HvJ EU 29 januari 2026, C-311/24, ECLI:EU:C:2026:50

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

29 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Oneerlijke concurrentie – Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn (EU) 2019/633 – Verbod – Artikel 3, lid 1, onder d) – Betalingsverzoek dat geen verband houdt met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten van de leverancier – Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e) – Bevoegdheid om geldboeten op te leggen – Kwalificatie als ‚één enkele inbreuk’ die wordt toegekend aan verschillende verboden oneerlijke handelspraktijken die aanleiding geven tot de oplegging van één enkele geldboete – Beginsel ‚ne bis in idem’ – Nationale wetgeving die voorziet in een maximum voor de boete”

In zaak C‑311/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk), bij beslissing van 26 april 2024, ingekomen bij het Hof op 29 april 2024, in de procedure

Bundeswettbewerbsbehörde

tegen

M. GmbH

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Bundeswettbewerbsbehörde, vertegenwoordigd door C. F. Winkler,

– M. GmbH, vertegenwoordigd door S. Albiez, Rechtsanwalt,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en P. Thalmann als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes, M. ter Haar en M. Zerwes als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB 2019, L 111, blz. 59).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van vier gevoegde zaken tussen de Bundeswettbewerbsbehörde (federale mededingingsautoriteit, Oostenrijk; hierna „BWB”) en de vennootschap M. GmbH betreffende betalingsverzoeken die deze laatste heeft gericht aan haar leveranciers.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

3 Artikel 39, lid 1, VWEU luidt als volgt: „Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel: a) de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren; b) aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn; c) de markten te stabiliseren; d) de voorziening veilig te stellen; e) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.”

4 Artikel 43, lid 2, VWEU bepaalt: „Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de in artikel 40, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in en stellen de overige bepalingen vast die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven.”

Richtlijn 2019/633

5 De overwegingen 1, 6 tot en met 9, 14, 16, 24, 34 en 39 van richtlijn 2019/633 luiden als volgt: „(1) In de landbouw- en voedselvoorzieningsketen komen vaak aanzienlijke onevenwichtigheden in de onderhandelingspositie tussen leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten voor. Die onevenwichtigheden wat betreft de onderhandelingspositie leiden waarschijnlijk tot oneerlijke handelspraktijken wanneer grotere en machtigere handelspartners bepaalde praktijken of contractuele regelingen die in verband met een verkooptransactie voor hen voordelig zijn, trachten door te drukken. Dergelijke praktijken kunnen bijvoorbeeld: sterk afwijken van goed handelsgedrag, in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling, en door een handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere partner; een ongerechtvaardigde en onevenredige overdracht van het economische risico van een handelspartner aan een andere handelspartner opleggen; of een aanzienlijk onevenwicht tussen rechten en verplichtingen aan een handelspartner opleggen. Bepaalde praktijken kunnen manifest oneerlijk zijn, zelfs indien zij door beide partijen zijn overeengekomen. Met het oog op het terugdringen van dergelijke praktijken die waarschijnlijk een negatieve invloed op de levensstandaard van de landbouwbevolking hebben, moet op Unieniveau een minimumnorm ter bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken worden vastgesteld. De benadering van minimale harmonisatie van deze richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid nationale regels vast te stellen of te handhaven die verder gaan dan de in deze richtlijn vermelde oneerlijke handelspraktijken. [...] (6) Hoewel alle vormen van economische activiteit gepaard gaan met een zakelijk risico, wordt de landbouwproductie bij uitstek door onzekerheid geplaagd vanwege de afhankelijkheid van biologische processen en vanwege de blootstelling aan de weersomstandigheden. Die onzekerheid wordt nog versterkt doordat landbouw- en voedingsproducten in meerdere of mindere mate bederfelijk en seizoensgebonden zijn. In de context van een landbouwbeleid dat beduidend meer marktgeoriënteerd is dan in het verleden, is bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken belangrijker geworden voor marktdeelnemers die actief zijn in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. (7) Dergelijke oneerlijke handelspraktijken kunnen in het bijzonder een negatieve invloed hebben op de levensstandaard van de landbouwbevolking. Die invloed wordt begrepen als een rechtstreekse invloed die betrekking heeft op landbouwproducenten en hun organisaties als leveranciers, of als een indirecte invloed, via een cascade aan gevolgen van de oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen op een manier die een negatieve weerslag heeft op de primaire producenten in die keten. (8) De meeste, maar niet alle lidstaten hebben specifieke nationale regels ter bescherming van leveranciers tegen oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Waar een beroep kan worden gedaan op het contractenrecht of op zelfregulerende initiatieven, wordt de praktische waarde van die verhaalmogelijkheden beperkt door de vrees voor commerciële vergelding tegen een klager en de daarmee verband houdende financiële risico’s wanneer zulke praktijken worden betwist. Bepaalde lidstaten met specifieke regels inzake oneerlijke handelspraktijken hebben daarom administratieve autoriteiten belast met de handhaving van dergelijke regels. De regels inzake oneerlijke handelspraktijken van de lidstaten, voor zover die regels al bestaan, verschillen onderling evenwel aanzienlijk. (9) Het aantal marktdeelnemers en hun grootte verschillen naargelang van hun positie in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Verschillen in onderhandelingspositie, die overeenstemmen met de mate waarin de leverancier economisch afhankelijk is van de afnemer, zullen er waarschijnlijk toe leiden dat grotere marktdeelnemers oneerlijke handelspraktijken opleggen aan kleinere marktdeelnemers. Een dynamische aanpak die gebaseerd is op de relatieve omvang van de leverancier en de afnemer qua omzet moet een betere bescherming bieden tegen oneerlijke handelspraktijken voor marktdeelnemers die er het meest behoefte aan hebben. Oneerlijke handelspraktijken zijn vooral schadelijk voor kleine en middelgrote ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Ondernemingen die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen maar die een jaarlijkse omzet hebben die 350000000 EUR niet overschrijdt, moeten tevens tegen oneerlijke handelspraktijken worden beschermd om te vermijden dat de kosten van dergelijke praktijken aan landbouwproducenten worden doorgerekend. Het cascade-effect op landbouwproducenten lijkt vooral van belang voor ondernemingen met een jaarlijkse omzet van maximaal 350000000 EUR. De bescherming van tussenleveranciers van landbouw- en voedingsproducten, met inbegrip van verwerkte producten, kan ook dienen ter voorkoming van een verlegging van de handel weg van landbouwproducenten en hun verenigingen, die verwerkte producten produceren, naar niet-beschermde leveranciers. [...] (14) Deze richtlijn moet van toepassing zijn op het handelsgedrag van grotere marktdeelnemers jegens marktdeelnemers met een slechtere onderhandelingspositie. Een passende benadering van de relatieve onderhandelingspositie is de jaarlijkse omzet van de verschillende marktdeelnemers. Hoewel het een benadering is, biedt dit criterium marktdeelnemers voorspelbaarheid wat betreft hun rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. Een bovengrens moet voorkomen dat bescherming wordt geboden aan marktdeelnemers die niet kwetsbaar zijn, of aanzienlijk minder kwetsbaar zijn dan hun kleinere partners of concurrenten. Daarom voorziet deze richtlijn in op omzet gebaseerde categorieën van marktdeelnemers volgens welke bescherming wordt geboden. [...] (16) Bij de beslissing of een bepaalde individuele handelspraktijk als oneerlijk wordt beschouwd, is het van belang het risico op een inperking van het gebruik van eerlijke en efficiëntiebevorderende overeenkomsten tussen de partijen te verkleinen. Daarom is het passend praktijken die op duidelijke en ondubbelzinnige wijze in leveringsovereenkomsten of in daaropvolgende overeenkomsten tussen de partijen zijn geregeld, te onderscheiden van praktijken die zich voordoen nadat de transactie van start is gegaan en die niet vooraf zijn overeengekomen, zodat uitsluitend eenzijdige wijzigingen en wijzigingen met terugwerkende kracht in die duidelijke en ondubbelzinnige voorwaarden van de leveringsovereenkomst worden verboden. Bepaalde handelspraktijken worden echter als inherent oneerlijk beschouwd en mogen niet het voorwerp uitmaken van de contractuele vrijheid van de partijen. [...] (24) Deze richtlijn strekt niet tot harmonisatie van de regels inzake de bewijslast die in procedures voor de nationale handhavingsinstanties zullen worden toegepast, noch tot harmonisatie van de definitie van leveringsovereenkomsten. De regels inzake de bewijslast en de definitie van leveringsovereenkomsten zijn derhalve die welke krachtens het nationale recht van de lidstaten gelden. [...] (34) Een afschrikmiddel, zoals de bevoegdheid om geldboeten en andere even doeltreffende sancties op te leggen, of om procedures, bijvoorbeeld gerechtelijke procedures, tot oplegging daarvan in te leiden, en om onderzoeksresultaten te publiceren, met inbegrip van de publicatie van informatie over de afnemers die inbreuken hebben gepleegd, kan gedragswijzigingen en precontentieuze oplossingen tussen de partijen bevorderen, en dient daarom onderdeel uit te maken van de bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten. Vooral geldboeten kunnen een doeltreffend en ontradend effect sorteren. In elk onderzoek moet de handhavingsautoriteit evenwel kunnen beslissen welke bevoegdheden zij zal uitoefenen en of zij een geldboete of een andere even doeltreffende sanctie zal opleggen, of een procedure tot oplegging daarvan zal inleiden. [...] (39) Aangezien in de meeste lidstaten reeds nationale regels inzake oneerlijke handelspraktijken gelden, is het, ondanks de uiteenlopende regels, passend een richtlijn te gebruiken voor het invoeren van een minimumnorm voor bescherming uit hoofde van het Unierecht. Dit moet de lidstaten in staat stellen de desbetreffende regels op zodanige wijze in hun nationale rechtsorde op te nemen dat coherente regelingen tot stand kunnen worden gebracht. Het dient de lidstaten vrij te staan op hun grondgebied strengere nationale regels te handhaven of in te voeren die een hoger niveau van bescherming bieden tegen oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, zulks binnen de grenzen van het Unierecht dat van toepassing is op de werking van de interne markt en op voorwaarde dat dergelijke regels evenredig zijn.”

6 Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied” en bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Ter bestrijding van praktijken die sterk afwijken van goed handelsgedrag, die in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling en die door één handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere handelspartner, stelt deze richtlijn een minimumlijst vast van verboden oneerlijke handelspraktijken in verhoudingen tussen afnemers en leveranciers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, alsmede minimumregels voor de handhaving van die verbodsbepalingen en regelingen voor de coördinatie tussen de handhavingsautoriteiten. 2. Deze richtlijn is van toepassing op bepaalde oneerlijke handelspraktijken die zich voordoen in het kader van de verkoop van landbouw- en voedingsproducten door: a) leveranciers met een jaarlijkse omzet die 2000000 EUR niet overschrijdt, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 2000000 EUR overschrijdt; b) leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 2000000 en 10000000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 10000000 EUR overschrijdt; c) leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 10000000 en 50000000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 50000000 EUR overschrijdt; d) leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 50000000 en 150000000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 150000000 EUR overschrijdt; e) leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 150000000 en 350000000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 350000000 EUR overschrijdt. [...]”

7 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Verbod op oneerlijke handelspraktijken”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende oneerlijke handelspraktijken verboden zijn: [...] d) de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier; [...]”

8 Artikel 6 van deze richtlijn, met als opschrift „Bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat al hun handhavingsautoriteiten beschikken over de middelen en expertise die voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk zijn en verlenen [hun] de bevoegdheid om: [...] d) een besluit te nemen tot vaststelling van een inbreuk op de in artikel 3 neergelegde verbodsbepalingen en tot verplichting van de afnemer de verboden handelspraktijk te beëindigen; de autoriteit kan afzien van een dergelijk besluit indien er een risico bestaat op de openbaarmaking van de identiteit van een klager of van andere informatie waarvan de klager meent dat de openbaarmaking zijn belangen zou schaden, en op voorwaarde dat de klager overeenkomstig artikel 5, lid 3, heeft aangegeven welke informatie het betreft; e) geldboeten, andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen ten aanzien van de pleger van de inbreuk op te leggen, of procedures tot oplegging daarvan in te leiden, zulks overeenkomstig de nationale voorschriften en procedures; [...] De in punt e) van de eerste alinea bedoelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en houden rekening met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk.”

9 Artikel 9 van richtlijn 2019/633 preciseert het volgende: „1. Teneinde een hoger beschermingsniveau te waarborgen, kunnen de lidstaten strengere regels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken handhaven of invoeren dan de regels van deze richtlijn, mits die nationale regels verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt. 2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale regels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, mits die regels verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt.”

Oostenrijks recht

10 § 5a van het Bundesgesetz zur Verbesserung der Nahversorgung und der Wettbewerbsbedingungen (Faire-Wettbewerbsbedingungen-Gesetz) (wet ter verbetering van de lokale voorzieningen en van de mededingingsvoorwaarden teneinde eerlijke mededingingsvoorwaarden te waarborgen) (BGBl. 392/1977), zoals gewijzigd bij het Bundesgesetz, mit dem das Bundesgesetz zur Verbesserung der Nahversorgung und der Wettbewerbsbedingungen geändert wird (wet tot wijziging van de wet ter verbetering van de lokale voorzieningen en van de mededingingsvoorwaarden) (BGBl. I, 239/2021) (hierna: „FWBG”), luidt als volgt: „(1) De bepalingen van deze afdeling hebben tot doel oneerlijke handelspraktijken bij de verkoop van landbouw- en voedingsproducten te bestrijden. Zij geven uitvoering aan [richtlijn 2019/633]. Zij zijn niet van invloed op afdeling 1 en op het [Bundesgesetz gegen Kartel und andere Wettbewerbsbeschränkungen (Kartellgesetz 2005) (wet ter bestrijding van mededingingsregelingen en andere beperkingen van de mededinging)]. (2) Deze afdeling is van toepassing op bepaalde oneerlijke handelspraktijken die zich voordoen in het kader van de verkoop van landbouw- en voedingsproducten door: 1. leveranciers met een jaarlijkse omzet die 2 miljoen EUR niet overschrijdt, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 2 miljoen EUR overschrijdt; 2. leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 2 en 10 miljoen EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 10 miljoen EUR overschrijdt. 3. leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 10 en 50 miljoen EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 50 miljoen EUR overschrijdt. 4. leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 50 en 150 miljoen EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 150 miljoen EUR overschrijdt. 5. leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 150 en 350 miljoen EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 350 miljoen EUR overschrijdt. [...] 3. Deze afdeling is van toepassing op verkopen waarbij de leverancier of de afnemer, of beiden, in de Unie zijn gevestigd. [...] [...]”

11 § 5b FWBG bepaalt: „[...] 2. ‚Afnemer’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht de plaats van vestiging van die persoon, of een overheidsinstantie in de Unie, die landbouw- en voedingsproducten koopt; de term ‚afnemer’ kan een groepering van die natuurlijke of rechtspersonen omvatten; 3. ‚Leverancier’: een landbouwproducent of een natuurlijke of rechtspersoon, ongeacht hun plaats van vestiging, die landbouw- en voedingsproducten verkoopt; de term ‚leverancier’ kan een groepering van dergelijke landbouwproducenten of een groepering van dergelijke natuurlijke personen en rechtspersonen omvatten, zoals producentenorganisaties, leveranciersorganisaties en verenigingen van dergelijke organisaties;”

12 § 5c, lid 1, FWBG bepaalt: „De in bijlage I vermelde handelspraktijken zijn verboden. [...]”

13 § 6, lid 2, FWBG luidt als volgt: „Op verzoek van de onderzoeksautoriteit overeenkomstig afdeling 2 kan de voor kartelzaken bevoegde rechterlijke instantie een afnemer in de zin van § 5b, punt 2, die § 5c schendt, een geldboete van ten hoogste 500000 EUR opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete wordt met name rekening gehouden met de ernst en de duur van de inbreuk, de daarmee verkregen verrijking, de mate van aansprakelijkheid en de economische capaciteit. § 33 KartG 2005 is van overeenkomstige toepassing.”

14 Bijlage I bij het FWBG, met als opschrift „Handelspraktijken die onder alle omstandigheden verboden zijn”, vermeldt als zodanig in punt 4: „De afnemer verlangt van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 M., verweerster in het hoofdgeding, exploiteert in Oostenrijk detailhandelszaken voor levensmiddelen.

16 In mei 2023 heeft M. aan haar leveranciers van landbouw- en voedingsproducten verzoeken om betaling gericht die volgens de BWB geen verband hielden met de verkoop van die producten en dus in strijd waren met § 5c, lid 1, en bijlage I, punt 4, FWBG, waarbij artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder d), van richtlijn 2019/633 was omgezet.

17 Ter rechtvaardiging van deze betalingsverzoeken heeft M. verklaard dat zij economisch sterk was getroffen door de gevolgen voor het toerisme van de COVID-19-pandemie die had geleid tot een verlies van klanten op het gebied van de detailhandel in levensmiddelen en tot enorme kostenstijgingen. Zij is daarom begonnen met een volledige herstructurering van haar onderneming, met inbegrip van een proces tot aanpassing van haar aankopen. In het kader van dit transformatieproces heeft zij een externe consultant ingeschakeld, die haar heeft geadviseerd om van haar leveranciers een bijdrage te vragen om de hoge kosten van dit proces gedeeltelijk te compenseren.

18 Op 16 mei 2023 heeft M. daartoe een online „leveranciersdag” („Supplier Day”) georganiseerd, waarbij zij haar leveranciers een overzicht heeft gegeven van de situatie op de markt voor landbouw- en voedingsproducten op dat moment, de problemen die zij op die markt ondervond en de verliezen die zij toen leed. Zij heeft het transformatieproces waarin zij zich bevond, toegelicht. Zij heeft uiteengezet dat dit transformatieproces tot doel had het „Category Management” te professionaliseren en de interne processen te optimaliseren. M. heeft eveneens aan haar leveranciers te kennen gegeven dat zij behoefte had aan investeringen en daarbij benadrukt dat het noodzakelijk was om te investeren in klimaatvriendelijke waterstofproductie-eenheden en in een CO2-neutraal vrachtwagenpark.

19 Op 17 mei 2023 heeft M. aan elk van haar leveranciers een van de twee varianten van eenzelfde e-mail gestuurd, al naargelang zij al dan niet aan de leveranciersdag hadden deelgenomen. In die e-mail heeft zij hen verzocht om een bijdrage van een bepaald bedrag te betalen als deelname aan de financiering van het door haar geïnitieerde transformatieproces. Deze e-mails gingen vergezeld van pro-formafacturen met verschillende forfaitaire bedragen. De verschillende e-mails zijn gelijktijdig verzonden. Met uitzondering van het bedrag van de pro-formafactuur en het onderscheid naargelang de betrokken leverancier al dan niet aan de leveranciersdag van 16 mei 2023 had deelgenomen, waren deze e-mails voor alle leveranciers gelijk.

20 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat M. op eigen initiatief heeft besloten een einde te maken aan de investeringsverzoeken aan de leveranciers, de bij de e-mails gevoegde pro-formafacturen te annuleren en de reeds betaalde bedragen onmiddellijk terug te betalen. In totaal zouden slechts twee van de zestien leveranciers hebben besloten om gevolg te geven aan het investeringsverzoek en om de bedragen te betalen die waren vermeld op de pro-formafacturen die bij de verzonden e-mails waren gevoegd.

21 De BWB heeft vastgesteld dat M. als afnemer zestien leveranciers had verzocht om betalingen die geen verband hielden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten. Aldus was deze autoriteit van mening dat elk van deze betalingsaanvragen in strijd was met § 5c, lid 1, FWBG, juncto bijlage I, punt 4, bij die wet. Op 10 november 2023 heeft zij derhalve bij het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk), de verwijzende rechter, zestien vorderingen ingediend tot oplegging van een geldboete aan M. op grond van § 6, lid 2, FWBG.

22 Vier van deze vorderingen zijn toegewezen aan de 25e kamer van die rechterlijke instantie. Zij zijn gevoegd en hebben betrekking op de volgende vier leveranciers: – P. GmbH – vordering tot betaling ten bedrage van 12000 EUR; – L. GmbH – vordering tot betaling ten bedrage van 10000 EUR; – R. GmbH – vordering tot betaling ten bedrage van 12000 EUR; – S. GmbH – vordering tot betaling ten bedrage van 18000 EUR.

23 Volgens de BWB vormt elk betalingsverzoek een afzonderlijke inbreuk.

24 M. betwist dat het om afzonderlijke verzoeken gaat en stelt dat de zestien vorderingen van de BWB alle op dezelfde feitelijke situatie zijn gebaseerd. De kunstmatige splitsing in zestien afzonderlijke vorderingen lijkt derhalve in strijd met het beginsel „ne bis in idem”. Subsidiair voert M. aan dat haar in werkelijkheid één enkele voortdurende inbreuk wordt verweten. Dit in de rechtspraak ontwikkelde rechtsbegrip, dat voortvloeit uit het toepasselijke kartel- en mededingingsrecht, lijkt haar ook toepasselijk op de bepalingen van het FWBG waarbij richtlijn 2019/633 is omgezet.

25 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat § 6, lid 2, FWBG in een sanctie van strafrechtelijke aard voorziet. Volgens de Oostenrijkse strafrechtspraak moet een gedraging als die welke aan M. wordt verweten, als „één enkele inbreuk” worden aangemerkt, in die zin dat zij één enkele door de constitutieve bestanddelen verbonden handeling („tatbestandliche Handlungseinheit”) vormt. De verwijzende rechter wijst erop dat bijgevolg, zelfs indien de feiten betrekking hebben op handelsbetrekkingen met zestien leveranciers, één enkele geldboete van maximaal 500000 EUR als bedoeld in § 6, lid 2, FWBG moet worden opgelegd.

26 De verwijzende rechter betwijfelt echter of met dit resultaat het in richtlijn 2019/633 omschreven doel kan worden bereikt, namelijk een zeker herstel van het evenwicht tussen de onderhandelingspositie van de afnemers en die van de leveranciers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Volgens hem kan dit herstel van het evenwicht alleen plaatsvinden op het niveau van de individuele relatie tussen de afnemer en de leverancier. Indien daarentegen de gedragingen van M. moeten worden aangemerkt als meerdere inbreuken die ertoe leiden dat tegelijkertijd meerdere geldboeten worden opgelegd, rijst ook de vraag of een dergelijke oplossing in overeenstemming is met deze richtlijn.

27 In deze omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) a) Moet artikel 6, lid 1, onder e), van [richtlijn 2019/633] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, in een geval waarin een afnemer op grond van een uniform gemotiveerd wilsbesluit op dezelfde dag meerdere leveranciers die krachtens artikel 1 van die richtlijn worden beschermd, in strijd met artikel 3, lid 1, onder d), van die richtlijn, elk afzonderlijk om een betaling verzoekt, in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan die betalingsverzoeken in hun geheel als één enkele inbreuk (eenheid van handelen) worden beschouwd waarvoor slechts één keer een sanctie mag worden opgelegd? b) Is het voor het antwoord op [de eerste vraag, onder a),] van belang, gelet op het vereiste van artikel 6, lid 1, laatste volzin, van richtlijn 2019/633, dat bepaalt dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en rekening houden met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk, dat daarvoor volgens de nationale Oostenrijkse sanctiebepaling (§ 6, lid 2, FBWG) een geldboete van maximaal (slechts) 500000 EUR kan worden opgelegd? 2) Indien [de eerste vraag, onder a),] bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 6, lid 1, onder e), van [richtlijn 2019/633] aldus worden uitgelegd dat elk betalingsverzoek aan een leverancier – voor zover dat in strijd is met het verbod van artikel 3, lid 1, onder d), van [die richtlijn] – moet worden beschouwd als een zelfstandig te bestraffen handelspraktijk waarvoor volgens het cumulatiebeginsel telkens een afzonderlijke sanctie (geldboete), dus meer dan één geldboete, moet worden opgelegd, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat de nationale Oostenrijkse sanctiebepaling (§ 6, lid 2, FBWG) voorziet in het opleggen van een geldboete van maximaal 500000 EUR?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

28 Met zijn eerste vraag, in haar geheel beschouwd, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2019/633 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan meerdere betalingsverzoeken die geen verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van deze richtlijn en die door een afnemer gelijktijdig aan meerdere leveranciers worden gericht wegens één enkel motief, moeten worden aangemerkt als één enkele inbreuk die leidt tot de oplegging van één enkele geldboete, met een vast bedrag als maximum.

29 Allereerst zij erop gewezen dat uit de overwegingen 1, 7 en 39 van richtlijn 2019/633 blijkt dat deze richtlijn tot doel heeft op het niveau van de Unie een minimumnorm in te voeren voor de bescherming van leveranciers van landbouw- en voedingsproducten tegen oneerlijke handelspraktijken van afnemers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, teneinde de frequentie van die praktijken, die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de levensstandaard van de landbouwbevolking, te verminderen. Die invloed wordt begrepen als een rechtstreekse invloed die betrekking heeft op landbouwproducenten en hun organisaties als leveranciers, of als een indirecte invloed, via een cascade aan gevolgen van de oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen op een manier die een negatieve weerslag heeft op de primaire producenten in die keten.

30 Vanuit dit oogpunt bepaalt ten eerste artikel 3, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat ten minste alle in deze bepaling genoemde oneerlijke handelspraktijken verboden zijn. Tot die praktijken behoort in punt d) van die bepaling de praktijk waarbij de afnemer van de leverancier betalingen verlangt die geen verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten van de leverancier.

31 Ten tweede wijst elke lidstaat, zoals blijkt uit artikel 4 van richtlijn 2019/633, een of meer autoriteiten aan die op nationaal niveau belast zijn met de handhaving van de verbodsbepalingen van artikel 3 van deze richtlijn. Volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten al deze autoriteiten beschikken over de middelen, expertise en bevoegdheden die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken.

32 In het licht van deze preciseringen moet de eerste vraag, betreffende de uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van deze richtlijn, worden beantwoord.

33 Volgens deze bepaling moeten de lidstaten die autoriteiten de bevoegdheid verlenen om geldboeten en andere even doeltreffende sancties op te leggen en voorlopige maatregelen ten aanzien van de pleger van de inbreuk te nemen of daartoe een procedure in te leiden, overeenkomstig de nationale voorschriften en procedures. De tweede alinea van artikel 6, lid 1, bepaalt tevens dat deze sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, rekening houdend met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk.

34 Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van zijn conclusie aangeeft, moet dus achtereenvolgens worden ingegaan op de twee aspecten van de door de verwijzende rechter aan de orde gestelde problematiek, die betrekking hebben op, ten eerste, de gemeenschappelijke kwalificatie als één enkele inbreuk die wordt toegekend aan meerdere oneerlijke handelspraktijken samen beschouwd, hetgeen ertoe leidt dat voor al deze praktijken één enkele geldboete wordt opgelegd, en, ten tweede, vaststelling van een bovengrens voor deze geldboete.

35 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 mei 2025, Pielatak, C‑410/23, EU:C:2025:325, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Wat betreft in de eerste plaats de verenigbaarheid met artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2019/633 van een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat meerdere identieke oneerlijke handelspraktijken die op grond van artikel 3, lid 1, onder d), van deze richtlijn verboden zijn en gelijktijdig door dezelfde afnemer zijn verricht, samen moeten worden aangemerkt als „één enkele inbreuk” die slechts tot oplegging van één enkele geldboete kan leiden, moet om te beginnen worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van deze richtlijn slechts in algemene zin naar de nationale regels en procedures verwijzen, zonder specifieke aanwijzingen te geven over de mogelijkheid om meerdere verboden praktijken als één enkele inbreuk aan te merken. Deze bepaling laat de lidstaten dus in beginsel vrij om al dan niet voor een dergelijke kwalificatie te kiezen, mits de uit dien hoofde opgelegde sanctie overeenkomstig de tweede alinea van dat artikel 6, lid 1, gelet op de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk, doeltreffend, evenredig en afschrikkend is.

37 Wat vervolgens de context van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat uit de overwegingen 1 en 39 van richtlijn 2019/633 blijkt dat de Uniewetgever heeft gekozen voor een benadering die is gebaseerd op een minimale harmonisatie van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

38 Deze logica van minimale harmonisatie komt tot uiting in tal van verwijzingen in de tekst van deze richtlijn naar het recht van de lidstaten, die de uitvoering of de draagwijdte van bepaalde regels van de richtlijn moeten preciseren. Zo geeft overweging 24 van die richtlijn aan dat deze niet strekt tot harmonisatie van de regels inzake de bewijslast die in procedures voor de nationale handhavingsinstanties zullen worden toegepast, noch tot harmonisatie van de definitie van leveringsovereenkomsten. Evenzo verduidelijkt artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze richtlijn dat deze autoriteiten de bevoegdheid moeten hebben om onaangekondigde inspecties ter plaatse uit te voeren in het kader van hun onderzoeken, overeenkomstig de nationale regels en procedures.

39 Bovendien laat richtlijn 2019/633 de lidstaten uitdrukkelijk de vrijheid om het stelsel van bescherming van leveranciers van landbouw- en voedingsproducten aan te vullen met nationale bepalingen die een betere bescherming bieden. In die zin bepaalt artikel 9 van deze richtlijn dat de lidstaten, teneinde een hoger beschermingsniveau te waarborgen, strengere regels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken kunnen handhaven of invoeren dan de regels van die richtlijn, mits die nationale regels verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt.

40 Hieruit volgt dat, bij gebreke van nadere bepalingen daarover in richtlijn 2019/633, de logica van minimale harmonisatie impliceert dat de regels inzake de vaststelling van een totaalstraf of de wijze waarop meerdere oneerlijke handelspraktijken worden gekwalificeerd, in beginsel tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten behoren, waaraan richtlijn 2019/633 niet de verplichting oplegt of verbiedt om voor dergelijke regels te kiezen.

41 Ten slotte vindt de uitlegging in de punten 36 tot en met 40 van het onderhavige arrest steun in de doelstellingen van de betrokken richtlijn. Er kan immers niet van worden uitgegaan dat richtlijn 2019/633 zich toespitst op de bescherming van elke leverancier van landbouw- en voedingsproducten in zijn bijzondere relatie met een afnemer, hetgeen elke kwalificatie als één enkele inbreuk voor meerdere inbreuken waarbij verschillende leveranciers betrokken zijn of elke samenvoeging van straffen voor dergelijke inbreuken zou verbieden. Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat het door deze richtlijn nagestreefde doel, namelijk de bescherming van de levensstandaard van de landbouwbevolking, verder dan de loutere bescherming van de individuele betrekkingen tussen afnemers en leveranciers. In die optiek doet de mogelijkheid om meerdere inbreukmakende gedragingen gezamenlijk te kwalificeren, in beginsel niet af aan de doeltreffendheid van het verbod van die praktijken en brengt zij dit doel van de richtlijn niet in gevaar.

42 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig en volledig antwoord te geven, moet bovendien ten eerste worden toegevoegd dat het begrip „één enkele voortdurende inbreuk”, zoals dat volgt uit de rechtspraak van het Hof over artikel 101 VWEU, niet relevant is in het kader van richtlijn 2019/633. In dit verband moet worden opgemerkt dat met de rechtsgrondslag van deze richtlijn, te weten artikel 43, lid 2, VWEU, de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden nagestreefd, overeenkomstig artikel 39, lid 1, VWEU. Het gaat dus niet om de bepalingen van dit Verdrag betreffende de mededingingsregels. Dit betekent dat aan het begrip „één enkele voortdurende inbreuk”, dat is ontwikkeld in de context van het mededingingsrecht, een andere logica ten grondslag ligt dan die welke in het kader van deze richtlijn wordt gehanteerd.

43 Hoe dan ook kan volgens de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 101 VWEU een schending van dit artikel niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar ook uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging. Wanneer verschillende handelingen die de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt verstoren, wegens hun identieke doel deel uitmaken van een totaalplan, mag de Europese Commissie de verantwoordelijkheid voor die handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel beschouwd (zie in die zin arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 258). Het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” wordt aldus gebruikt in het kader van de regels inzake de bewijsvoering op het gebied van de mededinging, en meer bepaald om de toerekening van bepaalde gedragingen aan ondernemingen te vergemakkelijken. Dit begrip is dus niet relevant wanneer de rechtshandhavingsautoriteiten, met het oog op de toepassing van een mildere sanctie, verschillende gedragingen die binnen eenzelfde logica vallen, samen kunnen kwalificeren en kunnen oordelen dat zij één enkele inbreuk vormen.

44 Ten tweede kan, zoals de advocaat-generaal in de punten 35 en 36 van zijn conclusie terecht heeft opgemerkt, evenmin het ne-bis-in-idembeginsel worden ingeroepen om de lidstaten te verplichten af te zien van de vaststelling van regels op grond waarvan meerdere oneerlijke handelspraktijken tezamen als één enkele inbreuk kunnen worden aangemerkt.

45 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak van het Hof betreffende artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat het beginsel ne bis in idem in de weg staat aan zowel de cumulatie van vervolgingsmaatregelen als de cumulatie van sancties voor dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde persoon (zie in die zin arresten van 20 maart 2018, Garlsson Real Estate e.a., C‑537/16, EU:C:2018:193, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de voorwaarde „idem” dus vereist dat de materiële feiten dezelfde zijn, vindt het beginsel ne bis in idem geen toepassing wanneer de feiten in kwestie niet dezelfde maar slechts soortgelijk zijn (zie in die zin arrest van 30 januari 2025, Engie România, C‑205/23, EU:C:2025:43, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het relevante criterium om te beoordelen of er sprake is van een en hetzelfde strafbare feit is dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat er sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de vrijspraak of onherroepelijke veroordeling van de betrokkene hebben geleid (zie in die zin arrest van 30 januari 2025, Engie România, C‑205/23, EU:C:2025:43, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Wanneer een geheel van oneerlijke handelspraktijken tegen verschillende aanbieders als één enkele inbreuk wordt gekwalificeerd, is in beginsel echter niet voldaan aan de voorwaarde „idem”.

47 De omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde praktijken naar nationaal recht als „één enkele inbreuk” kunnen worden aangemerkt, doet hieraan niet af. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten irrelevant is voor de constatering dat sprake is van een en hetzelfde strafbaar feit, aangezien de omvang van de door artikel 50 van het Handvest van de grondrechten geboden bescherming niet mag verschillen van lidstaat tot lidstaat (zie in die zin arresten van 20 maart 2018, Garlsson Real Estate e.a., C‑537/16, EU:C:2018:193, punt 38, en 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 36).

48 Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2019/633 aldus moet worden uitgelegd dat het zich in beginsel niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat meerdere op grond van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn verboden oneerlijke handelspraktijken samen worden gekwalificeerd als één enkele inbreuk waarvoor slechts één geldboete kan worden opgelegd.

49 In de tweede plaats moet worden bepaald of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2019/633 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niettemin verzet tegen een dergelijke nationale wettelijke regeling wanneer zij voorziet in een bovengrens voor de geldboete die is vastgesteld om dit geheel van praktijken die gezamenlijk als één enkele inbreuk worden gekwalificeerd, te bestraffen.

50 Dienaangaande bepaalt artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van deze richtlijn dat de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn en rekening moeten houden met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk.

51 Wat in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel betreft, heeft het Hof verduidelijkt dat dit beginsel vereist dat bij de vaststelling van de sanctie en de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van het concrete geval [zie in die zin arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C‑655/21, EU:C:2023:791, punten 67 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Evenzo mogen de repressieve maatregelen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de betrokken wetgeving worden nagestreefd (zie in die zin arrest van 23 november 2023, J. P. Mali, C‑653/22, EU:C:2023:912, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De evenredigheid moet dus concreet worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van de betrokken repressieve maatregel.

52 Dit vereiste, zoals de vereisten die voortvloeien uit artikel 6, lid 1, tweede alinea, van die richtlijn, veronderstelt dat de nationale handhavingsinstantie of de nationale rechter, die belast is met de bestraffing van inbreuken op de verbodsbepalingen van artikel 3 van deze richtlijn, over de noodzakelijke beoordelingsbevoegdheid beschikt om een sanctie vast te stellen die in overeenstemming is met al deze vereisten.

53 Wanneer meerdere krachtens artikel 3 van richtlijn 2019/633 verboden oneerlijke handelspraktijken samen als één enkele inbreuk worden aangemerkt, zodat zij slechts kunnen leiden tot de oplegging van één maximale geldboete, is het mogelijk dat de handhavingsautoriteit of de rechter die belast is met de vaststelling van het bedrag van deze geldboete in bepaalde gevallen de beoordelingsbevoegdheid verliest die noodzakelijk is om aan die vereisten te voldoen.

54 Dit kan met name het geval zijn wanneer het in de nationale wettelijke regeling vastgestelde maximumbedrag van de geldboete veel lager is dan het vooruitzicht op financiële winst dat de afnemer voornemens was te behalen door aan vele van zijn leveranciers betalingen op te leggen die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van die leveranciers. Wanneer het gecumuleerde totaal van deze betalingen de bovengrens van de geldboete in aanzienlijke mate overschrijdt, kan de uniforme maximumsanctie voor al deze inbreukmakende praktijken immers niet volstaan om de beoogde afschrikkende werking te waarborgen of om doeltreffend en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel te zijn.

55 Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of hij in het hoofdgeding over de noodzakelijke beoordelingsbevoegdheid beschikt om het bedrag van de geldboete vast te stellen overeenkomstig de vereisten van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2019/633. Daarbij zal hij met name rekening moeten houden met het bedrag van het financiële gewin dat de koper voornemens was te behalen door aan tal van zijn leveranciers betalingen op te leggen die geen verband houden met de verkoop van hun landbouw- en voedingsproducten ten opzichte van de bovengrens die is vastgesteld voor de geldboete waarmee al deze onrechtmatige betalingen samen worden bestraft.

56 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2019/633, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan meerdere betalingsverzoeken die geen verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van deze richtlijn en die door een afnemer gelijktijdig aan meerdere leveranciers worden gericht wegens één enkel motief, moeten worden aangemerkt als één enkele inbreuk die leidt tot de oplegging van één enkele geldboete, met een vast bedrag als maximum, mits de nationale handhavingsautoriteit of de nationale rechter die belast is met de bestraffing van deze inbreuk over de beoordelingsbevoegdheid beschikt die noodzakelijk is om een geldboete vast te stellen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend is, rekening houdend met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van die inbreuk.

Tweede vraag

57 Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, behoeft de tweede vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.

Kosten

58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e), gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, tweede alinea, van richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan meerdere betalingsverzoeken die geen verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van deze richtlijn en die door een afnemer gelijktijdig aan meerdere leveranciers worden gericht wegens één enkel motief, moeten worden aangemerkt als één enkele inbreuk die leidt tot de oplegging van één enkele geldboete, met een vast bedrag als maximum, mits de nationale handhavingsautoriteit of de nationale rechter die belast is met de bestraffing van deze inbreuk over de beoordelingsbevoegdheid beschikt die noodzakelijk is om een geldboete vast te stellen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend is, rekening houdend met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van die inbreuk.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken