HvJ EU 11 juni 2026, C-216/25, ECLI:EU:C:2026:483

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

11 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociaal beleid – Overgang van ondernemingen – Behoud van de rechten van werknemers – Richtlijn 2001/23/EG – Artikel 3, lid 1 – Overgang op de verkrijger van de verplichtingen die voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst – Mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de vervreemder en de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk zijn – Artikel 8 – Toepassing van nationale bepalingen die gunstiger zijn voor werknemers – Overgang van de verplichting tot uitbetaling van loonaanspraken die niet door de vervreemder zijn uitbetaald – Mogelijkheid om een nationale bepaling toe te passen die de overgang van een verplichting afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser”

In zaak C‑216/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Constanţa (rechter in tweede aanleg Constanța, Roemenië) bij beslissing van 18 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 19 maart 2025, in de procedure

ZN

tegen

GSP Offshore SRL,

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, M. L. Arastey Sahún (rapporteur), president van de Vijfde kamer, en B. Smulders, rechter,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en L. Nicolae als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, en artikel 8 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ZN en GSP Offshore SRL, de voormalige werkgever van ZN, over de uitbetaling van loonaanspraken voor het werk dat ZN voor deze vennootschap had verricht vóór de datum van de overgang van de onderneming op grond van een tussen haar en een andere vennootschap gesloten overeenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 3 en 8 van richtlijn 2001/23 luiden als volgt: „(3) Voorzieningen zijn nodig om de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen. […] (8) Het begrip overgang moet ter wille van de rechtszekerheid en de juridische transparantie verduidelijkt worden in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Een dergelijke verduidelijking vormt geen wijziging van de werkingssfeer van richtlijn 77/187/EEG [van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26)], zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.”

4 Artikel 1, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2001/23 bepaalt: „a) Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie. b) Onder voorbehoud van het bepaalde onder a) en van de hiernavolgende bepalingen van dit artikel wordt in deze richtlijn als overgang beschouwd, de overgang, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan.”

5 Artikel 3 van deze richtlijn luidt als volgt: „1. De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over. De lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na het tijdstip van de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen welke vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking. […] 4. a) Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de leden 1 en 3 niet van toepassing op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten. […]”

6 Artikel 8 van die richtlijn bepaalt het volgende: „Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers.”

Roemeens recht

Arbeidswetboek

7 Artikel 173, lid 2, van Lege nr. 53/2003 privind Codul muncii (wet nr. 53/2003 houdende het arbeidswetboek) van 24 januari 2003 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 72 van 5 februari 2003), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „arbeidswetboek”), bepaalt: „De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan volledig op de verkrijger over.”

Wet nr. 67/2006

8 Artikel 5, lid 1, van Lege nr. 67/2006 privind protecția drepturilor salariaților în cazul transferului întreprinderii, al unității sau al unor părți ale acestora (wet nr. 67/2006 betreffende de bescherming van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen) van 22 maart 2006 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 276 van 28 maart 2006; hierna: „wet nr. 67/2006”) bepaalt: „De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande individuele arbeidsovereenkomst of de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, gaan volledig op de verkrijger over.”

Burgerlijk wetboek

9 Artikel 1605 van Lege nr. 287/2009 privind Codul civil al României (wet nr. 287/2009 houdende het Roemeens burgerlijk wetboek) van 17 juli 2009 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 511 van 24 juli 2009; hierna: „burgerlijk wetboek”) bepaalt: „De met de schuldenaar overeengekomen schuldoverdracht heeft slechts gevolgen indien de schuldeiser daarmee instemt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 ZN werkte voor GSP Offshore op een olieplatform.

11 Bij brief van 21 februari 2024 heeft GSP Offshore aan al haar werknemers, waaronder ZN, meegedeeld dat OMV Petrom Energy Solutions SRL (hierna: „OMV Petrom”) haar personeel zou overnemen omdat de onderneming middels een op 8 februari 2024 tussen beide vennootschappen gesloten overeenkomst was overgegaan (hierna: „betrokken overgang”). OMV Petrom is dus de nieuwe werkgever van deze werknemers geworden.

12 OMV Petrom heeft aan de advocaat van ZN meegedeeld dat volgens haar de loonaanspraken die GSP Offshore op de datum van de betrokken overgang verschuldigd was voor het werk dat ZN vóór die datum voor GSP Offshore had verricht, voor rekening van die laatste vennootschap bleven, zodat OMV Petrom niet verplicht was om die loonaanspraken uit te betalen.

13 ZN heeft bij de Tribunal Constanța (rechter in eerste aanleg Constanța, Roemenië) beroep ingesteld en gevorderd dat GSP Offshore wordt veroordeeld tot uitbetaling van die loonaanspraken.

14 Bij vonnis van 11 oktober 2024 heeft deze rechter het beroep verworpen op grond dat alle rechten en verplichtingen van de vervreemder door de betrokken overgang waren overgegaan op de verkrijger, te weten OMV Petrom, zodat GSP Offshore als vervreemder was ontslagen van de verplichting om de gevorderde loonaanspraken uit te betalen.

15 ZN heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Curte de Apel Constanţa (rechter in tweede aanleg Constanţa, Roemenië), de verwijzende rechter, waarbij zij heeft aangevoerd dat GSP Offshore nog steeds verplicht was om die loonaanspraken uit te betalen en dat OMV Petrom de verplichting om die loonaanspraken uit te betalen, niet op zich nam. ZN betwist aldus dat de verplichtingen betreffende deze loonaanspraken van GSP Offshore op OMV Petrom zijn overgegaan.

16 De verwijzende rechter wijst erop dat hij in andere gedingen tussen GSP Offshore en voormalige werknemers daarvan met hetzelfde voorwerp heeft geoordeeld dat die vennootschap als vervreemder verplicht bleef om de niet-uitbetaalde loonaanspraken uit te betalen aangezien die niet op de verkrijger waren overgegaan.

17 Die rechter merkt op dat, overeenkomstig artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23, de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomsten, volledig op de verkrijger overgaan, waardoor er, op grond van deze bepaling, met deze overgang een daadwerkelijke schuldoverdracht plaatsvindt. Artikel 5, lid 1, van wet nr. 67/2006 en artikel 173, lid 2, van het arbeidswetboek hebben deze bepaling in het nationale recht omgezet.

18 Daarentegen heeft de Roemeense wetgever geen nationaalrechtelijke uitvoering gegeven aan de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn neergelegde mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na het tijdstip van de overgang van de onderneming hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst.

19 In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar het arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers (144/87 en 145/87, EU:C:1988:236), waarin het Hof uitlegging heeft gegeven aan artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, die door richtlijn 2001/23 is ingetrokken en vervangen.

20 In dat arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de vervreemder na het tijdstip van de overgang, en op de enkele grond van die overgang, bevrijd is van zijn aansprakelijkheid voor de uit de arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking voortvloeiende verplichtingen, ook indien de in de onderneming aangestelde werknemers met dat gevolg niet instemmen of zich ertegen verzetten, behoudens de bevoegdheid van de lidstaten om te bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn.

21 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat de bevindingen van het Hof in dat arrest in het licht van de toen geldende arbeidsbetrekkingen moeten worden opgevat. Vandaag dienen immers zowel de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof, met name wat betreft het begrip „overgang van onderneming” in de zin van richtlijn 2001/23, als de ontwikkelingen op het gebied van de arbeidsbetrekkingen in overweging te worden genomen. Volgens de rechter blijkt uit die ontwikkelingen dat de bepalingen van deze richtlijn kunnen worden ingeroepen voor een doel dat strijdig is met het door de richtlijn nagestreefde doel, namelijk om werknemers de bescherming van hun rechten in verband met een overgang van een onderneming te ontnemen in plaats van deze te waarborgen.

22 Wat het begrip „overgang van onderneming” betreft, was het volgens de verwijzende rechter logisch dat, toen richtlijn 77/187 werd aangenomen, de verkrijger de vóór de overgang van de onderneming ontstane schulden van de vervreemder moest overnemen, aangezien de verkrijger de bedrijfsmiddelen, de overeenkomsten en de vorderingen overnam om de betaling van de niet-uitbetaalde loonaanspraken te kunnen waarborgen. Sindsdien heeft het Hof echter, met name in het arrest van 11 maart 1997, Süzen (C‑13/95, EU:C:1997:141), geoordeeld dat een overgang van een onderneming kan bestaan uit de overname van een groep werknemers, zonder dat het noodzakelijk is dat het geheel van materiële activa, productiemiddelen of andere activa worden overgenomen.

23 Het is dus mogelijk dat – zoals in het hoofdgeding – bij een overgang van een onderneming enkel een bepaald aantal werknemers en niet de activa worden overgenomen en de vervreemder niet verplicht is om de niet-uitbetaalde loonaanspraken, die zonder toestemming van de werknemers op de verkrijger overgaan, uit te betalen.

24 In casu verklaart de verwijzende rechter dat uit de openbaar beschikbare informatie over OMV Petrom blijkt dat deze vennootschap beschikt over een maatschappelijk kapitaal van 2000 Roemeense lei (RON) (ongeveer 400 EUR), hetgeen niet zou volstaan voor de uitbetaling van de loonaanspraken die aan alle overgedragen werknemers verschuldigd zijn.

25 Volgens de rechter moet in een dergelijk geval worden aangenomen dat het doel van richtlijn 2001/23 niet is bereikt. Integendeel, de bepalingen van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn leiden er juist toe dat de uitbetaling van de niet-uitbetaalde loonaanspraken van de werknemers niet meer wordt gewaarborgd.

26 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich, ten eerste, af of hij kan aannemen dat een algemene bepaling, zoals artikel 1605 van het burgerlijk wetboek, die de overdracht van een schuld afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, de omzetting in nationaal recht vormt van de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2001/23 opgenomen mogelijkheid.

27 Ten tweede herinnert deze rechter eraan dat artikel 8 van deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid geeft om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen die gunstiger zijn voor de werknemers. In dit verband verklaart hij dat artikel 1605 van het burgerlijk wetboek gunstiger is voor de werknemers. Zij kunnen er namelijk, aangezien artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn hen in werkelijkheid benadeelt, voor kiezen de vervreemder in plaats van de verkrijger voor de rechtbank te dagen.

28 De verwijzende rechter vraagt zich aldus af of hij artikel 1605 van het burgerlijk wetboek kan toepassen om te waarborgen dat de door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken die dateren van vóór de datum van de overgang, aan de werknemers worden uitbetaald. Dit betekent dat de vervreemder zonder de instemming van de schuldeiser-werknemer met de overdracht van de schuld betreffende de loonaanspraken, niet kan worden geacht te zijn ontslagen van de verplichting tot uitbetaling daarvan.

29 Volgens deze rechter zou dit in de eerste plaats mogelijk kunnen zijn wanneer lidstaten artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2001/23 in het nationale recht kunnen omzetten middels bepalingen van algemene aard, zoals die van het burgerlijk wetboek, en niet enkel middels bijzondere bepalingen die uitdrukkelijk vermelden dat zij tot doel hebben deze richtlijn om te zetten.

30 Indien moet worden aangenomen dat deze mogelijkheid niet door een bepaling van algemene aard ten uitvoer kan worden gelegd, stelt zich in de tweede plaats de vraag of artikel 8 van deze richtlijn de nationale rechterlijke instanties toestaat om een dergelijke bepaling van algemene aard toe te passen als een regel die gunstiger is voor de werknemers dan die welke is neergelegd in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van genoemde richtlijn.

31 Derhalve heeft de Curte de Apel Constanța besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2001/23] aldus worden uitgelegd dat: a) zij eraan in de weg staat dat een algemene regeling van nationaal recht die de overgang van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, in geval van een onder die richtlijn vallende overgang wordt toegepast op de verplichtingen van de vervreemder die voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, die op de verkrijger zijn overgegaan; b) de in de tweede alinea van die bepaling bedoelde uitzondering kan worden ingevoerd bij een algemene regeling van nationaal recht die is vastgesteld na de wet waarbij de richtlijn in nationaal recht is omgezet en die de overgang van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, of moet die uitzondering worden ingevoerd bij een bijzondere wettelijke regeling? 2) Indien de eerste twee [onderdelen van de eerste vraag] ontkennend worden beantwoord, kan artikel 8 van richtlijn 2001/23 dan aldus worden uitgelegd dat deze bepaling de lidstaten (met inbegrip van de rechterlijke instanties) toestaat om een algemene regeling die de overgang van verplichtingen betreffende loonaanspraken die zijn ontstaan vóór de overgang van de vervreemder op de verkrijger, afhankelijk stelt van de instemming van de werknemer-schuldeiser, toe te passen als regeling die gunstiger is dan artikel 3, lid 1, eerste alinea, van [deze richtlijn], zoals omgezet bij een bijzondere nationale wet?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

32 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van deze richtlijn en met betrekking tot de uitbetaling van de door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, een nationale bepaling wordt toegepast die de overgang van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van een schuldeiser, zodat voor de overgang van de verplichting tot uitbetaling van die loonaanspraken van de vervreemder op de verkrijger, de instemming van de betrokken werknemer vereist is en of het feit dat de nationale bepaling een algemeen dan wel bijzonder karakter heeft hierop van invloed is.

33 Er zij aan herinnerd dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, door die overgang op de verkrijger overgaan.

34 Bovendien kunnen de lidstaten volgens artikel 3, lid 1, tweede alinea, bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na de overgang van de onderneming hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking voortvloeien.

35 Om te beginnen zij opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de Roemeense wetgever artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23 in artikel 5, lid 1, van wet nr. 67/2006 en artikel 173, lid 2, van het arbeidswetboek heeft omgezet, maar dat hij de mogelijkheid van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn niet in die nationaalrechtelijke bepalingen heeft omgezet.

36 Tegelijkertijd vraagt de verwijzende rechter zich af of hij mag aannemen dat een algemene nationale bepaling, met name artikel 1605 van het burgerlijk wetboek, deze mogelijkheid heeft omgezet, aangezien dat artikel de overgang van een schuld afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser. De verwijzende rechter is immers eerder van oordeel dat in het kader van de betrokken overgang moet worden geoordeeld dat de verplichting tot uitbetaling van de loonaanspraken die de vervreemder vóór het tijdstip van die overgang aan de betrokken werknemer verschuldigd was, bij gebreke van instemming van die werknemer, niet op de verkrijger is overgegaan.

37 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het Hof in punt 11 van het arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers (144/87 en 145/87, EU:C:1988:236), met betrekking tot artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, dat in essentie overeenstemde met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, heeft geoordeeld dat de overgang van een onderneming van rechtswege leidt tot de overgang, van vervreemder op verkrijger, van de verplichtingen die voor de werkgever voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst of -betrekking, met dien verstande dat de lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, tenzij de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, de vervreemder door het enkele feit van de overgang van zijn verplichtingen als werkgever wordt ontslagen en dat dit rechtsgevolg niet afhankelijk is van de instemming van de betrokken werknemers.

38 In punt 12 van dat arrest heeft het Hof vastgesteld dat een dergelijke uitlegging overeenstemde met het doel van richtlijn 77/187, met name te verzekeren dat de werknemers in geval van wijziging in de persoon van het hoofd van de onderneming hun rechten behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als die welke zij met de vervreemder waren overeengekomen in dienst van de nieuwe werkgever blijven.

39 Bovendien heeft het Hof in punt 13 van dat arrest opgemerkt dat deze richtlijn, door te voorzien in een dergelijke overgang van rechtswege van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, afwijkt van het beginsel dat de wijziging van schuldenaar slechts met instemming van de schuldeiser kan plaatsvinden, welk beginsel door de verzoekers in de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, was aangevoerd. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt te voorzien in de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vervreemder en de verkrijger na de overgang en hun zo in staat stelt de overgang van rechtswege van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzoenen met de beginselen van hun interne rechtsorde.

40 Zo heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 aldus moest worden uitgelegd dat de vervreemder na het tijdstip van de overgang van de onderneming, en op de enkele grond van die overgang, bevrijd is van zijn aansprakelijkheid voor de uit de arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking voortvloeiende verplichtingen, ook indien de in de onderneming aangestelde werknemers met dat gevolg niet instemmen of zich ertegen verzetten, behoudens de bevoegdheid van de lidstaten om te bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn (arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers, 144/87 en 145/87, EU:C:1988:236, punt 14).

41 Zoals blijkt uit punt 35 van het onderhavige arrest, heeft de Roemeense wetgever evenwel in de in dat punt bedoelde nationale bepalingen geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om te voorzien in de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vervreemder en de verkrijger op grond van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2001/23.

42 In de tweede plaats zij erop gewezen dat het Hof eveneens heeft geoordeeld dat de werking van de rechten die door richtlijn 77/187, met name artikel 3, lid 1, ervan, aan de werknemers worden toegekend, niet afhankelijk kan worden gesteld van de instemming van de vervreemder of de verkrijger, noch van die van de werknemersvertegenwoordigers of de werknemers zelf, behoudens in het geval dat deze laatsten, gebruikmakend van de hun geboden mogelijkheid, uit vrije wil besluiten na de overgang de arbeidsbetrekking met de nieuwe ondernemer niet voort te zetten (zie in die zin en naar analogie arresten van 25 juli 1991, d’Urso e.a., C‑362/89, EU:C:1991:326, punt 11; 24 januari 2002, Temco, C‑51/00, EU:C:2002:48, punten 35 en 36, en 26 mei 2005, Celtec, C‑478/03, EU:C:2005:321, punt 37).

43 In dit verband moet worden opgemerkt dat dit laatste voorbehoud niet relevant lijkt voor het hoofdgeding. Uit de aanwijzingen van de verwijzingsbeslissing die de verwijzende rechter in voorkomend geval moet bevestigen, blijkt in casu namelijk dat de betrokken werknemer de voortzetting van zijn arbeidsbetrekking met de verkrijger niet betwist, maar enkel het feit dat de vervreemder, op grond van de betrokken overgang, bevrijd is van zijn verplichtingen om de loonaanspraken uit te betalen voor het werk dat die werknemer voor de vervreemder heeft verricht.

44 In de derde en laatste plaats, volgt uit de rechtspraak dat de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 bedoelde overgang alle rechten van de werknemers omvat, voor zover deze niet vallen onder een van de in artikel 3, lid 4, van die richtlijn genoemde uitzonderingen op de toepassing van die bepaling (zie in die zin beschikking van 28 januari 2015, Gimnasio Deportivo San Andrés, C‑688/13, EU:C:2015:46, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), ongeacht of deze rechten na of vóór de overgang van de onderneming zijn ontstaan (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 februari 1985, Abels, 135/83, EU:C:1985:55, punten 37 en 38).

45 Het Hof heeft voorts verduidelijkt dat, aangezien artikel 3, lid 1, tweede alinea, van genoemde richtlijn de lidstaten de mogelijkheid geeft om te bepalen dat de vervreemder en verkrijger „na het tijdstip van de overgang” hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, de aansprakelijkheid voor de lasten die voortvloeien uit de ten tijde van de overgang bestaande rechten van de werknemers, primair op de verkrijger rust (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 februari 1985, Abels, 135/83, EU:C:1985:55, punt 36).

46 Bijgevolg moet, mede gelet op de in de punten 39 en 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, worden vastgesteld dat een beginsel, zoals dat welk tot uiting komt in artikel 1605 van het burgerlijk wetboek, op grond waarvan een schuldenaar zijn schulden, waaronder de verplichting tot uitbetaling van de loonaanspraken die de vervreemder vóór het tijdstip van de overgang van de onderneming aan de betrokken werknemer verschuldigd was, niet zonder toestemming van zijn schuldeisers aan een derde kan overdragen, niet relevant is voor de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, onder voorbehoud evenwel van de in de tweede alinea van dat artikel 3, lid 1, bedoelde mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de vervreemder en verkrijger na dat tijdstip hoofdelijk aansprakelijk zijn.

47 Wat meer in het bijzonder deze tweede alinea betreft, moet worden benadrukt dat deze niet tot doel heeft af te wijken van het basisbeginsel van artikel 3, lid 1, eerste alinea, op grond waarvan de verkrijger door de overgang aansprakelijk wordt voor de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, maar wel beoogt de toepassing van dit basisbeginsel aan te vullen door te bepalen dat deze aansprakelijkheid naast de verkrijger ook op de vervreemder kan blijven rusten.

48 Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2001/23 kan dus geen belemmering vormen voor de toepassing van dit basisbeginsel, volgens hetwelk de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van rechtswege op de verkrijger overgaan, ook wanneer de in de onderneming aangestelde werknemers niet met die overgang instemmen of zich daartegen verzetten, zoals blijkt uit de in punt 40 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

49 Hieruit volgt dat deze bepaling in geen geval kan worden omgezet middels een regel die tot gevolg heeft dat de overgang van deze verplichtingen afhankelijk wordt gesteld van de instemming van de werknemer, ongeacht de in de eerste vraag benadrukte omstandigheid dat een dergelijke regel is opgenomen in een nationale bepaling van algemene dan wel bijzondere aard.

50 Voorts moet worden opgemerkt dat aan deze uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 geen afbreuk wordt gedaan door de gegevens die de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft aangevoerd, en die in punt 21 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.

51 In de eerste plaats stelt deze rechter namelijk dat, sinds het arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers (144/87 en 145/87, EU:C:1988:236), de rechtspraak van het Hof inzake het begrip „overgang van een onderneming” is geëvolueerd, zoals volgens hem blijkt uit het arrest van 11 maart 1997, Süzen (C‑13/95, EU:C:1997:141).

52 In dit verband volstaat het om op te merken dat het beginsel dat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomsten van rechtswege overgaan op de verkrijger, zonder dat een dergelijk gevolg afhankelijk kan worden gesteld van de instemming van, met name de werknemers, een beginsel is dat vaste rechtspraak van het Hof is, ook na het arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers (144/87 en 145/87, EU:C:1988:236), zoals in het bijzonder blijkt uit de in punt 42 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

53 Hoe dan ook blijkt uit overweging 8 van richtlijn 2001/23 dat, hoewel het voor de rechtszekerheid en juridische transparantie nodig was om het begrip „overgang” in het licht van de rechtspraak van het Hof te verduidelijken, de in artikel 1, lid 1, onder b), van die richtlijn opgenomen verduidelijking niet tot gevolg heeft gehad dat de werkingssfeer van richtlijn 77/187, en bijgevolg evenmin die van richtlijn 2001/23, werd gewijzigd.

54 In de tweede plaats blijkt volgens de verwijzende rechter uit de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsbetrekkingen dat de bepalingen van richtlijn 2001/23 zouden kunnen worden ingeroepen voor een doel dat in strijd is met het door deze richtlijn nagestreefde doel, namelijk om werknemers de bescherming van hun rechten in verband met een overgang van een onderneming te ontnemen in plaats van deze te waarborgen.

55 Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest is opgemerkt, zij er in dit verband aan herinnerd dat richtlijn 2001/23, zoals blijkt uit artikel 3 van die richtlijn, gelezen in het licht van overweging 3 ervan, tot doel heeft de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen door te verzekeren dat zij hun rechten behouden, met name door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als die welke zij met de vervreemder waren overeengekomen in dienst van de nieuwe werkgever blijven. Dezelfde richtlijn beoogt zo veel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomsten of ‑betrekkingen met de verkrijger te verzekeren, teneinde te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren (arrest van 9 september 2020, TMD Friction en TMD Friction EsCo, C‑674/18 en C‑675/18, EU:C:2020:682, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit gezegd zijnde heeft een dergelijke overdracht, zoals blijkt uit de punten 37 en 38 van het onderhavige arrest, onder voorbehoud van de toepassing van de in de tweede alinea van dat artikel 3, lid 3, geboden mogelijkheid, die in casu niet relevant is, ook tot gevolg dat de vervreemder wordt bevrijd van zijn verplichtingen als werkgever.

56 Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, zij er evenwel aan herinnerd dat de Unieregelgeving niet zo ruim mag worden toegepast dat zij handelingen zou dekken die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik voordeel te halen uit de door dat recht toegekende voordelen. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het bewijs dat er sprake is van misbruik, enerzijds, een geheel van objectieve omstandigheden vereist is waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds, een subjectief element noodzakelijk is, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 30 oktober 2025, Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, C‑143/23, EU:C:2025:837, punten 79 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 Uiteindelijk staat het aan de nationale rechter om na te gaan of er in de bij hem aanhangige zaak sprake is van een dergelijk misbruik door alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de feiten en omstandigheden die volgen op de transactie die misbruik zou opleveren (arrest van 30 oktober 2025, Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, C‑143/23, EU:C:2025:837, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Gezien alle voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van de door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de overgang van de vervreemder op de verkrijger van de verplichtingen met betrekking tot de uitbetaling van deze loonaanspraken afhankelijk zou zijn van de instemming van de betrokken werknemer, en dit ongeacht of deze nationale bepaling een algemeen dan wel bijzonder karakter heeft.

Tweede vraag

59 Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter in essentie of artikel 8 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een overgang van onderneming in de zin van deze richtlijn, en met betrekking tot de uitbetaling van door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, een nationale bepaling kan worden toegepast die de overdracht van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de verplichtingen betreffende de uitbetaling van deze loonaanspraken slechts van de vervreemder op de verkrijger overgaan indien de betrokken werknemer daarmee instemt.

60 Artikel 8 bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers.

61 In dit verband zij erop gewezen dat dezelfde richtlijn het betrokken domein slechts gedeeltelijk wil harmoniseren, door in essentie te bepalen dat de bescherming die de werknemers autonoom aan het recht van de verschillende lidstaten ontlenen, wordt uitgebreid tot het geval van een overgang van onderneming. De toepassing van de richtlijn beoogt geen uniforme bescherming voor de Europese Unie in te voeren op basis van gemeenschappelijke criteria (arrest van 11 september 2014, Österreichischer Gewerkschaftsbund, C‑328/13, EU:C:2014:2197, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 De toepassing van nationale bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemers, op grond van artikel 8 van richtlijn 2001/23, mag evenwel niet tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de minimale bescherming die deze richtlijn, en met name artikel 3, lid 1, daarvan aan werknemers waarborgt en op grond waarvan de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van rechtswege op de verkrijger overgaan (zie in die zin en naar analogie, arresten van 19 november 2019, TSN en AKT, C‑609/17 en C‑610/17, EU:C:2019:981, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 2 maart 2023, MÁV-START, C‑477/21, EU:C:2023:140, punt 51).

63 De toepassing van dergelijke nationale bepalingen mag evenmin afbreuk doen aan de samenhang van deze richtlijn of aan de daarmee nagestreefde doelstellingen (zie in die zin en naar analogie arresten van 19 november 2019, TSN en AKT, C‑609/17 en C‑610/17, EU:C:2019:981, punt 51, en arrest van 12 juni 2025, Tallinna linn, C‑219/24, EU:C:2025:442, punt 48).

64 Zelfs indien een nationale bepaling, die – zoals artikel 1605 van het burgerlijk wetboek – de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, gunstiger is voor werknemers dan artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, moet evenwel worden vastgesteld dat de toepassing van een dergelijke nationale bepaling in strijd zou zijn met het basisbeginsel dat aan artikel 3, lid 1, ten grondslag ligt, volgens hetwelk de verkrijger door de overgang van rechtswege aansprakelijk wordt voor de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, ook wanneer de betrokken werknemers met dat gevolg niet instemmen of zich ertegen verzetten, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag. In deze omstandigheden zou de toepassing van een dergelijke nationale bepaling afbreuk doen aan de samenhang van deze richtlijn en aan de minimale bescherming die deze aan de werknemers biedt, in het bijzonder de bescherming die door artikel 3, lid 1, wordt gewaarborgd.

65 Gezien alle voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de verplichtingen betreffende de uitbetaling van deze loonaanspraken slechts van de vervreemder op de verkrijger overgaan indien de betrokken werknemer daarmee instemt.

Kosten

66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van de door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de overgang van de vervreemder op de verkrijger van de verplichtingen met betrekking tot de uitbetaling van deze loonaanspraken afhankelijk zou zijn van de instemming van de betrokken werknemer, en dit ongeacht of deze nationale bepaling een algemeen dan wel bijzonder karakter heeft.

2) Artikel 8 van richtlijn 2001/23 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de verplichtingen betreffende de uitbetaling van deze loonaanspraken slechts van de vervreemder op de verkrijger overgaan indien de betrokken werknemer daarmee instemt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken