HvJ EU 11 juni 2026, C-601/24, ECLI:EU:C:2026:479

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

11 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer – Hippocampus japonicus – Verordening (EG) nr. 338/97 – Artikel 2, onder t) – Begrip ‚specimen’ – Artikel 4, lid 2 – Invoervergunning – Artikel 2, onder j), en artikel 7, lid 3 – Persoonlijke bezittingen of huisraad – Artikel 16 – Strafrechtelijke sancties – Binnenkomst in de Europese Unie van specimen zonder invoervergunning – Verordening (EG) nr. 865/2006 – Artikel 57 – Binnenbrengen van persoonlijke bezittingen en huisraad in de Unie”

In zaak C‑601/24 [Gotka] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Jarosławiu Wydział II Karny (rechter in eerste aanleg Jarosław, tweede afdeling bevoegd in strafzaken, Polen) bij beslissing van 13 september 2024, ingekomen bij het Hof op 16 september 2024, in de strafprocedure tegen

V.B.,

in tegenwoordigheid van:

Prokurator Prokuratury Rejonowej w Jarosławiu,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 januari 2026,

gelet op de opmerkingen van:

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, T. Paroulková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P. E. Wagner als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll, F. Hagen, M. Kopetzki en B. Leitner als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en D. Milanowska als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, artikel 2, onder j) en t), en artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB 1997, L 61, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 398/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB 2009, L 126, blz. 5) (hierna: „verordening nr. 338/97”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen V.B., Oekraïens onderdaan, die ervan wordt beschuldigd doosjes met tabletten die een extract bevatten van de hippocampus japonicus, een krachtens verordening nr. 338/97 beschermde soort, zonder invoervergunning te hebben binnengebracht in de Europese Unie.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 De op 3 maart 1973 te Washington D.C. ondertekende Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (United Nations Treaty Series, deel 993, nr. I-14537; hierna: „CITES”) heeft tot doel te waarborgen dat de internationale handel in de in de bijlagen daarbij genoemde soorten, alsmede in delen daarvan en daaruit verkregen producten, de instandhouding van de biodiversiteit niet schaadt en op een duurzaam gebruik van de in het wild levende soorten berust.

4 Aan de CITES, waarbij de Unie op 8 juli 2015 partij is geworden, is met ingang van 1 januari 1984 in de Unie uitvoering gegeven bij verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (PB 1982, L 384, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken bij verordening nr. 338/97.

5 De resolutie van de Conferentie van de partijen bij de CITES („Controle op de handel in specimens die persoonlijke bezittingen of huisraad vormen”) [Conf.13.7 (Rev. CoP17)] (hierna: „resolutie 13.7 van de Conferentie van de partijen bij de CITES”) luidt als volgt: „[…] De Conferentie van de partijen bij de [CITES] 1. Besluit dat de term ‚persoonlijke bezittingen of huisraad’ in artikel VII, lid 3, van toepassing is op specimens die: a) in persoonlijke eigendom of persoonlijk bezit zijn, voor niet-commerciële doeleinden; b) legaal zijn verkregen, en c) op het tijdstip van de invoer, uitvoer of wederuitvoer: i) worden gedragen, vervoerd of meegenomen in de persoonlijke bagage, of ii) deel uitmaken van een verhuizing. […]”

Unierecht

Verordening nr. 338/97

6 Artikel 1 („Doel”) van verordening nr. 338/97 bepaalt het volgende: „Deze verordening heeft ten doel, in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde bepalingen. Deze verordening is van toepassing met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de in artikel 2 omschreven overeenkomst.”

7 Artikel 2 („Definities”) van deze verordening bepaalt in de punten b), j) en t): „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] b) ‚de overeenkomst’: de [CITES]; […] j) ‚persoonlijke bezittingen of huisraad’: dode specimens alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn; […] t) ‚specimen’: elk dier of elke plant, dood of levend, van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten, elk deel daarvan en elk daarvan verkregen product, al dan niet in andere goederen vervat, alsmede alle goederen waarvan op grond van een bewijsstuk, verpakking, merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat het gaat om delen of producten van tot deze soorten behorende dieren of planten, tenzij deze delen of producten door middel van een aanduiding in die zin in de bijlagen waarin de betrokken soorten genoemd worden, expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening of van de bepalingen met betrekking tot de betrokken bijlage zijn uitgesloten.”

8 Artikel 4 („Binnenbrengen in de Gemeenschap”) van die verordening bepaalt in lid 2, eerste alinea, het volgende: „Specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de [Europese] Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming.”

9 Artikel 7 („Afwijkingen”) van die verordening bepaalt in lid 3: „In afwijking van de artikelen 4 en 5 zijn de daarin vervatte bepalingen niet van toepassing op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met de bepalingen die […] door de [Europese] Commissie worden vastgesteld.”

10 Artikel 16 („Sancties”) van verordening nr. 338/97 bepaalt in lid 1, onder a), en lid 2: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er ten minste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien op de bepalingen van deze verordening de volgende inbreuken worden gemaakt: a) binnenbrengen in of uitvoeren dan wel wederuitvoeren uit de Gemeenschap van specimens zonder de passende vergunning of het passende certificaat, of met een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat dan wel een vergunning of certificaat waarin wijzigingen zijn aangebracht zonder toestemming van de autoriteit die deze heeft afgegeven; […] 2. De in lid 1 bedoelde maatregelen staan in een passende verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk en bevatten onder meer voorzieningen met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens.”

11 Bijlage B bij deze verordening omvat de „[Hippocampus spp. (II)]”.

Verordening nr. 865/2006

12 In de overwegingen 1, 2 en 6 van verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening [nr. 338/97] (PB 2006, L 166, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 100/2008 van de Commissie van 4 februari 2008 (PB 2008, L 31, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 865/2006”), staat het volgende te lezen: „(1) Er moeten bepalingen worden vastgesteld om verordening [nr. 338/97] ten uitvoer te leggen en te garanderen dat de [CITES] volledig wordt nageleefd. (2) Om een eenvormige uitvoering van verordening [nr. 338/97] te garanderen, is het noodzakelijk gedetailleerde voorwaarden en criteria vast te stellen voor de behandeling van aanvragen voor vergunningen en certificaten en voor de afgifte, de geldigheid en het gebruik van deze documenten. Bijgevolg is het passend modellen vast te stellen waaraan deze documenten dienen te voldoen. […] (6) Er moeten procedures worden vastgesteld voor het merken van bepaalde specimens van dier- of plantensoorten teneinde de identificatie daarvan te vergemakkelijken en de handhaving van de bepalingen van verordening [nr. 338/97] te garanderen.”

13 Artikel 1 („Definities”) van verordening nr. 865/2006 bepaalt in punt 5: „Voor de toepassing van deze verordening wordt, naast de definities van artikel 2 van verordening [nr. 338/97], verstaan onder: […] 5. ‚gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon’: een persoon die gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar in de Gemeenschap verblijft wegens beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen die persoon en de plaats waar hij verblijft”.

14 Artikel 57 („Binnenbrengen en opnieuw binnenbrengen van persoonlijke bezittingen en huisraad in de Gemeenschap”) van deze verordening bepaalt het volgende: „1. De in artikel 7, lid 3, van verordening [nr. 338/97] bedoelde afwijking van artikel 4 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd. Bedoelde afwijking geldt alleen voor specimens, met inbegrip van jachttrofeeën, die aan één van de volgende voorwaarden voldoen: a) zij maken deel uit van de persoonlijke bagage van reizigers afkomstig uit derde landen; b) zij maken deel uit van de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit een derde land, hun gewone verblijfplaats kiezen in de Gemeenschap; c) het betreft jachttrofeeën die door een reiziger zijn verworven en op een latere datum worden ingevoerd. […] 3. Vóór het voor de eerste keer binnenbrengen in de Gemeenschap, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage B bij verordening [nr. 338/97] opgenomen soorten, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd. […] 5. In afwijking van de leden 3 en 4 is voor het binnenbrengen of opnieuw binnenbrengen in de Gemeenschap van de volgende in bijlage B bij verordening [nr. 338/97] opgenomen producten de overlegging van een (weder)uitvoerdocument of invoervergunning niet vereist: […] e) ten hoogste vier dode specimens van Hippocampus spp. per persoon. […]”

Richtlijn 2001/83

15 In artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2022/642 van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2022 (PB 2022, L 118, blz. 4) (hierna: „richtlijn 2001/83”), is het volgende bepaald: „Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder: […] 2. Geneesmiddel: a) elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of b) elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.”

Pools recht

16 Artikel 128, punt 1, van de ustawa o ochronie przyrody (wet betreffende natuurbescherming) van 16 april 2004 (DZ. U. nr. 92, volgnr. 880), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende natuurbescherming”), bepaalde het volgende: „Eenieder die zonder het […] vereiste document of in strijd met de [vastgestelde] voorwaarden een specimen van een […] beschermde soort over de grens van de Europese Unie vervoert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaren.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17 Op 16 april 2024 heeft V.B., Oekraïens onderdaan, vier doosjes met elk 100 tabletten van een preparaat met daarin een extract van de hippocampus japonicus (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat”) zonder invoervergunning in Polen binnengebracht. Hij had die doosjes in Oekraïne voor eigen gebruik aangekocht.

18 Bij de Sąd Rejonowy w Jarosławiu Wydział II Karny (rechter in eerste aanleg Jarosław, tweede afdeling bevoegd in strafzaken, Polen), de verwijzende rechter, is een door de Prokurator Prokuratury Rejonowej w Jarosławiu (openbaar aanklager van het parket Jarosław, Polen) goedgekeurde tenlastelegging tegen V.B. ingekomen. Volgens die tenlastelegging vormen de in punt 17 van het onderhavige arrest beschreven feiten een strafbaar feit in de zin van artikel 128, punt 1, van de wet betreffende natuurbescherming, dat wordt bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaren.

19 De verwijzende rechter is van oordeel dat de vraag of het binnenbrengen in de Unie zonder invoervergunning van de doosjes tabletten van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat strafbaar is op grond van artikel 128, punt 1, van de natuurbeschermingswet, met name afhangt van de uitlegging van verordening nr. 338/97.

20 In dit verband vraagt hij zich in de eerste plaats af of een dergelijk preparaat, voor zover het een extract van de hippocampus japonicus bevat, moet worden geacht onder het begrip „specimen” in de zin van artikel 2, onder t), van die verordening te vallen. Hij preciseert dat dit preparaat voldoet aan de voorwaarden om als geneesmiddel te worden aangemerkt en vraagt zich met name af of een dergelijke kwalificatie een invloed heeft op de uitlegging van het begrip „specimen”.

21 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat V.B. het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat als particulier heeft gekocht in een apotheek in Oekraïne, waar het legaal wordt verkocht, en het in de Unie heeft binnengebracht voor medisch gebruik door hemzelf of door een naaste, en niet voor commerciële doeleinden. Hij vraagt zich af of dit preparaat in dergelijke omstandigheden moet worden geacht deel uit te maken van de „persoonlijke bezittingen of huisraad” van de verdachte in de zin van artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97, die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van deze verordening zijn vrijgesteld van de verplichting om bij het binnenbrengen ervan in de Unie een invoervergunning over te leggen.

22 In de derde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die het mogelijk maakt om een consument strafrechtelijk te vervolgen wanneer hij zonder invoervergunning een in een derde land legaal gekocht preparaat, zoals dat in het hoofdgeding, voor eigen medisch gebruik of voor dat van een naaste in de Unie binnenbrengt, wanneer er geen aanwijzingen zijn dat dit preparaat voor commerciële doeleinden is bedoeld.

23 In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Jarosławiu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het begrip ‚specimen’ in artikel 2, onder t), van verordening [nr. 338/97] aldus worden opgevat dat het ook betrekking heeft op een geneesmiddel dat legaal verkrijgbaar is in apotheken in een land buiten de […] Unie en dat in zijn complexe samenstelling onder andere een extract bevat van de hippocampus japonicus Syngnathidae Hippocampus spp. (II), die in bijlage B bij deze verordening is opgenomen? 2) Moet artikel 1 van verordening [nr. 338/97] in het licht van artikel 2, onder t), van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die het mogelijk maakt om een consument strafrechtelijk te vervolgen wegens het (zonder vergunning) binnenbrengen in de Unie van een voor eigen gebruik bestemd geneesmiddel dat legaal is gekocht in een apotheek in een land buiten de Unie en dat in zijn complexe samenstelling onder andere een extract bevat van de hippocampus japonicus Syngnathidae Hippocampus spp. (II), die in bijlage B bij deze verordening is opgenomen, wanneer er geen aanwijzingen zijn dat dit geneesmiddel voor commerciële doeleinden is bedoeld? 3) Moet het begrip ,persoonlijke bezittingen of huisraad’ in artikel 2, onder j), van verordening [nr. 338/97] (die op grond van artikel 7, lid 3, van deze verordening van de vergunningsplicht zijn vrijgesteld) aldus worden uitgelegd dat het ook een geneesmiddel omvat dat legaal – voor medisch gebruik door de koper of zijn naaste – is gekocht in een apotheek in een land buiten de Unie en dat in zijn complexe samenstelling onder andere een extract bevat van de hippocampus japonicus Syngnathidae Hippocampus spp. (II), die in bijlage B bij deze verordening is opgenomen, wanneer er geen aanwijzingen zijn dat dit geneesmiddel voor commerciële doeleinden is bedoeld?

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling met name een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat, onder het begrip „specimen” in de zin van deze bepaling valt.

25 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 2 juli 2020, Magistrat der Stadt Wien (Veldhamster), C‑477/19, EU:C:2020:517, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

26 Over de bewoordingen van artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97 moet worden opgemerkt dat deze bepaling de term „specimen” ruim definieert, zodat deze niet alleen ziet op elk dier of elke plant, dood of levend, maar ook op „elk deel […] en elk […] verkregen product” van de in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening genoemde soorten, of zij nu „al dan niet in andere goederen [zijn] vervat”, alsmede op „alle goederen”, waarvan op grond van het etiket, de verpakking of het merkteken, of enig ander bewijsstuk of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat zij delen of producten van tot deze soorten behorende dieren of planten bevatten, tenzij die delen of producten expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening zijn uitgesloten.

27 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat elk product dat van een beschermde soort is afgeleid en alle goederen die een dergelijk product bevatten, in beginsel onder het begrip „specimen” in de zin van artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97 vallen.

28 Deze uitlegging vindt steun in de context van dit begrip en in de doelstelling van verordening nr. 338/97. In dit verband zij eraan herinnerd dat specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste alinea, van die verordening slechts in de Unie mogen worden binnengebracht indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming. Bovendien is de afgifte van een dergelijke invoervergunning onderworpen aan verschillende voorwaarden en beperkingen, als bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede alinea, onder a) tot en met c), en lid 6, van die verordening.

29 Een restrictieve uitlegging van het begrip „specimen”, in die zin dat bepaalde verwerkte of afgeleide producten die extracten van een beschermd dier of een beschermde plant bevatten daarvan zijn uitgesloten, zou echter tot gevolg hebben dat dergelijke producten worden vrijgesteld van de verplichting om bij het binnenbrengen ervan in de Unie een invoervergunning voor te leggen en dus van de bij verordening nr. 338/97 ingestelde controle op het desbetreffende handelsverkeer, ook al heeft deze verordening blijkens artikel 1 ervan ten doel om in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door controle op het desbetreffende handelsverkeer. Een dergelijke uitlegging zou dus de bescherming en de instandhouding van deze soorten in gevaar kunnen brengen.

30 In casu komt uit de verwijzingsbeslissing naar voren dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat een complexe samenstelling is die, naast andere bestanddelen, een extract bevat van de hippocampus japonicus, een dier uit de familie van de Syngnathidae en het genus Hippocampus.

31 Alle soorten Syngnathidae van het genus Hippocampus zijn opgenomen in bijlage B bij verordening nr. 338/97, zodat de hippocampus japonicus een soort is die onder de bescherming valt die is vastgesteld voor de in die bijlage genoemde soorten.

32 Bovendien moet worden opgemerkt dat deze soort niet expliciet van het toepassingsgebied van verordening nr. 338/97 is uitgesloten.

33 In die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling met name een extract bevat van de hippocampus japonicus, onder het begrip „specimen” in de zin van artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97 valt.

34 Voor zover de verwijzende rechter zich voorts afvraagt of de kwalificatie van dit preparaat als „geneesmiddel” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83 van invloed kan zijn op de kwalificatie ervan als „specimen” in de zin van artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97, moet ten eerste worden opgemerkt dat de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling geen enkel onderscheid maken naargelang van het gebruik of de bestemming van de goederen of producten die van beschermde soorten zijn afgeleid.

35 Ten tweede kan op grond van geen enkele bepaling van verordening nr. 338/97 worden aangenomen dat geneesmiddelen buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

36 Hieruit volgt dat de kwalificatie van een product als „geneesmiddel” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83 geen invloed heeft op de uitlegging van het begrip „specimen” in de zin van artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97.

37 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder t), van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling met name een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat, onder het begrip „specimen” in de zin van deze bepaling valt.

Derde vraag

38 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Bovendien kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt [arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

39 De omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn vragen formeel heeft verwezen naar bepaalde specifieke bepalingen van het Unierecht staat er namelijk niet aan in de weg dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 22 januari 2026, Secab, C‑423/23, EU:C:2026:32, punt 29).

40 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, dat door de verwijzende rechter wordt genoemd in zijn derde vraag, die als tweede dient te worden onderzocht, verwijst naar de bepalingen die door de Commissie zijn vastgesteld als nadere uitvoeringsvoorwaarden van die verordening. Om deze vraag te beantwoorden moet daarom ook rekening worden gehouden met artikel 57 van verordening nr. 865/2006, dat de voorwaarden regelt voor het binnenbrengen en het opnieuw binnenbrengen van persoonlijke bezittingen of huisraad in de Unie.

41 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 2, onder j), en artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, gelezen in samenhang met artikel 57 van verordening nr. 865/2006, aldus moeten worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling een in bijlage B bij verordening nr. 338/97 opgenomen extract van de hippocampus japonicus bevat, dat legaal in een derde land is gekocht en dat in de Unie is binnengebracht voor medisch gebruik door een particulier of zijn naaste, en niet voor commerciële doeleinden, moet worden geacht te vallen onder het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad”, waarvoor bij het binnenbrengen in de Unie geen invoervergunning of, in voorkomend geval, een (weder)uitvoerdocument hoeft te worden overgelegd.

42 Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, mogen specimens van in bijlage B bij de verordening genoemde soorten overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 338/97 slechts in de Unie worden binnengebracht, indien vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat van bestemming.

43 In afwijking van artikel 4 van verordening nr. 338/97 bepaalt artikel 7, lid 3, van deze verordening evenwel dat de verplichting om een invoervergunning voor te leggen niet van toepassing is op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Unie worden binnengebracht dan wel uit de Unie worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met de bepalingen die ter uitvoering van die verordening nader door de Commissie worden vastgesteld.

44 Volgens de definitie in artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97 omvat het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad” dode specimens alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.

45 Derhalve moet worden vastgesteld dat op basis van de bewoordingen van deze bepaling niet eenduidig kan worden bepaald of voor de toepasselijkheid van het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad” noodzakelijkerwijs vereist is dat de importeur die dode specimens, delen van specimens of afgeleide producten zelf gebruikt of verbruikt [arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 28].

46 Het valt immers niet uit te sluiten dat de importeur dergelijke zaken, die hij op persoonlijke titel houdt of bezit, vervolgens als geschenk aan een derde overdraagt in plaats van ze voor strikt individueel gebruik te bewaren [zie in die zin arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 29].

47 In casu moet een preparaat zoals dat in het hoofdgeding, om soortgelijke redenen als die welke in de punten 25 tot en met 33 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, worden beschouwd als een product van dode specimens of delen daarvan in de zin van artikel 2, onder j), van verordening nr. 338/97, aangezien de complexe samenstelling ervan een extract van de hippocampus japonicus bevat.

48 Zoals volgt uit artikel 7, lid 3, van deze verordening moet het binnenbrengen van een dergelijk product in de Unie voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in verordening nr. 865/2006 van de Commissie, om onder de in die bepaling bedoelde afwijking voor persoonlijke bezittingen of huisraad te vallen.

49 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 57, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 865/2006 verduidelijkt dat deze afwijking niet geldt voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd.

50 Voorts blijkt uit overweging 1 van deze verordening dat deze tot doel heeft om verordening nr. 338/97 ten uitvoer te leggen en te garanderen dat de CITES volledig wordt nageleefd. Resolutie 13.7 van de Conferentie van de partijen bij de CITES, die duidelijkheid verschaft over de uitlegging van de bepalingen van deze overeenkomst, preciseert in punt 1 dat het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad” van toepassing is op specimens die op persoonlijke titel voor niet-commerciële doeleinden worden gehouden of in bezit zijn, die legaal zijn verkregen en die worden vervoerd of meegenomen in de persoonlijke bagage dan wel deel uitmaken van een verhuizing [arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 31].

51 Zo heeft het Hof opgemerkt dat zowel uit de bewoordingen van artikel 57, lid 1, van verordening nr. 865/2006 als uit die van resolutie 13.7 van de Conferentie van de partijen bij de CITES blijkt dat het ontbreken van een commercieel oogmerk een doorslaggevend criterium is voor de kwalificatie van het ingevoerde specimen als „persoonlijke bezitting of huisraad”, welke uitlegging ook wordt bevestigd door de doelstellingen van verordening nr. 338/97 [arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 33].

52 Hieruit volgt dat het binnenbrengen in de Unie van een preparaat dat producten van dode specimens of delen daarvan bevat en bestemd is voor eigen medisch gebruik door een particulier of zijn naaste, en niet voor commerciële doeleinden, onder de in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97 bedoelde afwijking voor „persoonlijke bezittingen of huisraad” kan vallen, mits aan de andere, in artikel 57 van verordening nr. 865/2006 gestelde voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan.

53 In dit verband bepaalt artikel 57, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 865/2006 dat deze afwijking alleen geldt voor specimens die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers afkomstig uit derde landen, die deel uitmaken van de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit een derde land, hun gewone verblijfplaats kiezen in de Unie, of die jachttrofeeën betreffen.

54 Het is aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten in het hoofdgeding vast te stellen, om na te gaan of aan een van deze voorwaarden is voldaan, teneinde te bepalen of die afwijking in het hoofdgeding van toepassing is.

55 Ten tweede preciseert artikel 57, lid 3, van verordening nr. 865/2006 dat vóór het voor de eerste keer binnenbrengen in de Unie, door een gewoonlijk in de Unie verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad die specimens zijn van in bijlage B bij verordening nr. 338/97 opgenomen soorten, de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet is vereist indien het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd.

56 In dit verband definieert artikel 1, punt 5, van verordening nr. 865/2006 een „gewoonlijk in de [Unie] verblijvende persoon” als een persoon die gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar in de Unie verblijft wegens beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen die persoon en de plaats waar hij verblijft.

57 In casu wordt in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet verduidelijkt of V.B. een gewoonlijk in de Unie verblijvende persoon is in de zin van artikel 1, punt 5. Het is derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is. Zo ja, dan moeten wanneer een preparaat zoals dat in het hoofdgeding door een dergelijke persoon in de Unie wordt binnengebracht, in beginsel het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd.

58 In dit verband moet worden verduidelijkt dat er, in afwijking van artikel 57, lid 3, van verordening nr. 865/2006, overeenkomstig lid 5, onder e), van artikel 57, geen dergelijk (weder)uitvoerdocument hoeft te worden voorgelegd voor het binnenbrengen in de Unie van ten hoogste vier dode specimens van de hippocampus japonicus per persoon.

59 Onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten verificatie blijkt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat niet onder de afwijking van artikel 57, lid 5, onder e), van verordening nr. 865/2006 te kunnen vallen.

60 Artikel 57, lid 5, onder e), van verordening nr. 865/2006 moet namelijk strikt worden uitgelegd, aangezien het een afwijking vormt op de verplichting voor iedere gewoonlijk in de Unie verblijvende persoon om een (weder)uitvoerdocument over te leggen [arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 43], in die zin dat het enkel van toepassing is op „dode specimens”, en binnen de bovengenoemde kwantitatieve limiet.

61 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat geen „dood specimen” is in de zin van artikel 57, lid 5, onder e), van verordening nr. 865/2006, maar uit tabletten bestaat waarvan de complexe samenstelling een extract van de hippocampus japonicus bevat.

62 Het aanvaarden dat artikel 57, lid 5, onder e), van verordening nr. 865/2006 ook betrekking kan hebben op producten waarvan de complexe samenstelling een extract van een dood specimen bevat, gaat niet alleen verder dan de bewoordingen van deze bepaling – hetgeen botst met de strikte uitlegging ervan – maar leidt tevens tot moeilijkheden bij de uitlegging en de toepassing ervan, aangezien het uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk kan blijken te zijn om met nauwkeurigheid te bepalen of het uit een dergelijke soort verkregen kwantitatieve aandeel in een dergelijk complex product overeenkomt met ten hoogste „vier dode specimens” per persoon. Een dergelijke uitlegging zou bovendien voorbijgaan aan het in overweging 12 van verordening nr. 338/97 en het in de overwegingen 2 en 6 van verordening nr. 865/2006 gestelde doel om de douaneprocedures te vergemakkelijken en doeltreffende controles te verzekeren [zie in die zin arrest van 12 mei 2021, Hauptzollamt B (Steurkaviaar), C‑87/20, EU:C:2021:382, punt 46].

63 Indien de verwijzende rechter daarentegen zou vaststellen dat V.B. geen gewoonlijk in de Unie verblijvende persoon is in de zin van artikel 1, punt 5, van verordening nr. 865/2006, dan zou het voor de toepasselijkheid van de afwijking van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97 op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak volstaan dat is voldaan aan een van de in artikel 57, lid 1, van verordening nr. 865/2006 genoemde voorwaarden, die in punt 53 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

64 Nu dit is verduidelijkt moet worden opgemerkt dat de Tsjechische, de Oostenrijkse en de Poolse regering aanvoeren dat er een risico bestaat op illegale handel in beschermde specimens die in de Unie worden binnengebracht als „persoonlijke bezittingen of huisraad” en daardoor zijn vrijgesteld van de verplichting om een invoervergunning over te leggen, terwijl het in werkelijkheid niet om „persoonlijke bezittingen of huisraad” gaat, maar om een netwerk van gecoördineerde en illegale invoer van kleine hoeveelheden van deze specimens voor commerciële doeleinden.

65 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 51 van het onderhavige arrest is benadrukt, het feit dat het specimen niet met een commercieel oogmerk in de Unie is binnengebracht een doorslaggevend criterium is om het te kwalificeren als „persoonlijke bezittingen en huisraad” in de zin van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97 en artikel 57 van verordening nr. 865/2006. Bijgevolg staat niets eraan in de weg dat de bevoegde nationale autoriteiten aantonen dat, ondanks de schijn, met het binnenbrengen in de Unie van het betrokken specimen in werkelijkheid commerciële doeleinden worden nagestreefd, zodat de afwijking van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97 en artikel 57 van verordening nr. 865/2006 niet op dergelijke invoer van toepassing is.

66 De vraag of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, is echter een feitelijke vraag die als zodanig tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort. In casu wijst niets in de verwijzingsbeslissing erop dat V.B. het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat met een commercieel oogmerk heeft binnengebracht in de Unie.

67 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder j), en artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97 aldus moeten worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling een in bijlage B bij verordening nr. 338/97 opgenomen extract van de hippocampus japonicus bevat, dat legaal in een derde land is gekocht en dat in de Unie is binnengebracht voor medisch gebruik door een particulier of zijn naaste, en niet voor commerciële doeleinden, moet worden geacht te vallen onder het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad”, waarvoor bij het binnenbrengen in de Unie geen invoervergunning of, in voorkomend geval, een (weder)uitvoerdocument hoeft te worden overgelegd, mits aan de daartoe in artikel 57, leden 1 en 3, van verordening nr. 865/2006 gestelde voorwaarden is voldaan.

Tweede vraag

68 Ingevolge de in de punten 38 en 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet in het kader van de tweede vraag, die als derde dient te worden onderzocht en betrekking heeft op de vraag of er strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd in geval van illegale invoer van specimens van beschermde in het wild levende dier- of plantensoorten, rekening worden gehouden met artikel 16 van verordening nr. 338/97, dat ziet op de sancties die kunnen worden opgelegd in geval van inbreuk op het bepaalde in deze verordening.

69 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 16 van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd voor het zonder invoervergunning of, in voorkomend geval, zonder (weder)uitvoerdocument binnenbrengen in de Unie door een particulier, voor eigen medisch gebruik of dat van een naaste en niet voor commerciële doeleinden, van een legaal in een derde land gekocht preparaat waarvan de complexe samenstelling een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat.

70 Artikel 16 („Sancties”) van verordening nr. 338/97 bepaalt in lid 1 dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om er ten minste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien op de bepalingen van deze verordening bepaalde inbreuken worden gemaakt. Met betrekking tot deze inbreuken ziet punt a) van deze bepaling op het binnenbrengen in de Unie van specimens zonder de passende vergunning of het passende certificaat, dan wel met een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat, of met een vergunning of certificaat waarin wijzigingen zijn aangebracht zonder toestemming van de autoriteit die deze heeft afgegeven.

71 Deze maatregelen moeten overeenkomstig lid 2 van dat artikel in een passende verhouding staan tot de aard en de ernst van de inbreuk en onder meer voorzieningen bevatten met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens. Noch in dit artikel, noch in enige andere bepaling van deze verordening wordt nader aangegeven of deze sancties bestuursrechtelijk of strafrechtelijk van aard zijn.

72 Hieruit volgt dat verordening nr. 338/97 de lidstaten niet belet om voor een dergelijke inbreuk strafrechtelijke sancties in te voeren, mits deze in een passende verhouding staan tot de aard en de ernst van die inbreuk.

73 Indien de verwijzende rechter in casu tot de conclusie komt dat de afwijking van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, zoals verduidelijkt in artikel 57 van verordening nr. 865/2006, van toepassing is in het hoofdgeding, dan kan het binnenbrengen in de Unie van het betrokken specimen niet worden beschouwd als een inbreuk op de bepalingen van verordening nr. 338/97 in de zin van artikel 16 van die verordening. In dat geval staat artikel 16 van verordening nr. 338/97 in de weg aan een nationale regeling die voorziet in een sanctie, van welke aard ook, voor dit binnenbrengen in de Unie.

74 Indien de verwijzende rechter daarentegen tot de conclusie komt dat de afwijking van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, zoals verduidelijkt in artikel 57 van verordening nr. 865/2006, in het hoofdgeding niet van toepassing is, dan zou het in de Unie binnenbrengen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde preparaat zonder invoervergunning of, in voorkomend geval, zonder (weder)uitvoerdocument in de zin van artikel 57, lid 3, van verordening nr. 865/2006, wel een inbreuk vormen op de bepalingen van verordening nr. 338/97.

75 In zo’n geval moet die rechter dan overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 338/97 beoordelen of de strafrechtelijke sanctie bestaande in een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaren in een passende verhouding staat tot de aard en de ernst van die inbreuk.

76 Daartoe zal die rechter rekening moeten houden met alle relevante omstandigheden van het geval, zoals met name de vraag of bij de betrokken inbreuk sprake is van opzet of nalatigheid, het aantal specimens waarop de inbreuk betrekking heeft en de persoonlijke situatie van de verdachte, en gebruik moeten maken van de volledige beoordelingsmarge die het nationale recht hem toekent om een strafrechtelijke sanctie op te leggen die voldoet aan de evenredigheidsvereisten die inherent zijn aan artikel 16, lid 2, van verordening nr. 338/97 door in voorkomend geval met name gebruik te maken van de in het nationale recht neergelegde mogelijkheden voor de inrichting en de tenuitvoerlegging van de straf.

77 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 16 van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd voor het zonder invoervergunning of, in voorkomend geval, zonder (weder)uitvoerdocument binnenbrengen in de Unie door een particulier, voor eigen medisch gebruik of dat van een naaste en niet voor commerciële doeleinden, van een legaal in een derde land gekocht preparaat waarvan de complexe samenstelling een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat, terwijl dergelijk binnenbrengen valt onder de afwijking als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, zoals gewijzigd, en nader uitgewerkt in artikel 57 van verordening nr. 865/2006. Artikel 16 verzet zich daarentegen niet tegen een dergelijke nationale regeling wanneer het in de Unie binnenbrengen van een dergelijk preparaat niet onder die afwijking valt, mits de toepasselijke strafrechtelijke sanctie voldoet aan de evenredigheidsvereisten die inherent zijn aan lid 2 van dat artikel.

Kosten

78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 2, onder t), van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 398/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling met name een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat, onder het begrip „specimen” in de zin van deze bepaling valt.

2) Artikel 2, onder j), en artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 398/2009, moeten aldus worden uitgelegd dat een preparaat waarvan de complexe samenstelling een in bijlage B bij verordening nr. 338/97 opgenomen extract van de hippocampus japonicus bevat, dat legaal in een derde land is gekocht en dat in de Unie is binnengebracht voor medisch gebruik door een particulier of zijn naaste, en niet voor commerciële doeleinden, moet worden geacht te vallen onder het begrip „persoonlijke bezittingen of huisraad”, waarvoor bij het binnenbrengen in de Unie geen invoervergunning of, in voorkomend geval, een (weder)uitvoerdocument hoeft te worden overgelegd, mits aan de daartoe in artikel 57, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening [nr. 338/97] gestelde voorwaarden is voldaan.

3) Artikel 16 van verordening nr. 338/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 398/2009, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd voor het zonder invoervergunning of, in voorkomend geval, zonder (weder)uitvoerdocument binnenbrengen in de Unie door een particulier, voor eigen medisch gebruik of dat van een naaste en niet voor commerciële doeleinden, van een legaal in een derde land gekocht preparaat waarvan de complexe samenstelling een extract van de in bijlage B bij deze verordening opgenomen hippocampus japonicus bevat, terwijl dergelijk binnenbrengen valt onder de afwijking als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 338/97, zoals gewijzigd, en nader uitgewerkt in artikel 57 van verordening nr. 865/2006. Artikel 16 verzet zich daarentegen niet tegen een dergelijke nationale regeling wanneer het in de Unie binnenbrengen van een dergelijk preparaat niet onder die afwijking valt, mits de toepasselijke strafrechtelijke sanctie voldoet aan de evenredigheidsvereisten die inherent zijn aan lid 2 van dat artikel.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken