HvJ EU 11 juli 2013, F-46/11, ECLI:EU:F:2013:115
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)
11 juli 2013 ( *1 )
„Openbare dienst — Psychisch geweld — Begrip geweld — Verzoek om bijstand — Administratief onderzoek naar gestelde feiten van geweld — Besluit om administratief onderzoek zonder gevolg af te sluiten — Redelijke termijn voor afronding van administratief onderzoek — Verplichting om besluit tot afsluiting van administratief onderzoek te motiveren — Omvang”
In zaak F‑46/11,
betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,
Marie Tzirani, voormalig ambtenaar van de Europese Commissie, wonende te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door É. Boigelot en S. Woog, vervolgens door É. Boigelot, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Joris en P. Pecho als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat, vervolgens door V. Joris als gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,
verweerster,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. I. Rofes i Pujol, president, I. Boruta en K. Bradley (rapporteur), rechters,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 september 2012,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 14 april 2011, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie om geen gevolg te geven aan haar verzoek om bijstand en, ten tweede, veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt: „1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. 2. Dit recht behelst met name: [...] c) de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden. [...]”
3 Artikel 1 quinquies, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt: „Voor de toepassing van dit Statuut is iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke, filosofische, godsdienstige of andere overtuiging, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd, of seksuele geaardheid verboden. [...]”
4 Artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut bepaalt: „Onder ‚psychisch geweld’ wordt iedere vorm van opzettelijk onbehoorlijk gedrag verstaan dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten.”
5 Artikel 24 van het Statuut luidt: „De Unie verleent bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan. Voor zover de schade die de ambtenaar door deze feiten heeft geleden, niet uit diens opzet of grove nalatigheid is voortgevloeid en hij geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen van degenen die de schade hebben veroorzaakt, wordt zij door de Unie gezamenlijk vergoed.”
6 Artikel 25, tweede alinea, van het Statuut bepaalt: „Elk besluit dat overeenkomstig dit Statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed.”
7 Artikel 2, lid 2, van bijlage IX bij het Statuut, betreffende de tuchtprocedure, luidt: „Wanneer het onderzoek is afgerond brengt het tot aanstelling bevoegde gezag de betrokkene daarvan op de hoogte en doet het hem de conclusies van het onderzoeksrapport toekomen, alsmede, als hij daarom vraagt, alle documenten die rechtstreeks verband houden met de jegens hem geuite aantijgingen, mits de legitieme belangen van derden worden beschermd.”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
8 Verzoekster, die in 1977 in dienst van de Commissie is getreden, was vanaf 1 juli 1991 werkzaam bij het directoraat-generaal (DG) „IX Personeelszaken en administratie”, thans het DG „Personele middelen en veiligheid” (hierna: „DG Personeelszaken”).
9 In 2003 heeft verzoekster gesolliciteerd naar het ambt van directeur van het directoraat B „Statuut: beleid, beheer en advies” van het DG Personeelszaken (hierna: „directoraat B”) alsmede naar het ambt van directeur van het directoraat C „Sociaal beleid, personeel Luxemburg, gezondheid, hygiëne” van hetzelfde directoraat-generaal (hierna: „directoraat C”). In beide gevallen is verzoekster op de shortlist geplaatst, maar is de keuze van de administratie op andere kandidaten gevallen, A voor het directoraat B en B voor het directoraat C.
10 Nadat verzoekster beroepen had ingesteld tegen de benoemingen van A en B, zijn deze nietig verklaard bij twee arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 4 juli 2006 (Tzirani/Commissie, T‑45/04 en Tzirani/Commissie, T‑88/04). Vervolgens is verzoekster bij het Gerecht opgekomen tegen de uitvoering van arrest T‑45/04 door middel van een beroep dat heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 22 oktober 2008, Tzirani/Commissie (F‑46/07), waarbij het Gerecht het nieuwe besluit tot benoeming van A in het ambt van directeur van het directoraat B nietig heeft verklaard en de Commissie heeft veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster.
11 Op 1 januari 2003 is verzoekster als hoofd van een eenheid tewerkgesteld bij het Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” (PMO). Op 1 oktober 2004 is C benoemd tot plaatsvervangend directeur van het PMO en met ingang van 16 februari 2005 tot directeur van het PMO.
12 In e-mails van 25 mei 2005 en 17 februari 2006 aan haar hiërarchieke meerdere, C, heeft verzoekster haar verwijten gemaakt waarin zij stelde dat haar gedrag psychisch geweld kon vormen.
13 Verzoekster heeft op 5 december 2007 een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 24 van het Statuut ingediend (hierna: „verzoek van 5 december 2007” of „verzoek om bijstand”). Zij stelde het slachtoffer van feiten van psychisch geweld te zijn geweest en vroeg de Commissie om een administratief onderzoek in te stellen teneinde die feiten te onderzoeken en maatregelen te treffen om deze situatie te kunnen oplossen. Bovendien sprak zij de wens uit dat haar verzoek om bijstand door een andere dienst van de Commissie zou worden behandeld dan het DG Personeelszaken, waarbij zij werkzaam was.
14 Bij e-mail van 18 december 2007 heeft de secretaris-generaal van de Commissie verzoekster meegedeeld dat haar verzoek om bijstand zou worden behandeld door het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDOC).
15 Op 7 februari 2008 was verzoekster slachtoffer van een ongeval op haar werkplek, waarna zij langdurig met ziekteverlof was. In februari 2009 is verzoekster gepensioneerd, zonder haar functie te hebben hervat.
16 Bij aan het IDOC gerichte e-mail van 6 juni 2008 heeft verzoekster navraag gedaan over de voortgang van het onderzoek van haar verzoek om bijstand. Bij nota van 9 juni 2008 is verzoekster door de met het onderzoek belaste functionaris (hierna: „onderzoeker”) op de hoogte gesteld van het besluit van de secretaris-generaal van de Commissie om een administratief onderzoek in te stellen. In diezelfde nota gaf de onderzoeker aan dat hij het onderzoek zou uitvoeren met technische bijstand van het IDOC. Hij preciseerde in dat verband dat de secretaris-generaal van de Commissie had besloten om dit onderzoek toe te vertrouwen aan een persoon buiten het IDOC, teneinde elk reëel of schijnbaar belangenconflict te vermijden. Ten slotte deelde de onderzoeker verzoekster mee dat „in de komende dagen” contact met haar zou worden opgenomen voor een afspraak, zodat zij haar beweringen kon preciseren.
17 Bij e-mail van 7 november 2008 heeft de onderzoeker zich bij verzoekster verontschuldigd voor de vertraging bij de start van de onderzoeksprocedure.
18 Op 21 november 2008 en vervolgens op 5 maart 2009 heeft verzoekster zich erover beklaagd dat zij geen nieuws omtrent haar dossier had ontvangen en de onderzoeker verzocht om informatie over de voortgang van haar dossier. Op 6 maart 2009 heeft de onderzoeker zich verontschuldigd voor de vertraging bij „de organisatie van de overeengekomen procedure”.
19 Op 9 maart 2009 heeft de onderzoeker verzoekster uitgenodigd om te getuigen in het kader van het administratieve onderzoek, hetgeen zij op 19 maart 2009 heeft gedaan.
20 Op 30 juni 2009 heeft verzoekster de onderzoeker opnieuw schriftelijk om informatie over haar dossier gevraagd en verzocht om een tweede ontmoeting, teneinde hem een nieuw bewijselement over te leggen. De volgende dag heeft de onderzoeker verzoekster een e-mail gestuurd waarin hij zich „persoonlijk verantwoordelijk achtte voor de lange duur van het onderzoek” en erkende dat hij er „ondanks zijn inspanningen” niet in was geslaagd om „gelijktijdig en in het door hem gewenste tempo” het onderzoeksdossier en de met zijn huidige taken verband houdende dossiers te behandelen.
21 De door verzoekster gevraagde ontmoeting heeft plaatsgevonden op 29 september 2009.
22 Op 8 november 2009 heeft verzoekster de onderzoeker gevraagd om inzage te krijgen in de verslagen van de verhoren die in het kader van het administratieve onderzoek hadden plaatsgevonden. Daar zij geen antwoord ontving, heeft zij dit verzoek herhaald op 25 november 2009.
23 Bij e-mail van 27 november 2009 heeft de onderzoeker het verzoek om inzage in die verslagen afgewezen, waarbij hij zich beriep op de bescherming van de vertrouwelijkheid van het administratieve onderzoek en van persoonlijke gegevens.
24 Tussen 1 en 4 december 2009 en vervolgens op 22 januari 2010 heeft verzoekster tezamen met een personeelslid van het IDOC de bijlagen bij haar verzoek om bijstand nog eens doorgenomen.
25 Op 14 februari 2010 heeft verzoekster een nieuw document aan de onderzoeker gezonden.
26 Op 19 februari 2010 heeft verzoekster bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over de duur van het onderzoek.
27 Op 23 april 2010 heeft de onderzoeker het eindrapport van het onderzoek opgesteld en de secretaris-generaal van de Commissie voorgesteld om geen gevolg te geven aan het onderzoek dat naar aanleiding van verzoeksters verzoek om bijstand was ingesteld.
28 Blijkens het dossier is verzoekster in het kader van opmerkingen die de Commissie op 15 juli 2010 bij de Ombudsman had ingediend, op de hoogte gesteld van de opstelling van het eindrapport van het onderzoek en van de conclusies van de onderzoeker.
29 Op 10 augustus 2010 heeft verzoekster het besluit van de secretaris-generaal van de Commissie van 7 juni 2010 ontvangen om geen gevolg te geven aan haar verzoek om bijstand (hierna: „bestreden besluit” of „besluit van 7 juni 2010”). Het bestreden besluit ging niet vergezeld van het eindrapport van het onderzoek, waarop het was gebaseerd.
30 Bij brief van 25 augustus 2010 heeft verzoeksters raadsman de Commissie verweten dat het besluit van 7 juni 2010 pas twee maanden en drie dagen na de vaststelling ervan bij verzoekster was aangekomen, dat het niet aangetekend was verstuurd en dat hem geen kopie was toegezonden, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster in haar verzoek om bijstand uitdrukkelijk had verzocht.
31 Op 7 september 2010 heeft verzoekster uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit.
32 Op 15 september 2010 heeft de Commissie verzoeksters raadsman geantwoord dat het besluit van 7 juni 2010„als gevolg van een administratieve fout” niet aan hem was gezonden en dat de datum die in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van de termijn „om beroep in te stellen”, 10 augustus 2010 was.
33 Naar aanleiding van een door verzoeksters raadsman bij brief van 14 oktober 2010 gedaan verzoek, heeft de Commissie bevestigd dat het in de brief van 15 september 2010 gebruikte woord „beroep” een „schrijffout” was, dat de klacht op 7 september 2010 was ingeschreven en dat deze datum „in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van de termijn van beantwoording” van de klacht.
34 De klacht is afgewezen bij besluit van 20 december 2010, waarvan verzoekster op 4 januari 2011 in kennis is gesteld.
Conclusies van partijen en procesverloop
35 Verzoekster verzoekt het Gerecht: — de Commissie te gelasten om het dossier van het administratieve onderzoek over te leggen, en met name het eindrapport van het onderzoek en de daarbij behorende stukken alsmede de verslagen van de verhoren die tijdens het onderzoek hebben plaatsgevonden; — het bestreden besluit nietig te verklaren; — de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade ter hoogte van het bedrag van 10000 EUR, onder voorbehoud van een verhoging in de loop van de procedure, alsmede tot terugbetaling van de financiële kosten die in het kader van de precontentieuze procedure zijn gemaakt; — de Commissie te verwijzen in alle kosten.
36 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
37 Bij brief van de griffie van 31 januari 2012 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om het eindrapport van het onderzoek over te leggen, waarbij het specificeerde dat het haar vrijstond om een vertrouwelijke versie toe te sturen. De Commissie heeft dit rapport op 16 februari 2012 ter griffie neergelegd, zonder om een vertrouwelijke behandeling ervan te vragen.
38 Bij brief van 27 maart 2012 heeft verzoekster het Gerecht aangegeven dat het door de Commissie toegezonden eindrapport van het onderzoek niet de bijlagen bevatte waarin melding werd gemaakt van de onderzoeksactiviteiten alsmede van de verhoren van de getuigen of de betrokken personen. Zij verzocht het Gerecht om de Commissie te vragen, haar die toe te sturen. Bij brief van 12 juli 2012 heeft de griffie partijen op de hoogte gesteld van de beslissing van het Gerecht om dit verzoek niet in te willigen.
39 Het door het Gerecht aan partijen gedane voorstel voor een minnelijke regeling van het geschil heeft geen resultaat opgeleverd.
In rechte
A – Vordering om de Commissie te gelasten, het dossier van het administratieve onderzoek over te leggen
40 Verzoekster vraagt het Gerecht om de Commissie in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten, het dossier van het administratieve onderzoek over te leggen, en met name het eindrapport van het onderzoek en de daarbij behorende stukken, alsmede de verslagen van de verhoren die tijdens het onderzoek hebben plaatsgevonden.
41 Het Gerecht is van oordeel dat in het kader van een klacht wegens psychisch geweld, behoudens bijzondere omstandigheden, de vertrouwelijkheid van de verkregen getuigenissen moet worden gegarandeerd, daaronder begrepen die welke tijdens de contentieuze procedure zijn verkregen, aangezien het vooruitzicht van een eventuele verbreking van die vertrouwelijkheid in het contentieuze stadium kan verhinderen dat er neutrale en objectieve onderzoeken plaatsvinden waaraan de personeelsleden die worden opgeroepen om als getuige te worden gehoord zonder terughouding meewerken (arrest Gerecht van 12 december 2012, Cerafogli/ECB, F‑43/10, punt 222, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑114/13 P). Verzoekster heeft echter onvoldoende elementen gegeven om te rechtvaardigen dat het Gerecht in casu deze voorzichtigheid laat vallen.
42 Gelet op het voorgaande en op het feit dat de Commissie in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang het eindrapport van het onderzoek, zonder bijlagen, heeft overgelegd en dit aan verzoekster is gezonden, is het Gerecht, dat zich hoe dan ook voldoende op de hoogte acht door de uitgewisselde memories en door de antwoorden van partijen op de maatregelen tot organisatie van de procesgang en op de ter terechtzitting gestelde vragen, van oordeel dat bovengenoemde vordering moet worden afgewezen, voor zover zij de bijlagen bij het eindrapport van het onderzoek betreft.
B – Vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit
43 Ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit voert verzoekster vijf middelen aan, respectievelijk ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting, schending van artikel 1 quinquies van het Statuut, niet-nakoming van de bijstandsplicht, niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en, ten slotte, niet-nakoming van de motiveringsplicht.
1. Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting
a) Argumenten van partijen
44 Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat, aangezien de secretaris-generaal van de Commissie, handelend in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”), zich op het standpunt heeft gesteld dat de gedragingen die zij zowel haar chefs als haar collega’s verweet niet onder de kwalificatie psychisch geweld vielen, zodat hij geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek om bijstand. Bovendien heeft de Commissie artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut geschonden, door het bestaan van psychisch geweld te laten afhangen van de verwezenlijking van voorwaarden die in die bepaling niet worden genoemd.
45 Haars inziens wordt voldaan aan alle voorwaarden om van psychisch geweld te kunnen spreken. Ten eerste ging het bij de verweten gedragingen om opzettelijke, duurzame en herhaalde gedragingen. Ten tweede is haar gezondheidstoestand aanzienlijk verslechterd en lijdt zij sinds 2006 aan een depressie die verband houdt met het geleden psychisch geweld. Ten derde verwijt zij de Commissie dat zij in het besluit tot afwijzing van de klacht heeft geconcludeerd dat „het onderzoek dat naar aanleiding van het verzoek om bijstand is ingesteld [...] niet heeft aangetoond [...] dat [verzoekster] discriminatoir en vernederend werd behandeld”, ofschoon die voorwaarde niet wordt genoemd in de definitie van psychisch geweld in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, dat niet vereist dat het discriminatoire karakter van de als geweld aangemerkte handelingen wordt aangetoond.
46 Met betrekking tot de feiten stelt verzoekster dat zij gedurende de periode tussen 1999 en 30 september 2004, dat wil zeggen voordat C directeur van het PMO werd, geleidelijk aan te maken kreeg met een negatieve houding en ongerechtvaardigde kritiek van haar chefs en van een aantal van haar collega’s, die haar zagen als een mogelijke concurrente voor ambten die verantwoordelijkheden inhielden, ofschoon haar prestaties en gedrag in de dienst niet waren veranderd. Deze negatieve houding blijkt uit het feit dat haar beoordelingen slechter werden, uit een voorstel om haar vervroegd pensioen zonder vermindering van pensioenrechten te laten aanvragen (hierna: „afvloeiingsvoorstel”) dat zij als vernederend beschouwt, alsmede uit het feit dat de voorstellen die zij voor bepaalde probleemdossiers deed systematisch werden genegeerd. Deze gedragingen kunnen niet worden aangemerkt als een verschil van mening met haar chefs en een deel van haar collega’s, maar vormen psychisch geweld.
47 Wat de periode betreft tussen 1 oktober 2004, de datum waarop C hoofd van het PMO werd, en 5 december 2007, de datum waarop verzoekster haar verzoek om bijstand heeft ingediend, verwijt verzoekster haar directeur, C, dat zij haar systematisch en herhaaldelijk heeft buitengesloten van werkgroepen en vergaderingen over kwesties die onder haar bevoegdheid vielen, dat zij haar de toegang tot belangrijke informatie heeft geweigerd, dat zij heeft geweigerd om haar voldoende middelen en personeel te geven om de aan haar opgedragen taken uit te voeren en dat zij in e-mails, waarvan een kopie werd gezonden aan verschillende andere ambtenaren of functionarissen, twijfels heeft geuit over haar bekwaamheden.
48 Bovendien stelt verzoekster dat het bestreden besluit op een onjuiste rechtsopvatting berust, aangezien het bestaan van psychisch geweld wordt uitgesloten op grond dat „uit het onderzoek eveneens is gebleken dat [C] geen boos opzet jegens haar had en dat de managementstijl van [C] niet specifiek [haar] betrof”.
49 De Commissie vraagt het Gerecht allereerst om het onderhavige middel niet-ontvankelijk te verklaren krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering, op grond dat verzoekster, na in haar verzoekschrift te hebben gesteld dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, zich beperkt tot een verwijzing naar de bijlagen bij het verzoekschrift.
50 Ten gronde stelt de Commissie dat niet was voldaan aan de voorwaarden om van psychisch geweld te kunnen spreken. Ten eerste blijkt uit geen van de door verzoekster aangevoerde elementen dat er sprake was van psychisch geweld en ten tweede heeft verzoekster niet aangetoond dat haar fysieke en psychische integriteit is aangetast.
b) Beoordeling door het Gerecht
51 Om te beginnen stelt het Gerecht vast dat de argumenten feitelijk en rechtens die ter onderbouwing van het onderhavige middel zijn aangevoerd in het verzoekschrift synthetisch, coherent en begrijpelijk worden uiteengezet en dat het de ter onderbouwing van die argumenten aangevoerde bewijselementen precies noemt door naar verschillende bijlagen te verwijzen. Dit betekent dat het verzoekschrift, wat het onderhavige middel betreft, voldoet aan artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering, zodat het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
52 Ten gronde herinnert het Gerecht eraan dat artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut het boos opzet van de vermeende geweldpleger niet noemt als een noodzakelijk element voor de kwalificatie van psychisch geweld (arresten Gerecht van 9 december 2008, Q/Commissie, F‑52/05, punt 133, op dit punt niet vernietigd bij arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, en 26 februari 2013 Labiri/EESC, F‑124/10, punt 65).
53 Artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut definieert psychisch geweld immers als „onbehoorlijk gedrag” dat kan worden aangetoond wanneer is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden. De eerste voorwaarde houdt verband met het bestaan van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die zich „gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch” voordoen en die „opzettelijk” zijn. De tweede voorwaarde, die – in de Franse versie – van de eerste wordt gescheiden door het nevenschikkend voegwoord „en”, vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften „de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten” (reeds aangehaalde arresten Q/Commissie, punt 134 en Labiri/EESC, punt 66).
54 Aangezien het adjectief „opzettelijk” betrekking heeft op de eerste voorwaarde, en niet op de tweede, kan er een dubbele conclusie worden getrokken. Enerzijds moeten de in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut vermelde gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften bewust geschieden, hetgeen toevallige handelingen uitsluit van de werkingssfeer van deze bepaling. Anderzijds is het daarentegen niet vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften de bedoeling hebben om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van een persoon aan te tasten. Met andere woorden, er kan sprake zijn van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut zonder dat de geweldpleger met zijn handelingen de bedoeling had om het slachtoffer in diskrediet te brengen of om de werkomstandigheden van het slachtoffer met opzet aan te tasten. Het volstaat dat zijn handelingen, wanneer zij bewust werden verricht, objectief dergelijke gevolgen hadden (reeds aangehaalde arresten Q/Commissie, punt 135, en Labiri/EESC, punt 67).
55 Hieraan moet worden toegevoegd dat een andere uitlegging van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut deze bepaling iedere nuttige werking zou ontnemen, omdat het bijzonder moeilijk is om het boos opzet te bewijzen van de persoon die met zijn gedrag psychisch geweld pleegt. Ook al zijn er gevallen waarin het boos opzet zonder problemen kan worden opgemaakt uit de handelwijze van de dader, opgemerkt zij dat dergelijke gevallen zeldzaam zijn en dat in het merendeel van de situaties de vermeende geweldpleger erop toeziet om zich niet zo te gedragen dat duidelijk is dat hij de bedoeling heeft om zijn slachtoffer in diskrediet te brengen of om de werkomstandigheden van zijn slachtoffer aan te tasten (reeds aangehaalde arresten Q/Commissie, punt 136, en Labiri/EESC, punt 68).
56 In zijn arrest van 16 mei 2012, Skareby/Commissie (F‑42/10), heeft het Gerecht gepreciseerd dat de kwalificatie van geweld afhangt van de voorwaarde dat het geweld objectief voldoende reëel is in die zin dat een onpartijdig en redelijk toeschouwer, die met een normale gevoeligheid is begiftigd en in dezelfde omstandigheden is geplaatst, het zou aanmerken als buitensporig en laakbaar (arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
57 In casu moet eerst worden onderzocht of het TABG, dat zich over de klacht moet uitspreken, van een foute rechtsopvatting is uitgegaan door in het besluit tot afwijzing van de klacht uit te sluiten dat er sprake was van psychisch geweld, aangezien verzoekster niet discriminatoir was behandeld. Dienaangaande herinnert het Gerecht aan de rechtspraak dat ook al geeft een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht belangrijke preciseringen over de redenen die de administratie in het oorspronkelijke besluit heeft gegeven, de concrete vaststelling van de redenen van de administratie moet volgen uit een gezamenlijke lezing van die twee besluiten (arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Dit gezegd zijnde, blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht dat de Commissie de erkenning van geweld niet afhankelijk heeft gesteld van het bestaan van discriminatie. In antwoord op de verschillende grieven van verzoekster heeft het TABG, dat zich over de klacht moest uitspreken, slechts opgemerkt dat uit het eindrapport van het onderzoek bleek dat, ten eerste, C de haar door verzoekster verweten gedragingen niet alleen aan haar voorbehield, maar deze manier van optreden haar algemene stijl van leiding geven aan het personeel was en, ten tweede, dat verzoekster de enige was die deze gedragingen als psychisch geweld ervoer en het feit dat zij het niet eens was met deze stijl van leiding geven aan het personeel op zich niet volstond om deze te kunnen aanmerken als psychisch geweld.
59 De onderhavige grief betreffende het bestaan van een onjuiste rechtsopvatting moet dus ongegrond worden verklaard.
60 Vervolgens moet worden onderzocht of de Commissie, gelet op de hierboven genoemde beginselen, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te beslissen dat de door verzoekster gelaakte gedragingen geen psychisch geweld vormden. Hiertoe acht het Gerecht het noodzakelijk om verzoeksters grieven met betrekking tot de periode van 1999 tot en met 30 september 2004 (hierna: „eerste periode”) en die betreffende de periode na 30 september 2004 (hierna: „tweede periode”) afzonderlijk te behandelen.
Grieven betreffende de eerste periode
61 Verzoekster stelt in de eerste plaats dat de negatieve geruchten over haar vermeende leidinggevende tekortkomingen tot gevolg hebben gehad dat de beoordelingen in haar beoordelingsrapporten over de jaren 1999 tot en met 2002 minder waren dan haar eerdere beoordelingen en slechter in vergelijking met die van andere collega’s. Voorts beklaagt zij zich erover dat de vergelijkende tabellen van punten die aan de hoofden van een eenheid waren toegekend waren uitgedeeld tijdens managementvergaderingen. Gelet op het feit dat zij in die tabellen naar voren kwam als het hoofd met de minste punten, was die uitdeling erop gericht om haar buiten spel te zetten en te isoleren.
62 Met betrekking tot verzoeksters beoordelingsrapporten herinnert het Gerecht aan de vaste rechtspraak dat in een beoordelingsrapport opgenomen punten en beoordelingen, zelfs al zijn die negatief, als zodanig niet kunnen worden aangemerkt als aanwijzingen voor het feit dat het rapport met het oog op psychisch geweld is opgesteld (arrest Gerecht van 2 december 2008, K/Parlement, F‑15/07, punt 39).
63 In casu voert verzoekster geen enkel argument aan ten bewijze van het feit dat de kwaliteit van haar prestaties niet juist is beoordeeld en blijkt uit het dossier evenmin dat zij klachten heeft ingediend tegen de bestreden beoordelingsrapporten. Zelfs al komt vast te staan dat verzoekster een slechtere beoordeling heeft gekregen dan die van sommige van haar collega’s, dan nog kan dit niet worden beschouwd als een aanwijzing voor psychisch geweld.
64 Wat meer bepaald het beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2001 betreft, dit bevat bovendien een beoordeling „uitzonderlijk” en negen beoordelingen „uitstekend”, zodat het niet slechter is dan het beoordelingsrapport over de voorgaande periode, dat negen beoordelingen „uitstekend” en één beoordeling „normaal” bevatte. Het argument dat verzoekster ontleent aan een slechtere beoordeling faalt dus. Wat het beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002 betreft, vormt het feit dat verzoekster 13 van de in totaal 20 meritepunten heeft gekregen op zich geen aanwijzing voor geweld, gelet op het feit dat het aantal meritepunten dat verzoekster in de volgende jaren heeft gekregen constant is toegenomen. Zo heeft zij in 2003 14,5, in 2004 16 en in 2005 en 2006 16,5 meritepunten gekregen.
65 Aangaande de uitdeling, tijdens managementvergaderingen, van informatie over de punten die de hoofden van een eenheid hadden gekregen, blijkt uit het dossier dat C zelf die uitdeling in een aan een hoofd van een eenheid van het PMO gerichte e-mail van 6 april 2005, waarvan verzoekster een kopie had gekregen, „zinloos en inadequaat” heeft genoemd. Zo die uitdeling al tot gevolg kan hebben dat inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon, dan nog noemt verzoekster slechts twee van dergelijke episodes die plaatsvonden tussen 1999 en 2007 en heeft zij dus niet aangetoond dat die gedraging gedurende lange tijd, herhaaldelijk of systematisch plaatsvond.
66 In de tweede plaats beschouwt verzoekster zowel het afvloeiingsvoorstel dat haar directeur-generaal haar tijdens het onderhoud in het kader van haar beoordelingsrapport over 2003 heeft gedaan alsook het voorstel om adviseur te worden van de nieuwe directeur van het directoraat B, tegen wiens benoeming zij beroep had ingesteld bij de Unierechter, als psychisch geweld.
67 Het Gerecht stelt vast dat dergelijke voorstellen in de context van de onderhavige zaak niet kunnen worden aangemerkt als feiten van psychisch geweld.
68 Wat het afvloeiingsvoorstel betreft, blijkt uit het eindrapport van het onderzoek dat de betrokken directeur-generaal heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij verzoekster een dergelijk voorstel heeft gedaan, maar dat hij, indien de omstandigheid wordt bewezen, slechts zou hebben gezegd dat dit een mogelijkheid voor haar was. Bovendien herinnert het Gerecht eraan dat afvloeiing een instrument is dat op vrijwillige basis geschiedt en dat een eventueel voorstel daartoe de betrokken persoon dus in geen geval kan binden. Voorts zou verzoekster, indien het TABG haar verzoek om afvloeiing had aanvaard, de mogelijkheid hebben gehad om vervroegd met pensioen te gaan, zonder vermindering van pensioenrechten. Zo een dergelijk voorstel, dat verzoekster aanzienlijke economische voordelen zou hebben opgeleverd, daadwerkelijk zou zijn gedaan, dan nog toont verzoekster niet aan waarom het objectief „vernederend” zou zijn geweest.
69 Met betrekking tot het voorstel van de directeur-generaal van DG Personeelszaken om adviseur te worden van de nieuwe directeur van het directoraat B, A, moet worden opgemerkt dat verzoekster inderdaad naar datzelfde ambt van directeur had gesolliciteerd en dat zij bij de Unierechter is opgekomen tegen de benoeming van A. Aangezien verzoekster echter meermaals haar wens te kennen had gegeven om directeur te worden, had zij door een eventuele dienstperiode als adviseur van een directeur relevante beroepservaring kunnen opdoen, waarvan zij in de toekomst gebruik had kunnen maken. Dat voorstel kan dus zowel in het belang van de dienst als in haar belang zijn gedaan en er moet dus worden vastgesteld dat dat voorstel, nu verzoekster het Gerecht geen enkel element heeft gegeven op grond waarvan kan worden aangetoond dat het een inbreuk op haar persoonlijkheid, haar waardigheid of haar integriteit kon vormen, niet kan worden aangemerkt als een gedraging die psychisch geweld oplevert.
70 In de derde plaats noemt verzoekster een aantal conflicten met hoofden van een eenheid en collega’s als voorbeelden van psychisch geweld. Meer bepaald stelt zij dat zij misplaatste en vernederende opmerkingen heeft gekregen van één van de medewerkers van de directeur-generaal van het DG Personeelszaken tijdens de presentatie van een administratieve hervorming aan het voltallige personeel van dat directoraat-generaal. Bovendien legt zij e-mails over die zij heeft uitgewisseld met het hoofd van een andere eenheid van het PMO, die haar ervan beschuldigde dat zij haar administratieve problemen oploste „over de rug” van die andere eenheid.
71 Het Gerecht stelt vast dat uit het eindrapport van het onderzoek blijkt dat de reactie van de medewerker van de directeur-generaal van het DG Personeelszaken het gevolg was van forse kritiek van verzoekster op de aan het personeel van hun directoraat-generaal gepresenteerde hervorming. Wat bovenvermeld conflict met het hoofd van een andere eenheid van het PMO betreft, moet worden opgemerkt dat de uitlatingen in de door verzoekster overgelegde e-mails juist niet kunnen worden aangemerkt als psychisch geweld opleverende feiten, maar moeten worden beschouwd als de uiting van een administratief conflict tussen twee hoofden van een eenheid die openlijk kritiek op elkaar leverden ten overstaan van hun hiërarchieke meerderen. Dienaangaande herinnert het Gerecht eraan dat het feit dat een ambtenaar moeilijke of zelfs conflictueuze relaties met collega’s of hiërarchieke meerderen onderhoudt, op zich geen bewijs is van psychisch geweld (arrest Gerecht van eerste aanleg van 16 april 2008, Michail/Commissie, T‑486/04, punt 61, en arrest Gerecht van 10 november 2009, N/Parlement, F‑93/08, punt 93).
72 In de vierde plaats beklaagt verzoekster zich erover dat haar sollicitatie naar directeursambten meermaals was afgewezen en dat de directeur-generaal van het DG Personeelszaken haar uitdrukkelijk had afgeraden om te solliciteren naar ambten die verantwoordelijkheden inhielden.
73 Het feit dat verzoeksters sollicitatie naar directeursambten niet is aanvaard kan op zich echter niet worden aangemerkt als geweld.
74 Evenmin kan het feit dat verzoeksters directeur-generaal twijfels heeft uitgesproken over haar capaciteiten om de functie van directeur uit te oefenen, ofschoon hij haar als een goed hoofd van een eenheid beschouwde, op zich een element van psychisch geweld vormen. Voorts blijkt uit het dossier niet en heeft verzoekster evenmin gesteld dat haar directeur-generaal beledigende of vernederende woorden heeft geuit door zijn twijfel kenbaar te maken over haar capaciteiten om de functie van directeur uit te oefenen. Het eindrapport van het onderzoek maakt in dit verband melding van beweringen van die directeur-generaal die stelt dat hij „[verzoekster] niet botweg heeft gevraagd om niet te solliciteren”, maar heeft „getracht om haar (zo neutraal mogelijk) duidelijk te maken dat [hij haar niet aanmoedigde] om te solliciteren, aangezien [hij van mening was] dat zij niet over de noodzakelijke leidinggevende capaciteiten beschikte”. Het Gerecht herinnert eraan dat zelfs aan een functionaris gerichte negatieve opmerkingen geen inbreuk maken op zijn persoonlijkheid, zijn waardigheid of zijn fysieke of psychische integriteit, voor zover zij in gematigde bewoordingen zijn geformuleerd en uit de stukken van het dossier niet blijkt dat zij berusten op valse beschuldigingen die geen verband houden met objectieve feiten (zie arrest Gerecht van 24 februari 2010, Menghi/ENISA, F‑2/09, punt 110).
75 In de vijfde plaats is verzoekster van mening dat haar systematische buitensluiting van de activiteiten van haar directoraat-generaal een concreet element van het ondervonden psychisch geweld is.
76 Zij beklemtoont met name dat zij bij de uitdeling, op 15 oktober 2002, van het nieuwe organogram van het DG Personeelszaken het enige hoofd van een eenheid was dat niet in aanmerking was gekomen voor een overgangsregeling bestaande in de tijdelijke toewijzing van twee titels, één van „hoofd van een eenheid” en de andere van „plaatsvervangend hoofd van een eenheid”. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen met betrekking tot de organisatie van hun diensten beschikken, stelt het Gerecht vast dat het feit dat verzoekster niet was aangewezen om een tijdelijke, tot een duur van twee maanden beperkte functie uit te oefenen, niet kan worden aangemerkt als een aanwijzing voor geweld.
77 Voorts stelt verzoekster dat zij in november 2002 is uitgesloten van de lijst van deelnemers aan een studie op het gebied van verlof en afwezigheden, ofschoon zij de belangrijkste betrokkene was, en vervolgens in maart 2004 van de lijst van sprekers die het personeel van de Commissie dienden te informeren over de nieuwe aanpassingen van de hervorming op het gebied van individuele rechten en gezinstoelagen.
78 Het Gerecht stelt om te beginnen vast dat verzoekster in haar verzoekschrift betoogt dat zij slechts is uitgesloten van twee vergaderingen gedurende de eerste periode, zodat haar stelling dat zij „systematisch” is buitengesloten van de activiteiten van haar directoraat-generaal faalt.
79 Wat meer in het bijzonder de deelneming aan de studie in november 2002 betreft, blijkt uit een aan verzoekster gerichte e-mail van 11 november 2002 van een assistent van de directeur-generaal van het DG Personeelszaken dat die assistent eerst het plaatsvervangend hoofd van de nieuwe eenheid die bevoegd was voor kwesties op het gebied van verlof en afwezigheden had aangewezen om deel te nemen aan die studie, en dat hij na diens weigering verzoekster daarvoor had uitgenodigd. In dat verband had de betrokken assistent verzoekster geschreven dat „haar deelneming [...] welkom [was] en nog meer indien zij w[ilde] deelnemen aan de stuurgroep”. Uit die uitnodiging om deel te nemen aan de stuurgroep blijkt duidelijk dat er geen wil aanwezig was om verzoekster uit te sluiten van die studie.
80 Met betrekking tot verzoeksters uitsluiting van de lijst van sprekers die het personeel van de Commissie dienden te informeren over de hervorming op het gebied van individuele rechten en gezinstoelagen, moet worden opgemerkt dat de keuze van sprekers voor die presentatie onder de ruime discretionaire bevoegdheid van de administratie viel. Gelet op de door verzoekster geuite sterke weerstand tegen de hervorming, lijkt de keuze om haar niet te vragen om die hervorming aan het voltallige personeel te presenteren niet vatbaar voor kritiek.
81 In de zesde plaats beoogt verzoekster dat haar chef geen rekening had gehouden met haar ideeën of bijdragen voor de oplossing van bepaalde administratieve problemen. Haar grieven betreffen met name drie dossiers, namelijk het besluit van de Commissie om het beheer van verlof en afwezigheden te decentraliseren, het beheer van de school‑ en gezinstoelagen, dat achterop was geraakt door de langdurige afwezigheid van een manager, en het besluit om nieuwe administratieve structuren in te voeren, die „Bureaus” werden genoemd, waaronder het PMO. Zij stelt haar chefs op de hoogte te hebben gesteld van de problemen en gevaren die zij in die drie dossiers zag en regelmatig oplossingen te hebben voorgesteld die systematisch zijn genegeerd of aanleiding hebben gegeven tot negatieve beoordelingen. Verzoekster heeft zich met name herhaaldelijk beklaagd over het gebrek aan voldoende middelen en personeel om de nieuwe taken uit te voeren die haar eenheid geleidelijk werden toevertrouwd.
82 Het Gerecht merkt op dat noch administratieve besluiten, zelfs al zijn zij moeilijk te aanvaarden, noch onenigheden met de administratie over kwesties die tot de organisatie van diensten behoren, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen bij die organisatie beschikken, op zich het bestaan van psychisch geweld kunnen aantonen. In casu is de onderhavige grief in feite gericht op administratieve besluiten betreffende de organisatie van diensten en de toewijzing van middelen en personeel aan de verschillende diensten. Het feit dat de administratie verzoeksters suggesties niet heeft gevolgd noch gehoor heeft gegeven aan haar verzoeken om extra personeel, toont op zich echter niet aan dat zij niet is gehoord en nog minder dat er sprake is van psychisch geweld door haar chefs, maar hoogstens van het bestaan van uiteenlopende meningen.
83 Gelet op het voorgaande, stelt het Gerecht vast dat de door verzoekster aangevoerde feiten, afzonderlijk beschouwd, niet kunnen aantonen dat er gedurende de eerste periode sprake was van psychisch geweld.
84 Maar zelfs al worden die feiten in hun geheel bezien, dan nog is het Gerecht van oordeel dat, hoewel verzoekster deze als kwetsend heeft kunnen ervaren, zij geen opzettelijk onbehoorlijk gedrag vormen dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen die objectief tot gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene wordt aangetast.
85 Dit betekent dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich voor de eerste periode op het standpunt te stellen dat de gedragingen waarover zij zich beklaagde, afzonderlijk dan wel in hun geheel beschouwd, geen psychisch geweld jegens haar vormden. De grieven betreffende die periode moeten derhalve ongegrond worden verklaard.
Grieven betreffende de tweede periode
86 Het Gerecht stelt om te beginnen vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op het eindrapport van het onderzoek, dat luidt: „[C] had voorkeur voor bepaalde personen en was niet in staat die voorkeur te verbergen. Getuigen hebben bevestigd dat [C] geneigd was om de collega’s te verdelen in collega’s die zij mocht en die zij niet mocht. [...] Het lijkt erop dat [C] geen boos opzet had om schade te berokkenen, dat zij deze ‚oude school’ stijl heeft waarbij de hiërarchieke meerderen een bijna paternalistische houding jegens hun werknemers hadden en dat zij zich er niet van bewust is dat degenen tot wie haar opmerkingen gericht zijn gekwetst kunnen worden. Uit het onderzoek blijkt eveneens dat het gedrag van [C] niet gericht was op een collega in het bijzonder, maar op een hele groep collega’s die zij ‚slecht’ vond, en waarvan [verzoekster] deel uitmaakte, maar dat zij niet de enige was. Verschillende getuigen hebben verklaard dat een en dezelfde persoon, afhankelijk van het humeur van [C] of andere omstandigheden, de ene dag tot de ‚goeden’ en de volgende dag tot de ‚slechten’ kon behoren.”
87 Uit de bewoordingen van het eindrapport van het onderzoek blijkt dus dat de conclusie dat het gedrag van C geen geweld jegens verzoekster vormde, in de eerste plaats gebaseerd was op het ontbreken van boos opzet. Deze conclusie wordt overgenomen in het bestreden besluit, volgens hetwelk „het onderzoek eveneens heeft aangetoond dat [C] geen boos opzet jegens [verzoekster] had”. Deze interpretatie van de onderzoeker in dat rapport en van het TABG in het bestreden besluit houdt er echter geen rekening mee dat er sprake kan zijn van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, zonder dat de geweldpleger met zijn handelingen de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer in diskrediet te brengen of zijn werkomstandigheden met opzet aan te tasten (zie reeds aangehaalde arresten Q/Commissie, punt 144, en Labiri/EESC, punt 68), en dit zelfs wanneer verschillende ambtenaren met eenzelfde gedraging te maken hebben.
88 De vaststelling van de onderzoeker dat C zich er niet van bewust was „dat degenen tot wie haar opmerkingen gericht waren gekwetst [konden] worden” kan relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake was van boos opzet, maar toont niet aan dat haar gedrag geen psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut kon vormen. In elk geval merkt het Gerecht op dat die vaststelling niet waar is voor verzoekster, die in de aan C gerichte mail van 25 mei 2005 duidelijk had gezegd dat zij van mening was dat bepaalde gedragingen van haar „inbreuk maakten op de waardigheid en de professionaliteit van degenen die voor de dossiers verantwoordelijk waren” en dat deze psychisch geweld vormden.
89 Uit het eindrapport van het onderzoek blijkt eveneens dat de onderzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat de gedraging van C geen psychisch geweld vormde, omdat deze niet specifiek op verzoekster, maar op een onbepaald aantal andere personen was gericht. Die vaststelling heeft echter geen rechtsgrondslag. Zij heeft immers niet tot gevolg dat de omschreven gedraging geen geweld vormt, maar kan de schending van artikel 12 bis van het Statuut, waarvan het eerste lid „de ambtenaar [...] iedere vorm van psychisch geweld” verbiedt, alleen maar erger maken. Volgens de logica van de onderzoeker kan de vermeende geweldpleger, teneinde te vermijden dat hij van geweld jegens een persoon wordt beschuldigd, in plaats van het gelaakte gedrag te beëindigen, dit dus uitbreiden tot een groter aantal personen, hetgeen duidelijk absurd is.
90 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit volgens zijn eigen bewoordingen gebaseerd is op een uitlegging van het begrip psychisch geweld die in strijd is met artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut.
91 In elk geval merkt het Gerecht op dat het bestreden besluit bij de beoordeling van bepaalde door verzoekster aangevoerde feiten, een kennelijke beoordelingsfout bevat.
92 Voor de tweede periode verwijt verzoekster C immers verschillende gedragingen, waaronder met name het feit dat zij tijdens vergaderingen of in de verzending van e-mails aan verschillende personen vernederende opmerkingen of kritiek heeft geuit alsmede dat zij haar systematisch heeft buitengesloten.
93 Dienaangaande blijkt uit het eindrapport van het onderzoek dat C de neiging had om „commentaar te geven op privékwesties van het personeel, om derden of collega’s een kopie te sturen van haar correspondentie, om rechtstreeks contact op te nemen met de leidinggevenden en de hoofden van een eenheid te passeren of om een voorkeur te hebben voor bepaalde collega’s boven anderen”. Voorts wordt in dit rapport melding gemaakt van verschillende e-mails waaruit blijkt dat C „soms beslissingen nam zonder het betrokken hoofd van de eenheid te raadplegen”. Ook blijkt uit het eindrapport van het onderzoek dat C tijdens haar verhoor zelf heeft verklaard dat zij in antwoorden aan ambtenaren of functionarissen die zich tot het PMO hadden gewend negatieve kritiek heeft gegeven over hoofden van een eenheid die onder haar gezag stonden, waarbij zij de betrokken hoofden een kopie van dat antwoord zond, maar dat dat gedrag slechts „uitdrukking gaf aan haar streven om [de betrokkenen] goed en snel ten dienste te staan”.
94 In de eerste plaats merkt het Gerecht op dat sommige van bovenvermelde gedragingen van C bewust en herhaaldelijk plaatsvonden en objectief tot gevolg konden hebben dat verzoekster in diskrediet werd gebracht of haar werkomstandigheden werden aangetast.
95 Verzoekster beklaagt zich met name over het feit dat C „rechtstreeks instructies heeft gegeven aan personeel dat onder haar verantwoordelijkheid stond en zonder haar te waarschuwen”. Wanneer dergelijk gedrag niet wordt gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden (zie in die zin arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 80), kan het ertoe leiden dat een hoofd van een eenheid elke geloofwaardigheid ten opzichte van zijn personeel verliest, zodat het kan worden aangemerkt als psychisch geweld. In casu geeft de Commissie het Gerecht geen enkele verklaring waaruit blijkt dat het betrokken gedrag gerechtvaardigd kon worden door bijzondere omstandigheden en stelt de onderzoeker in het eindrapport van het onderzoek slechts dat C een „zeer directe en micro-managementstijl had”. In deze omstandigheden heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door uit te sluiten dat het aan C verweten gedrag psychisch geweld kon vormen.
96 Verzoekster is voorts van mening dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de rechtstreekse kritiek over haar bekwaamheden die in het openbaar of in aan andere ambtenaren gezonden e-mails werd geuit, niet aan te merken als psychisch geweld. De Commissie antwoordt hierop dat berichten waarvan de inhoud binnen het normale kader van een hiërarchische betrekking vallen, zoals de berichten waarover verzoekster zich beklaagt, volgens de rechtspraak geen psychisch geweld vormen.
97 Het Gerecht stelt vast dat ofschoon kritiek op het werk van een ondergeschikte moet worden toegestaan, omdat het anders praktisch onmogelijk wordt om een dienst te leiden, in de door de Commissie genoemde rechtspraak wordt gepreciseerd dat berichten die geen kwetsende of lasterlijke bewoordingen bevatten en die alleen aan de betrokkene worden gezonden of met een kopie aan anderen wanneer het dienstbelang dat rechtvaardigt, binnen het normale kader van een hiërarchische betrekking vallen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie, T‑154/05, punten 104 en 105). Het Gerecht stelt echter vast dat in het eindrapport van het onderzoek slechts wordt opgemerkt dat C een „oude school” stijl had, waarin de hiërarchieke meerderen „een bijna paternalistische houding jegens hun werknemers hadden”, zonder met het dienstbelang verband houdende redenen te noemen die eventueel konden rechtvaardigen dat verschillende collega’s, waaronder managers die onder rechtstreeks toezicht van verzoekster werkten of ambtenaren die om informatie aan verzoeksters dienst hadden gevraagd, een kopie kregen van berichten met openlijke kritiek op haar.
98 Gelet op het voorgaande, moet het bestreden besluit nietig worden verklaard, voor zover het voor de tweede periode gebaseerd is op een eindrapport van het onderzoek dat een kennelijke beoordelingsfout bevat, aangezien het uitsluit dat er sprake kan zijn van psychisch geweld als gevolg van het feit dat, enerzijds, een directeur regelmatig instructies aan het personeel geeft zonder het verantwoordelijke hoofd van de eenheid daarvan op de hoogte te stellen en zonder dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die deze gedraging kunnen rechtvaardigen en, anderzijds, een hiërarchieke meerdere berichten verstuurt met openlijke kritiek op een ambtenaar met een kopie daarvan aan verschillende collega’s, zonder dat de vereisten van de dienst deze handelwijze rechtvaardigen.
99 Daar het bestreden besluit wegens een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout nietig moet worden verklaard voor zover het de tweede periode betreft, is het Gerecht van oordeel dat de andere grieven die verzoekster voor de tweede periode heeft aangevoerd niet behoeven te worden onderzocht.
2. Tweede middel: schending van artikel 1 quinquies van het Statuut
a) Argumenten van partijen
100 Verzoekster acht het bestreden besluit in strijd met artikel 1 quinquies van het Statuut, aangezien zij op grond van haar leeftijd is gediscrimineerd. Zij stelt in dat verband dat het begin van het psychisch geweld samenvalt met de datum vanaf welke zij in aanmerking kwam voor de procedure van vroegtijdige pensionering.
101 Verweerster concludeert tot afwijzing van dit middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
102 Het Gerecht stelt vast dat verzoekster slechts vermoedens uitspreekt zonder enig element te noemen op grond waarvan kan worden aangetoond dat zij het slachtoffer zou zijn geweest van discriminatie op grond van leeftijd.
103 Het middel dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Derde middel: niet-nakoming van de bijstandsplicht
a) Argumenten van partijen
104 Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard op grond dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen.
105 Zij verwijt de Commissie met name dat zij niet onmiddellijk dringende maatregelen heeft genomen na de informele stappen die zij tussen 2001 en januari 2006 had ondernomen en evenmin na het verzoek van 5 december 2007, waarbij zij de Commissie naast de instelling van het onderzoek eveneens had gevraagd om „haar te beschermen zowel door interne richtsnoeren [...] als door de terugbetaling van de [gemaakte] financiële kosten”.
106 De Commissie antwoordt hierop dat de informele stappen die verzoekster had ondernomen geen elementen van psychisch geweld aan het licht hadden gebracht, hetgeen verklaart waarom er na de indiening van het verzoek om bijstand geen dringende maatregelen zijn getroffen. Bovendien merkt de Commissie op dat verzoekster vanaf februari 2008 langdurig met ziekteverlof was en dat zij haar werk vóór haar pensionering in februari 2009 niet had hervat.
b) Beoordeling door het Gerecht
107 Het Gerecht herinnert eraan dat artikel 24 van het Statuut, dat de instellingen verplicht hun ambtenaren bijstand te verlenen, behoort tot titel II betreffende de „rechten en verplichtingen van de ambtenaar”. Hieruit volgt dat wanneer de noodzakelijke feitelijke omstandigheden zich voordoen, die bijstandsplicht voor de betrokken ambtenaar een statutair recht vormt (arrest Commissie/Q, punt 52 supra, punt 83).
108 Wanneer de administratie wordt geconfronteerd met een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, moet zij ingevolge de in dat artikel voorziene bijstandsplicht met de nodige energie en met de door de omstandigheden van het concrete geval geëiste spoed en zorg optreden teneinde de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, passende consequenties aan te verbinden. Hiertoe volstaat het dat de ambtenaar die om de bescherming van zijn instelling vraagt een begin van bewijs levert dat de aanvallen waarvan hij het slachtoffer stelt te zijn, echt zijn. Slaagt hij daarin, dan dient de betrokken instelling de geschikte maatregelen te nemen, en met name een administratief onderzoek in te stellen teneinde de feiten die aan de klacht ten grondslag liggen vast te stellen (arrest Commissie/Q, reeds aangehaald, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak), eventueel door het treffen van voorlopige verwijderingsmaatregelen teneinde preventief de gezondheid en de veiligheid te beschermen van de ambtenaar die geacht wordt slachtoffer te zijn van één van de in die bepaling genoemde handelingen (arrest Commissie/Q, reeds aangehaald, punt 92).
109 Het middel ontleend aan niet-nakoming van de bijstandsplicht als gevolg van het ontbreken van voorzorgsmaatregelen kan echter niet, zoals verzoekster heeft gedaan, met succes worden aangevoerd ter onderbouwing van de vordering tot nietigverklaring van een besluit, zoals het bestreden besluit, om een onderzoek naar feiten van geweld waarvan een functionaris zich slachtoffer acht zonder gevolg af te sluiten.
110 Zo verzoekster er al in slaagt aan te tonen dat de Commissie, door niet met de door de situatie vereiste spoed die maatregelen te treffen, haar bijstandsplicht niet is nagekomen, dan nog heeft die schending van artikel 24 van het Statuut immers geen invloed op de wettigheid van het bestreden besluit (zie voor de gevolgen van een eventuele onwettigheid van een besluit om een ambtenaar te schorsen voor de wettigheid van de tegen die ambtenaar getroffen tuchtmaatregel, arrest Gerecht van 17 juli 2012, BG/Ombudsman, F‑54/11, punt 83, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑406/12 P; zie eveneens in die zin arrest Cerafogli/ECB, reeds aangehaald, punt 210), en dit temeer daar verzoekster de Commissie niet heeft gevraagd om maatregelen te treffen ter bescherming van de bewijzen die haar verzoek om bijstand onderbouwen.
111 Het onderhavige middel kan derhalve niet slagen.
4. Vierde middel: niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
a) Argumenten van partijen
112 Dit middel van verzoekster bevat twee grieven, die de onredelijke duur respectievelijk het verloop van het onderzoek betreffen.
113 Met de eerste grief stelt zij dat de totale duur van het onderzoek van 32 maanden niet redelijk is en dat aan deze conclusie niet kan worden afgedaan door het feit dat de onderzoeker andere taken had waardoor hij zich niet aan het onderzoek kon wijden, aangezien de Commissie diende te zorgen voor de goede organisatie van de met het onderzoek van haar klacht verband houdende werkzaamheden.
114 Met haar tweede grief stelt zij dat de Commissie in het kader van het onderzoek „[slechts] tien personen” had gehoord, ofschoon zij in haar verzoek om bijstand een lijst van 52 getuigen had gegeven. Voorts heeft de onderzoeker geen gehoor gegeven aan haar verzoek om de medische dienst te raadplegen en kennis te nemen van de dossiers van de bemiddelingsdienst van de Commissie over het bestaan van klachten over vermeend onrechtmatig gedrag van C jegens andere ambtenaren. Ten slotte betoogt zij dat het onderzoek is toevertrouwd aan personen zonder enige specifieke ervaring op het gebied van psychisch geweld. Ten slotte blijkt uit het algehele verloop van het onderzoek dat de Commissie weinig belang aan de behandeling van haar verzoek heeft gehecht.
115 De Commissie concludeert tot afwijzing van dit middel.
b) Beoordeling door het Gerecht
116 Met betrekking tot de eerste grief herinnert het Gerecht er allereerst aan dat de verplichting tot inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures een algemeen beginsel van het Unierecht vormt waarvan de rechter de eerbiediging verzekert en dat in artikel 41, lid 1, van het Handvest als een onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur is opgenomen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 11 april 2006, Angeletti/Commissie, T‑394/03, punt 162; arrest Gerecht van de Europese Unie van 6 december 2012, Füller-Tomlinson/Parlement, T‑390/10 P, punt 115, en arrest Gerecht van 11 mei 2011, J/Commissie, F‑53/09, punt 113).
117 Bovendien zijn de instellingen, wanneer zij het hoofd moeten bieden aan een zo ernstige kwestie als psychisch geweld, verplicht om de ambtenaar die een verzoek uit hoofde van artikel 24 van het Statuut heeft ingediend spoedig en zorgvuldig te antwoorden. Overigens heeft de Commissie zelf in punt 6.1 van haar besluit van 26 april 2006 betreffende het beleid inzake de bescherming van de waardigheid van de persoon en de strijd tegen psychisch geweld en seksuele intimidatie bij de Commissie, overwogen dat „elk verzoek om bijstand van een persoon waarin melding wordt gemaakt van een situatie van psychisch geweld, zo snel mogelijk [moet worden] behandeld” (hierna: „besluit van 26 april 2006”).
118 In casu heeft verzoekster haar verzoek om bijstand ingediend op 5 december 2007 en is het besluit om hieraan geen gevolg te geven haar meegedeeld op 10 augustus 2010, dat wil zeggen meer dan twee jaar en acht maanden later.
119 Zelfs al lijkt de totale duur van de procedure op het eerste gezicht ongebruikelijk lang, er zij aan herinnerd dat de omstandigheid dat het TABG, in strijd met de zorgplicht, een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 24 van het Statuut niet met de vereiste spoed heeft beantwoord, op zich geen gevolg kan hebben voor de wettigheid van het besluit om een onderzoek naar geweld dat op basis van dat verzoek is ingesteld, zonder gevolg af te sluiten. Zou een dergelijk besluit alleen wegens de tardiviteit ervan nietig moeten worden verklaard, dat kan het nieuwe vervangende besluit immers in geen geval minder tardief zijn dan het eerste besluit (arrest Gerecht van 18 mei 2009, Meister/BHIM, F‑138/06 en F‑37/08, punt 76).
120 De eerste grief kan dus niet slagen en moet worden afgewezen.
121 Wat de tweede grief betreft, die betrekking heeft op het verloop van het onderzoek, kan het argument ontleend aan het gebrek aan ervaring van de onderzoeker niet worden aanvaard. Om te beginnen moet immers worden vastgesteld dat verzoekster de secretaris-generaal van de Commissie zelf had gevraagd om het onderzoek toe te vertrouwen aan een onderzoeker die niet tot het DG Personeelszaken behoorde. Voorts blijkt uit het dossier dat de onderzoeker gedurende het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de technische medewerking van het IDOC, en met name van de hulp van een ervaren lid van het IDOC. Ten slotte kan verzoekster, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen beschikken bij de keuze van de personen aan wie zij een onderzoek wegens feiten van geweld toevertrouwen, niet met succes opkomen tegen de keuze van de Commissie door zich te baseren op een zogenoemd gebrek aan ervaring van de onderzoeker en van het lid van het IDOC dat hem heeft bijgestaan.
122 Met betrekking tot het argument ontleend aan de beperkte omvang van het onderzoek moet worden vastgesteld dat uit het eindrapport van het onderzoek blijkt dat de onderzoeker heeft gesteld dat hij onderzoek heeft gedaan en informatie heeft gevraagd bij de bemiddelaar van de Commissie en de medische dienst van de Commissie.
123 Wat het aantal en de keuze van de getuigen betreft, moet worden vastgesteld dat de onderzoeker inderdaad heeft besloten om naast verzoekster slechts twaalf personen te horen en dat sommigen van hen behoorden tot de personen die verzoekster had beschuldigd van geweld jegens haar of van het feit dat zij niet hadden gereageerd op het geweld waarvan zij zich slachtoffer achtte.
124 Opgemerkt zij echter dat het met een administratief onderzoek belast gezag, dat de aan hem overgelegde dossiers op evenredige wijze moet onderzoeken, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de afwikkeling van het onderzoek en met name ten aanzien van de beoordeling van de kwaliteit en het nut van de door getuigen verleende medewerking (zie arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 38).
125 Het Gerecht is van oordeel dat de onderzoeker over voldoende elementen in het dossier beschikte om te beslissen of de feiten waarover verzoekster zich beklaagde al dan niet psychisch geweld vormden. Meer bepaald had de onderzoeker voor de tweede periode wel degelijk feiten genoemd waaruit het bestaan van psychisch geweld kon blijken, ook al kwam hij tot de conclusie dat er in casu geen psychisch geweld was aangetoond.
126 In het licht van deze omstandigheden kan de onderzoeker niet worden verweten dat hij zijn zorgplicht niet is nagekomen noch dat hij het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, door te beslissen om een kleiner aantal getuigen te horen dan verzoekster had voorgesteld.
127 Bijgevolg moet de tweede grief van het onderhavige middel ongegrond worden verklaard en moet het vierde middel in zijn geheel worden afgewezen.
5. Vijfde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
a) Argumenten van partijen
128 Verzoekster stelt dat de Commissie in het bestreden besluit het bestaan van psychisch geweld uitsluit door zich te baseren op het eindrapport van het onderzoek alsmede op de getuigenissen die zij tijdens het onderzoek heeft verzameld. Ondanks haar uitdrukkelijke verzoeken daartoe, heeft zij echter noch dat eindrapport noch de verslagen van de verhoren van de getuigen ontvangen.
129 Zij is dus niet in staat geweest om de gegrondheid van het bestreden besluit te beoordelen en was verplicht het onderhavige beroep in te stellen om kennis te nemen van de motivering ervan.
130 De Commissie antwoordt hierop dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat artikel 25 van het Statuut niet de verplichting omvat om inzage te geven in het eindrapport van het administratieve onderzoek of in de verslagen van de verhoren die in dat kader hebben plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat de beoordeling van de toereikendheid van de motivering niet abstract, maar in het licht van de bijzonderheden van de zaak moet geschieden. Het bijzondere karakter van het onderzoek bestaat erin dat verzoekster nauw betrokken was bij het verloop ervan en dat zij dus de status van „bijzonder getuige” had en gedurende het hele verloop van de procedure een actieve rol had. Bovendien had de Commissie de mogelijkheid om de motivering aan te vullen in het besluit tot afwijzing van de klacht, waarvan zij overigens gebruik heeft gemaakt.
b) Beoordeling door het Gerecht
Opmerkingen vooraf
131 Het Gerecht heeft de eerste vier middelen onderzocht door rekening te houden met de tekst van het bestreden besluit zelf, met het besluit tot afwijzing van de klacht en het eindrapport van het onderzoek, dat door de Commissie is overgelegd en dat verzoekster pas is toegezonden in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang waartoe het Gerecht had besloten. In het kader van haar vijfde middel beklaagt verzoekster zich over het ontbreken van motivering van het bestreden besluit zelf. Het Gerecht zal daarom eerst onderzoeken of het bestreden besluit voldoende was gemotiveerd en vervolgens, indien dat niet het geval was, of de motivering van het bestreden besluit kon worden aangevuld in het stadium van het besluit tot afwijzing van de klacht of tijdens de gerechtelijke procedure.
Niet-toezending van het onderzoeksrapport aan verzoekster vóór de instelling van het beroep
132 Het Gerecht merkt op dat artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, wanneer het een besluit betreft om een administratief onderzoek, dat is ingesteld naar aanleiding van een verzoek om bijstand krachtens artikel 24 van het Statuut, zonder gevolg af te sluiten, niet uitdrukkelijk verplicht om de klager het eindrapport van het administratieve onderzoek of de verslagen van de verhoren die in dat kader hebben plaatsgevonden toe te zenden.
133 Onder voorbehoud van de bescherming van de belangen van de bij het onderzoek betrokken personen en van hen die als getuige zijn gehoord, is er echter evenmin een statutaire bepaling die verbiedt dat het eindrapport van het onderzoek wordt toegezonden aan een derde die een gerechtvaardigd belang heeft om daarvan kennis te nemen, zoals het geval is bij de persoon die een verzoek uit hoofde van artikel 24 van het Statuut heeft ingediend. Uit de rechtspraak blijkt overigens dat de instellingen zo nu en dan gebruikmaken van deze oplossing door de klagers het eindrapport van het onderzoek toe te sturen, hetzij vóór de instelling van het beroep door het te voegen bij het eindbesluit dat over de klacht wordt genomen (reeds aangehaalde arresten Lo Giudice/Commissie, punt 163, en Cerafogli/ECB, punt 108), hetzij, zoals in de onderhavige zaak is geschied, ter uitvoering van een maatregel tot organisatie van de procesgang waartoe het Gerecht heeft besloten.
134 In elk geval herinnert het Gerecht eraan dat het voorwerp van het onderhavige middel, de conformiteit van het bestreden besluit met de voorschriften van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut is. Het Gerecht behoeft in het kader van dit middel dus niet te beslissen of de Commissie eventueel verplicht is om verzoekster het eindrapport van het onderzoek toe te zenden en de verslagen van de getuigenissen. Het is immers zeer goed mogelijk dat een besluit om een onderzoek naar feiten van geweld zonder gevolg af te sluiten toereikend gemotiveerd is zonder een beroep te doen op andere externe elementen.
135 Hieruit volgt dat de grief ontleend aan de niet-toezending van het eindrapport van het onderzoek en van de daarbij behorende verslagen van de verhoren niet kan slagen.
Motivering van het bestreden besluit
136 Wat de verplichting tot motivering van bezwarende besluiten betreft, herinnert het Gerecht eraan dat tot de door het Unierecht in administratieve procedures geboden waarborgen met name het beginsel van behoorlijk bestuur behoort, dat is neergelegd in artikel 41 van het Handvest (zie arrest Gerecht van de Europese Unie van 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie, T‑387/09, punt 76), waartoe met name behoort „de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden”.
137 Voorts is de verplichting om bezwarende besluiten te motiveren een essentieel beginsel van het Unierecht waarvan slechts om dwingende redenen kan worden afgeweken (zie arresten Gerecht van eerste aanleg van 29 september 2005, Napoli Buzzanca/Commissie, T‑218/02, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 Het is vaste rechtspraak dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van degene die de betrokken handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen (zie in die zin arrest Hof van 14 december 2004, Swedish Match, C‑210/03, punt 63).
139 De in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut opgenomen verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, welke in de specifieke context van de betrekkingen tussen de instellingen en hun personeelsleden slechts de herhaling van de algemene in artikel 296 VWEU neergelegde verplichting is, heeft tot doel de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist en de Unierechter in staat te stellen, de wettigheid van het bestreden besluit na te gaan (arrest Lo Giudice/Commissie, reeds aangehaald, punt 160).
140 Bovendien is in de rechtspraak over artikel 25, tweede alinea, van het Statuut gepreciseerd dat de omvang van de verplichting om bezwarende besluiten te motiveren niet alleen moet worden beoordeeld door acht te slaan op de bewoordingen van het betrokken besluit, doch ook op de concrete omstandigheden van dat besluit en op de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (reeds aangehaalde arresten Lo Giudice/Commissie, punt 163, en Skareby/Commissie, punt 74), en dat de motivering de betrokkene in principe tegelijkertijd met het voor hem bezwarend besluit moet worden verstrekt (arrest Hof van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, punt 22).
141 Een enge uitlegging van de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut opgenomen verplichting is des te noodzakelijker wanneer het bij het bezwarend besluit gaat om een besluit van het TABG om een onderzoek, ingesteld naar aanleiding van een verzoek om bijstand dat betrekking had op vermeend psychisch geweld, zonder gevolg af te sluiten, zoals in casu het geval is.
142 Anders dan de meeste administratieve handelingen die voor een ambtenaar bezwarend kunnen zijn, wordt een besluit over een verzoek om bijstand immers genomen in een bijzondere feitelijke context. Om te beginnen kan die context reeds vele maanden of zelfs, zoals in de onderhavige zaak, meerdere jaren hebben bestaan. Zoals het Gerecht in punt 32 van het reeds aangehaalde arrest Skareby/Commissie bovendien heeft opgemerkt, kunnen „feiten van psychisch geweld, [...] bijzonder vernietigende gevolgen hebben voor de gezondheid van het slachtoffer”. Vervolgens raakt een situatie van geweld, indien deze wordt aangetoond, niet hoofdzakelijk de financiële belangen of de loopbaan van de ambtenaar, gevallen waaraan de instelling snel tegemoet kan komen door de vaststelling van een besluit of de betaling van een geldbedrag aan de betrokkene, maar brengt deze schade toe aan de persoonlijkheid, de waardigheid en de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer welke niet volledig kan worden hersteld door een financiële vergoeding. Ten slotte wordt het aangevoerde geweld, of het nu bestaat of niet, door de klager als zodanig ervaren en dient de instelling haar afwijzing van een verzoek om bijstand op grond van de zorgplicht zo volledig mogelijk te motiveren, zonder dat de klager nog het antwoord op een klacht moet afwachten om de motivering ervan te kennen, welk antwoord de instelling overigens niet behoeft te geven.
143 Het Gerecht is van oordeel dat de noodzaak om het bestreden besluit volledig te motiveren des te dringender was in de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarin de dienst die belast was met het uitvoeren van onderzoeken op het gebied van geweld, volgens verzoeksters verklaringen ter terechtzitting, als „de eerste advocaat van de Commissie” werd beschouwd. In dit verband heeft de Commissie in antwoord op een vraag die het Gerecht ter terechtzitting had gesteld verklaard dat in de vier jaar gedurende welke het personeelslid van het IDOC dat de onderzoeker in deze zaak bijstond bij het IDOC heeft gewerkt, die dienst nooit tot de conclusie was gekomen dat er sprake was van psychisch geweld, ofschoon hij tussen de vijf en tien onderzoeken per jaar had ingesteld.
144 In het licht van deze beginselen en omstandigheden moet het Gerecht beoordelen of de motivering van het bestreden besluit voldoet aan de vereisten van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut.
145 In een zeer korte inleiding maakt het bestreden besluit melding van het feit dat uit het eindrapport van het onderzoek blijkt dat verzoekster „gedurende het onderzoek de gelegenheid heeft gehad om mee te werken aan het verloop ervan” en dat zij „op transparante wijze is geïnformeerd over de voortgang ervan”. Vervolgens onderzoekt het bestreden besluit afzonderlijk de eerste en de tweede periode.
146 Met betrekking tot de eerste periode geeft het bestreden besluit aan dat het eindrapport van het onderzoek melding maakt van een „reeks meningsverschillen” over specifieke dossiers tussen verzoekster enerzijds en haar chefs en een deel van haar collega’s anderzijds. Uit het bestreden besluit blijkt echter dat deze meningsverschillen, „die uitsluitend aspecten van het werk betroffen”, altijd zijn besproken tijdens directievergaderingen of in formele nota’s. Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat „uit het onderzoek geen animositeit is gebleken”, maar veeleer „een zekere sympathie van [haar] oude collega’s” jegens verzoekster, noch het bestaan van geruchten over haar gebrek aan bekwaamheden of zwakheden op leidinggevend gebied. Dan maakt het besluit melding van het feit dat verzoeksters beoordelingen over de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2001 en die van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002 waren opgesteld met volledige eerbiediging van de procedures en niet slechter waren dan in het verleden. Vervolgens wordt er in het besluit aan herinnerd dat noch een negatieve beoordeling, zelfs al is hiervan herhaaldelijk sprake, noch „managementbesluiten die moeilijk te accepteren zijn” op zich geweld vormen.
147 Ten slotte wordt in het bestreden besluit geconcludeerd dat „uit de [door verzoekster] overgelegde documentatie, de getuigenissen die gedurende het onderzoek zijn verkregen en de daarop volgende analyse niet is gebleken dat de handelingen van de personen die [verzoekster] aan de orde stelt, noch afzonderlijk noch in hun geheel beschouwd, voldoen aan de in artikel 12 bis van het Statuut genoemde criteria voor ‚systematisch geweld’”.
148 Gelet op deze motivering, is het Gerecht van oordeel dat het bestreden besluit synthetisch, maar adequaat ingaat op alle grieven die verzoekster voor de betrokken periode heeft aangevoerd en haar voldoende gegevens verschaft om haar in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen en het Gerecht in staat te stellen zijn controle uit te oefenen.
149 Derhalve moet worden vastgesteld dat de motivering van het besluit voor de eerste periode voldoet aan de vereisten van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, zoals uitgelegd door de rechtspraak, zodat het onderhavige middel ongegrond is voor zover het betrekking heeft op deze periode.
150 Wat de tweede periode betreft, wordt in het bestreden besluit slechts aangegeven dat „uit het onderzoek is gebleken dat [C] een bijzondere managementstijl had die sommige collega’s tegenstond en bij gelegenheid als kwetsend of beledigend kon worden ervaren, en dat [verzoekster] de gelegenheid heeft gehad om [haar] kritiek hierover te uiten, en dat er over een aantal managementbesluiten verschil van mening bleef bestaan tussen [verzoekster] en [haar] directeur; het onderzoek heeft echter ook aangetoond dat [C] geen boos opzet [jegens verzoekster] had en dat haar managementstijl niet specifiek [haar] betrof”. Het bestreden besluit trekt hieruit de conclusie dat „uit het onderzoek niet volgt dat het gedrag van [C] objectief inbreuk heeft kunnen maken op [verzoeksters] waardigheid, persoonlijkheid en integriteit; uit de stukken van het dossier, de getuigenissen en de diepgaande analyse van het onafhankelijke en uitvoerige onderzoek blijkt niet dat er [jegens verzoekster] sprake was van onbehoorlijk gedrag door een [collega] of een groep collega[’s] waardoor inbreuk werd gemaakt op [haar] persoonlijkheid, [haar] waardigheid of [haar] fysieke of psychische integriteit”.
151 Dienaangaande stelt het Gerecht vast dat het bestreden besluit niet ingaat op de grieven die verzoekster in haar verzoek heeft aangevoerd, maar voor zijn feitelijke grondslag verwijst naar het eindrapport van het onderzoek dat verzoekster pas heeft ontvangen na een maatregel tot organisatie van de procesgang waartoe het Gerecht in het kader van deze zaak had besloten.
152 Ofschoon de rechtspraak een motivering door middel van een verwijzing naar een rapport of advies dat zelf is gemotiveerd en waarvan kennis is gegeven toestaat (zie reeds aangehaalde arresten Lo Giudice/Commissie, punten 163 en 164, en Cerafogli/ECB, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak), is wel vereist dat het rapport of advies tezamen met het bezwarend besluit daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden, hetgeen in casu niet is gebeurd.
153 Het was voor verzoekster dus onmogelijk om uitsluitend op basis van het bestreden besluit de door de onderzoeker aanvaarde feitelijke elementen of de door hem daaruit getrokken conclusies te betwisten, zodat de motivering van het bestreden besluit, wat de feitelijke basis betreft, niet voldoet aan de vereisten van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut.
154 Derhalve moet met betrekking tot de tweede periode worden vastgesteld dat het bestreden besluit verzoekster slechts een begin van een motivering geeft, die het TABG op zich niet in staat stelt om te voldoen aan zijn uit artikel 25, tweede alinea, van het Statuut voortvloeiende verplichting.
155 Het Gerecht herinnert er echter aan dat de rechtspraak bij bepaalde geschillen tussen de instellingen en hun personeelsleden een afzwakking van de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut opgenomen motiveringsplicht toestaat.
156 Derhalve moet worden onderzocht of dergelijke in de rechtspraak ontwikkelde beginselen, zoals de Commissie in haar verweerschrift en ter terechtzitting heeft gesteld, in casu moeten worden toegepast.
– Mogelijkheid om de motivering van het bestreden besluit aan te vullen in het besluit tot afwijzing van de klacht
157 Volgens de Commissie is verzoekster in het besluit tot afwijzing van de klacht een gedetailleerde motivering gegeven, die haar in staat heeft gesteld om te beoordelen of het opportuun was beroep in te stellen tegen het bestreden besluit en die het Gerecht in staat heeft gesteld de wettigheid van dat besluit te beoordelen.
158 Het Gerecht herinnert eraan dat volgens de bewoordingen van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut het bezwarend besluit, en niet een latere administratieve handeling, moet worden gemotiveerd.
159 Volgens de rechtspraak dient het TABG de motiveringsplicht op zijn minst in het stadium van de afwijzing van de klacht na te komen en kan de administratie een eventueel motiveringsgebrek van een bezwarend besluit met name verhelpen door een adequate motivering die in het stadium van het antwoord op de klacht wordt gegeven, waarbij laatstgenoemde motivering wordt geacht samen te vallen met de motivering van het besluit waartegen de klacht was ingediend (arresten Gerecht van eerste aanleg van 19 maart 1998, Tzoanos/Commissie, T‑74/96, punt 268, en 1 april 2009, Valero Jordana/Commissie, T‑385/04, punt 118, en arrest Gerecht van 26 mei 2011, Lebedef/Commissie, F‑40/10, punt 38). Bovendien mag de administratie volgens de rechtspraak een aanvankelijk ontoereikende motivering van een bezwarend besluit verhelpen door nadere preciseringen die zelfs in de loop van het geding worden gegeven, wanneer de betrokkene vóór de instelling van zijn beroep reeds over gegevens beschikte die een begin van een motivering vormden (arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
160 Deze in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut is echter tot stand gekomen in de context van geschillen over de wettigheid van besluiten houdende weigering van bevordering, waarin de Unierechter heeft beslist dat het TABG niet verplicht was om bevorderingsbesluiten jegens niet-bevorderde kandidaten te motiveren, daar een dergelijke motivering mogelijk nadelig voor hen kon zijn (arresten Hof van 6 mei 1969, Huybrechts/Commissie, 21/68, punt 19; 13 juli 1972, Bernardi/Parlement, 90/71, punt 15, en 30 oktober 1974, Grassi/Raad, 188/73, punten 11‑17).
161 Later is deze rechtspraak uitgebreid tot besluiten houdende afwijzing van een sollicitatie of uitsluiting van een vergelijkend onderzoek (zie bijvoorbeeld arresten Gerecht van eerste aanleg van 12 februari 1992, Volger/Parlement, T‑52/90, punt 36, en 30 november 1993, Perakis/Parlement, T‑78/92, punten 50‑52), alvorens te worden toegepast op bepaalde andere categorieën geschillen, zoals bijvoorbeeld geschillen over het verbruik van vakantieverlof (arrest Lebedef/Commissie, reeds aangehaald).
162 Dergelijke uitleggingsregels bieden de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden een juist evenwicht te vinden tussen de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut neergelegde verplichting om bezwarende besluiten te motiveren en andere legitieme vereisten, zoals die van behoorlijk bestuur of de bescherming van de rechten van derden.
163 Nochtans stelt het Gerecht vast dat aangezien artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest het recht op verkrijging van een motivering van administratieve besluiten tot een algemeen grondbeginsel van het Unierecht verheft, elke uitzondering op de regel van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut dat de motivering noodzakelijkerwijs hetzij in het bezwarend besluit zelf moet zijn opgenomen, hetzij tegelijkertijd met dat besluit moet zijn meegedeeld, strikt moet worden uitgelegd en objectief moet worden gerechtvaardigd door de omstandigheden waarin het bezwarend besluit is genomen.
164 Bovendien moet in de bijzondere context van een onderzoek dat is ingesteld op basis van een verzoek om bijstand krachtens artikel 24 van het Statuut en dat de echtheid beoogt vast te stellen van de feiten van geweld waarvan een functionaris zich slachtoffer acht, rekening worden gehouden met de op de instelling rustende verplichting om de ambtenaar die een dergelijk verzoek heeft ingediend met de bij de aanpak van een dermate ernstige situatie vereiste spoed en zorgvuldigheid te antwoorden (zie in die zin arrest Lo Giudice/Commissie, reeds aangehaald, punt 136).
165 In een dergelijke context moet de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut opgenomen motiveringsplicht dus strikt worden uitgelegd en kan een besluit dat op zich slechts een begin van een motivering geeft, niet beantwoorden aan de in deze bepaling gestelde eisen. Was dit wel het geval, dan zou de ambtenaar die wegens feiten van psychisch geweld een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 24 van het Statuut heeft ingediend, verplicht worden om een klacht in te dienen teneinde een motivering te krijgen van het besluit om het administratieve onderzoek zonder gevolg af te sluiten conform de vereisten van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, heeft de klacht echter niet tot doel de motivering van een bezwarend besluit te verkrijgen, maar de gegrondheid ervan te betwisten. Het is kennelijk evenmin in overeenstemming met de op de instellingen rustende verplichting om met de door een zo ernstige situatie als psychisch geweld vereiste spoed en zorgvuldigheid te handelen noch met de verplichting om verzoeken om bijstand in het geval van psychisch geweld „zo spoedig mogelijk” te behandelen, welke verplichting de Commissie zichzelf heeft gesteld in haar besluit van 26 april 2006, om de administratie de mogelijkheid te geven geen kennis te geven van de motivering van haar besluit over een verzoek om bijstand.
166 Hieruit volgt dat de instellingen in het geval van een besluit tot afsluiting van een onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van een krachtens artikel 24 van het Statuut ingediend verzoek om bijstand wegens feiten van psychisch geweld, de betrokkene niet voor het eerst in het besluit tot afwijzing van de klacht een volledige motivering mogen gegeven, omdat zij dan niet voldoen aan de krachtens artikel 25, tweede alinea, van het Statuut op hen rustende motiveringsplicht.
167 Die oplossing kan echter niet afdoen aan de mogelijkheid voor de instellingen om in het besluit tot afwijzing van de klacht preciseringen te geven over de door de administratie aanvaarde gronden noch aan die van het Gerecht om bij het onderzoek van een middel waarmee wordt opgekomen tegen de wettigheid van het besluit die preciseringen in aanmerking te nemen (zie in die zin arrest Skareby/Commissie, reeds aangehaald, punt 53).
– Inaanmerkingneming van de omstandigheden waarin het bestreden besluit is vastgesteld
168 De Commissie stelt dat verzoekster een actieve rol bij het verloop van het onderzoek heeft gespeeld, dat zij de mogelijkheid heeft gehad om daaraan mee te werken door stukken en opmerkingen in te dienen en dat zij informatie over de ontwikkeling van het onderzoek heeft ontvangen.
169 Bij de beslissing of aan de in het Statuut opgenomen motiveringsplicht is voldaan, moet niet alleen rekening worden gehouden met de documenten waarbij het besluit wordt meegedeeld, maar eveneens met de omstandigheden waarin het is genomen en ter kennis is gebracht van de betrokkene (arrest Gerecht van 30 november 2010, Taillard/Parlement, F‑97/09, punt 33). In casu moet enerzijds rekening worden gehouden met verzoeksters medewerking aan het onderzoek en moet anderzijds worden onderzocht of zij op het moment van vaststelling van het bestreden besluit reeds in het bezit was van de informatie waarop het besluit zich baseert (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 juli 1998, Aquilino/Raad, T‑130/96, punt 44, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
170 Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt echter dat het is gebaseerd op het eindrapport van het onderzoek, dat verzoekster pas in de loop van de contentieuze procedure is toegezonden. Bij gebreke van elke tegenovergestelde aanwijzing in het bestreden besluit, kon verzoekster dus niet weten in welke mate de informatie die zij gedurende het onderzoek had verstrekt door de onderzoeker in aanmerking was genomen, noch overigens of het bestreden besluit daadwerkelijk overeenstemde met de resultaten van het onderzoek. Dit betekent dat de Commissie het aanvankelijke motiveringsgebrek van het bestreden besluit niet kan rechtvaardigen met de stelling dat het was gebaseerd op informatie waarvan verzoekster op de hoogte was.
171 De aan verzoekster geboden mogelijkheid om mee te werken aan het goede verloop van het onderzoek lijkt conform de eerbiediging van het beginsel van behoorlijk bestuur. Die medewerking vormt op zich echter geen bewijs dat verzoekster dus was geïnformeerd over de redenen waarom de Commissie haar verzoek om bijstand heeft afgewezen. Zo verzoekster in de loop van het onderzoek relevante informatie had ontvangen, hetgeen de Commissie niet heeft aangetoond, zij mocht ervan uitgaan dat deze informatie achterhaald was geraakt door de motivering waarop het bestreden besluit was gebaseerd.
172 Met betrekking tot de door verzoekster ontvangen informatie over de ontwikkeling van het onderzoek heeft de Commissie niet aangetoond dat die informatie, afgezien van het aanbieden van excuses voor de vertraging bij de verrichting van verschillende onderzoeksactiviteiten, de redenen betroffen op basis waarvan zij verzoeksters verzoek om bijstand later heeft afgewezen.
173 In het licht van het voorgaande, moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd met betrekking tot de redenen waarom de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan verzoeksters verzoek om bijstand voor de tweede periode en moet het besluit wat die periode betreft nietig worden verklaard.
C – Vordering tot schadevergoeding
1. Argumenten van partijen
174 Verzoekster vraagt om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van het psychisch geweld en de door de Commissie begane onregelmatigheden bij de afwijzing van haar verzoek om bijstand.
175 Wat de materiële schade betreft, bestaat verzoeksters schadevordering in wezen uit drie onderdelen.
176 Ten eerste stelt zij dat het psychisch geweld afbreuk heeft gedaan aan haar loopbaan en reputatie, aangezien het tot gevolg heeft gehad dat haar fysieke en psychische gezondheid werd aangetast. Ten tweede stelt zij dat zij schade heeft geleden door de schending van artikel 24 van het Statuut en met name door het uitblijven van voorlopige maatregelen, zoals een verwijderingsmaatregel, na haar verzoek om bijstand. Ten derde vraagt zij om vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de miskenning door de Commissie van het beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgplicht en door de onredelijke termijn die de Commissie voor de behandeling van haar dossier heeft genomen.
177 De geleden schade kan haars inziens ten dele worden hersteld door de overname door de Commissie van de kosten en de honoraria van haar raadslieden voor de contentieuze en de precontentieuze procedure.
178 Wat de vergoeding van de immateriële schade betreft, is verzoekster van mening dat deze schade voortvloeit uit de niet-nakoming van de zorgplicht door de Commissie bij de behandeling van haar verzoek om bijstand en begroot zij deze schade op 10000 EUR.
179 De Commissie antwoordt hierop dat verzoekster, daar het psychisch geweld niet is aangetoond, geen materiële of immateriële schade heeft geleden, zodat de schadevordering niet moet worden toegewezen. Zij voegt hieraan toe dat de verwerende partij volgens vaste rechtspraak in elk geval niet de kosten dient te dragen die de verwerende partij in de precontentieuze fase heeft gemaakt.
2. Beoordeling door het Gerecht
180 Uit de vaste rechtspraak volgt dat er in geval van geschillen tussen de instellingen en hun ambtenaren recht op schadevergoeding bestaat, indien wordt voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de echtheid van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de gedraging en de gestelde schade (arrest Commissie/Q, reeds aangehaald, punt 42, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het feit dat niet wordt voldaan aan één van die drie voorwaarden volstaat om een beroep tot schadevergoeding te verwerpen (zie beschikking Gerecht van 16 maart 2011, Marcuccio/Commissie, F‑21/10, punten 22 en 23, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
181 Wat de derde voorwaarde voor de aansprakelijkheid van de instellingen betreft, moet de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd echt en zeker zijn, hetgeen de verzoekende partij dient te bewijzen (arrest Gerecht van 13 juni 2012, BL/Commissie, F‑63/10, punt 98).
182 Verzoekster verwijst in haar geschriften echter naar geen enkel stuk van het dossier dat de echtheid of de omvang van de gestelde materiële schade kan bewijzen, die zij overigens niet begroot, doch stelt slechts dat die schade ten dele kan worden hersteld door de overname door de Commissie van de kosten en honoraria van haar raadslieden voor de contentieuze en precontentieuze procedure. Bovendien bevat het verzoekschrift geen enkel bewijsaanbod op dit punt. Op grond van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift echter de nodige bewijsaanbiedingen bevatten om de echtheid en de omvang van de schade te bewijzen.
183 Bij gebreke van deze bewijselementen, moet worden vastgesteld dat verzoekster de echtheid en de omvang van de gestelde materiële schade niet heeft aangetoond. Haar vordering tot vergoeding van de materiële schade moet dus worden afgewezen, zonder dat het Gerecht behoeft te beslissen of aan de andere voorwaarden is voldaan.
184 Met betrekking tot de immateriële schade stelt verzoekster zich op het standpunt dat deze voortvloeit uit de onredelijke duur van het onderzoek alsmede uit het gebrek aan zorg van de Commissie bij de behandeling van het dossier.
185 Het Gerecht herinnert eraan dat verzoekster haar verzoek om bijstand heeft ingediend op 5 december 2007 en dat het bestreden besluit haar is meegedeeld op 10 augustus 2010, dat wil zeggen twee jaar en acht maanden later. Een dergelijke termijn kan, gelet op de omstandigheden van de zaak en zelfs indien rekening wordt gehouden met de lengte van het verzoek om bijstand en met het feit dat verzoekster herhaaldelijk om aanvullingen van het onderzoek heeft gevraagd, in beginsel niet als redelijk worden aangemerkt.
186 Er moet dus worden onderzocht of de verschillende argumenten die de Commissie ter rechtvaardiging van de duur van de onderzoeksprocedure heeft aangevoerd, een ander licht kunnen werpen op deze vaststelling.
187 Uit het dossier blijkt dat er zes maanden zijn verlopen tussen de datum van indiening van het verzoek om bijstand en het besluit om een administratief onderzoek in te stellen en dit toe te vertrouwen aan een onderzoeker van buiten het DG Personeelszaken, welk besluit is genomen op 9 juni 2008. Het gaat dus om een termijn die twee maanden langer is dan de termijn van vier maanden die in artikel 90, lid 1, van het Statuut is voorzien voor het ontstaan van een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een verzoek.
188 In de rechtspraak over een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 24 van het Statuut is echter reeds gepreciseerd dat niet is uitgesloten dat objectieve redenen, die met name verband kunnen houden met de organisatie van het onderzoek, een langere termijn voor de instelling van dat onderzoek kunnen rechtvaardigen (arrest Commissie/Q, reeds aangehaald, punt 105). In casu kan de vertraging van de Commissie, gelet op het terecht genomen besluit om het onderzoek toe te vertrouwen aan een persoon buiten het DG Personeelszaken en de lengte van het verzoek om bijstand, dat ongeveer duizend bladzijden omvat, niet onredelijk worden geacht.
189 Wat de periode betreft tussen 9 juni 2008 en 9 maart 2009, de datum waarop de onderzoeker verzoekster heeft uitgenodigd om te getuigen in het kader van het administratieve onderzoek, erkent de Commissie echter dat „geen formele onderzoekshandeling is verricht”, een omstandigheid waarvoor de onderzoeker zich meermaals bij verzoekster heeft verontschuldigd. De Commissie rechtvaardigt deze vertraging door te verwijzen naar de werklast van de onderzoeker wegens zijn recente benoeming tot directeur. Deze omstandigheid kan echter niet rechtvaardigen dat het onderzoek gedurende deze negen maanden heeft stilgelegen. Indien de onderzoeker niet in staat was om zijn werkzaamheden in het kader van het onderzoek te verrichten, diende de Commissie een andere onderzoeker aan te stellen of in elk geval zijn werkzaamheden zo te organiseren dat de behandeling van verzoeksters verzoek niet voor een dermate lange periode werd vertraagd.
190 Wat de periode betreft van 9 maart 2009 tot 23 april 2010, de datum waarop de onderzoeker zijn rapport aan de secretaris-generaal van de Commissie heeft uitgebracht, voert de Commissie ter rechtvaardiging van de duur van de procedure de complexiteit van het onderzoek en het „grote aantal” gehoorde personen aan, waaronder verschillende voormalige ambtenaren die België hadden verlaten. Ofschoon uit het eindrapport van het onderzoek blijkt dat de Commissie slechts twaalf personen heeft gehoord van wie er maar drie met pensioen waren, lijkt de duur van deze fase niet onredelijk gelet op de algehele complexiteit van het onderzoek.
191 Ten slotte heeft de secretaris-generaal van de Commissie op 7 juni 2010 het bestreden besluit genomen. Zoals de Commissie zelf in de brief van 15 september 2010 aan verzoeksters raadsman heeft uitgelegd, is het besluit wegens een „administratieve fout” echter pas op 10 augustus 2010 aan verzoekster gezonden.
192 Hieruit volgt dat op een totale duur van de onderzoeksprocedure van 32 maanden, maar liefst elf maanden zijn verstreken – tussen 9 juni 2008 en 9 maart 2009 en tussen 7 juni 2010 en 10 augustus 2010 – gedurende welke niets is gebeurd, zonder dat de Commissie hiervoor een geldige reden kan aanvoeren. De duur van het onderzoek kan immers niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de werklast van de onderzoeker of een administratieve fout.
193 De duur van de onderzoeksprocedure kan dus niet redelijk worden geacht en er kan niet van worden uitgegaan dat de gedraging van de Commissie in overeenstemming was met haar zorgplicht.
194 In deze omstandigheden kan verzoeksters immateriële schade niet volledig worden hersteld door de nietigverklaring van het bestreden besluit. Als gevolg van de gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit bevindt verzoekster zich opnieuw in een situatie waarin zij moet wachten op de definitieve afronding van de procedure die na haar verzoek om bijstand van 5 december 2007 is ingeleid krachtens artikel 24 van het Statuut. Een dergelijke verlenging van een situatie van afwachting en onzekerheid, die is ontstaan door de onwettigheid van het bestreden besluit, levert immateriële schade op.
195 Gelet op de hierboven genoemde redenen, is het Gerecht van oordeel dat het verzoek om vergoeding van de immateriële schade verband houdende met de buitensporige duur van de procedure en met de niet-nakoming van de zorgplicht gegrond is en veroordeelt het de Commissie tot betaling van een ex aequo et bono op 6000 EUR vastgesteld bedrag aan verzoekster.
Kosten
196 Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.
197 Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest volgt dat de Commissie op de meeste punten in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft verzoekster in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om de Commissie te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster.
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer) rechtdoende, verklaart:
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- HvJ EU 25 juni 2020, C-570/18, ECLI:EU:C:2020:490
- Gerecht EU 3 oktober 2019, T-730/18, ECLI:EU:T:2019:725
- HvJ EU 30 april 2014, F-28/13, ECLI:EU:F:2014:55
- Gerecht EU 20 september 2019, T-47/18, ECLI:EU:T:2019:650
- Gerecht EU 29 juni 2018, T-218/17, ECLI:EU:T:2018:393
- Gerecht EU 14 juli 2021, T-65/19, ECLI:EU:T:2021:454
- Gerecht EU 13 december 2018, T-83/18, ECLI:EU:T:2018:935
- HvJ EU 26 maart 2015, F-124/13, ECLI:EU:F:2015:23