HvJ EU 18 mei 2015, F-11/14, ECLI:EU:F:2015:47
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)
18 mei 2015 ( *1 )
„Openbare dienst — Personeel van de EDEO — Tijdelijk functionaris — Artikel 98 van het Statuut — Artikel 2, onder e), RAP — Aanstellingsovereenkomst — Indeling — Exceptie van onwettigheid van de kennisgeving van vacature — Post in rang AD 5 die openstaat voor het personeel van nationale diplomatieke diensten en ambtenaren in de rangen AD 5 tot en met AD 14 — Beginsel van overeenstemming tussen de rang en het ambt — Arrest bij verstek”
In zaak F‑11/14,
betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA‑Verdrag op grond van dat artikel 106 bis ervan,
Bruno Dupré, tijdelijk functionaris bij de Europese Dienst voor extern optreden, wonende te Etterbeek (België), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten,
verzoeker,
tegen
Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door S. Marquardt en M. Silva als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Bradley, president, H. Kreppel en M. I. Rofes i Pujol (rapporteur), rechters,
griffier: W. Hakenberg,
gezien de stukken,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 7 februari 2014, verzoekt B. Dupré om nietigverklaring van zijn overeenkomst als tijdelijk functionaris bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), ondertekend op 1 april 2013, voor zover hij daarbij is ingedeeld in rang AD 5, en om vergoeding van schade die hij zou hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 5 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de versie van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1240/2010 van de Raad van 20 december 2010 (hierna: „Statuut”), luidt als volgt: „1. De ambten waarop dit Statuut van toepassing is, zijn in twee functiegroepen ingedeeld naargelang van de aard en het niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, te weten de functiegroep ‚administrateurs’ (hierna ‚AD’) en de functiegroep ‚assistenten’ (hierna ‚AST’). 2. De functiegroep AD omvat twaalf rangen, die overeenkomen met leidinggevende functies, functies met een beleidsmatig of adviserend karakter en functies op taalkundig en wetenschappelijk gebied. [...] 3. Voor aanstelling in een ambt gelden de volgende minimumeisen: [...] b) in de functiegroep AD voor de rangen 5 en 6: i) een opleidingsniveau dat overeenkomt met een voltooide universitaire opleiding van ten minste drie jaar, afgesloten door een diploma, of ii) [...]. c) in de functiegroep AD voor de rangen 7 tot en met 16: i) een opleidingsniveau dat overeenkomt met een voltooide universitaire opleiding, afgesloten door een diploma, wanneer de normale duur van de universitaire opleiding vier jaar of meer bedraagt, of ii) een opleidingsniveau dat overeenkomt met een voltooide universitaire opleiding, afgesloten door een diploma, en relevante beroepservaring van ten minste één jaar, wanneer de normale duur van de universitaire opleiding ten minste drie jaar bedraagt, [...] [...]”
3 Artikel 31 van het Statuut bepaalt: „1. De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld in de rang van de functiegroep vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek waartoe zij zijn toegelaten. 2. Onverminderd artikel 29, lid 2, [van het Statuut] kunnen ambtenaren slechts worden aangeworven in de rangen AST 1 tot en met AST 4 of in de rangen AD 5 tot en met AD 8. De in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermelde rang wordt door de instelling vastgesteld aan de hand van de volgende criteria: a) het doel ambtenaren aan te werven die overeenkomstig artikel 27 [van het Statuut] aan de hoogste eisen voldoen; b) de kwaliteit van de verlangde beroepservaring. [...]”
4 In artikel 32 van het Statuut wordt bepaald: „De aangestelde ambtenaar wordt ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan, teneinde rekening te houden met de beroepservaring van de betrokkene, een salarisanciënniteit van ten hoogste 24 maanden toekennen. Voor de uitvoering van dit artikel worden algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld. [...]”
5 Artikel 98 van het Statuut, ingevoerd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1080/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, bepaalt: „1. Voor de toepassing van artikel 29, lid 1, onder a), [van het Statuut] behandelt het tot aanstelling bevoegde gezag bij het vervullen van een vacature bij de EDEO de sollicitaties van ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad [van de Europese Unie], de [Europese] Commissie en de EDEO, van tijdelijke personeelsleden die vallen onder artikel 2, [onder] e), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en van personeelsleden van nationale diplomatieke diensten van de lidstaten zonder voorrang te geven aan een bepaalde groep. Tot 30 juni 2013 en in afwijking van artikel 29 [van het Statuut], werft de EDEO van buiten de instelling uitsluitend ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad [van de Europese Unie] en van de [Europese] Commissie aan, alsmede personeelsleden van de diplomatieke diensten van de lidstaten. [...]”
6 Artikel 2 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in de uit verordening nr. 723/2004 voortvloeiende versie, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 1240/2010 (hierna: „RAP”), bepaalt onder e), een bepaling die is ingevoerd bij verordening nr. 1080/2010: „Als tijdelijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt: [...] e) personeel dat vanuit de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten wordt aangesteld om tijdelijk een vast ambt bij de EDEO te vervullen.”
7 In artikel 10 RAP wordt bepaald: „1. [...] [A]rtikel 5, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van het Statuut zijn van overeenkomstige toepassing. 2. In de overeenkomst met de tijdelijke functionaris moeten de rang en salaristrap waarin hij wordt aangesteld, worden vermeld. [...]”
8 Artikel 15, lid 1, eerste alinea, RAP bepaalt: „De tijdelijke functionaris wordt aanvankelijk ingedeeld overeenkomstig artikel 32 van het Statuut.”
9 Artikel 50 ter RAP, ingevoerd bij verordening nr. 1080/2010, luidt als volgt: „1. Personeelsleden van de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten die zijn geselecteerd volgens de procedure van artikel 98, lid 1, van het Statuut en die door hun nationale diplomatieke diensten worden gedetacheerd, worden aangesteld als tijdelijke personeelsleden als bedoeld in artikel 2, onder e), [RAP]. 2. Zij kunnen worden aangesteld voor maximaal vier jaar. Het contract kan met maximaal vier jaar worden verlengd. De aanstelling kan niet voor langer dan acht jaar gelden. In uitzonderlijke omstandigheden en in het belang van de dienst kan het contract evenwel aan het einde van het achtste jaar met maximaal twee jaar worden verlengd. Overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht verstrekt elke lidstaat zijn ambtenaren die tijdelijk personeelslid in de EDEO zijn geworden, de waarborg dat zij na afloop van hun dienstbetrekking bij de EDEO onmiddellijk weer in dienst worden genomen. [...]”
10 Artikel 6, met het opschrift „Personeel”, van besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de [EDEO] (PB L 201, blz. 30) luidt als volgt: „[...] 7. Ambtenaren van de Unie en tijdelijke ambtenaren uit de diplomatieke diensten van de lidstaten hebben dezelfde rechten en plichten, worden gelijk behandeld en komen met name op gelijke voorwaarden voor alle ambten [binnen de EDEO] in aanmerking. Bij het toewijzen van taken op alle door de EDEO bestreken activiteits‑ en beleidsgebieden wordt geen onderscheid gemaakt tussen uit nationale diplomatieke diensten afkomstige, tijdelijke ambtenaren en ambtenaren van de Unie. [...] [...] 11. Overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht verstrekt elke lidstaat zijn ambtenaren die tijdelijk ambtenaar in de EDEO zijn geworden, de waarborg dat zij na afloop van hun dienstbetrekking bij de EDEO onmiddellijk weer in dienst worden genomen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 50 ter van de RAP mag deze dienstbetrekking niet meer dan acht jaar duren, tenzij zij in uitzonderlijke omstandigheden en in het belang van de dienst met een periode van ten hoogste twee jaar is verlengd. [...]”
Feiten, zoals die uit de verwijzingsbeslissing blijken
11 Verzoeker was vanaf 2007 tot en met 31 maart 2013, eerst voor de Europese Commissie en vervolgens voor de EDEO, werkzaam als gedetacheerd nationaal deskundige. Volgens zijn functieomschrijving was hij als functionaris verantwoordelijk voor het veiligheidsbeleid op het gebied van vermindering van chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico’s („Policy Officer – Security in the area of [Chemical, Biological, Radiological and Nuclear] Risk mitigation”).
12 Vóór het aflopen van zijn detachering als gedetacheerd nationaal deskundige bij de EDEO, solliciteerde verzoeker op de post, bedoeld in kennisgeving van vacature EEAS/2012/AD/36, gericht op aanwerving, binnen de afdeling Veiligheids‑ en Sanctiebeleid, van een functionaris die verantwoordelijk is voor het veiligheidsbeleid op het gebied van vermindering van chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico’s („Policy Officer – Security in the area of [Chemical, Biological, Radiological and Nuclear] Risk mitigation”) (hierna: „kennisgeving van vacature”).
13 Blijkens de kennisgeving van vacature moesten de kandidaten ofwel ambtenaar zijn van bepaalde instellingen van de Europese Unie in de rangen AD 5 tot en met AD 14, ofwel tijdelijk functionaris, aangeworven krachtens artikel 2, onder e), RAP, ofwel personeelslid van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten. Wat de kandidaten betreft die personeelslid waren van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten, gaf de kennisgeving van vacature aan dat zij, behalve dat zij de nationaliteit dienden te bezitten van een van de lidstaten, over een opleidingsniveau moesten beschikken dat overeenkwam met een voltooide universitaire opleiding, afgesloten door een diploma, wanneer de normale duur van de universitaire opleiding ten minste drie jaar bedraagt. Tevens werd van hen verlangd dat zij ten minste twee jaar hadden gewerkt bij een nationale administratie.
14 Uit de kennisgeving van vacature blijkt ook dat, indien de keuze mocht vallen op een ambtenaar van de Unie, deze zou worden aangesteld in zijn rang. Indien de gekozen kandidaat behoorde tot het personeel van de diplomatieke dienst van een van de lidstaten, werd hem een overeenkomst aangeboden uit hoofde van artikel 2, onder e), RAP, waarvan de duur niet meer kon bedragen dan vier jaar en zou hij worden aangesteld in rang AD 5.
15 De sollicitatie van verzoeker was succesvol, en op 1 april 2013 tekende hij een aanstellingsovereenkomst met de EDEO. Uit de overeenkomst blijkt dat verzoeker met ingang van die datum was aangesteld als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder e), RAP, in rang AD 5, salaristrap 2. Als dienstplaats was Brussel (België) vastgesteld.
16 Verzoeker, die van mening was dat de rang AD 5 niet overeenkwam met de in de kennisgeving van vacature voorziene functies, noch met de functies die hij uitoefende, en dat hij werd gediscrimineerd ten opzichte van ambtenaren van de Unie, diende op 27 juni 2013 een „[verzoek in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut]” in, met het doel om een kennelijke beoordelingsfout bij zijn indeling te herstellen.
17 Het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van de EDEO heeft verzoekers verzoek aangemerkt als een „klacht in de zin van artikel 90[, lid] 2, van het Statuut”, en deze bij besluit van 28 oktober 2013 afgewezen.
Conclusies van verzoeker en procesverloop
18 Verzoeker verzoekt het Gerecht: „– het [in zijn aanstellingsovereenkomst opgenomen] besluit van 1 april 2013 [waarbij hij is ingedeeld] in rang AD 5, nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit van 28 oktober 2013 tot afwijzing van de klacht, nietig te verklaren; [...] – te gelasten dat [zijn] post wordt heringedeeld in een rang die overeenkomt met het niveau van zijn verantwoordelijkheden; – [de EDEO] te gelasten om, met terugwerkende kracht sinds verzoekers indiensttreding, alle met name financiële gevolgen aan die herindeling te verbinden; – [zijn] immateriële schade te vergoeden, welke ex aequo et bono op het bedrag van 5000 EUR wordt vastgesteld; [...] – de [EDEO] te verwijzen in de kosten”.
19 Ingevolge artikel 39, lid 1, van het op de datum van indiening van het verzoekschrift geldende Reglement voor de procesvoering, moet de verwerende partij binnen twee maanden na de betekening van het verzoekschrift haar verweerschrift indienen.
20 Zoals blijkt uit de ontvangstbevestiging van de betekening van het verzoekschrift, is dit op 14 februari 2014 op regelmatige wijze in ontvangst genomen op het adres van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid te Brussel, het adres dat vooraf door de EDEO aan het Gerecht was verstrekt voor de betekening van processtukken.
21 De termijn van twee maanden voor de indiening van een verweerschrift, inclusief de termijn wegens afstand, liep af op 24 april 2014, zonder dat de EDEO een verweerschrift had ingediend.
22 Bij brief van 2 juli 2014 heeft de griffie van het Gerecht verzoeker ervan in kennis gesteld dat er binnen de gestelde termijn geen verweerschrift was ingediend en dat de schriftelijke procedure was afgesloten. Bij die gelegenheid herinnerde de griffie verzoeker eraan dat deze beschikte over de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 116, lid 1, eerste alinea, van het destijds geldende Reglement voor de procesvoering te vorderen dat het Gerecht zijn conclusies toewijst. In haar brief heeft de griffie voorts verzoekers aandacht gevestigd op de tekst van lid 4 van datzelfde artikel, volgens hetwelk tegen een bij verstek gewezen arrest desalniettemin verzet openstaat. Bij brief van eveneens 2 juli 2014 zond de griffie van het Gerecht de EDEO een kopie van de brief aan verzoeker en deelde zij de EDEO tegelijkertijd mee dat de schriftelijke procedure was afgesloten.
23 Bij brief van 10 juli 2014 verzocht verzoeker het Gerecht om toewijzing van zijn conclusies, zoals deze in zijn verzoekschrift waren weergegeven. Dit verzoek werd betekend aan de EDEO.
24 Op 11 juli 2014 verzocht de EDEO het Gerecht, overeenkomstig artikel 116, lid 1, tweede alinea, van het destijds geldende Reglement voor de procesvoering, om opening van de mondelinge behandeling met betrekking tot verzoekers verzoek van 10 juli 2014 en om toezending van een kopie van het verzoekschrift. Het Gerecht zond de EDEO een kopie van het verzoekschrift en wees het verzoek om opening van de mondelinge behandeling met betrekking tot verzoekers verzoek af bij beschikking van 24 november 2014.
In rechte
25 Overeenkomstig artikel 121, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat de bepalingen van artikel 116, lid 2, van het tot en met 30 september 2014 geldende Reglement voor de procesvoering overneemt, onderzoekt het Gerecht, alvorens bij verstek arrest te wijzen, de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, alsmede of de vormvoorschriften behoorlijk in acht zijn genomen en of de conclusies van verzoeker gegrond voorkomen. Het kan maatregelen tot organisatie van de procesgang treffen of maatregelen van instructie gelasten.
26 In casu blijkt uit het dossier dat het beroep voor het Gerecht is ingediend binnen de statutaire termijn van drie maanden, vermeerderd met de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen, te rekenen vanaf de betekening aan verzoeker van de afwijzing van de klacht; dat verzoeker opkomt tegen het door hem als bezwarend aangemerkte indelingsbesluit bij zijn aanstelling als tijdelijk functionaris, en dat hij procesbelang heeft, aangezien hij opkomt tegen een administratief besluit van individuele strekking dat bindende rechtsgevolgen heeft die zijn belangen rechtstreeks en onmiddellijk kunnen raken.
27 Uit het dossier blijkt voorts dat het verzoekschrift op regelmatige wijze aan de EDEO is betekend op het adres te Brussel dat laatstgenoemde voor de betekening van processtukken aan de griffie van het Gerecht had verstrekt, en dat de EDEO niet binnen de termijn een verweerschrift heeft ingediend.
28 Hieruit volgt dat, in casu, de ontvankelijkheid van het verzoekschrift buiten twijfel staat en dat de formaliteiten op regelmatige wijze zijn vervuld.
29 Het Gerecht zal in deze zaak moeten nagaan of verzoekers conclusies, gelet op het verzoekschrift en de bijlagen daarbij, gegrond lijken. Daartoe achtte het Gerecht het niet nodig een maatregel tot organisatie van de procesgang, noch om een maatregel van instructie te treffen.
Vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht
30 Verzoeker vordert, voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 28 oktober 2013 tot afwijzing van de klacht.
31 Uit vaste rechtspraak blijkt dat de administratieve klacht en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan een onderdeel vormen van een samengestelde procedure en slechts een voorwaarde zijn om beroep te kunnen instellen bij de rechter. In deze omstandigheden heeft het beroep, zelfs indien dit formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan die van het besluit waartegen de klacht is ingediend. Er is herhaaldelijk geoordeeld dat een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht, gelet op de inhoud ervan, mogelijkerwijs het door de verzoeker bestreden besluit niet bevestigt. Dit is het geval wanneer het besluit tot afwijzing van de klacht een heronderzoek van de situatie van de verzoeker op basis van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk bevat of het oorspronkelijke besluit wijzigt of aanvult. In die gevallen vormt de afwijzing van de klacht een handeling die is onderworpen aan het toezicht van de rechter, die deze handeling in aanmerking neemt bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit, of zelfs beschouwt als bezwarend besluit dat in de plaats van het bestreden besluit komt (arrest Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, EU:T:2011:506, punt 32).
32 Aangezien de betrokkene in het stelsel van het Statuut een klacht moet indienen tegen het door hem betwiste besluit en beroep moet instellen tegen het besluit tot afwijzing van die klacht, heeft de Unierechter geoordeeld dat het beroep ontvankelijk is, ongeacht de vraag of het slechts tegen het oorspronkelijk betwiste besluit, tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, dan wel tegen beide besluiten tezamen is gericht, voor zover de klacht en het beroep binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorgeschreven termijnen zijn ingediend, respectievelijk ingesteld. Overeenkomstig het beginsel van proceseconomie kan de rechter echter beslissen dat hij niet specifiek uitspraak hoeft te doen over de vordering gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, wanneer hij vaststelt dat deze geen zelfstandige inhoud heeft en in wezen samenvalt met de vordering die is gericht tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punten 7 en 8). Dit kan met name het geval zijn wanneer de Unierechter vaststelt dat het besluit tot afwijzing van de klacht, eventueel omdat het stilzwijgend is, louter een bevestiging vormt van het besluit waartegen de klacht is ingediend, zodat de nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht voor de rechtspositie van de betrokkene geen ander gevolg heeft dan hetgeen voortvloeit uit de nietigverklaring van het besluit waartegen de klacht was gericht (arrest Adjemian e.a./Commissie, EU:T:2011:506, punt 33).
33 In casu staat vast dat het besluit tot afwijzing van de klacht geen heronderzoek van de situatie van de verzoeker op basis van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk bevat, maar het in verzoekers aanstellingsovereenkomst opgenomen besluit tot indeling in rang AD 5, salaristrap 2, bevestigt en zich beperkt tot het vermelden van de door verzoeker aangevoerde middelen en argumenten en het aanbrengen van bepaalde preciseringen met betrekking tot bovengenoemd indelingsbesluit. In een dergelijk geval dient de rechtmatigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit te worden onderzocht aan de hand van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht, aangezien die motivering wordt geacht samen te vallen met dat besluit (zie in die zin arrest Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Bijgevolg heeft de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud en moet ervan worden uitgegaan dat het beroep is gericht tegen het in verzoekers aanstellingsovereenkomst van 1 april 2013 opgenomen besluit om hem in te delen in rang AD 5 (hierna: „bestreden indelingsbesluit”), zoals dit door het besluit van 28 oktober 2013 tot afwijzing van de klacht is gepreciseerd (zie in die zin arresten Eveillard/Commissie, T‑258/01, EU:T:2004:177, punten 31 en 32, en Buxton/Parlement, F‑50/11, EU:F:2012:51, punt 21).
35 Er behoeft dus niet afzonderlijk uitspraak te worden gedaan over de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht.
Vordering tot herindeling van verzoekers post en vordering de EDEO te gelasten met terugwerkende kracht aan de herindeling alle gevolgen te verbinden
36 Aangaande de vorderingen die ertoe strekken, ten eerste, dat het Gerecht gelast dat verzoekers post wordt heringedeeld in een rang die overeenkomt met het niveau van zijn verantwoordelijkheden, en, ten tweede, dat het Gerecht de EDEO gelast om, met terugwerkende kracht sinds verzoekers indiensttreding, alle, met name financiële, gevolgen aan die herindeling te verbinden, zij eraan herinnerd dat de rechter in het kader van een beroep uit hoofde van artikel 91 van het Statuut geen beginselverklaringen kan afleggen en een instelling geen bevelen kan geven zonder inbreuk te maken op de bevoegdheden van het administratieve gezag (zie beschikking Caminiti/Commissie, F‑71/09, EU:F:2011:53, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hooguit zou de instelling zich genoodzaakt kunnen zien maatregelen te nemen, zoals die waarom de verzoeker vraagt, ter uitvoering van een arrest waarbij verzoekers vorderingen tot nietigverklaring worden toegewezen.
37 Hieruit volgt dat de vorderingen die ertoe strekken dat het Gerecht gelast dat verzoekers post wordt heringedeeld in een rang die overeenkomt met het niveau van zijn verantwoordelijkheden, en dat het Gerecht de EDEO gelast om, met terugwerkende kracht sinds verzoekers indiensttreding, alle, met name financiële, gevolgen aan die herindeling te verbinden, niet-ontvankelijk zijn.
Vordering tot nietigverklaring van het bestreden indelingsbesluit
38 Ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring van het bestreden indelingsbesluit voert verzoeker één middel aan, ontleend aan onwettigheid van de kennisgeving van vacature op basis waarvan hij was aangeworven. Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is gebaseerd op schending van het beginsel van overeenstemming tussen de rang en het ambt, en op schending van artikel 5 van het Statuut en van bijlage I, punt A, bij het Statuut. Het tweede onderdeel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout. Het derde onderdeel is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van discriminatie, alsook aan schending van artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427.
39 Het Gerecht stelt vast dat het door verzoeker in zijn verzoekschrift ontwikkelde betoog enkel betrekking heeft op het eerste en het derde onderdeel van zijn enige middel. Het tweede onderdeel van het enige middel van het verzoekschrift, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, wordt op geen enkele wijze met argumenten onderbouwd, hetgeen in strijd is met de regel van artikel 35, lid 1, onder e), van het op de datum van instelling van het beroep geldende Reglement voor de procesvoering [thans artikel 50, lid 1, onder e), van het huidige Reglement voor de procesvoering]. Derhalve dient het tweede onderdeel van het enige middel van het verzoekschrift te worden afgewezen.
Eerste onderdeel van het middel, gebaseerd op schending van het beginsel van overeenstemming tussen de rang en het ambt, en op schending van artikel 5 van het Statuut en van bijlage I, punt A, bij het Statuut
40 Verzoeker betoogt dat de kennisgeving van vacature onwettig was, daar zij enkel voor kandidaten die personeelslid waren van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten voorzag in een indeling in rang AD 5. Deze rang, waarin verzoeker als tijdelijk functionaris is ingedeeld, stemt niet overeen met de taken die hij moet uitvoeren, en vormt geen weerspiegeling van het belang van die taken, noch van de op hem rustende verantwoordelijkheden. Voor het aan hem toegewezen beheer van de „gevoelige” dossiers is absoluut een jarenlange ervaring binnen zijn vakgebied vereist, en dit kan in elk geval niet worden gewaarborgd door een ambtenaar aan het begin van zijn loopbaan die slechts over twee jaar ervaring beschikt, zoals door de kennisgeving van vacature werd vereist. Hij voegt hieraan toe dat van de vijfentwintig jaar beroepservaring, hij vijftien jaar heeft gewerkt op het in de kennisgeving van vacature bedoelde expertisegebied, en dat de post die hij bekleedde als gedetacheerd nationaal deskundige, vanwege de vereiste competenties was aangemerkt als „gevoelig”. Na zijn aanstelling tot tijdelijk functionaris in rang AD 5, is hij evenwel exact dezelfde functies blijven uitoefenen.
41 Verzoeker betoogt voorts dat de functieomschrijvingen van de twee andere leden van het team waartoe hij behoort, die hij bij het verzoekschrift voegt, identiek zijn aan die van de post die hij bezet, terwijl, enerzijds, van de twee ambtenaren die deze posten bezetten, de ene is ingedeeld in rang AD 12 en de andere in rang AD 13, en, anderzijds, hij is aangesteld in rang AD 5 ter vervanging van een ambtenaar in rang AD 13 en om dezelfde functies uit te oefenen. Deze omstandigheden maken duidelijk dat zijn indeling in deze rang niet adequaat was in verhouding tot functies en verantwoordelijkheden.
42 Verzoeker voegt hieraan toe dat in bijlage I, punt A, bij het Statuut wordt bepaald dat rang AD 5 betrekking heeft op juniorposten, terwijl hij voor niemand in een junior-seniorverhouding werkzaam is en bij de uitoefening van zijn functies blijk geeft van een hoge mate van onafhankelijkheid. Verzoeker betoogt bovendien dat de door hem bij het verzoekschrift gevoegde functieomschrijving van het ambt van de nationaal gedetacheerde die hem vanaf oktober 2013 verving, ten minste acht jaar ervaring binnen zijn specialisatiegebied vereist, en dat, in de praktijk, binnen het team waartoe hij behoort, geen van zijn collega’s was aangeworven in rang AD 5.
43 Tot slot verklaart verzoeker dat het indelingsbesluit een gevolg was van begrotingsbeperkingen, terwijl de selectie van personeel ingevolge artikel 6, lid 8, van besluit 2010/427 dient te geschieden op objectieve basis en erop gericht moet zijn personeel in dienst te nemen dat voldoet aan de hoogste normen betreffende geschiktheid, efficiëntie en integriteit. Verzoeker is van mening dat het argument van de EDEO betreffende begrotingsbeperkingen ongegrond is, aangezien het maandelijkse salaris van de bij de selectie op grond van de kennisgeving van vacature als tweede geplaatste kandidaat – indien deze gekozen zou zijn – zou zijn overeengekomen met dat van een ambtenaar die is ingedeeld in rang AD 13, daar deze kandidaat ambtenaar was.
44 Het Gerecht constateert, in de eerste plaats, dat verzoekers bewering dat de kennisgeving van vacature enkel voor kandidaten die lid waren van het personeel van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten voorzag in een indeling in rang AD 5, berust op een onjuiste lezing van de tekst van die kennisgeving.
45 Uit punt 1 van de eerste groep van toelatingsvoorwaarden in de kennisgeving van vacature blijkt immers dat, overeenkomstig artikel 98 van het Statuut, de kandidaten ofwel ambtenaar moesten zijn van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, ofwel ambtenaar van de Commissie of de EDEO, ofwel tijdelijk personeelslid waarop artikel 2, onder e), RAP van toepassing is, te weten lid van het personeel dat vanuit de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten wordt aangesteld om tijdelijk een vast ambt bij de EDEO te vervullen, ofwel een lid van het personeel van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten.
46 Terwijl er dus drie mogelijke categorieën van kandidaten waren, te weten zij die ambtenaar bij de Unie waren, zij die reeds bij de EDEO waren aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder e), RAP, en zij die, zoals verzoeker, onder geen van deze beide categorieën vielen, bepaalde de kennisgeving van vacature dat bij de indeling in rang van de gekozen kandidaat, de kandidaten die ambtenaar bij de Unie waren, zouden worden ingedeeld in de rang die zij hadden, en de kandidaten die dat niet waren, dat wil zeggen die personeelslid waren van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten, zouden worden ingedeeld in rang AD 5.
47 Wanneer het juist is dat de kennisgeving van vacature toestond dat ambtenaren in de rangen AD 5 tot en met AD 14 op de post solliciteerden, kan ervan uitgegaan worden dat, indien de gekozen kandidaat ambtenaar in rang AD 5 was geweest, hij in die rang zou zijn ingedeeld. Bijgevolg kan verzoekers argument dat de kennisgeving van vacature onwettig was omdat deze bepaalde dat enkel de personeelsleden van nationale diplomatieke diensten van de lidstaten die voor de post werden aangeworven, zouden worden aangesteld in rang AD 5, niet worden aanvaard.
48 Bovendien zij opgemerkt dat de eisen die in punt 2 van de tweede groep van toelatingsvoorwaarden worden gesteld aan de kandidaten die personeelslid zijn van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten, te weten dat zij dienden te beschikken over een opleidingsniveau dat overeenkomt met een voltooide universitaire opleiding van ten minste drie jaar, afgesloten door een diploma, identiek zijn aan de eis die wordt gesteld in artikel 5, lid 3, onder b), i), van het Statuut om te worden aangesteld in de rangen 5 en 6 van de functiegroep van administrateurs (AD), die duidelijk verschilt van de eis die artikel 5, lid 3, onder c), van het Statuut stelt voor een aanstelling in de rangen 7 tot en met 16 van diezelfde functiegroep.
49 Hieruit volgt dat, gelet op het niveau van hogere opleiding dat door de kennisgeving van vacature werd vereist voor kandidaten die lid waren van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten, te weten het niveau dat is vastgelegd in artikel 5, lid 3, onder b), i), van het Statuut voor een aanstelling in de rangen 5 en 6 van de functiegroep AD, en gelet op het minimaal vereiste aantal jaren beroepservaring, dat slechts twee jaar bedroeg, de kandidaten die lid waren van het personeel van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten, waartoe ook verzoeker behoorde, zich niet konden vergissen over de rang die was voorzien voor de te vervullen post. Indien de EDEO aan de post de rang AD 7 of hoger had willen toekennen, dan had de kennisgeving van vacature immers wel het in artikel 5, lid 3, onder c), voorziene opleidingsniveau en, in elk geval, meer jaren beroepservaring vereist.
50 In de tweede plaats kan het Gerecht verzoekers argument met betrekking tot de discrepantie tussen de op hem rustende verantwoordelijkheden, die hij naar eigen zeggen enkel kan vervullen dankzij zijn ruime ervaring op het in de kennisgeving van vacature bedoelde gebied, en de rang AD 5 waarin hij was aangesteld, niet aanvaarden.
51 Bij lezing van de omschrijving van de voornaamste functies die de gekozen kandidaat zou moeten uitoefenen, zoals deze in de kennisgeving van vacature waren vermeld, blijkt immers dat deze volkomen overeenkomen met de functies die worden toevertrouwd aan een ambtenaar in het begin van zijn loopbaan. Zo worden deze taken meerdere malen als volgt omschreven: „[b]ijdragen” aan de voorbereiding van documenten, in nauwe samenwerking met in het bijzonder de instellingen, lidstaten of internationale organisaties; „[b]ijdragen” aan de uitwerking van basiswetgeving; „[z]org dragen voor” de coördinatie, en „[d]eelnemen [aan] en/of vertegenwoordigen van de [d]ivisie [,Beleid inzake veiligheid en sancties']”, met name in de vergaderingen met de instellingen van de Unie, de lidstaten of derde landen. Voor de uitoefening van deze functies is geen lange voorafgaande ervaring vereist.
52 Hieraan moet worden toegevoegd dat verzoekers argument dat de functies van een administrateur die is ingedeeld in rang AD 5, zoals deze zijn vermeld in bijlage I, punt A, bij het Statuut, met name overeenkomen met die van junior jurist, junior econoom, junior wetenschapper, hetgeen volgens hem moeilijk in overeenstemming is te brengen met de verantwoordelijkheden die hij geheel alleen – zonder in een junior-seniorverhouding te staan tot een andere ambtenaar of functionaris – voor zijn rekening neemt, duidelijk geen rekening houdt met de functieomschrijving in de kennisgeving van vacature, die aangeeft dat een van de voornaamste taken bestaat in het „voorbereiden van briefings, nota's en andere documenten [...] voor hogere ambtenaren en ambtenaren op politiek niveau”.
53 In de derde plaats kunnen evenmin de argumenten worden aanvaard die verzoeker aanvoert ter ondersteuning van zijn stelling dat hij in een hogere rang had moeten worden ingedeeld. Het eerste argument houdt in dat de post die hij bekleedde als gedetacheerd nationaal deskundige, gelet op de volgens de functieomschrijving vereiste bijzondere competenties, als „gevoelig” was aangemerkt, en dat zijn functies nadat hij was aangesteld als tijdelijk functionaris in rang AD 5 precies dezelfde bleven. In het tweede argument wordt gesteld dat deze functieomschrijving in december 2012 identiek was aan die van twee andere leden van hetzelfde team, die ambtenaar waren en waarvan de een was ingedeeld in rang AD 12 en de ander in rang AD 13. In het derde argument wordt betoogd dat hij was aangesteld als tijdelijk functionaris in rang AD 5, terwijl zijn voorganger een ambtenaar in rang AD 13 was.
54 Er zij in dit verband aan herinnerd dat de regel van overeenstemming tussen de rang en het ambt impliceert dat de door een ambtenaar of functionaris uitgeoefende functies, gelet op hun aard, hun belang en omvang, moeten worden vergeleken met zijn rang in de hiërarchie (arrest Michail/Commissie, F‑100/09, EU:F:2011:132, punt 65). In casu blijkt uit de punten 48, 51 en 52 van dit arrest dat van deze overeenstemming sprake is, zowel met betrekking tot de in de kennisgeving van vacature omschreven taken, als met betrekking tot het minimale opleidingsniveau waaraan de kandidaten voor de in de genoemde rang te bezetten post moeten voldoen, waarbij die taken overeenkomen met die welke typisch aan ambtenaren en functionarissen in rang AD 5 worden toevertrouwd, en het opleidingsniveau overeenkomt met het minimale opleidingsniveau dat is vereist om te kunnen worden aangesteld als ambtenaar of functionaris in die rang.
55 Met betrekking tot verzoekers eerste argument constateert het Gerecht dat uit een eenvoudige vergelijking tussen de opsomming, in de kennisgeving van vacature, van de functies die moesten worden uitgeoefend door de tijdelijk ambtenaar in rang AD 5 die moest worden aangeworven, en de opsomming in de functieomschrijving die behoorde bij de post die verzoeker bekleedde toen hij gedetacheerd nationaal deskundige was, volgt dat dit argument feitelijke grondslag mist. De eerste groep van functies in de functieomschrijving van de door verzoeker als gedetacheerd nationaal deskundige bezette post, komt immers niet voor in de omschrijving van de functies in de kennisgeving van vacature. Dit geldt ook voor de vierde en de vijfde taak van de derde groep van functies in bovengenoemde functieomschrijving, alsook voor de eerste, de derde en de vierde taak van de vierde groep van functies in diezelfde functieomschrijving.
56 Aangaande verzoekers tweede argument, dat steunt op de functieomschrijvingen van twee andere leden van zijn team – die allebei ambtenaar zijn, de een in rang AD 12 en de ander in rang AD 13 – zij erop gewezen dat de in die functieomschrijvingen vermelde taken wel overeenkomen met de opsomming van de taken van de door verzoeker bezette post van gedetacheerd nationaal deskundige, maar aanzienlijk verschillen van die welke zijn opgesomd in de kennisgeving van vacature.
57 Wat verzoekers derde argument betreft, kan de omstandigheid dat verzoeker werd aangesteld op een post die daarvóór werd bezet door een ambtenaar in rang AD 13 geen gevolgen hebben voor de wettigheid van het bestreden indelingsbesluit waarbij verzoeker overeenkomstig de kennisgeving van de vacature waarop hij had gesolliciteerd werd ingedeeld in de basisrang van functiegroep AD (zie in die zin arrest BV/Commissie, F‑133/11, EU:F:2013:199, punten 64‑67).
58 In elk geval kunnen de functies die verzoeker voordat hij werd aangesteld als tijdelijk functionaris bij de EDEO had uitgeoefend als gedetacheerd nationaal deskundige bij de EDEO, niet in aanmerking worden genomen voor een vergelijking met de functies die hij uitoefent op de post die hij bezet krachtens de litigieuze aanstellingsovereenkomst, aangezien verzoeker zich als gedetacheerd nationaal deskundige niet kon beroepen op een indeling in rang overeenkomstig het Statuut.
59 In de vierde en laatste plaats treffen de argumenten die verzoeker aanvoert tot staving van de onwettigheid van het bestreden indelingsbesluit – te weten, ten eerste, dat de kennisgeving van vacature ambtenaren in een reeks van rangen, oplopend van AD 5 tot en met AD 14, toestond te solliciteren en, ten tweede, dat de ambtenaren die in dezelfde dienst als verzoeker werkten of hadden gewerkt en waarvan wordt gesteld dat zij dezelfde taken uitoefenden, werden ingedeeld in een hogere rang dan hij zelf – evenmin doel.
60 Sinds de wijziging van het Statuut, op 1 mei 2004, is daarin, met uitzondering van de rangen AD 15 en AD 16, die zijn voorbehouden aan het ambt van directeur en/of directeur-generaal, immers geen overeenstemming meer vastgelegd tussen de uitgeoefende functies en een bepaalde rang, maar is het juist mogelijk gemaakt dat rang en functie worden losgekoppeld (arrest Bouillez e.a./Raad, F‑53/08, EU:F:2010:37, punt 54), hetgeen tot gevolg heeft dat de ambtenaren van de functiegroep AD een lineaire loopbaan volgen, die zich door bevordering kan ontwikkelen van rang AD 5 tot en met rang AD 14.
61 Aangezien in casu de functieomschrijving in de kennisgeving van vacature overeenkomt met functies met een beleidsmatig of adviserend karakter, die volgens artikel 5, lid 2, van het Statuut worden uitgeoefend door ambtenaren van de functiegroep AD vanaf de rang AD 5, is in die kennisgeving terecht bepaald dat ambtenaren in de rangen AD 5 tot en met AD 14 op de betrokken post konden solliciteren en dat de gekozen kandidaat in zijn rang zou worden ingedeeld.
62 In de rechtspraak is reeds uitgemaakt dat identieke of vergelijkbare functies kunnen worden uitgeoefend door personen van verschillende rang, zoals volgt uit bijlage I, punt A, bij het Statuut, waarin wordt bepaald dat het merendeel van de aldaar opgesomde functies kan worden uitgeoefend door ambtenaren van verschillende rang. Van strijdigheid met de regel van overeenstemming tussen rang en ambt is dus slechts sprake indien de uitgeoefende functies, globaal gezien, duidelijk onder het niveau blijven van die welke met de rang en het ambt van de betrokken ambtenaar overeenkomen (arrest Z/Hof van Justitie, F‑88/09 en F‑48/10, EU:F:2012:171, punt 138, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑88/13 P). Deze rechtspraak, die betrekking heeft op ambtenaren, is ook van toepassing op tijdelijk functionarissen.
63 Aangaande verzoekers argument dat zijn indeling in rang AD 5 een gevolg was van begrotingsbeperkingen, kan ermee worden volstaan op te merken dat uit het dossier niet blijkt dat de EDEO zich op dergelijke gronden heeft gebaseerd toen hij besloot dat de in de kennisgeving van vacature bedoelde post waarin moest worden voorzien, een post van rang AD 5 zou zijn.
64 Hieruit volgt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat tussen de rang AD 5 en de in de kennisgeving van vacature omschreven functies een wanverhouding bestaat, respectievelijk dat het ambt dat hij bekleedt niet overeenkomt met de rang waarin hij is ingedeeld, aangezien hij zich dienaangaande heeft beperkt tot loutere beweringen over zijn eigen verantwoordelijkheden en over de rang die wordt bezet door sommige van zijn collega-ambtenaren.
65 Derhalve moet het eerste onderdeel van het middel, gebaseerd op schending van het beginsel van overeenstemming tussen de rang en het ambt, en op schending van artikel 5 van het Statuut en van bijlage I, punt A, bij het Statuut, worden afgewezen.
Derde onderdeel van het middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van discriminatie, alsook aan schending van artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427
66 Verzoeker eist – met een beroep op artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op artikel 1 quinquies van het Statuut en op artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427 – gelijke behandeling van tijdelijk functionarissen en ambtenaren. In casu blijkt uit de kennisgeving van vacature dat voor de post waarin verzoeker was aangesteld, tijdelijk functionarissen uit de diplomatieke diensten van de lidstaten enkel konden worden aangesteld in rang AD 5, terwijl ambtenaren konden worden ingedeeld in de rangen AD 5 tot en met AD 14.
67 Verzoeker is van mening dat een dergelijk verschil in indeling bij het uitoefenen van dezelfde functies in strijd is met het in artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427 neergelegde gebod van toegang tot posten onder gelijke voorwaarden. Verzoeker betoogt in dit verband dat de reeks van rangen die was voorgesteld voor de aanwerving van ambtenaren, dezen in staat stelt hun anciënniteit te behouden en te doen gelden, terwijl de personeelsleden die behoren tot de diplomatieke diensten van de lidstaten hun ervaring niet kunnen doen gelden, hetgeen neerkomt op een ongelijke behandeling op grond van hun afkomst met betrekking tot de voorwaarden voor aanstelling en tewerkstelling, ofschoon beide groepen aan een gemeenschappelijke selectieprocedure zijn onderworpen.
68 Verzoekers argumenten kunnen niet worden aanvaard.
69 Zoals volgt uit vaste rechtspraak is het non-discriminatiebeginsel slechts van toepassing op personen die zich in gelijke of vergelijkbare omstandigheden bevinden en vereist het bovendien dat de verschillende behandeling van verschillende categorieën ambtenaren of tijdelijke functionarissen gerechtvaardigd is op basis van een objectief en redelijk criterium en dat dit verschil evenredig is aan het met die differentiëring beoogde doel (arrest Afari/ECB, T‑11/03, EU:T:2004:77, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er is sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer twee groepen personen waarvan de feitelijke en rechtssituatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld en wanneer verschillende situaties op dezelfde wijze worden behandeld (arrest Schönberger/Parlement, F‑7/08 EU:F:2009:10, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 In casu is het juist dat krachtens artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427 ambtenaren van de Unie en personeelsleden van de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten dezelfde rechten en plichten hebben, gelijk worden behandeld en met name op gelijke voorwaarden voor alle ambten in aanmerking komen.
71 Uit de tekst van de kennisgeving van vacature volgt dat zowel de lijst van vastgestelde toelatingsvoorwaarden als de selectiecriteria dezelfde waren voor de ambtenaren van de Unie en voor de personeelsleden van de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten, waarbij het enige verschil erin bestond dat laatstgenoemden moesten voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit en het opleidingsniveau waaraan de ambtenaren van functiegroep AD bij hun aanstelling worden geacht te voldoen. Derhalve moet worden vastgesteld dat in de kennisgeving van vacature met betrekking tot de toegang tot de post geen onderscheid naar herkomst van de kandidaten werd gemaakt.
72 Wat de indeling in rang betreft, heeft het Gerecht in punt 47 van dit arrest reeds vastgesteld dat een succesvol kandidaat, wanneer hij ambtenaar in rang AD 5 was geweest, bij zijn overplaatsing dezelfde rang zou hebben behouden, hetgeen de rang is die verzoeker bezette toen hij tijdelijk functionaris was. Derhalve maakt de kennisgeving van vacature geen onderscheid met betrekking tot de aanstelling in de basisrang in de functiegroep AD naargelang de vraag of de succesvolle kandidaat een EU-ambtenaar is of een personeelslid van de nationale diplomatieke dienst van een van de lidstaten.
73 Desalniettemin acht verzoeker zich slachtoffer van discriminatie, aangezien een ambtenaar in een rang hoger dan AD 5 zijn rang zou hebben behouden indien deze zou zijn aangesteld op de post, bedoeld in de kennisgeving van vacature, terwijl verzoeker zijn anciënniteit niet kon doen gelden, aangezien tijdelijk functionarissen enkel konden worden aangesteld in rang AD 5.
74 Dit argument treft geen doel, aangezien ambtenaren van de Unie en personeelsleden van de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten die zijn gedetacheerd bij de EDEO zich, met betrekking tot het kader waarin hun loopbaan geacht wordt zich te ontwikkelen en zelfs met betrekking tot de wijze waarop hun administratie van herkomst hun anciënniteit beoordeelt, niet in een identieke of vergelijkbare situatie bevinden.
75 Enerzijds immers waren de personeelsleden van het secretariaat-generaal van de Raad, de Commissie en de EDEO die, indien zij voldeden aan de voorwaarde van indeling in een bepaalde rang, konden solliciteren op de in de kennisgeving van vacature bedoelde post, ambtenaren in functiegroep AD, die, als zodanig, aangewezen zijn om hun loopbaan voort te zetten binnen de instellingen van de Unie, en daarbij met name functies met een beleidsmatig of adviserend karakter uit te oefenen, vanaf rang AD 5 tot en met rang AD 14.
76 Daarentegen blijkt uit artikel 50 ter RAP dat de personeelsleden van de nationale diplomatieke diensten van de lidstaten, zelfs indien zij zijn aangesteld als tijdelijk functionarissen als bedoeld in artikel 2, onder e), RAP, worden geacht hun loopbaan vervolgens voort te zetten binnen hun administratie van herkomst, aangezien zij door de EDEO slechts voor een periode van maximaal vier jaar kunnen worden aangesteld, welke periode maar eenmaal met maximaal vier jaar kan worden verlengd, met de uitzonderlijke mogelijkheid van aanvullende verlenging van de overeenkomst met twee jaar, hetgeen alles bij elkaar een maximale detachering betekent van tien jaar, met de waarborg van de lidstaten dat zij na afloop van hun dienstbetrekking bij de EDEO onmiddellijk weer in dienst worden genomen.
77 Anderzijds dienen de instellingen van de Unie, wanneer zij hun ruime beoordelingsbevoegdheid uitoefenen om besluiten te nemen over de overeenstemming van ambten en rangen, met inaanmerkingneming van het belang van de aan de betrokken functies toevertrouwde taken en enkel lettend op het belang van de dienst, rekening te houden met het feit dat, krachtens het Statuut, identieke of vergelijkbare functies kunnen worden uitgeoefend door personen van verschillende rang, zoals blijkt uit bijlage I, punt A, bij het Statuut, dat bepaalt dat de meeste van de aldaar opgesomde functies kunnen worden uitgeoefend door ambtenaren van verschillende rang.
78 Bovendien blijkt uit de door verzoeker zelf verstrekte gegevens dat, voor bevorderingsronde 2013, 15 ambtenaren van de EDEO in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 6; 18 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 7; 15 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 8; 26 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 9; 26 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 10; 47 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 11; 33 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 12; 130 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 13, en 102 ambtenaren in aanmerking kwamen voor bevordering naar de rang AD 14. Hoewel deze cijfers niet exact overeenstemmen met het aantal ambtenaren van de EDEO dat in elke rang is ingedeeld, aangezien sommige van deze ambtenaren tijdens die bevorderingsronde niet voor bevordering in aanmerking kwamen, tonen zij rechtens genoegzaam aan dat indien de kennisgeving van vacature de mogelijkheid om te solliciteren op de post waarin moest worden voorzien, had beperkt tot enkel de ambtenaren van de EDEO in rang AD 5, nagenoeg alle ambtenaren van de EDEO, gelet op de hoge rang waarin al deze ambtenaren zijn ingedeeld, van de selectieprocedure zouden zijn uitgesloten.
79 In deze omstandigheden kon de kennisgeving van vacature terecht, en zonder het beginsel van gelijke behandeling zowel wat betreft de toegang tot de post onder gelijke voorwaarden voor ambtenaren van de Unie én personeelsleden van nationale diplomatieke diensten van de lidstaten, als wat betreft de indeling in rang van de gekozen kandidaat, te schenden, erin voorzien dat een tijdelijk functionaris bij aanwerving zou worden ingedeeld in rang AD 5, en tegelijkertijd bepalen dat een ambtenaar van de Unie die was ingedeeld in de rangen AD 5 tot en met AD 14 zou worden benoemd in zijn rang.
80 Bijgevolg dient het derde onderdeel van het middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van discriminatie, alsook aan schending van artikel 6, lid 7, van besluit 2010/427, eveneens te worden afgewezen.
81 Uit het voorgaande volgt dat het enige middel, ontleend aan onwettigheid van de kennisgeving van vacature, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.
82 Hieruit volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het bestreden indelingsbesluit moet worden afgewezen.
Vordering tot schadevergoeding
83 Verzoeker is van mening dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden. De materiële schade vloeit voort uit het feit dat zijn bezoldiging direct gekoppeld is aan zijn rang: indien hij bijvoorbeeld zou zijn ingedeeld in rang AD 12, zou hij recht hebben op het dubbele van zijn huidige salaris. Zijn indeling in rang AD 5 kan ook negatieve gevolgen hebben voor zijn loopbaanvooruitzichten binnen de EDEO, met name met betrekking tot zijn mobiliteit, aangezien zijn mogelijkheden zijn beperkt tot andere posten in diezelfde rang, en dit ondanks het feit dat zijn ervaring hem in staat stelt te solliciteren op posten van veel hogere rang.
84 Ten slotte heeft de indeling in rang AD 5 verzoeker immateriële schade berokkend wat betreft het gewettigd vertrouwen dat hij mocht hebben in zijn werkgever, nu verzoeker er immers vrijwillig voor had gekozen de afstand tot zijn nationale administratie van herkomst te handhaven en in dienst te blijven bij de EDEO.
85 Wanneer de schade waarop een verzoeker zich beroept, voortvloeit uit de vaststelling van een besluit waartegen een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, leidt, volgens vaste rechtspraak, de afwijzing van deze vordering tot nietigverklaring in beginsel tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding, aangezien deze vorderingen nauw verband houden met elkaar (arrest Arguelles Arias/Raad, F‑122/12, EU:F:2013:185, punt 127).
86 In casu zij opgemerkt dat de door verzoeker gestelde materiële en immateriële schade zijn oorsprong vindt in besluitnemingspraktijk van de EDEO, die hem, in strijd met zijn wensen en verwachtingen, heeft ingedeeld in rang AD 5. Daar de vordering tot nietigverklaring van het bestreden indelingsbesluit is afgewezen zonder dat het Gerecht een onregelmatigheid heeft vastgesteld in de besluitnemingspraktijk van de EDEO, dient verzoekers schadevordering te worden afgewezen.
87 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
88 Volgens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering draagt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, haar eigen kosten en wordt zij verwezen in de kosten van de andere partij, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 103, lid 3, van genoemd Reglement draagt elk van de partijen haar eigen kosten bij gebreke van een conclusie ten aanzien van de proceskosten.
89 De EDEO, die regelmatig in het geding is geroepen, heeft niet binnen de gestelde termijnen een verweerschrift ingediend en niet ten aanzien van de kosten geconcludeerd. In deze omstandigheden dient, overeenkomstig artikel 103, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Elke partij draagt haar eigen kosten.
Bradley Kreppel Rofes i Pujol Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 mei 2015. De griffier W. Hakenberg De president K. Bradley
( *1 ) Procestaal: Frans.