HvJ EU 4 juni 2026, C-621/24, ECLI:EU:C:2026:450
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 juni 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Richtlijn 2013/33/EU – Normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming – Artikel 2, onder g) – Materiële opvangvoorzieningen – Artikel 17, lid 2 – Vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd – Persoon die om internationale bescherming verzoekt en ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is vastgesteld – Verlenen van de materiële opvangvoorzieningen die noch prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen, noch de betaling van een dagvergoeding ter dekking van noodzakelijke persoonlijke behoeften omvatten – Artikel 20, lid 1, onder c) – Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen wegens de indiening van een volgend verzoek – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 2, onder q) – Begrip ‚volgend verzoek’ – Toepasselijkheid – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat”
In zaak C‑621/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundessozialgericht (hoogste federale rechter in socialezekerheidszaken, Duitsland) bij beslissing van 25 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 24 september 2024, in de procedure
Landkreis Schweinfurt
tegen
FB,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 september 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– FB, vertegenwoordigd door K. Schank, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Jans en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door A. Detheux, advocaat,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, F. Blanc, M. Debieuvre, E. Garello, A. Katsimerou en N. Schaeffer als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder q), en de artikelen 27 en 28 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), van artikel 17, leden 2 en 5, en van artikel 20, lid 1, onder c), en leden 5 en 6, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96), en van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen FB, die om internationale bescherming verzoekt, en de Landkreis Schweinfurt (district Schweinfurt, Duitsland) over de rechtmatigheid van het besluit van de Landkreis Schweinfurt om FB het recht op prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen alsook het recht op een uitkering ter dekking van zijn andere noodzakelijke persoonlijke behoeften dan die waarin in natura is voorzien te ontzeggen, nadat zijn verzoek om internationale bescherming niet ontvankelijk werd verklaard en het besluit werd vastgesteld waarbij zijn verwijdering naar Roemenië werd gelast.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2013/32
3 Overweging 53 van richtlijn 2013/32 luidt: „Deze richtlijn heeft geen betrekking op procedures tussen de lidstaten die vallen onder verordening [nr. 604/2013].”
4 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt onder q): „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] q) ‚volgend verzoek’: een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1.”
5 Artikel 27 van deze richtlijn, met als opschrift „Procedure in het geval van intrekking van het verzoek”, bepaalt in lid 1: „Lidstaten die in hun nationale recht in de mogelijkheid van uitdrukkelijke intrekking van een verzoek voorzien, zorgen ervoor dat, wanneer een verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming uitdrukkelijk intrekt, de beslissingsautoriteit een beslissing neemt om hetzij de behandeling van het verzoek te beëindigen ofwel het verzoek af te wijzen.”
6 Artikel 28 van deze richtlijn, met als opschrift „Procedure ingeval het verzoek impliciet wordt ingetrokken of ingeval impliciet van het verzoek wordt afgezien”, luidt als volgt: „1. Wanneer er een gegronde reden is om aan te nemen dat verzoeker zijn verzoek impliciet heeft ingetrokken of dat hij impliciet van dit verzoek heeft afgezien, zorgen de lidstaten ervoor dat de beslissingsautoriteit beslist om hetzij de behandeling van het verzoek te beëindigen ofwel, mits zij het verzoek op basis van een toereikend onderzoek ten gronde overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)] als ongegrond beschouwt, het verzoek af te wijzen. […] 3. Dit artikel doet geen afbreuk aan verordening [nr. 604/2013].”
7 Artikel 33 van richtlijn 2013/32 heeft als opschrift „Niet-ontvankelijke verzoeken” en bepaalt: „1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening [nr. 604/2013], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: […] d) het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn [2011/95]; […] […]”
8 In artikel 40 van deze richtlijn, met als opschrift „Volgende verzoeken”, is bepaald: „1. Indien een persoon die in een lidstaat internationale bescherming heeft aangevraagd, aldaar verdere verklaringen heeft afgelegd of een volgend verzoek heeft ingediend, onderzoekt deze lidstaat deze verdere verklaringen of de elementen van het volgende verzoek in het kader van de behandeling van het vorige verzoek of in het kader van de toetsing van de beslissing waartegen beroep of bezwaar is aangetekend, voor zover de bevoegde autoriteiten rekening kunnen houden met alle elementen die aan de nadere verklaringen of het volgende verzoek in dit kader ten grondslag liggen. 2. Om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens richtlijn [2011/95]. […] 5. Wanneer een volgend verzoek niet verder wordt behandeld overeenkomstig dit artikel, wordt het overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder d), niet-ontvankelijk geacht. […]”
Richtlijn 2013/33
9 De overwegingen 5, 7, 8, 11 en 35 van richtlijn 2013/33 luiden: „(5) Op de bijeenkomst van 10‑11 december 2009 heeft de Europese Raad het programma van Stockholm goedgekeurd, waarin het streven werd herhaald om uiterlijk in 2012 een gemeenschappelijke en solidaire ruimte tot stand te brengen waarin bescherming wordt geboden, op basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen aan wie internationale bescherming wordt verleend volgens hoge beschermingsnormen en eerlijke, effectieve procedures. Voorts wordt in het programma van Stockholm verklaard dat het essentieel is dat personen op een gelijkwaardig niveau behandeld worden wat betreft opvangvoorzieningen, ongeacht de lidstaat waar zij hun verzoek om internationale bescherming indienen. […] (7) In het licht van de resultaten van de evaluaties van de uitvoering van de instrumenten uit de eerste fase, is dit het juiste moment om de beginselen die aan richtlijn 2003/9/EG [van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003, L 31, blz. 18)] ten grondslag liggen, te bevestigen, teneinde betere opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken […] te garanderen. (8) Om in de gehele [Europese] Unie de gelijke behandeling van verzoekers te garanderen, moet deze richtlijn van toepassing zijn tijdens alle fasen en op alle soorten procedures betreffende verzoeken om internationale bescherming, in alle plaatsen en voorzieningen waar verzoekers worden gehuisvest, en zolang zij als verzoekers op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven. […] (11) Er moeten normen worden vastgesteld voor de opvang van verzoekers die voldoende zijn om een menswaardige levensstandaard en vergelijkbare levensomstandigheden in alle lidstaten te waarborgen. […] (35) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‚Handvest’)] worden erkend. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat [artikel 1] van het Handvest word[t] toegepast en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd.”
10 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚verzoeker’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen; […] f) ‚opvangvoorzieningen’: alle maatregelen die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn treffen ten behoeve van verzoekers; g) ‚materiële opvangvoorzieningen’: de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding; […]”
11 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer” bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied, inclusief aan de grens, in de territoriale wateren of in de transitzones, van een lidstaat indienen voor zover zij als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven, alsmede op de gezinsleden, indien zij overeenkomstig het nationale recht onder dit verzoek om internationale bescherming vallen.”
12 Artikel 17 van die richtlijn heeft als opschrift „Algemene bepalingen betreffende de materiële opvang en gezondheidszorg”. De leden 2 tot en met 5 ervan luiden: „2. De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt. […] 3. De lidstaten kunnen de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen. 4. Overeenkomstig lid 3 kunnen de lidstaten van de verzoekers, indien zij over voldoende middelen beschikken, bijvoorbeeld wanneer zij gedurende een redelijke tijd gewerkt hebben, een bijdrage verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door deze richtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. […] 5. Wanneer de lidstaten materiële opvangvoorzieningen verstrekken in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen, wordt de hoogte daarvan vastgesteld op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat krachtens het recht of krachtens de praktijk zijn vastgesteld om nationale onderdanen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. De lidstaten kunnen verzoekers in dit opzicht minder gunstig behandelen dan eigen onderdanen met name indien de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of indien die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft.”
13 Artikel 20 van richtlijn 2013/33, met als opschrift „Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen”, luidt als volgt: „1. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker: […] c) een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32] heeft ingediend. […] 5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen of sancties worden individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 21 vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten. 6. De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 5.”
Verordening nr. 604/2013
14 Overweging 11 van verordening nr. 604/2013 luidt: „Richtlijn [2013/33] dient van toepassing te zijn op de procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat volgens de voorschriften van deze verordening, behoudens de beperkingen betreffende de toepassing van die richtlijn.”
15 Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] c) ‚verzoeker’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen; d) ‚behandeling van een verzoek om internationale bescherming’: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2013/32] en richtlijn [2011/95], met uitzondering van de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald krachtens de bepalingen van deze verordening; […]”
16 Artikel 27 van deze verordening, met als opschrift „Rechtsmiddelen”, bepaalt in de leden 3 en 4: „3. Voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat: a) het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of b) de overdracht automatisch wordt opgeschort en dat dergelijke opschorting verstrijkt na een bepaalde redelijke termijn, binnen welke een rechterlijke instantie na nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het verzoek een beslissing heeft genomen of een beroep of bezwaar al dan niet opschortende werking heeft, of c) de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven. Beslissingen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit worden gegeven binnen een redelijke termijn die evenwel een nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het opschortingsverzoek mogelijk maakt. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd. 4. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten ambtshalve kunnen besluiten de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.”
17 Artikel 29 van deze verordening, met als opschrift „Werkwijzen en termijnen”, bepaalt in lid 2: „Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. […]”
Duits recht
Asielwet
18 § 29 van het Asylgesetz (asielwet) van 26 juni 1992 (BGBl. 1992 I, blz. 1126), zoals gewijzigd op 2 september 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 1798), met als opschrift „Niet-ontvankelijke verzoeken”, bepaalt in lid 1, punt 1, onder a): „Een asielverzoek is niet-ontvankelijk indien: 1. een andere staat a) krachtens verordening [nr. 604/2013] […] voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijk is”.
19 § 34a van de asielwet bepaalt in lid 1: „Indien de vreemdeling moet worden uitgewezen […] naar een voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijke staat […], gelast het Bundesamt [für Migration und Flüchtlinge (federale dienst voor migratie en vluchtelingen)] de verwijdering naar de betrokken staat zodra vaststaat dat die verwijdering kan worden uitgevoerd. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een andere staat die op grond van Unierechtelijke bepalingen dan wel bepalingen van een volkenrechtelijk verdrag verantwoordelijk is voor de toepassing van de asielprocedure, of wanneer hij dat asielverzoek heeft ingetrokken voordat de federale dienst voor migratie en vluchtelingen beslist heeft. […]”
Wet inzake prestaties voor asielzoekers
20 § 1, lid 1, van het Asyllbewerberleistungsgesetz (wet inzake prestaties voor asielzoekers) van 30 juni 1993 (BGBl. 1993 I, blz. 1074), zoals gewijzigd op 5 augustus 1997 (BGBl. 1997 I, blz. 2022), bepaalt: „Recht op de in deze wet bepaalde prestaties hebben buitenlandse onderdanen die daadwerkelijk op het federale grondgebied verblijven en die […] 5. onderworpen zijn aan een uitvoerbare verplichting om het grondgebied te verlaten, zelfs indien het verwijderingsbevel nog niet of niet meer uitvoerbaar is, […]”
21 § 1a, leden 1 en 7, van deze wet luidt als volgt: „(1) Personen die op grond van § 1, lid 1, punt 5, recht op prestaties hebben en voor wie een datum van vertrek en een vertrekmogelijkheid zijn vastgesteld, hebben geen recht op prestaties op grond van §§ 2, 3 en 6 vanaf de dag volgend op de datum van vertrek, tenzij het vertrek niet kon worden uitgevoerd om redenen die niet aan hen te wijten zijn. Totdat zij het land verlaten of verwijderd worden, ontvangen zij alleen nog prestaties om te voorzien in hun behoefte aan voedsel en huisvesting, met inbegrip van verwarming alsook lichaamsverzorging en verzorging van de persoonlijke gezondheid. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, kunnen aan hen ook andere prestaties als bedoeld in § 3, lid 1, eerste volzin, worden toegekend. De prestaties moeten in natura worden verstrekt. […] (7) Personen die op grond van § 1, lid 1, punt 1 of 5, recht op prestaties hebben, wier asielverzoek bij een beslissing van de federale dienst voor migratie en vluchtelingen op grond van § 29, lid 1, juncto § 31, lid 6, van de asielwet niet-ontvankelijk is verklaard, en voor wie verwijdering op grond van § 34a, lid 1, eerste volzin, tweede optie, van het Asylgesetz is gelast, ontvangen alleen prestaties overeenkomstig lid 1, ook al is de beslissing nog niet definitief. De eerste volzin is niet van toepassing indien een rechter de schorsende werking van het beroep tegen de verwijderingsmaatregel heeft gelast.”
22 § 3, lid 1 van deze wet bepaalt: „Personen die recht hebben op prestaties in de zin van § 1, ontvangen prestaties om in hun behoefte aan voedsel, huisvesting, verwarming, kleding, verzorging van de persoonlijke gezondheid en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen te voorzien (noodzakelijke behoeften). Daarnaast ontvangen zij prestaties om in de persoonlijke behoeften van het dagelijks leven te voorzien (noodzakelijke persoonlijke behoeften).”
23 § 6, lid 1, van die wet bepaalt: „Andere prestaties kunnen met name worden toegekend, indien zij in individuele gevallen noodzakelijk zijn om in het levensonderhoud te voorzien of de gezondheid te waarborgen, om in de speciale behoeften van kinderen te voorzien of om aan een bestuursrechtelijke verplichting tot medewerking te voldoen. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
24 FB, Afghaans staatsburger, is op 25 augustus 2021 voor het eerst Duitsland binnengekomen en heeft daar een verzoek om internationale bescherming ingediend, dat op 6 september 2021 werd geregistreerd.
25 Na de Eurodac-gegevensbank te hebben geraadpleegd, waaruit bleek dat de betrokkene op 6 augustus 2021 in Roemenië reeds een verzoek om internationale bescherming had ingediend, heeft de federale dienst voor migratie en vluchtelingen de Roemeense autoriteiten verzocht hem over te nemen. Dit verzoek is ingewilligd.
26 Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft de federale dienst voor migratie en vluchtelingen de uiterste datum voor de overdracht van FB naar Roemenië vastgesteld op 22 april 2022 en zijn verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaard. Deze dienst heeft ook zijn verwijdering naar Roemenië gelast. Zijn verzoek om voorlopige bescherming tegen dit besluit en de daaropvolgende beroepsprocedure waren niet succesvol. De overdracht van FB naar Roemenië kon echter niet plaatsvinden, met name omdat de Roemeense autoriteiten hadden besloten om vanwege de oorlog in Oekraïne dergelijke overdrachten vanaf 1 maart 2022 niet langer te aanvaarden.
27 FB werd sinds begin september 2021 ondergebracht in een centrum voor eerste opvang in het district Schweinfurt, waar hem op grond van §§ 3 en 3a van de wet inzake prestaties voor asielzoekers voedsel, huisvesting en verwarming, onderhoud van de woning en huishoudelijk energieverbruik, kleding, artikelen voor de persoonlijke hygiëne en toiletartikelen, en wifi-toegang, werd verstrekt. Bovendien heeft FB vanaf die datum een uitkering ontvangen ter dekking van zijn noodzakelijke persoonlijke behoeften.
28 Wat de periode tussen 1 januari 2022 en 23 februari 2022, de datum waarop FB naar een ander district is verhuisd (hierna: „in het hoofgeding aan de orde zijn periode”), betreft, heeft het district Schweinfurt echter op grond van § 1a, lid 7, juncto § 1a, lid 1, van de wet inzake prestaties voor asielzoekers besloten om hem niet langer de prestaties toe te kennen ter dekking van zijn noodzakelijke behoeften op het gebied van kleding, huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen, noch de uitkering ter dekking van zijn noodzakelijke persoonlijke behoeften. Zo heeft dit district hem enkel bepaalde prestaties in natura toegekend, te weten voedsel, huisvesting en verwarming, prestaties ten behoeve van lichaamsverzorging en de verzorging van de persoonlijke gezondheid alsook medische bijstand in geval van ziekte, aangezien volgens dit district niets de toekenning van uitgebreidere opvangvoorzieningen dan deze prestaties rechtvaardigt.
29 Bij vonnis van 20 januari 2023 heeft het Sozialgericht Würzburg (rechter in eerste aanleg Würzburg, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland) het beroep van FB tegen het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde besluit van het disctrict Schweinfurt verworpen. Bij arrest van 31 mei 2023 heeft het Bayerische Landessozialgericht (rechter van de deelstaat Beieren, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland) dit beroep toegewezen op grond dat de beperking van § 1a, lid 7, van de wet inzake prestaties voor asielzoekers veronderstelde dat er sprake was van gedrag in strijd met een verplichting, hetgeen in casu niet het geval was.
30 De Landkreis Schweinfurt heeft tegen dat arrest beroep in Revision ingesteld bij het Bundessozialgericht (hoogste federale rechter in socialezekerheidszaken, Duitsland).
31 Deze rechter vraagt zich af of de bepalingen van de wet inzake prestaties voor asielzoekers, en met name § 1a, lid 7, gelezen in samenhang met § 1a, lid 1, ervan, op grond waarvan een asielzoeker die onderworpen is aan een uitvoerbare verplichting om het grondgebied te verlaten, gedurende de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode enkel aanspraak kan maken op materiële opvangvoorzieningen die beperkt zijn tot de behoeften aan voedsel en huisvesting, waaronder verwarming, alsmede lichaamsverzorging en verzorging van de persoonlijke gezondheid, verenigbaar zijn met het Unierecht.
32 In dit verband verduidelijkt de verwijzende rechter in de eerste plaats dat artikel 3 van de wet inzake prestaties voor asielzoekers onderscheid maakt tussen de materiële opvangvoorzieningen die beantwoorden aan de noodzakelijke behoeften, te weten voeding, huisvesting, verwarming, kleding, verzorging van de persoonlijke gezondheid en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen enerzijds, en de noodzakelijke persoonlijke behoeften, te weten uitgaven voor vervoer, communicatie, vrije tijd, ontspanning, cultuur, accommodatie- en horecadiensten alsook andere goederen en diensten anderzijds. Voor deze laatste categorie wordt een forfaitaire som betaald die wordt berekend op basis van de forfaitaire sociale uitkeringen voor op het nationale grondgebied wonende eigen onderdanen die geen inkomsten of vermogen hebben. Bovendien wijst hij erop dat volgens § 6 van deze wet in bepaalde individuele gevallen andere materiële opvangvoorzieningen kunnen worden toegekend.
33 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat FB in casu overeenkomstig § 1a, lid 7, juncto § 1a, lid 1, van de wet inzake prestaties voor asielzoekers gedurende de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode een deel van de materiële opvangvoorzieningen ter dekking van zijn noodzakelijke behoeften, te weten voor kleding en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen, alsmede de gehele uitkering ter dekking van zijn persoonlijke noodzakelijke behoeften, werd ontzegd. Deze periode viel immers binnen de in verordening nr. 604/2013 bedoelde overdrachtstermijn, zodat was voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van deze bepalingen.
34 In de derde plaats herinnert deze rechter eraan dat de materiële opvangvoorzieningen op grond van artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33 aan personen die om internationale bescherming verzoeken een levensstandaard moeten bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en mentale gezondheid beschermt. Bovendien moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 2, onder g), van deze richtlijn in dit verband zorgen voor huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede voor een dagvergoeding.
35 In deze context wijst deze rechter erop dat volgens de rechtspraak van het Hof het bedrag van de uitkering moet volstaan om de personen die om internationale bescherming verzoeken een levensstandaard te bieden die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren en bestaansmiddelen te waarborgen (arrest van 27 februari 2014, Saciri e.a.,C‑79/13, EU:C:2014:103, punt 37) en dat, zoals blijkt uit overweging 35 van richtlijn 2013/33, de eerbiediging van de menselijke waardigheid ten volle moet worden gewaarborgd. De verwijzende rechter benadrukt bovendien dat uit deze rechtspraak volgt dat de eerbiediging van de menselijke waardigheid in de context van artikel 20 van deze richtlijn vereist dat de betrokkene niet in een toestand van zeer verregaande materiële behoeftigheid terechtkomt waardoor hij niet in staat zou zijn om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen, hetgeen zijn fysieke of mentale gezondheid zou schaden dan wel hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, en dat in ieder geval – zelfs in geval van sancties – de materiële opvangvoorzieningen, te weten huisvesting, voedsel en kleding, te allen tijde moeten worden gewaarborgd (zie in die zin arrest van 12 november 2019, Haqbin,C‑233/18, EU:C:2019:956, punten 46 en 56).
36 De verwijzende rechter merkt echter op dat het Hof nog niet heeft verduidelijkt of een fatsoenlijke levensstandaard in de zin van artikel 17, leden 2 en 5, van deze richtlijn inhoudt dat is gewaarborgd dat in behoeften wordt voorzien die verdergaan dan het in artikel 20 van deze richtlijn bedoelde minimumniveau. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst ook de vraag of een nationale regeling die voorziet in huisvesting, voedsel, prestaties ten behoeve van lichaamsverzorging en verzorging van de persoonlijke gezondheid en behandeling in geval van ziekte, alsmede, afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval, kleding en huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen, voldoet aan het door artikel 17, leden 2 en 5, van deze richtlijn vereiste minimumniveau.
37 Bovendien is deze rechter van oordeel dat het hoofdgeding de vraag doet rijzen of artikel 17, lid 5, tweede volzin, van richtlijn 2013/33 het mogelijk maakt om met betrekking tot het tweede geval waarin deze bepaling voorziet – gelet op het niveau van materiële opvangvoorzieningen dat in dat geval lager is ten opzichte van de aan de eigen onderdanen toegekende prestaties – een verder onderscheid te maken tussen de prestaties die worden toegekend aan personen die om internationale bescherming verzoeken en die bescherming afhankelijk is van hun verwachte, slechts korte verblijfsduur of van hun statuut als persoon die onderworpen is aan een uitvoerbare verplichting om het grondgebied te verlaten. Volgens deze rechter zou dit ervoor zorgen dat de lidstaat aan deze verzoekers binnen de in verordening nr. 604/2013 bedoelde overdrachtstermijn voor een periode van maximaal zes maanden enkel het in de eerste prejudiciële vraag beschreven prestatieniveau hoeft toe te kennen, terwijl andere verzoekers gunstigere prestaties zouden worden toegekend, hoewel deze nog steeds lager zijn dan die welke door de eigen onderdanen worden ontvangen.
38 In de vierde plaats is de verwijzende rechter op basis van punt 57 van het arrest van 27 september 2012, Cimade en GISTI (C‑179/11, EU:C:2012:594) van oordeel dat, indien het nationale niveau van de betrokken materiële opvangvoorzieningen lager is dan het niveau dat krachtens artikel 17, leden 2 en 5, van richtlijn 2013/33 moet worden gewaarborgd, de beperking van het recht op die voorzieningen waarin de betrokken nationale regeling voorziet slechts kan worden gerechtvaardigd indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, lid 1, onder c), van deze richtlijn. Deze bepaling vereist dat er sprake is van een „volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32.
39 In dit verband merkt deze rechter op dat geen van deze bepalingen verduidelijkt of het begrip „volgend verzoek” uitsluitend betrekking heeft op het geval waarin twee verzoeken om internationale bescherming in dezelfde lidstaat worden ingediend en behandeld, dan wel of het ook betrekking heeft op een situatie waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn en waarin de eerdere procedure voor internationale bescherming is uitgevoerd door een andere lidstaat dan die waar het volgend verzoek wordt ingediend. Het is evenmin duidelijk of in de procedures van verordening nr. 604/2013 dezelfde voorwaarden gelden.
40 Als wel uit zou moeten worden gegaan van het bestaan van een volgend verzoek, zelfs wanneer de eerdere procedure voor internationale bescherming is uitgevoerd door een andere eerste lidstaat dan die waar dat verzoek is ingediend, merkt de verwijzende rechter op dat nog niet is verduidelijkt of het feit dat de verzoeker eerder in die eerste lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de procedure door die lidstaat is beëindigd omdat de verzoeker de procedure in die lidstaat niet heeft voortgezet of zijn verzoek impliciet of formeel is ingetrokken, eraan in de weg staat dat er sprake is van een „volgend verzoek”. Volgens deze rechter rijst ook de vraag welk tijdstip relevant is voor de beoordeling van een dergelijk verzoek en, in het bijzonder, of het verzoek dat in de tweede lidstaat (in casu in Duitsland), is ingediend vóór de formele beëindiging (in casu in Roemenië) van de procedure van artikel 27 of 28 van richtlijn 2013/32, kan worden beschouwd als een „volgend verzoek” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33.
41 Indien de laatstgenoemde bepaling van toepassing is op het hoofdgeding, is de verwijzende rechter van oordeel dat een beperking van de materiële opvangvoorzieningen, zoals die welke FB gedurende de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode is opgelegd, voldoet aan de vereisten van artikel 20, leden 5 en 6, van deze richtlijn. In dit verband voert hij aan dat bij de beoordeling van de draagwijdte van een dergelijke beperking naar aanleiding van een volgend verzoek, rekening moet worden gehouden met het feit dat de betrokkene de duur van die beperking aanzienlijk kan verkorten door vrijwillig te vertrekken, hetgeen in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
42 In deze omstandigheden heeft het Bundessozialgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Voldoet een regeling van een lidstaat die verzoekers om internationale bescherming, afhankelijk van hun status als personen die op grond van een uitvoerbaar terugkeerbesluit verplicht zijn het land binnen de overdrachtstermijn volgens verordening nr. 604/2013 te verlaten, uitsluitend recht geeft op huisvesting, voedsel, prestaties ten behoeve van lichaamsverzorging en verzorging van de persoonlijke gezondheid alsook behandeling in geval van ziekte alsmede, afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval, kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen, aan het minimumniveau in de zin van artikel 17, leden 2 en 5, van richtlijn 2013/33? Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: 2) a) Dient artikel 20, lid 1, […], onder c), van richtlijn [2013/33] juncto artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32], aldus te worden uitgelegd dat een volgend verzoek ook situaties omvat waarin de asielzoeker al eerder in een andere lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de federale dienst voor migratie en vluchtelingen op grond daarvan het verzoek krachtens verordening nr. 604/2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard en de verwijdering heeft gelast? b) Is het tijdstip van intrekking [van het eerste verzoek] of de datum van een beslissing van de andere lidstaat [daarover] overeenkomstig artikel 27 of artikel 28 van richtlijn [2013/32] doorslaggevend voor de vraag of er in deze situatie sprake is van een volgend verzoek in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32]? c) Kan artikel 20, lid 1, […], onder c), juncto artikel 20, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/33 juncto het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat het toelaatbaar is om de in het kader van de opvang toegekende voorzieningen te beperken tot voorzieningen die voldoen aan de behoefte aan voedsel en huisvesting, met inbegrip van verwarming, lichaamsverzorging en verzorging van de persoonlijke gezondheid, voorzieningen bij ziekte alsmede, afhankelijk van het individuele geval, kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
43 Vooraf zij opgemerkt dat de vragen van de verwijzende rechter berusten op de premisse dat richtlijn 2013/33 van toepassing was op de situatie van FB tijdens de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode, hoewel het besluit van de federale dienst voor migratie en vluchtelingen waarbij zijn verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk werd verklaard en de uiterste datum voor zijn overdracht naar Roemenië werd vastgesteld op 22 april 2022, definitief was geworden.
44 Zonder de ontvankelijkheid van deze vragen uitdrukkelijk in twijfel te trekken, heeft de Duitse regering tijdens de terechtzitting de gegrondheid van deze premisse betwist door in essentie aan te voeren dat richtlijn 2013/33 overeenkomstig artikel 3, lid 1, ervan, alleen van toepassing is op personen die om internationale bescherming verzoeken en „[die] als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven” in de zin van deze bepaling. Volgens deze regering was dit echter niet het geval voor FB gedurende de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode, aangezien het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit volgens artikel 27, lid 3, onder a), van verordening 604/2013 de betrokkene enkel het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven.
45 Niettemin moet worden vastgesteld dat dit argument van de Duitse regering berust op een onjuiste uitlegging van artikel 27, lid 3, onder a), van verordening nr. 604/2013.
46 Dienaangaande volstaat het namelijk op te merken dat deze bepaling slechts voorziet in één van de opties waarover de lidstaten beschikken om de betrokkenen een rechtsmiddel aan te bieden dat kan leiden tot de opschorting van de uitvoering van het jegens hen genomen overdrachtsbesluit, terwijl er in artikel 27, lid 3, onder b) en c), en lid 4, van deze verordening nog andere mogelijkheden zijn opgenomen. Dit artikel 27 beoogt immers deze personen een effectieve rechterlijke bescherming tegen dergelijke besluiten te waarborgen, zodat wanneer de uitvoering van een dergelijk overdrachtsbesluit op grond van een van deze bepalingen is opgeschort, de overdrachtstermijn pas ingaat zodra het litigieuze overdrachtsbesluit definitief is geworden [zie in die zin arrest van 30 maart 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep), C‑556/21, EU:C:2023:272, punten 19‑24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Bijgevolg houdt artikel 27, lid 3, onder a), van deze verordening, dat uitsluitend beoogt de betrokkene in staat te stellen op het grondgebied te blijven van de lidstaat die jegens hem een overdrachtsbesluit heeft vastgesteld totdat zijn beroep of zijn bezwaar is afgesloten, in tegenstelling tot wat de Duitse regering lijkt te menen, niet in dat het deze betrokkene, ingeval dit beroep wordt verworpen of dit bezwaar wordt afgewezen, automatisch niet langer is toegestaan om als „verzoeker” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2013/33 op het grondgebied van die lidstaat te verblijven.
48 Zoals het Hof meermaals heeft vastgesteld, regelt deze richtlijn de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken, met inbegrip van personen ten aanzien van wie een uitvoerbaar overdrachtsbesluit werd genomen. In dat verband volgt uitdrukkelijk uit overweging 11 van verordening nr. 604/2013 dat richtlijn 2013/33 van toepassing is op de procedure ter vaststelling welke lidstaat volgens de voorschriften van die verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Hieruit volgt dat de verplichting van de lidstaat die ten aanzien van een verzoeker een overdrachtsbesluit heeft vastgesteld om hem de materiële opvangvoorzieningen toe te kennen, pas eindigt wanneer hij daadwerkelijk naar de aangezochte lidstaat is overgedragen (zie in die zin arrest van 14 januari 2021, The International Protection Appeals Tribunal e.a.,C‑322/19 en C‑385/19, EU:C:2021:11, punten 66‑68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 26 maart 2021, Fedasil,C‑134/21, EU:C:2021:257, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Bijgevolg heeft de verwijzende rechter terecht geoordeeld dat richtlijn 2013/33 van toepassing was op de situatie van FB gedurende de in het hoofgeding aan de orde zijnde periode, zodat de door hem aan het Hof voorgelegde vragen ontvankelijk zijn.
Eerste vraag
50 Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arrest van 4 oktober 2024, Bouskoura,C‑387/24 PPU, EU:C:2024:868, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich met zijn eerste vraag afvraagt hoe artikel 17, leden 2 en 5, en artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33 moeten worden uitgelegd in het licht van een nationale regeling waarin is bepaald dat wanneer een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard wegens de overdracht van de verzoeker aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, er aan deze verzoeker minder materiële opvangvoorzieningen worden toegekend, zodat deze voorzieningen, behalve in bijzondere gevallen, niet langer prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding, huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen alsook de gehele uitkering ter dekking van de persoonlijke noodzakelijke behoeften van de verzoeker omvatten.
52 Wat artikel 17, lid 5, van deze richtlijn betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling, zoals duidelijk blijkt uit de bewoordingen ervan, uitsluitend tot doel heeft om criteria vast te stellen op basis waarvan de hoogte kan worden bepaald van de uitkeringen of tegoedbonnen die worden verstrekt aan personen die om internationale bescherming verzoeken. Terwijl de eerste volzin van dit lid bepaalt dat de hoogte van deze uitkeringen of tegoedbonnen „[wordt] vastgesteld op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat krachtens het recht of krachtens de praktijk zijn vastgesteld om nationale onderdanen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden”, verduidelijkt de tweede volzin van dat lid dat deze behandeling minder gunstig kan zijn „indien die niveaus, die gelden voor [de] onderdanen [van die lidstaat] een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft”. Bovendien noemt deze bepaling als een van de omstandigheden die een minder gunstige behandeling kunnen rechtvaardigen dan die welke aan onderdanen van de betrokken lidstaat wordt toegekend, het geval waarin „de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt”. Hieruit volgt dat artikel 17, lid 5, van deze richtlijn niet de kwestie regelt of aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt, op grond van een uitvoerbaar overdrachtsbesluit, bepaalde prestaties in natura en de gehele uitkering kunnen worden onthouden die hem zonder dat besluit normaal gesproken zouden worden betaald.
53 Daarentegen moet er ten eerste op worden gewezen dat, zoals blijkt uit de in artikel 2, onder f) en onder g), van richtlijn 2013/33 vervatte definities, de uitdrukking „materiële opvangvoorzieningen” naar alle maatregelen verwijst die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn treffen ten behoeve van personen die om internationale bescherming verzoeken en welke maatregelen huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding, omvatten (arrest van 12 november 2019, Haqbin,C‑233/18, EU:C:2019:956, punt 32).
54 Ten tweede bepaalt artikel 17, lid 2, van deze richtlijn in de eerste alinea dat de lidstaten ervoor zorgen dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
55 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder g), van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat wanneer een verzoek om internationale bescherming niet ontvankelijk is verklaard omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek in de zin van verordening nr. 604/2013 en het besluit tot overdracht aan die andere lidstaat uitvoerbaar is, de aan deze verzoeker toegekende materiële opvangvoorzieningen worden beperkt, zodat deze, behalve in bijzondere gevallen, niet langer met name de prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding of aan huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen omvatten, noch de uitkering ter dekking van de persoonlijke noodzakelijke behoeften van de verzoeker.
56 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck,292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 12 februari 2026, Stichting Koskea,C‑490/24, EU:C:2026:89, punt 23).
57 In de eerste plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 2, onder g), van richtlijn 2013/33 dat de maatregelen die de lidstaten ten behoeve van personen die om internationale bescherming verzoeken met betrekking tot de materiële opvangvoorzieningen ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, noodzakelijkerwijs maatregelen moeten omvatten inzake huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding.
58 Uit de bewoordingen van artikel 17, lid 2, van deze richtlijn blijkt dat „[d]e lidstaten […] ervoor [zorgen] dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt”.
59 Hieruit volgt dat artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33, voor zover daarin een vereiste inzake een „fatsoenlijke” levensstandaard voor personen die om internationale bescherming verzoeken wordt gesteld dat verband houdt met de „materiële opvangvoorzieningen” in de zin van artikel 2, onder g), van die richtlijn, impliceert dat deze maatregelen, onverminderd de toepassing van artikel 17, leden 3 en 4, van deze richtlijn, ten minste de verstrekking van huisvesting, voedsel en kleding moeten omvatten, hetzij in natura, hetzij op gelijkwaardige wijze, in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen, alsmede de betaling van een dagvergoeding. Dit vereiste heeft immers betrekking op de minimumdrempel die deze maatregelen moeten bereiken om de bestaansmiddelen van verzoekers te garanderen en hun fysieke en mentale gezondheid te beschermen.
60 Overigens moet worden opgemerkt dat een „fatsoenlijke” levensstandaard in de zin van artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33 niet kan worden bereikt zonder een van deze maatregelen en in het bijzonder, gelet op de kenmerken van de nationale regeling waarop de onderhavige prejudiciële vraag betrekking heeft, zonder de maatregelen inzake kleding en de betaling van een dagvergoeding.
61 Ten eerste behoort kleding immers net als huisvesting, voedsel en lichaamsverzorging tot de meest elementaire behoeften, zodat een persoon die om internationale bescherming verzoekt niet de mogelijkheid kan worden ontnomen om in een dergelijke behoefte te voorzien.
62 Wat ten tweede de betaling van een dagvergoeding betreft, blijkt, zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt, een dergelijke vergoeding noodzakelijk te zijn om de persoon die om internationale bescherming verzoekt een minimum aan autonomie te bieden door hem in het bijzonder in staat te stellen om, naast huisvesting, voedsel en kleding, huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen aan te schaffen die nodig zijn voor zijn basisbehoeften, zoals vervoersbewijzen, communicatiemiddelen of producten voor persoonlijke hygiëne, en door te waarborgen dat hij op een minimaal niveau kan deelnemen aan het sociaal-culturele leven van de lidstaat waar hij verblijft. Deze vergoeding draagt aldus bij tot het levensonderhoud van de verzoeker en tot de bescherming van zijn fysieke en mentale gezondheid.
63 Hieruit volgt dat het ontbreken van maatregelen om te voorzien in de behoeften van personen die om internationale bescherming verzoeken op het gebied van kleding en van de betaling van een dagvergoeding hoe dan ook niet verenigbaar kan zijn met het vereiste van een „fatsoenlijke” levensstandaard in de zin van artikel 17, lid 2, van deze richtlijn.
64 Bijgevolg kan een dergelijk gebrek niet gerechtvaardigd worden door de omstandigheid dat ten aanzien van de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt een uitvoerbaar overdrachtsbesluit werd genomen.
65 Deze uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 2, onder g), en artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33.
66 Ten eerste en zoals blijkt uit punt 48 van het onderhavige arrest, eindigen – aangezien de bepalingen van richtlijn 2013/33 ook van toepassing zijn op personen die om internationale bescherming verzoeken wanneer er sprake is van een uitvoerbaar overdrachtsbesluit – de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze verzoekers verblijven, pas wanneer zij daadwerkelijke naar de aangezochte lidstaat zijn overgedragen.
67 Ten tweede bevat artikel 17 van richtlijn 2013/33, waarin de algemene bepalingen betreffende de materiële opvang en gezondheidszorg zijn opgenomen, geen enkele bepaling die aldus kan worden uitgelegd dat de lidstaten louter op grond van de vaststelling van een uitvoerbaar overdrachtsbesluit ten aanzien van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, verschillen mogen invoeren tussen deze verzoeker en andere verzoekers op het gebied van het bestaan of het niveau van de in artikel 2, onder g), van deze richtlijn bedoelde materiële opvangvoorzieningen.
68 Volgens artikel 17, leden 3 en 4, van die richtlijn mogen de lidstaten immers enkel ten eerste de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen, en ten tweede, indien die verzoekers over voldoende middelen beschikken, bijvoorbeeld wanneer zij gedurende een redelijke tijd gewerkt hebben, een bijdrage verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door deze richtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg.
69 Artikel 17, lid 5, van deze richtlijn, waarnaar de verwijzende rechter in zijn eerste vraag eveneens verwijst, verduidelijkt enkel, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de voorwaarden waaronder de lidstaten bij de uitkeringen of de tegoedbonnen die worden verstrekt aan personen die om internationale bescherming verzoeken, in een minder gunstige behandeling mogen voorzien dan die welke aan hun onderdanen wordt toegekend, met behoud van de verplichting van die staten om deze verzoekers een fatsoenlijke levensstandaard te waarborgen, ook wanneer de materiële steun gedeeltelijk in natura aan de betrokken verzoeker wordt verstrekt.
70 Ten derde somt artikel 20 van richtlijn 2013/33, met als opschrift „Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen” de omstandigheden op waarin dergelijke voorzieningen kunnen worden beperkt of ingetrokken, zodat de lidstaten, buiten die omstandigheden en onverminderd de toepassing van artikel 17, leden 3 en 4, van deze richtlijn door de lidstaten, zoals bedoeld in punt 68 van het onderhavige arrest, niet kunnen bepalen dat de materiële opvangvoorzieningen worden beperkt of ingetrokken. Geen van de in dit artikel vermelde omstandigheden betreft het feit dat ten aanzien van een persoon die om internationale bescherming verzoekt een uitvoerbaar overdrachtsbesluit werd genomen.
71 Een dergelijke uitlegging vindt steun in de doelstellingen van richtlijn 2013/33. Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt, blijkt uit de overwegingen 11 en 35 van deze richtlijn dat de vaststelling van normen voor de opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken tot doel heeft om voor hen in alle lidstaten een menswaardige levensstandaard en vergelijkbare levensomstandigheden te waarborgen en hun grondrechten te eerbiedigen. Een nationale regeling die het recht op prestaties, met name op het gebied van kleding, intrekt op de enkele grond dat ten aanzien van de betrokken verzoeker een uitvoerbaar overdrachtsbesluit is vastgesteld, kan niet verenigbaar zijn met die doelstellingen.
72 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder g), van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat wanneer een verzoek om internationale bescherming niet ontvankelijk is verklaard omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek in de zin van verordening nr. 604/2013 en het besluit tot overdracht aan die andere lidstaat uitvoerbaar is, de aan deze verzoeker toegekende materiële opvangvoorzieningen worden beperkt, zodat deze, behalve in bijzondere gevallen, niet langer de prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding of aan huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen omvatten, noch de uitkering ter dekking van de persoonlijke noodzakelijke behoeften van de verzoeker.
Tweede vraag, onder a)
73 Met zijn tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, aldus moeten worden uitgelegd dat het begrip „volgend verzoek” in de zin van deze bepalingen eveneens betrekking heeft op de situatie waarin een lidstaat ten eerste een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de verzoeker reeds een dergelijk verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek in de zin van verordening nr. 604/2013, en, ten tweede, op grond daarvan met het oog op zijn overdracht aan die andere lidstaat overeenkomstig die verordening, de verwijdering van deze verzoeker heeft gelast.
74 Op grond van artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33 „[kunnen] [d]e lidstaten de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32] heeft ingediend”.
75 Volgens laatstgenoemde bepaling moet onder „volgend verzoek” een later verzoek om internationale bescherming worden verstaan dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1, van richtlijn 2013/32.
76 Ook moet worden verduidelijkt dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder d), van deze richtlijn als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer dit verzoek een „volgend verzoek” is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2011/95.
77 Bovendien is in artikel 40 van richtlijn 2013/32 een specifieke procedure opgenomen die de lidstaat moet volgen om uit te maken of de elementen of nieuwe bevindingen die aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd, overeenkomstig de relevante algemene regels van hoofdstuk II van deze richtlijn, de voortzetting van de behandeling van het verzoek rechtvaardigen, of dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
78 Wat de draagwijdte van dit begrip „volgend verzoek” betreft, heeft het Hof ten eerste in punt 62 van het arrest van 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda (C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042) geoordeeld dat artikel 33, lid 2, onder d), van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 2, onder q), van deze richtlijn zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer dit verzoek in die lidstaat is gedaan door een derdelander of een staatloze van wie eerder een verzoek om internationale bescherming dat was ingediend in een andere lidstaat, waarop richtlijn 2011/95 van toepassing is, is afgewezen bij definitieve beslissing van deze andere lidstaat. Ten tweede heeft het Hof in punt 80 van dit arrest geoordeeld dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard wanneer het is gedaan voordat de andere lidstaat heeft besloten de behandeling van het vorige verzoek te beëindigen wegens de impliciete intrekking ervan.
79 Dit neemt echter niet weg dat het Hof zich in dat arrest weliswaar heeft uitgesproken over de mogelijkheid voor een lidstaat om verzoeken om internationale bescherming, wegens het bestaan van vorige verzoeken die in andere lidstaten waren ingediend en door deze waren afgewezen, als „volgend[e] verzoek[en]” aan te merken, maar het is in die uitspraak alleen ingegaan op een situatie waarin de betrokken eerste lidstaat, doordat het onmogelijk was de betrokkenen aan de andere lidstaten over te dragen, verantwoordelijk was of werd voor de behandeling van deze verzoeken (zie in die zin arrest van 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda, C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042, punten 25‑29 en 31‑34).
80 Bijgevolg rust in een dergelijk situatie overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 604/2013 de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het „volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 op de lidstaat waar dit volgende verzoek is ingediend.
81 De tweede vraag, onder a), heeft echter geen betrekking op het geval waarin een lidstaat vaststelt dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt reeds een vorig verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend en, na de behandeling van zijn nieuwe verzoek, dit verzoek niet-ontvankelijk verklaart op de in artikel 33, lid 2, onder d), van richtlijn 2013/32 bedoelde grond dat dit verzoek een „volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van deze richtlijn vormt.
82 Deze vraag heeft immers betrekking op de situatie waarin de betrokken lidstaat ten eerste het nieuwe verzoek om internationale bescherming op grond van verordening nr. 604/2013 niet-ontvankelijk verklaart omdat de andere lidstaat, waar het vorige verzoek is ingediend overeenkomstig de criteria van hoofdstuk III van deze verordening, verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, en ten tweede tegelijkertijd de verwijdering van deze verzoeker gelast met het oog op zijn overdracht aan die andere lidstaat.
83 Deze situatie is echter niet vergelijkbaar met die welke aan de orde was in het arrest van 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda (C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042). In een dergelijke situatie is de betrokken lidstaat immers niet, of althans nog niet, verantwoordelijk geworden voor de behandeling van dit nieuwe verzoek om internationale bescherming.
84 Bijgevolg kan een lidstaat in die situatie per definitie een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming niet aanmerken als een „volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 en evenmin de procedures toepassen waarin deze richtlijn voorziet voor de behandeling van een dergelijk „volgend verzoek”.
85 Deze analyse wordt bevestigd door artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32, dat verduidelijkt dat de in artikel 33, lid 2, onder a), tot en met e), van deze richtlijn genoemde niet-ontvankelijkheidsgronden de lidstaten de mogelijkheid bieden om verzoeken om internationale bescherming in bepaalde aanvullende gevallen naast die „waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening [nr. 604/2013]”, niet-ontvankelijk te verklaren.
86 Bovendien volgt om te beginnen, zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, uit overweging 53 van richtlijn 2013/32 uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling is dat die richtlijn wordt toegepast op procedures tussen de lidstaten die vallen onder verordening nr. 604/2013. Voorts bepaalt artikel 2, onder d), van deze verordening dat voor de toepassing van deze verordening onder behandeling van een verzoek om internationale bescherming alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2013/32 en richtlijn 2011/95 worden verstaan, met uitzondering van de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald krachtens de bepalingen van deze verordening (arrest van 4 oktober 2018, Fathi,C‑56/17, EU:C:2018:803, punten 69 en 70).
87 Uit het voorgaande volgt dat artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, waar in artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33 naar wordt verwezen, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „volgend verzoek” geen betrekking heeft op de situatie waarin een lidstaat ten eerste een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de verzoeker reeds een dergelijk verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat en ten tweede op grond daarvan de verwijdering van deze verzoeker heeft gelast met het oog op zijn overdracht aan de lidstaat die overeenkomstig verordening nr. 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek.
88 Hieruit volgt dat in een dergelijke situatie de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon, die om internationale bescherming verzoekt, verblijft in afwachting van zijn eventuele overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, zich niet op artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33 kan beroepen om de aan de verzoeker toegekende materiële opvangvoorzieningen in te trekken of te beperken.
89 Uit een en ander volgt dat op de tweede vraag, onder a), moet worden geantwoord dat artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, aldus moeten worden uitgelegd dat het begrip „volgend verzoek” in de zin van deze bepalingen geen betrekking heeft op de situatie waarin een lidstaat ten eerste een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de verzoeker reeds een dergelijk verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek in de zin van verordening nr. 604/2013, en ten tweede op grond daarvan overeenkomstig die verordening de verwijdering van deze verzoeker heeft gelast met het oog op zijn overdracht aan die andere lidstaat.
Tweede vraag, onder b) en c)
90 Gelet op het antwoord op de tweede vraag, onder a), hoeven de tweede vraag, onder b) en onder c), niet te worden beantwoord, aangezien deze delen van de vraag berusten op de premisse dat het begrip „volgend verzoek” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, van toepassing kan zijn in een situatie zoals bedoeld in het vorige punt van het onderhavige arrest.
Kosten
91 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 2, onder g), van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat wanneer een verzoek om internationale bescherming niet ontvankelijk is verklaard omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek in de zin van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, en het besluit tot overdracht aan die andere lidstaat uitvoerbaar is, de aan deze verzoeker toegekende materiële opvangvoorzieningen worden beperkt, zodat deze, behalve in bijzondere gevallen, niet langer de prestaties in natura ter dekking van de behoefte aan kleding of aan huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen omvatten, noch de uitkering ter dekking van de persoonlijke noodzakelijke behoeften van de verzoeker.
2) Artikel 20, lid 1, onder c), van richtlijn 2013/33, gelezen in samenhang met artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „volgend verzoek” in de zin van deze bepalingen geen betrekking heeft op de situatie waarin een lidstaat ten eerste een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de verzoeker reeds een dergelijk verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek in de zin van verordening nr. 604/2013, en ten tweede op grond daarvan overeenkomstig die verordening de verwijdering van deze verzoeker heeft gelast met het oog op zijn overdracht aan die andere lidstaat.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 februari 2026, C-490/24, ECLI:EU:C:2026:89
- HvJ EU 19 december 2024, C-123/23, ECLI:EU:C:2024:1042
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-387/24, ECLI:EU:C:2024:868
- HvJ EU 30 maart 2023, C-556/21, ECLI:EU:C:2023:272
- HvJ EU 14 januari 2021, C-322/19, ECLI:EU:C:2021:11
- HvJ EU 12 november 2019, C-233/18, ECLI:EU:C:2019:956
- HvJ EU 4 oktober 2018, C-56/17, ECLI:EU:C:2018:803
- HvJ EU 27 februari 2014, C-79/13, ECLI:EU:C:2014:103
- HvJ EU 27 september 2012, C-179/11, ECLI:EU:C:2012:594