HvJ EU 13 januari 2010, F-124/05, ECLI:EU:F:2010:2

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Voltallige zitting)

13 januari 2010 (*)

„Ambtenarenrecht — Ambtenaren — Beroep tot nietigverklaring — Afdoening zonder beslissing — Beroep tot schadevergoeding — Ontvankelijkheid — Voorrechten en immuniteiten — Opheffing van de immuniteit van jurisdictie — Vertrouwelijkheid van OLAF-onderzoeken — IDOC-onderzoeken — Toegang tot medische documenten — Toegang tot persoonsdossier — Tuchtprocedure — Redelijke termijn”

In de gevoegde zaken F-124/05 en F-96/06,

betreffende beroepen krachtens de artikelen 236 EG en 152 EA,

A, voormalig ambtenaar van de Europese Commissie, wonende te Port-Vendres (Frankrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Cambier en L. Cambier, advocaten, later door B. Cambier, L. Cambier en R. Born, advocaten, ten slotte door B. Cambier en A. Paternostre, advocaten,

verzoeker in zaak F-124/05,

G, voormalig ambtenaar van de Europese Commissie, wonende te Port-Vendres (Frankrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Cambier en L. Cambier, advocaten, later door B. Cambier, L. Cambier en R. Born, advocaten, ten slotte door B. Cambier en A. Paternostre, advocaten,

verzoeker in zaak F-96/06,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Currall en V. Joris als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Voltallige zitting),

samengesteld als volgt: P. Mahoney (rapporteur), president, S. Gervasoni, kamerpresident, H. Kreppel, H. Tagaras en S. Van Raepenbusch, rechters,

griffier: W. Hakenberg,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 april 2009,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 december 2005, ingeschreven onder nummer F-124/05, vordert verzoeker ten eerste onder meer nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 28 februari 2005 houdende afwijzing van zijn verzoek van 22 oktober 2004 tot sluiting van de tuchtprocedure die tegen hem is ingeleid bij besluit van 16 januari 2004 (hierna: bestreden besluit” of „besluit tot weigering van de sluiting van de tuchtprocedure”), en ten tweede veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de door hem geleden schade.

2 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht bij fax van 10 augustus 2006 (het origineel is op 17 augustus daaropvolgend neergelegd), ingeschreven onder nummer F-96/06, vordert dezelfde verzoeker veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die hij door diverse door haar gemaakte fouten heeft geleden.

Toepasselijke bepalingen

I – Bepalingen betreffende voorrechten en immuniteiten

3 Artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965, dat is gehecht aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (PB 1967, 152, blz. 13; hierna: „Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten” of „Protocol”), luidt als volgt:

„De ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der lidstaten:

a) vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Gemeenschappen, en voorts op de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen in geschillen tussen de Gemeenschappen en hun ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b) [...]”

4 Artikel 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten luidt:

„De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen verleend.

Elke instelling van de Gemeenschappen is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Gemeenschappen.”

5 Artikel 19 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten luidt:

„Voor de toepassing van dit protocol handelen de instellingen van de Gemeenschappen in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaten.”

6 Artikel 23, eerste alinea, eerste zin, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie stelt dat de voorrechten en immuniteiten die de ambtenaren genieten uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen zijn toegekend.

II – Bepalingen betreffende de onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude

7 Punt 10 van de considerans van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136, blz. 1) vermeldt het volgende:

„[O]verwegende dat deze onderzoeken moeten worden uitgevoerd conform het Verdrag en met name het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, met inachtneming van het Statuut [...], en onder volledige eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en met name van het billijkheidsbeginsel, van het recht van de betrokkene zich over de hem of haar betreffende feiten uit te spreken en van het recht dat de bevindingen van een onderzoek alleen mogen berusten op elementen die bewijskracht hebben; [...]”

8 Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1073/1999 bepaalt:

„De in het kader van interne onderzoeken meegedeelde of verkregen gegevens vallen, ongeacht de vorm ervan, onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming van de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van de Europese Gemeenschappen.

Deze gegevens mogen met name niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke er binnen de instellingen van de Europese Gemeenschappen of in de lidstaten ambtshalve kennis van moeten nemen, en mogen niet worden gebruikt voor enig ander doel dan de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit.”

III – Bepalingen betreffende tuchtprocedures

9 Krachtens artikel 88, vijfde alinea, van het Statuut in de tot en met 30 april 2004 geldende versie wordt, indien tegen een ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten als die welke hebben geleid tot de inleiding van een tuchtprocedure, een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, zijn positie eerst definitief geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.

10 In artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut zijn de bepalingen van artikel 88, vijfde alinea, van het Statuut in de tot en met 30 april 2004 geldende versie overgenomen.

11 Artikel 1, lid 1, van het besluit van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen inzake het verrichten van administratieve onderzoeken en het voeren van tuchtprocedures (hierna: „algemene uitvoeringsbepalingen inzake administratieve onderzoeken en tuchtprocedures”), dat op dit punt besluit C(2002) 540 van de Commissie van 19 februari 2002 overneemt, bepaalt dat een Bureau voor onderzoek en discipline wordt ingesteld (IDOC).

12 Artikel 2, leden 1 en 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen inzake administratieve onderzoeken en tuchtprocedures bepaalt:

„1. Het IDOC verricht administratieve onderzoeken. In deze bepalingen wordt verstaan onder ‚administratieve onderzoeken’ alle door de gemachtigde ambtenaar genomen maatregelen met het oog op de vaststelling van de feiten en in voorkomend geval teneinde te bepalen of de verplichtingen van de ambtenaren van de Commissie niet zijn nagekomen.

[...]

2. Het IDOC kan worden belast met andere onderzoeken met het oog op de vaststelling van bepaalde feiten, met name in het kader van de artikelen 24, 73 en 90 van het Statuut.”

IV – Bepalingen betreffende de verzekering tegen de uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico’s

13 Artikel 73, leden 1 en 2, van het Statuut luiden:

„1. Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het comité voor het statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico’s. [...]

2. De gewaarborgde uitkeringen zijn de navolgende:

a) [...]

b) bij blijvende algehele invaliditeit:

uitkering aan de betrokkene van een kapitaal gelijk aan acht maal zijn jaarlijkse basissalaris, berekend op de grondslag van zijn maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval;

c) bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit:

uitkering aan de betrokkene van een deel van het sub b bepaalde bedrag, berekend op de grondslag van de schaal, vastgesteld bij de in lid 1 bedoelde regeling.

[...]”

14 Op 13 december 2005 hebben de instellingen van de Gemeenschappen een gemeenschappelijke regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten vastgesteld, die op 1 januari 2006 in werking is getreden (hierna: „verzekeringsregeling” of „nieuwe verzekeringsregeling”). Vóór die datum was de gemeenschappelijke regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten, laatstelijk gewijzigd op 18 juli 1997, van toepassing (hierna: „oude verzekeringsregeling”).

15 Artikel 30 van de nieuwe verzekeringsregeling bevat de volgende overgangsbepalingen:

„De [oude verzekeringsregeling] wordt ingetrokken.

Zij blijft echter van toepassing op elk ontwerp-besluit dat krachtens artikel 20, lid 1, vóór 1 januari 2006 is genomen [...]”

16 In artikel 2, lid 1, van de nieuwe verzekeringsregeling wordt een ongeval gedefinieerd als elke plotselinge gebeurtenis die de verzekerde lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft toegebracht en waarvan de oorzaak of een van de oorzaken buiten het organisme van het slachtoffer gelegen is. Artikel 2, lid 1, van de oude verzekeringsregeling definieert een ongeval als elke van buiten komende en plotselinge dan wel gewelddadige of ongewone gebeurtenis of inwerking, waardoor de ambtenaar lichamelijk en/of geestelijk letsel wordt toegebracht.

17 Volgens artikel 11, lid 1, van de nieuwe verzekeringsregeling wordt de algehele of gedeeltelijke blijvende invaliditeit bepaald aan de hand van de Europese schaal ter beoordeling van lichamelijke en geestelijke invaliditeit, die aan die regeling is gehecht.

18 Artikel 11, lid 2, van de nieuwe verzekeringsregeling bepaalt dat bij algehele blijvende invaliditeit van de verzekerde als gevolg van een ongeval of een beroepsziekte de invaliditeit 100 % bedraagt en hem het in artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut bedoelde kapitaal wordt uitgekeerd. Artikel 11, lid 3, van de nieuwe verzekeringsregeling bepaalt dat bij gedeeltelijke blijvende invaliditeit van de verzekerde als gevolg van een ongeval of een beroepsziekte hem het in artikel 73, lid 2, sub c, van het Statuut bedoelde kapitaal wordt uitgekeerd, dat wordt berekend aan de hand van de percentages in de in lid 1 bedoelde schaal.

19 Artikel 15 van de nieuwe verzekeringsregeling bepaalt dat de verzekerde die door een ongeval wordt getroffen, of zijn rechtverkrijgenden, bij de administratie van de instelling waartoe de verzekerde behoort, aangifte moeten doen van het ongeval. De aangifte moet een nauwkeurige opgave inhouden van de dag en het uur, de oorzaken en de omstandigheden van het ongeval, alsmede van de namen van getuigen en eventuele aansprakelijke derden. De aangifte dient vergezeld te gaan van een medische verklaring betreffende de aard van het letsel en de vermoedelijke gevolgen van het ongeval. De aangifte dient te geschieden uiterlijk op de tiende werkdag na de datum van het ongeval. Deze bepaling neem in wezen artikel 16 van de oude verzekeringsregeling over.

20 Volgens artikel 16, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van de nieuwe verzekeringsregeling moet de ambtenaar bij een verzoek om toepassing van die regeling wegens een beroepsziekte binnen een redelijke termijn na het begin van de ziekte of de datum waarop zij voor het eerst medisch is geconstateerd, aangifte doen bij de administratie. Deze bepaling neemt artikel 17, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van de oude verzekeringsregeling over.

21 Ingevolge artikel 16, lid 2, van de nieuwe verzekeringsregeling stelt de administratie een onderzoek in teneinde alle gegevens te verzamelen aan de hand waarvan de aard van de aandoening, alsmede het verband tussen ziekte en beroep en de omstandigheden waaronder zij zich heeft voorgedaan, kunnen worden vastgesteld. Deze bepaling neemt artikel 17, lid 2, eerste alinea, van de oude verzekeringsregeling over.

22 Artikel 18 van de nieuwe verzekeringsregeling bepaalt dat de besluiten waarbij een voorval wordt gekwalificeerd of waarbij een ziekte als beroepsziekte wordt gekwalificeerd of de graad van blijvende invaliditeit wordt vastgesteld, overeenkomstig de procedure van artikel 20 van die regeling worden genomen door het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) op grond van de conclusies van een door de instellingen aangewezen arts of artsen, en indien de verzekerde zulks verlangt, na raadpleging van de in artikel 22 bedoelde medische commissie. Deze bepaling neemt in wezen artikel 19 van de oude verzekeringsregeling over.

23 Artikel 20 van de nieuwe verzekeringsregeling bepaalt:

„1. Alvorens een besluit ingevolge artikel 18 te nemen, brengt het [TABG] het ontwerp-besluit, tezamen met de conclusies van de door de instelling aangewezen arts of artsen, ter kennis van de verzekerde of zijn rechtverkrijgenden. Dezen kunnen verlangen dat het volledige medische rapport aan een arts hunner keuze wordt toegezonden of aan henzelf wordt medegedeeld.

2. Binnen zestig dagen kunnen de verzekerde of zijn rechtverkrijgenden verlangen dat het advies van de in artikel 22 bedoelde medische commissie wordt ingewonnen. Het verzoek om inschakeling van de medische commissie moet de naam vermelden van de arts die de verzekerde of zijn rechtverkrijgenden vertegenwoordigt, en moet vergezeld gaan van het rapport van deze arts waarin de medische kwesties worden vermeld waarover betwisting bestaat met de voor de toepassing van deze regeling door de instelling aangewezen arts of artsen.

3. Indien na het verstrijken van deze termijn geen verzoek om raadpleging van de medische commissie is gedaan, neemt het [TABG] het besluit conform het medegedeelde ontwerp.”

24 Volgens artikel 21 van de oude verzekeringsregeling kon de ambtenaar verlangen dat het volledige medische rapport aan een arts van zijn keuze werd toegezonden. Anders dan artikel 20 van de nieuwe verzekeringsregeling kon de ambtenaar op grond van artikel 21 van de oude verzekeringsregeling echter niet om rechtstreekse mededeling van het medische rapport aan hemzelf verlangen.

25 Artikel 22, lid 1, van de nieuwe verzekeringsregeling, waarin wat de samenstelling van de medische commissie betreft in wezen artikel 23, lid 1, van de oude verzekeringsregeling wordt overgenomen, luidt:

„1. De medische commissie bestaat uit drie artsen, van wie:

– de eerste door de verzekerde of zijn rechtverkrijgenden,

– de tweede door het [TABG],

– de derde in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen wordt aangewezen.

[...]”

26 Ten slotte bepaalt artikel 19, lid 3, van de nieuwe verzekeringsregeling:

„Het besluit tot vaststelling van de graad van invaliditeit wordt genomen na de stabilisatie van het door de verzekerde opgelopen letsel. De gevolgen van het ongeval of de beroepsziekte worden als blijvend beschouwd wanneer zij gestabiliseerd zijn of slechts zeer langzaam en in zeer beperkte mate minder worden. [...]

Wanneer bij beëindiging van de medische behandeling de graad van invaliditeit nog niet definitief kan worden vastgesteld, dient het advies van de in artikel 18 bedoelde arts of artsen of eventueel het rapport van de in artikel 22 bedoelde medische commissie de uiterste datum aan te geven waarop het dossier van de verzekerde aan een hernieuwd onderzoek moet worden onderworpen.”

V – Bepalingen inzake de bij invaliditeit ontvangen uitkeringen

A – Statuut

27 Volgens artikel 53 van het Statuut wordt de ambtenaar van wie de invaliditeitscommissie heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 78, ambtshalve gepensioneerd op de laatste dag van de maand waarin bij besluit van het TABG de definitieve arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is vastgesteld.

28 Volgens artikel 59, lid 4, van het Statuut kan het TABG, wanneer het totale ziekteverlof van de ambtenaar over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden bedraagt, dit geval aan de invaliditeitscommissie voorleggen.

29 Artikel 78, eerste alinea, van het Statuut bepaalt:

„[De ambtenaar] heeft recht op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die overeenkomen met een ambt van zijn functiegroep.”

30 Volgens artikel 78, derde alinea, van het Statuut bedraagt de invaliditeitsuitkering 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar.

31 Artikel 78, vierde alinea, van het Statuut bepaalt dat de invaliditeitsuitkering wordt betaald uit pensioenbijdragen die op grond van die uitkering worden berekend.

32 Artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut bepaalt dat indien de invaliditeit het gevolg is van een beroepsziekte, de gehele bijdrage in de pensioenregeling waaraan de invaliditeitsuitkering is onderworpen, ten laste komt van de instelling.

33 Artikel 13, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut luidt:

„Onverminderd het in artikel 1, lid 1, bepaalde heeft de ambtenaar die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij tijdens de periode gedurende welke hij recht op pensioen verkreeg, door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt in zijn loopbaan overeenkomen, zodat hij de dienst bij de Gemeenschappen moet onderbreken, gedurende de tijd van zijn arbeidsongeschiktheid recht op de in artikel 78 van het Statuut bedoelde invaliditeitsuitkering.”

B – Statuut, in zijn tot en met 30 april 2004 geldende versie

34 Artikel 53 van het Statuut in zijn tot en met 30 april 2004 geldende versie is identiek aan artikel 53 van het Statuut.

35 Artikel 78, eerste alinea, van de tot en met 30 april 2004 geldende versie van het Statuut bepaalt:

„[De ambtenaar] heeft recht op een invaliditeitsuitkering wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen.”

36 Volgens artikel 78, tweede alinea, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie van het Statuut, bedraagt de invaliditeitsuitkering 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar, indien de invaliditeit het gevolg is van een beroepsziekte.

37 Volgens artikel 78, derde alinea, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie van het Statuut bedraagt het invaliditeitspensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, indien hij tot die leeftijd in dienst zou zijn gebleven, indien de invaliditeit aan een andere oorzaak is te wijten dan die welke in de tweede alinea van dat artikel zijn vermeld.

VI – Bepalingen inzake het persoonsdossier

38 Artikel 26 van het Statuut bepaalt:

„Het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden:

a) alle bescheiden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag;

b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt.

Elk dezer stukken dient te zijn ingeschreven, genummerd en opgeborgen in ononderbroken volgorde; stukken bedoeld [sub] a, kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren, noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan zijn dossier worden toegevoegd.

De mededeling van elk stuk blijkt uit de handtekening die de ambtenaar hieronder heeft gesteld; bij gebreke daarvan geschiedt zij per aangetekende brief, die wordt verzonden naar het laatste door de ambtenaar opgegeven adres.

[...]

Voor iedere ambtenaar mag slechts één dossier worden aangelegd.

Iedere ambtenaar heeft ook na beëindiging van de dienst, het recht kennis te nemen van alle stukken die zich in zijn dossier bevinden en daarvan een kopie te maken.

Het persoonsdossier is van vertrouwelijke aard en kan slechts in de dienstlokalen of op een beveiligde elektronische drager worden geraadpleegd. Het wordt echter aan het Hof van Justitie van de Europese [Unie] toegezonden wanneer een beroep waarbij de ambtenaar is betrokken, wordt ingesteld.”

39 Artikel 26 bis van het Statuut luidt:

„Iedere ambtenaar heeft, overeenkomstig de door de instelling vastgestelde bepalingen, het recht kennis te nemen van zijn medisch dossier.”

VII – Bepalingen inzake de toegang van het publiek tot documenten

40 Artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43) bepaalt:

„De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:

– [...]

– het doel van inspecties, onderzoeken en audits,

tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.”

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

41 Verzoeker is een voormalig ambtenaar van de rang AD 15. Hij is in 1979 bij de Commissie in dienst getreden en heeft verschillende functies bij die instelling vervuld.

42 Van 21 december 1995 tot en met juli 1997 was hij chef van het kabinet van mevrouw Cresson, lid van de Commissie, als opvolger van Lamoureux op die post.

43 Omdat het onderhavige geding voortvloeit uit bepaalde feiten die zich hebben afgespeeld in het kabinet van Cresson in die periode, worden deze kort in herinnering gebracht.

I – De context van de „zaak Cresson”

44 Cresson was van 24 januari 1995 tot 8 september 1999 lid van de Commissie. De Commissie werd toen voorgezeten door J. Santer. Cressons portefeuille bestond uit de terreinen wetenschappen, onderzoek en ontwikkeling, menselijke hulpbronnen, onderwijs, opleiding, jongeren alsmede het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO).

45 Bij de ambtsaanvaarding van Cresson was haar kabinet reeds gevormd. Cresson gaf niettemin de wens te kennen gebruik te maken van de diensten van een van haar goede kennissen, Berthelot, als „persoonlijk adviseur”. In verband met zijn leeftijd — hij was ten tijde van de feiten 66 jaar oud — kon Berthelot niet in tijdelijke dienst worden aangesteld als lid van het kabinet van een lid van de Commissie. Cressons kabinetschef, Lamoureux, had haar overigens meegedeeld dat hij, gezien Berthelots leeftijd, geen mogelijkheden zag om hem bij de Commissie aan te stellen. Cresson wenste zich desondanks te verzekeren van de diensten van Berthelot als persoonlijk adviseur en wendde zich vervolgens tot de administratieve diensten met het verzoek uit te zoeken onder welke voorwaarden aanwerving mogelijk was. Uiteindelijk werd Berthelot met ingang van 1 september 1995 als gastwetenschapper aangesteld bij het directoraat-generaal (DG) „Onderzoek”, om te beginnen voor zes maanden. Vervolgens werd die periode verlengd tot eind februari 1997. Met ingang van april 1996 werd het bedrag dat Berthelot maandelijks als gastwetenschapper ontving, op grond van een anticumulatiebepaling verlaagd in verband met een pensioen dat hij in Frankrijk ontving. Korte tijd na deze verlaging werden door het kabinet van Cresson voor de periode 23 mei tot en met 21 juni 1996 dertien opdrachten voor dienstreizen uitgeschreven op naam van Berthelot, waarvoor deze ongeveer 6 900 EUR ontving. Per 1 september 1996 werd Berthelots inschaling herzien, waarbij hij overging van groep II naar groep I voor gastwetenschappers. Zijn maandsalaris, dat toentertijd in de orde van grootte van 4 500 EUR lag, steeg met ongeveer 1 000 EUR. Toen zijn contract met het DG „Onderzoek” op 1 maart 1997 afliep, werd Berthelot een nieuw contract als gastwetenschapper aangeboden, ditmaal bij het GCO, voor de periode van één jaar, aflopend eind februari 1998.

46 Nadat leden van het Europees Parlement hadden beweerd dat Cresson zich schuldig had gemaakt aan favoritisme door twee van haar kennissen in dienst te nemen en te bevoordelen, is een aantal onderzoeken door verschillende organisaties verricht.

47 Een comité van onafhankelijke deskundigen, samengesteld op 27 januari 1999 onder auspiciën van het Europees Parlement en de Commissie, werd belast met de opstelling van een eerste rapport om vast te stellen in hoeverre de Commissie als college dan wel een of meer individuele leden van de Commissie verantwoordelijk waren voor de recente gevallen van fraude, wanbeheer of nepotisme, die in de parlementaire discussie naar voren waren gebracht. In zijn rapport van 15 maart 1999 concludeerde dit comité met betrekking tot Berthelot dat het om een duidelijk geval van favoritisme ging.

48 De Commissie heeft op 16 maart 1999 collectief ontslag ingediend, maar is in functie gebleven tot 8 september van dat jaar.

49 Op 20 juli 1999 heeft het OLAF een intern onderzoek ingeleid naar de arbeidsvoorwaarden van Berthelot als gastwetenschapper bij de Commissie. Het OLAF heeft zijn verslag op 23 november 1999 afgesloten. In dit verslag werd geconcludeerd dat „aangezien opgestelde of gedeclareerde rapporten en [...] dienstreizen die door de heer René Berthelot zijn ondertekend als vervalsing of gebruik van vervalste stukken [konden] worden aangemerkt, [dat] verslag [...] aan de bevoegde gerechtelijke instanties [moest] worden medegedeeld, overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 van verordening nr. 1073/99”.

50 Het OLAF-verslag is aan de directeur-generaal van het DG „Personeel en administratie” gezonden met het oog op de eventuele inleiding van tuchtprocedures, en aan de procureur des Konings van het parket Brussel (België). Naar aanleiding van dat verslag werden verschillende tuchtprocedures ingeleid tegen ambtenaren en personeelsleden van de Commissie, alsook een procedure tot terugvordering van de onverschuldigd aan Berthelot betaalde bedragen. In dat stadium is geen tuchtprocedure tegen verzoeker ingeleid.

51 Het DG „Personeel en administratie” en nadien, na zijn oprichting bij besluit C(2002) 540 van de Commissie van 19 februari 2002, het IDOC, stelden twee nadere onderzoeken in met betrekking tot Berthelot, één inzake de rol van DG „Onderzoek”, en één inzake de betrokkenheid van het GCO. Op 22 februari 2002 heeft het IDOC een verslag van het nadere administratieve onderzoek ingediend met betrekking tot de arbeidsperiode van Berthelot als gastwetenschapper bij DG „Onderzoek” en bij het GCO. In het verslag van het IDOC werd geconcludeerd dat „de draad van Ariadne die volgens alle verkregen gegevens en verklaringen tijdens de voorgeschreven nadere onderzoeken ten grondslag [leek] te liggen aan de aanstelling van Berthelot bij de Commissie hoogstwaarschijnlijk de noodzaak [was] om betrokkene te betalen voor de rechtstreekse bijstand die Cresson van hem als persoonlijk adviseur wilde krijgen”.

52 Op 21 januari 2003 heeft het college van leden van de Commissie een mededeling van punten van bezwaar tot Cresson gericht in het kader van de mogelijke inleiding van een procedure op grond van de artikelen 213, lid 2, EG en 126, lid 2, EA.

53 Op 18 maart 2003 heeft V., onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, Cresson, Berthelot alsook acht ambtenaren en personeelsleden van de Commissie, onder wie verzoeker, beschuldigd van vervalsing, gebruik van valse stukken, oplichting en belangenverstrengeling. De Commissie stelde zich voor de Belgische strafrechter op 11 september 2003 burgerlijke partij tegen Cresson.

54 Bij beschikking van 30 juni 2004 heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, het mondelinge requisitoir van de procureur des Konings gehoord en onder verwijzing naar zijn schriftelijke requisitoir van 3 februari 2004, verklaard dat er geen aanleiding bestond de zaak naar de correctionele rechtbank te verwijzen. De beschikking constateerde met name dat volgens het onderzoeksdossier ongetwijfeld vervalsing en oplichting ten laste konden worden gelegd, maar dat er geen enkele aanwijzing was om zich specifiek op een van de verdachten uit het onderzoek te richten.

55 Op 7 oktober 2004 heeft de Commissie beroep ingesteld bij het Hof van Justitie. Zij verzocht vast te stellen dat Edith Cresson zich schuldig heeft gemaakt aan favoritisme, althans grove nalatigheid, en daardoor haar verplichtingen op grond van de artikelen 213 EG en 126 EA niet is nagekomen, en bijgevolg het recht van Cresson op pensioen of andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen, geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

56 Bij arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C-432/04, Jurispr. blz. I-6387; hierna: „arrest Commissie/Cresson”), heeft het Hof vastgesteld dat Cresson in strijd had gehandeld met de uit haar taak als lid van de Commissie voortvloeiende verplichtingen bij de aanwerving en met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van Berthelot. Wat evenwel het verzoek van de Commissie betreft om het recht van Cresson op pensioen vervallen te verklaren, heeft het Hof geoordeeld dat de vaststelling van de niet-nakoming op zich een passende sanctie was en dat de betrokkene bijgevolg verder geen sanctie hoefde te worden opgelegd.

II – Feiten met betrekking tot verzoeker

57 Verzoeker was van 21 december 1995 tot en met juli 1997 chef van het kabinet van Cresson. In december 1996 is hij aangesteld als bijzonder raadadviseur bij het DG „Onderzoek”, naar welke post hij had gesolliciteerd. Hij wilde namelijk het kabinet van Cresson verlaten wegens spanningen met haar sinds mei 1996. Zijn daadwerkelijke vertrek uit het kabinet heeft evenwel pas in juli 1997 plaatsgevonden, daar zijn ontslag toen pas door Cresson was aanvaard omdat er geen kandidaat was voorgedragen om hem te vervangen.

58 Op 15 september 1999 is verzoeker informeel gehoord in het kader van het onderzoek van OLAF. Op 17 november 1999 is hij geïnformeerd over de inleiding van een onderzoek met betrekking tot hemzelf. Op 19 november 1999 is hij formeel gehoord. Het OLAF-verslag van 23 november 1999 noemde het, in het licht van deels overeenstemmende verklaringen van ambtenaren, waarschijnlijk dat op het kantoor van verzoeker een bijeenkomst was gehouden, waarbij de mogelijkheid was besproken om Berthelot in te schalen in groep I voor gastwetenschappers (punt 4.2.2 van het OLAF-verslag). Naar aanleiding van het OLAF-verslag is geen tuchtprocedure tegen verzoeker ingeleid.

59 Op 27 december 2000 heeft de Waalse omroep (RTBF) het populaire programma „Au nom de la loi” uitgezonden; een van de onderwerpen daarin was de „zaak Cresson”. In een kort fragment van de uitzending werd de naam van verzoeker genoemd en werd een document in beeld gebracht dat als het proces-verbaal van zijn verhoor door OLAF werd gepresenteerd.

60 Bij nota van 7 februari 2001 heeft het DG „Personeel en administratie” verzoeker geïnformeerd over het besluit van de Commissie om zijn immuniteit op te heffen, na een verzoek daartoe aan de president van de instelling op 18 december 2000 door V., rechter van instructie bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

61 Het verslag van het IDOC van 22 februari 2002 gaf wat verzoeker betreft aan dat uit de analyse van de onderzoeksgegevens kon worden afgeleid dat tussen 21 en 29 november 1996 op het kantoor van verzoeker een bijeenkomst had plaatsgevonden waarbij de mogelijkheid was besproken om Berthelot in te schalen in groep I voor gastwetenschappers (punt 4.4 van het IDOC-verslag).

62 Op 18 maart 2003 (zie punt 53 hierboven) werd verzoeker beschuldigd, als dader of mededader, enerzijds van valsheid in geschrifte doordat hij met name dertien opdrachten voor dienstreizen en dertien afrekeningen voor reiskosten had opgesteld of doen opstellen, waarin hij opgaven had opgenomen of doen opnemen die niet overeenstemden met de waarheid, en anderzijds van oplichting in verband met de vergoeding van de kosten van de dienstreizen bedoeld in het voorgaande punt van de tenlastelegging. De brief van de rechter van instructie waarin verzoeker over de tenlastelegging werd geïnformeerd, is door hem op 7 april 2003 ontvangen.

63 Door die beschuldiging heeft verzoeker een zenuwinzinking gekregen, zodat hij zich een aantal keren ziek moest melden.

64 Op 25 juli 2003 heeft verzoeker de Commissie een „ongeval/beroepsziekte-aangifte” gezonden. In die aangifte, vergezeld van een rapport van de arts van verzoeker, werd de Commissie niet uitdrukkelijk van psychisch geweld beschuldigd.

65 Op 31 juli 2003 heeft de Commissie de ontvangst van de aangifte van verzoeker van 25 juli 2003 bevestigd en hem meegedeeld dat er een onderzoek zou worden verricht om de aard en de oorzaak van zijn aandoening vast te stellen.

66 In september 2003, een week nadat verzoeker na ziekteverlof weer aan het werk was gegaan, zou het onderzoek waarmee hij was belast, zijn „geblokkeerd” op verzoek van het DG „Personeel en administratie”. Dit incident heeft opnieuw tot ziekteverzuim van verzoeker geleid, dat tot begin januari 2004 heeft geduurd.

67 Op 16 januari 2004 zou de directeur-generaal van het DG „Onderzoek” verzoeker mondeling hebben meegedeeld dat het TABG voornemens was hem van zijn ambt te ontheffen, in het belang van de dienst, op grond van artikel 50 van het Statuut. Deze informatie zou verzoeker op 20 januari 2004 worden bevestigd door de chef van het kabinet van het lid van de Commissie dat belast was met wetenschappelijk onderzoek, maar dat is niet gebeurd. Naar aanleiding van die aankondiging is opnieuw een zenuwinzinking bij verzoeker vastgesteld, die tot een nieuw ziekteverzuim heeft geleid, van 22 januari 2004 tot eind 2004.

68 Bij besluit van 16 januari 2004 heeft Kinnock, het lid van de Commissie dat belast was met personeels- en administratieve zaken, en dus met tuchtrechtelijke onderzoeken en -zaken, als TABG een tuchtprocedure tegen verzoeker ingeleid en die procedure op grond van artikel 88, vijfde alinea, van het Statuut in de tot en met 30 april 2004 geldende versie geschorst totdat het vonnis van de Belgische strafrechter onherroepelijk was geworden. In dat besluit werd hun naast het tenlastgelegde in de strafzaak verweten dat hij als chef van het kabinet van Cresson een actieve rol had gespeeld bij de als onregelmatig aangemerkte inschaling van. Berthelot in groep I voor gastwetenschappers bij het DG „Onderzoek” en bij diens eveneens als onregelmatig aangemerkte aanstelling als gastwetenschapper bij het GCO.

69 Het schriftelijk requisitoir van de procureur des Konings van 3 februari 2004 (zie punt 54 hierboven) bevatte met betrekking tot de tenlastelegging van vervalsing aan verzoeker onder meer het volgende:

„[O]ok al was [verzoeker] chef van het kabinet van Cresson, er bestaat geen verklaring die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend betreft; uit geen materieel element, zoals een nota of handtekening, kan zijn deelneming aan de feiten worden afgeleid; hij brengt zelf gegevens in waaruit de valsheid van de opdrachten voor dienstreizen blijkt, door te verklaren dat de tweede verdachte (Berthelot) op dinsdag naar Brussel kwam in gezelschap van Cresson en in haar auto, waarna hij op donderdag weer vertrok naar Châtellerault (Frankrijk), terwijl die dagen juist overeenkwamen met de data van de dienstreizen in omgekeerde richting [...]”

70 Het schriftelijk requisitoir van de procureur des Konings besloot met de vaststelling dat verzoeker geen vervalsing en oplichting ten laste konden worden gelegd.

71 De chef van de eenheid „Medische dienst (Brussel)” van de Commissie heeft verzoeker bij brief van 25 mei 2004 meegedeeld dat hij, gelet op zijn ziekteverzuimdagen, van plan was het TABG te verzoeken een invaliditeitsprocedure tegen hem in te leiden, en heeft hem gevraagd of hij hiertegen bezwaar had.

72 Bij brief van 23 juni 2004 heeft verzoeker geantwoord dat hij geen bezwaar had tegen de inleiding van die procedure, mits zij uitsluitend gebaseerd was op artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut, dat met name gevallen betreft waarin de invaliditeit het gevolg is van een beroepsziekte.

73 Op 29 juni 2004 heeft de chef van de eenheid „Medische dienst (Brussel)” verzoeker geantwoord dat hij goede nota had genomen van zijn brief van 23 juni. Tevens vestigde hij zijn aandacht op het feit dat niet kon worden vooruitgelopen op de conclusies van de invaliditeitscommissie, met name niet wat de in het beroep gelegen oorzaak van de invaliditeit betreft, maar dat de invaliditeitscommissie zich over dat aspect zou moeten buigen.

74 Op 13 juli 2004 heeft de Commissie, naar aanleiding van het besluit tot buitenvervolgingstelling van verzoeker en de andere verdachten door de Belgische strafrechter van 30 juni 2004 (zie punt 54 hierboven), verzoeker een brief gezonden met de volgende inhoud:

„Zoals u weet, is de tuchtprocedure tegen u geschorst in afwachting van een besluit van het college [van leden van de Commissie] met betrekking tot de zaak Cresson.

[...]

Zodra tegen [de beschikking van de Belgische strafrechter] geen hoger beroep meer kan worden ingesteld en die beschikking door de juridische dienst is bestudeerd, zullen alle kwesties inzake Cresson worden voorgelegd aan het college [van leden van de Commissie]. Meteen daarna zullen de andere dossiers, waaronder het uwe, opnieuw worden onderzocht aan de hand van het genoemde besluit en opnieuw aan het TABG worden voorgelegd.”

75 Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het TABG verzoeker met onmiddellijke ingang overgeplaatst naar de nieuw gecreëerde post van „bijzonder raadadviseur belast met economische aangelegenheden” bij de directeur-generaal van het DG „Onderzoek” (hierna: „overplaatsingsbesluit”). De eerste alinea van dat besluit wees op de uitvoering van het mobiliteitsbeleid voor hogere ambtenaren en op het belang van de dienst.

76 Op 14 oktober 2004 heeft verzoeker bij het TABG een klacht ingediend tegen het overplaatsingsbesluit. Het TABG heeft die klacht afgewezen bij besluit van 15 maart 2005. Verzoeker heeft tegen laatstgenoemd besluit geen beroep bij de rechter ingesteld.

77 Op 22 oktober 2004 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek tot sluiting van de tegen hem gerichte tuchtprocedure ingediend. Ter ondersteuning van zijn verzoek voerde hij met name de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de Belgische strafrechter aan.

78 Op 25 oktober 2004 heeft verzoeker de Commissie een nieuwe „ongeval- en/of beroepsziekte-aangifte” gezonden, waarin hij stelde dat de zenuwinzinking waaraan hij leed, het gevolg was van alle door de Commissie jegens hem genomen maatregelen, die getuigden van de wil om hem te beschadigen en psychisch kapot te maken.

79 De invaliditeitscommissie heeft op 29 oktober 2004 haar conclusies uitgebracht. Daarin werd vermeld dat verzoeker blijvend invalide was en die invaliditeit als volledig moest worden beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk was werkzaamheden te verrichten die met een ambt in zijn loopbaan overeenkwamen. Ook werd daarin aangegeven dat de invaliditeitscommissie zich in dat stadium niet had uitgesproken over het eventuele verband tussen de vastgestelde invaliditeit en de beroepswerkzaamheden van verzoeker, „in afwachting van de beschikbaarheid van relevante gegevens van de ad-hocinstanties”.

80 Bij besluit van het TABG van 8 november 2004 werd verzoeker krachtens artikel 53 van het Statuut per 30 november daaropvolgend ambtshalve gepensioneerd en overeenkomstig artikel 78, derde alinea, van het Statuut in het genot van een invaliditeitspensioen gesteld.

81 Op 25 november 2004 heeft de Commissie de ontvangst van de brief van verzoeker van 25 oktober 2004 bevestigd en hem meegedeeld dat de in juli 2003 op grond van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure vrijwel afgerond was. Ook heeft de Commissie verzoeker meegedeeld dat wegens het door hem aangevoerde psychisch geweld de aanvraag tot erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte moest worden doorgegeven aan het IDOC, dat naast het OLAF als enige bevoegd is administratieve onderzoeken te verrichten.

82 Op 24 december 2004 heeft verzoeker de Commissie per brief verzocht om terug te komen van haar besluit om het IDOC een onderzoek te laten verrichten. Ter ondersteuning van zijn verzoek voerde hij aan dat een dergelijk onderzoek de reeds bijna twee jaar lopende procedure nog meer zou verlengen en dat dat bureau niet onpartijdig was. Ook vroeg hij de Commissie in die brief of tegen een dergelijk besluit een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut kon worden ingediend en of de Commissie definitief had uitgesloten dat hij het slachtoffer van een arbeidsongeval was geweest.

83 Bij brief van 4 februari 2005 heeft de Commissie verzoeker geantwoord dat tegen het besluit om zijn dossier in handen te geven van het IDOC niet kon worden opgekomen en dat zijn twijfel aan de onpartijdigheid van dat bureau niet kon worden aanvaard. De Commissie heeft tevens aangegeven dat verzoeker geen ongevalsaangifte had ingediend, daar hij in zijn aangifte van 25 juli 2003 uitdrukkelijk artikel 17 (inzake een beroepsziekte-aangifte) van de oude verzekeringsregeling had genoemd, en niet artikel 16 van die regeling (inzake een ongevalsaangifte).

84 Bij besluit van 28 februari 2005 heeft het TABG het verzoek van 22 oktober 2004 van verzoeker tot sluiting van de tegen hem gerichte tuchtprocedure afgewezen. Als reden voor die afwijzing werd aangevoerd dat de tuchtprocedure en de strafprocedure los van elkaar stonden en dat het feit dat de Belgische strafprocedure tot buitenvervolgingstelling had geleid niet betekende dat de tuchtprocedure moest worden gesloten. Voorts moest de tuchtprocedure jegens verzoeker geschorst blijven vanwege het verband tussen die procedure en het bij het Hof op 7 oktober 2004 ingestelde beroep tegen Cresson. De handhaving van de schorsing van de tuchtprocedure met betrekking tot verzoeker werd als volgt gerechtvaardigd:

„[E]lke beslissing ten gronde in uw zaak, ongeacht of het om een sluiting of een voortzetting van de procedure gaat, is van invloed op de procedure voor het Hof tegen Cresson en zou derhalve als een poging tot ongepaste beïnvloeding kunnen worden beschouwd.

Hoewel [de voor het Hof van Justitie aanhangige procedure tegen Cresson] niet van strafrechtelijke aard is, moet niettemin de rechtspraak inzake de motivering van de schorsing van een tuchtprocedure in geval van strafvervolging worden toegepast, artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut ([...] artikel 88[, vijfde alinea,] van het Statuut [in zijn tot en met 30 april 2004 geldende versie]). Het [Gerecht van eerste aanleg] heeft namelijk in dit verband vastgesteld dat het doel van dat artikel ook is de betrokken ambtenaar ‚in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging niet in een minder gunstige positie te brengen dan die waarin hij zou hebben verkeerd wanneer een dergelijk besluit van de administratieve autoriteit niet was genomen [...]’ (arrest van 19 [maart] 1998, Tzoanos/Commissie, T-74/96, JurAmbt. blz. [I-A-129 en ]II-343 [...]).”

85 Bij brief van 24 maart 2005 heeft verzoeker een derde „arbeidsongeval/beroepsziekte-aangifte” ingediend.

86 Bij brief van 12 mei 2005 heeft de Commissie verzoeker meegedeeld dat zijn nieuwe aangifte, die geen materiële wijzigingen bevatte, eenvoudig aan zijn dossier was toegevoegd. In die brief stond voorts dat het IDOC op 16 maart 2005 aan de sector „Verzekeringen en beroepsziekte” van het Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” (PMO) een „bijdrage” had gezonden op grond waarvan de overeenkomstig artikel 17 van de oude verzekeringsregeling ingeleide onderzoeksprocedure kon worden gesloten (hierna: „bijdrage van het IDOC”).

87 Bij brief van 19 mei 2005 heeft verzoeker verzocht hem die bijdrage van het IDOC mee te delen.

88 Op 20 mei 2005 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het besluit tot weigering om de tuchtprocedure op zijn verzoek te sluiten.

89 Bij brief van 9 juni 2005 heeft het hoofd van de sector „Verzekeringen en beroepsziekte” van PMO geweigerd verzoeker in het bezit te stellen van een kopie van de bijdrage van het IDOC aan het uit hoofde van artikel 17 van de oude verzekeringsregeling ingeleide onderzoek. Voor die weigering „tot een nader besluit” voerde hij twee redenen aan. Ten eerste was die bijdrage een voorbereidende handeling waarover de door de instelling aangewezen arts moest kunnen beschikken zonder gevaar dat openbaarmaking ervan kon vooruitlopen op de conclusie van het rapport dat hij moest opstellen. Ten tweede was de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 van toepassing, op grond waarvan de instellingen de toegang tot een document kunnen weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits.

90 Bij brief van 29 juni 2005 heeft verzoeker op 4 juli daaropvolgend bij het TABG een verzoek ingediend tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden door diverse fouten die hij de Commissie verwijt.

91 De klacht van 20 mei 2005 is bij besluit van het TABG van 26 september 2005 afgewezen.

92 Het verzoek van 29 juni 2005 is afgewezen bij besluit van het TABG van 10 november 2005. Op 23 januari 2006 heeft verzoeker een klacht ingediend, gedateerd op 19 januari van dat jaar, tegen laatstgenoemd besluit. Die klacht is op grond van artikel 90, lid 2, tweede alinea, van het Statuut bij stilzwijgend besluit afgewezen.

93 Op 16 december 2005 heeft verzoeker na het besluit van 26 september 2005 tot afwijzing van zijn klacht van 20 mei 2005 (zie punten 88 en 91 hierboven) het beroep ingesteld dat onder nummer F-124/05 is ingeschreven.

94 Het arrest Commissie/Cresson is op 11 juli 2006 uitgesproken.

95 Op 10 augustus 2006 heeft verzoeker na het stilzwijgende besluit tot afwijzing van zijn klacht van 19 januari 2006 (zie punt 92 hierboven) het beroep ingesteld dat onder nummer F-96/06 is ingeschreven.

96 Op 16 oktober 2006 heeft de vicevoorzitter van de Commissie, Kallas, verzoeker meegedeeld dat hij na zorgvuldig onderzoek van het arrest Commissie/Cresson had besloten de tuchtprocedure tegen hem te sluiten.

97 Op 16 maart 2007 heeft de Commissie verzoeker in kennis gesteld van een ontwerp-besluit tot weigering zijn ziekte als beroepsziekte te erkennen, op basis van de conclusies van de door de instelling aangewezen arts.

98 Op 3 mei 2007 heeft verzoeker om inschakeling van de in artikel 22 van de verzekeringsregeling bedoelde medische commissie verzocht.

99 Op 5 december 2007 heeft de medische commissie haar rapport ingediend, waarin zij unaniem erkent dat de ziekte van verzoeker door het beroep is veroorzaakt. De conclusies van het rapport van de commissie luiden:

„1. Als gevolg van de psychologische schok die verzoeker in het kader van zijn beroepswerkzaamheden op [7 april] 2003 heeft opgelopen, was hij vanaf 10 april 2003 en ten minste tot en met 31 augustus 2003 tijdelijk volledig arbeidsongeschikt.

2. Daarna heeft [verzoeker] twee keer kort geprobeerd zijn werkzaamheden te hervatten, maar zonder succes. Hij is dan ook opnieuw tijdelijk volledig arbeidsongeschikt geworden, welke arbeidsongeschiktheid duidelijk in verband staat met het eerste pathologische proces.

3. Op het tijdstip van de sluiting van dit medische deskundigenrapport is [verzoeker] nog steeds tijdelijk volledig arbeidsongeschikt en zijn toestand lijkt zich niet te hebben gestabiliseerd.

4. [Verzoeker] zal op verzoek van de meest gerede partij binnen ongeveer twee jaar opnieuw moeten worden onderzocht.

[...]”

100 In het onderdeel „discussie” van het rapport van de medische commissie staat voorts onder meer het volgende:

„In die omstandigheden is de medische commissie unaniem van mening dat de medische toestand [van verzoeker] moet worden geacht zich nog steeds te ontwikkelen en dat zijn toestand dus nog niet gestabiliseerd is.

Gelet op deze diverse factoren acht de medische commissie het unaniem gerechtvaardigd dat [verzoeker] vanaf [18 maart] 2003 voor meer dan 66 % als arbeidsongeschikt wordt aangemerkt.”

101 Op 28 maart 2008 heeft het hoofd van de sector „Verzekering ongevallen en beroepsziekten” van PMO verzoeker een brief gezonden waarin hij aangaf dat hij gelet op het rapport van de medische commissie van 5 december 2007 de ziekte van betrokkene als beroepsziekte kon erkennen. Aan die brief was het rapport van de medische commissie van 5 december 2007 gehecht.

102 Op 8 april 2008 heeft verzoeker een brief aan het hoofd van de sector „Verzekering ongevallen en beroepsziekten” van PMO gezonden, met het verzoek om onverwijld te beslissen over de uitvoering van artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut.

103 Op 28 april 2008 heeft het hoofd van de sector „Verzekering ongevallen en beroepsziekten” van PMO verzoeker geantwoord dat hij, aangezien het rapport van de medische commissie van 5 december 2007 aangaf dat de toestand van verzoeker nog niet was „gestabiliseerd” en hij binnen ongeveer twee jaar opnieuw moest worden onderzocht, in dat stadium niet kon beslissen over de toepassing van artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut.

104 Op 9 juni 2008 is de invaliditeitscommissie opnieuw bijeengekomen en heeft zij, gelet op het rapport van de medische commissie van 5 december 2007, geconcludeerd dat de invaliditeit van verzoeker het gevolg was van een ziekte waarvan de oorzaak in het beroep was gelegen.

105 Bij besluit van 16 juni 2008, tot intrekking en vervanging van het besluit van 8 november 2004, heeft het TABG, gelet op de conclusies van de invaliditeitscommissie van 9 juni 2008, verzoeker in het genot gesteld van een invaliditeitsuitkering, vastgesteld conform de bepalingen van artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut, met ingang van de datum waarop betrokkene wegens invaliditeit is gepensioneerd, namelijk 30 november 2004.

106 Op 18 februari 2009 heeft verzoeker een derde beroep ingesteld bij het Gerecht, ingeschreven onder nummer F-12/09, A/Commissie, waarmee hij met name verzoekt om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 28 april 2008 tot weigering van het nemen van een besluit over artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut, en om vergoeding van de schade die hij heeft geleden door alle fouten die de Commissie zijns inziens heeft gemaakt bij het voeren van de procedure inzake de erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte.

Procedure

I – In zaak F-124/05 vóór de voeging met zaak F-96/06

107 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 april 2006, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep opgeworpen krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, dat op grond van artikel 3, lid 4, van besluit 2004/752/EG, Euratom van de Raad van 2 november 2004 tot instelling van een Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (PB L 333, blz. 7) tot de inwerkingtreding van het Reglement voor de procesvoering van laatstgenoemd Gerecht van overeenkomstige toepassing is.

108 Bij op 12 mei 2006 per fax bij de griffie van het Gerecht binnengekomen memorie (het origineel is op 18 mei daaropvolgend neergelegd) heeft verzoeker zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.

109 Bij beschikking van 29 juni 2006 heeft het Gerecht op grond van artikel 114, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg de exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de zaak ten gronde.

110 Na het besluit tot sluiting van de tuchtprocedure tegen verzoeker heeft de Commissie bij op 18 oktober 2006 per fax bij de griffie van het Gerecht binnengekomen afzonderlijke memorie (het origineel is op 19 oktober daaropvolgend neergelegd) een verzoek ingediend om de zaak zonder beslissing af te doen, overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg.

111 Bij op 2 november 2006 per fax bij de griffie van het Gerecht binnengekomen memorie (het origineel is op 6 november daaropvolgend neergelegd) heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend over het verzoek om de zaak zonder beslissing af te doen.

112 Bij beschikking van 22 november 2006 heeft het Gerecht op grond van artikel 114, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg het verzoek om de zaak zonder beslissing af te doen gevoegd met de zaak ten gronde.

113 De Commissie heeft op 8 januari 2007 per fax haar verweerschrift ingediend (het origineel is op 11 januari daaropvolgend neergelegd).

114 Bij beschikking van 27 maart 2007 heeft het Gerecht op gezamenlijk verzoek van partijen de procedure geschorst tot de beëindiging van de procedure die door verzoeker op grond van artikel 73 van het Statuut is ingeleid, of uiterlijk tot 30 juni 2007, op grond van artikel 77, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg. Bij beschikkingen van 24 juli 2007 en 26 oktober 2007 is de procedure op dezelfde grond op gezamenlijk verzoek van partijen opnieuw geschorst tot de beëindiging van de door verzoeker op grond van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure, of uiterlijk tot respectievelijk 31 oktober 2007 en 1 maart 2008.

115 Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

116 Op 9 juli 2008 heeft het Gerecht besloten de zaak naar de voltallige zitting te verwijzen.

II – In zaak F-96/06 vóór de voeging met zaak F-124/05

117 De Commissie heeft op 20 november 2006 per fax haar verweerschrift ingediend (het origineel is op 22 november daaropvolgend neergelegd).

118 Bij beschikking van 27 maart 2007 heeft het Gerecht op gezamenlijk verzoek van partijen de procedure geschorst tot de beëindiging van de procedure die door verzoeker op grond van artikel 73 van het Statuut is ingeleid, of uiterlijk tot 30 juni 2007, op grond van artikel 77, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg. Bij beschikkingen van 24 juli 2007 en 26 oktober 2007 is de procedure op dezelfde grond op gezamenlijk verzoek van partijen opnieuw geschorst tot de beëindiging van de door verzoeker op grond van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure, of uiterlijk tot respectievelijk 31 oktober 2007 en 1 maart 2008.

119 Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

120 Op 9 juli 2008 heeft het Gerecht besloten de zaak naar de voltallige zitting te verwijzen.

III – In de gevoegde zaken F-124/05 en F-96/06

121 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 22 januari 2009 zijn de zaken F-124/05 en F-96/06 gevoegd voor de mondelinge behandeling en ter gelijktijdige berechting bij de eindbeslissing, overeenkomstig artikel 46 van het Reglement voor de procesvoering.

122 Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

Conclusies van partijen

I – In zaak F-124/05

123 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

– het besluit tot weigering van de sluiting van de tuchtprocedure nietig te verklaren;

– het besluit van de Commissie van 26 september 2005 tot afwijzing van zijn klacht van 20 mei 2005 nietig te verklaren;

– voor recht te verklaren dat zijn verzoek van 22 oktober 2004 ontvankelijk en gegrond is;

– te bepalen dat de Commissie aansprakelijk is voor de fouten die zij heeft gemaakt bij de vaststelling van het besluit tot weigering van de sluiting van de tuchtprocedure, en van het besluit van 26 september 2005;

– de Commissie te veroordelen hem en zijn gezin het bedrag van 3 163 602 EUR te betalen;

– te gelasten dat overeenkomstig artikel 17, lid 4, van de instructies voor de griffier van het Gerecht van eerste aanleg van 3 mei 1994 zijn identiteit wordt weggelaten in alle publicaties betreffende het onderhavige geding;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

124 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– vast te stellen dat niet hoeft te worden beslist op het beroep;

– subsidiair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

– uiterst subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

– uitspraak te doen over de kosten naar recht, subsidiair de kosten aan te houden tot de beslissing in het onder nummer F-96/06 ingeschreven beroep.

II – In zaak F-96/06

125 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

– vast te stellen dat de Commissie aansprakelijk is voor de door haar gemaakte fouten;

– de Commissie te veroordelen hem en zijn gezin het bedrag van 3 163 602 EUR te betalen;

– te gelasten dat overeenkomstig artikel 17, lid 4, van de instructies voor de griffier van het Gerecht van eerste aanleg van 3 mei 1994 zijn identiteit wordt weggelaten in alle publicaties betreffende het onderhavige geding;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

126 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk of ten minste ongegrond te verklaren;

– uitspraak te doen over de kosten naar recht.

In rechte

I – Het beroep F-124/05

127 Eerst dient de vordering van de Commissie te worden onderzocht, dat er geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het beroep.

A – Argumenten van partijen

128 De Commissie baseert haar vordering dat er geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het beroep, op twee argumenten. Ten eerste heeft verzoeker als gevolg van het besluit van het TABG van 16 oktober 2006 tot sluiting van de tuchtprocedure na het arrest Commissie/Cresson, geen belang meer bij de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de sluiting van die procedure. Ten tweede is de vordering tot schadevergoeding in zaak F-124/05 in wezen identiek aan die in zaak F-96/06.

129 Verzoeker verklaart dat hij niet betwist dat het beroep zonder voorwerp is geraakt wat de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de sluiting van de tuchtprocedure betreft. Hij is echter van mening dat zijn vordering tot schadevergoeding relevant blijft. Daar het beroep in zaak F-124/05 eerder is ingesteld dan dat in zaak F-96/06 zou het Gerecht eerst moeten beslissen op het eerste beroep, en vervolgens in het tweede beroep rekening moeten houden met zijn beslissing.

B – Beoordeling door het Gerecht

130 Het verzoek van verzoeker van 22 oktober 2004 had betrekking op de sluiting van de tegen hem gerichte tuchtprocedure. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het TABG die procedure afgesloten. Dat besluit heeft verzoeker dus de door hem gewenste uitkomst verschaft.

131 Voorts erkent verzoeker zelf dat de vorderingen tot nietigverklaring zonder voorwerp zijn geraakt na het besluit van de Commissie tot sluiting van de tuchtprocedure jegens hem. Deze erkenning kan aldus worden geanalyseerd dat verzoeker afziet van die vorderingen.

132 Uit het voorgaande volgt dat geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan over de vorderingen tot nietigverklaring.

133 De vordering tot schadevergoeding behoudt echter een voorwerp.

134 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat ten eerste de achtste grief van het onder nummer F-96/06 ingeschreven beroep verwijst naar alle middelen die zijn aangevoerd in het onder nummer F-124/05 ingeschreven beroep, en ten tweede de vorderingen van het onder F-96/06 ingeschreven beroep identiek zijn aan de vordering tot schadevergoeding in het onder nummer F-124/05 ingeschreven beroep.

135 Vervolgens moet in herinnering worden gebracht dat wanneer in een beroep dezelfde partijen tegenover elkaar staan en het beroep hetzelfde voorwerp en dezelfde middelen als een eerder ingesteld beroep bevat, het volgens vaste rechtspraak (arresten Hof van 17 mei 1973, Perinciolo/Raad, 58/72 en 75/72, Jurispr. blz. 511, punten 3-5; 19 september 1985, Hoogovens Groep/Commissie, 172/83 en 226/83, Jurispr. blz. 2831, punt 9, en 22 september 1988, Frankrijk/Parlement, 358/85 en 51/86, Jurispr. blz. 4821, punt 12; beschikking Gerecht van 19 september 2006, Vienne e.a./Parlement, F-22/06, JurAmbt. blz. I-A-1-101 en II-A-1-377, punt 12) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

136 Ondanks het feit dat het beroep in zaak F-124/05 eerder is ingeschreven dan het beroep in zaak F-96/06, acht het Gerecht het, gelet op de voeging van de zaken F-124/05 en F-96/06 voor de mondelinge behandeling en ter gelijktijdige berechting bij de eindbeslissing, in het belang van een behoorlijke rechtsbedeling echter juister om de vordering tot schadevergoeding van verzoeker niet te onderzoeken in het kader van het beroep dat onder nummer F-124/05 is ingeschreven, maar in het kader van het beroep dat onder nummer F-96/06 is ingeschreven.

137 Derhalve dient de vordering van de Commissie dat er geen uitspraak hoeft te worden gedaan, in haar geheel te worden toegewezen.

II – Het beroep F-96/06

A – Ontvankelijkheid

1. Argumenten van partijen

138 Ter terechtzitting heeft de Commissie aangevoerd dat het beroep tot schadevergoeding voorbarig en derhalve niet-ontvankelijk is wegens de door verzoeker ingeleide procedure tot erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte. De Commissie baseert zich op het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 december 1999, Latino/Commissie (T-300/97, JurAmbt. blz. I-A-259 en II-1263, punten 94 en 95), waarin het Gerecht de vordering van een ambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van zijn beroepsziekte voorbarig achtte omdat ten tijde van de instelling van het beroep niet kon worden beoordeeld of de statutaire schadevergoeding waarop de betrokkene aanspraak kon maken, passend was. Zij onderstreept in casu dat blijkens het rapport van de medische commissie het arbeidsongeschiktheidspercentage van verzoeker niet kon worden bepaald, omdat zijn gezondheidstoestand niet gestabiliseerd was, en dat de toestand van verzoeker ongeveer twee jaar later opnieuw moest worden onderzocht. Volgens de Commissie is het niet mogelijk om voordat het resultaat van dat heronderzoek bekend is, te weten welk bedrag verzoeker uit hoofde van artikel 73, lid 2, van het Statuut zal verkrijgen. Die informatie heeft het Gerecht evenwel nodig om te kunnen vaststellen of de door verzoeker uit hoofde van die bepaling verkregen schadeloosstelling een toereikende vergoeding van zijn schade is.

139 Verzoeker antwoordt dat de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage door de medische commissie geen vereiste is voor het nemen van een besluit door het TABG uit hoofde van artikel 73, lid 2, van het Statuut. Volgens artikel 11, lid 2, van de nieuwe verzekeringsregeling bedraagt de invaliditeit 100 % bij algehele blijvende invaliditeit van de verzekerde als gevolg van een ongeval of een beroepsziekte en wordt de verzekerde het in artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut bedoelde kapitaal uitgekeerd. Op 29 oktober 2004 heeft de invaliditeitscommissie vastgesteld dat verzoeker blijvend volledig invalide is.

140 Verzoeker stelt voorts dat het Gerecht van eerste aanleg in het arrest van 10 december 2008, Nardone/Commissie (T-57/99, JurAmbt. I-A-2-83 en II-A-2-505), heeft geoordeeld dat de regel die is ontwikkeld in het arrest Latino/Commissie, dat een eventuele schadevergoeding wegens dienstfouten enkel een aanvulling op de statutaire regeling is en slechts in aanmerking komt wanneer kan worden vastgesteld dat het krachtens het Statuut verkregen bedrag ontoereikend is, niet systematisch van toepassing is. Hij is van mening dat de oplossing van het arrest Nardone/Commissie in zijn geval moet worden toegepast, daar de ongerechtvaardigde verlenging van de op grond van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure de onzekere situatie waarin hij zich al jaren bevindt, doet voortduren en de stabilisatie van zijn gezondheidstoestand verhindert. De Commissie weigert hem evenwel schadeloos te stellen zolang zijn gezondheidstoestand niet is gestabiliseerd. Volgens verzoeker heeft de Commissie hem op deze wijze gevangen gehouden in een „vicieuze cirkel”, een „helse spiraal”, waaraan enkel het Gerecht een einde kan maken door de instelling ertoe te veroordelen hem onmiddellijk schadeloos te stellen.

141 De Commissie antwoordt op dit argument dat de buitengewone omstandigheden die tot het eerdergenoemde arrest Nardone/Commissie hebben geleid, in casu niet aan de orde zijn.

2. Beoordeling door het Gerecht

142 Het Gerecht merkt om te beginnen op dat de Commissie in haar verweerschrift in zaak F-96/06 niet heeft aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege voorbarigheid, maar dit argument pas voor het eerst in haar verweerschrift in zaak F-124/05 heeft opgeworpen, waarbij zij heeft aangegeven dat het ook gold voor het beroep in de zaak F-96/06, waarna zij het nog heeft genoemd in een brief van 25 februari 2008 als reactie op een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht voor beide zaken, en ten slotte ter terechtzitting die voor de twee zaken gemeenschappelijk werd gehouden.

143 Het feit dat de Commissie deze niet-ontvankelijkheidsgrond niet heeft aangevoerd in haar verweerschrift in zaak F-96/06 kan het Gerecht evenwel niet beletten hem te onderzoeken, gelet op het feit dat de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van openbare orde zijn (arrest Gerecht van eerste aanleg van 18 december 2008, België en Commissie/Genette, T-90/07 P en T-99/07 P, JurAmbt. blz. I-B-1-75 en II-B-1-477, punt 87, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts dient in casu de voeging van de twee zaken in aanmerking te worden genomen (zie in die zin arrest Hof van 18 maart 1980, Forges de Thy-Marcinelle en Monceau/Commissie, 26/79 en 86/79, Jurispr. blz. 1083, punt 4), en het feit dat de partijen ter terechtzitting die voor de twee zaken gemeenschappelijk werd gehouden, over deze kwestie contradictoir hebben kunnen debatteren.

144 De door verzoeker gestelde schade is in casu niet volledig het gevolg van de aantasting van zijn gezondheid en kan dus niet a priori worden geacht volledig vergoed te zullen worden in het kader van de procedure tot erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte. Sommige van de door verzoeker aangevoerde grieven hebben betrekking op situaties die een ambtenaar zelfs immateriële schade kunnen berokkenen wanneer er geen sprake is van een beroepsziekte.

145 Met name de door verzoeker aangevoerde vele schendingen van de rechten van verdediging kunnen hem immateriële schade hebben berokkend, die losstaat van de aantasting van zijn gezondheid en die dus niet kan worden vergoed door de betaling van het in artikel 73 van het Statuut bedoelde kapitaal.

146 Verzoeker vraagt ook met name vergoeding van de immateriële schade die hem zou zijn berokkend wegens de buitensporig lange duur van de tegen hem ingeleide tuchtprocedure.

147 In dit verband moet worden vastgesteld dat een tuchtprocedure voor elke ambtenaar een situatie van onzekerheid over zijn toekomstige loopbaan meebrengt en noodzakelijkerwijs tot een zekere mate van stress en ongerustheid leidt. Wanneer die onzekerheid buitensporig lang voortduurt, overschrijdt de intensiteit van de aan de ambtenaar berokkende stress en ongerustheid de grenzen van het toelaatbare. Een buitensporig lange duur van een tuchtprocedure moet derhalve worden vermoed immateriële schade te hebben toegebracht aan de betrokkene.

148 Het staat vast dat mensen verschillend kunnen reageren op een dergelijke situatie van grote onzekerheid die langer duurt dan redelijk is, bijvoorbeeld naargelang van hun eventuele psychologische kwetsbaarheid. Zo kunnen de gevolgen van een onredelijke duur van een tuchtprocedure bestaan in psychisch lijden of, in de ernstigste gevallen, in een echte geestesziekte of verergering van een reeds bestaande geestesziekte.

149 Wat met name de immateriële schade betreft die door de buitensporig lange duur van een tuchtprocedure wordt veroorzaakt, moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen de immateriële schade die voor elke ambtenaar of elk personeelslid ontstaat, los van een eventuele ziekte, en de schade die ontstaat door een eventuele geestesziekte — of de verergering van een dergelijke ziekte — die het gevolg is van de buitensporig lange duur van die procedure (zie naar analogie arrest Gerecht van 2 mei 2007, Giraudy/Commissie, F-23/05, JurAmbt. I-A-1-121 en II-A-1-657, punten 197-202).

150 Een vordering tot vergoeding van de eerste soort schade is ontvankelijk ongeacht de fase van een eventuele door de ambtenaar uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure.

151 Daarentegen is volgens de rechtspraak de vordering van een ambtenaar tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die hem is berokkend door een beroepsziekte, in het algemeen niet-ontvankelijk zolang de uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure niet is beëindigd.

152 In dit verband wordt in herinnering gebracht dat de ter uitvoering van artikel 73 van het Statuut vastgestelde regeling in een forfaitaire vergoeding bij ongeval of beroepsziekte voorziet, zonder dat de betrokkene een fout van de instelling hoeft te bewijzen. Voorts volgt uit de rechtspraak dat enkel wanneer de uitkeringen waarin de statutaire regeling voorziet, ontoereikend zijn om de geleden schade volledig te vergoeden, de ambtenaar een aanvullende vergoeding kan vorderen (arresten Hof van 8 oktober 1986, Leussink/Commissie, 169/83 en 136/84, Jurispr. blz. 2801, punt 13, en 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C-257/98 P, Jurispr. blz. I-5251, punt 22; arrest Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Lucaccioni/Commissie, T-165/95, JurAmbt. blz. I-A-203 en II-627, punt 71, en arrest Latino/Commissie, reeds aangehaald, punt 94).

153 Dienovereenkomstig is het beroep van een ambtenaar die vergoeding vorderde van de schade die hij als gevolg van zijn beroepsziekte stelde te hebben geleden, dat hij had ingesteld voordat de uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure was voltooid, als voorbarig aangemerkt, daar in het stadium waarin het beroep was ingesteld niet kon worden beoordeeld of de statutaire schadevergoeding waarop de betrokkene aanspraak kon maken, toereikend was (arrest Latino/Commissie, reeds aangehaald, punten 94 en 95).

154 In een recent arrest heeft het Gerecht van eerste aanleg evenwel geoordeeld dat uit het feit dat een medische procedure niet is afgerond, niet systematisch kan worden afgeleid dat een schadevordering wegens een dienstfout die door de instelling zou zijn gemaakt, voorbarig was (zie in die zin arrest Nardone/Commissie, reeds aangehaald, punt 56). Dat arrest preciseert namelijk dat, ook al is het voor een ambtenaar in voorkomend geval normaal gesproken sneller en voordeliger om aan te tonen dat hij recht heeft op een forfaitaire vergoeding uit hoofde van artikel 73 van het Statuut, dan dat is voldaan aan de vereiste voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, dit niet altijd het geval is (arrest Nardone/Commissie, reeds aangehaald, punt 56). Om redenen van proceseconomie, een beginsel dat een afweging van de verschillende factoren in elk specifiek geval vereist, heeft het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest Latino/Commissie de ontvankelijkheid van de schadevordering van het gemene recht ervan afhankelijk gesteld of de in artikel 73 van het Statuut voorziene vergoedingsmogelijkheid is uitgeput (arrest Nardone/Commissie, punt 56).

155 Wat de vaststelling en de beoordeling van schade als gevolg van een beroepsziekte betreft moet de ter uitvoering van artikel 73 van het Statuut vastgestelde procedure in dit verband worden aangemerkt als lex specialis ten opzichte van het gemene aansprakelijkheidsrecht (zie in die zin arrest Giraudy/Commissie, reeds aangehaald, punten 193-196).

156 In de meeste gevallen is voor de vaststelling van het causaal verband tussen de voorwaarden voor de uitoefening van de werkzaamheden en de gestelde schade, en voor de bepaling van die schade een medisch deskundigenrapport vereist, zodat de vaststelling door de Europese rechter van dat causaal verband en die schade vóór de beëindiging van de procedure van artikel 73 van het Statuut geen zin zou hebben, zo niet onmogelijk zou zijn.

157 Dat is in casu het geval, zodat de oplossing van het arrest Nardone/Commissie niet kan worden toegepast.

158 Die oplossing was ingegeven door proceseconomische overwegingen in „de buitengewone omstandigheden die [die] zaak kenmerken” (arrest Nardone/Commissie, punt 57). In die zaak was namelijk geen medisch deskundigenrapport nodig om de door Narbone geleden immateriële schade te bepalen, gezien het feit dat hij in een stoffige en ongezonde omgeving had gewerkt (zie in die zin arrest Nardone/Commissie, punten 98-123).

159 In de onderhavige zaak is een medisch deskundigenrapport echter nodig om de omvang van de fysieke en psychische schade te bepalen die kan worden toegeschreven aan de voorwaarden voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van verzoeker.

160 Voorts is de door verzoeker uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure bijna beëindigd, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt. Volgens het rapport van de medische commissie van 5 december 2007 zou de toestand van verzoeker namelijk binnen ongeveer twee jaar opnieuw moeten worden onderzocht, op verzoek van de meest gerede partij.

161 Overigens bepaalt artikel 19, lid 3, tweede alinea, van de verzekeringsregeling dat wanneer bij beëindiging van de medische behandeling de graad van invaliditeit nog niet definitief kan worden vastgesteld, het rapport van de medische commissie de uiterste datum dient aan te geven waarop het dossier van de verzekerde aan een hernieuwd onderzoek moet worden onderworpen. Die bepaling dient noodzakelijkerwijs strikt te worden uitgelegd. Wanneer de medische commissie het tijdstip waarop het dossier van de verzekerde opnieuw moet worden onderzocht, herhaalde malen kon uitstellen, zouden sommige verzekerden immers nooit bij leven de in artikel 73 van het Statuut bedoelde uitkering krijgen. Voorts zou een ruime uitlegging van die bepaling het begrip „blijvende gevolgen” miskennen, zoals gedefinieerd in artikel 19, lid 3, van de verzekeringsregeling, op grond waarvan de gevolgen van het ongeval of de beroepsziekte als blijvend of geconsolideerd worden beschouwd wanneer zij gestabiliseerd zijn of slechts zeer langzaam en in zeer beperkte mate minder worden. Dit consolidatiebegrip sluit dus niet elke ontwikkeling van de toestand van de patiënt uit, maar houdt een stabilisatie of zeer langzame ontwikkeling in.

162 Uit het voorgaande volgt dat het beginsel van proceseconomie in casu vereist dat de bijzondere procedure ter uitvoering van artikel 73 van het Statuut is voltooid.

163 Zonder dat een standpunt hoeft te worden ingenomen ten aanzien van de kritiek van verzoeker op het verloop van de uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ingeleide procedure, waaronder de in punt 139 van dit arrest genoemde grief dat artikel 11, lid 2, van de nieuwe verzekeringsregeling niet was toegepast, moet de vordering van verzoeker, voor zover die betrekking heeft op de vergoeding van de schade als gevolg van de beroepsziekte waaraan hij lijdt, derhalve als voorbarig worden aangemerkt en dus niet-ontvankelijk worden verklaard. De schadevordering van verzoeker wegens immateriële schade die losstaat van de ziekte waaraan hij lijdt, moet daarentegen ontvankelijk worden verklaard.

B – Ten gronde

164 Verzoeker stelt dat de Commissie vele fouten heeft gemaakt die getuigen van psychische geweld jegens hem. Door die fouten is zijn zenuwinzinking ontstaan en herhaaldelijk teruggekomen, de aandoening die ten grondslag ligt aan zijn invaliditeit. Hij heeft dientengevolge materiële schade geleden, bestaande in het verschil tussen zijn ambtenarensalaris en zijn invaliditeitspensioen, en zeer zware immateriële schade.

165 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn verzoekschrift om de benoeming van een deskundige heeft gevraagd, die de door hem geleden materiële en immateriële schade zou moeten berekenen. Ter terechtzitting heeft verzoeker die eis niet meer genoemd, en heeft hij een geactualiseerde raming van zijn schade overgelegd, volgens welke de schade 3 163 602 EUR bedroeg. Hieruit moet worden afgeleid dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn vordering tot benoeming van een deskundige.

166 Volgens vaste rechtspraak kan de Gemeenschap in het kader van een schadevordering van een ambtenaar slechts aansprakelijk worden gesteld indien een aantal voorwaarden tegelijkertijd is vervuld, namelijk onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, en het bestaan van werkelijke schade en van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arrest Hof van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C-348/06 P, Jurispr. blz. I-833, punt 52, en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van 6 mei 2009, M/EMEA, T-12/08 P, JurAmbt. blz. I-B-1-31 en II-B-1-159, punt 98).

167 Eerst moet worden onderzocht of de Commissie aansprakelijk is wegens onrechtmatig handelen.

1. De aan de Commissie verweten fouten

168 Verzoeker voert acht grieven aan ter ondersteuning van zijn beroep tot schadevergoeding. Hij laakt in wezen:

– het feit dat hij ten onrechte betrokken is bij de „zaak Berthelot” (eerste grief);

– diverse nalatigheden en schendingen van de rechten van verdediging in de administratieve onderzoeken (tweede grief);

– schending van het beginsel van vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF (derde grief);

– onrechtmatigheid van de opheffing van zijn immuniteit van jurisdictie (vierde grief);

– onrechtmatigheid van het overplaatsingsbesluit (vijfde grief);

– diverse onregelmatigheden in de procedure inzake de erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte (zesde grief);

– onrechtmatigheid van het advies van de invaliditeitscommissie van 29 oktober 2004 (zevende grief);

– de onrechtmatigheid van de inleiding en voortzetting van de tuchtprocedure tegen hem (achtste grief).

a) De eerste grief: het feit dat verzoeker ten onrechte betrokken is bij de „zaak Berthelot”

Argumenten van partijen

169 In de eerste grief stelt verzoeker dat hij volkomen ten onrechte betrokken is bij de „zaak Berthelot”. Door hem zonder het minste bewijs als stuwende kracht van die zaak te beschouwen, „door dermate zware ongegronde aantijgingen tegen hem te formuleren, door de Belgische rechterlijke autoriteiten de in elk geval essentiële [door hem gemaakte] opmerkingen te onthouden, door die aantijgingen zo lang te handhaven zonder ook maar de geringste inspanning te doen om die trachten te verifiëren en door ook nog een tuchtprocedure tegen [hem] in te leiden” heeft de Commissie niet aan haar zorgplicht en bijstandsplicht voldaan, het beginsel van goed bestuur geschonden, het gewettigd vertrouwen van betrokkene geschonden en inbreuk gemaakt op punt 10 van de considerans van verordening nr. 1073/1999, waarin het recht is vastgelegd dat de bevindingen van een onderzoek van OLAF alleen mogen berusten op elementen die bewijskracht hebben.

170 In haar besluit van 10 november 2005 tot afwijzing van het verzoek van verzoeker heeft het TABG gemeend dat de door verzoeker in deze eerste grief aangevoerde argumenten de tuchtprocedure ten gronde betroffen.

171 Als reactie hierop heeft verzoeker in zijn verzoekschrift aangegeven dat de onderhavige grief verder gaat dan de achtste grief van het beroep, die betrekking heeft op de onregelmatigheid van de tuchtprocedure.

Beoordeling door het Gerecht

172 Voor zover de in de onderhavige grief aangevoerde argumenten nauw verband houden met de achtste grief, waarmee verzoeker het besluit tot inleiding van een tuchtprocedure tegen hem bekritiseert, zullen zij in het kader van die grief worden onderzocht.

173 Voor zover de onderhavige grief kan worden opgevat als kritiek op het feit dat de onderzoeken van het OLAF en het IDOC betrekking hadden op verzoeker, moet worden gepreciseerd dat een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wat de inleiding en de uitvoering van administratieve onderzoeken betreft, mits er sprake is van een redelijk vermoeden dat een tuchtrechtelijk vergrijp is gepleegd.

174 In casu was verzoeker chef van het kabinet van Cresson, lid van de Commissie, op het tijdstip van de onrechtmatige hogere inschaling van Berthelot en diens eveneens onrechtmatige aanstelling bij het GCO. Voorts hadden de verklaringen van een aantal ambtenaren en personeelsleden betrekking op verzoeker. Met name T., assistente bij het GCO, zei dat zij verzoeker op diens uitdrukkelijk verzoek een nota inzake de uitvoerbaarheid van de overstap van Berthelot en zijn eventuele aanstelling als gastwetenschapper bij het GCO heeft gezonden.

175 Het OLAF en het IDOC mochten dus tijdens hun onderzoeken nagaan of verzoeker als kabinetschef een rol had gespeeld bij de vastgestelde onregelmatigheden en zo ja, wat die rol was.

176 Gelet op het feit dat in de context van de „zaak Berthelot” sprake was van omstandigheden die een redelijke verdenking jegens verzoeker konden doen ontstaan, moet de grief, wat de inleiding en de uitvoering van tegen betrokkene gerichte onderzoeken betreft, worden afgewezen.

b) De tweede grief: nalatigheden en schendingen van de rechten van verdediging in de administratieve onderzoeken

Argumenten van partijen

177 De tweede grief bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel laakt verzoeker diverse nalatigheden en schendingen van de rechten van verdediging in het verloop van de administratieve onderzoeken. In het tweede onderdeel bekritiseert hij het feit dat de autoriteiten die de administratieve onderzoeken hebben geleid, niet onpartijdig waren.

178 In het eerste onderdeel van de grief voert verzoeker de volgende argumenten aan.

179 In de eerste plaats is verzoeker „in de schijnwerpers gezet”, terwijl andere personen die betrokken waren bij de overstap van Berthelot en diens aanstelling bij het GCO buiten schot zijn gebleven.

180 In de tweede plaats hebben de onderzoeksinstanties geen enkele belangstelling getoond voor bepaalde bewijsaanbiedingen van verzoeker. Ten eerste heeft het OLAF de door verzoeker aangeboden agenda geweigerd. Ten tweede hebben de Commissie, het OLAF en het IDOC geen poging gedaan tot verificatie van het antwoord van L., directeur van de directie Personeel en administratie van het DG „Onderzoek” op de vraag waarom in het ad-hocregister geen melding was gemaakt van de binnenkomst van drie ambtenaren in het Breydel-gebouw te Brussel voor een bijeenkomst die in november 1996 zou worden gehouden. Ten derde hebben de onderzoekers M., hoofd van het secretariaat van de kabinetschef ten tijde van de litigieuze feiten, nooit ondervraagd. Ten vierde is geen rekening gehouden met tegenstrijdige verklaringen en afwijkingen tussen verschillende verklaringen.

181 In de derde plaats zijn de rechten van verdediging van verzoeker geschonden doordat een journalistenteam van de RTBF toestemming had gekregen de ruimten van OLAF te betreden en daar vertrouwelijke documenten te filmen, die hem rechtstreeks in opspraak brachten, om die te verspreiden tijdens de uitzending van het populaire programma „Au nom de la loi” op 27 december 2000.

182 In de vierde plaats is een nota van 18 maart 2002 met opmerkingen van verzoeker niet gevoegd bij het verslag van het nadere administratieve onderzoek van 22 februari 2002.

183 In het tweede onderdeel van de grief hekelt verzoeker met name de houding van D., de verantwoordelijke persoon voor de uitvoering van het onderzoek, die in de eerste plaats het verslag van het verhoor van betrokkene niet heeft opgenomen in een nota van 27 maart 2001, in de tweede plaats op 23 november 2001 hem belastende feiten in een brief aan Cresson als bewezen heeft gepresenteerd, en zijn nota van 18 maart 2002 niet bij het rapport van het nadere administratieve onderzoek van 22 februari 2002 heeft gevoegd.

184 De Commissie stelt in de eerste plaats dat het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren niet aldus mag worden uitgelegd dat een ambtenaar die gestraft is wegens niet-naleving van de eisen van het Statuut, het recht heeft, om aan de op hem toegepaste maatregel te ontsnappen, zich te beroepen op het feit dat een andere ambtenaar die die eisen niet heeft nageleefd, niet is gestraft. Dit geldt des te meer in het onderhavige geval, daar aan verzoeker geen sanctie is opgelegd.

185 In de tweede plaats betwist de Commissie de bewering van verzoeker, dat de door hem aangevoerde feitelijke omstandigheden niet in aanmerking zijn genomen. De onderzoeksrapporten zijn namelijk hypothetisch en niet stellig geformuleerd, en elke afwijking tussen de verklaringen van de diverse ambtenaren is erin vermeld.

186 De Commissie stelt in de derde plaats dat het gestelde in de nota van verzoeker van 18 maart 2002 in wezen een herhaling is van de beweringen in zijn verklaring van 12 september 2001, die gevoegd is bij het onderzoeksrapport van het IDOC. Derhalve hoefde het aan verzoeker om commentaar voorgelegde ontwerp-rapport niet op basis van die nota te worden gewijzigd; de daarin vervatte gegevens waren bij de opstelling van dat rapport immers reeds verwerkt.

187 Wat het tweede onderdeel van de grief betreft antwoordt de Commissie dat D. in de aan Cresson gerichte nota van 23 november 2001 geen partij kiest, maar naar een verklaring verwijst. In die nota is dus geen sprake van partijdigheid. Wat de nota van verzoeker van 18 maart 2002 betreft verwijst de Commissie naar haar argumentatie in het kader van het eerste onderdeel van de grief.

Beoordeling door het Gerecht

188 Wat in de eerste plaats het argument betreft dat andere personen die bij de herinschaling van Berthelot en zijn aanstelling bij het GCO waren betrokken, buiten schot zijn gebleven, moet in herinnering worden gebracht dat een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de inleiding en de uitvoering van administratieve onderzoeken, mits er sprake is van een redelijk vermoeden dat een tuchtrechtelijk vergrijp is gepleegd (zie punt 173 hierboven).

189 Gelet op enerzijds die ruime beoordelingsbevoegdheid en anderzijds het bestaan van omstandigheden die een redelijke verdenking jegens verzoeker konden doen ontstaan (zie punt 176 hierboven), kan diens argument dat sommige ambtenaren buiten de administratieve onderzoeken zijn gebleven, de in het eerste onderdeel van de grief aangevoerde nalatigheden of schendingen van de rechten van verdediging niet aantonen.

190 Wat in de tweede plaats de argumentatie van verzoeker betreft dat de onderzoeksinstanties bepaalde bewijsaanbiedingen van hem niet in aanmerking hebben genomen, heeft betrokkene niet aangetoond dat die instanties door hem overgelegde bewijselementen niet in het dossier hebben opgenomen en onderzocht.

191 Wat in de derde plaats het argument van verzoeker betreft dat de nota van 18 maart 2002 niet is opgenomen in het verslag van het nadere administratieve onderzoek van het IDOC, moet worden opgemerkt dat die nota niets nieuws bevatte ten opzichte van de bij dat verslag gevoegde verklaring van betrokkene. Voorts betekent het recht van een ambtenaar om zich uit te spreken over feiten die hem betreffen niet dat de onderzoekers de conclusies van een verslag moeten wijzigen op basis van verzoeken van de gehoorde ambtenaar.

192 Ten slotte en in de vierde plaats moeten de argumenten van verzoeker inzake de partijdigheid van de met de onderzoeken belaste autoriteiten worden afgewezen. Ten eerste kan het feit dat D., de voor het onderzoek verantwoordelijke persoon, het verslag van het verhoor van verzoeker niet bij haar nota van 27 maart 2001 heeft gevoegd, een dergelijke partijdigheid niet aantonen, daar dat verslag bij het eindverslag van het IDOC was gevoegd. Ten tweede is de bewering onjuist, zoals de Commissie terecht stelt, dat D. in haar brief van 23 november 2001 aan Cresson voor verzoeker belastende feiten als bewezen heeft gepresenteerd: D. heeft in die brief aan het voormalige lid van de Commissie namelijk slechts opheldering gevraagd over in het bijzonder de verklaring van T., assistente bij het GCO. Ten derde is wat het argument betreft dat de nota van 18 maart 2002 niet is opgenomen in het verslag van het nadere administratieve onderzoek van het IDOC, hierboven aangegeven dat het recht van een ambtenaar om zich uit te spreken over feiten die hem betreffen niet betekent dat de onderzoekers de conclusies van een verslag moeten wijzigen op basis van verzoeken van de gehoorde ambtenaar.

193 Het argument inzake de vermeende toestemming van de Commissie aan een journalistenteam van de RTBF om een op verzoeker betrekking hebbend vertrouwelijk document te filmen, zal worden onderzocht in het kader van de derde grief inzake schending van het beginsel van vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF, waarin dezelfde feiten worden aangevoerd.

194 Behoudens dit derde argument, dat het Gerecht bij de behandeling van de derde grief zal onderzoeken, zijn de in de tweede grief door verzoeker aangevoerde schendingen van de rechten van verdediging derhalve ongegrond.

c) De derde grief: schending van het beginsel van vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF

Argumenten van partijen

195 De derde grief betreft schending van het beginsel van vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF. Verzoeker stelt dat OLAF en/of de Commissie in de loop van het jaar 2000 de RTBF hebben toegestaan om door te dringen tot de ruimten van OLAF, om aldaar kennis te nemen van hem betreffende strikt vertrouwelijke documenten en een aantal ervan te filmen. Aldus is het als „geheim” gerubriceerde proces-verbaal van zijn verhoor door OLAF verspreid tijdens de uitzending van het populaire televisieprogramma „Au nom de la loi” van 27 december 2000, waardoor hij publiekelijk in opspraak werd gebracht.

196 Voorts heeft de Commissie haar zorgplicht jegens verzoeker geschonden, daar zij geen enkel initiatief heeft getoond om degenen te vinden die verantwoordelijk waren voor de verspreiding van dat document en om verzoeker te rehabiliteren.

197 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van deze grief, op grond dat verzoeker hem heeft aangevoerd in zijn klacht van 14 oktober 2004 tegen het overplaatsingsbesluit. Zij stelt dat die klacht bij besluit van het TABG van 15 maart 2005 is afgewezen, waartegen verzoeker geen beroep heeft ingesteld binnen de in artikel 91 van het Statuut gestelde termijn.

198 Subsidiair acht de Commissie deze grief ongegrond en ontkent zij de RTBF toestemming te hebben gegeven om kennis te nemen van documenten betreffende verzoeker.

199 De Commissie geeft ten eerste aan dat OLAF in het kader van de doelstelling van algemeen belang, het publiek te informeren, en van zijn eigen communicatiestrategie algemeen beeldmateriaal van zijn kantoren in de vorm van een beeldbank ter beschikking stelt van de audiovisuele media en die media toestaat te filmen in zijn kantoren, zonder toegang tot documenten of delicate plekken.

200 De Commissie stelt ten tweede dat het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker door OLAF aan de Belgische rechterlijke autoriteiten is verstrekt en dat, daar het mede bestemd was voor organisaties buiten de Commissie, niet kan worden geconcludeerd dat zij de journalisten van de RTBF toegang tot dat document heeft gegeven.

201 De Commissie betwist dus het bestaan van enig verband tussen de algemene beelden van de kantoren van OLAF en de opname van het betrokken vertrouwelijke document. Zij betreurt het dat er is gelekt, maar betwist haar verantwoordelijkheid daarvoor en onderstreept dat de bewijslast op verzoeker rust.

202 Wat de vermeende schending van haar bijstandsplicht betreft, stelt zij dat verzoeker geen verzoek op basis van artikel 24 van het Statuut bij haar heeft ingediend.

Beoordeling door het Gerecht

– Ontvankelijkheid van de grief

203 Het is juist dat de verspreiding van vertrouwelijke documenten tijdens de televisie-uitzending van 27 december 2000 is genoemd in de klacht van verzoeker van 14 oktober 2004, die door het TABG is afgewezen bij een besluit waartegen verzoeker geen beroep op grond van artikel 91 van het Statuut heeft ingesteld. In een zin van die klacht noemde verzoeker het tonen van zijns inziens vertrouwelijke documenten hem betreffende tijdens het programma „Au nom de la loi” als illustratie van de „herhaaldelijke intimidaties” waarvan hij het slachtoffer was geworden in verband met de „zaak Cresson” en waarvan zijn overplaatsing slechts één aspect was.

204 Die klacht betrof evenwel enkel een verzoek tot intrekking van het overplaatsingsbesluit, en niet een verzoek tot schadevergoeding wegens fouten die de Commissie zou hebben gemaakt.

205 Een ambtenaar mag echter eenzelfde middel, argument of feit aanvoeren ter ondersteuning van een aantal klachten met een juridisch verschillend voorwerp (zie naar analogie arrest Gerecht van eerste aanleg van 19 september 2008, Chassagne/Commissie, T-253/06 P, JurAmbt. I-B-1-43 en II-B-1-295, punt 149).

206 Derhalve moet de niet-ontvankelijkheidsexceptie van de Commissie worden afgewezen.

– Gegrondheid van de grief

207 Om de gegrondheid van deze grief te kunnen onderzoeken dient eerst een kort verslag van de litigieuze passage van de uitzending van het programma „Au nom de la loi” te worden gegeven.

208 Tijdens een kort fragment van de uitzending is de naam van verzoeker genoemd en een beeldopname uitgezonden die in het commentaar als het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker door OLAF werd gepresenteerd.

209 De naam van verzoeker wordt genoemd in de context van het interview van H., directeur van de onderneming H. Laatstgenoemde stelt dat hij zich heeft gemeld bij het kabinet van Cresson zonder daarvoor uitgenodigd te zijn, om te vragen of het kabinet de huur van het door Berthelot bewoonde appartement op zich wilde nemen, die tot dan toe werd betaald door de onderneming H. Vervolgens zegt hij dat hij tot zijn verrassing ontdekte dat er een andere kabinetschef was gekomen en dat de nieuwe kabinetschef, verzoeker, hem zonder pardon wegstuurde, en hem vroeg wat die grap moest betekenen. Daarna volgen een paar beelden van de kantoorruimten van OLAF, en vervolgens een korte opname van een document dat onleesbaar is op het televisiescherm, door de journalist gepresenteerd als het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker door OLAF en door die journalist als volgt becommentarieerd:

„Een onderzoeksverslag van OLAF bevat het verhoor [van verzoeker]. Hij bevestigt dat Berthelot een of twee keer vergezeld door H. op het secretariaat van Cresson is gekomen.”

210 Daarna snijdt de uitzending een ander aspect van de zaak aan.

211 Tijdens de litigieuze uitzending zijn de naam van verzoeker en een uittreksel uit het proces-verbaal van zijn verhoor door OLAF dus kort en terloops genoemd, zonder dat betrokkene persoonlijk in opspraak is gebracht.

212 Ook al is verzoeker niet persoonlijk in opspraak gebracht, het is wel betreurenswaardig dat een document dat in het commentaar bij de beelden van de uitzending als het proces-verbaal van zijn verhoor door OLAF is gepresenteerd, tijdens de betrokken uitzending is getoond.

213 Volgens de rechtspraak dient in een beroep tot schadevergoeding de verzoekende partij het bewijs te leveren dat aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie is voldaan. Deze regel wordt evenwel iets afgezwakt wanneer er voor een schadebrengend feit verscheidene mogelijke oorzaken zijn en de verwerende instelling geen enkel bewijs heeft aangevoerd dat het mogelijk maakt te bepalen, aan welke van die oorzaken het schadebrengend feit is toe te schrijven, hoewel de instelling het best in staat zou zijn geweest om dienaangaande bewijs te leveren, zodat die onzekerheid in haar nadeel behoort te worden uitgelegd (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T-48/05, Jurispr. blz. II-1585, punten 182 en 183).

214 In casu kan de Commissie evenwel niet worden geacht het best in staat te zijn geweest om bewijs te leveren van de oorzaak van het lek. Derhalve kan de onzekerheid over de bron van dat lek niet in haar nadeel worden uitgelegd.

215 De Commissie stelt namelijk terecht dat zijzelf en OLAF niet de enige organisaties waren die het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker door OLAF bezaten, aangezien dat aan de Belgische nationale autoriteiten was verstrekt met het oog op de eventuele instelling van strafvervolging.

216 Voorts geeft de Commissie aan dat OLAF in het kader van de doelstelling van algemeen belang, het publiek te informeren en van zijn eigen communicatiestrategie algemeen beeldmateriaal van zijn kantoren in de vorm van een beeldbank ter beschikking stelt van de audiovisuele media en die media toestaat algemene filmopnamen in zijn kantoren te maken. Er kan dus geen verband worden vastgesteld tussen de algemene beelden van de kantoren van OLAF en de opname van het document dat in de uitzending als het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker is gepresenteerd.

217 Wat voorts de grief betreft dat de Commissie haar bijstandsplicht heeft geschonden, moet worden opgemerkt dat verzoeker geen verzoek om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut heeft ingediend. Omdat er geen sprake was van buitengewone omstandigheden, was de Commissie bovendien niet gehouden om op eigen initiatief verzoeker bijstand te verlenen. Enkel dergelijke omstandigheden kunnen de instelling namelijk verplichten zonder voorafgaand verzoek van de betrokkene, maar uit eigen beweging bijstand in een bepaalde vorm te verlenen (arrest Hof van 12 juni 1986, Sommerlatte/Commissie, 229/84, Jurispr. blz. 1805, punt 20; beschikking Gerecht van 31 mei 2006, Frankin e.a./Commissie, F-91/05, JurAmbt. blz. I-A-1-25 en II-A-1-83, punten 23 en 24).

218 De grief inzake schending van de bijstandsplicht door de instelling moet derhalve worden afgewezen.

219 Uit het voorgaande vloeit voort dat de derde grief ongegrond moet worden verklaard.

d) De vierde grief: onrechtmatigheid van de opheffing van de immuniteit van jurisdictie van verzoeker

Argumenten van partijen

220 Verzoeker voert in deze grief de onregelmatigheid aan van het besluit waarover hij op 7 februari 2001 is geïnformeerd, om zijn immuniteit van jurisdictie op te heffen.

221 Hij stelt dat het besluit tot opheffing van de immuniteit van een ambtenaar een zware maatregel is en dat hij derhalve vóór de vaststelling ervan had moeten worden gehoord, net als bij W., directeur-generaal van het DG „Industrie” is gebeurd.

222 Verzoeker stelt voorts dat het aan de Belgische rechter van instructie gezonden besluit om zijn immuniteit van jurisdictie op te heffen niet aan hem is medegedeeld, en dat hij dus niet in de gelegenheid is gesteld om te bepalen of het voldoende was gemotiveerd.

223 Ten slotte voert verzoeker aan dat het besluit om zijn immuniteit van jurisdictie op te heffen discriminerend is jegens hem en misbruik van bevoegdheid vormt, daar bepaalde personen hun immuniteit hebben behouden ondanks hun betrokkenheid bij de „zaak Berthelot”.

224 De Commissie antwoordt dat de instellingen tot samenwerking met de strafrechter verplicht zijn en dat in het onderhavige geval geen belang van de Gemeenschappen de weigering om verzoekers immuniteit van jurisdictie op te heffen rechtvaardigde.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in