HvJ EU 12 februari 2026, C-634/24, ECLI:EU:C:2026:86

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

12 februari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenscontroles, asiel en immigratie – Overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten – Verordening (EU) 2018/1806 – Nationale regeling die een onderdaan van meerdere derde landen die een visumvrijstelling heeft genoten, verplicht om een aanvullend document over te leggen om een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen – Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie, anderzijds – Rechtstreekse werking”

In zaak C‑634/24 [Lenaimon] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 25 september 2024, ingekomen bij het Hof op 30 september 2024, in de procedure

M.P.

tegen

Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc, C. Hermes en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 30.6 van de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Brussel op 30 oktober 2016 (PB 2017, L 11, blz. 23) [ook bekend onder het acroniem CETA (Comprehensive Economic and Trade Agreement); hierna: „CETA”], en artikel 4, lid 1, van verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB 2018, L 303, blz. 39).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MP en de Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerijos (migratiedienst, ressorterend onder het ministerie van Binnenlandse Zaken van Litouwen; hierna: „migratiedienst”) over de rechtmatigheid van het besluit van deze dienst om MP een tijdelijke verblijfsvergunning op het Litouwse grondgebied te weigeren (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit”).

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 1.2 CETA bepaalt: Voor de toepassing van de onderhavige overeenkomst wordt, tenzij anders aangegeven, verstaan onder: burger: a) in het geval van Canada, een natuurlijke persoon die een burger van Canada is uit hoofde van de Canadese wetgeving; […]”

4 Hoofdstuk 10 van deze overeenkomst heeft als opschrift „Tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden” en bevat de artikelen 10.1 tot en met 10.10.

5 Artikel 10.1 van deze overeenkomst luidt: Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: […] stafpersoneel: zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden, investeerders en binnen de onderneming overgeplaatste personen: […] b) investeerders: natuurlijke personen die belast zijn met de vestiging, ontwikkeling of het beheer van een investering in een toezichthoudende of uitvoerende hoedanigheid, en ten aanzien waarvan deze personen of de onderneming die deze personen tewerkstelt, een aanzienlijk bedrag aan kapitaal hebben toegezegd of aan het toezeggen zijn; en […] natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden: stafpersoneel, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep of zakelijke bezoekers voor een kort verblijf die onderdaan zijn van een partij.”

6 Artikel 10.2 van die overeenkomt bepaalt: „1. Dit hoofdstuk weerspiegelt de preferentiële handelsbetrekkingen tussen de partijen alsmede het wederzijdse streven naar vergemakkelijking van de handel in diensten en investeringen door tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden en door zorg te dragen voor transparantie in het proces. 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf op haar grondgebied van stafpersoneel, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep en zakelijke bezoekers voor een kort verblijf. Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis. 3. Niets in dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen ter regulering van de toelating van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, waaronder maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van, en het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, al mogen deze maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, daardoor teniet worden gedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen. 4. Voor zover in dit hoofdstuk geen verbintenissen worden aangegaan, blijven alle andere voorschriften van de wet‑ en regelgeving van de partijen inzake toelating en verblijf van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake de duur van een verblijf. […]”

7 Artikel 10.3, lid 1, van die overeenkomst bepaalt: „Dit hoofdstuk weerspiegelt de preferentiële handelsbetrekkingen tussen de partijen alsmede het wederzijdse streven naar vergemakkelijking van de handel in diensten en investeringen door tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden en door zorg te dragen voor transparantie in het proces.”

8 Artikel 10.6, lid 1, van die overeenkomst luidt: „Deze overeenkomst legt aan partijen geen verplichting met betrekking tot haar immigratiemaatregelen op, tenzij in dit hoofdstuk en in hoofdstuk zevenentwintig (Transparantie) specifiek aangegeven.”

9 Artikel 10.7 van die overeenkomst luidt: „1. Elke partij staat de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel uit de andere partij toe, met inachtneming van de voorbehouden en uitzonderingen als vermeld in bijlage 10-B. 2. Elke partij onthoudt zich ervan om ten aanzien van het totale aantal leden van het stafpersoneel uit de andere partij waarvoor tijdelijke toelating wordt toegestaan, beperkingen in de vorm van kwantitatieve beperkingen of van een onderzoek naar de economische behoefte in te stellen of in stand te houden. […] 4. Elke partij verleent toestemming voor de tijdelijke tewerkstelling op haar grondgebied van binnen een onderneming overgeplaatste personen en investeerders uit de andere partij. 5. De toegestane duur van het verblijf van stafpersoneel is als volgt: […] c) investeerders: één jaar, met mogelijkheid van verlenging naar keuze van de partij die de toestemming voor de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf verleent; […]”

10 Artikel 28.3 CETA bepaalt in lid 2: „Voor de toepassing van de hoofdstukken […] tien (Tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden) […] wordt, onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast, dat zij een middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij gelijke omstandigheden, hetzij tot een verkapte beperking van de handel in diensten, niets uit deze overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het nemen of toepassen door een partij van maatregelen noodzakelijk: a) ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde […] b) ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant […] c) ter verzekering van de naleving van wet‑ of regelgeving die niet onverenigbaar is met de bepalingen van deze overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op: […] iii) de veiligheid.”

11 In artikel 28.6 van deze overeenkomst wordt het volgende bepaald: „Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat: […] b) een partij wordt belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk acht en die: […] ii) in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; […] c) een partij wordt belet maatregelen te nemen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.”

12 Artikel 30.6 van die overeenkomst bepaalt: „1. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt aldus uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de partijen in het leven zijn geroepen krachtens internationaal publiekrecht, noch aldus dat op deze overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de partijen. 2. Een partij voorziet niet in een recht naar haar interne recht tegen de andere partij te ageren op grond dat een maatregel van de andere partij onverenigbaar is met deze overeenkomst.”

Unierecht

Besluit 2017/38

13 De overwegingen 4 en 6 van besluit (EU) 2017/38 van de Raad van 28 oktober 2016 betreffende de voorlopige toepassing van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB 2017, L 11, blz. 1080) luiden als volgt: „(4) Delen van de overeenkomst die onder de bevoegdheid van de [Europese] Unie vallen, kunnen voorlopig worden toegepast, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan. […] (6) Overeenkomstig artikel 30.6, lid 1, van de overeenkomst houdt de overeenkomst geen rechten of verplichtingen in die rechtstreeks voor de rechterlijke instanties van de Unie of van de lidstaten kunnen worden ingeroepen.”

14 Artikel 1 van dit besluit bepaalt: „1. De [CETA] wordt door de Unie voorlopig toegepast zoals bepaald in artikel 30.7, lid 3, ervan, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan, en onder voorbehoud van de volgende punten: […]”

Schengengrenscode

15 Artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2016, L 77, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 (PB 2018, L 236, blz. 1) (hierna: „Schengengrenscode”), luidt als volgt: „Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden: […] b) indien vereist op grond van [verordening nr. 539/2001], in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur; […]”

Visumcode

16 Artikel 1 van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB 2009, L 243, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/1155 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB 2019, L 188, blz. 25) (hierna: „visumcode”), bepaalt in de leden 1 en 3: „1. In deze verordening worden de procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. […] 3. In deze verordening wordt tevens de lijst vastgesteld van derde landen waarvan de onderdanen in het bezit dienen te zijn van een luchthaventransitvisum, als uitzondering op het beginsel van vrije doorreis als omschreven in bijlage 9 van het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat is ondertekend te Chicago op 7 december 1944 (United Nations Treaty Series, deel 15, nr. 102) en in werking is getreden op 4 april 1947], en worden de procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van visa voor doorreis via de internationale transitzones van luchthavens van lidstaten.”

17 Artikel 2 van de visumcode luidt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 2) ‚visum’: een door een lidstaat afgegeven machtiging tot: a) een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, of b) doorreis via de internationale transitzones van luchthavens van de lidstaten; […]”

Verordening 2018/1806

18 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2018/1806 bepaalt: „De onderdanen van de in de lijst van bijlage I opgenomen derde landen dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit te zijn van een visum [(hierna: ‚Schengenvisum’)].”

19 Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt: „De onderdanen van de in de lijst van bijlage II opgenomen derde landen zijn van de in artikel 3, lid 1, bedoelde visumplicht vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.”

20 Artikel 6 van die verordening luidt: „1. Een lidstaat kan voorzien in uitzonderingen op de in artikel 3 bedoelde visumplicht of op de in artikel 4 bedoelde vrijstelling van de visumplicht ten aanzien van: a) houders van diplomatieke paspoorten, dienst‑ of officiële paspoorten of speciale paspoorten; b) civiele vliegtuig‑ en scheepsbemanningsleden in de uitoefening van hun functies; c) civiele scheepsbemanningsleden, wanneer zij aan wal gaan, die houder zijn van een identiteitsbewijs voor zeevarenden dat is afgegeven overeenkomstig de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie [(nr. 108) betreffende de nationale identiteitsbewijzen van zeevarenden, vastgesteld op 13 mei 1958 tijdens de 41e sessie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en in werking getreden op 19 februari 1961,] of [(nr. 185) betreffende de nationale identiteitsbewijzen van zeevarenden (herzien), vastgesteld op 19 juni 2003 tijdens de 91e sessie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en in werking getreden op 9 februari 2005,] of het Verdrag [inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee, ondertekend te Londen op 9 april 1965 en in werking getreden op 5 maart 1967 (United Nations Treaty Series, deel 591, nr. 265)]; d) bemanningsleden en andere leden van hulp‑ of reddingsmissies in geval van een ramp of een ongeval; e) civiele bemanningen van schepen die internationale binnenwateren bevaren; f) houders van reisdocumenten die door intergouvernementele internationale organisaties waarvan ten minste één lidstaat lid is of door andere entiteiten die door de betrokken lidstaat als internationale rechtssubjecten zijn erkend, zijn afgegeven aan ambtenaren van deze organisaties of entiteiten. […] 3. Een lidstaat kan voorzien in uitzonderingen op de in artikel 4 bepaalde vrijstelling van de visumplicht voor personen die tijdens hun verblijf een bezoldigde activiteit verrichten.”

21 Bijlage I bij die verordening bevat een lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum. De Russische Federatie wordt als een van die derde landen genoemd.

22 In bijlage II bij verordening 2018/1806 is een lijst van derde landen opgenomen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten van de visumplicht zijn vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. Canada en de Staat Israël worden in die lijst genoemd.

Litouws recht

Vreemdelingenwet

23 Artikel 40, lid 1, punt 16, van de Lietuvos Respublikos įstatymas dėl užsieniečių teisinės padėties Nr. IX‑2206 (wet nr. IX‑2206 van de Republiek Litouwen betreffende de rechtspositie van vreemdelingen) van 29 april 2004 (Žin., 2004, nr. 73‑2539) bepaalt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet rechtspositie vreemdelingen”) dat een tijdelijke verblijfsvergunning kan worden verleend of verlengd indien de betrokkene onderdaan is van Australië, Japan, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Canada, Nieuw-Zeeland of Zuid-Korea en voornemens is in Litouwen te werken of andere wettige activiteiten uit te oefenen.

Wet inzake beperkende maatregelen

24 Volgens artikel 1 van de Lietuvos Respublikos ribojamųjų priemonių dėl karinės agresijos prieš Ukrainą nustatymo įstatymas Nr. XIV‑1888 (wet nr. XIV‑1888 van de Republiek Litouwen inzake de instelling van beperkende maatregelen in verband met de militaire agressie tegen Oekraïne) van 20 april 2023 (TAR, 2023, nr. 2023‑7804; hierna: „wet inzake beperkende maatregelen”) beoogt deze wet de belangen van de Republiek Litouwen op het gebied van nationale veiligheid en buitenlands beleid te beschermen en de doelstellingen van artikel 1, lid 1, van de Lietuvos Respublikos tarptautinių sankcijų įstatymas Nr. IX‑2160 (wet nr. IX‑2160 van de Republiek Litouwen inzake internationale sancties) van 22 april 2004 (Žin., 2004, nr. 68‑2369) te verwezenlijken door de beperkende maatregelen in te stellen die in Litouwen worden toegepast ingevolge de militaire agressie door buitenlandse staten tegen Oekraïne.

25 Artikel 3 van de wet inzake beperkende maatregelen bepaalt in de leden 1 en 2 dat de inbehandelingname van aanvragen voor visa van onderdanen van de Russische Federatie en de Republiek Belarus door de visumdiensten van de Republiek Litouwen in het buitenland wordt opgeschort, behalve in gevallen waarin het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Litouwen als tussenpersoon optreedt voor de indiening van de betrokken aanvraag, en dat de inbehandelingname van aanvragen voor nationale visa van onderdanen van de Russische Federatie en de Republiek Belarus via een externe dienstverlener in het buitenland wordt opgeschort.

26 Artikel 3, lid 3, van deze wet bepaalt dat de inbehandelingname van aanvragen tot afgifte van een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen van burgers van de Russische Federatie, ingediend via een externe dienstverlener in het buitenland, wordt opgeschort, behalve voor burgers van de Russische Federatie voor wie een door de Litouwse regering gemachtigde instelling bemiddelt in de door die regering vastgestelde gevallen. De inbehandelingname van deze aanvragen wordt ook in Litouwen opgeschort, behalve voor burgers van de Russische Federatie die in het bezit zijn van een geldig Schengen‑ of nationaal visum dat door een visumloket van de Republiek Litouwen in het buitenland of in de Republiek Litouwen is afgegeven, of in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, afgegeven door de Republiek Litouwen of een andere lidstaat van de Unie.

27 In artikel 4, lid 1, van die wet staat te lezen dat de in artikel 3 van deze wet bedoelde beperkende maatregelen, met uitzondering van de in artikel 3, lid 2, bedoelde beperkende maatregel, van toepassing zijn gedurende een periode van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

28 Artikel 5 van de wet inzake beperkende maatregelen bepaalt dat deze wet in werking treedt op 3 mei 2023 en van kracht blijft tot en met 2 mei 2024.

Wet van 25 april 2024

29 Bij artikel 2 van de Lietuvos Respublikos ribojamųjų priemonių dėl karinės agresijos prieš Ukrainą nustatymo įstatymo Nr. XIV‑1888 3, 4 ir 5 straipsnių pakeitimo įstatymas Nr. XIV-2581 (wet nr. XIV‑2581 tot wijziging van de artikelen 3, 4 en 5 van wet nr. XIV-1888 van de Republiek Litouwen inzake de instelling van beperkende maatregelen in verband met de militaire agressie tegen Oekraïne) van 25 april 2024 (TAR, 2024, nr. 2024‑8222k; hierna: „wet van 25 april 2024”) is onder meer artikel 4, lid 1, van de wet inzake beperkende maatregelen gewijzigd, en namelijk in die zin dat de in artikel 3 van laatstgenoemde wet bedoelde beperkende maatregelen, met uitzondering van de in artikel 3, lid 8, ervan bedoelde maatregel, van toepassing waren van 3 mei 2024 tot en met 2 mei 2025.

30 Artikel 3 van de wet van 25 april 2024 heeft artikel 5 van de wet inzake beperkende maatregelen gewijzigd, in die zin dat artikel 5 van kracht bleef tot en met 2 mei 2025.

31 Artikel 4, lid 1, van de wet van 25 april 2024 preciseert dat deze wet in werking treedt op 3 mei 2024, met uitzondering van artikel 1, lid 5, en artikel 4, lid 3.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

32 M.P. heeft de nationaliteit van drie landen – Canada, Rusland en Israël – en is Litouwen binnengekomen op een Canadees paspoort. Dienovereenkomstig hebben de bevoegde Litouwse autoriteiten niet geëist dat hij over een visum beschikte om het grondgebied van die lidstaat binnen te komen.

33 Op 13 oktober 2023 heeft M.P. een aanvraag ingediend om met spoed een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen te verkrijgen. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 40, lid 1, punt 16, van de wet rechtspositie vreemdelingen, en verklaard dat hij de Canadese nationaliteit had en aandelen had in een onderneming die in Litouwen actief is, en dat hij het land was binnengekomen om in die onderneming te werken. Verzoeker in het hoofdgeding had bij zijn aanvraag onder meer kopieën van zijn Canadese, zijn Russische en zijn Israëlische paspoort gevoegd.

34 Op 19 oktober 2023 heeft de afdeling te Klaipėda (Litouwen) van de migratiedienst besloten zijn aanvraag in behandeling te nemen.

35 Op 20 oktober 2023 heeft de migratiedienst M.P. verzocht om te verduidelijken onder welke nationaliteit hij een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen aanvroeg. M.P. heeft daarop nogmaals verklaard dat hij die vergunning aanvroeg als Canadees onderdaan.

36 Bij het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit, dat M.P. op 30 november 2023 is betekend, heeft de migratiedienst het besluit van de afdeling te Klaipėda om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in behandeling te nemen, ingetrokken op grond dat M.P. niet alleen Canadees maar ook Russisch onderdaan was en hij bij zijn aanvraag geen enkele van de in artikel 3, lid 3, van de wet inzake beperkende maatregelen bedoelde documenten had gevoegd, namelijk een geldig Schengen‑ of nationaal visum, afgegeven door de visumdienst van de Republiek Litouwen, of een geldige verblijfstitel op het grondgebied van een lidstaat.

37 M.P. heeft daarop beroep ingesteld bij de Regionų administracinio teismo Vilniaus rūmai (bestuursrechter in eerste aanleg, kamer te Vilnius, Litouwen) en heeft daarbij onder meer verzocht het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit nietig te verklaren. Dit beroep is bij vonnis van 2 april 2024 afgewezen, waarna M.P. hoger beroep heeft ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter.

38 M.P. voert aan dat de Litouwse autoriteiten wel zijn hoedanigheid van Canadees onderdaan hadden erkend, bij zijn binnenkomst op het Litouwse grondgebied de visumvrijstellingsregeling hadden toegepast en ermee hadden ingestemd zijn aanvraag voor een tijdelijke verblijfsvergunning in Litouwen in die hoedanigheid te behandelen, maar vervolgens toch hebben besloten om zijn Russische nationaliteit in aanmerking te nemen om de bepalingen van de wet inzake beperkende maatregelen op hem toe te passen. Er bestaat echter geen enkele tekst die het een persoon met de nationaliteit van meerdere derde landen verbiedt om te kiezen op welke nationaliteit hij zich wil beroepen om bij de Litouwse autoriteiten een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen.

39 Volgens M.P. wordt op die manier voorbijgegaan aan zijn Canadese nationaliteit, terwijl de artikelen 10.1 en 10.6 tot en met 10.9 CETA bepalen dat de partijen bij deze overeenkomst verplicht zijn om bepaalde onderdanen van de staten die partij zijn bij deze overeenkomst (zoals ondernemers, investeerders, leidinggevenden van ondernemingen en specialisten) zonder aanvullende vergunningen toe te staan in het betrokken land binnen te komen, te verblijven en te werken in ondernemingen die er zijn gevestigd of zakelijke activiteiten uit te oefenen. M.P. meent dat de CETA dergelijke onderdanen recht verleent op een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen, en dat die regel bij artikel 40, lid 1, punt 16, van de wet rechtspositie vreemdelingen is omgezet in nationale wetgeving. Volgens hem heeft de CETA, in geval van strijdigheid met artikel 3, lid 3, van de wet inzake beperkende maatregelen, voorrang.

40 De migratiedienst van zijn kant betoogt dat Russische onderdanen die ook de nationaliteit van een andere staat hebben, volgens de wet inzake beperkende maatregelen niet zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan. Het is niet de taak van die dienst om een beslissing te nemen over de nationaliteit van de persoon die een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen aanvraagt, maar enkel om de bij de aanvraag gevoegde documenten te beoordelen.

41 De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat in artikel 30.6 CETA is vastgelegd dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst aldus mag worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, andere dan die welke tussen de partijen in het leven zijn geroepen krachtens internationaal publiekrecht, of dat op deze overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de partijen. Volgens hem heeft het Hof dit bevestigd in advies 1/17 (CETA EU-Canada) van 30 april 2019 (EU:C:2019:341).

42 Aangezien de zaak die tot dat advies heeft geleid evenwel verschilt van het hoofdgeding, dient te worden uitgemaakt of artikel 30.6 CETA aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat M.P. zich voor de verwijzende rechter op de bepalingen van deze overeenkomst beroept.

43 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat Russische onderdanen die het Litouwse grondgebied willen binnenkomen krachtens artikel 3, lid 1, en bijlage I bij verordening 2018/1806 in het bezit moeten zijn van een visum, terwijl artikel 4, lid 1, van deze verordening en bijlage II daarbij, bepalen dat Canadese onderdanen van die verplichting zijn vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

44 In casu hebben de Litouwse autoriteiten bij binnenkomst van M.P. op hun grondgebied een visumvrijstellingsregeling op hem toegepast in zijn hoedanigheid van Canadees onderdaan, maar hebben zij hem vervolgens bij zijn aanvraag voor een tijdelijke verblijfsvergunning in Litouwen verplicht om hetzij een Schengen‑ of nationaal visum hetzij een door Litouwen of een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfstitel over te leggen. Bovendien kon M.P. overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 2, van de wet inzake beperkende maatregelen als Russisch onderdaan geen nationaal visum verkrijgen.

45 Bovendien valt M.P. volgens de verwijzende rechter onder geen enkele van de in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), van verordening 2018/1806 genoemde situaties waarvoor uitzonderingen op de visumvrijstelling kunnen gelden. Overigens staat artikel 6, lid 3, van die verordening de lidstaten weliswaar ook toe om in dergelijke uitzonderingen te voorzien voor personen die tijdens hun verblijf een bezoldigde activiteit uitoefenen, maar is de reden waarom M.P. het Litouwse grondgebied is binnengekomen niet relevant uit het oogpunt van de wet inzake beperkende maatregelen. De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat voormeld artikel 6, lid 3, in casu evenmin van toepassing is.

46 Derhalve heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 30.6 [CETA] aldus worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die in het hoofdgeding een persoon die de Canadese, de Israëlische en de Russische nationaliteit bezit, belet zich op de bepalingen van deze overeenkomst te beroepen in een beroep bij een nationale rechterlijke instantie betreffende een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen? 2) Moet artikel 4, lid 1, van verordening [2018/1806], gelezen in samenhang met bijlage II daarbij, aldus worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding niet verzet tegen een tijdelijke nationale regeling op grond waarvan een Russische onderdaan die een tijdelijke vergunning tot verblijf in Litouwen wenst aan te vragen, een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning dient over te leggen, niettegenstaande het feit dat deze persoon het Litouwse grondgebied op grond van een regeling voor visumvrijstelling is binnengekomen als onderdaan van een staat die is opgenomen in bijlage II bij verordening 2018/1806, en zijn die bepalingen [van die verordening] verenigbaar met de CETA?”

47 Bij brief van 8 juli 2025 heeft de griffie van het Hof de verwijzende rechter een verzoek om toelichtingen gezonden. In antwoord op dit verzoek heeft de verwijzende rechter ten eerste aangegeven dat M.P. volgens hem kon worden beschouwd als een „investeerder” in de zin van artikel 10.1 CETA, ten tweede dat artikel 3, lid 3, van de wet inzake beperkende maatregelen niet tot gevolg had dat de behandeling van door Russische onderdanen ingediende aanvragen voor tijdelijke verblijfsvergunningen werd opgeschort mits zij beschikten over een verblijfstitel op Litouws grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat, en ten derde dat volgens de Lietuvos Respublikos ribojamųjų priemonių dėl karinės agresijos prieš Ukrainą nustatymo įstatymo Nr. XIV‑1888 3, 4 ir 5 straipsnių pakeitimo įstatymas Nr. XV‑170 (wet nr. XV‑170 tot wijziging van de artikelen 3, 4 en 5 van wet nr. XIV‑1888 van de Republiek Litouwen inzake de instelling van beperkende maatregelen in verband met de militaire agressie tegen Oekraïne) van 17 april 2025 (TAR, 2025, nr. 2025‑7432) de in artikel 3, lid 3, bedoelde maatregelen van toepassing waren tot en met 2 mei 2026.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

48 Uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter in zijn eerste prejudiciële vraag en zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking van het Hof blijkt dat die rechter zich afvraagt of de bepalingen van hoofdstuk 10 CETA voor hem kunnen worden ingeroepen door een particulier die de hoedanigheid van Canadese investeerder heeft in de zin van artikel 10.1 van deze overeenkomst.

49 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 30.6 CETA aldus moet worden uitgelegd dat de bepalingen van hoofdstuk 10 rechtstreekse werking hebben.

50 In de eerste plaats moet worden benadrukt dat, zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, voormeld hoofdstuk 10 tot de bevoegdheid van de Unie behoort en overeenkomstig artikel 1 van besluit 2017/38 van de Raad sinds 21 september 2017 voorlopig wordt toegepast. De vraag of de bepalingen van hoofdstuk 10 rechtstreekse werking hebben, mag door de nationale rechterlijke instanties dus niet uitsluitend op basis van hun nationale recht worden beantwoord (arresten van 14 december 2000, Dior e.a., C‑300/98 en C‑392/98, EU:C:2000:688, punt 48; 11 september 2007, Merck Genéricos – Produtos Farmacêuticos, C‑431/05, EU:C:2007:496, punten 34 en 47, en 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C‑240/09, EU:C:2011:125, punten 32 en 33).

51 In de tweede plaats blijkt uit vaste rechtspraak dat het Hof de kwestie van de rechtstreekse werking van de betrokken internationale overeenkomst slechts moet beslechten wanneer die niet in die overeenkomst is geregeld, waarbij het zich met name baseert op de geest, de opzet en de bewoordingen van die overeenkomst (arrest van 13 januari 2015, Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑401/12 P–C‑403/12 P, EU:C:2015:4, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Zoals de Commissie en de Litouwse regering opmerken, sluit artikel 30.6 CETA echter ondubbelzinnig uit dat een particulier zich voor een nationale rechterlijke instantie rechtstreeks op de bepalingen van deze overeenkomst kan beroepen. Bijgevolg moeten de bepalingen van hoofdstuk 10 van deze overeenkomst worden geacht geen rechtstreekse werking te hebben [zie in die zin advies 1/17 (CETA EU-Canada) van 30 april 2019, EU:C:2019:341, punten 181 en 198].

53 In de derde plaats moet hieraan evenwel worden toegevoegd, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, dat wanneer het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, het toepasselijke nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met een internationale overeenkomst die deel uitmaakt van het Unierecht moet worden uitgelegd, zelfs wanneer die overeenkomst geen rechtstreekse werking heeft [zie in die zin arresten van 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, EU:C:2006:443, punt 113; 8 november 2022, Deutsche Umwelthilfe (Typegoedkeuring van motorvoertuigen), C‑873/19, EU:C:2022:857, punt 66, en 11 januari 2024, Societatea Civilă Profesională de Avocaţi AB & CD, C‑252/22, EU:C:2024:13, punten 76 en 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54 Deze verplichting tot conforme uitlegging kent evenwel bepaalde beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht uit te gaan van hetgeen is vastgesteld in een internationale overeenkomst, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan deze verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van dat nationale recht [zie naar analogie arresten van 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C‑715/20, EU:C:2024:139, punt 70, en 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2024:172, punt 74].

55 Hieruit volgt dat, hoewel de bepalingen van hoofdstuk 10 CETA geen rechtstreekse werking hebben, het aan de verwijzende rechter staat om, indien een voor de uitkomst van het hoofdgeding relevante bepaling van Litouws recht onverenigbaar blijkt met die bepalingen, te onderzoeken of het binnen de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte grenzen mogelijk is om zijn nationale recht in overeenstemming met die bepalingen uit te leggen, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden (arrest van 15 oktober 2024, KUBERA, C‑144/23, EU:C:2024:881, punt 51).

56 Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 30.6 CETA aldus moet worden uitgelegd dat de bepalingen van hoofdstuk 10 van deze overeenkomst geen rechtstreekse werking hebben, wat evenwel niet uitsluit dat zij als basis kunnen dienen voor een conforme uitlegging van de betrokken nationale wettelijke regeling.

Tweede vraag

57 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1806, gelezen in samenhang met bijlage II bij deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een Russische onderdaan slechts een vergunning tot tijdelijk verblijf op zijn grondgebied kan verkrijgen op voorwaarde dat hij een door de autoriteiten van die lidstaat afgegeven visum of een door een van de lidstaten afgegeven verblijfstitel overlegt terwijl deze onderdaan het grondgebied van die eerste lidstaat is binnengekomen zonder dat hij een visum hoefde over te leggen omdat hij tevens onderdaan is van een van de in bijlage II bij die verordening genoemde landen. De verwijzende rechter wenst tevens te vernemen of die bepalingen van verordening 2018/1806 verenigbaar zijn met de CETA.

58 In de eerste plaats volgt om te beginnen uit artikel 6, lid 1, van de Schengengrenscode dat onderdanen van derde landen op grond van de door deze code aan hen verleende verblijfstitel ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen op het Schengengrondgebied mogen verblijven [arrest van 5 februari 2020, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Aanmonstering van zeelieden in de haven van Rotterdam), C‑341/18, EU:C:2020:76, punt 58].

59 Voorts bepaalt artikel 6 dat sommige van deze onderdanen van derde landen in het bezit moeten zijn van een geldig visum om in aanmerking te komen voor een dergelijk verblijf van korte duur.

60 De visumcode heeft volgens artikel 1 ervan tot doel de procedures en voorwaarden vast te stellen voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. In artikel 2, punt 2, onder a) en b), van die code wordt het begrip „visum” voor de toepassing van deze code gedefinieerd als „een door een lidstaat afgegeven machtiging” tot respectievelijk „een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen” en een „doorreis via de internationale transitzones van luchthavens van de lidstaten” (zie in die zin arrest van 7 maart 2017, X en X, C‑638/16 PPU, EU:C:2017:173, punt 41).

61 In diezelfde optiek is in verordening 2018/1806 de lijst vastgesteld van derde landen waarvan de onderdanen aan een dergelijke visumplicht zijn onderworpen of daarvan zijn vrijgesteld.

62 Zo bepaalt artikel 4, lid 1, van deze verordening dat de onderdanen van de in de lijst van bijlage II daarbij opgenomen derde landen niet verplicht zijn om een visum te verkrijgen voor overschrijding van de buitengrenzen van de Unie voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

63 Hieruit volgt dat deze bepaling onderdanen van bepaalde derde landen, waaronder Canada, maar niet de Russische Federatie, vrijstelt van de verplichting om een visum te verkrijgen om voor korte tijd op het grondgebied van de Schengenruimte te verblijven.

64 Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens gaat het in het hoofdgeding evenwel niet om een dergelijk kort verblijf. Ten eerste blijkt immers uit de verwijzingsbeslissing dat M.P. een tijdelijk verblijfsrecht aanvraagt om in Litouwen te werken voor een kennelijk langere duur dan die van het verblijf dat op grond van de Schengengrenscode wordt verleend. Ten tweede blijkt uit die beslissing geenszins dat het hoofdgeding betrekking heeft op de rechtmatigheid van M.P.’s binnenkomst op het Litouwse grondgebied of op een besluit van de Litouwse autoriteiten waarbij zijn recht van kort verblijf op dat grondgebied, zoals gewaarborgd door de Schengengrenscode, vroegtijdig zou zijn beëindigd.

65 Aangezien verordening 2018/1806 geen betrekking heeft op de toekenning van een tijdelijk verblijfsrecht als aan de orde in het hoofdgeding (zie naar analogie arrest van 16 januari 2018, E, C‑240/17, EU:C:2018:8, punt 41), kan deze verordening niet in de weg staan aan een wettelijke regeling als beschreven in de tweede prejudiciële vraag.

66 In de tweede plaats volgt hieruit dat voor het overige niet hoeft te worden onderzocht of artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1806 en bijlage II daarbij in overeenstemming zijn met de CETA.

67 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1806, gelezen in samenhang met bijlage II bij deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een Russische onderdaan slechts een vergunning tot tijdelijk verblijf op zijn grondgebied kan verkrijgen op voorwaarde dat hij een door de autoriteiten van die lidstaat afgegeven visum of een door een van de lidstaten afgegeven verblijfstitel overlegt terwijl deze onderdaan het grondgebied van die eerste lidstaat is binnengekomen zonder dat hij een visum hoefde over te leggen omdat hij tevens onderdaan is van een van de in bijlage II bij die verordening genoemde landen.

Kosten

68 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 30.6 van de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Brussel op 30 oktober 2016, moet aldus worden uitgelegd dat de bepalingen van hoofdstuk 10 van deze overeenkomst geen rechtstreekse werking hebben, wat evenwel niet uitsluit dat zij als basis kunnen dienen voor een conforme uitlegging van de betrokken nationale wettelijke regeling.

2) Artikel 4, lid 1, van verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, gelezen in samenhang met bijlage II bij deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een Russische onderdaan slechts een vergunning tot tijdelijk verblijf op zijn grondgebied kan verkrijgen op voorwaarde dat hij een door de autoriteiten van die lidstaat afgegeven visum of een door een van de lidstaten afgegeven verblijfstitel overlegt terwijl deze onderdaan het grondgebied van die eerste lidstaat is binnengekomen zonder dat hij een visum hoefde over te leggen omdat hij tevens onderdaan is van een van de in bijlage II bij die verordening genoemde landen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Litouws.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken