision under Article 15(6) of Council Regulation n_ 17 is to be submitted for adoption by the Commission under written procedure at the end of this week as soon as all the necessary language versions are available. The approvals by the departments concerned have already been obtained. ... My department anticipates that it should be possible to effect normal notification of the decision to FNK and SCK in the first half of October 1993."
15 Op 4 november 1993 verspreidde SCK een bekendmaking, waarin werd meegedeeld dat het inhuurverbod buiten toepassing zou worden gelaten totdat de Commissie een definitief oordeel zou hebben gegeven.
16 Op 13 april 1994 stelde Commissie een beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 vast.
17 Bij brief van 3 juni 1994 sommeerden verzoeksters de Commissie om uiterlijk op 3 augustus 1994 een eindbeschikking te geven.
18 Bij brief van 27 juni 1994 deelde de heer Ehlermann, de toenmalige directeur-generaal van DG IV, verzoeksters mee, dat "de datum van 3 augustus 1994 voor het vaststellen van de eindbeschikking volstrekt niet realistisch is", doch ook dat "de totstandkoming van deze eindbeschikking behoort tot de prioriteiten".
19 In antwoord op een schrijven van verzoeksters van 3 augustus 1994 deelde de Commissie bij brief van 9 augustus 1994 mee, dat de punten van bezwaar van december 1992 uitsluitend gericht waren op het openen van een procedure met het oog op de vaststelling van een beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17. Daarbij kondigde zij aan, dat een definitieve beschikking zou worden voorafgegaan door het uitbrengen van nieuwe punten van bezwaar, waarna verzoeksters in de gelegenheid zouden worden gesteld te worden gehoord.
20 Op 21 oktober 1994 werden opnieuw punten van bezwaar uitgebracht jegens verzoeksters inzake een procedure op grond van artikel 85 van het Verdrag.
21 Op 21 december 1994 stuurden verzoeksters hun antwoord op deze punten van bezwaar aan de Commissie. In dit antwoord maanden zij de Commissie wederom tot spoed en zagen zij af van het houden van een hoorzitting.
22 Op 27 november 1995 hebben zij bij het Gerecht een beroep tot schadevergoeding ingesteld (zaak T-213/95). Bij afzonderlijke memorie hebben zij ook een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend (zaak T-213/95 R). Verzoeksters hebben dienaangaande afstand van instantie gedaan en bij beschikking van 24 januari 1996 heeft de president zaak T-213/95 R doorgehaald. De beslissing omtrent de kosten is aangehouden.
23 Op 29 november 1995 gaf de Commissie beschikking 95/551/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.179, 34.202, 34.216 - Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijven en Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven) (PB 1995, L 312, blz. 79; hierna: "bestreden beschikking"). Daarin stelt de Commissie vast, dat FNK gedurende de periode van 15 december 1979 tot 28 april 1992 inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door een systeem van advies- en verrekentarieven te hanteren waardoor het haar leden mogelijk werd gemaakt elkaars prijspolitiek te voorspellen (artikel 1). Ook stelt de Commissie daarin vast, dat SCK gedurende de periode van 1 januari 1991 tot 4 november 1993 (met uitzondering van de periode tussen 17 februari en 9 juli 1992) inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door de bij haar aangesloten ondernemingen te verbieden, kranen van niet bij SCK aangesloten ondernemingen te huren (artikel 3). Verder gelast de Commissie verzoeksters om onverwijld een eind te maken aan deze inbreuken (artikelen 2 en 4) en legt zij FNK een geldboete op van 11 500 000 ECU en SCK een geldboete van 300 000 ECU (artikel 5).
24 Bij brief van 11 januari 1996 vroegen verzoeksters toegang tot het dossier om beroep te kunnen instellen tegen deze beschikking, doch de Commissie heeft deze geweigerd bij brief van 15 januari 1996.
25 Bij op 6 februari 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking (zaak T-18/96). Bij afzonderlijke memorie hebben zij eveneens verzocht om voorlopige maatregelen (zaak T-18/96 R).
26 Met betrekking tot de periode tot de uitspraak van het arrest van het Gerecht in zaak T-18/96 zijn verzoeksters op 25 maart 1996 met de Commissie tot overeenstemming gekomen over de aanpassing van de bepaling inzake het inhuurverbod. In de aangepaste versie van artikel 7, tweede streepje, van het Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijf mogen door SCK gecertificeerde ondernemingen "slechts kranen (doen) inzetten die zijn voorzien van een geldige certificatieplaat, op grond van een voorafgaande certificatie door hetzij de Stichting, hetzij een andere certificatie-instelling - Nederlands of buitenlands - welke gekwalificeerd is voor het certificeren van kraanverhuurbedrijven en daarbij aantoonbaar gelijkwaardige criteria hanteert, één en ander tenzij aan de hand van schriftelijke stukken (faxberichten daaronder begrepen) kan worden aangetoond dat de opdrachtgever bij het verlenen van de opdracht geen belang heeft gehecht aan het al dan niet gecertificeerd zijn van het in voorkomend geval door de opdrachtnemer ingehuurd (derde) kraanverhuurbedrijf" (brief van de Commissie aan verzoeksters van 25 maart 1996).
27 Het verzoek in kort geding in zaak T-18/96 R is door de president van het Gerecht afgewezen bij beschikking van 4 juni 1996 (Jurispr. 1996, blz. II-407). De beslissing omtrent de kosten in de procedure in kort geding is aangehouden. De tegen deze beschikking ingestelde hogere voorziening is afgewezen bij beschikking van de president van het Hof van 14 oktober 1996 (Jurispr. 1996, blz. I-4971).
28 Bij brief van 9 juli 1996 aan de president van het Gerecht in het kader van zaak T-18/96 hebben verzoeksters het Gerecht verzocht, krachtens artikel 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering en subsidiair krachtens artikel 64, lid 3, sub d, van het Reglement voor de procesvoering, de overlegging van het dossier van de Commissie in de zaken SCK en FNK, genummerd IV/34.179, 34.202 en 34.216, te gelasten, met inbegrip van de interne Commissiedocumenten welke betrekking hebben op het overleg tussen het directoraat-generaal Industrie (DG III) en DG IV betreffende deze procedures, alsmede eventuele andere dossiers welke ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking.
29 Bij beschikking van 4 oktober 1996 heeft de president van de Vierde kamer (uitgebreid) Van Marwijk en zeven andere kraanverhuurbedrijven in zaak T-18/96 toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
30 Bij beschikking van 12 maart 1997 heeft hij krachtens artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering besloten, de beide zaken te voegen voor de mondelinge behandeling.
31 Het Gerecht (Vierde kamer - uitgebreid) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de partijen evenwel verzocht, vóór de terechtzitting enkele documenten over te leggen.
32 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 4 juni 1997.
33 Nadat partijen ter terechtzitting op dit punt zijn gehoord, is het Gerecht (Vierde kamer - uitgebreid) van mening, dat de beide zaken eveneens dienen te worden gevoegd voor het arrest.
Conclusies van partijen
34 In zaak T-213/95 concluderen verzoeksters, dat het het Gerecht behage:
- de Gemeenschap aansprakelijk te stellen voor de schade die verzoeksters lijden en nog zullen lijden uit hoofde van de bovengenoemde onrechtmatige gedragingen van de Commissie;
- de Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van deze schade, haar te bevelen de omvang van die schade in overleg met verzoeksters vast te stellen, en indien partijen op dit punt niet in der minne tot overeenstemming kunnen komen, de omvang van die schade zelf vast te stellen, desnoods na aanstelling van een deskundige om deze op exacte wijze te kwantificeren;
- de Gemeenschap te veroordelen in de kosten van deze procedure.
35 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoeksters solidair te veroordelen in de kosten, met inbegrip van de kosten van het kort geding.
36 In zaak T-18/96 concluderen verzoeksters, dat het het Gerecht behage:
- primair, te constateren dat de bestreden beschikking non-existent is, aangezien door de Commissie in het dispositief van deze beschikking wel wordt beschikt, dat artikel 85, lid 1, toepasselijk is en in verband daarmee aan verzoeksters een geldboete wordt opgelegd, maar geen uitspraak wordt gedaan op het door hen ingediende verzoek om toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag;
- subsidiair, de beschikking volstrekt nietig te verklaren c.q. te vernietigen;
- meer subsidiair, de beschikking te vernietigen wegens schending van artikel 85 van het Verdrag, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van 4 november 1950 (hierna: "EVRM"), algemene rechtsbeginselen en de motiveringsplicht (artikel 190 van het Verdrag);
- uiterst subsidiair, de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen dat aan verzoeksters geen enkele geldboete wordt opgelegd;
- de Commissie te veroordelen in de kosten; - interveniënten te veroordelen in de kosten van de interventie.
37 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
38 Interveniënten concluderen, dat het het Gerecht behage:
- de conclusies van de Commissie toe te wijzen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van interveniënten.
Het beroep tot schadevergoeding (zaak T-213/95)
39 Volgens vaste rechtspraak moeten voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het kader van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag een aantal voorwaarden zijn vervuld: onrechtmatigheid van de aan de betrokken gemeenschapsinstelling verweten gedraging, bestaan van schade en een causaal verband tussen de gedraging van de Gemeenschap en de gestelde schade (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 15 september 1994, zaak C-164/91, KYDEP, Jurispr. 1994, blz. I-4199, r.o. 19, en arrest Gerecht van 13 december 1995, gevoegde zaken T-481/93 en T-484/93, Exporteurs in Levende Varkens e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2941, r.o. 80).
1. Het gestelde onrechtmatig handelen van de Commissie
40 Verzoeksters voeren vier middelen aan voor de vaststelling van het onrechtmatig handelen van de Commissie in het kader van de procedure die zij heeft ingeleid naar aanleiding van de indiening van de klacht op 13 januari 1992 en de aanmeldingen door verzoeksters op 15 januari en 6 februari 1992: schending van artikel 6 EVRM; schending van het rechtszekerheidsbeginsel; schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het recht om te worden gehoord.
Eerste middel: schending van artikel 6 EVRM
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
41 Verzoeksters betogen, dat de Commissie gebonden is aan de bepalingen van het EVRM. In dit verband verwijzen zij naar de rechtspraak (arresten Hof van 17 december 1970, zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125; 21 september 1989, gevoegde zaken 46/87 en 227/88, Hoechst, Jurispr. 1989, blz. 2859, en 18 oktober 1989, zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283), artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Gemeenschappelijke Verklaring van 5 april 1977 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 1977, C 103, blz. 1).
42 Huns inziens is de administratieve procedure voor de Commissie tot toepassing van artikel 85 van het Verdrag een procedure waarop artikel 6 EVRM van toepassing is. Uit de uitspraken van het Europese Hof en de Europese Commissie voor de rechten van de mens blijkt namelijk, dat artikel 6 EVRM van toepassing is op administratiefrechtelijke procedures (Stenuit/Frankrijk, 1992, 14 EHRR 509, en Niemitz/Duitsland, 1993, 16 EHRR 97).
43 Volgens verzoeksters heeft de Commissie de in artikel 6, lid 1, EVRM gestelde voorwaarde van de "redelijke termijn" niet geëerbiedigd. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft vastgesteld, dat een termijn van 17 maanden een overschrijding van de redelijke termijn opleverde (uitspraak van 9 december 1994, Schouten en Meldrum/Nederland, Serie A, nr. 304). De administratieve procedure voor de Commissie heeft in totaal ruim 45 maanden geduurd, zodat de Commissie duidelijk in strijd met artikel 6, lid 1, EVRM heeft gehandeld.
44 Ook betogen zij nog, dat de Commissie misbruik heeft gemaakt van de procedure op grond van verordening nr. 17, door de eerste punten van bezwaar slechts met het oog op een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van deze verordening op te stellen. Ook is het onbegrijpelijk, dat de Commissie na het uitbrengen van de eerste punten van bezwaar 22 maanden nodig heeft gehad om de tweede punten van bezwaar uit te brengen, die in basisargumentatie volstrekt gelijk zijn aan de eerste. Het tweemaal uitbrengen van punten van bezwaar was zinloos en was voor de Commissie een manier om de procedure te rekken.
45 Verzoeksters herinneren eraan, dat het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 als tijdelijke maatregel was bedoeld, met een gelding totdat de Commissie haar beschikking zou geven. De Commissie had onder deze omstandigheden dan ook met spoed een eindbeschikking moeten vaststellen. Verzoeksters voegen daaraan toe, dat de geest waarin de Commissie de procedure heeft behandeld, er een was waar zij erop vertrouwde, dat zij kon volstaan met beïnvloeding van de nationale rechter en het geven van een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17. Zij heeft nooit enige prioriteit aan deze zaak toegekend.
46 Verzoeksters hebben huns inziens op geen enkele wijze bijgedragen tot de vertragingen binnen de Commissie. Zij hebben steeds constructieve voorstellen geformuleerd om tot een snelle oplossing te komen, waarop door de Commissie evenwel in negatieve zin is gereageerd. Zij herinneren eraan dat zij, nadat zij de tweede punten van bezwaar hadden ontvangen, hebben afgezien van een mondelinge behandeling om de totstandkoming van de eindbeschikking te bespoedigen. De Commissie kan hen niet verwijten, dat zij hun zaak hebben bepleit bij DG III, de instantie welke binnen de Commissie bevoegd is voor het certificatiebeleid. Ook zonder benadering door verzoeksters zou de interventie van DG III vereist zijn geweest. Ook kan hun geen verwijt worden gemaakt wat de tussenkomst van de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie en van de Raad voor de Certificatie bij de Commissie betreft, die zegge en schrijve veertien dagen in beslag heeft genomen (13-27 oktober 1993).
47 Ook de complexiteit van het dossier kan in geen geval de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen (uitspraak Schouten en Meldrum/Nederland, reeds aangehaald). Met betrekking tot de vertragingen die zijn veroorzaakt door het ontbreken van de Finse en de Zweedse vertaling van de ontwerpbeschikking betogen verzoeksters, dat dergelijke structurele vertragingen niet kunnen worden ingeroepen ter rechtvaardiging van een overschrijding van de redelijke termijn (uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 6 mei 1981, Buchholz, serie A, nr. 42).
48 De Commissie brengt hiertegen in, dat de vraag of de duur van een procedure onredelijk is, enkel in het concrete geval kan worden beoordeeld, in het licht van alle omstandigheden. Daarbij is niet enkel het gedrag van de Commissie van belang, maar van belang zijn ook het gedrag van verzoeksters zelf, alsmede de ingewikkeldheid van de zaak en alle andere specifieke omstandigheden. De Commissie erkent, dat de zaak in de periode van januari tot juli 1992 niet de hoogste prioriteit had, aangezien de zaak ook aanhangig was voor de Nederlandse rechter en onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis van 11 februari 1992 van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht aan de inbreuken een einde was gemaakt (zie ter zake arrest Gerecht van 18 september 1992, zaak T-24/90, Automec, Jurispr. 1992, blz. II-2223, r.o. 77 en 85). Zij heeft de behandeling van het dossier versneld na de uitspraak van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juli 1992, op grond waarvan SCK het inhuurverbod opnieuw in werking kon doen treden (zie r.o. 8, supra).
49 Na voorlopig onderzoek van het dossier was gebleken, dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 vervuld waren. Binnen een termijn van vijf maanden na de uitspraak van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam heeft de Commissie verzoeksters voor de toepassing van dit artikel punten van bezwaar doen toekomen (mededeling van de punten van bezwaar van 16 december 1992, zie r.o. 9, supra).
50 Verder merkt de Commissie nog op, dat op het tijdstip waarop het ontwerp van de beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 klaar was, DG III aan DG IV om een vergadering over de ontwerpbeschikking heeft verzocht, alvorens deze aan het college van Commissieleden zou worden voorgelegd. De tussenkomst van DG III in de procedure, die de voornaamste oorzaak was van de vertraging van de behandeling van het dossier in de volgende maanden, was evenwel het rechtstreeks gevolg van de acties die waren ondernomen door verzoeksters. Uiteindelijk is de beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 aangenomen op 13 april 1994.
51 Vervolgens deed de Commissie op 21 oktober 1994 mededeling aan verzoeksters van de punten van bezwaar met het oog op een eindbeschikking. Een beschikking op grond van de artikelen 3 en 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft een ander voorwerp en andere rechtsgevolgen dan een beschikking op grond van artikel 15, lid 6. Een maand na de ontvangst van het antwoord van verzoeksters op de mededeling van de punten van bezwaar had DG IV reeds een ontwerpbeschikking klaar. Na de toetreding van Finland en Zweden tot de Europese Unie op 1 januari 1995 bestonden er evenwel grote vertragingen bij de vertalingen in het Fins en het Zweeds. Ten slotte heeft de Commissie de bestreden beschikking aangenomen op 29 november 1995.
52 Volgens de Commissie kan haar in casu dus geen overschrijding van een redelijke termijn gedurende de administratieve procedure worden verweten.
Beoordeling door het Gerecht
53 Volgens vaste rechtspraak behoren de grondrechten tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert (zie met name advies 2/94 van 28 maart 1996, Jurispr. 1996, blz. I-1759, r.o. 33; arrest Hof van 29 mei 1997, zaak C-299/95, Kremzow, Jurispr. 1997, blz. I-2629, r.o. 14). Daarbij laten het Hof en het Gerecht zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de Lid-Staten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzigingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de Lid-Staten hebben meegewerkt, of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (arresten Hof van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 18, en Kremzow, reeds aangehaald, r.o. 14). Volgens artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie eerbiedigt de Unie overigens "de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de Lid-Staten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht".
54 Verzoeksters stellen dat na de klacht, die door Van Marwijk e.a. is ingediend op 13 januari 1992, en de aanmeldingen, die door SCK en FNK zijn verricht op 15 januari, respectievelijk 6 februari 1992 (zie r.o. 6 en 7, supra), de bestreden beschikking, gedateerd 29 november 1995, niet is vastgesteld binnen een "redelijke termijn" in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, volgens hetwelk "een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld (...)".
55 Wanneer een partij krachtens artikel 2 van verordening nr. 17 bij de Commissie een verzoek om een negatieve verklaring indient, of krachtens artikel 4, lid 1, van deze verordening een aanmelding met het oog op een ontheffing, kan de Commissie haar standpunt niet sine die voor zich uit schuiven. Ter verzekering van de rechtszekerheid en een behoorlijke rechtsbescherming is zij namelijk gehouden, binnen een redelijke termijn een beschikking te geven of een administratieve brief te sturen, wanneer om een dergelijke brief is gevraagd. Eveneens is zij, wanneer krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 een verzoek is ingediend, waarin inbreuken op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag aan de kaak worden gesteld, verplicht binnen een redelijke termijn met betrekking tot de klacht een definitief standpunt in te nemen (arrest Hof van 18 maart 1997, zaak C-282/95 P, Guérin automobiles, Jurispr. 1997, blz. I-1503, r.o. 38).
56 De eerbiediging van een redelijke termijn door de Commissie bij de vaststelling van beschikkingen na afloop van de administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt immers een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht (zie met betrekking tot de afwijzing van een klacht: arrest Guérin automobiles, reeds aangehaald, r.o. 38; op het gebied van steunmaatregelen van de staten: arresten Hof van 11 december 1973, zaak 120/73, Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471, r.o. 4, en 24 november 1987, zaak 223/85, RSV, Jurispr. 1987, blz. 4617, r.o. 12-17). Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de vraag, of artikel 6, lid 1, EVRM als zodanig van toepassing is op de administratieve procedures voor de Commissie op het gebied van het mededingingsbeleid, moet derhalve worden onderzocht, of de Commissie in casu het algemene beginsel van gemeenschapsrecht inzake de eerbiediging van een redelijke termijn heeft geschonden in de procedure, voorafgaande aan de vaststelling van de bestreden beschikking.
57 De totale duur van de administratieve procedure in onderhavige zaak bedroeg ongeveer 46 maanden. Zoals de Commissie evenwel terecht heeft opgemerkt, moet de vraag of de duur van de administratieve procedure redelijk is, worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die de Commissie heeft gevolgd, het gedrag van de partijen tijdens de procedure, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen (zie naar analogie de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 23 april 1987, Erkner, serie A, nr. 117, blz. 62, paragraaf 66; 25 juni 1987, Milasi, serie A, nr. 119, blz. 46, paragraaf 15, en Schouten en Meldrum/Nederland, reeds aangehaald, blz. 25, paragraaf 63).
58 Wat om te beginnen de context van de zaak betreft, zij opgemerkt, dat het huishoudelijk reglement van FNK reeds sedert 15 december 1979 een bepaling bevatte, op grond waarvan de leden van de vereniging verplicht waren om bij de inhuur en verhuur van kranen bij voorrang andere leden in te schakelen en aanvaardbare tarieven te hanteren (huishoudelijk reglement, artikel 3, sub a en b). De in de bestreden beschikking bedoelde bepaling van het Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijf van SCK, dat wil zeggen het inhuurverbod (certificatiereglement, artikel 7, tweede streepje), is in werking getreden op 1 januari 1991. Verzoeksters hebben het kennelijk niet noodzakelijk geoordeeld om de Commissie naar haar standpunt omtrent hun statuten en reglementen te vragen, voordat Van Marwijk en tien andere ondernemingen op 13 januari 1992 bij de Commissie een klacht hadden ingediend. De statuten van SCK en haar Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijf zijn namelijk pas op 15 januari 1992 bij de Commissie aangemeld, en de statuten en het huishoudelijk reglement van FNK pas of 6 februari 1992.
59 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat de periode van 46 maanden die is verstreken tussen het neerleggen van de klacht en de aanmeldingen enerzijds en de vaststelling van de bestreden beschikking anderzijds, verschillende procedurele etappen omvatte. Na het onderzoek van de klacht en de aanmeldingen heeft de Commissie op 16 december 1992 punten van bezwaar uitgebracht met het oog op de vaststelling van een beschikking krachtens artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 en heeft zij op 13 april 1994 inderdaad een dergelijke beschikking gegeven. Vervolgens heeft zij een nieuwe mededeling van punten van bezwaar doen toekomen op 21 oktober 1994 met het oog op de vaststelling van de bestreden beschikking, die op 29 november 1995 is afgekomen.
60 Met betrekking tot elke etappe van de procedure dient te worden onderzocht of de duur ervan redelijk is.
61 De Commissie heeft haar eerste voorlopige standpunt met betrekking tot verzoeksters' aanmeldingen bepaald bij de mededeling van de punten van bezwaar van 16 december 1992. De duur van ongeveer elf maanden van dit eerste onderdeel van de procedure was redelijk en kan, gelet op alle stukken van het dossier, zelfs als betrekkelijk kort worden beschouwd. Beklemtoond zij, dat de Commissie gedurende deze procedure gelijktijdig met verzoeksters' aanmeldingen de klacht van Van Marwijk e.a. heeft onderzocht, waarmee juist bezwaar werd gemaakt tegen de door verzoeksters aangemelde gedragingen. Bovendien mocht zij zich op het standpunt stellen, dat de door verzoeksters aanhangig gemaakte zaak geen prioriteit had. Verzoeksters zelf hebben namelijk in hun aanmeldingen niet aangedrongen op een dringende behandeling van hun zaak, hoewel punt 7.4 van de bijlage bij formulier A/B [welke als bijlage is gehecht aan verordening nr. 27 van de Commissie van 3 mei 1962, Eerste uitvoeringsverordening van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1962, blz. 1118), die later is vervangen door verordening (EG) nr. 3385/94 van de Commissie van 21 december 1994 betreffende vorm, inhoud en overige bijzonderheden van verzoeken en aanmeldingen uit hoofde van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1994, L 377, blz. 28)] degenen die een aanmelding verrichten, vraagt om te verklaren, hoe dringend het verzoek of de aanmelding is. Bovendien waren de aangemelde gedragingen, die volgens de Commissie niet in aanmerking konden komen voor een ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, gedurende een periode van ongeveer vijf maanden, tussen 11 februari 1992 en 9 juli 1992 (zie r.o. 8, supra), buiten toepassing gelaten naar aanleiding van een rechtsvordering die de klagers voor de Nederlandse rechter hadden ingesteld.
62 De periode van ongeveer zestien maanden die is verstreken tussen de mededeling van de punten van bezwaar van 16 december 1992 en de vaststelling van de beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 op 13 april 1994, was eveneens volstrekt redelijk. Opgemerkt zij, dat verzoeksters' advocaat ter terechtzitting voor het Gerecht heeft erkend, dat SCK voor het eerst in haar brief aan de Commissie van 21 oktober 1993 (brief aan de heer Dubois van DG IV) op een spoedige beslissing in de zaak heeft aangedrongen. FNK heeft voor de vaststelling van de beschikking van 13 april 1994 niet een dergelijke stap ondernomen. In de schriftelijke ingebrekestelling van de Commissie door verzoeksters' advocaat op 3 juni 1994 heeft FNK voor het eerst laten blijken, dat zij geïnteresseerd was in een snelle behandeling van het dossier. Overigens wordt niet betwist, dat nog in de periode waarin SCK voor het eerst bij DG IV aandrong op een snelle afhandeling van de procedure, verzoeksters DG III hebben verzocht, bij DG IV te interveniëren om een gunstige beslissing op hun verzoek om een ontheffing te verkrijgen (zie in het bijzonder de brief van verzoeksters' advocaat van 5 oktober 1993 aan de heer McMillan, hoofd van de administratieve eenheid III.B.3). Hoewel een dergelijke stap volstrekt rechtmatig is, hadden verzoeksters er rekening mee moeten houden, dat de tussenkomst waarom zij bij DG III hebben verzocht, het verloop van de procedure zou vertragen, mede in aanmerking genomen dat DG III niet behoeft te worden geraadpleegd tijdens een ontheffingsprocedure uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, of een procedure tot vaststelling van een inbreuk uit hoofde van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
63 De volgende etappe in de procedure was de mededeling van de punten van bezwaar aan verzoeksters met het oog op de vaststelling van de bestreden beschikking. Deze mededeling volgde op 21 oktober 1994, dat wil zeggen zes maanden na de vaststelling van de beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17.
64 Deze termijn van zes maanden is niet onredelijk.
65 Verzoeksters stellen evenwel, dat de toezending van de tweede mededeling van de punten van bezwaar zinloos was en voor de Commissie een manier was om de procedure te rekken. Dit argument moet worden afgewezen. Enerzijds hadden deze beide mededelingen van punten van bezwaar elk een ander doel. De eerste betrof de intrekking van het voordeel van de boeteïmmuniteit in de zin van artikel 15, lid 5, van verordening nr. 17 door de vaststelling van een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, terwijl de tweede ten doel had, een beschikking uit hoofde van de artikelen 3, lid 1, en 15, lid 2, van verordening nr. 17 voor te bereiden, waarin inbreuken worden vastgesteld en geldboeten worden opgelegd. Verder werden in de tweede mededeling punten van bezwaar aangevoerd met betrekking tot alle inbreuken die in de bestreden beschikking in aanmerking zijn genomen, namelijk het inhuurverbod en de advies- en de verrekentarieven, terwijl in de eerste enkel het inhuurverbod werd getoetst aan artikel 85 van het Verdrag. Er zij aan herinnerd, dat ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, alsmede de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268), waarmee toepassing wordt gegeven aan het beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging, de bij een procedure tot vaststelling van een inbreuk betrokken ondernemingen in staat moeten zijn, tijdens de administratieve procedure hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot alle punten van bezwaar die in de beschikking in aanmerking worden genomen (arrest Hof van 13 februari 1979, zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461, r.o. 9; arresten Gerecht van 18 december 1992, gevoegde zaken T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2667, r.o. 39, en 23 februari 1994, gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92, CB en Europay, Jurispr. 1994, blz. II-49, r.o. 47). De Commissie was dus verplicht aan verzoeksters een tweede mededeling van de punten van bezwaar te doen toekomen, niet alleen omdat de beide mededelingen van punten van bezwaar elk een ander doel hadden, doch eveneens omdat in de bestreden beschikking een punt van bezwaar in aanmerking wordt genomen, waarop de eerste mededeling van punten van bezwaar geen betrekking had. Met andere woorden, indien de Commissie de tweede punten van bezwaar niet had meegedeeld, zouden verzoeksters' rechten van de verdediging duidelijk zijn geschonden door de vaststelling van de bestreden beschikking.
66 Vervolgens dient te worden vastgesteld, dat de Commissie haar eindbeschikking heeft gegeven op 29 november 1995, dat wil zeggen ongeveer elf maanden nadat zij op 21 december 1994 verzoeksters' antwoord op de tweede mededeling van de punten van bezwaar had ontvangen. Ongeacht de door partijen in hun memories besproken vertaalproblemen, levert het feit dat de Commissie na ontvangst van het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar elf maanden nodig had om een eindbeschikking in alle officiële talen van de Gemeenschap voor te bereiden, geen schending op van het beginsel dat in een administratieve procedure op het gebied van het mededingingsbeleid een redelijke termijn in acht moet worden genomen.
67 Met betrekking tot verzoeksters' argument, dat de Commissie nooit enige prioriteit aan deze zaak heeft toegekend en van mening was dat zij kon volstaan met het beïnvloeden van de nationale rechter en het geven van een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17, zij eraan herinnerd dat de Commissie bevoegd is, aan de bij haar aanhangig gemaakte zaken verschillende prioriteiten toe te kennen (arrest Automec, reeds aangehaald, r.o. 77). Indien zij van mening is, dat bij haar aangemelde gedragingen niet in aanmerking kunnen komen voor een ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, kan zij bovendien ter beoordeling van de mate van prioriteit die aan de aanmelding moet worden toegekend, rekening houden met het feit dat een nationale rechter reeds een einde heeft gemaakt aan de betrokken inbreuken.
68 In antwoord op een door verzoeksters ter terechtzitting aangevoerd argument betreffende de definitieve schadelijke gevolgen van een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17, zij bovendien opgemerkt, dat het Hof in zijn arrest van 15 maart 1967 (gevoegde zaken 8/66, 9/66, 10/66 en 11/66, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1967, blz. 91) een beroep tot nietigverklaring van een dergelijke beschikking onder meer ontvankelijk heeft verklaard op grond van de overweging dat indien "de voorlopige maatregel (...) aan ieder rechterlijk toezicht onttrokken ware (...), de dreiging [van een boete] verbonden aan deze maatregel tot gevolg zal hebben dat de Commissie praktisch nimmer een definitieve beschikking zal behoeven te nemen". In casu kunnen verzoeksters, die geen beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld tegen de beschikking van 13 april 1994 uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17, niet klagen over eventuele definitieve schadelijke gevolgen van deze beschikking.
69 Gelet op al het hiervoor overwogene, heeft de Commissie gehandeld overeenkomstig het beginsel, dat in de administratieve procedure die is voorafgegaan aan de vaststelling van de bestreden beschikking, een redelijke termijn in acht moest worden genomen.
70 Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
71 Verzoeksters betogen, dat zij 45 maanden in onzekerheid zijn blijven verkeren omtrent de eventuele verlening van de gevraagde ontheffing. Zij voegen daaraan toe, dat het rechtszekerheidsbeginsel een nog dwingender karakter heeft in geval van een regeling die een financiële consequentie kan hebben (arrest Hof van 15 december 1987, zaak 325/85, Ierland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5041, r.o. 18). Een beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 kan geenszins de zekerheid bieden van een eindbeschikking (arrest Hof Cimenteries CBR e.a., reeds aangehaald). Bovendien komt het volgens hen zeer vreemd over, dat de Commissie aangeeft dat verzoeksters omtrent hun situatie zekerheid konden verwerven door af te gaan op de uitspraken van de Nederlandse rechters, welke gezien de omstandigheden slechts bedoelden een voorlopig regime in te stellen, hangende een eindbeschikking van de Commissie. Overigens is het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 in het bijzonder gebaseerd op de brief van de heer Giuffrida van 22 september 1993 (zie r.o. 14, supra), waarin de onjuiste verklaring voorkwam: "the approvals of the departments concerned have already been obtained". Op het ogenblik dat de heer Giuffrida dit verklaarde, had DG III evenwel nog geen oordeel over deze zaak uitgesproken.
72 De Commissie ontkent, dat verzoeksters 45 maanden lang in onzekerheid hebben verkeerd. Dienaangaande verwijst zij naar het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 6 juli 1993. In haar dupliek merkt de Commissie nog op, dat de punten van bezwaar van 16 december 1992, alsmede haar brief van 4 juni 1993 (zie r.o. 9 en 11, supra) een duidelijk signaal naar verzoeksters hebben gegeven, wat het verlenen van een eventuele ontheffing betreft. Verder betoogt zij, dat met de term "departments concerned" in de brief van de heer Giuffrida van september 1993 enkel de coördinatiedirectie van DG IV en de juridische dienst van de Commissie werden bedoeld. DG III was slechts bij de zaak betrokken na een uitdrukkelijk verzoek van dit DG als gevolg van een interventie door verzoeksters. Als gevolg van het feit dat DG III bij de procedure was betrokken, is de beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 enkele maanden later aangenomen dan door de heer Giuffrida redelijkerwijze kon worden voorzien op 22 september 1993.
Beoordeling door het Gerecht
73 Het middel valt uiteen in twee onderdelen.
74 In het eerste onderdeel wordt gevraagd of de Commissie op grond van het rechtszekerheidsbeginsel verplicht is, binnen een redelijke termijn een beschikking vast te stellen, wanneer bij haar overeenkomsten zijn aangemeld krachtens artikel 2 en/of artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17. Aldus geformuleerd, valt dit onderdeel samen met het eerste middel en moet het om dezelfde reden worden afgewezen.
75 In het kader van het tweede onderdeel van het middel klagen verzoeksters over het feit dat de brief van de heer Giuffrida van september 1993 (zie r.o. 14, supra) de onjuiste verklaring bevatte, dat "the approvals of the departments concerned have already been obtained". Deze grief wordt eveneens aangevoerd in het kader van het derde middel betreffende schending van het vertrouwensbeginsel. Het dient te worden afgewezen om de redenen, vervat in rechtsoverweging 82, infra.
76 Bijgevolg kan het middel betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel niet worden aanvaard.
Derde middel: schending van het vertrouwensbeginsel
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
77 Verzoeksters betogen, dat de Commissie toezeggingen heeft gedaan die onjuist zijn gebleken. Zij verwijzen om te beginnen naar de brief van de heer Giuffrida (zie r.o. 14, supra), waarin in september 1993 werd aangekondigd dat de beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 op korte termijn kon worden verwacht. Vervolgens verwijzen zij naar de brief van de heer Ehlermann van 27 juni 1994 (zie r.o. 18, supra), volgens welke de totstandkoming van de eindbeschikking prioriteit genoot. Omdat het Gerechtshof te Amsterdam zich in zijn arrest van 28 oktober 1993 op de toezeggingen van de Commissie heeft gebaseerd, dat de beschikking binnen afzienbare termijn kon worden verwacht, mochten verzoeksters erop kunnen vertrouwen, dat de Commissie haar toezeggingen zou honoreren.
78 In hun repliek merken zij met betrekking tot de brief van de heer Giuffrida nog op, dat DG III verantwoordelijkheid draagt voor het certificatiebeleid, en dat de onderhavige zaak volgens de Commissie het eerste geval van toepassing van artikel 85 op een certificatiesysteem is. Zij zijn derhalve van mening, dat op het moment waarop de brief werd opgesteld, ten minste één "department concerned", namelijk DG III, nog niet haar goedkeuring had verleend. Gezien de invloed die de betrokken brief op het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam heeft gehad, moet volgens hen worden geconcludeerd dat de Commissie door de onjuiste beweringen het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
79 De Commissie brengt hiertegen in, dat de brief van 22 september 1993 niet een onjuist beeld heeft gegeven van de situatie op dat ogenblik. Dienaangaande verwijst zij naar het hiervoor in rechtsoverweging 72 ontwikkelde betoog. Ook is zij van mening, dat de brief van 27 juni 1994 geen enkele onwaarheid bevat.
Beoordeling door het Gerecht
80 Het begrip gewettigd vertrouwen onderstelt, dat door precieze toezeggingen van de communautaire administratie bij de betrokkene verwachtingen zijn gewekt (arrest Gerecht van 19 mei 1994, zaak T-465/93, Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 67, en beschikking Gerecht van 11 maart 1996, zaak T-195/95, Guérin automobiles, Jurispr. 1996, blz. II-171, r.o. 20).
81 In casu beroepen verzoeksters zich op twee brieven van de Commissie, welke toezeggingen zouden bevatten die onjuist zouden zijn gebleken.
82 Wat om te beginnen de brief van de heer Giuffrida betreft, deze is op 21 dan wel op 22 september 1993 opgesteld. Hij is namelijk geschreven in antwoord op een brief van de klagers van 21 september 1993 en verzoeksters verklaren, dat hun van de brief is kennisgegeven op 22 september 1993. In de brief werd meegedeeld, dat een ontwerpbeschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 tijdens de daaropvolgende week aan het college van Commissieleden zou worden voorgelegd en dat de Commissie voornemens was, deze beschikking in de loop van de eerste twee weken van oktober 1993 formeel aan verzoeksters te betekenen. Hoewel deze brief misschien kan worden beschouwd als een brief die precieze toezeggingen bevat betreffende de zeer binnenkort te verwachten vaststelling van een beschikking door de Commissie, betwisten verzoeksters niet dat zij, zodra zij kennis van deze brief hebben genomen, DG III hebben benaderd, opdat dit bij DG IV zou interveniëren (zie in het bijzonder de brief van verzoeksters' advocaat van 5 oktober 1993 aan de heer McMillan, hoofd van de administratieve eenheid III.B.3, waarin wordt verwezen naar een onderhoud van deze laatste met deze advocaat op 28 september 1993). In deze omstandigheden mochten verzoeksters niet verwachten, dat de Commissie de eventuele toezeggingen in haar brief welke ter kennis is gebracht op 22 september 1993, gestand zou doen.
83 De brief van de heer Ehlermann van 27 juni 1994 bevestigde, dat de totstandkoming van een eindbeschikking in deze zaak tot de prioriteiten behoorde van de diensten van DG IV. Gelet op het algemene karakter van een dergelijke verklaring, kan er geen sprake zijn van nauwkeurige toezeggingen van de Commissie die bij verzoeksters gerechtvaardigde verwachtingen hadden kunnen wekken met betrekking tot de datum waarop in de zaak een eindbeschikking zou worden vastgesteld. In ieder geval is de juistheid van de verklaring van de heer Ehlermann bevestigd door de feiten, omdat de Commissie op 21 oktober 1994 punten van bezwaar heeft uitgebracht met het oog op de vaststelling van een eindbeschikking.
84 Uit het voorgaande volgt, dat het derde middel eveneens moet worden afgewezen.
Vierde middel: schending van het recht om te worden gehoord
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
85 Verzoeksters herinneren aan hun herhaalde verzoeken om te worden gehoord tijdens de procedure waarna de beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 is vastgesteld. Het feit dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan deze verzoeken, is in strijd met de rechten van de verdediging. Volgens hen vereiste de bescherming van deze rechten, dat zij in een mondelinge, met alle formele waarborgen omklede procedure, konden reageren op de nieuwe feiten die gedurende de administratieve procedure aan het licht konden zijn gekomen, en op de afwijzing van elk compromis door de Commissie. Het belang van deze hoorzitting voor hen zou in ieder geval in de periode vóór de vaststelling van de beschikking op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 elke eventuele vertraging van de procedure hebben gerechtvaardigd.
86 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij verzoeksters in de gelegenheid heeft gesteld om hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de door haar geformuleerde punten van bezwaar. Er kan dus geen sprake zijn van een schending van de rechten van de verdediging. Bij gebreke van enige wettekst die voorschrijft dat de betrokken ondernemingen of verenigingen mondeling moeten worden gehoord voordat de Commissie een beschikking geeft op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17, en bij gebreke van bijzondere feitelijke omstandigheden die als gevolg zouden hebben dat in casu een hoorzitting de enige mogelijkheid was om de rechten van de verdediging effectief te waarborgen, was de Commissie geenszins verplicht om verzoeksters mondeling te horen, nadat zij hen reeds schriftelijk had gehoord.
Beoordeling door het Gerecht
87 Volgens verzoeksters was hun schade een gevolg van het feit dat de Commissie op het moment van de indiening van het verzoekschrift nog geen eindbeschikking had vastgesteld met betrekking tot verzoeksters' aanmeldingen en hen aldus bijna vier jaar lang in twijfel had laten verkeren omtrent de wettigheid van de aangemelde statuten en reglementen. Het gedrag van de Commissie zou ten gevolge hebben gehad, dat de Raad voor de Certificatie dreigde de erkenning van SCK in te trekken, de verhuurders van kranen de algemene voorwaarden van FNK minder in acht namen en de goede reputatie van verzoeksters werd aangetast.
88 Vastgesteld zij, dat de in dit middel aan de kaak gestelde gedraging van de Commissie, namelijk het niet organiseren van een hoorzitting vóór de vaststelling van een beschikking krachtens artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17, de aldus in het verzoekschrift gestelde schade niet heeft kunnen veroorzaken of verergeren.
89 Dit middel houdt dus geen enkel verband met deze schade.
90 Bovendien heeft het enkel betrekking op de wettigheid van de beschikking van 13 april 1994, die is gegeven krachtens artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17. Het onderhavige beroep strekt evenwel tot vergoeding van een schade als gevolg van het feit dat niet binnen een redelijke termijn een eindbeschikking zou zijn gegeven, en niet als gevolg van een onwettigheid van de beschikking van 13 april 1994, waartegen verzoeksters in elk geval niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn opgekomen.
91 Het vierde middel dient derhalve te worden afgewezen.
92 Uit al het voorgaande volgt, dat bij onderzoek van de verschillende middelen niet is gebleken van een onrechtmatig handelen van de Commissie, waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk is.
93 Niettemin is het Gerecht van oordeel, dat nog moet worden onderzocht, of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het beweerdelijk onrechtmatig handelen en de door verzoeksters gestelde schade.
2. Het oorzakelijk verband
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
94 Verzoeksters betogen, dat hun schade moet worden toegerekend aan de Commissie. Zij stellen, dat SCK haar erkenning dreigt te verliezen, omdat de Raad voor de Certificatie van oordeel is, dat het inhuurverbod de enige manier is om aan de erkenningscriteria te voldoen, terwijl dit inhuurverbod juist is opgeschort in afwachting van de bestreden beschikking. De reputatie van FNK en haar algemene voorwaarden in het bijzonder zijn aldus door het gedrag van de Commissie aangetast. In hun repliek beklemtonen verzoeksters nog, dat het Gerechtshof te Amsterdam op basis van een onjuiste verklaring van de Commissie in een voorlopig arrest de opschorting van het inhuurverbod heeft bevolen in afwachting van een eindoordeel van de Commissie (zie r.o. 14, supra). Zij zijn van mening, dat door het stilzitten van de Commissie gedurende een onaanvaardbaar lange periode aan het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 een effect in de tijd is verleend, dat ver uitgaat boven hetgeen het Gerechtshof bedoeld kan hebben.
95 De Commissie brengt hiertegen in, dat er geen rechtstreeks en noodzakelijk causaal verband is tussen het optreden van de Commissie en de voortdurende buitenwerkingstelling van het inhuurverbod. Niet zijzelf, maar de Nederlandse rechter heeft bij wege van voorlopige maatregel het inhuurverbod opgeschort. Indien SCK van mening was, dat de voorlopige maatregelen na verloop van tijd niet meer verantwoord waren, omdat de eindbeschikking van de Commissie langer uitbleef dan verwacht, dan had SCK zich tot de Nederlandse rechter kunnen richten om een beëindiging of een wijziging van de voorlopige maatregelen te vragen.
Beoordeling door het Gerecht
96 Artikel 85, lid 1, van het Verdrag brengt rechtstreekse gevolgen teweeg in de betrekkingen tussen particulieren en doet voor de justitiabelen rechtstreeks rechten ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 28 februari 1991, zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991, blz. I-935, r.o. 45).
97 Met toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft het Gerechtshof te Amsterdam SCK in zijn arrest van 28 oktober 1993 verboden, het "inhuurverbod" (artikel 7, tweede streepje, van het Reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijven van SCK) toe te passen. Hoewel het juist is, dat het Gerechtshof te Amsterdam is beïnvloed door het standpunt van de Commissie, en wel door de brief van de heer Giuffrida van september 1993 (zie r.o. 14, supra), waarin de vaststelling van een beschikking uit hoofde van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 wordt aangekondigd, was de nationale rechter evenwel niet gebonden aan dit standpunt. Het oordeel van de heer Giuffrida omtrent dit verbod was slechts een feitelijk gegeven, waarmee het Gerechtshof te Amsterdam rekening kon houden bij zijn onderzoek van de vraag of deze gedraging in overeenstemming was met artikel 85 van het Verdrag (arrest Hof van 10 juli 1980, gevoegde zaken 253/78, 1/79, 2/79 en 3/79, Giry en Guerlain e.a., Jurispr. 1980, blz. 2327, r.o. 13; arrest Gerecht van 9 januari 1996, zaak T-575/93, Koelman, Jurispr. 1996, blz. II-1, r.o. 43). Zoals overigens zal blijken bij het onderzoek van het tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep tot nietigverklaring, berust het standpunt dat de Commissie tijdens de administratieve procedure heeft verdedigd en in de bestreden beschikking heeft overgenomen, op een juiste uitlegging van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Indien voor SCK intrekking van haar erkenning dreigde, was dit dus een gevolg van het feit, dat SCK verplicht was een einde te maken aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Een dergelijke "schade" kan niet aan de Commissie worden toegerekend.
98 Met betrekking tot FNK verklaren verzoeksters niet, op welke wijze haar reputatie is aangetast en haar algemene voorwaarden in het gedrang zijn gekomen door het handelen van de Commissie, hoewel verzoeksters volgens vaste rechtspraak een oorzakelijk verband tussen de door de instelling begane onrechtmatige daad en de gestelde schade moeten bewijzen (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 30 januari 1992, gevoegde zaken C-363/88 en C-364/88, Finsider e.a., Jurispr. 1992, blz. I-359, r.o. 25; arrest Gerecht van 18 september 1995, zaak T-168/94, Blackspur e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2627, r.o. 40). De enige gedragingen van FNK die in de administratieve procedure zijn betrokken, zijn het systeem van advies- en verrekentarieven en de zogenoemde "voorrangsclausule", op grond waarvan de leden van FNK verplicht waren, bij de inhuur en de verhuur van kranen bij voorrang andere leden van deze vereniging in te schakelen (artikel 3, sub a en b, van het huishoudelijk reglement van FNK). Verzoeksters hebben evenwel tijdens de administratieve procedure, de schriftelijke procedure voor het Gerecht en ter terechtzitting verklaard, dat FNK deze gedragingen vrijwillig buiten toepassing had gelaten nadat het Gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 11 februari 1992 had vernietigd op 9 juli 1992, dat wil zeggen in een periode (juli 1992) waarin de Commissie nog geen standpunt, zelfs geen voorlopig standpunt, had bepaald met betrekking tot de aanmelding van FNK of de klacht van Van Marwijk. De door FNK gestelde schade kan dus op generlei wijze zijn veroorzaakt door het optreden van de Commissie tijdens de administratieve procedure.
99 Uit al deze overwegingen blijkt, dat het beroep tot schadevergoeding moet worden verworpen, zonder dat nog behoeft te worden onderzocht, of aan de andere voorwaarde voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap, te weten het bestaan van schade, is voldaan.
Het beroep tot vaststelling van de non-existentie of tot nietigverklaring van beschikking 95/551 (zaak T-18/96)
1. De conclusie, strekkende tot vaststelling van de non-existentie van de bestreden beschikking
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
100 Tot staving van hun conclusie voeren verzoeksters één middel aan. Zij zijn van mening, dat de bestreden beschikking non-existent is, aangezien in het dispositief door de Commissie niet wordt beschikt op het verzoek om een ontheffing, dat is ingediend krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag. Op dit verzoek had in het dispositief moeten worden beschikt, aangezien de overeenstemming van een situatie met de communautaire mededingingsregels moet worden beoordeeld met inachtneming van artikel 85 in zijn geheel (arrest Gerecht van 11 juli 1996, gevoegde zaken T-528/93, T-542/93, T-543/92 en T-546/93, Métropole Télévision e.a., Jurispr. 1996, blz. II-649) en alleen het dispositief van een handeling rechtsgevolgen kan hebben (arresten Gerecht van 17 september 1992, zaak T-138/89, NBV en NVB, Jurispr. 1992, blz. II-2181, r.o. 31, en 8 juni 1993, zaak T-50/92, Fiorani, Jurispr. 1993, blz. II-555, r.o. 39). De beschikking van de Commissie van 13 april 1994 op basis van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 is in dit verband niet van belang. Een dergelijke beschikking wordt slechts gegeven na een voorlopig onderzoek en is dus niet gelijkwaardig aan een eindbeschikking. Bovendien zou zelfs indien zij als een eindbeschikking zou kunnen worden beschouwd, niettemin moeten worden vastgesteld, dat in casu deze beschikking slechts betrekking had op het inhuurverbod van SCK en dat daarin geen uitspraak werd gedaan over de door FNK aangemelde gedragingen, zodat nog steeds een beschikking omtrent de eventuele toepassing van artikel 85, lid 3, op deze laatste gedragingen zou ontbreken.
101 De Commissie brengt hiertegen in, dat uit de overwegingen 32 tot en met 39 van de bestreden beschikking duidelijk blijkt, dat zij verzoeksters' argumenten met betrekking tot een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag heeft onderzocht en verworpen. De toevoeging van een artikel in het dispositief, waarbij het verzoek om ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag uitdrukkelijk wordt afgewezen, is niet noodzakelijk, omdat de vaststelling in de artikelen 1 en 3 van de inbreuken van SCK en FNK op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, alsmede de bevelen in de artikelen 2 en 4 noodzakelijkerwijze de afwijzing van het verzoek om een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag impliceerden.
Beoordeling door het Gerecht
102 In het dispositief van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld, dat het systeem van advies- en verrekentarieven van FNK (artikel 1) en het inhuurverbod van SCK (artikel 3) inbreuk maakten op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, en heeft zij FNK (artikel 2) en SCK (artikel 4) gelast, onverwijld een einde te maken aan deze inbreuken. Verder werd verzoeksters in de bestreden beschikking een geldboete opgelegd (artikel 5).
103 Hoewel in dit dispositief niet uitdrukkelijk wordt beschikt op de verzoeken om ontheffing die verzoeksters krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag hebben ingediend, moet worden vastgesteld, dat de Commissie de overeenstemming van de in artikelen 1 en 3 van de bestreden beschikking bedoelde gedragingen met de mededingingsregels heeft getoetst aan artikel 85 in zijn geheel. Uit de omstandige motivering van de bestreden beschikking (overwegingen 32-39) blijkt namelijk, dat de Commissie heeft onderzocht, of krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag artikel 85, lid 1, van het Verdrag buiten toepassing kon worden verklaard voor deze gedragingen. Aan het slot van haar onderzoek merkt zij in overweging 35 met betrekking tot de door FNK opgestelde advies- en verrekentarieven op, dat "een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag (...) uitgesloten" is. Ook in overweging 39 concludeert zij uitdrukkelijk, dat "een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag voor wat het inhuurverbod van de SCK betreft, uitgesloten" is.
104 Opgemerkt zij, dat de motivering van een handeling onontbeerlijk is om te bepalen, wat precies in het dispositief is vastgesteld (arresten Hof van 26 april 1988, gevoegde zaken 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, Asteris e.a., Jurispr. 1988, blz. 2181, r.o. 27, en 15 mei 1997, zaak C-355/95 P, TWD, Jurispr. 1997, blz. I-2549, r.o. 21; arrest Gerecht van 5 juni 1992, zaak T-26/90, Finsider, Jurispr. 1992, blz. II-1789, r.o. 53). Ofschoon in het dispositief van de bestreden beschikking niet met zoveel woorden wordt beschikt op verzoeksters' verzoeken om ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, houden de vaststelling van de inbreuken en de bevelen om daaraan een einde te maken, die zijn vervat in het dispositief, gelet op de motivering van de beschikking (overwegingen 32-39), noodzakelijkerwijze in dat de Commissie de desbetreffende verzoeken afwijst.
105 Ten slotte kunnen verzoeksters geen argument ontlenen aan het arrest NBV en NVB en het arrest Fiorani (beide reeds aangehaald). In elk van deze zaken, die in geen enkel opzicht een probleem van non-existentie van een beschikking van een gemeenschapsinstelling betroffen, was het dispositief van de bestreden beschikking niet bezwarend voor de verzoekers. Slechts enkele overwegingen van de motivering van de betrokken beschikkingen werden geacht, niet gunstig te zijn voor de verzoekers. De in deze zaken ingestelde beroepen tot nietigverklaring zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij in werkelijkheid ertoe strekten, dat enkel de motivering van de beschikking nietig zou worden verklaard. In casu is het dispositief van de bestreden beschikking bezwaarlijk voor verzoeksters, aangezien zij aansprakelijk worden gesteld voor inbreuken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, hun wordt gelast daaraan een eind te maken, hun een geldboete wordt opgelegd en hun verzoeken om ontheffing impliciet doch stellig worden afgewezen.
106 Daaruit volgt dat het middel niet kan worden aanvaard.
107 Bijgevolg moet de conclusie, strekkende tot vaststelling van de non-existentie van de bestreden beschikking, worden afgewezen.
2. De conclusie, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking
108 Tot staving van hun conclusie, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voeren verzoeksters vijf middelen aan: schending van de artikelen 3, 4, 6 en 9 van verordening nr. 17, schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, schending van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, schending van de rechten van de verdediging en schending van artikel 190 van het Verdrag.
Eerste middel: schending van de artikelen 3, 4, 6 en 9 van verordening nr. 17
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
109 Verzoeksters stellen lacuneus en onder verwijzing naar hun argumenten betreffende de non-existentie van de bestreden beschikking, dat de Commissie, door niet te beschikken op de verzoeken om ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag, inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 3, 4, 6 en 9 van verordening nr. 17, en dat zij zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vormfout, zodat de beschikking niet aan de geldende vormvereisten voldoet en derhalve nietig moet worden verklaard.
110 De Commissie verwijst naar haar betoog betreffende de conclusie, strekkende tot vaststelling van de non-existentie van de bestreden beschikking.
Beoordeling door het Gerecht
111 Dit middel is gebaseerd op dezelfde argumenten als die welke zijn aangevoerd in het kader van het middel tot staving van de conclusie, strekkende tot vaststelling van de non-existentie van de bestreden beschikking.
112 In deze beschikking heeft de Commissie op stellige wijze uitspraak gedaan omtrent de verzoeken om ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, van verzoeksters (zie r.o. 103 en 104, supra).
113 Het eerste middel dient derhalve te worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
114 Gelet op het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling, dient dit middel in vier onderdelen te worden opgesplitst.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 695A0213.1
115 In het eerste onderdeel wordt gesteld, dat SCK ten onrechte als onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is aangemerkt. Het tweede onderdeel valt zelf uiteen in twee argumenten: onjuiste rechtsopvatting inzake de verwijzing naar de criteria transparantie, openheid, onafhankelijkheid en aanvaarding van door andere systemen geboden gelijkwaardige waarborgen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een certificatiesysteem met artikel 85, lid 1, van het Verdrag; onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het inhuurverbod ten doel of ten gevolge had, de mededinging te beperken in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Volgens het derde onderdeel is er sprake van een onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het systeem van advies- en verrekentarieven ten doel of ten gevolge had, de mededinging te beperken in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Het vierde onderdeel tenslotte is ontleend aan een onjuiste beoordeling van de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten.
Het eerste onderdeel: onjuiste kwalificatie van SCK als onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag - Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
116 Verzoeksters betogen, dat SCK niet een onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is, omdat een certificatie-instelling die zich uitsluitend en alleen bezighoudt met een neutrale en objectieve toetsing van ondernemingen in een bepaalde sector, niet een economische activiteit uitoefent (zie arresten Hof van 23 april 1991, zaak C-41/90, Höfner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979; 17 februari 1993, gevoegde zaken C-159/91 en C-160/91, Poucet en Pistre, Jurispr. 1993, blz. I-637, en conclusie van advocaat-generaal Slynn bij het arrest van 30 januari 1985, zaak 123/83, BNIC, Jurispr. 1985, blz. 391, 392). Evenmin is SCK volgens hen een ondernemersvereniging in de zin van dit artikel.
117 De Commissie brengt hiertegen in, dat het volstaat dat een instelling, welke rechtsvorm zij ook heeft, een economische activiteit uitoefent die in principe door een private onderneming en met winstoogmerk zou kunnen worden uitgeoefend, om als een onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te worden beschouwd. In casu is het verlenen van een certificaat tegen betaling een dergelijke activiteit. SCK moet derhalve als een onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag worden beschouwd.
- Beoordeling door het Gerecht
118 In de bestreden beschikking heeft de Commissie SCK als onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag aangemerkt (overweging 17, tweede alinea).
119 Derhalve moet worden onderzocht, of bij deze kwalificatie door de Commissie sprake is van een onjuiste beoordeling of een onjuiste rechtsopvatting.
120 In de context van het mededingingsrecht "omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd" (arrest Höfner en Elser, reeds aangehaald, r.o. 21).
121 SCK is een privaatrechtelijke instelling, die een certificatiesysteem heeft opgezet voor kraanverhuurbedrijven en waarbij de aansluiting facultatief is. Zij stelt zelfstandig de criteria vast, waaraan de gecertificeerde ondernemingen moeten voldoen. Zij geeft slechts een certificaat af tegen betaling van een bijdrage.
122 Uit deze kenmerken blijkt, dat SCK een economische activiteit uitoefent. Zij moet derhalve als een onderneming in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag worden beschouwd.
123 Aangezien de Commissie SCK terecht als een onderneming heeft aangemerkt, is verzoeksters' argument dat SCK geen ondernemersvereniging is, niet ter zake dienend.
124 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.
Het tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvatting inzake de verwijzing naar de criteria van transparantie, openheid, onafhankelijkheid en aanvaarding van door andere systemen geboden gelijkwaardige waarborgen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een certificatiesysteem met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, alsmede onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het inhuurverbod ten doel of ten gevolge had, de mededinging te beperken in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
- Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
125 Verzoeksters herinneren eraan, dat de Commissie zich in de bestreden beschikking op het standpunt heeft gesteld, dat indien het inhuurverbod "verbonden zou zijn aan een certificatiesysteem dat volledig open, onafhankelijk en transparant is en dat in de aanvaarding van door andere systemen geboden gelijkwaardige waarborgen voorziet, zou kunnen worden verdedigd dat het verbod geen beperkende uitwerking op de concurrentie teweeg brengt, maar louter op het volledig garanderen van de kwaliteit van de gecertificeerde goederen of diensten gericht is" (overweging 23, eerste alinea). Huns inziens heeft de Commissie artikel 85, lid 1, van het Verdrag geschonden, aangezien zij op eigen gezag algemene criteria specificeert voor de beoordeling van de toepasselijkheid van deze bepaling op certificatiesystemen, terwijl deze criteria niet zijn neergelegd in artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
126 Verder heeft het inhuurverbod in het kader van het certificatiesysteem van SCK volgens hen niet ten doel of ten gevolge, de mededinging te beperken. Voor de beoordeling van de vraag, of dergelijke bedingen onder het verbod van artikel 85, lid 1, vallen, moet worden onderzocht, hoe de mededingingssituatie zou zijn, indien zij niet bestonden (arrest Hof van 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia e.a., Jurispr. 1985, blz. 2545, r.o. 18). Het certificatiesysteem van SCK bevordert de mededinging. Het draagt bij tot de doorzichtigheid op de markt, omdat met behulp van een dergelijk systeem op basis van een objectieve en onpartijdige standaard het kwaliteits- en veiligheidsniveau van de diverse aanbieders van een product kan worden gemeten. Het is noodzakelijk de inhuur van kranen bij niet-gecertificeerde bedrijven te verbieden, omdat een dergelijk verbod het enige middel is om te garanderen, dat elke opdracht bij een gecertificeerde onderneming wordt uitgevoerd door een onderneming die aan dezelfde veiligheids- en kwaliteitseisen voldoet. Aldus biedt het inhuurverbod een zelfde bescherming als een merk, waarvan het Hof de verenigbaarheid met het communautaire mededingingsrecht heeft erkend (arrest Hof van 17 oktober 1990, zaak C-10/89, CNL-SUCAL, Jurispr. 1990, blz. I-3711, r.o. 13). Het inhuurverbod is eveneens onmisbaar, omdat dit het enige middel is om te voldoen aan het vereiste van artikel 2, lid 5, van de erkenningscriteria van de Raad voor de Certificatie (zie r.o. 5, supra), volgens hetwelk de certificatie-instelling in geval van inschakeling van een toeleverancier verplicht is, zelf te controleren dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Met betrekking tot het voorstel van de Commissie om gecertificeerde ondernemingen toe te staan om door middel van op voorhand opgestelde lijsten aan te tonen, dat niet-gecertificeerde ondernemingen waarop zij een beroep doen, niettemin aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen, zijn verzoeksters van mening dat een dergelijke ad-hoctoets een rechtstreekse negatie inhoudt van een certificatiesysteem dat is gebaseerd op een systematisch verrichte controle. Ten slotte moet het inhuurverbod ook worden gehandhaafd, wanneer de opdrachtgever uitdrukkelijk instemt met het inhuren van kranen bij een niet-gecertificeerde onderneming. De geloofwaardigheid van het certificatiesysteem berust namelijk op het feit, dat alle door de gecertificeerde ondernemingen geleverde producten en diensten aan de gestelde criteria voldoen.
127 Verzoeksters betogen, dat het onderhavige systeem in ieder geval voldoet aan alle criteria die door de Commissie zijn vastgesteld. Om te beginnen stellen zij, dat het onderhavige systeem volledig open is, aangezien niet alleen de leden van FNK, doch iedere onderneming die dit wenst, zich daarbij kan aansluiten. Zo heeft SCK certificaten afgegeven aan twaalf ondernemingen die geen lid waren van FNK. De voor de verkrijging van een certificaat gestelde eisen zijn objectief en non-discriminatoir. Ter zake preciseren verzoeksters, dat de reductie op de tarieven van deelname, welke de leden van FNK tot 1 januari 1992 genoten, slechts een compensatie was voor de door FNK ten behoeve van SCK georganiseerde secretariaatsdiensten. Het systeem stond ook open voor ondernemingen uit andere Lid-Staten, hetgeen wordt bevestigd door een rapport van de Raad voor de Certificatie van 11 januari 1993 en door een brief van de Vereniging van Belgische Kraanverhuurbedrijven van 11 maart 1994. SCK heeft steeds erkend, dat een inschrijving in het buitenland voldeed aan de voorwaarde, gesteld aan de onderneming die een SCK-certificaat wenste, om ingeschreven te worden in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De moeilijkheden die buitenlandse ondernemingen zouden ondervinden om op de Nederlandse markt te penetreren, zijn dan ook uitsluitend te wijten aan de uiteenlopende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de landen.
128 Vervolgens wijzen verzoeksters erop, dat ofschoon dit in het SCK-Reglement niet uitdrukkelijk wordt vermeld, SCK andere certificatiesystemen als gelijkwaardig erkent, mits deze gelijkwaardige waarborgen bieden als het onderhavige systeem. Huns inziens heeft het SCK-certificatiesysteem in feite zowel in materieel als in procedureel opzicht een toegevoegde waarde ten opzichte van de wettelijke regeling. In materieel opzicht stelt het zowel op technisch als bedrijfseconomisch vlak eisen die verder gaan dan de wettelijke eisen. SCK stelt, dat zij een veel actiever controlebeleid voert dan Keboma. Deze aanvullende functie van een certificatiesysteem is te verklaren door een bewust beleid in Nederland om de controle op de naleving van wettelijke voorschriften zoveel mogelijk over te laten aan de marktpartijen. De toegevoegde waarde van het SCK-certificatiesysteem is erkend in een nota van DG III van 18 augustus 1994 aan DG IV. Onder deze omstandigheden zijn verzoeksters van mening, dat SCK geen toestemming kan geven voor de inhuur van kranen die enkel aan de wettelijke eisen voldoen, omdat haar certificatiesysteem dan niet meer sluitend zou zijn. Het feit dat er nog geen andere privaatrechtelijke instellingen bestaan, die een certificatiesysteem hebben opgezet dat vergelijkbaar is met dat van SCK, betekent volgens hen niet, dat SCK niet bereid is een vergelijkbaar systeem te erkennen, indien dat zou bestaan. Overigens zou het argument van de Commissie het onmogelijk maken om een certificatiesysteem te ontwikkelen in een branche waar er nog geen bestaat, omdat het eerst opgerichte systeem niet de mogelijkheid zou hebben om andere vergelijkbare systemen te erkennen.
129 De Commissie brengt hiertegen in, dat in de overwegingen 23 tot en met 30 van de bestreden beschikking het inhuurverbod gedetailleerd en genuanceerd wordt geanalyseerd in het kader van de juridische en economische context van dit verbod, teneinde te bepalen of een dergelijk verbod verenigbaar is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag (zie arrest Hof van 30 juni 1966, zaak 56/65, Société Technique Minière, Jurispr. 1966, blz. 391).
130 Zij stelt, dat het inhuurverbod niet onmisbaar is om ervoor te zorgen, dat het onderhavige certificatiesysteem sluitend blijft. Om het onevenredige karakter van het verbod te beklemtonen, merkt zij op, dat het verbod de mogelijkheid uitsluit om kranen in te zetten die door andere instellingen zijn gecertificeerd, en het aan de hoofdcontractant niet toestaat om, zelfs op voorhand door de opstelling van een lijst, aan te tonen dat zijn niet-gecertificeerde subcontractant aan alle door SCK gestelde vereisten voldoet. Bovendien belet het verbod de hoofdcontractant om een niet-gecertificeerde subcontractant in te schakelen, wanneer de opdrachtgever uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de kwaliteitsgaranties die zijn verbonden aan het SCK-certificaat en heeft ingestemd met het gebruik van niet-gecertificeerde kranen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex