HvJ EU 5 februari 2026, C-337/22, ECLI:EU:C:2026:71
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 februari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Aanvraag voor Uniebeeldmerk APE TEES – Niet-ingeschreven oudere beeldmerken die een aap weergeven en in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn beschermd – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 8, lid 4 – Relatieve weigeringsgrond – Oppositie – Beroep bij de kamer van beroep – Afwijzing – Beroep bij het Gerecht – Artikel 50, leden 1 en 3, VEU – Terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie – Artikelen 126 en 127 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie – Overgangsperiode – Afloop – Omstandigheden die voorafgaan aan de vaststelling van de litigieuze beslissing – Relevant tijdstip voor de beoordeling van het bestaan van een ouder merk – Territorialiteitsbeginsel – Territoriaal bereik van het Uniemerk – Bestaan van een conflict”
In zaak C‑337/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 23 mei 2022,
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája, D. Hanf, E. Markakis en V. Ruzek als gemachtigden,
rekwirant,
ondersteund door:
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller, J. Heitz en M. Hellmann als gemachtigden,
International Trademark Association (INTA), gevestigd te New York (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door A. Lubberger, A. Wenninger-Lenz, Rechtsanwälte, N. Parrotta, avvocata, en M. Perraki, dikigoros,
interveniëntes in hogere voorziening,
andere partij in de procedure:
Nowhere Co. Ltd, gevestigd te Tokio (Japan), vertegenwoordigd door R. Kunze, Rechtsanwalt,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening vordert het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 maart 2022, Nowhere/EUIPO – Ye (APE TEES) (T‑281/21, EU:T:2022:139; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht ten eerste de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2021 (zaak R 2474/2017‑2) (hierna: „litigieuze beslissing”) inzake een oppositieprocedure tussen Nowhere Co. Ltd en Junguo Ye heeft vernietigd en ten tweede het beroep heeft verworpen voor het overige.
Toepasselijke bepalingen
Terugtrekkingsakkoord
2 De eerste en de vierde alinea van de preambule van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: „terugtrekkingsakkoord”), dat namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) is goedgekeurd bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 (PB 2020, L 29, blz. 1) en op 1 februari 2020 in werking is getreden, luiden: „Overwegend dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland […] op 29 maart 2017, na de uitslag van een in het Verenigd Koninkrijk gehouden referendum en zijn soevereine besluit de Europese Unie te verlaten, in overeenstemming met artikel 50 [VEU], […] kennis heeft gegeven van zijn voornemen zich uit de [Unie] […] terug te trekken, […] Eraan herinnerend dat ingevolge artikel 50 VEU […] en onverminderd de in dit akkoord neergelegde regelingen, het recht van de Unie […] in zijn geheel niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing is met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord”.
3 Het terugtrekkingsakkoord bevat een deel drie („Scheidingsbepalingen”). Titel IV („Intellectuele eigendom”) van dit deel drie bevat onder meer de artikelen 54 en 59 van dit akkoord. Artikel 54 („Voortzetting van bescherming van ingeschreven of verleende rechten in het Verenigd Koninkrijk”) bepaalt: „1. De houder van een van de volgende intellectuele-eigendomsrechten die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeschreven of verleend, wordt, zonder een nieuw onderzoek van deze rechten, houder van een vergelijkbaar intellectuele-eigendomsrecht dat in het Verenigd Koninkrijk krachtens het recht van het Verenigd Koninkrijk is ingeschreven en afdwingbaar is: a) de houder van een overeenkomstig verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad [van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)] ingeschreven Uniemerk wordt de houder van een door hetzelfde teken gevormd merk in het Verenigd Koninkrijk, voor dezelfde goederen en diensten; […] 3. In afwijking van lid 1 wordt, indien een in dat lid bedoeld intellectuele-eigendomsrecht […] nietig of vervallen wordt verklaard in de Unie als gevolg van een administratieve of gerechtelijke procedure die op de laatste dag van de overgangsperiode aanhangig was, het overeenkomstige recht in het Verenigd Koninkrijk eveneens nietig of vervallen verklaard. De vervallenverklaring of nietigverklaring heeft effect vanaf dezelfde datum in het Verenigd Koninkrijk als in de Unie. In afwijking van de eerste alinea is het Verenigd Koninkrijk niet verplicht het corresponderende recht in het Verenigd Koninkrijk nietig of vervallen te verklaren wanneer de gronden voor nietigheid of verval van het Uniemerk […] in het Verenigd Koninkrijk niet van toepassing zijn. […]”
4 In lid 1 van artikel 59 („Recht van voorrang met betrekking tot aanhangige aanvragen inzake Uniemerken, gemeenschapsmodellen en communautaire kwekersrechten”) van het terugtrekkingsakkoord is bepaald: „Wanneer een persoon voor het eind van de overgangsperiode overeenkomstig het recht van de Unie een aanvraag heeft ingediend voor een Uniemerk […] en wanneer aan die aanvraag een datum van indiening is toegekend, heeft die persoon, voor hetzelfde merk ten aanzien van goederen of diensten die identiek zijn aan of vallen onder de goederen of diensten waarvoor de aanvraag in de Unie is ingediend, […] het recht om binnen 9 maanden na het eind van de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk een aanvraag in te dienen. Een aanvraag ingevolge dit artikel wordt geacht dezelfde datum van indiening en van voorrang te hebben als de corresponderende aanvraag die in de Unie is ingediend en, in voorkomend geval, de anciënniteit te hebben van een merk van het Verenigd Koninkrijk waarop krachtens artikel 39 of artikel 40 van verordening [2017/1001] een beroep wordt gedaan.”
5 Deel vier („Overgang”) van dit akkoord bevat onder meer de artikelen 126 en 127. Artikel 126 luidt als volgt: „Op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord begint een overgangs‑ of uitvoeringsperiode, die eindigt op 31 december 2020.”
6 Artikel 127 („Omvang van de overgang”) van dat akkoord bepaalt in de leden 1, 3 en 6: „1. Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, is tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk. […] 3. Tijdens de overgangsperiode heeft het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten en wordt dit recht overeenkomstig dezelfde methoden en algemene beginselen uitgelegd en toegepast als die welke in de Unie toepasselijk zijn. […] 6. Tenzij anders is bepaald in dit akkoord, worden verwijzingen naar de lidstaten in het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie, met inbegrip van de wijze waarop het door de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd en toegepast, tijdens de overgangsperiode zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten.”
7 In artikel 185, derde alinea, van het terugtrekkingsakkoord is bepaald: „Delen twee en drie […] zijn van toepassing vanaf het eind van de overgangsperiode.”
Verordening nr. 40/94
8 Artikel 8 („Relatieve weigeringsgronden”) van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 422/2004 van de Raad van 19 februari 2004 (PB 2004, L 70, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 40/94”), bepaalde in lid 4: „Na oppositie door de houder van een niet-ingeschreven merk of een ander in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis, wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd indien en voor zover krachtens het op dat teken toepasselijke gemeenschapsrecht of het voor dat teken geldende recht van de lidstaat: a) de rechten op dit teken verworven zijn vóór de datum van indiening van de aanvrage om het gemeenschapsmerk of, in voorkomend geval, de datum van het ten behoeve van de aanvrage om een gemeenschapsmerk ingeroepen recht van voorrang; b) dit teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden.”
Verordening nr. 207/2009
9 In de overwegingen 2 tot en met 4, 7, 8 en 10 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1) stond te lezen: „(2) […] De verwezenlijking van een dergelijke markt en de versterking van zijn eenheidskarakter vergen niet alleen de opheffing van de belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten alsmede de invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging niet wordt vervalst, doch ook de instelling van een rechtskader waardoor de ondernemingen in staat worden gesteld onmiddellijk hun activiteiten, of het nu gaat om de productie en de afzet van goederen of het verrichten van diensten, op communautaire leest te schoeien. Op het punt van de rechtsinstrumenten waarover de ondernemingen te dien einde dienen te beschikken, zijn merken die hun waren of diensten in de gehele Gemeenschap, ongeacht de grenzen, op gelijke wijze herkenbaar maken, bijzonder passend. (3) […] [H]et [is] noodzakelijk in een communautair merkensysteem te voorzien, dat de ondernemingen volgens één enkele procedure in staat stelt gemeenschapsmerken te verkrijgen die een eenvormige bescherming genieten en rechtsgevolgen hebben op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Dit beginsel, namelijk dat het gemeenschapsmerk een eenheid vormt, moet van toepassing zijn tenzij deze verordening anders bepaalt. (4) De aanpassing van de nationale wettelijke regelingen is niet bij machte de hindernis van de territorialiteit van de rechten die de wetgevingen der lidstaten aan de houders van merken verlenen, op te heffen. Om aan de ondernemingen een ongehinderde ontplooiing van activiteiten in het gehele door de interne markt bestreken grondgebied mogelijk te maken, is het bestaan noodzakelijk van merken welke worden geregeerd door één enkele communautaire rechtsregeling die rechtstreeks in alle lidstaten toepasselijk is. […] (7) Het recht op het gemeenschapsmerk kan alleen worden verkregen door de inschrijving en deze wordt met name geweigerd […] indien oudere rechten zich ertegen verzetten. (8) […] [Het] doel [van de door het gemeenschapsmerk verleende bescherming is] met name […] de herkomstaanduidende functie van het merk te waarborgen […]. […] […] (10) De bescherming van gemeenschapsmerken en de bescherming van ingeschreven oudere merken tegen gemeenschapsmerken is alleen gerechtvaardigd, voor zover deze merken daadwerkelijk worden gebruikt.”
10 Artikel 1 („gemeenschapsmerk”) van deze verordening bepaalde in lid 2: „Het gemeenschapsmerk vormt een eenheid: het heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele Gemeenschap. […]”
11 Artikel 6 („Verkrijging van het gemeenschapsmerk”) van deze verordening luidde als volgt: „Het gemeenschapsmerk wordt verkregen door inschrijving.”
12 Artikel 8 („Relatieve weigeringsgronden”) van die verordening bepaalde in de leden 1, 2 en 4: „1. Na oppositie door de houder van een ouder merk wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd[.] […] 2. Onder ‚oudere merken’ in de zin van lid 1 worden verstaan: a) de merken waarvan de datum van de aanvrage om inschrijving voorafgaat aan de datum van de aanvrage om een gemeenschapsmerk, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met het ten behoeve van die merken ingeroepen recht van voorrang, en die behoren tot de volgende categorieën: […] […] 4. Na oppositie door de houder van een niet-ingeschreven merk of een ander in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis, wordt de inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd, indien en voor zover krachtens het op dat teken toepasselijke gemeenschapsrecht of het voor dat teken geldende recht van de lidstaat: a) de rechten op dit teken verworven zijn vóór de datum van indiening van de aanvrage om het gemeenschapsmerk of, in voorkomend geval, de datum van het ten behoeve van de aanvrage om een gemeenschapsmerk ingeroepen recht van voorrang; b) dit teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden.”
13 In artikel 9 („Rechten verbonden aan het gemeenschapsmerk”) van verordening nr. 207/2009 was bepaald: „1. Het gemeenschapsmerk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer te verbieden: a) dat gelijk is aan het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk ingeschreven is; b) dat gelijk is aan of overeenstemt met het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan; verwarring omvat het gevaar van associatie met het merk; c) dat gelijk is aan of overeenstemt met het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het gemeenschapsmerk ingeschreven is, indien het een in de Gemeenschap bekend merk betreft en indien door het gebruik zonder geldige reden van het teken ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk gedaan wordt aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk. […] 3. Op het aan het gemeenschapsmerk verbonden recht kan tegenover derden eerst een beroep worden gedaan, nadat de inschrijving van het merk gepubliceerd is. Er kan evenwel een redelijke vergoeding worden verlangd wegens feiten die hebben plaatsgevonden na de publicatie van een aanvrage om een gemeenschapsmerk, die na de publicatie van de inschrijving van het gemeenschapsmerk krachtens deze publicatie verboden zouden zijn. De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, doet over de zaak zelf geen uitspraak voordat de inschrijving gepubliceerd is.”
14 In artikel 41 („Oppositie”) van deze verordening stond in de leden 1 en 3 te lezen: „1. Binnen een termijn van drie maanden na de dag waarop de aanvrage om een gemeenschapsmerk is gepubliceerd, kan tegen de inschrijving van dit merk oppositie worden ingesteld op grond van het feit dat de inschrijving van het merk krachtens artikel 8 moet worden geweigerd, en wel: […] c) in de in artikel 8, lid 4, vermelde gevallen, door de houders van de daar bedoelde merken of tekens, alsook door degenen die op grond van de toepasselijke nationale wetgeving die rechten kunnen doen gelden. […] 3. De oppositie moet schriftelijk worden ingesteld en met redenen omkleed zijn. De oppositie wordt pas geacht ingesteld te zijn, nadat de oppositietaks betaald is. Binnen een door het [Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)] te stellen termijn kan de opposant tot staving van de oppositie feiten, bewijzen en argumenten aanvoeren.”
15 De leden 2 en 3 van artikel 42 („Onderzoek van de oppositie”) van die verordening luidden als volgt: „2. Op verzoek van de aanvrager levert de houder van een ouder gemeenschapsmerk die oppositie heeft ingesteld, het bewijs dat in de vijf jaar vóór de publicatie van de aanvrage om een gemeenschapsmerk het oudere gemeenschapsmerk in de Gemeenschap normaal is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en waarop de oppositie gebaseerd is, of dat er een geldige reden is voor het niet gebruiken, voor zover het oudere merk op die datum sinds ten minste vijf jaar ingeschreven was. Kan dat bewijs niet worden geleverd, dan wordt de oppositie afgewezen. Wordt het oudere gemeenschapsmerk slechts gebruikt voor een deel van de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is, dan wordt het voor het onderzoek van de oppositie geacht alleen voor dat deel van de waren of diensten ingeschreven te zijn. 3. Lid 2 is van toepassing op de in artikel 8, lid 2, onder a), bedoelde oudere nationale merken, met dien verstande dat het gebruik in de Gemeenschap wordt vervangen door het gebruik in de lidstaat waar het oudere nationale merk beschermd wordt.”
16 In artikel 46 („Duur van de inschrijving”) van die verordening was bepaald: „De inschrijving van het gemeenschapsmerk geldt voor tien jaar, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvrage. […]”
17 Verordening nr. 207/2009 is gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21), die in werking is getreden op 23 maart 2016. Vervolgens is verordening nr. 207/2009 met ingang van 1 oktober 2017 ingetrokken en vervangen door verordening 2017/1001.
Verordening 2017/1001
18 In overweging 12 van verordening 2017/1001 staat te lezen: „Ter wille van de rechtszekerheid en met het oog op volledige overeenstemming met het voorrangsbeginsel, op grond waarvan een ingeschreven ouder merk voorrang krijgt op later ingeschreven merken, moet worden bepaald dat de handhaving van aan een Uniemerk verbonden rechten geen afbreuk doet aan rechten die houders vóór de datum van indiening of voorrang van het Uniemerk hebben verkregen. […]”
19 De bewoordingen van artikel 1, lid 2, artikel 8, leden 1 en 4, artikel 9, lid 1, en artikel 46, leden 1 en 4, van die verordening zijn vergelijkbaar met die van respectievelijk artikel 1, lid 2, artikel 8, leden 1 en 4, artikel 9, lid 1, eerste volzin, artikel 41, lid 1, en artikel 41, lid 3, laatste volzin, van verordening nr. 207/2009. Artikel 9, lid 2, van verordening 2017/1001, dat in essentie overeenkomt met artikel 9, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009, bepaalt dat „[o]nverminderd de rechten die houders vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het Uniemerk hebben verkregen” de houder van dat Uniemerk is gerechtigd iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van in artikel 9, lid 2, genoemde tekens in het economische verkeer te verbieden.
20 Artikel 47 („Onderzoek van de oppositie”) van verordening 2017/1001, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 42 van verordening nr. 207/2009, bepaalt in de leden 1 en 5: „1. Bij het onderzoek van de oppositie verzoekt het [EUIPO], zo dikwijls als nodig, de partijen binnen een door het [EUIPO] te stellen termijn te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van het [EUIPO] zelf. […] 5. Indien uit het onderzoek van de oppositie blijkt, dat het merk niet kan worden ingeschreven voor alle of een deel van de waren of diensten waarvoor het Uniemerk wordt aangevraagd, wordt de aanvraag voor de betrokken waren of diensten afgewezen. Zo niet, dan wordt de oppositie afgewezen.”
21 Lid 1 van artikel 51 („Inschrijving”) van verordening 2017/1001 luidt als volgt: „[…] [I]ndien enige ingediende oppositie door middel van intrekking, weigering of op enige andere wijze definitief is afgewezen, worden het merk en de in artikel 111, lid 2, bedoelde nadere gegevens ingeschreven in het register. De inschrijving wordt bekendgemaakt.”
22 Artikel 70 („Onderzoek van het beroep”) van deze verordening bepaalt in lid 2: „Bij het onderzoek van het beroep verzoekt de kamer van beroep zo dikwijls als nodig de partijen, binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf.”
23 In lid 1 van artikel 71 („Beslissing over het beroep”) van die verordening is bepaald: „Nadat onderzocht is of het beroep ontvankelijk is, beslist de kamer van beroep over het beroep. De kamer van beroep kan hetzij de bevoegdheden uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, hetzij de zaak voor verdere afdoening naar deze instantie terugwijzen.”
24 Artikel 139 („Verzoek tot het inleiden van de nationale procedure”) van die verordening bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. De aanvrager of houder van een Uniemerk kan verzoeken dat zijn aanvraag of zijn Uniemerk in een aanvraag voor een nationaal merk wordt omgezet[:] a) voor zover de aanvraag voor een Uniemerk is geweigerd of ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken; […] 2. Er vindt geen omzetting plaats: […] b) indien bescherming wordt verlangd in een lidstaat waar voor de aanvraag of het Uniemerk overeenkomstig de beslissing van het [EUIPO] of van de nationale rechterlijke instantie een grond voor weigering, verval of nietigheid van toepassing is. 3. De nationale aanvraag die uit de omzetting van een aanvraag of van een Uniemerk voortvloeit, krijgt in de betrokken lidstaat de datum van de aanvraag of de datum van voorrang van de aanvraag respectievelijk van het Uniemerk […].”
Verordening nr. 2868/95
25 Regel 19 („Substantiëring van de oppositie”) van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1041/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 (PB 2005, L 172, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 2868/95”), bepaalde in de leden 1 en 2: „1. Het [BHIM] stelt de opposant in de gelegenheid feiten, bewijzen en argumenten ter staving van zijn oppositie aan te dragen of ingevolge regel 15, lid 3, reeds aangedragen feiten, bewijzen of argumenten aan te vullen binnen een door het [BHIM] te stellen termijn die ten minste twee maanden bedraagt en ingaat op de datum waarop de oppositieprocedure overeenkomstig regel 18, lid 1, geacht wordt een aanvang te nemen. 2. Binnen de in lid 1 bedoelde termijn overlegt de opposant ook bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht, alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat hij gerechtigd is een oppositie in te dienen. De opposant verstrekt met name het volgende bewijsmateriaal: […] d) indien de oppositie berust op een ouder recht in de zin van artikel 8, lid 4, van de verordening, bewijsmateriaal betreffende de verkrijging en het voortbestaan van dat recht en de omvang van de daaraan verbonden bescherming; […]”
26 Lid 1 van regel 20 („Onderzoek van de oppositie”) van verordening nr. 2868/95 luidde als volgt: „Indien de opposant voor het verstrijken van de in regel 19, lid 1, bedoelde termijn geen bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht blijken en niet kan aantonen dat hij gerechtigd is de oppositie in te dienen, wordt de oppositie als ongegrond afgewezen.”
Gedelegeerde verordening 2018/625
27 Artikel 80 („Overgangsmaatregelen”) van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) luidt als volgt: „De bepalingen van [verordening nr. 2868/95] […] blijven van toepassing op lopende procedures totdat deze zijn afgerond waar deze verordening, overeenkomstig artikel 82 ervan, niet van toepassing is.”
28 Artikel 82 („Inwerkingtreding en toepassing”) van deze gedelegeerde verordening bepaalt in lid 2: „[Deze verordening] is van toepassing met ingang van de in lid 1 bedoelde datum van inwerkingtreding, met inachtneming van de volgende uitzonderingen: […] b) de artikelen 7 en 8 zijn niet van toepassing op oppositieprocedures waarvan de contradictoire fase vóór 1 oktober 2017 is aangevangen; […] j) titel V is niet van toepassing op beroepen die vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend; […]”
Voorgeschiedenis van het geding
29 De aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 15 en 22 van het bestreden arrest, kunnen als volgt worden samengevat.
30 Op 30 juni 2015 heeft Ye bij het EUIPO een aanvraag om inschrijving van een Uniemerk ingediend.
31 Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, betreft het volgende beeldteken:
32 De inschrijving werd aangevraagd voor waren en diensten die behoren tot de klassen 3, 9, 14, 18, 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.
33 De merkaanvraag is op 9 december 2015 gepubliceerd in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 234/2015.
34 Op 8 maart 2016 heeft Nowhere, verzoekster in eerste aanleg, krachtens artikel 41 van verordening nr. 207/2009 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor alle in punt 32 van het onderhavige arrest bedoelde waren en diensten.
35 De oppositie was met name gebaseerd op de volgende drie niet-ingeschreven oudere beeldmerken, die in het Verenigd Koninkrijk in het economische verkeer worden gebruikt:
36 Wat deze oudere merken betreft, was de oppositie gesteund op artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009.
37 Bij beslissing van 20 september 2017 heeft de oppositieafdeling de oppositie afgewezen.
38 Nowhere heeft op 17 november 2017 beroep ingesteld tegen deze beslissing.
39 Bij een eerste beslissing van 8 oktober 2018 heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO dat beroep afgewezen.
40 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 januari 2019, heeft Nowhere beroep ingesteld tot vernietiging van die eerste beslissing.
41 Bij beslissing van 17 juli 2019 [zaak R 2474/2017‑2 (REV)] heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO die eerste beslissing herroepen wegens een aan het EUIPO toe te rekenen kennelijke fout.
42 Bij beschikking van 18 december 2019, Nowhere/EUIPO – Ye (APE TEES) (T‑12/19, EU:T:2019:907), heeft het Gerecht vastgesteld dat er niet meer over het in punt 40 van het onderhavige arrest vermelde beroep hoefde te worden beslist.
43 Bij een tweede beslissing, te weten de litigieuze beslissing, heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO het in punt 38 van het onderhavige arrest genoemde beroep afgewezen. In het bijzonder heeft de kamer van beroep, wat betreft de in punt 35 van het onderhavige arrest genoemde oudere merken, in essentie geoordeeld dat na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en na het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 2020, de rechten die in het Verenigd Koninkrijk kunnen bestaan niet langer als grondslag konden dienen voor een oppositieprocedure op grond van met name artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009. De kamer van beroep was dan ook van oordeel dat Nowhere zich voor haar oppositie op grond van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 niet langer kon baseren op de regeling inzake de vordering wegens misbruik van een benaming („action for passing off”) als bedoeld in het recht van het Verenigd Koninkrijk. Wat die oudere merken betreft, heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO de afwijzing van de oppositie dus op die enkele grond bevestigd.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
44 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 mei 2021, heeft Nowhere beroep ingesteld tot vernietiging en herziening van de litigieuze beslissing, enkel voor zover de tweede kamer van beroep van het EUIPO bij deze beslissing het in punt 38 van het onderhavige arrest genoemde beroep heeft verworpen op de in punt 43 van dit arrest genoemde grond.
45 Ter ondersteuning van het beroep bij het Gerecht heeft Nowhere één middel aangevoerd, met name schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009. In het kader van dit middel heeft Nowhere in essentie betoogd dat de enige relevante datum voor de vaststelling van het bestaan van een ouder recht waarop een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk was gebaseerd, de datum was waarop de aanvraag tot inschrijving van dat merk was ingediend.
46 Het EUIPO heeft aangevoerd dat een dergelijk ouder recht niet alleen op die datum moest bestaan, maar ook op de datum waarop het zijn eindbeslissing over de oppositie heeft genomen. In casu is dat dus de datum waarop de litigieuze beslissing is vastgesteld.
47 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest vastgesteld dat, hoewel het Unierecht overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU niet langer van toepassing was op het Verenigd Koninkrijk vanaf de inwerkingtreding op 1 februari 2020 van het krachtens artikel 50, lid 2, VEU gesloten terugtrekkingsakkoord, uit de lezing van artikel 126 juncto artikel 127, lid 1, eerste volzin, van dat akkoord echter bleek dat, tenzij anders is bepaald, het Unierecht van toepassing bleef op en in deze staat tijdens een overgangsperiode die begon op de datum van inwerkingtreding van dat akkoord en eindigde op 31 december 2020 (hierna: „overgangsperiode”). Bovendien heeft het Gerecht in punt 25 van dat arrest opgemerkt dat in de artikelen 54 tot en met 61 van het terugtrekkingsakkoord, die deel uitmaken van titel IV van deel drie van dat akkoord en betrekking hebben op intellectuele eigendom, „niet gesproken [wordt]” over het lot van een oppositie die vóór de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord op grond van een in het Verenigd Koninkrijk beschermd ouder recht is ingesteld.
48 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 26 en 27 van dat arrest opgemerkt dat de litigieuze beslissing in de aanhangige zaak het enige relevante element van het administratieve dossier was dat dateert van na het verstrijken van de overgangsperiode, aangezien alle andere handelingen met betrekking tot de procedure voor het EUIPO sinds de indiening van de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk zijn verricht vóór de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en dus in elk geval vóór het verstrijken van de overgangsperiode.
49 In de derde plaats heeft het Gerecht allereerst in punt 28 van het bestreden arrest geoordeeld dat in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de in punt 18 van het bestreden arrest aangehaalde arresten van 8 mei 2014, Bimbo/BHIM (C‑591/12 P, EU:C:2014:305, punt 12), en 18 juni 2020, Primart/EUIPO (C‑702/18 P, EU:C:2020:489, punt 2 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waaruit in essentie blijkt dat de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het Uniemerk waartegen oppositie is ingesteld, beslissend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, uit „thans […] vaste” rechtspraak van het Gerecht, die onder meer is aangehaald in het arrest van 30 januari 2020, Grupo Textil Brownie/EUIPO – The Guide Association (BROWNIE) (T‑598/18, EU:T:2020:22, punt 19; hierna: „Brownie-rechtspraak”), bleek dat de vraag of er sprake was van een relatieve weigeringsgrond, moest worden beoordeeld op de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk waartegen oppositie werd ingesteld.
50 In punt 29 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat volgens de Brownie-rechtspraak de omstandigheid dat het oudere merk de hoedanigheid van in een lidstaat ingeschreven merk kan verliezen na de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag, met name na een eventuele terugtrekking van de betrokken lidstaat uit de Unie, in beginsel niet relevant was voor de uitkomst van de oppositie.
51 Vervolgens heeft het Gerecht, ook op basis van deze rechtspraak, in punt 30 van dat arrest uit deze overwegingen afgeleid dat de omstandigheid dat een oppositie op grond van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 was gebaseerd op niet-ingeschreven oudere merken die in het economische verkeer in het Verenigd Koninkrijk worden gebruikt en op de in het recht van het Verenigd Koninkrijk neergelegde regeling inzake misbruik van een benaming, niet relevant was voor een oppositie tegen een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk die is ingesteld vóór de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en het verstrijken van de overgangsperiode.
52 Ten slotte is het Gerecht in punt 31 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat, aangezien in casu de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk vóór die inwerkingtreding en het verstrijken van die periode was ingediend, die niet-ingeschreven oudere merken, voor zover zij in het economisch verkeer in het Verenigd Koninkrijk waren gebruikt, in casu de oppositie in beginsel wel degelijk konden rechtvaardigen. Het Gerecht was van oordeel dat de tweede kamer van beroep van het EUIPO hier rekening mee had moeten houden bij haar beoordeling.
53 In de vierde plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat het door het EUIPO voor het Gerecht gevoerde betoog niet aan deze conclusie kan afdoen.
54 Ten eerste heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest het betoog van het EUIPO inzake het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd in artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 van de hand gewezen door erop te wijzen dat uit het gebruik van die tijdvorm in een bepaling op zich geen enkele conclusie kon worden getrokken met betrekking tot de uitlegging ervan, en voorts dat, gelet op de bewoordingen „[n]a oppositie door de houder van een niet-ingeschreven merk”, waarmee artikel 8, lid 4, begint, niet kan worden uitgesloten dat het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd eerder betrekking heeft op de datum waarop de oppositie is ingesteld dan op de datum waarop de litigieuze beslissing is vastgesteld.
55 Wat ten tweede de door het EUIPO aangevoerde bepalingen van regel 19, lid 2, onder d), en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 betreft, heeft het Gerecht in punt 36 van dat arrest opgemerkt dat uit de bewoordingen van laatstgenoemde regel bleek dat het bewijs van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van het oudere recht moest worden overgelegd vóór het verstrijken van de in eerstgenoemde regel bedoelde termijn. Het Gerecht heeft echter vastgesteld dat deze termijn in casu was verstreken vóór de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en het verstrijken van de overgangsperiode. In punt 37 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat de stelling van het EUIPO dat de relevante datum voor de vaststelling van het bestaan van de betrokken oudere rechten de datum was waarop de litigieuze beslissing was vastgesteld, „minstens in het onderhavige geval” door die bepalingen wordt tegengesproken.
56 Ten derde heeft het Gerecht, in antwoord op het op grond van artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 gebaseerde betoog, in de punten 38 en 39 van dat arrest benadrukt dat het onderzoek van een oppositie niet systematisch een onderzoek van het normale gebruik van het oudere merk impliceerde, aangezien dit onderzoek slechts op verzoek van de aanvrager kon plaatsvinden, en dat artikel 42, lid 2, van deze verordening hoe dan ook verwees naar de vijf jaar vóór de publicatie van de Uniemerkaanvraag, en niet naar de periode die eindigt op de datum waarop het EUIPO zijn eindbeslissing over de oppositie neemt.
57 Ten vierde heeft het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest de verwijzingen van het EUIPO naar bepalingen en rechtspraak inzake vorderingen tot nietigverklaring van de hand gewezen door te benadrukken dat deze niet noodzakelijkerwijs relevant waren in het kader van een geschil betreffende een oppositieprocedure.
58 Ten vijfde heeft het Gerecht, in antwoord op het betoog van het EUIPO dat vanaf het verstrijken van de overgangsperiode in wezen geen enkel conflict kon ontstaan tussen het aangevraagde merk en de niet-ingeschreven oudere merken die in het Verenigd Koninkrijk in het economisch verkeer worden gebruikt, in punt 41 van het bestreden arrest opgemerkt dat het aangevraagde merk overeenkomstig artikel 51 van verordening 2017/1001 werd ingeschreven indien enige ingestelde oppositie was beëindigd, met name door middel van weigering, en dat uit artikel 52 van deze verordening uitdrukkelijk bleek dat de inschrijving gold vanaf de datum van indiening van de aanvraag, en niet pas vanaf de datum van de definitieve afwijzing van een eventuele oppositie.
59 In punt 42 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat, zelfs indien wordt aangenomen dat na het verstrijken van de overgangsperiode geen conflict tussen de betrokken merken meer kan ontstaan, dit niet wegneemt dat bij inschrijving van het aangevraagde merk een dergelijk conflict toch had kunnen bestaan in de periode tussen de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag en die van het verstrijken van de overgangsperiode. Het Gerecht heeft opgemerkt dat het moeilijk te begrijpen was waarom Nowhere ook in die periode de bescherming zou moeten worden geweigerd van haar niet-ingeschreven oudere merken die in het economische verkeer in het Verenigd Koninkrijk werden gebruikt en dat dus diende te worden erkend dat Nowhere een rechtmatig belang had bij het slagen van haar oppositie wat die periode betreft.
60 Ten zesde heeft het Gerecht in de punten 44 en 45 van dat arrest geoordeeld dat het betoog van het EUIPO ook moest worden afgewezen wat betreft de omstandigheid dat de aanvrager van het betrokken Uniemerk krachtens artikel 139 van verordening 2017/1001 zijn Uniemerkaanvraag kon omzetten in aanvragen voor nationale merken in alle lidstaten van de Unie, en aldus op hetzelfde grondgebied bescherming van hetzelfde merk kan verkrijgen via een omslachtige en dure weg, terwijl de belemmering voor inschrijving niet meer bestaat in de Unie. Het Gerecht heeft immers opgemerkt dat dergelijke overwegingen in beginsel golden voor alle oppositieprocedures en voorts dat volgens artikel 139, lid 3, van verordening 2017/1001 de nationale aanvraag die uit de omzetting van een Uniemerkaanvraag voortvloeit, in de betrokken lidstaat de datum van deze laatste aanvraag krijgt, waardoor er dus sprake kon zijn van een conflict in de periode tussen de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag en de datum van het verstrijken van de overgangsperiode.
61 Gelet op het voorgaande is het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat geen van de door het EUIPO aangevoerde argumenten steun boden aan zijn standpunt dat de datum van vaststelling van de litigieuze beslissing – „in casu het enige element dat na het verstrijken van de overgangsperiode [heeft plaatsgevonden]” – de relevante datum was voor de beslechting van het onderhavige geding, en heeft het geoordeeld dat het enige middel van Nowhere diende te worden toegewezen en de litigieuze beslissing diende te worden vernietigd. Om de in de punten 47 en 48 van dat arrest uiteengezette redenen heeft het Gerecht het beroep daarentegen verworpen voor het overige.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening
62 Bij akte, neergelegd op 23 mei 2022, heeft het EUIPO krachtens artikel 170 bis, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om zijn hogere voorziening toe te laten overeenkomstig artikel 58 bis, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
63 Bij beschikking van 16 november 2022, EUIPO/Nowhere (C‑337/22 P, EU:C:2022:908), is de hogere voorziening toegelaten.
64 Bij beslissing van 21 maart 2023 heeft de president van het Hof de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van het EUIPO.
65 Bij beschikking van de president van het Hof van 27 april 2023, EUIPO/Nowhere (C‑337/22 P, EU:C:2023:409) is de International Trademark Association (INTA) toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van het EUIPO.
66 Bij beslissing van de president van het Hof van 3 oktober 2023 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de uitspraak van het arrest van 20 juni 2024, EUIPO/Indo European Foods (C‑801/21 P, EU:C:2024:528). Naar aanleiding van deze uitspraak is die procedure bij beslissing van de president van het Hof van 20 juni 2024 hervat.
67 Met zijn hogere voorziening verzoekt het EUIPO het Hof: – het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen; – het beroep van Nowhere tegen de litigieuze beslissing in zijn geheel te verwerpen, en – Nowhere te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure voor het Gerecht.
68 Nowhere verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – het EUIPO te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.
69 De Bondsrepubliek Duitsland ondersteunt de conclusies van het EUIPO.
70 De INTA verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, en – Nowhere te verwijzen in haar eigen kosten.
Hogere voorziening
71 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert het EUIPO één middel aan. Met dit middel betoogt het EUIPO in essentie dat de vaststelling van het Gerecht dat de tweede kamer van beroep van het EUIPO bij haar beoordeling van de betrokken oppositie rekening moest houden met de niet-ingeschreven oudere merken, voor zover deze in het economisch verkeer in het Verenigd Koninkrijk waren gebruikt, ontoereikend is gemotiveerd en blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen. Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Met het eerste onderdeel stelt het EUIPO dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen doordat het niet rechtens genoegzaam heeft uiteengezet waarom het bij die vaststelling is afgeweken van zijn vaste rechtspraak. Met het tweede onderdeel betoogt het EUIPO dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitlegging van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009. Met het derde onderdeel stelt het EUIPO dat het Gerecht de rechtsgevolgen van artikel 50, lid 3, VEU en de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord heeft miskend en het territorialiteitsbeginsel zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden.
72 Ter ondersteuning van de conclusies van deze hogere voorziening voert de Bondsrepubliek Duitsland ook aan dat het beroep van Nowhere bij het Gerecht had moeten worden verworpen omdat zij geen procesbelang had, daar die oudere merken tijdens de beroepsprocedure bij het EUIPO niet meer bestonden.
Ontvankelijkheid
73 Nowhere betwist de ontvankelijkheid van de hogere voorziening, in essentie op grond dat er geen vraag aan de orde is die van belang is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht in de zin van artikel 58 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aangezien bij de litigieuze beslissing het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur was geschonden en deze beslissing in die omstandigheden hoe dan ook moet worden vernietigd, waarbij het dictum van het bestreden arrest op die grond moest worden gebaseerd.
74 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat het Hof de hogere voorziening in haar geheel heeft toegelaten, aangezien het van oordeel was dat het door het EUIPO overeenkomstig artikel 170 bis, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ingediende verzoek om toelating van de hogere voorziening rechtens genoegzaam aantoonde dat bij de hogere voorziening een vraag aan de orde kwam die van belang is voor de eenheid, de samenhang en de ontwikkeling van het Unierecht (beschikking van 16 november 2022, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2022:908, punten 41 en 42).
75 Ten tweede heeft de vraag of het dictum van het bestreden arrest kan worden gebaseerd op andere rechtsgronden dan die van dat arrest, geen invloed op de ontvankelijkheid van de hogere voorziening.
76 Het betoog van Nowhere moet dus worden afgewezen.
Betoog van de Bondsrepubliek Duitsland dat Nowhere geen procesbelang voor het Gerecht had
77 In herinnering moet worden gebracht dat een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een bij het Hof aanhangig geding, het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de hoofdpartijen, niet mag wijzigen. Derhalve zijn enkel de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen vastgestelde kader, ontvankelijk (arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Door een middel van openbare orde aan te voeren, dat door de Unierechter ambtshalve kan en zelfs moet worden opgeworpen, treedt een interveniënt echter niet buiten de grenzen van het bij die rechter aanhangige geschil (zie in die zin arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a., C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het kader van een hogere voorziening vormt elke omstandigheid die betrekking heeft op de ontvankelijkheid van een bij het Gerecht ingesteld beroep tot nietigverklaring en, met name, op het belang van de partij die dit beroep heeft ingesteld om de bestreden handeling nietig te laten verklaren, een dergelijk middel van openbare orde (zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Silver e.a./Raad, C‑499/21 P, EU:C:2023:479, punten 38 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 In casu voert de Bondsrepubliek Duitsland in haar memorie in interventie, ter ondersteuning van de conclusies van de hogere voorziening, met name aan dat het beroep van Nowhere bij het Gerecht had moeten worden verworpen omdat zij geen procesbelang had, aangezien dit beroep Nowhere geen enkel voordeel meer kon verschaffen omdat het oudere merk dat ter ondersteuning van de oppositie tijdens de beroepsprocedure voor de kamer van beroep werd ingeroepen, was „verdwenen”.
80 Gelet op hetgeen in punt 78 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is het zo dat het EUIPO in de hogere voorziening weliswaar niet heeft aangevoerd dat Nowhere geen procesbelang had om op te komen tegen de litigieuze beslissing, maar dat het desbetreffende betoog van de Bondsrepubliek Duitsland ontvankelijk is.
81 Ten gronde zij eraan herinnerd dat het bestaan van een belang bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de persoon die het heeft ingesteld. De vraag of er sprake is van een dergelijk voordeel moet concreet worden beoordeeld, rekening houdend met alle gevolgen die kunnen voortvloeien uit de vaststelling van een eventuele onrechtmatigheid van de beslissing waartegen het beroep is ingesteld, en met de aard van de schade die zou zijn geleden (zie in die zin arrest van 20 juni 2024, EUIPO/Indo European Foods, C‑801/21 P, EU:C:2024:528, punten 80 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 In de litigieuze beslissing werd de beslissing van de oppositieafdeling om de oppositie van Nowhere af te wijzen bevestigd op grond dat Nowhere vanaf de datum van het verstrijken van de overgangsperiode geen aanspraak meer kon maken op haar in het Verenigd Koninkrijk niet-ingeschreven oudere merken ter ondersteuning van deze oppositie. Nowhere kon dus voordeel halen uit de vaststelling dat deze grond onrechtmatig was en uit de vernietiging van de litigieuze beslissing.
83 Het betoog van de Bondsrepubliek Duitsland dat Nowhere geen procesbelang in de procedure bij het Gerecht had, moet dus ongegrond worden verklaard.
Ten gronde
84 Aangezien de aanvraag tot inschrijving van het in het onderhavige geding aan de orde zijnde Uniemerk is ingediend op 30 juni 2015, moet vooraf worden opgemerkt dat op dit geding, ten eerste, de materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009, die op die datum van kracht waren, en ten tweede, de procedurevoorschriften van verordening 2017/1001 van toepassing zijn (zie naar analogie arrest van 20 juni 2024, EUIPO/Indo European Foods, C‑801/21 P, EU:C:2024:528, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tweede onderdeel van het enige middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009
– Argumenten van partijen
85 Met het tweede onderdeel van zijn enige middel, dat als eerste moet worden onderzocht, stelt het EUIPO, dat wordt ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland en de INTA, dat de houder van een ouder recht zowel in oppositieprocedures als in nietigheidsprocedures het bestaan, de geldigheid en de omvang van dit recht moet bewijzen en dit niet alleen moet doen op de datum van indiening of voorrang van de betrokken Uniemerkaanvraag om aan te tonen dat dit recht aan die aanvraag voorafgaat, maar ook op de datum waarop het EUIPO uitspraak doet, om zodoende aan te tonen dat dit recht nog steeds bestaat. Het ex nunc verdwijnen van dat recht tijdens de procedure voor het EUIPO, met name in geval van verstrijken, verval of afstand, leidt noodzakelijkerwijs tot afwijzing van de betrokken oppositie of vordering tot nietigverklaring. Dergelijke algemene regels zijn door het Gerecht erkend in de punten 30 tot en met 34 van het arrest van 13 september 2006, MIP Metro/BHIM – Tesco Stores (METRO) (T‑191/04, EU:T:2006:254; hierna: „arrest Metro”), en bevestigd in zijn latere rechtspraak.
86 Volgens het EUIPO vloeien deze regels voort uit de bewoordingen van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009, in het bijzonder uit het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd en de grammaticale structuur van deze bewoordingen, uit de context ervan, met name uit de bewoordingen van regel 19, lid 2, onder d), en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 en artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, alsmede uit het algemene doel van de oppositieprocedure, dat erin bestaat de belangen van houders van oudere rechten te beschermen door de wezenlijke functie van die rechten te vrijwaren tegen conflicten met Uniemerken die voortvloeien uit het gelijktijdig bestaan van twee geldige en tegenwerpbare rechten.
87 Het EUIPO verwijt het Gerecht dat het in de punten 28 tot en met 31 van het bestreden arrest een nieuwe algemene regel heeft „gecreëerd” die inhoudt dat de gebeurtenissen met betrekking tot een ouder merk die zich voordoen na de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk, niet relevant zijn voor de uitkomst van de oppositie tegen de inschrijving van dit merk. In dit verband heeft het Gerecht zich gebaseerd op overwegingen betreffende het materiële recht dat ratione temporis van toepassing is en de beoordeling van het bestaan van een relatieve weigeringsgrond op de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde Uniemerk, en op eigen rechtspraak die niet relevant is. Het Gerecht heeft daaruit ten onrechte geoordeeld dat het EUIPO verplicht was om rekening te houden met oudere rechten die in het Verenigd Koninkrijk waren beschermd en waren ingeroepen tegen een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk die vóór het verstrijken van de overgangsperiode was ingediend.
88 Voorts voert het EUIPO aan dat het Gerecht in de punten 34 tot en met 42 van dat arrest artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 heeft uitgelegd zonder rekening te houden met de bewoordingen, de context en de doelstellingen van deze bepaling, doordat het Gerecht het betoog betreffende die aspecten dat het EUIPO had aangevoerd om het bestaan van de in punt 85 van het onderhavige arrest bedoelde regels aan te tonen, heeft afgewezen.
89 Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 betreft, heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest het betoog van het EUIPO onjuist uitgelegd en de grammaticale structuur van deze bepaling verkeerd begrepen.
90 Wat ten tweede de context van die bepaling betreft, heeft het Gerecht in de punten 36 en 37 van dat arrest het belang van die context geminimaliseerd door te oordelen dat regel 19, lid 1, en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95 niet verwijzen naar de datum waarop de beslissing over de oppositie wordt genomen. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 38 en 39 van het bestreden arrest het betoog van het EUIPO inzake de voorwaarden voor normaal gebruik van het oudere merk ten onrechte afgewezen, hoewel uit deze voorwaarden blijkt dat er sprake is van een mechanisme dat verhindert dat de aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk wordt afgewezen wanneer er op de datum waarop de beslissing over de oppositie wordt genomen, geen conflict is. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 40 van dat arrest ten onrechte geweigerd om de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen en de rechtspraak inzake nietigheidsprocedures als relevant te beschouwen.
91 Wat ten derde de doelstellingen van oppositieprocedures betreft, betoogt het EUIPO dat het oordeel van het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest dat Nowhere een rechtmatig belang had bij het slagen van haar oppositie, berust op onjuiste overwegingen. In zijn beoordeling of er sprake is van een potentieel conflict in geval van inschrijving, heeft het Gerecht de datum van indiening of voorrang van een Uniemerkaanvraag – die hoofdzakelijk tot doel heeft de chronologische volgorde van de rechten overeenkomstig het voorrangsbeginsel te bepalen – verward met de datum waarop de inschrijving van dit merk wordt gepubliceerd, vanaf welke datum Uniemerken aan derden kunnen worden tegengeworpen. Verder blijkt met name uit de rechtspraak van het Hof dat inbreukvorderingen en administratieve procedures zich onderscheiden door hun voorwerp en hun gevolgen. In tegenstelling tot wat het Gerecht heeft geoordeeld, houdt het standpunt van het EUIPO dus niet in dat Nowhere de bescherming wordt ontzegd van haar in het Verenigd Koninkrijk niet-ingeschreven oudere merken in de periode tussen de datum van indiening van de aan de orde zijnde merkaanvraag en de datum waarop de overgangsperiode verstrijkt.
92 Nowhere is van mening dat het betoog van het EUIPO ongegrond is.
93 In dit verband voert zij aan dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie geen invloed heeft op de bescherming van haar oudere rechten, aangezien de enige relevante datum voor het onderzoek van de door haar ingestelde oppositie de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk is, op welke datum het Verenigd Koninkrijk nog een lidstaat van de Unie was.
94 Voorts stelt zij dat op de datum waarop zij haar oppositie heeft ingesteld, het betrokken oudere merk binnen de Unie territoriaal werd beschermd krachtens het merkenrecht.
95 Daarnaast betoogt zij dat het EUIPO zich baseert op een hypothese die geen enkele grondslag vindt in de relevante bepalingen van verordening nr. 207/2009, namelijk dat de beëindiging van de geldigheid van een ouder recht tijdens de oppositieprocedure steeds moet leiden tot afwijzing van de oppositie, indien de eindbeslissing over de oppositie nog niet is genomen.
96 Ten eerste stelt zij dat het Gerecht namelijk terecht heeft geoordeeld dat het enkele gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd in artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 die hypothese niet ondersteunde.
97 Ten tweede volgt uit de relevante bepalingen van verordening nr. 207/2009, met name artikel 41, niet dat de betrokken oudere rechten op de datum van de litigieuze beslissing nog steeds als zodanig moeten kunnen worden gekwalificeerd. Van belang is enkel of de betrokken oudere merken op de datum van indiening of voorrang van de aan de orde zijnde aanvraag om inschrijving van een Uniemerk „oudere rechten” waren.
98 Ten derde verwijst het EUIPO met het arrest Metro naar een andere situatie dan die van het onderhavige geding, zoals het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest heeft benadrukt, aangezien de vernieuwing van een merk niet kan worden gelijkgesteld met een politiek feit dat losstaat van de partijen.
99 Ten vierde gaat het EUIPO, met zijn redenering betreffende de vereisten die voortvloeien uit artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, voorbij aan de talrijke gevallen waarin geen rekening is gehouden met het normale gebruik van het oudere merk wanneer dat nog geen vijf jaar was ingeschreven.
– Beoordeling door het Hof
100 Om in punt 31 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat de door Nowhere op grond van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 aangevoerde in het Verenigd Koninkrijk niet-ingeschreven oudere merken haar oppositie in beginsel konden rechtvaardigen, heeft het Gerecht zich gebaseerd op zijn in de punten 28 tot en met 30 van dat arrest in herinnering gebrachte Brownie-rechtspraak.
101 In deze rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat het bestaan van een relatieve weigeringsgrond, die ter ondersteuning van een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk is ingeroepen, moet worden beoordeeld op de datum waarop de aanvraag voor deze inschrijving is ingediend. De omstandigheid dat het oudere merk waarop de oppositie is gebaseerd na die datum zijn status van ingeschreven of beschermd merk in een lidstaat verliest, heeft in beginsel geen invloed op de uitkomst van die oppositie.
102 Zoals het EUIPO in het tweede onderdeel van zijn enige middel in essentie betoogt, vindt een dergelijke premisse echter geen steun in de bewoordingen en de context van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in het bijzonder, noch in de doelstellingen van de oppositieprocedure in het algemeen.
103 In dit verband is het in de eerste plaats zo dat volgens artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 „de inschrijving van het aangevraagde merk [wordt] geweigerd”„[n]a oppositie door de houder van een niet-ingeschreven merk of een ander in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis”, „indien en voor zover” dit teken overeenkomstig het toepasselijke Unierecht of het recht van de lidstaat voldoet aan twee voorwaarden, namelijk ten eerste dat „de rechten op dit teken verworven zijn vóór de datum van indiening van de aanvrage van het [Uniemerk] of, in voorkomend geval, de datum van het ten behoeve van [deze] aanvrage ingeroepen recht van voorrang” [artikel 8, lid 4, onder a)], en ten tweede dat „dit teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden” [artikel 8, lid 4, onder b)].
104 Zoals wordt benadrukt door het gebruik van de voltooid tegenwoordige tijd en het voorzetsel „vóór”, heeft de voorwaarde van artikel 8, lid 4, onder a), van deze verordening uitdrukkelijk betrekking op een tijdscriterium, namelijk dat de rechten die zijn verkregen op het ter ondersteuning van de oppositie ingeroepen teken ouder zijn dan de datum van indiening van de betrokken Uniemerkaanvraag of, in voorkomend geval, de datum van voorrang waarop deze oppositie is gebaseerd.
105 Hoewel de voorwaarde van artikel 8, lid 4, onder b), van deze verordening ook uitvoering geeft aan dit criterium door te eisen dat het ter ondersteuning van de oppositie aangevoerde teken de houder ervan krachtens de daarop toepasselijke wetgeving „het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden”, moet daarentegen worden opgemerkt dat deze voorwaarde in de onvoltooid tegenwoordige tijd is opgesteld en niet verwijst naar een datum waarop aan die voorwaarde moet zijn voldaan.
106 Evenzo moet worden benadrukt dat in artikel 8, lid 4, van die verordening de bewoordingen „wordt de inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd”, die verwijzen naar de beslissing van het EUIPO tot toewijzing van de oppositie en tot afwijzing van de Uniemerkaanvraag, eveneens in de onvoltooid tegenwoordige tijd zijn opgesteld.
107 Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de verkrijging van het oudere recht dat wordt ingeroepen ter ondersteuning van een op deze bepaling gebaseerde oppositie, inderdaad moet worden beoordeeld aan de hand van de datum van indiening van de betrokken Uniemerkaanvraag of, in voorkomend geval, de datum van voorrang. Daaruit volgt echter ook dat deze oppositie slechts kan worden toegewezen indien dit oudere recht de houder ervan krachtens de wetgeving van een lidstaat of van de Unie „het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden” niet alleen op die datum, maar ook op de latere datum waarop die oppositie wordt ingesteld en tot de datum waarop wordt beslist of „de inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd”.
108 In de tweede plaats is het zo dat deze uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009.
109 Ten eerste moet worden opgemerkt dat met betrekking tot opposities die gebaseerd zijn op ingeschreven oudere merken waarop artikel 8, leden 1 en 2, van die verordening van toepassing is, de bewoordingen van artikel 8, lid 4, en die van artikel 8, leden 1 en 2, van die verordening, waarvan de structuur vergelijkbaar is, suggereren dat de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag weliswaar relevant is voor de beoordeling of deze ingeschreven oudere merken ouder zijn, maar dat voor de toewijzing van de oppositie is vereist dat die oudere merken nog bestaan op de datum waarop over die oppositie wordt beslist. Terwijl artikel 8, lid 2, „oudere merken” voor de toepassing van artikel 8, lid 1, definieert als met name „de merken waarvan de datum van de aanvrage om inschrijving voorafgaat aan de datum van de aanvrage om een [Uniemerk], waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met het ten behoeve van deze merken ingeroepen recht van voorrang”, bepaalt artikel 8, lid 1, namelijk dat „[n]a oppositie door de houder van een ouder merk” de „inschrijving van het aangevraagde merk [wordt] geweigerd” wanneer aan de voorwaarden van laatstgenoemde bepaling is voldaan.
110 Ten tweede volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het aan de kamers van beroep staat om na te gaan of het krachtens artikel 8, lid 4, van verordening nr. 40/94 ingeroepen oudere recht niet ongeldig is verklaard bij een rechterlijke beslissing die op de datum waarop de betrokken kamer van beroep uitspraak doet op het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet meer vatbaar is voor beroep, teneinde zich ervan te vergewissen dat dit recht nog steeds de door die bepaling vereiste gevolgen sorteert (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, Anheuser-Busch/Budějovický Budvar, C‑96/09 P, EU:C:2011:189, punten 95‑97 en 205).
111 Bovendien blijkt uit deze rechtspraak dat, wanneer er geen dergelijke definitieve rechterlijke beslissing is en het betrokken oudere recht dus nog steeds bestaat op de datum waarop het EUIPO definitief uitspraak op de oppositie doet, het aan het EUIPO staat om te onderzoeken of de opposant heeft aangetoond dat het betrokken teken binnen de werkingssfeer van het ingeroepen recht van de lidstaat valt en of het op grond daarvan is toegestaan om het gebruik van een later merk te verbieden (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, Anheuser-Busch/Budějovický Budvar, C‑96/09 P, EU:C:2011:189, punten 95‑97 en 205‑207).
112 Uit de voorgaande overwegingen volgt dus dat de vraag of er nog steeds een geldig ouder recht bestaat dat bescherming geniet, moet worden beoordeeld op de datum waarop het EUIPO definitief uitspraak doet over de oppositie om te beslissen of „de inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd”, daaronder begrepen in het stadium van het beroep voor de kamer van beroep. Dit is een vraag die het EUIPO moet beantwoorden alvorens na te gaan of de opposant heeft aangetoond dat dit oudere recht bovendien voldoet aan de materiële voorwaarden van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 en met name dat dit recht de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden.
113 In de derde plaats vindt deze uitlegging steun in de doelstellingen van de oppositieprocedure.
114 In dit verband moet worden opgemerkt dat de voorrangscriteria die zijn vermeld in artikel 8, lid 2, onder a), van verordening nr. 207/2009 – met betrekking tot ingeschreven oudere merken – en in artikel 8, lid 4, van deze verordening – met betrekking tot niet-ingeschreven merken – uitvoering geven aan het in overweging 12 van verordening 2017/1001 in herinnering gebrachte voorrangsbeginsel.
115 Volgens dit beginsel komt het uitsluitende recht dat deze verordeningen aan de houder van het Uniemerk verlenen, toe aan diegene die het betrokken merk als eerste heeft ingeschreven of verkregen. In dit verband blijkt uit artikel 46 van verordening nr. 207/2009 dat de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag voor dit merk of, in voorkomend geval, de datum van voorrang die is ingeroepen ter ondersteuning van die aanvraag, bepalend is. In geval van conflict tussen twee merken wordt het eerst verkregen of het als eerste ingeschreven merk geacht de ter verkrijging van de bescherming gestelde voorwaarden te vervullen vóór het als tweede ingeschreven Uniemerk (zie in die zin arrest van 21 februari 2013, Fédération Cynologique Internationale, C‑561/11, EU:C:2013:91, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Vanuit dit oogpunt beantwoordt de oppositieprocedure, die een van de in het kader van de inschrijvingsprocedure voor Uniemerken beschikbare mechanismen van voorafgaande controle is, aan een preventieve doelstelling die erin bestaat te voorkomen dat Uniemerken worden ingeschreven die in conflict kunnen komen met andere in het economische verkeer gebruikte merken of tekens, door de houder van een ouder merk de mogelijkheid te geven om te verhinderen dat een teken dat afbreuk aan dat merk kan doen, wordt ingeschreven, onverminderd de mogelijkheid waarover deze houder krachtens verordening nr. 207/2009 beschikt om een inbreukvordering wegens het gebruik van een later merk of een vordering tot nietigverklaring van dat merk in te stellen nadat het merk is ingeschreven (zie in die zin arrest van 21 februari 2013, Fédération Cynologique Internationale, C‑561/11, EU:C:2013:91, punten 42, 43, 45 en 48).
117 Bovendien is het algemene doel van verordening nr. 207/2009 erin gelegen om een afweging te maken tussen enerzijds het belang van de merkhouder bij handhaving van de wezenlijke functie van zijn merk – namelijk de consument of de eindgebruiker de identiteit van de oorsprong van de door dit merk aangeduide waar of dienst waarborgen, door hem in staat te stellen om deze waar of dienst zonder gevaar voor verwarring te onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst – en anderzijds het belang van andere marktdeelnemers om te beschikken over tekens die hun waren of diensten kunnen aanduiden (zie in die zin arresten van 30 mei 2018, Tsujimoto/EUIPO, C‑85/16 P en C‑86/16 P, EU:C:2018:349, punt 90, en 16 juli 2020, ACTC/EUIPO, C‑714/18 P, EU:C:2020:573, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Opdat het merk die wezenlijke functie kan vervullen, verleent verordening nr. 207/2009 de houder ervan dus een geheel van rechten, die evenwel beperkt worden tot hetgeen strikt noodzakelijk is om deze functie te verzekeren. Dit gebeurt met name door de toepassing van de regels inzake „normaal gebruik” in de zin van artikel 42, lid 2, eerste volzin, van deze verordening (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO, C‑714/18 P, EU:C:2020:573, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 In dit verband bepaalt artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, in de versie zoals van toepassing in het onderhavige geding, dat de aanvrager van een Uniemerk kan verzoeken dat de houder van het ingeschreven oudere merk bewijst dat dit oudere merk in de Unie „normaal is gebruikt” in de vijf jaar vóór de publicatie van de merkaanvraag waartegen oppositie is ingesteld. Wordt het oudere gemeenschapsmerk bovendien slechts gebruikt voor een deel van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, „dan wordt het voor het onderzoek van de oppositie geacht” alleen voor dat deel van de waren of diensten te zijn ingeschreven. Deze bepalingen weerspiegelen dus in het specifieke kader van oppositieprocedures het algemene doel van deze verordeningen, namelijk een evenwicht vinden tussen enerzijds de handhaving en het behoud van de exclusieve rechten die aan de houder van het oudere merk zijn verleend en anderzijds de beperking ervan teneinde rekening te houden met de belangen van derden (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO, C‑714/18 P, EU:C:2020:573, punten 33, 38 en 39).
120 Zoals in punt 101 van het onderhavige arrest is opgemerkt, blijkt uit de punten 28 tot en met 30 van het bestreden arrest evenwel dat volgens de Brownie-rechtspraak, wanneer een ouder merk na de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag zijn bescherming op het relevante grondgebied verliest, het EUIPO hiermee geen rekening mag houden bij de beoordeling of de oppositie moet worden toegewezen, ook indien dit gebeurt vóór het EUIPO uitspraak doet over de oppositie, hetzij in de oppositieprocedure, hetzij in de beroepsprocedure. Deze uitlegging heeft noodzakelijkerwijs tot gevolg dat het EUIPO de inschrijving van een Uniemerk moet weigeren wegens een potentieel conflict met een ouder merk, terwijl dat ouder merk op de datum van die weigering niet langer op dat grondgebied wordt beschermd door de daarop van toepassing zijnde wetgeving of verdragsbepalingen.
121 Wanneer het oudere merk niet langer wordt beschermd, kan de wezenlijke functie van dit merk echter niet meer in gevaar worden gebracht door de inschrijving van het Uniemerk, aangezien een dergelijk ouder merk niet langer geschikt is om die wezenlijke functie te vervullen. Bijgevolg is de uitlegging van verordening nr. 207/2009 waarop de redenering van het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest berust, in strijd met de algemene doelstelling van deze verordening, die erin gelegen is om de belangen van de houder van een ouder merk en die van derden om te beschikken over tekens die hun waren en diensten kunnen aanduiden, tegen elkaar af te wegen.
122 Uit al het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in de punten 28 tot en met 30 van het bestreden arrest te baseren op de premisse dat de vraag of er sprake is van een relatieve weigeringsgrond ter ondersteuning van een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk enkel moet worden beoordeeld op de datum van indiening van de aanvraag van deze inschrijving.
123 In punt 42 van het bestreden arrest heeft het Gerecht, in antwoord op het betoog van het EUIPO dat er na het verstrijken van de overgangsperiode geen conflict bestond tussen de oudere merken van Nowhere en het aangevraagde merk, geoordeeld dat er op zijn minst een conflict kon bestaan in de periode tussen de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag en die van het verstrijken van de overgangsperiode, zodat deze onderneming een rechtmatig belang had bij het slagen van haar oppositie. In dat verband dient ten eerste te worden opgemerkt dat nietigheids‑ en oppositieprocedures zich onderscheiden door hun voorwerp en hun gevolgen.
124 Zo blijkt uit de rechtspraak dat het feit dat de houder van een ouder Uniemerk een inbreukvordering tegen de houder van een recenter Uniemerk kan instellen, noch het instellen van een vordering tot nietigverklaring bij het EUIPO, noch de middelen van voorafgaande controle die in het kader van de procedure tot inschrijving van Uniemerken ter beschikking staan, waaronder de oppositieprocedure, nutteloos maakt (zie in die zin arrest van 21 februari 2013, Fédération Cynologique Internationale, C‑561/11, EU:C:2013:91, punt 48).
125 Evenmin heeft het instellen van een oppositie, die door het EUIPO zonder onderzoek ten gronde kan worden afgewezen, tot gevolg dat een inbreukvordering, die ertoe strekt het gebruik in het economisch verkeer te verbieden van tekens die identiek zijn aan of gelijkenis vertonen met het oudere merk, zonder voorwerp raakt; dit geldt ook wanneer het gaat om een recenter Uniemerk (zie naar analogie arrest van 21 februari 2013, Fédération Cynologique Internationale, C‑561/11, EU:C:2013:91, punten 45, 46 en 52) en dus a fortiori wanneer het gaat om een teken waarvoor, zoals in casu, een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk is ingediend die nog aanhangig is.
126 Deze redenering is mutatis mutandis van toepassing op een niet-ingeschreven ouder merk zoals bedoeld in artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009, dat volgens de bewoordingen van deze bepaling „de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden”.
127 In tegenstelling tot de premisse waarop de redenering van het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest berust, heeft de afwijzing van de oppositie van Nowhere op grond dat er na het verstrijken van de overgangsperiode geen enkel conflict tussen de betrokken merken kan ontstaan dus niet tot gevolg dat aan deze onderneming bescherming moet worden geweigerd voor haar niet-ingeschreven oudere merken die vóór die datum in het economisch verkeer in het Verenigd Koninkrijk zijn gebruikt, met name wat betreft een eventueel conflict in verband met het gebruik van een Uniemerk.
128 Voor zover Nowhere krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk het recht had om het gebruik van een later merk in de zin van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 te verbieden, was die onderneming in die periode namelijk bevoegd om bij de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk een vordering wegens schending van haar rechten in te stellen tegen het gebruik van het Uniemerk waarop de betrokken inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, zonder dat de latere inschrijving van dat laatstgenoemde merk hoe dan ook aan die vordering in de weg kon staan.
129 Ten tweede moet worden opgemerkt dat oppositieprocedures, in tegenstelling tot inbreukprocedures, geen betrekking hebben op een conflict dat verband houdt met het daadwerkelijke gebruik van de merken in het economisch verkeer, maar op een potentieel conflict dat afhangt van de aangevraagde inschrijving en verband houdt met de omstandigheid dat twee concurrerende intellectuele-eigendomsrechten die allebei geldig zijn en kunnen worden tegengeworpen, naast elkaar bestaan.
130 In dit verband heeft het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 207/2009 de geldigheidsduur van de inschrijving van het Uniemerk tien jaar bedraagt vanaf de datum van indiening van de aanvraag.
131 In tegenstelling tot hetgeen het Gerecht in punt 42 van dat arrest hieruit lijkt af te leiden, volgt daaruit echter niet dat er vanaf die datum een risico op conflict bestaat tussen dit merk en een ouder merk. Overeenkomstig artikel 9, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009 kan immers op het Uniemerk tegenover derden pas een beroep worden gedaan na de datum van publicatie van de inschrijving van dat merk. In het bijzonder volgt hieruit dat het uitsluitende recht dat het Uniemerk aan de houder ervan verleent, op grond waarvan hij derden middels een inbreukprocedure op grond van artikel 9, leden 1 en 2, van deze verordening kan verbieden een merk te gebruiken, alleen betrekking kan hebben op handelingen van derden van na de publicatie van de inschrijving van dit Uniemerk (zie in die zin arrest van 22 juni 2016, Nikolajeva, C‑280/15, EU:C:2016:467, punt 37).
132 In de door het EUIPO voor het Gerecht aangevoerde en in punt 42 van het bestreden arrest bedoelde situatie, te weten die waarin de in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere merken vanaf het einde van de overgangsperiode niet meer in de Unie worden beschermd, bestaat er inderdaad een risico op een potentieel conflict tussen deze oudere merken en het Uniemerk indien laatstgenoemd merk vóór het verstrijken van deze periode wordt ingeschreven.
133 Aangezien in casu de oppositie van Nowhere nog aanhangig was en de tweede kamer van beroep van het EUIPO de litigieuze beslissing op het moment van verstrijken van de overgangsperiode nog niet had genomen, heeft deze oppositie Nowhere echter in staat gesteld om de wezenlijke functie van de betrokken oudere merken te beschermen door die inschrijving te verhinderen.
134 Indien wordt aangenomen dat de in punt 132 van het onderhavige arrest genoemde situatie zich voordoet, is het evenwel zo dat het aangevraagde Uniemerk op de datum waarop de overgangsperiode afliep nog niet was ingeschreven, zodat het in ieder geval pas kon worden ingeschreven nadat die oudere merken geen gevolgen meer sorteerden.
135 Bijgevolg wordt dit Uniemerk in dat geval bij inschrijving pas geldig en tegenwerpbaar wanneer er geen – ook geen potentieel – conflict met die oudere merken is. Gelet op de in punt 116 van het onderhavige arrest vermelde doelstelling van de oppositieprocedure, namelijk het voorkomen van een dergelijk potentieel conflict, kan dus niet worden vastgesteld dat Nowhere dan nog steeds een „rechtmatig belang” bij de weigering van inschrijving van het aangevraagde merk heeft, in tegenstelling tot hetgeen uit punt 42 van het bestreden arrest blijkt.
136 Hieruit volgt dat het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest het betoog van het EUIPO dat er geen conflict bestond tussen de oudere merken en het aangevraagde merk na het verstrijken van de overgangsperiode, heeft verworpen op grond van onjuiste premissen.
137 Met betrekking tot de onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven in de punten 34 en 40 van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht het betoog van het EUIPO heeft afgewezen wat betreft ten eerste de bewoordingen van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009, ten tweede de relevantie van regel 19, lid 2, onder d), en regel 20, lid 1, van verordening nr. 2868/95, ten derde het belang dat moet worden gehecht aan de voorwaarden inzake het normale gebruik van een ouder merk, en ten vierde de rechtspraak van het Gerecht betreffende nietigheidsprocedures, volstaat het op te merken dat, gelet op de vaststellingen in de punten 102 tot en met 136 van het onderhavige arrest, het al dan niet bestaan van die onjuiste rechtsopvattingen geen invloed kan hebben op de uitkomst van het tweede onderdeel van het enige middel.
138 Gelet op al het voorgaande en zonder dat de andere argumenten die het EUIPO ter ondersteuning van het tweede onderdeel van zijn enige middel heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, dient te worden geoordeeld dat dit tweede onderdeel slaagt.
139 Het door Nowhere aangevoerde betoog dat in de punten 102 tot en met 122 van het onderhavige arrest is verworpen en dat in essentie op dezelfde premisse berust als dat waarop het Gerecht zich in de punten 28 tot en met 31 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, kan niet afdoen aan deze conclusie.
140 Wat betreft de relevantie van de door Nowhere aangevochten verwijzing door het EUIPO naar het arrest Metro, moet voorts worden vastgesteld dat, ten eerste, zoals het EUIPO in zijn memorie van repliek heeft opgemerkt, het Gerecht in het bestreden arrest op de feiten van het onderhavige geding algemene beginselen heeft toegepast met betrekking tot de relevante datum voor de beoordeling van het bestaan van oudere rechten, zonder hierbij rekening te houden met het feit dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk – anders dan bijvoorbeeld het niet-vernieuwen van een ouder merk – een omstandigheid is die buiten de wil van de partijen ligt. Ten tweede is, zoals met name blijkt uit punt 121 van het onderhavige arrest, de vraag of het voor het onderzoek van een oppositie relevant is dat het oudere recht niet langer door het Unierecht beschermd wordt omdat een omstandigheid zich buiten de wil van de houder ervan heeft voortgedaan, niet doorslaggevend, aangezien in een dergelijk geval de wezenlijke functie van dit oudere recht hoe dan ook niet meer in gevaar kan worden gebracht door de inschrijving van het aangevraagde merk.
Derde onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling van de rechtsgevolgen van artikel 50, lid 3, VEU en de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord alsmede schending van het in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 207/2009 bedoelde territorialiteitsbeginsel
– Argumenten van partijen
141 Met het derde onderdeel van zijn enige middel, dat als tweede moet worden onderzocht, voert het EUIPO als opmerking vooraf aan dat de in punt 85 van het onderhavige arrest bedoelde algemene regels van toepassing zijn wanneer het oudere merk niet meer geldig is en niet in de Unie kan worden tegengeworpen wegens de daadwerkelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie na het verstrijken van de overgangsperiode.
142 Ter ondersteuning van deze stelling merkt het EUIPO ten eerste op dat het terugtrekkingsakkoord geen uitdrukkelijke bepaling bevat die, in afwijking van deze algemene regels, voorziet in een andere behandeling van het verval van de rechtsgevolgen en van de in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere merken dan die welke van toepassing is op elk ouder recht.
143 Hieruit volgt dat het Gerecht in punt 25 van het bestreden arrest tevergeefs heeft opgemerkt dat het terugtrekkingsakkoord geen bepalingen bevatte die het lot regelden van een oppositie die vóór de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord op grond van een in het Verenigd Koninkrijk beschermd ouder recht is ingesteld, aangezien deze omstandigheid niet kon rechtvaardigen dat het Gerecht van die algemene regels afweek.
144 De omstandigheid dat de litigieuze beslissing het enige relevante element is dat dateert van na het verstrijken van de overgangsperiode, zoals het Gerecht in de punten 26 en 27 van dat arrest heeft vastgesteld, heeft bovendien geen invloed.
145 Ten tweede kan volgens het EUIPO op grond van artikel 9, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009 geen redelijke vergoeding worden gevorderd op grond van het aangevraagde Uniemerk wegens feiten die hebben plaatsgevonden in het Verenigd Koninkrijk, aangezien het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat was toen de inschrijving van dit merk werd gepubliceerd. Volgens deze opvatting kan er na het verstrijken van de overgangsperiode geen potentieel conflict bestaan en wordt hiermee bevestigd dat punt 42 van het bestreden arrest in dit verband blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
146 Ten derde voert het EUIPO aan dat indien het aangevraagde Uniemerk wordt ingeschreven, dit merk geldig is, dat het kan worden tegengeworpen in de huidige 27 lidstaten van de Unie en dat de datum van voorrang van de aanvraag tot inschrijving van dit merk moet worden toegepast. Indien inschrijving wordt geweigerd en die aanvraag in 27 nationale merkaanvragen wordt omgezet, dan kan de aanvrager in al deze lidstaten nationale merken verkrijgen en moet die datum nog steeds worden toegepast. Bovendien kan deze aanvrager later een nieuwe Uniemerkaanvraag indienen door op grond van artikel 139 van verordening 2017/1001 de aldus verkregen nationale merken in te roepen, en bijgevolg op het niveau van de Unie een eenheidsmerk verkrijgen dat vergelijkbaar is met dat van het in casu aangevraagde Uniemerk. Nowhere heeft dus geen enkel belang bij de afwijzing van de betrokken Uniemerkaanvraag, die door een omzetting van die aanvraag „rechtmatig” kan worden „omzeild” met behoud van de rechtsgevolgen.
147 Wat het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk betreft, behoudt Nowhere, indien nodig, op grond van artikel 59, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord steeds de mogelijkheid om op basis van haar eerdere, in die staat niet-ingeschreven merken op te komen tegen de eventuele inschrijving van de merkaanvraag die de betreffende merkaanvrager in het Verenigd Koninkrijk indient binnen een termijn van negen maanden na de datum van het verstrijken van de overgangsperiode. Deze mogelijkheid staat echter los van de oppositieprocedure voor het EUIPO.
148 Bijgevolg stelt het EUIPO dat, anders dan in punt 45 van het bestreden arrest is aangegeven, de overwegingen die het voor het Gerecht heeft uiteengezet met betrekking tot de omzetting van de betrokken Uniemerkaanvraag in nationale merkaanvragen niet gelden voor alle oppositieprocedures, aangezien in een „normale” situatie – waarin het oudere recht wordt beschermd door het recht van een lidstaat van de Unie – de aanvrager van het Uniemerk in geval van omzetting geen bescherming krijgt die gelijkwaardig is aan die welke zou worden geboden indien het aangevraagde merk in casu zou worden ingeschreven.
149 Voorts voert het EUIPO aan dat er, wegens het in overweging 5 van verordening 2017/1001 bedoelde beginsel van territorialiteit van intellectuele-eigendomsrechten, in de periode vóór het verstrijken van de overgangsperiode geen conflict kan bestaan tussen een nationaal merk dat is omgezet en een ouder merk dat niet is ingeschreven in het Verenigd Koninkrijk, in tegenstelling tot hetgeen het Gerecht in dat punt heeft geoordeeld. Ten slotte stelt het EUIPO dat het Gerecht voorbijgaat aan de in overweging 1 van verordening nr. 40/94 vermelde wil van de Uniewetgever om een eenvormig intellectuele-eigendomsrecht op het niveau van de Unie in het leven te roepen als alternatief voor nationale merken.
150 Nowhere is van mening dat het betoog van het EUIPO ongegrond is.
151 Ten eerste voert zij aan dat in een procedure die is ingeleid vóór de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie of zelfs vóór het referendum over die terugtrekking, te weten op een datum waarop geen enkele aanwijzing voor die terugtrekking bestond, bij de toetsing van het in artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel rekening moet worden gehouden met de chronologie van gebeurtenissen.
152 Ten tweede wijst zij erop dat het terugtrekkingsakkoord geen uitdrukkelijke bepaling bevat over het verval van de in het Verenigd Koninkrijk beschermde rechten binnen de Unie, maar beroept zij zich op artikel 6, lid 3, onder a), van de European Union (Withdrawal) Act 2018 [wet betreffende de Europese Unie van 2018 (kennisgeving van terugtrekking)], op grond waarvan de rechtbanken voor merken in het Verenigd Koninkrijk verplicht zijn om het uit het Unierecht afgeleide nationale recht toe te passen overeenkomstig het Unierecht zoals dat bestond aan het einde van de overgangsperiode.
153 Bovendien wordt op grond van de overgangsbepalingen van de Trade Marks (Amendment etc.) (EU Exit) Regulations 2019 [merkenregeling van 2019 (wijzigingen, enz.) (terugtrekking uit de Europese Unie)] erkend dat de inschrijving van een Uniemerk die als formele grondslag voor een oppositieprocedure dient, het relevante recht blijft in het kader van die procedure. Het Bureau voor intellectuele eigendom van het Verenigd Koninkrijk moet dus over de oppositie in kwestie beslissen op basis van het op de datum van de aanvraag geldende recht. Voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel en om de wederkerigheid van de wet te verzekeren, leidt Nowhere hieruit af dat rekening moet worden gehouden met die bepalingen, die de gevolgen van het verval van de in het Verenigd Koninkrijk beschermde rechten binnen de Unie hadden kunnen verzachten.
– Beoordeling door het Hof
154 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat op grond van artikel 50, lid 3, VEU de Verdragen vanaf de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord, te weten 1 februari 2020, niet langer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, zodat dit land vanaf die datum niet langer een lidstaat is (arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut national de la statistique et des études économiques, C‑673/20, EU:C:2022:449, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de vierde alinea van de preambule van het terugtrekkingsakkoord staat echter te lezen dat het recht van de Unie in zijn geheel niet langer op die staat van toepassing is met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, „onverminderd de” in dat akkoord „neergelegde regelingen”.
155 In de artikelen 126 en 127 van dat akkoord is voorzien in een overgangsperiode die begint op de datum van inwerkingtreding ervan en eindigt op 31 december 2020. Tijdens die overgangsperiode is het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk en worden verwijzingen naar de lidstaten in dat recht zodanig begrepen dat deze die staat omvatten, tenzij in dat akkoord anders is bepaald.
156 Zoals het Gerecht in punt 25 van het bestreden arrest in essentie heeft vastgesteld, wordt in de artikelen 54 tot en met 61 in titel IV van deel drie („Intellectuele eigendom”) van het terugtrekkingsakkoord, die overeenkomstig artikel 185, vierde alinea, van dat akkoord van toepassing zijn vanaf het einde van de overgangsperiode, daarentegen niet gesproken over het lot van een oppositie die vóór de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord op grond van een in het Verenigd Koninkrijk beschermd ouder recht is ingesteld en die aan het einde van die periode aanhangig is.
157 Het Gerecht heeft echter, na te hebben vastgesteld dat er geen dergelijke regeling bestond, geoordeeld dat dit pleitte voor de mogelijkheid om, ook na het verstrijken van de overgangsperiode, de in het Verenigd Koninkrijk beschermde merken in te roepen op grond waarvan oppositie is ingesteld vóór de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord. Dit blijkt uit de desbetreffende verwijzing die is opgenomen in de redenering in de punten 24 tot en met 31 van het bestreden arrest. Aldus heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
158 Zoals in punt 154 van het onderhavige arrest is aangegeven, blijkt ten eerste uit de vierde alinea van de preambule van het terugtrekkingsakkoord dat, onverminderd de in dit akkoord neergelegde regelingen, het recht van de Unie immers niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing is met ingang van de datum van inwerkingtreding van dat akkoord. Ten tweede blijkt uit artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 dat het in deze bepaling bedoelde oudere merk of oudere recht met name „krachtens […] het voor [dat merk of recht] geldende recht van de lidstaat” de houder ervan „het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden”. Vanaf het einde van de overgangsperiode was het door Nowhere ter ondersteuning van haar oppositie aangevoerde recht van het Verenigd Koninkrijk, bij gebreke van andersluidende bepalingen in het terugtrekkingsakkoord, niet langer „het recht van een lidstaat”.
159 Het Gerecht heeft in punt 25 van het bestreden arrest dan ook ten onrechte vastgesteld dat het terugtrekkingsakkoord geen uitdrukkelijke bepalingen bevat over het lot van een oppositie die vóór de datum van inwerkingtreding van dat akkoord is ingesteld, zonder daar echter de passende rechtsgevolgen aan te verbinden wat betreft de mogelijkheid om, na het verstrijken van de overgangsperiode, de in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere merken waarop die oppositie is gebaseerd, in te roepen.
160 In de tweede plaats zijn de rechtsgevolgen van een merk krachtens het territorialiteitsbeginsel, dat in de overwegingen 2 tot en met 4 van verordening nr. 207/2009 in herinnering is gebracht en dat met betrekking tot het Uniemerk in artikel 1, lid 2, tweede volzin, van deze verordening ten uitvoer is gelegd, beperkt tot het grondgebied waarop het wordt beschermd (zie in die zin arresten van 22 juni 1994, IHT Internationale Heiztechnik en Danzinger, C‑9/93, EU:C:1994:261, punt 22, en 19 december 2012, Leno Merken, C‑149/11, EU:C:2012:816, punten 38, 40 en 41). Overeenkomstig dit beginsel is het dus zo dat voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van deze verordening het toepasselijke recht aan dit teken alleen op het grondgebied waarop het betrokken teken wordt beschermd de exclusieve rechten toekent die kunnen conflicteren met een Uniemerk (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, Anheuser-Busch/Budějovický Budvar, C‑96/09 P, EU:C:2011:189, punt 162).
161 Uit de artikelen 54 tot en met 61 van het terugtrekkingsakkoord volgt niet dat de partijen bij dat akkoord, in afwijking van het territorialiteitsbeginsel, hebben bepaald dat een Uniemerk dat is ingeschreven na het verstrijken van de overgangsperiode rechtsgevolgen heeft op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en dat dit geldt ook voor de periode waarin dat merk geldig was vóór die datum. In het bijzonder wordt in die artikelen geen verband gelegd tussen de uitkomst van een op die datum aanhangige Uniemerkaanvraag en de uitkomst van een soortgelijke aanvraag die op grond van artikel 59, lid 1, van dit akkoord bij de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk is ingediend.
162 Hieruit volgt dat er geen conflict kan bestaan tussen in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere merken en een Uniemerk wanneer dit Uniemerk na het verstrijken van de overgangsperiode wordt ingeschreven, aangezien laatstgenoemd merk in dat geval gevolgen zal sorteren op een ander grondgebied dan dat waarop deze oudere merken worden beschermd. Het EUIPO heeft dit in essentie uiteengezet in het derde onderdeel van zijn enige middel.
163 Door in de punten 42 en 45 van het bestreden arrest te verwijzen naar een potentieel conflict tussen enerzijds de in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere merken en anderzijds het aangevraagde Uniemerk, of, ingeval de inschrijving ervan wordt geweigerd, de nationale merkaanvraag die voortvloeit uit de omzetting van een Uniemerkaanvraag, heeft het Gerecht zich echter impliciet maar noodzakelijkerwijs gebaseerd op de premisse dat, wanneer een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk vóór de datum van het verstrijken van de overgangsperiode is ingediend, dat merk, indien het na die datum wordt ingeschreven, of althans een nationaal merk dat voortvloeit uit de omzetting van die aanvraag, rechtsgevolgen kan sorteren op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk. Een dergelijke premisse houdt in dat het terugtrekkingsakkoord uitdrukkelijke bepalingen bevat op grond waarvan, in afwijking van het beginsel van territorialiteit van merken, dergelijke gevolgen na die datum kunnen worden verlengd, hetgeen niet het geval is.
164 Hieruit volgt dat het Gerecht, door zich in de punten 42 en 45 van het bestreden arrest te baseren op het bestaan van een dergelijk potentieel conflict, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het niet naar behoren rekening heeft gehouden met de rechtsgevolgen van het verstrijken van de overgangsperiode en met het beginsel van territorialiteit van merken voor de in het onderhavige geding aan de orde zijnde oppositie.
165 Bijgevolg slaagt het derde onderdeel van het enige middel en hoeven de andere door het EUIPO ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten niet te worden onderzocht.
166 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het betoog van Nowhere betreffende het evenredigheids‑ en het wederkerigheidsbeginsel. Aangezien het Gerecht zich in het bestreden arrest niet op deze beginselen heeft gebaseerd, kunnen zij immers niet dienen ter ondersteuning van de redenering waarop dat arrest berust.
167 Als wordt aangenomen dat Nowhere met dit betoog beoogt het Hof te verzoeken de gronden waarop dat arrest berust te vervangen door andere gronden, is het voldoende om vast te stellen dat het niet van belang is dat de oppositie is ingesteld op een tijdstip waarop de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk niet voorzienbaar was, aangezien, zoals blijkt uit de punten 102 tot en met 122 van dit arrest, een oppositie alleen kan slagen indien het oudere merk dat op grond van het Unierecht wordt beschermd, blijft bestaan tot de datum waarop de eindbeslissing over die oppositie wordt uitgesproken.
168 Wat daarnaast het feit betreft dat Nowhere zich beroept op de bepalingen van het recht van het Verenigd Koninkrijk betreffende opposities op basis van Uniemerken, die zijn vastgesteld met het oog op de terugtrekking van deze staat uit de Unie, zij er ten eerste aan herinnerd dat het Uniemerkenstelsel een autonoom systeem is dat uit een samenstel van eigen voorschriften en doelstellingen bestaat en waarvan de toepassing losstaat van welk nationaal systeem ook (arrest van 6 juni 2018, Apcoa Parking Holdings/EUIPO, C‑32/17 P, EU:C:2018:396, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten tweede volgt, zoals in punt 161 van het onderhavige arrest is vastgesteld, uit de artikelen 54 tot en met 61 van het terugtrekkingsakkoord niet dat de partijen bij dat akkoord, in afwijking van het territorialiteitsbeginsel, hebben bepaald dat een Uniemerk dat is ingeschreven na het verstrijken van de overgangsperiode rechtsgevolgen sorteert op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk. In deze omstandigheden kan het wederkerigheidsbeginsel, zelfs indien het in casu relevant zou zijn, het EUIPO er in ieder geval niet toe brengen te accepteren dat een in het Verenigd Koninkrijk beschermd ouder recht na die datum nog steeds kan worden ingeroepen in het kader van een oppositie tegen de inschrijving van een dergelijk merk.
169 Gelet op een en ander moet, zonder dat het eerste onderdeel van het enige middel behoeft te worden onderzocht, de hogere voorziening worden toegewezen en het bestreden arrest worden vernietigd.
Beroep bij het Gerecht
170 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, indien het de beslissing van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
171 In casu is de zaak in staat van wijzen.
172 Zoals in punt 45 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft Nowhere ter ondersteuning van haar beroep één enkel middel aangevoerd, te weten schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009, in het kader waarvan zij in essentie betoogt dat de enige relevante datum voor de vaststelling van het bestaan van een ouder recht waarop een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk gebaseerd is, de datum is waarop de aanvraag om inschrijving van dat merk is ingediend.
173 Om de in de punten 102 tot en met 137 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moet dit middel worden afgewezen, aangezien dit oudere recht moet blijven bestaan tot de datum waarop het EUIPO uitspraak doet op de op dat recht gebaseerde oppositie. Dit recht moet ook nog steeds bestaan in de fase van het beroep bij de kamer van beroep, hetgeen niet het geval was voor het door Nowhere ter ondersteuning van haar oppositie aangevoerde merk.
174 In de onderhavige hogere voorziening betoogt Nowhere dat zij bovendien had aangevoerd dat het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur was geschonden.
175 Zoals blijkt uit de inhoud van haar inleidend verzoekschrift, is het juist dat Nowhere heeft betoogd dat zij, doordat in de litigieuze beslissing geen rekening is gehouden met haar in het Verenigd Koninkrijk beschermde oudere rechten, schade heeft geleden waarvoor het EUIPO als enige verantwoordelijk is, met name gelet op de herroeping van de eerste beslissing van 8 oktober 2018 van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, vermeld in punt 39 van dit arrest. Dit betoog is echter aangevoerd ter ondersteuning van haar enige middel, namelijk dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 207/2009 is geschonden, en niet als een afzonderlijk en zelfstandig middel dat is gebaseerd op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
176 Hieruit volgt dat het beroep van Nowhere moet worden verworpen.
Kosten
177 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.
178 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
179 Aangezien Nowhere in casu in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van het EUIPO in verband met de onderhavige hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 juni 2024, C-801/21, ECLI:EU:C:2024:528
- HvJ EU 9 juni 2022, C-673/20, ECLI:EU:C:2022:449
- Gerecht EU 16 maart 2022, T-281/21, ECLI:EU:T:2022:139
- HvJ EU 16 juli 2020, C-714/18, ECLI:EU:C:2020:573
- HvJ EU 18 juni 2020, C-702/18, ECLI:EU:C:2020:489
- Gerecht EU 30 januari 2020, T-598/18, ECLI:EU:T:2020:22
- HvJ EU 30 mei 2018, C-85/16, ECLI:EU:C:2018:349
- HvJ EU 10 november 2016, C-449/14, ECLI:EU:C:2016:848
- HvJ EU 22 juni 2016, C-280/15, ECLI:EU:C:2016:467
- HvJ EU 8 mei 2014, C-591/12, ECLI:EU:C:2014:305
- HvJ EU 21 februari 2013, C-561/11, ECLI:EU:C:2013:91
- HvJ EU 19 december 2012, C-149/11, ECLI:EU:C:2012:816
- HvJ EU 29 maart 2011, C-96/09, ECLI:EU:C:2011:189
- HvJ EU 2 december 2009, C-89/08, ECLI:EU:C:2009:742
- Gerecht EU 13 september 2006, T-191/04, ECLI:EU:T:2006:254
- HvJ EU 22 juni 1994, C-9/93, ECLI:EU:C:1994:261