HvJ EU 11 juni 2026, C-292/25, ECLI:EU:C:2026:476

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

11 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening (EU) 2015/848 – Artikel 3, lid 1 – Internationale bevoegdheid – Artikel 6, lid 1 – Vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure en er nauw verband mee houdt – Exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend”

In zaak C‑292/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landesgericht Linz (rechter in eerste aanleg Linz, Oostenrijk) bij beslissing van 8 april 2025, ingekomen bij het Hof op 18 april 2025, in de procedure

shopping24 Gesellschaft für multimediale Anwendung

tegen

SR, als curator van Sportgigant Lindpointner GmbH,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), president van de Tweede kamer, en Z. Csehi, rechter,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst en S. Noë als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 en 18 en artikel 32, lid 2, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen shopping24 Gesellschaft für multimediale Anwendung (hierna: „shopping24”), een in Duitsland gevestigde vennootschap, en SR, de curator van Sportgigant Lindpointner GmbH (hierna: „Sportgigant”), een in Oostenrijk gevestigde vennootschap, inzake een actie tot vaststelling van een schuldvordering met het oog op de registratie ervan in de insolventieprocedure die in Oostenrijk betreffende Sportgigant is geopend.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1346/2000

3 Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1) is met ingang van 26 juni 2017 ingetrokken en vervangen door verordening 2015/848.

4 Overweging 6 van verordening nr. 1346/2000 luidde als volgt: „Op grond van het proportionaliteitsbeginsel mag deze verordening alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. [...]”

5 Artikel 3, lid 1, van die verordening bepaalde: „De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”

Verordening nr. 1215/2012

6 In artikel 1, lid 1 en lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1) wordt het volgende bepaald: „1. Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii). 2. Deze verordening is niet van toepassing op: [...] b) het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”.

Verordening 2015/848

7 In de overwegingen 3, 5 tot en met 8 en 35 van verordening 2015/848 staat te lezen: „(3) Voor de goede werking van de interne markt zijn efficiënte en doeltreffende grensoverschrijdende insolventieprocedures nodig. Ter verwezenlijking van dat doel dient deze verordening te worden vastgesteld; dit doel valt onder de samenwerking in burgerlijke zaken in de zin van artikel 81 [VWEU]. [...] (5) Voor de goede werking van de interne markt mogen partijen er niet toe worden aangezet geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen om hun rechtspositie ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers te verbeteren (forumshopping). (6) Deze verordening moet voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en van vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure zijn voortgevloeid en er nauw verband mee houden. [...] (7) Het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures en vorderingen met betrekking tot dergelijke procedures zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van verordening [nr. 1215/2012]. Die procedures dienen onder deze verordening te vallen. De uitlegging van deze verordening zou hiaten in de regelgeving tussen beide instrumenten zo veel mogelijk moeten dichten. Het loutere feit dat een nationale procedure niet in bijlage A bij deze verordening vermeld staat, hoeft echter niet te betekenen dat die procedure onder verordening [nr. 1215/2012] valt. (8) Met het oog op een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen is het noodzakelijk en aangewezen dat de bepalingen inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en toepasselijk recht vervat worden in een instrument van de Unie dat verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. [...] (35) De rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een insolventieprocedure werd geopend, dient ook bevoegd te zijn met betrekking tot vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien of er nauw verband mee houden. Dergelijke vorderingen moeten vorderingen tot nietigverklaring tegen verweerders omvatten in andere lidstaten en vorderingen inzake verplichtingen die in de loop van de insolventieprocedure ontstaan, zoals voorschotten voor de procedurekosten. Vorderingen voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst die de schuldenaar voorafgaand aan de opening van de procedure heeft gesloten, zijn daarentegen geen rechtstreeks uit de procedure voortvloeiende vorderingen. Indien een dergelijke vordering verband houdt met een andere, op algemeen burgerlijk of handelsrecht gebaseerde vordering, dient de insolventiefunctionaris beide vorderingen bij de rechter van de woonplaats van de verweerder te kunnen instellen als hij instelling van de vordering bij die rechter doeltreffender acht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de insolventiefunctionaris een op het insolventierecht gebaseerde vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid wil combineren met een op het recht inzake onrechtmatige daad of op het vennootschapsrecht gebaseerde vordering.

8 Artikel 3 („Internationale bevoegdheid”), lid 1, eerste alinea, van deze verordening bepaalt: „De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure (,hoofdinsolventieprocedure’) te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

9 Artikel 6 („Bevoegdheid inzake vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en er nauw verband mee houden”) van deze verordening luidt: „1. De rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een insolventieprocedure is geopend overeenkomstig artikel 3, is bevoegd voor alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden, zoals vorderingen tot nietigverklaring. 2. Indien een vordering als bedoeld in lid 1 samenhangt met een vordering in een burgerlijke of handelszaak tegen dezelfde verweerder, kan de insolventiefunctionaris beide vorderingen instellen bij de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, of, indien de vordering wordt ingesteld tegen verschillende verweerders, bij de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een van hen zijn woonplaats heeft, voor zover die rechter bevoegd is op grond van verordening [nr. 1215/2012]. [...]”

10 Artikel 18 („Gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende rechtsvorderingen of scheidsrechterlijke gedingen”) van verordening 2015/848 bepaalt het volgende: „De gevolgen van de insolventieprocedure voor een lopende rechtsvordering of een lopend scheidsrechterlijk geding betreffende een goed of een recht dat deel uitmaakt van de insolvente boedel van een schuldenaar, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar deze rechtsvordering aanhangig is of het scheidsgerecht zijn zetel heeft.”

11 Artikel 32 („Erkenning en executoir karakter van andere beslissingen”) van deze verordening bepaalt in lid 2: „De erkenning en de tenuitvoerlegging van andere beslissingen dan die bedoeld in lid 1 van dit artikel worden beheerst door [...] verordening [nr. 1215/2012] voor zover die verordening van toepassing is.”

Oostenrijks recht

12 § 110, lid 1, van de Insolvenzordnung (insolventiewet) van 11 december 1914 (RGBl. 337/1914) luidt als volgt: „De rechthebbenden van vorderingen waarvan de juistheid of de rang nog steeds wordt betwist, kunnen, voor zover beroep in rechte openstaat, een rechtsvordering instellen tot vaststelling van het bestaan van die vorderingen, die dient te worden gericht tegen alle personen die de vorderingen betwisten (§ 14 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 Bij verzoekschrift van 27 maart 2024 heeft shopping24 Sportgigant voor het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) gedaagd inzake betaling van 56829,84 EUR aan onbetaalde facturen, vermeerderd met rente en 1804,90 EUR aan precontentieuze kosten.

14 Bij beslissing van 17 september 2024 heeft het Landesgericht Linz (rechter in eerste aanleg Linz, Oostenrijk), de verwijzende rechter, een insolventieprocedure geopend inzake Sportgigant.

15 Doordat die procedure was geopend, is het geding voor het Landgericht Hamburg geschorst. Sindsdien is dit geding niet hervat, noch definitief beslecht.

16 Op 19 december 2024 heeft shopping24 bij de verwijzende rechter een „beroep strekkende tot verificatie van een vordering” ingesteld tegen SR in zijn hoedanigheid als curator van Sportgigant. Dit beroep strekt tot vaststelling van het bestaan van een schuldvordering ten overstaan van de curator en de failliete boedel, zodat deze kan worden geregistreerd in de insolventieprocedure. Deze schuldvordering, ten belope van 74106,16 EUR, omvat de hoofdsom van 56829,84 EUR aan onbetaalde facturen, vermeerderd met rente, precontentieuze kosten en kosten in verband met de procedure bij het Landgericht Hamburg.

17 De verwijzende rechter geeft aan dat de inleiding van een faillissementsprocedure zowel in het Duitse als in het Oostenrijkse recht de lopende civiele zaken schorst. Hij preciseert dat, wanneer de schuldeiser zijn vordering registreert en deze wordt betwist, het geschorste geding wordt hervat en aangepast aan de eisen van de insolventieprocedure. Gelet op de overeenkomsten tussen deze twee rechtsstelsels is deze rechter van mening dat de in Duitsland ingestelde rechtsvordering tot betaling en het later bij hem ingestelde verificatieberoep tot vaststelling van het bestaan van de betreffende schuldvordering hetzelfde doel en voorwerp hebben.

18 In deze context acht de verwijzende rechter het noodzakelijk dat voorafgaand aan het onderzoek ten gronde wordt bepaald of tegen de bij hem ingestelde rechtsvordering de exceptie kan worden opgeworpen dat hij geen internationale bevoegdheid heeft of dat er een geding aanhangig is.

19 Deze rechter vraagt zich allereerst af of, gelet op artikel 6 van verordening 2015/848 en het arrest van 18 september 2019, Riel (C‑47/18, EU:C:2019:754), de internationale bevoegdheid om over deze vordering te oordelen bij de Duitse dan wel de Oostenrijkse rechter ligt.

20 Indien de Duitse rechter bevoegd is, wenst de verwijzende rechter vervolgens te vernemen of hij, gelet op artikel 32, lid 2, van deze verordening, de te nemen beslissing van het Landgericht Hamburg over de vaststelling van de betrokken schuldvordering moet erkennen in de Oostenrijkse insolventieprocedure.

21 Bij een bevestigend antwoord vraagt de verwijzende rechter tot slot of de exceptie van litispendentie van toepassing is en eraan in de weg staat dat hij kennisneemt van het hem voorliggende verificatieberoep tot vaststelling van een schuldvordering.

22 Tegen deze achtergrond heeft het Landesgericht Linz de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 6 van verordening [2015/848] aldus worden uitgelegd dat de Republiek Oostenrijk in het geval van een in Oostenrijk aanhangige insolventieprocedure zelfs exclusief bevoegd is voor een Prüfungsklage (actie gericht op de verificatie van vorderingen) naar Oostenrijks recht, wanneer in Duitsland op het tijdstip waarop de insolventieprocedure wordt geopend, reeds een actie met betrekking tot dezelfde vordering is ingesteld en deze procedure – naar Duits recht – als renvooiprocedure kan worden voortgezet, dat wil zeggen als een procedure die ertoe strekt het bestaan van een vordering jegens de curator en de gezamenlijke schuldeisers (bindend) vast te stellen met het oog op de registratie ervan in een insolventieprocedure? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 32, lid 2, van verordening [2015/848] [dan] aldus worden uitgelegd dat in een in Oostenrijk aanhangige insolventieprocedure het resultaat van een in Duitsland als renvooiprocedure voortgezette procedure, die ertoe strekt het bestaan van een vordering jegens de curator en de gezamenlijke schuldeisers (bindend) vast te stellen met het oog op de registratie ervan in een insolventieprocedure, in de insolventieprocedure moet worden erkend, met als gevolg dat het bestaan en het bedrag van de schuldvordering naargelang het geval al dan niet zijn vastgesteld? 3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 18 van verordening [2015/848] [dan] aldus worden uitgelegd dat aan het voeren van een Prüfungsklage betreffende een vordering naar Oostenrijks recht de litispendentie in de weg staat, wanneer in Duitsland een actie met betrekking tot dezelfde aanspraak aanhangig is die – naar Duits recht – als renvooiprocedure kan worden voortgezet en daarmee ertoe strekt jegens de curator en de gezamenlijke insolventieschuldeisers het bestaan van een (insolventie)vordering (bindend) vast te stellen met het oog op de registratie ervan in een insolventieprocedure?”

Beantwoording van de vragen

Eerste vraag

23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar een insolventieprocedure is geopend exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van een actie strekkende tot vaststelling van het bestaan van een vordering teneinde deze in die procedure te registreren, zelfs als op de datum waarop deze procedure is geopend reeds een actie met hetzelfde voorwerp aanhangig was bij de rechterlijke instanties van een andere lidstaat.

24 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak van het Hof, verordening 2015/848 verordening nr. 1346/2000 heeft ingetrokken en vervangen, zodat de door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde verordening gegeven uitlegging ook geldt voor de bepalingen van eerstgenoemde verordening, voor zover deze bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (arrest van 18 april 2024, Luis Carlos e.a.,C‑765/22 en C‑772/22, EU:C:2024:331, punt 49).

25 Primair moet worden benadrukt dat de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, krachtens artikel 3, lid 1, van verordening 2015/848 exclusief bevoegd zijn om de hoofdinsolventieprocedure te openen (zie in die zin arrest van 24 maart 2022, Galapagos BidCo.,C‑723/20, EU:C:2022:209, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Volgens artikel 6, lid 1, van deze verordening is de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan overeenkomstig artikel 3 een insolventieprocedure is geopend bevoegd voor alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden.

27 Hoewel artikel 6, lid 1, van deze verordening niet overeenkomt met een bepaling van verordening nr. 1346/2000, codificeert het toch een regel van internationale bevoegdheid die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van deze laatste verordening, in het bijzonder het arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 21), en neemt het woordelijk de twee criteria over die al in de zesde overweging van die verordening stonden te lezen (zie in die zin arresten van 6 februari 2019, NK,C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 27, en 14 november 2024, Oilchart International,C‑394/22, EU:C:2024:952, punt 35).

28 Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof zijn deze twee criteria cumulatief (zie in die zin arrest van 4 december 2019, Tiger e.a.,C‑493/18, EU:C:2019:1046, punt 26).

29 Wat het eerste criterium betreft, dat ziet op de vraag of een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure, is de doorslaggevende factor om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt niet de procedurele context van die vordering maar de rechtsgrondslag ervan. Daarom moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (arrest van 4 december 2019, Tiger e.a.,C‑493/18, EU:C:2019:1046, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Wat het tweede criterium betreft, dat ziet op de vraag of een handeling nauw aansluit op een insolventieprocedure, is de intensiteit van het verband tussen deze vordering en de insolventieprocedure bepalend voor de beslissing of de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend, internationaal bevoegd zijn (zie in die zin arrest van 4 december 2019, Tiger e.a.,C‑493/18, EU:C:2019:1046, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Bovendien heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat een beroep strekkende tot vaststelling van het bestaan van een vordering om deze te registreren in een insolventieprocedure, zoals de vordering in § 110 van de Oostenrijkse insolventiewet, voldoet aan de twee cumulatieve criteria die in de punten 28 tot en met 30 van het onderhavige arrest zijn aangehaald. Dat beroep valt namelijk onder de insolventiewetgeving en kan door de bij een insolventieprocedure betrokken schuldeisers worden ingesteld in geval van betwistingen die betrekking hebben op de juistheid of de rang van de door deze schuldeisers ingediende vorderingen (zie in die zin arrest van 18 september 2019, Riel,C‑47/18, EU:C:2019:754, punten 37 en 38).

32 Dat beroep valt derhalve op grond van artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 onder de internationale bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend.

33 Teneinde de verwijzende rechter een volledig antwoord te verschaffen moet nog worden vastgesteld of de in deze bepaling opgenomen internationale bevoegdheid om kennis te nemen van een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit de insolventieprocedure en er nauw verband mee houdt, exclusief van aard is.

34 In dit verband moet er ten eerste op worden gewezen dat, volgens overweging 7 van verordening 2015/848, het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures en vorderingen met betrekking tot dergelijke procedures zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012. Ten tweede vallen krachtens artikel 1, lid 2, onder b), van deze laatste verordening „het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures” buiten de werkingssfeer ervan. Volgens de rechtspraak van het Hof sluit deze laatste bepaling alleen vorderingen van de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 uit die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daar nauw mee samenhangen (zie in die zin arrest van 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punten 28‑30).

35 Verordening nr. 1215/2012 en verordening 2015/848 moeten aldus worden uitgelegd dat elke overlapping tussen de in die teksten vervatte rechtsregels en elk rechtsvacuüm worden vermeden. De krachtens artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 van de werkingssfeer van deze verordening uitgesloten vorderingen vallen derhalve binnen de werkingssfeer van verordening 2015/848. Omgekeerd vallen vorderingen die buiten de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, en artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arresten van 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punt 29, en 14 november 2024, Oilchart International,C‑394/22, EU:C:2024:952, punt 32).

36 De respectieve werkingssferen van deze twee verordeningen zijn dus duidelijk afgebakend (zie in die zin arresten van 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punt 31, en 14 november 2024, Oilchart International,C‑394/22, EU:C:2024:952, punt 34). Zoals volgt uit punt 32 van het onderhavige arrest valt een beroep strekkende tot vaststelling van het bestaan van vorderingen om deze te registreren in een insolventieprocedure, binnen de werkingssfeer van verordening 2015/848.

37 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848, gelezen tegen de achtergrond van overweging 35 van deze verordening, zoals ook in punt 27 van het onderhavige arrest is opgemerkt, een regel van internationale bevoegdheid codificeert die is voortgekomen uit de rechtspraak van het Hof over artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000. In de context van deze laatste verordening heeft het Hof voor recht verklaard dat deze internationale bevoegdheid exclusief is (arrest van 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punten 36 en 43).

38 Bovendien bevat verordening 2015/848 geen regel voor de toekenning van internationale bevoegdheid op grond waarvan de rechterlijke instanties van een andere lidstaat dan die waarin de insolventieprocedure is geopend, bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van beroepen tot vaststelling van het bestaan van een vordering om deze in die procedure te registreren, wanneer die beroepen rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw mee samenhangen.

39 Overigens wordt van de exclusiviteit van deze internationale bevoegdheid, waaraan uitdrukking is gegeven in overweging 35 van verordening 2015/848, in deze verordening slechts afgeweken in het door artikel 6, lid 2, ervan expliciet benoemde geval waarin een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit de insolventieprocedure en daar nauw mee samenhangt, verband houdt met een andere, op algemeen burgerlijk of handelsrecht gebaseerde vordering, zoals advocaat-generaal Wahl heeft opgemerkt in zijn conclusie in de zaak Wiemer & Trachte (C‑296/17, EU:C:2018:515, punten 66 en 67). Dit geval, waarin de insolventiefunctionaris de twee vorderingen kan instellen bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de verwerende partij is gevestigd, verschilt echter van de omstandigheden van het hoofdgeding.

40 Een bundeling van alle rechtstreeks met de insolventie verband houdende vorderingen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat die bevoegd is voor de opening van de insolventieprocedure, is bovendien in overeenstemming met het in de overwegingen 3 en 8 van verordening 2015/848 vermelde doel om insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen efficiënter en doeltreffender af te wikkelen (zie in die zin arresten van 12 februari 2009, Seagon,C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 22, en 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punt 33).

41 Verder mogen volgens overweging 5 van die verordening, voor de goede werking van de interne markt, partijen er niet toe worden aangezet geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen om hun rechtspositie te verbeteren (forumshopping).

42 De mogelijkheid dat verschillende gerechten een bevoegdheid uitoefenen met betrekking tot in verschillende lidstaten ingestelde, rechtstreeks met de insolventie verband houdende vorderingen, zou ertoe leiden dat het nastreven van een dergelijk doel wordt ondermijnd (zie in die zin arresten van 12 februari 2009, Seagon,C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 24, en 14 november 2018, Wiemer & Trachte, C‑296/17, EU:C:2018:902, punt 35).

43 Hieruit volgt dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit die procedure en daar nauw mee samenhangen.

44 Aangezien in casu de insolventieprocedure in het hoofdgeding is geopend in Oostenrijk, zijn de Oostenrijkse rechterlijke instanties exclusief bevoegd om kennis te nemen van een vordering zoals die is ingesteld bij de verwijzende rechter, onder voorbehoud van de door hem uit te voeren toetsing.

45 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar een insolventieprocedure is geopend exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van een actie strekkende tot vaststelling van het bestaan van een vordering teneinde deze in die procedure te registreren, zelfs als op de datum waarop deze procedure is geopend reeds een actie met hetzelfde voorwerp aanhangig was bij de rechterlijke instanties van een andere lidstaat.

Tweede en derde vraag

46 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures

moet aldus worden uitgelegd dat

de rechterlijke instanties van de lidstaat waar een insolventieprocedure is geopend exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van een actie strekkende tot vaststelling van het bestaan van een vordering teneinde deze in die procedure te registreren, zelfs als op de datum waarop deze procedure is geopend reeds een actie met hetzelfde voorwerp aanhangig was bij de rechterlijke instanties van een andere lidstaat.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken