Gerecht EU 18 september 1995, T-471/93, ECLI:EU:T:1995:167
Tekst
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking houdende weigering te erkennen dat sprake is van steunmaatregel
(EEG-Verdrag, art. 190)
2. Steunmaatregelen van de staten ° Begrip ° Door overheid vastgestelde financiële voorwaarden voor bijstand bij inning van inzetten van weddenschappen door orgaan belast met beheer van weddenschappen op paardenrennen in Lid-Staat aan overeenkomstig orgaan in andere Lid-Staat ° Geen voordeel voor ontvangend orgaan ° Daarvan uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 92, lid 1)
Samenvatting
1. De motivering van beschikkingen die door de gemeenschapsinstellingen worden aangenomen, moet van dien aard zijn dat zij de communautaire rechter in staat stelt om de wettigheid ervan na te gaan en de belanghebbende om te weten waarom de maatregel is genomen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beslissing al dan niet gegrond is.
Een beschikking waarbij de Commissie weigert te erkennen dat er sprake is van een steunmaatregel, moet worden geacht voldoende met redenen te zijn omkleed, wanneer zij een uiteenzetting van de feiten en de juridische overwegingen bevat die in de systematiek van de beschikking van wezenlijk belang zijn, ook indien daarin niet steeds alle elementen van de redenering van de Commissie tot uiting komen. De instantie waarvan een beschikking afkomstig is, is immers niet gehouden, alle gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn te vermelden, en bij de beoordeling of de motivering van een beschikking toereikend is moet niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
2. Een maatregel kan niet als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag worden aangemerkt, indien degene die daarvan voordeel heet te hebben, daarvan in het geheel geen voordeel heeft.
Terecht heeft de Commissie derhalve na ingewikkelde economische beoordelingen beslist, dat de door de overheid vastgestelde methode volgens welke het met het beheer van weddenschappen op paardenrennen in een Lid-Staat belaste orgaan op de recettes die het ontvangt op voor rekening van het overeenkomstige orgaan in een andere Lid-Staat in die tweede Lid-Staat gehouden rennen, een bedrag inhoudt en daarvan een deel overdraagt aan laatstgenoemd orgaan, geen steunmaatregel van de overheid is, niettegenstaande het feit dat het een andere methode betreft dan geldt voor weddenschappen op rennen op het eigen grondgebied. De Commissie is immers, na alle factoren te hebben onderzocht die van invloed zijn op de geldstromen tussen de beide organen, die elk op hun eigen grondgebied de weddenschappen op de rennen beheren, tot de conclusie gekomen, zonder bij de beoordeling een kennelijke fout te hebben begaan, dat deze overdracht geen betrekking heeft op hogere bedragen dan het ontvangend orgaan zou hebben behaald, indien het de weddenschappen op de onder zijn bevoegdheid vallende rennen zelf had afgesloten.
Partijen
In zaak T-471/93,
Tiercé Ladbroke SA, vennootschap naar Belgisch recht, vertegenwoordigd door J. Lever, QC, C. Vajda, Barrister bij de balie van Engeland en Wales, en S. Kon, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Winandy en Err, advocaten aldaar, Avenue Gaston Diderich 60,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, C. de Salins, onderdirecteur bij die directie, en J.-M. Belorgey, speciaal afgezant bij voornoemde directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,
interveniënte,
betreffende een beroep, ingesteld krachtens artikel 173 EEG-Verdrag en strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 18 januari 1993 waarbij een door verzoekster op grond van de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag ingediende klacht (IV/34.013) is afgewezen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, B. Vesterdorf, A. Saggio, H. Kirschner en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 januari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 De Franse Pari mutuel urbain (hierna: "PMU") is een economisch samenwerkingsverband van de belangrijkste "sociétés de courses" in Frankrijk. PMU is exclusief belast met de organisatie in Frankrijk van weddenschappen buiten de renbaan volgens het totalisatorsysteem, op paardenrennen die worden georganiseerd door de "sociétés de courses" die daartoe vergunning hebben. Ook heeft PMU exclusieve rechten voor het aangaan van weddenschappen in het buitenland op paardenrennen in Frankrijk en voor in Frankrijk aangegane weddenschappen op paardenrennen in het buitenland. De statuten van PMU behoeven de goedkeuring door de Franse overheid, die ook bevoegd is tot benoeming van de leden van de algemene vergadering van PMU.
2 De Belgische Pari mutuel unifié, een vereniging zonder winstoogmerk, en haar auxiliaire cooeperatieve vereniging PMU (hierna te zamen: "PMU België"), zijn in België in 1974 respectievelijk 1984 opgericht door de elf Belgische organisatoren van harddraverijen en paardenrennen. In België mogen volgens de toepasselijke nationale wettelijke regeling enkel de organisatoren van paardenrennen weddenschappen aangaan op de door hen gehouden paardenrennen, hetzij op de renbaan volgens het bookmakingsysteem of het totalisatorsysteem, hetzij buiten de renbaan volgens het totalisatorsysteem. De overige agentschappen die in België zijn toegelaten tot het afsluiten van weddenschappen op paardenrennen mogen alleen weddenschappen aangaan op paardenrennen in het buitenland en, in de praktijk, volgens het bookmakingsysteem. Op Belgische paardenrennen mogen die agentschappen enkel weddenschappen aangaan als vertegenwoordiger van de "sociétés de courses", voor zover het totalisatorweddenschappen betreft, of met machtiging van de "sociétés de courses" en tegen betaling van een recht, voor zover het weddenschappen volgens het bookmakingsysteem betreft. PMU België is daarom door de "sociétés de courses" in het leven geroepen teneinde gezamenlijk het aangaan van weddenschappen op de door hen gehouden paardenrennen te organiseren en is bij uitsluiting belast met de organisatie van totalisatorweddenschappen op paardenrennen buiten de renbaan.
3 Op 18 maart 1991 hebben PMU en PMU België een overeenkomst gesloten krachtens welke PMU namens PMU België in Frankrijk, meer in het bijzonder in 17 Franse departementen, weddenschappen mag aangaan op Belgische paardenrennen.
4 Deze overeenkomst is gesloten in het kader van de Franse wettelijke regeling, waaronder wet nr. 64-1279 van 23 december 1964 houdende de begrotingswet voor 1965, waarvan artikel 15, lid 3, bepaalt, dat vennootschappen met vergunning om totalisatorweddenschappen te organiseren buiten de renbanen, kunnen worden gemachtigd weddenschappen aan te nemen die in Frankrijk worden afgesloten op buitenlandse paardenrennen, mits de genoteerde weddenschappen worden gecentraliseerd en in de verdeling opgenomen in rechtstreekse verbinding met het orgaan of de organen belast met het beheer van totalisatorweddenschappen in het betrokken land. Volgens deze bepaling zijn de aldus geplaatste weddenschappen onderworpen aan de wettelijke en fiscale inhoudingen die gelden in het land waar de paardenrennen worden gehouden en wordt de opbrengst van deze inhoudingen verdeeld tussen het land waar de weddenschappen zijn geplaatst en het land waar de paardenrennen worden gehouden. De aldus uitgevoerde verdeling kan een bijzonder deel omvatten ter dekking van de exploitatiekosten, dat wordt ingehouden vóór de betaling aan de personen die in elk betrokken land de rechten uitoefenen.
5 Voorts bepaalt decreet nr. 91-118 van 31 januari 1991 betreffende het aannemen van weddenschappen door PMU op in België gehouden paardenrennen, dat PMU over het gedeelte van de jaarlijks op de in België gehouden paardenrennen ontvangen inzetten, dat lager is dan 50 miljoen FF, elke maand de opbrengst van het zegelrecht aan de algemene begroting en 0,876 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten zal betalen. Naast bovengenoemde betalingen komt volgens dit decreet over het gedeelte tussen 50 en 75 miljoen FF aan jaarlijks ontvangen inzetten, een derde van de opbrengst van een progressieve aanvullende inhouding (hierna: "PSP") op de winst, ten goede aan de algemene begroting en 0,181 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten. Daarnaast komt over het gedeelte tussen 75 en 100 miljoen FF aan jaarlijks ontvangen inzetten twee derde van de PSP op de winst ten goede aan de algemene begroting en 0,362 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten. Ten slotte komt over het gedeelte boven 100 miljoen FF de volledige opbrengst van de PSP op de winst ten goede aan de algemene begroting en 0,543 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten.
6 In Frankrijk mogen de gecumuleerde bedragen van de verschillende wettelijke en fiscale inhoudingen die op het bedrag van de inzetten van de geplaatste weddenschappen op paardenrennen mogen plaatsvinden, ingevolge artikel 18 van de begrotingswet voor het jaar 1967, niet hoger zijn dan 30 %.
7 In België kunnen die inhoudingen op de opbrengst van de op paardenrennen afgesloten weddenschappen daarentegen oplopen tot ten hoogste 35 %, ingevolge artikel 44, lid 2, sub d, van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende algemene regeling van de met inkomstenbelasting gelijkgestelde heffingen, dat bepaalt dat het gedeelte van de inzetten dat voor de winnaars wordt gereserveerd, niet lager mag zijn dan 65 %.
8 In het kader van deze wettelijke regeling bepaalde de reeds genoemde overeenkomst tussen PMU en PMU België, dat de inhouding op de opbrengst van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen afgesloten weddenschappen, ingevolge de bepalingen van zowel de Franse als de Belgische wettelijke regeling ter hoogte van 35 % wordt verdeeld volgens een systeem dat rekening houdt met de behaalde omzet. Daartoe voorziet deze overeenkomst in vier schijven. De eerste schijf bestrijkt een omzet lager dan 50 miljoen FF; de Franse openbare bestemmingen ontvangen 6,386 % van de inhouding en het Belgische deel bedraagt 23,114 %. De tweede schijf omvat een omzet tussen 50 en 75 miljoen FF; het Franse deel bedraagt 10,817 % en het Belgische 16,183 %. De derde schijf omvat een omzet tussen 75 en 100 miljoen FF; het Franse deel bedraagt 15,238 % en het Belgische 9,762 %. Voor een omzet boven 100 miljoen FF ten slotte bedraagt het Belgische deel slechts 5,602 % en het Franse deel 19,169 %.
9 Op 12 juli 1991 diende Tiercé Ladbroke SA (hierna: "Ladbroke"), een in 1982 opgerichte vennootschap naar Belgisch recht, behorend tot de Ladbroke Group plc, waarvan de activiteit bestaat uit het aangaan van weddenschappen in België op in het buitenland gelopen paardenrennen volgens het bookmakingsysteem, tegen PMU, PMU België en de Franse Republiek een klacht (IV/34.013) in bij de Commissie krachtens enerzijds de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag en anderzijds de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag. In de klacht van Ladbroke, die op dit punt werd herhaald en verduidelijkt in de brief van 5 februari 1992 (NN 16/92), werd de Commissie ingevolge laatstgenoemde bepalingen verzocht vast te stellen dat de op 18 maart 1991 tussen PMU en PMU België gesloten overeenkomst tot gevolg had, dat Frankrijk aan PMU België een niet-aangemelde, onwettige staatssteun verleende.
10 Dienaangaande beklemtoonde Ladbroke in haar klacht, dat volgens de overeenkomst tussen de twee PMU' s de in Frankrijk aangegane weddenschappen, die sinds 20 maart 1991 goed waren geweest voor een omzet van 67 miljoen BFR, en per jaar van 300 miljoen BFR, op dezelfde manier werden geplaatst en beheerd als de weddenschappen op Franse paardenrennen, die deel uitmaakten van het Franse systeem en waren gecentraliseerd volgens het totalisatiesysteem van PMU, met de middelen en de technologie van laatstgenoemde. Vervolgens werden de inzetten van de in Frankrijk aangegane weddenschappen op Belgische paardenrennen omgezet van het Franse naar het Belgische totalisatiesysteem en werd daarop een inhouding toegepast van 35 %, overeenkomstig de Belgische wettelijke regeling. Van deze inhouding van 35 % werd een bedrag overeenkomend met 26 % aan PMU België gelaten en het restant van 9 % naar het Franse systeem teruggevoerd, waarvan ongeveer 4 % toekwam aan de Franse Staat en ongeveer 5 % aan de Franse "sociétés de courses". Van de inzetten van de in Frankrijk aangegane weddenschappen op Franse paardenrennen ging daarentegen van de inhouding van ongeveer 30 %, 18 % naar de Franse Staat en 10 % naar de "sociétés de courses".
11 Ladbroke stelde in haar klacht, dat het feit dat de Franse Staat, PMU en de "sociétés de courses" slechts 9 % van de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Belgische paardenrennen ontvangen en niet 28 %, zoals bij de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Franse paardenrennen, een fiscale behandeling is die een belasting betekent voor de Franse Staat en een voordeel voor de begunstigde, PMU België, zodat zij een onwettige staatssteun voor laatstgenoemde betekent. Deze staatssteun, aldus de klacht, veroorzaakt een distorsie van de mededinging, aangezien PMU België restituties krijgt over het bedrag van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen, welke haar concurrenten in België, die niet de mogelijkheid hebben in Frankrijk weddenschappen aan te gaan, niet krijgen. Voorts heeft de betrokken onwettige steun een ongunstige invloed op de handel tussen de Lid-Staten, daar het systeem waaruit zij voortvloeit het aangaan van weddenschappen in Frankrijk op Belgische paardenrennen en de terugbetaling door de Franse Staat vanuit Frankrijk naar België van bedragen die van die weddenschappen afkomstig zijn, impliceert. Ten slotte, aldus de klacht, is de gestelde staatssteun een niet-aangemelde nieuwe steunmaatregel, die is toegekend in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag.
12 Ladbroke diende daarop bij de Commissie, naast andere verzoeken, waarbij zij haar verzocht vast te stellen dat de overeenkomst tussen de twee PMU' s in strijd was met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag en de twee PMU' s te verplichten aan die overeenkomst een einde te maken, de volgende verzoeken in:
° bij voorlopige beschikking de Franse Republiek te gelasten, de aan PMU België verleende niet-aangemelde staatssteun op te schorten;
° haar, na een volledig onderzoek van de aan PMU België verleende onwettige steun, te gelasten deze steun te beëindigen; en
° de terugstorting door PMU België te bevelen van de onwettige steun, vermeerderd met de marktrente.
13 Het onderdeel van de klacht van Ladbroke dat betrekking heeft op de gestelde verlening van onwettige staatssteun, is afgewezen bij brief van 18 januari 1993, ondertekend door het lid van de Commissie belast met mededingingszaken (hierna: "beschikking" of "bestreden beschikking"), op grond dat de overeenkomst tussen de twee PMU' s geen steunmaatregel was in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, en wel om de volgende redenen.
14 Volgens de beschikking kan de inhouding op de opbrengst van de weddenschappen op paardenrennen niet worden aangemerkt als belasting, omdat zij zelf is onderworpen aan overheidsheffingen van fiscale aard en in Frankrijk evenals in België varieert op grond van verschillende factoren, waaronder de plaats waar de wedren wordt gehouden en de aanwending voor verschillende fondsen, zoals het fonds voor de paardenfokkerij of het nationale fonds voor de ontwikkeling van de watervoorziening en de algemene begroting.
15 Voorts zou het volgens de beschikking onjuist zijn, de overheidsheffing die geldt voor de inhouding van 30 % op de inzetten van weddenschappen op Franse paardenrennen, toe te passen op de inhouding van 35 % die geldt voor de inzetten van in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen, omdat deze Franse overheidsheffing, ter hoogte van 18 %, bijdragen omvat die "uitsluitend Frans" zijn, met name bijdragen voor het Franse paardenfokkerijfonds (van 1,86 tot 3,36 %) en de BTW van 22 %, berekend over het gedeelte van de inhouding dat aan de Franse "sociétés de courses" toekomt. Bijgevolg kan de Franse overheidsheffing van 18 % niet in haar geheel worden toegepast op de inhouding van 35 % op de inzet van weddenschappen op Belgische paardenrennen, maar alleen op het overblijvende deel, dat, na aftrek van de uitsluitend Franse bijdragen, ongeveer 5 % bedraagt. Dit betekent reeds, dat de Franse overheidsheffing minder bedraagt dan 13 % van het bedrag van de op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen en zodoende dicht bij de Franse overheidsheffing van 6,4 % komt die thans rust op de inhouding van 35 % die geldt voor de opbrengst van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen.
16 Bovendien is volgens de beschikking het deel van de inhouding dat aan PMU België toekomt, in cijfers bijna gelijk, ongeacht of de weddenschappen in Frankrijk of in België worden geplaatst. Dienaangaande zet de Commissie in de beschikking uiteen, dat indien de weddenschappen op Belgische paardenrennen in België waren aangegaan, het aandeel van PMU België afhankelijk van de regio tussen 25 en 28 % zou liggen, verminderd met 5,5 % beheerskosten, dat wil zeggen een aandeel tussen 19,5 en 22,5 %, tegen 23,114 % wanneer de weddenschappen in Frankrijk worden aangegaan. Indien deze 23,114 % worden verminderd met de bijkomende kosten van PMU België (voor reclame, prijzen en informatie) die worden veroorzaakt doordat de weddenschappen buiten het Belgische grondgebied worden aangegaan, blijkt, aldus de beschikking, dat PMU België voor de in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen nagenoeg hetzelfde aandeel ontvangt als zij zou hebben ontvangen indien zij de weddenschappen op de Belgische paardenrennen zelf had aangenomen.
17 Ten slotte lijkt volgens de beschikking de overeenkomst tussen de twee PMU' s, in haar geheel bezien, enkel in het beginstadium voordelig voor PMU België, namelijk voor de schijf van de omzet beneden 50 miljoen FF, waarin het deel van de inhouding dat naar PMU België gaat, naar verhouding groot is. Voor de latere stadia daarentegen moet de overeenkomst voor PMU België duidelijk minder gunstig worden geacht, aangezien haar aandeel in de inhouding op de hogere omzetschijven afneemt.
18 Evenwel heeft de Commissie zich in haar beschikking het recht voorbehouden, de overeenkomst na vier jaar opnieuw te onderzoeken, teneinde rekening te kunnen houden met alle nieuwe feiten en met de mogelijkheid dat de overeenkomst in de komende jaren in verdere stadia dan het beginstadium wordt toegepast, en heeft zij de Franse autoriteiten verzocht haar jaarlijks een verslag over de uitvoering van de overeenkomst tussen de twee PMU' s te doen toekomen.
19 In die omstandigheden heeft Ladbroke bij op 22 maart 1993 neergelegd verzoekschrift krachtens artikel 173 EEG-Verdrag het onderhavige beroep ingesteld, dat ter griffie van het Hof werd ingeschreven onder nummer C-80/93.
20 Op 7 juli 1993 heeft de Franse regering verzocht te mogen interveniëren aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 6 augustus 1993 heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Op 20 oktober 1993 heeft interveniënte haar memorie in interventie ingediend, waarover de Commissie op 23 november 1993 en verzoekster op 10 december 1993 hun opmerkingen hebben ingediend.
21 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591, EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21) de zaak verwezen naar het Gerecht, waar zij nummer T-471/93 heeft gekregen.
22 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer ° uitgebreid) besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie en de Franse regering evenwel verzocht, enkele schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde gegevens over te leggen betreffende de uitvoering van de overeenkomst tussen de twee PMU' s en het stelsel van overheidsheffingen en inhoudingen dat in Frankrijk wordt toegepast op de inzetten van Franse en Belgische paardenrennen. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen aan het verzoek van het Gerecht voldaan.
23 Ter terechtzitting van 24 januari 1995 zijn partijen in hun pleidooien en hun antwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
Conclusies van partijen
24 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° de beschikking vervat in de brief van 18 januari 1993 nietig te verklaren;
° de Commissie krachtens artikel 176 EEG-Verdrag te gelasten, onmiddellijk een heronderzoek te doen naar de klacht tegen de twee PMU' s nr. NN 16/92;
° de Commissie in de kosten te verwijzen.
25 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
26 Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster in de kosten te verwijzen, daaronder begrepen het gedeelte overeenkomend met de kosten van interveniënte.
Ten gronde
27 Tot staving van haar conclusies tot nietigverklaring stelt verzoekster, dat de bestreden beschikking in strijd met artikel 190 EEG-Verdrag niet met redenen is omkleed. Voorts betoogt zij dat de beschikking onjuist is gemotiveerd of onwettig is.
Het eerste middel: gebrek aan motivering
28 Het Gerecht stelt vast, dat hoewel verzoekster heeft gesteld, dat de motivering van de beschikking ontbreekt, zij enkel argumenten naar voren heeft gebracht die de wettigheid ten gronde van de beschikking betwisten. Niettemin ziet het Gerecht, dat de motivering van bij hem aangevochten gemeenschapshandelingen zelfs ambtshalve kan onderzoeken, aanleiding het middel ontleend aan het gebrek aan motivering te onderzoeken.
29 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat ingevolge artikel 190 van het Verdrag de beschikkingen die door de gemeenschapsinstellingen worden vastgesteld, met redenen moeten zijn omkleed, en dat die motivering de communautaire rechter in staat moet stellen om de wettigheid ervan na te gaan en de belanghebbende om te weten waarom de maatregel is genomen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is (arrest Hof van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, VBVB en VBBB, Jurispr. 1984, blz. 19, en arresten Gerecht van 24 januari 1992, zaak T-44/90, La Cinq, Jurispr. 1992, blz. II-1, r.o. 42, en 29 juni 1993, zaak T-7/92, Asia Motor France e.a., Jurispr. 1993, blz. II-669, r.o. 30).
30 Het Gerecht merkt in de eerste plaats op, dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft uiteengezet, waarom zij meent dat de overeenkomst tussen de twee PMU' s, waarover verzoekster zich beklaagt in haar klacht van 12 juli 1991, herhaald in haar brief van 5 februari 1992, geen steun aan PMU België in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag oplevert, en waarom zij derhalve verzoeksters klacht heeft afgewezen.
31 De bestreden beschikking bevat namelijk een reeks feitelijke en juridische overwegingen inzake de aard van de inhouding op de inzetten van weddenschappen op paardenrennen en de heffingen op die inhouding, de rechtvaardiging van de behandeling die deze inhouding in Frankrijk krijgt en, met name, de omstandigheid dat PMU België in feite geen enkel voordeel heeft bij de uitvoering van de overeenkomst tussen de twee PMU' s en dat, zo er van een dergelijk voordeel in het eerste stadium van deze overeenkomst al sprake zou zijn, dit in de latere stadia verdwijnt.
32 Het Gerecht is van oordeel, dat deze uiteenzetting van de gronden van de beschikking een motivering vormt die in haar geheel genomen moet worden geacht in de zin van artikel 190 van het Verdrag de conclusies van de Commissie te kunnen dragen. Zij bevat een uiteenzetting van de feiten en de juridische overwegingen die in de systematiek van de beschikking van wezenlijk belang zijn en maakt het mogelijk, vast te stellen dat de weigering van de Commissie te erkennen dat er sprake is van een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, in hoofdzaak berust op de constatering, dat de uitvoering van de overeenkomst PMU België geen voordeel oplevert.
33 In de motivering van de bestreden beschikking komen weliswaar niet steeds alle elementen van de redenering van de Commissie tot uiting, maar zij kan toereikend worden geacht, aangezien de instantie waarvan een beschikking afkomstig is, niet gehouden is alle gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn te vermelden, en daar bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een beschikking toereikend is, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arresten Hof van 25 oktober 1984, zaak 185/83, Rijksuniversiteit te Groningen, Jurispr. 1984, blz. 3623, r.o. 38; 26 juni 1986, zaak 203/85, Nicolet, Jurispr. 1986, blz. 2049, r.o. 10; 8 juni 1989, zaak 167/88, AGPB, Jurispr. 1989, blz. 1653, r.o. 34, en 6 juli 1993, gevoegde zaken C-121/91 en C-122/91, CT Control en JCT Benelux, Jurispr. 1993, blz. I-3873, r.o. 31).
34 Mitsdien moet verzoeksters eerste middel, ontleend aan het ontbreken van motivering, worden afgewezen.
Het tweede middel: onjuiste motivering of onwettigheid van de bestreden beschikking
Samenvatting van de argumenten van partijen
35 Verzoekster zet uiteen, dat aan de hand van de overeenkomst tussen de twee PMU' s en de behandeling die in Frankrijk aan de inhouding op de inzetten op paardenrennen in België wordt gegeven, kan worden vastgesteld dat over elke 100 FF aan op die paardenrennen afgesloten weddenschappen, de Franse Staat 35 FF heft, waarvan hij slechts 6,39 FF behoudt en de rest, 28,61 FF, aan PMU overmaakt, die zelf 5,50 FF inhoudt en de overige 23,11 FF aan PMU België overdraagt. Daarentegen houdt de Franse Staat op elke 100 FF aan op Franse paardenrennen afgesloten weddenschappen, 30 FF in, waarvan hij 18 FF behoudt en 12 FF aan PMU overmaakt. Bijgevolg is niet alleen de inhouding van 35 % op de opbrengst van in Frankrijk op Belgische paardenrennen afgesloten weddenschappen, bestemd voor PMU België, hoger dan de inhouding van 30 % die wordt geheven op in Frankrijk afgesloten weddenschappen op Franse paardenrennen, maar is ook is het uiteindelijk aan PMU België overgedragen deel van de inhouding, namelijk 23,114 %, hoger dan het deel van de inhouding dat wordt overgedragen aan PMU, namelijk 12 %. PMU België behaalt dan ook opbrengsten die zij niet zou hebben behaald, indien de overeenkomst met PMU, op grond waarvan het afsluiten van weddenschappen in Frankrijk op Belgische paardenrennen mogelijk werd, niet had bestaan. Deze opbrengsten vormen een onwettige staatssteun, waarvan het exacte bedrag bestaat uit het bedrag dat voor PMU België overblijft nadat op het ingevolge de overeenkomst ontvangen bedrag, de kosten verbonden aan het afsluiten van weddenschappen in Frankrijk op Belgische paardenrennen in mindering zijn gebracht. Deze werkwijze, die PMU België in 1991 winsten van de orde van 8,1 miljoen FF heeft opgebracht, heeft een distorsie van de mededinging veroorzaakt, waardoor verzoekster aanzienlijke schade heeft geleden. Zonder deze onwettige steun zou PMU België failliet zijn gegaan en zou Ladbroke in staat zijn geweest, zelf totalisatorweddenschappen op Belgische paardenrennen te organiseren. Voorts had PMU België zonder die steun in december 1991 niet kunnen overgaan tot aankoop van het agentschap "Tiercé franco-belge", een concurrent van Ladbroke in België op de markt voor weddenschappen op in het buitenland gelopen paardenrennen.
36 Tot staving van haar stelling dat het aldus door PMU België verkregen financiële voordeel een staatssteun is, benadrukt verzoekster, dat de betaling van het aan PMU België toekomende deel van de inhouding plaatsvindt overeenkomstig de instructies van de Franse Staat en via een onder toezicht van de Franse Staat staand orgaan, PMU Frankrijk, zoals blijkt uit de statuten van laatstgenoemde. De aan PMU België toekomende inhouding vormt dus een door regels van publiekrecht verplicht gestelde bijdrage, zodat het er voor de aard van deze door de staat verplicht gestelde bijdrage niet toe doet of zij formeel wordt gekwalificeerd als belasting of andere heffing. Voor de kwalificatie als staatssteun van het gedeelte van de inhouding dat naar PMU België gaat, maakt het immers niet uit of deze geheel of gedeeltelijk via de staatskas loopt (arresten Hof van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595, 613, en 30 januari 1985, zaak 290/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 439, 449).
37 Bovendien is volgens verzoekster noch het feit dat het voor de staat bestemde gedeelte van de inhouding per wedren kan verschillen, zoals de Commissie in de bestreden beschikking heeft benadrukt, noch het feit dat daarop weer heffingen van fiscale aard plaatsvinden, bepalend voor de kwalificatie als van overheidswege verplicht gestelde bijdrage. Immers, zowel de heffing van BTW van 22 % op het voor de "sociétés de courses" bestemde gedeelte van de inhouding, als de heffing van een andere belasting, de PSP (zie hiervoor, r.o. 5), berekend op basis van het bedrag en de soort van de afgesloten weddenschap, betreffen enkel de interne structuur van de inhouding en zijn voor de kwalificatie ervan als belasting van geen belang.
38 Het onderscheid tussen de belastingen en heffingen die in Frankrijk op de inhouding op weddenschappen op Franse paardenrennen worden geheven en die welke op de inhouding op weddenschappen op Belgische paardenrennen worden geheven, leidt er volgens verzoekster toe, dat PMU België een groter deel van de inhouding incasseert dan het geval zou zijn geweest indien die inhouding, wanneer het Belgische paardenrennen betreft, aan dezelfde fiscale bijdrage zou zijn onderworpen als wanneer het weddenschappen op Franse paardenrennen betreft, aangezien de weddenschappen op Belgische paardenrennen en op Franse paardenrennen alle in Frankrijk worden aangegaan. Volgens verzoekster volgt de plausibiliteit van een gelijke fiscale behandeling van de respectieve inhoudingen in casu reeds uit de bewoordingen van de overeenkomst tussen de PMU' s, die voor het derde en vierde stadium van uitvoering van de overeenkomst voorziet in een hogere heffing ten gunste van de Franse overheidsbestemmingen.
39 Het argument van de Commissie in de bestreden beschikking, dat het aandeel in de inhouding voor PMU België geen steun is, omdat de recettes die zij ingevolge de litigieuze overeenkomst verwerft in wezen gelijk zijn aan de recettes die zij zou hebben verworven door rechtstreeks weddenschappen op Belgische paardenrennen af te sluiten, pareert verzoekster met een beroep op de rechtspraak van het Hof, volgens welke een bijdrage niet het karakter van staatssteun verliest door het enkele feit dat haar doel of haar gevolg is, de begunstigde in dezelfde toestand te brengen als wanneer hij dezelfde economische activiteit in een andere Lid-Staat had uitgeoefend (arrest van 2 juli 1974, zaak 173/73, Italië/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 709). Zelfs indien zou blijken, dat de betrokken recettes in beide gevallen in wezen gelijk zijn, zou deze gelijkheid evengoed zijn verkregen via een door de overeenkomst veroorzaakte discriminatie, namelijk doordat op de inzetten op Belgische paardenrennen een hogere inhouding wordt toegepast dan op de inzetten op Franse paardenrennen. Het gehele systeem komt immers in elk geval neer op een overdracht van recettes aan PMU België, die veel hoger is dan wanneer beide typen weddenschappen in Frankrijk op dezelfde manier waren behandeld.
40 Volgens verzoekster is derhalve elke speculatie over de recettes die PMU België had kunnen behalen indien de overeenkomst niet had bestaan en zij de weddenschappen op Belgische paardenrennen zelf had afgesloten, zuiver theoretisch, daar niets erop wijst dat die weddenschappen zonder de overeenkomst werkelijk zouden zijn afgesloten.
41 Ten slotte verwerpt verzoekster het argument van de Commissie, dat de overeenkomst tussen de twee PMU' s geen staatssteun voor PMU België oplevert, wanneer deze in al haar onderdelen wordt beoordeeld en rekening wordt gehouden met alle stadia van uitvoering. Het feit dat volgens de overeenkomst het voor PMU België bestemde deel van de inhouding daalt naarmate de omzet van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen stijgt, is niet van belang, omdat deze daling alleen procentueel reëel is en niet in netto recettes, die in elk geval stijgen naarmate de omzet van de op Belgische paardenrennen afgesloten weddenschappen toeneemt.
42 De Commissie is van mening, dat de bestreden inhouding niet kan worden aangemerkt als belasting of als "staatsmiddelen", aangezien zij nooit door de staat wordt geïnd of ontvangen. Deze inhouding is slechts het overschot van het bedrag dat de beheerder van totalisatorweddenschappen onder de winnende wedders moet verdelen en waarop weer bepaalde belastingen of overheidsheffingen worden toegepast, zodat voor de kwalificatie van de inhouding als belasting het belangrijkste criterium, namelijk het feit dat zij door de staat wordt opgelegd, ontbreekt.
43 Het verschil tussen de hoogte van de inhouding naargelang zij wordt geheven op de inzetten van weddenschappen op Belgische of op Franse paardenrennen is, naar de Commissie beklemtoont, het gevolg van de combinatie van de Franse en de Belgische wettelijke regeling. Zij verwijst naar artikel 15, lid 3, van de Franse begrotingswet voor 1965 (reeds aangehaald), dat bepaalt dat weddenschappen die in Frankrijk zijn afgesloten op buitenlandse paardenrennen, onderworpen zijn aan de in het land waar de paardenrennen worden gehouden geldende wettelijke en fiscale inhoudingen, terwijl anderzijds artikel 44, lid 2, sub d, van het Belgische koninklijk besluit van 8 juli 1970 (reeds aangehaald) de inhouding op de in België gehouden paardenrennen op 35 % bepaalt. In die omstandigheden is de Commissie van mening, dat aangezien de inhouding in België wordt geheven bij de centralisatie door PMU België van de in Frankrijk ontvangen weddenschappen, de aftrek van 5,5 % van de inhouding wegens commissies bestemd voor PMU, zelfs zou kunnen worden gezien als een betaling van PMU België aan PMU en niet omgekeerd.
44 Met betrekking tot het verschil in fiscale behandeling en in diverse heffingen op de inhouding, naargelang de in Frankrijk afgesloten weddenschappen worden aangegaan op Franse of op Belgische paardenrennen, is de Commissie van mening, dat de inhouding op de in Frankrijk afgesloten weddenschappen op Franse paardenrennen wegens haar samenstelling niet valt over te dragen op weddenschappen afgesloten op buitenlandse en dus ook Belgische paardenrennen, omdat die inhouding bepaalde "uitsluitend Franse" belastingen omvat, waardoor toepassing daarvan op buitenlandse paardenrennen niet op haar plaats zou zijn.
45 Volgens de Commissie is kwantitatief gezien door die "uitsluitend Franse" bijdragen het belastingverschil kleiner dan verzoekster heeft gesteld. In dit verband herhaalt de Commissie de berekening in de bestreden beschikking, volgens welke de Franse overheidsheffing van 18 % die rust op de inhouding van 30 % welke wordt toegepast op in Frankrijk op Franse paardenrennen afgesloten weddenschappen, een belasting omvat ten gunste van het nationale fonds voor de paardenfokkerij en hippische activiteiten, die varieert tussen 1,86 en 3,36 %, alsook de BTW van 22 %, die geldt voor het gedeelte van de inhouding dat aan de Franse "sociétés de courses" toekomt (te weten 6,5 %). Die twee elementen, die ongeveer 5 % bedragen van de totale Franse overheidsinhouding van 18 %, worden daarvan afgetrokken en brengen dan de Franse overheidsinhouding op 13 %. Het verschil met de belasting van 6,4 % die rust op de inhouding van 35 % op in Frankrijk aangegane weddenschappen op Belgische paardenrennen, is dus minder groot dan verzoekster beweert.
46 Voorts herhaalt de Commissie haar argument, dat zelfs in termen van door PMU België behaalde recettes, er geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, omdat blijkens de bewoordingen van de overeenkomst tussen de twee PMU' s het bedrag van de recettes van PMU België uit in Frankrijk aangegane weddenschappen op Belgische paardenrennen nagenoeg hetzelfde is als wanneer de weddenschappen op Belgische paardenrennen door PMU België waren aangegaan, nu zij in beide gevallen ongeveer 20 % uitmaken van de met deze weddenschappen gemoeide bedragen.
47 In dit verband zet de Commissie uiteen, dat wanneer de weddenschap in Frankrijk wordt afgesloten op Belgische paardenrennen, het aandeel van PMU België in de inzetten 35 % bedraagt, waarvan 6,386 % moet worden afgetrokken wegens door Frankrijk ingehouden belastingen, en 5,5 % wegens aan PMU betaalde commissie, hetgeen 23,114 % oplevert, waarvan nog 1 à 2 % moet worden afgetrokken wegens aanvullende kosten die PMU België maakt op het gebied van reclame, prijzen en informatie, teneinde de Belgische paardenrennen voor het Franse publiek aantrekkelijk te maken. Wanneer de weddenschap in België wordt afgesloten op Belgische paardenrennen, wordt het aandeel van PMU België in de inhouding bepaald door van de inhouding van 35 % allereerst, afhankelijk van de regio, 7 à 10 % aan overheidsheffingen af te trekken, en vervolgens 5,5 % wegens beheerskosten van PMU België, hetgeen globaal genomen een percentage van de inhouding oplevert dat nagenoeg gelijk is aan het vorige, en dat volgens de Commissie nauwelijks volstaat om de kosten van de vennootschappen die lid zijn van PMU België te dekken. De overeenkomst tussen de twee PMU' s zou dan ook slechts als resultaat hebben dat de omzet van PMU België wordt verhoogd, zodat de door deze laatste gemaakte winst niet kan worden aangemerkt als steun in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
48 Bovendien, aldus de Commissie, blijkt uit het algeheel onderzoek van de in geding zijnde overeenkomst in al haar stadia, dat het voordeel voor PMU België in de latere uitvoeringsstadia van de overeenkomst nog geringer is, daar de heffingen die door de Franse Staat op de inhouding worden toegepast, in die latere stadia toenemen.
49 Ten slotte verklaart de Commissie, die te kennen geeft dat zij de overeenkomst tussen de twee PMU' s na vier jaar opnieuw zal onderzoeken, dat de bewering dat de overeenkomst tussen de twee PMU' s in strijd is met artikel 92 EG-Verdrag, talrijke andere ingewikkelde rechtsvragen opwerpt, die niet in de bestreden beschikking behoefden te worden onderzocht, aangezien de conclusie dat de overeenkomst geen staatssteun vormt, kan worden gebaseerd op de eenvoudiger grond dat PMU België daaraan in elk geval geen enkel voordeel ontleent. De Commissie behoefde dan ook met name niet de ingewikkelde vraag te onderzoeken, welke maatregelen een Lid-Staat mag of moet nemen om een volledige fiscale neutraliteit in de intracommunautaire handel te verzekeren, wanneer bepaalde specifieke fiscale stelsels per Lid-Staat verschillen, of wat de aard is van de beweerde distorsie van de mededinging of het effect daarvan op de handel tussen de Lid-Staten.
50 Interveniënte geeft toe, dat PMU België op in Frankrijk aangegane weddenschappen op Belgische paardenrennen een hogere recette behaalt dan PMU op de voor hetzelfde bedrag op Franse paardenrennen aangegane weddenschappen. De eventuele kwalificatie van die recette als staatssteun, die verzoekster voorstaat, kan evenwel niet gelden voor het volle bedrag van 8,1 miljoen FF dat in 1991 door PMU België ingevolge de in de geding zijnde overeenkomst werd verdiend, maar alleen voor het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat deze organisatie zou hebben verdiend, indien de regeling voor de behandeling van de inzetten op weddenschappen op Franse paardenrennen op haar zou zijn toegepast. Aangezien in laatstgenoemd geval op de opbrengst van de weddenschappen heffingen en belastingen ter hoogte van 17,85 % zouden zijn geheven, terwijl PMU België 10,3 % zou hebben ontvangen ° in plaats van de thans ontvangen 23,114 % °, bedraagt het verschil in recettes en dus het werkelijke bedrag van de beweerde staatssteun ongeveer 4,5 miljoen FF en niet 8,1 miljoen FF, zoals verzoekster beweert.
51 Het verschil tussen de recettes die respectievelijk door PMU en PMU België op de opbrengst van weddenschappen van eenzelfde bedrag zijn behaald, wordt volgens interveniënte gerechtvaardigd door objectieve factoren, die geen verband houden met economische of commerciële overwegingen, maar enkel betrekking hebben op de aard van de totalisatorweddenschap en de structurering die daaruit voortvloeit voor de inhouding op de inzet van die weddenschappen. De totalisatorweddenschap wordt gekenmerkt doordat de inzetten worden gebundeld en na aftrek van de verschillende inhoudingen en de beheerskosten van het systeem integraal aan de winnaars worden uitgekeerd, hetgeen winstbejag uitsluit. Met dit ontbreken van een winstoogmerk is de rechtsvorm van PMU in overeenstemming, een economisch samenwerkingsverband tussen "sociétés de courses" in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan het maatschappelijk doel is, de verbetering van het paardenras in Frankrijk. Dit rechtskarakter van de totalisatorweddenschap en van het beherend orgaan, PMU, heeft genoodzaakt tot een strikte reglementering van het beheer van de inzetten. Zo heeft de Franse wettelijke regeling het deel dat naar de wedders terugvloeit op 70 % vastgesteld en de overblijvende 30 % verdeeld over verschillende openbare inhoudingen, waarvan een deel is bestemd voor de "sociétés de courses", teneinde zowel de dekking van de beheerskosten te waarborgen als het maatschappelijk doel van PMU, de verbetering van het paardenras in Frankrijk in verschillende opzichten, te verwezenlijken. Het stelsel als geheel kan dan ook naar zijn aard en doelstellingen niet worden omgezet op weddenschappen die op buitenlandse paardenrennen zijn afgesloten, zelfs wanneer het afsluiten van die weddenschappen in Frankrijk heeft plaatsgevonden.
52 Voorts is volgens interveniënte het stelsel van de inhouding op de inzet van in Frankrijk op Belgische paardenrennen afgesloten weddenschappen het onvermijdelijk gevolg van de combinatie van de Franse en de Belgische wettelijke regeling, aangezien de toepassing van de Belgische wet is voorgeschreven door artikel 15 van de Franse begrotingswet voor 1965 en bovendien verplicht is om de volgende redenen. In de eerste plaats eist de eerbiediging van de grondgedachte van de totalisatorweddenschap, dat er per weddenschap van dezelfde aard slechts één massa van inzetten is en dat de wedders die in een en dezelfde wedren spelen, gelijk worden behandeld. In de tweede plaats zou toepassing van uitsluitend de Franse wet, die bepaalde inhoudingen ter verbetering van het Franse paardenras voorschrijft, de organisatoren van Belgische paardenrennen ervan hebben weerhouden, het beginsel van het afsluiten van weddenschappen vanuit Frankrijk te aanvaarden. In de derde plaats is de toepassing van de inhoudingen van het land waar de wedren wordt gehouden absoluut noodzakelijk, wil het aangaan van weddenschappen vanuit een ander land een economisch belang opleveren voor alle marktdeelnemers en voor de bestemmingen van algemeen nut van beide betrokken Lid-Staten.
53 Ten slotte merkt interveniënte op, dat zij bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet verplicht is, haar interne wetgeving betreffende de verdeling van de verschillende onderdelen van de inhouding te wijzigen.
Beoordeling door het Gerecht
54 Allereerst dient de gegrondheid te worden onderzocht van het argument van de Commissie, dat PMU België geen financieel voordeel heeft bij de uitvoering van de overeenkomst tussen de twee PMU' s. Immers, indien de beweerde begunstigde van een bij artikel 92, lid 1, van het Verdrag verboden maatregel daarvan in het geheel geen voordeel heeft, moet deze bepaling van het Verdrag buiten toepassing worden gelaten en kan de in casu bestreden beschikking niet onjuist gemotiveerd of onwettig zijn, voor zover daarin is geweigerd het bestaan van een steunmaatregel in de zin van deze bepaling van het Verdrag te erkennen.
55 Dienaangaande herinnert het Gerecht eraan, dat volgens de rechtspraak van het Hof (zie arresten van 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia, Jurispr. 1985, blz. 2545, r.o. 34; 17 november 1987, gevoegde zaken 142/84 en 156/84, BAT en Reynolds, Jurispr. 1987, blz. 4487, r.o. 62, en 15 juni 1993, zaak C-225/91, Matra, Jurispr. 1993, blz. I-3203, r.o. 23 en 25) en van het Gerecht (arresten La Cinq, reeds aangehaald, Asia Motor France, reeds aangehaald, r.o. 33), waarin het ging om situaties die een ingewikkelde economische beoordeling vereisten, de rechterlijke toetsing zich, afgezien van de vraag of de procedurevoorschriften en motiveringsregels in acht zijn genomen, moet beperken tot de vraag, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid.
56 De Commissie is, na de gegevens te hebben onderzocht die verzoekster haar in haar klacht ter kennis had gebracht, tot de conclusie gekomen dat de toepassing van de litigieuze overeenkomst slechts een vergroting van de omzet van PMU België tot gevolg heeft, zonder haar een voordeel te bezorgen dat als staatssteun valt aan te merken. Bij vergelijking tussen het in Frankrijk aan PMU België toekomende deel van de inhouding en het deel van de inhouding dat haar zou toekomen indien de weddenschappen op Belgische paardenrennen door haar werden afgesloten zonder tussenkomst van PMU, blijkt namelijk, dat het bedrag van de recettes vergelijkbaar is, te weten in beide gevallen ongeveer 20 % van de inzetten (zie hiervoor, r.o. 16, 46 en 47).
57 Verzoekster heeft tegen dit argument van de Commissie ingebracht, dat elke speculatie over de recettes die PMU België had kunnen behalen indien de omstreden overeenkomst niet had bestaan en zij de weddenschappen op Belgische paardenrennen zelf had afgesloten, theoretisch is, daar niets erop wijst dat die weddenschappen zonder de overeenkomst zouden zijn afgesloten. En zelfs indien zou blijken dat de recettes van PMU België in beide gevallen in wezen dezelfde zijn, zou deze gelijkheid hoe dan ook zijn verkregen via een door de overeenkomst veroorzaakte discriminatie, doordat op de inzetten op Belgische paardenrennen een hogere inhouding wordt toegepast dan op de inzetten op Franse paardenrennen, en daar het gehele systeem er in elk geval op neerkomt, dat aan PMU België veel hogere recettes worden overgedragen dan wanneer de beide typen weddenschappen in Frankrijk op dezelfde manier werden behandeld.
58 Dit betoog van verzoekster doet op zich aan de beoordeling van de Commissie niet af. In de eerste plaats zouden de door PMU België in Frankrijk behaalde recettes, gesteld al dat, gelijk verzoekster betoogt, de betrokken weddenschappen zonder de in geding zijnde overeenkomst tussen de twee PMU' s niet zouden zijn afgesloten, niet als steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag kunnen worden aangemerkt. De opening van de Franse markt voor weddenschappen op paardenrennen, waardoor PMU België via PMU toegang verkreeg tot de Franse wedders en zij haar recettes door de inzetten van hun weddenschappen kon verhogen, is immers een keuze die de Franse wetgever heeft gemaakt ten aanzien van de organisatie van de nationale markt voor weddenschappen op paardenrennen en de voorwaarden waaronder PMU gebruik kan maken van de exclusieve rechten die haar door de nationale wettelijke regeling betreffende het afsluiten van weddenschappen op paardenrennen worden verleend (zie hiervoor, r.o. 1). Bijgevolg kan deze keuze van de Franse wetgever, die de sluiting van de overeenkomst tussen de twee PMU' s mogelijk maakte, op zich niet met een beroep op artikel 92, lid 1, van het Verdrag ter discussie werden gesteld, op de enkele grond, dat deze overeenkomst kan leiden tot een toeneming van de recettes, niet enkel van PMU op buitenlandse paardenrennen, maar ook van PMU België op weddenschappen op in België gelopen paardenrennen, die zij gewoonlijk rechtstreeks zelf aangaat.
59 Voor zover verzoekster voorts bezwaar maakt tegen het feit dat de twee typen weddenschappen in Frankrijk niet op dezelfde wijze worden behandeld, en gesteld al dat verzoekster, die niet op de Franse markt voor weddenschappen op paardenrennen opereert, zich kan beklagen over het toekennen aan een derde van een voordeel als gevolg van een verschillende fiscale behandeling, waardoor in wezen enkel degenen die op die markt mogen opereren, in casu derhalve PMU, kunnen worden getroffen, is het Gerecht van oordeel dat dit bezwaar evenmin kan afdoen aan de gegrondheid van de beoordeling van de Commissie, dat de recettes die PMU België krachtens de omstreden overeenkomst op de betrokken inhouding behaalt, even hoog zijn als de recettes die zij op deze inhouding zou behalen indien de weddenschappen op Belgische paardenrennen rechtstreeks door haar werden afgesloten. Verzoekster heeft immers in haar klacht of in de procedure voor het Gerecht geen gegevens aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld, dat de Commissie bij haar vergelijking van de recettes die PMU België in Frankrijk en in België behaalt, een kennelijke fout heeft begaan bij de vaststelling van de feiten of de beoordeling van de gegevens betreffende de hoogte van de verschillende heffingen en belastingen op de inhoudingen die in België en in Frankrijk worden toegepast op de inzetten van weddenschappen op Belgische paardenrennen. Waar de bestreden beschikking constateert, dat PMU België van de toepassing van de litigieuze overeenkomst geen werkelijk voordeel heeft, berust zij dan ook niet op een onjuiste beoordeling, die nietigverklaring ervan zou rechtvaardigen (zie arresten Hof van 24 februari 1987, zaak 310/85, Deufil, Jurispr. 1987, blz. 901, r.o. 12 en 13; 14 februari 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307, r.o. 45; 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 40, en 21 maart 1991, zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1433, r.o. 29).
60 Overigens kan de Commissie niet worden geacht, met betrekking tot artikel 92, lid 1, van het Verdrag te hebben gedwaald ten aanzien van het recht, door voor het onderzoek van de vraag of er sprake was van een werkelijk voordeel voor PMU België, een vergelijking te maken tussen de door PMU België in Frankrijk behaalde recettes en de recettes die zij zou hebben behaald door de weddenschappen op Belgische paardenrennen zelf af te sluiten. Immers, volgens artikel 15, lid 3, van de Franse begrotingswet voor 1965 (reeds aangehaald in r.o. 4), op grond waarvan in Frankrijk weddenschappen op buitenlandse paardenrennen mogen worden afgesloten, zijn de aldus geplaatste weddenschappen onderworpen aan de wettelijke en fiscale inhoudingen die gelden in het land waar die paardenrennen worden gehouden. De Commissie heeft dus terecht gemeend, dat er bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van een voordeel als door Ladbroke in haar klacht gesteld, rekening mee moest worden gehouden, dat van de in Frankrijk aan PMU België toekomende inhouding normaal gesproken wettelijke en fiscale heffingen moesten worden afgetrokken, en dat daardoor voor PMU België een deel van deze inhouding overbleef dat overeenkwam met het deel dat zij in beginsel zou krijgen in het land waar de betrokken paardenrennen werden gehouden, dat wil zeggen België.
61 In dit verband kan verzoekster niet stellen, dat de methode voor de bepaling van het bedrag en de behandeling van de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op buitenlandse paardenrennen, zoals vastgesteld in artikel 15, lid 3, van de Franse begrotingswet voor 1965, een maatregel is die staatssteun oplevert, en dat, om te voorkomen dat een dergelijke steun wordt verleend, de inhouding op de Belgische paardenrennen op dezelfde manier moet worden behandeld als de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Franse paardenrennen, die aan PMU toekomt.
62 De behandeling in Frankrijk van de inhouding op weddenschappen op Belgische paardenrennen, waardoor PMU België een deel van die inhouding verkrijgt dat vergelijkbaar is met het deel dat haar toekomt uit hoofde van de wettelijke en fiscale heffingen in België, overeenkomstig eerder aangehaald artikel 15 van de Franse begrotingswet voor 1965, kan geen staatssteun opleveren. Die behandeling is namelijk geen uitzondering op het algemene systeem, maar past in dit algemene systeem, dat juist wordt gekenmerkt doordat op de inzetten op in het buitenland gelopen paardenrennen de wettelijke en fiscale heffingen worden toegepast van het land waar de betrokken paardenrennen worden gelopen.
63 Verzoeksters stelling, dat de behandeling in Frankrijk van de inzetten op Belgische paardenrennen, die het gestelde voordeel van PMU België zou veroorzaken, gelijk moet worden getrokken met de behandeling van de aan PMU toekomende inhouding, kan dan ook evenmin worden aanvaard.
64 Blijkens het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond, dat de bestreden beschikking onjuist gemotiveerd of onwettig is, zodat ook het tweede middel moet worden afgewezen.
65 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel ongegrond worden verklaard, zonder dat het Gerecht zich behoeft uit te spreken over de subsidiaire conclusies van verzoekster, strekkende tot een bevel aan de Commissie om de klacht opnieuw te onderzoeken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
66 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
67 Ingevolge artikel 87, lid 3, evenwel kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
68 Het Gerecht is van oordeel, dat de motivering van de bestreden beschikking in casu niet van dien aard was, dat verzoekster geen enkele twijfel kon koesteren over de gegrondheid van de weigering van de Commissie om het bestaan van een voordeel voor PMU België te erkennen en van de afwijzing van haar klacht, zodat de Commissie moet worden geacht gedeeltelijk te hebben bijgedragen tot de instelling van het onderhavige beroep.
69 Mitsdien moet artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast en moeten partijen elk de eigen kosten dragen.
70 Ingevolge artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de Lid-Staten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Franse Republiek zal derhalve haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat partijen, interveniënte daaronder begrepen, elk de eigen kosten zullen dragen.