Gerecht EU 13 december 1995, T-109/94, ECLI:EU:T:1995:211
Tekst
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Termijnen ° Aanvang ° Handeling die niet is bekendgemaakt of waarvan niet aan verzoeker kennis is gegeven ° Exacte kennis van inhoud en gronden ° Verplichting om binnen redelijke termijn na bekend worden van bestaan van handeling volledige tekst ervan op te vragen
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea)
2. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Rechten van verdediging ° Werkingssfeer ° Procedure voor selectie van projecten waarvoor financiële steun van Gemeenschap kan worden verleend ° Daarvan uitgesloten
3. Beroep tot nietigverklaring ° Bevoegdheid van gemeenschapsrechter ° Vordering dat wordt gelast dat na heronderzoek van dossiers nieuw besluit wordt genomen ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173)
Samenvatting
1. Bij gebreke van bekendmaking of kennisgeving van een handeling gaat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring eerst in vanaf het tijdstip waarop de betrokken derde exact kennis heeft van de inhoud en motivering van de betrokken handeling, op voorwaarde evenwel, dat hij de volledige tekst van de betrokken handeling opvraagt binnen een redelijke termijn vanaf de datum waarop hij het bestaan ervan heeft vernomen.
2. Het is in overeenstemming met het stelsel van de programma' s voor financiële steunverlening van de Gemeenschap, dat de kandidaten voor dergelijke steun in de regel niet meer worden gehoord tijdens de selectie, die op basis van de door de aanvragers ingediende stukken wordt verricht. Een dergelijke werkwijze is passend in een situatie waarin honderden aanvragen moeten worden onderzocht, en levert derhalve geen schending op van het recht om te worden gehoord.
3. Een in het kader van een beroep tot nietigverklaring ingediende vordering om de Commissie te gelasten na heronderzoek van het dossier een nieuw besluit te nemen, moet worden afgewezen.
In het kader van zijn wettigheidstoetsing kan de gemeenschapsrechter immers geen bevelen richten tot de instellingen. De betrokken administratie is gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een op een beroep tot nietigverklaring gewezen arrest.
Partijen
In zaak T-109/94,
Windpark Groothusen GmbH & Co. Betriebs KG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Groothusen-Krummhoern (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Schumacher, hoogleraar te Bremen, en B. Grunewald, advocaat te Bremen,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 januari 1994 waarbij aan verzoekster financiële steun in het kader van het Thermie-programma voor 1993 is geweigerd, en tot veroordeling van de Commissie tot het nemen van een nieuw besluit,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, waarnemend voor de president, A. Kalogeropoulos en V. Tiili, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 20 september 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader en aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Op 26 juni 1990 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2008/90 inzake de bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied in Europa (Thermie-programma) (PB 1990, L 185, blz. 1; hierna: "Thermie-verordening") vast. Het Thermie-programma betreft in totaal 17 toepassingssectoren, waaronder de windenergie.
2 Overeenkomstig artikel 8 van de Thermie-verordening wordt de procedure voor de keuze van projecten ingeleid door de Commissie, die in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een uitnodiging tot indiening van voorstellen voor projecten moet publiceren. Voor de keuze van projecten waarvan de totale kosten meer dan 500 000 ECU bedragen, wordt de Commissie bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten (hierna: "Thermie-comité"), dat advies uitbrengt over het door de Commissie voorgelegde ontwerp van te nemen maatregelen. Wanneer de door de Commissie vastgestelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité, moet de Commissie deze maatregelen meedelen aan de Raad. De Raad kan dan krachtens artikel 10, lid 1, van de Thermie-verordening een andersluidend besluit nemen.
3 Voor 1993 publiceerde de Commissie op 16 juli 1992 in het Publikatieblad een mededeling betreffende het verlenen van financiële steun voor projecten ter bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied ° Thermie-programma (PB 1992, C 179, blz. 14). Zij nodigde belangstellenden uit vóór 1 december 1992 projecten in te dienen met het oog op de eventuele selectie daarvan voor de toekenning van financiële steun in 1993. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de Thermie-verordening vermeldde zij, dat "energiezuinige gebouwen met een lage CO2-uitstoot" en "geïntegreerde stedelijke verkeersbeheerssystemen" voorrang zouden krijgen. Voorts wees zij erop, dat een document met bijzonderheden over de procedure voor de indiening van projecten en informatie over de toepassingsgebieden, selectiecriteria en andere relevante gegevens, bij haar diensten verkrijgbaar was.
4 Verzoekster is een vennootschap die tot doel heeft in Groothusen bij Emden in Duitsland een windenergiepark op te richten en te exploiteren.
5 Op 27 november 1992 diende verzoekster bij de Commissie een aanvraag in voor 1 933 495 ECU steun voor de oprichting van een windenergiepark.
6 De Commissie ontving ongeveer 700 voorstellen. Het directoraat-generaal Energie stelde in maart 1993 een document op waarin de projecten werden geëvalueerd. Op 5 april 1993 werden deze projecten onderzocht door het technisch comité voor windenergie en op 3 en 4 juni 1993 door het Thermie-comité. De prioriteiten voor de uitnodigingen tot indiening van voorstellen werden dus vastgesteld volgens de zogenoemde comité-procedure van artikel 9, lid 2, juncto artikel 10, lid 1, van de Thermie-verordening.
7 Op 19 juli 1993 besloot de Commissie om aan in totaal 137 projecten financiële steun te verlenen. Bij hetzelfde besluit stelde zij eveneens een "reservelijst" van 49 vervangende projecten vast. Van de 52 projecten inzake windenergie kregen er elf financiële steun en werden er acht op de reservelijst geplaatst. In het Publikatieblad van 24 juli 1993 (C 200, blz. 4) werd over het besluit een beknopte mededeling gepubliceerd.
8 Op 5 augustus 1993 deelde de Commissie verzoekster mee, dat haar project was opgenomen in een "aanvullende lijst van projecten die vóór 31 december 1993 financiële steun kunnen krijgen indien voldoende kredieten beschikbaar zijn, met name indien projecten waarvoor reeds financiële steun is toegezegd, niet worden gerealiseerd". Volgens een bijlage bij de brief bedroeg de maximumsteun voor dit project 918 028 ECU. De Commissie beklemtoonde, dat het feit dat het project op de aanvullende lijst stond, geen toezegging impliceerde, en dat zij elke verantwoordelijkheid voor de eventuele gevolgen van een definitieve beslissing om verzoekster geen financiële steun te verlenen, afwees.
9 Bij faxbericht van 9 augustus 1993 vroeg verzoekster de Commissie aanvullende inlichtingen en toestemming om de werken aan te vatten. Het verbindingsbureau van het Land Niedersachsen bij de Europese Gemeenschappen deelde verzoekster daarop mee, dat haar project op de reservelijst stond en dat niet vóór september van dat jaar over eventuele financiële steun zou worden beslist.
10 Bij brief van 13 januari 1994 deelde de Commissie verzoekster mee, dat voor haar project in 1993 geen financiële steun kon worden verleend, omdat daarvoor op de begroting geen kredieten beschikbaar waren.
11 Verzoekster reageerde hierop bij brieven van 9 en 23 februari 1994, waarin zij uiting gaf aan haar ontgoocheling en vroeg "de procedure en het besluit van 13 januari 1994 grondig te heronderzoeken". De Commissie antwoordde hierop bij brief van 16 maart 1994, waarin zij de inhoud van haar brieven van 5 augustus 1993 en 13 januari 1994 bevestigde.
Procesverloop en conclusies van partijen
12 In deze omstandigheden heeft verzoekster bij een op 17 maart 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
13 De schriftelijke behandeling is normaal verlopen en is op 12 september 1994 geëindigd. Het Gerecht heeft een aantal maatregelen tot organisatie van de procesgang getroffen.
14 Ter terechtzitting van 20 september 1995 hebben partijen pleidooi gehouden en mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord.
15 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het besluit van verweerster van 13 januari 1994 nietig te verklaren en verweerster te gelasten, met inachtneming van de rechtsopvatting van het Hof van Justitie opnieuw te beslissen;
° verweerster in de kosten te verwijzen.
16 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
17 In haar verzoekschrift vorderde verzoekster enkel nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 januari 1994. In repliek stelde verzoekster evenwel, dat het beroep ook moet worden geacht te zijn gericht tegen de eerdere besluiten van de Commissie, met name tegen het besluit van 19 juli 1993, voor zover haar grieven op die besluiten betrekking hebben.
18 In die omstandigheden acht het Gerecht het noodzakelijk, allereerst de aard van de verschillende handelingen te onderzoeken, teneinde te bepalen in hoeverre het onderhavige beroep ontvankelijk is.
Samenvatting van de argumenten van partijen
19 Verzoekster stelt, dat de Commissie in het besluit van 19 juli 1993 betreffende de in 1993 in het kader van het Thermie-programma verleende steun had geoordeeld dat haar project in beginsel voor steun in aanmerking kwam. Op grond daarvan had zij aangenomen, dat haar project op een "aanvullende lijst" stond en dat de vooruitzichten gunstig waren. De enige daadwerkelijke restrictie in de brief van 5 augustus 1993 was de beperking van de financiële steun tot 918 028 ECU. Verzoekster stelt verder, dat zij slechts bij lezing van het antwoord van de Commissie van 16 maart 1994 (zie hierboven, r.o. 11) en van het verweerschrift heeft vernomen, dat de "aanvullende lijst" waarin haar project was opgenomen, een "reservelijst" was. Ter terechtzitting beklemtoonde zij, dat zij niet had begrepen dat de brief van 5 augustus 1993 in feite neerkwam op een weigering om in 1993 op grond van het Thermie-programma financiële steun te verlenen voor haar project.
20 Ter terechtzitting herhaalde verzoekster, dat de Commissie haar pas bij het bij brief van 13 januari 1994 meegedeelde besluit definitief financiële steun in het kader van het Thermie-programma voor 1993 heeft geweigerd. In antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht zette zij uiteen, dat enkel dit besluit daadwerkelijk rechtsgevolgen heeft gehad. Daarom was het volgens haar noodzakelijk dat besluit af te wachten alvorens een procedure bij het Gerecht in te leiden.
21 Verweerster beklemtoont allereerst, dat de context van de brief van 13 januari 1994 in aanmerking moet worden genomen. Verzoekster heeft tegen de brief van 5 augustus 1993 geen enkel juridisch bezwaar aangetekend, hoewel deze brief haar in kennis stelde van de precaire situatie van haar project op de reservelijst. Ter terechtzitting verklaarde verweerster, dat het besluit van juli 1993 definitief was voor zover bepaalde projecten van financiering werden uitgesloten. Bij de brief van 13 januari 1994 werd verzoekster slechts meegedeeld, dat er geen kredieten beschikbaar waren. Met het onderhavige beroep komt verzoekster eigenlijk op tegen het in de brief van 5 augustus 1993 vervatte besluit, waartegen wegens het verstrijken van de termijn geen beroep meer openstaat.
Beoordeling door het Gerecht
22 Het Gerecht is van oordeel, dat inderdaad onderscheid moet worden gemaakt tussen het besluit van de Commissie van 19 juli 1993, waarbij voor 137 projecten ter bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied 129 182 448 ECU financiële steun werd verleend ("bijlage I") en waarbij een reservelijst van 49 vervangende projecten werd vastgesteld ("bijlage II"), en de handeling die in de door de Commissie aan verzoekster gerichte brief van 13 januari 1994 vervat ligt.
23 Het Gerecht is van oordeel, dat het besluit van de Commissie van 19 juli 1993 een definitief besluit over het onderzoek en de selectie van de in 1993 in het kader van het Thermie-programma te subsidiëren projecten is. Eind 1993 was geen enkel project opnieuw onderzocht. In die fase was het enkel de vraag, of er nog middelen beschikbaar waren, dan wel of de projecten waarvoor financiële steun was toegezegd, allemaal waren gerealiseerd en de beschikbare middelen derhalve waren uitgeput. Ook al heeft de Commissie dus in de brief die zij op 5 augustus 1993 aan verzoekster had gestuurd, aangekondigd, dat zij zich de mogelijkheid voorbehield van haar beslissing terug te komen, indien de begrotingsmiddelen dit toestonden, vaststaat dat verzoeksters project op datum niet voorkwam onder de 137 uitgekozen projecten, zodat het besluit van de Commissie, wat dit punt betreft, definitief was. Het Gerecht stelt trouwens vast, dat partijen ter terechtzitting het erover eens waren dat het besluit van 19 juli 1993 had bepaald hoeveel middelen er beschikbaar waren.
24 Het Gerecht stelt vast, dat het besluit van 19 juli 1993 als zodanig niet is gepubliceerd. In het Publikatieblad van 24 juli 1993 (zie hierboven, r.o. 7) is enkel de volgende mededeling van de Commissie gepubliceerd: "De Commissie heeft onlangs het volgende besloten:
° in het kader van het Thermie-programma wordt een bedrag van 129 182 448 ECU als financiële steun verleend aan 137 projecten ter bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied (bijlage I);
° een reservelijst van 49 vervangende projecten is vastgesteld (bijlage II).
Exemplaren van de bijlagen I en II kunnen, op schriftelijk verzoek, verkregen worden op het volgende adres: (...)"
25 Het Gerecht merkt op, dat deze mededeling in het Publikatieblad de betrokkenen niet in staat heeft gesteld kennis te nemen van de exacte inhoud en motivering van de betrokken handeling teneinde hun recht om beroep in te stellen te kunnen uitoefenen. Dit was evenmin het geval met de brief van de Commissie van 5 augustus 1993, waarbij aan verzoekster is meegedeeld dat haar project op de aanvullende lijst was geplaatst.
26 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens de rechtspraak de beroepstermijn bij gebreke van bekendmaking of kennisgeving van een handeling eerst ingaat vanaf het tijdstip waarop de betrokken derde kennis heeft van de exacte inhoud en motivering van de betrokken handeling, op voorwaarde evenwel, dat hij de volledige tekst van de betrokken handeling opvraagt binnen een redelijke termijn vanaf de datum waarop hij het bestaan ervan heeft vernomen (zie arrest Gerecht van 19 mei 1994, zaak T-465/93, Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 29, en beschikking Hof van 5 maart 1993, zaak C-102/92, Ferriere Acciaierie Sarde, Jurispr. 1993, blz. I-801, r.o. 18).
27 Verzoekster kreeg in augustus 1993 kennis van het bestaan van het besluit betreffende de selectie van de projecten waarvoor in 1993 financiële steun werd verleend, toen zij de brief van de Commissie van 5 augustus 1993 ontving. Op een mondelinge vraag van het Gerecht antwoordde verzoekster, dat zij destijds de volledige tekst van het besluit niet heeft opgevraagd en ook niet om individuele toelichtingen heeft verzocht, met name omdat zij ° ten onrechte ° meende, dat de vooruitzichten gunstig waren. Ter terechtzitting verklaarde zij voorts, dat zij niet had begrepen dat de brief van 5 augustus 1993 neerkwam op een weigering, daar de Commissie haar had meegedeeld dat haar project op een "aanvullende" lijst was geplaatst. Zij geloofde integendeel, dat steun niet uitgesloten was. Van haar kant verklaarde de Commissie ter terechtzitting, dat zij verzoekster individuele toelichtingen zou hebben gegeven indien deze haar daar uitdrukkelijk om had verzocht.
28 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de volledige tekst op te vragen of om individuele toelichtingen te vragen over het besluit om haar project niet op te nemen onder de 137 projecten waarvoor in 1993 financiële steun wordt verleend. Pas op 17 maart 1994, dus meer dan zeven maanden nadat zij, in augustus 1993, van de betrokken handeling kennis had gekregen, heeft zij daartegen beroep ingesteld bij het Gerecht. Uit de hierboven aangehaalde regel volgt, dat verzoekster niet kan ontsnappen aan het verval van recht wegens laattijdige instelling van haar beroep tegen die handeling. Voor zover het beroep tegen het besluit van 19 juli 1993 is gericht, is het dus niet-ontvankelijk.
29 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster de brief van 13 januari 1994 waarbij de Commissie haar meedeelde dat in 1993 geen financiële steun kon worden verleend voor haar project, aangezien daarvoor in de begroting geen kredieten beschikbaar waren, naar eigen zeggen op 19 januari 1994 heeft ontvangen. De Commissie heeft dit niet betwist. Daar de beroepstermijn, twee maanden vanaf de kennisgeving, wordt verlengd met een termijn wegens afstand, moet worden vastgesteld, dat de procestermijnen in het onderhavige geval in acht zijn genomen en dat het beroep dus ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het in de brief van 13 januari 1994, vervatte besluit.
Ten gronde
30 Verzoekster voert drie middelen aan: 1) schending van wezenlijke vormvoorschriften doordat het besluit ontoereikend is gemotiveerd, 2) schending van wezenlijke regels voor de toepassing van het Verdrag doordat haar recht om te worden gehoord niet in acht is genomen, en 3) misbruik van bevoegdheid doordat haar verzoek zonder duidelijke reden is afgewezen.
Het middel inzake ontoereikende motivering
Samenvatting van de argumenten van partijen
31 Verzoekster is van mening, dat het besluit waarbij haar de toekenning van financiële steun is geweigerd, ontoereikend is gemotiveerd, aangezien daarin niet wordt gezegd waarom andere projecten de voorkeur kregen boven het hare. Zij meent meer bepaald, dat zij het recht heeft te vernemen waarom voor haar project geen middelen beschikbaar waren en voor andere projecten wel. Zij vraagt zich af, waarom haar project niet is geselecteerd, hoewel het kennelijk voor selectie in aanmerking kwam en op de begroting gemiddeld 942 937 ECU beschikbaar was voor elk van de 137 projecten waarvoor subsidie is verleend. Dat de gronden waarop het besluit is gebaseerd, haar niet zijn meegedeeld, levert een wezenlijk motiveringsgebrek op.
32 In repliek stelt verzoekster, dat zij op dat tijdstip nog steeds niet wist, of de Commissie het in artikel 10 van de Thermie-verordening bedoelde comité had geraadpleegd en of zij het advies van dat comité had gevolgd. De Commissie had moeten vermelden, in hoeverre zij de opvatting van het Thermie-comité heeft gevolgd.
33 Voorts stelt verzoekster, dat er, gelet op artikel 190 EG-Verdrag, geen enkele reden is om een onderscheid te maken tussen de administratie als openbare dienst ("Leistungsverwaltung") en de administratie als openbare macht ("Eingriffsverwaltung"), zoals verweerster doet. Deze vraagt zich namelijk af, of voor besluiten inzake subsidies die de gemeenschapsadministratie als openbare dienst verleent, dezelfde motiveringseisen gelden als voor besluiten waarbij de rechten van de justitiabelen worden beperkt en die de administratie krachtens haar prerogatieven als openbare macht neemt. Volgens verzoekster zijn de tot een onderneming gerichte besluiten van de administratie als openbare dienst in de gemeenschappelijke markt minstens even belangrijk als besluiten die de administratie als openbare macht neemt.
34 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 13 maart 1985 (gevoegde zaken 296/82 en 318/82, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 809), brengt verzoekster voorts in herinnering, dat motiveringsgebreken zich niet laten rechtvaardigen met een beroep op de geheimhoudingsplicht.
35 Verweerster stelt, dat ook al zou het middel inzake ontoereikende motivering ontvankelijk zijn, het hoe dan ook ongegrond is.
36 Volgens verweerster moet de omvang van de motiveringsplicht evenredig zijn aan de gevolgen van het betrokken rechtsinstrument. In het geval van programma' s voor financiële steun vormen de eisen en criteria in het rechtsinstrument dat eraan ten grondslag ligt, belangrijke elementen van de motivering. In selectieprocedures waarbij comités betrokken zijn, is de normaal vereiste motivering grotendeels overbodig. De mededeling van de resultaten van de selectieprocedure vormt in ieder geval een essentieel onderdeel van de motivering.
37 Verweerster beklemtoont het verschil dat haars inziens bestaat tussen de besluiten betreffende subsidies die de administratie als openbare dienst verleent, en de besluiten waarbij de rechten van de justitiabelen worden beperkt en die de administratie als openbare macht neemt. Haars inziens gelden volgens de rechtspraak verschillende motiveringsvereisten naar gelang van de mate waarin de geadresseerde wordt geraakt of naar gelang van de aard van de betrokken handeling (arrest Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek, reeds aangehaald).
38 Onder verwijzing naar het arrest van 26 november 1981 (zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861), beroept verweerster zich op de weg die het Hof heeft gewezen voor de motivering van besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek met zeer veel kandidaten. Volgens dat arrest is het aanvaardbaar, dat een jury een kandidaat aanvankelijk enkel informeert over de criteria en de uitslag van de selectie en individuele toelichtingen eerst later verstrekt aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om vragen. Verweerster stelt, dat zij deze regel in de onderhavige zaak heeft nageleefd.
39 Het Thermie-programma verleent geen enkel recht op financiële steun. Wanneer financiële steunverlening onmogelijk is, lijdt de kandidaat dus geen schade. Dat verzoekster aan de criteria voldeed, betekende enkel dat zij aan de selectieprocedure kon deelnemen. De motivering is derhalve toereikend wanneer aan de kandidaat wordt meegedeeld dat zijn project is onderzocht en dat dienaangaande in het kader van de voorgeschreven procedure een besluit is genomen. Hij heeft evenwel geen recht op een analyse waarbij zijn project met de andere projecten wordt vergeleken.
40 Verweerster stelt nog, dat de litigieuze brief van 13 januari 1994 wel degelijk een motivering bevat, namelijk het ontbreken van de nodige financiële middelen.
41 Voorts verwijst verweerster naar de krachtens artikel 214 EG-Verdrag op haar rustende geheimhoudingsplicht inzake inlichtingen betreffende ondernemingen. Derhalve heeft verzoekster geen recht op vergelijkende informatie over de verschillende projecten die boven het hare werden verkozen.
42 Wat ten slotte de woorden "aanvullende lijst" en "reservelijst" betreft, stelt verweerster, dat het woord "reservelijst" reeds voorkwam in de mededeling in het Publikatieblad van 24 juli 1993.
Beoordeling door het Gerecht
43 Het Gerecht brengt allereerst in herinnering, dat het reeds heeft geoordeeld, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het besluit van 19 juli 1993 en het besluit dat is vervat in de brief van de Commissie aan verzoekster van 13 januari 1994, en dat verzoeksters beroep slechts ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op dit laatste besluit.
44 Vervolgens zij opgemerkt, dat om te komen tot het in de brief van 13 januari 1994 vervatte besluit, de Commissie enkel diende na te gaan, of er op de begroting nog middelen beschikbaar waren, en of de projecten die financiële steun hadden gekregen, allemaal waren gerealiseerd, zodat de beschikbare middelen waren uitgeput. In juli 1993, nadat het besluit om bepaalde projecten financieel te steunen was genomen, was er weliswaar nog geld beschikbaar op de begroting van het Thermie-programma, doch dat geld is volgens de Commissie in de laatste maanden van dat jaar toegekend aan bepaalde gerichte projecten en eind 1993 waren er dus geen middelen meer beschikbaar.
45 Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat de brief van de Commissie aan verzoekster van 13 januari 1994 wel degelijk een toereikende en juiste motivering bevat, namelijk de uitputting van de op dat tijdstip beschikbare middelen, zodat verzoeksters project geen subsidie kon krijgen. Voor zover verzoeksters middel inzake ontoereikende motivering betrekking heeft op de tweede brief van 13 januari 1994, moet het dan ook ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake schending van het recht te worden gehoord
Samenvatting van de argumenten van partijen
46 Verzoekster verwijt verweerster, dat deze haar in de loop van de procedure op geen enkel ogenblik heeft gehoord en haar geen gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt kenbaar te maken over de elementen die van invloed konden zijn op het haar betreffende besluit.
47 Verweerster antwoordt hierop, dat de procedure waarin de Thermie-verordening, met name artikel 8, voorziet, uitsluitend schriftelijk verloopt. Het is ook een procedure in één fase, waarbij de kandidaat slechts één keer kan worden uitgenodigd zijn project in te dienen en toe te lichten. Zij brengt tevens in herinnering, dat een schending van het recht om te worden gehoord slechts tot nietigverklaring kan leiden, indien de procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop zou hebben gehad (arrest Hof van 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 48). In casu was evenwel geen andere afloop denkbaar.
Beoordeling door het Gerecht
48 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat de Commissie de procedure voor het indienen van projecten waarvoor in het kader van het Thermie-programma financiële steun kan worden verleend, heeft uiteengezet in de informatiebrochure bedoeld in de in het Publikatieblad van 16 juli 1992 gepubliceerde mededeling waarbij de belangstellenden werden uitgenodigd hun projecten in te dienen (zie hierboven, r.o. 3). Daarin staat het volgende: "Er wordt bij de indieners op aangedrongen om, nadat zij hun voorstel hebben ingediend, geen aanvullende informatie meer aan de Commissie toe te zenden, tenzij de diensten van de Commissie daar zelf om vragen." Volgens het stelsel van de programma' s voor financiële steunverlening worden de kandidaten voor dergelijke steun overigens in de regel niet meer gehoord tijdens de selectie, die op basis van de door de aanvragers ingediende stukken wordt verricht. Een dergelijke werkwijze is passend in een situatie waarin honderden aanvragen moeten worden onderzocht, en levert derhalve geen schending op van het recht om te worden gehoord.
49 Het Gerecht is van oordeel, dat aangezien verzoekster de Commissie niet om aanvullende inlichtingen heeft verzocht na de bekendmaking in het Publikatieblad van 24 juli 1993 van de mededeling betreffende het besluit om aan 137 projecten financiële steun te verlenen, en evenmin na de brief van 5 augustus 1993, de Commissie niet verplicht was verzoekster een gelegenheid te geven te worden gehoord alvorens zij haar de brief van 13 januari 1994 zond. Ook hier is geen sprake van schending van het recht om te worden gehoord.
50 Het Gerecht voegt daaraan toe, dat de onderhavige zaak sterk verschilt van de feiten die ten grondslag lagen aan het door verzoekster aangevoerde arrest van het Gerecht van 6 december 1994 (zaak T-450/93, Lisrestal, Jurispr. 1994, blz. II-1177). In die zaak overwoog het Gerecht, dat wanneer de Commissie de aanvankelijk toegekende financiële bijstand wil verminderen, de betrokkene in staat moet worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de omstandigheden waarop de Commissie het bestreden kortingsbesluit wil gronden. In casu was aan verzoekster geen financiële steun verleend, daar zij enkel was opgenomen in een reservelijst van ondernemingen die eventueel financiële steun van de Gemeenschap konden krijgen.
51 Bijgevolg moet ook het middel inzake schending van het recht van verweer worden afgewezen.
Het middel inzake misbruik van bevoegdheid
Samenvatting van de argumenten van partijen
52 Verzoekster meent, dat er heel wat voor haar project pleit en dat verweerster de relevante elementen niet in aanmerking heeft genomen. Voor zover de Commissie haar besluit heeft genomen zonder de verschillende relevante elementen tegen elkaar af te wegen, is er sprake van misbruik van bevoegdheid.
53 Verweerster meent, dat verzoekster geen enkel argument aanvoert dat haar stelling staaft. Zij beklemtoont dat zij, net als de bij de regeling ingestelde comités, beschikt over een grote beoordelingsvrijheid, die kan worden vergeleken met degene die bestaat in procedures van vergelijkend onderzoek of van aanwerving van ambtenaren.
54 Tevens stelt verweerster, dat voor grootschalige projecten als dat van verzoekster de kwaliteitseisen zeer hoog zijn, en dat voor dergelijke projecten gewoonlijk is vereist dat ten minste twee ondernemingen uit verschillende Lid-Staten samenwerken, hetgeen hier niet het geval is.
55 Ten slotte merkt verweerster op, dat het Hof niet bevoegd is zijn eigen waardeoordeel in de plaats te stellen van dat van de instelling zelf (arrest Hof van 8 juli 1965, gevoegde zaken 27/64 en 30/64, Fonzi, Jurispr. 1965, blz. 705).
Beoordeling door het Gerecht
56 Het Gerecht stelt vast, dat tijdens hun vergadering van 5 april 1993 de onafhankelijke technische deskundigen van de Commissie verzoeksters project slechts op de reservelijst hebben geplaatst. Verder blijkt uit het dossier dat de Commissie niet is afgeweken van het advies van het Thermie-comité.
57 Voorts brengt het Gerecht in herinnering, dat de Commissie over een ruime bevoegdheid beschikt om te beoordelen, of is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op toekenning van financiële bijstand door de Gemeenschap, en dat het Gerecht in een bij hem aanhangig beroep niet kan overgaan tot een heronderzoek ten gronde van het litigieuze project (arrest Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", reeds aangehaald, r.o. 46).
58 Ten slotte is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster geen enkel feitelijk of juridisch gegeven heeft aangedragen, waarmee kan worden aangetoond dat het oordeel van de Commissie en het Thermie-comité over haar project was aangetast door een kennelijke dwaling of door misbruik van bevoegdheid.
59 Hieruit volgt, dat ook verzoeksters derde middel, misbruik van bevoegdheid, moet worden afgewezen.
60 Aangezien alle door verzoekster tot staving van haar beroep tot nietigverklaring aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet het beroep worden verworpen.
61 Met betrekking tot verzoeksters vordering, dat het Gerecht verweerster gelast "met inachtneming van de rechtsopvatting van het Hof van Justitie opnieuw te beslissen", dient daaraan te worden toegevoegd, dat het Gerecht in het kader van zijn wettigheidstoetsing geen bevelen tot de instellingen kan richten. De betrokken administratie is gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een op een beroep tot nietigverklaring gewezen arrest (arrest Gerecht van 7 maart 1995, gevoegde zaken T-432/93, T-433/93 en T-434/93, Socurte e.a., Jurispr. 1995, blz. II-503, r.o. 54 en 55). Derhalve moet ook deze vordering worden afgewezen.
62 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.