HvJ EU 21 mei 2026, C-604/24, ECLI:EU:C:2026:418

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

21 mei 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Geneesmiddelen voor menselijk gebruik – Richtlijn 2001/83/EG – Artikel 85 quater, leden 1 en 2 – Receptvrije geneesmiddelen – Verbod op de verkoop op afstand aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij van een categorie receptvrije geneesmiddelen – Bescherming van de volksgezondheid”

In zaak C‑604/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) bij beslissing van 16 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 16 september 2024, in de procedure

Farmakeio YZ & Sia OE

tegen

Ypourgos Anaptyxis kai Ependyseon,

Ypourgos Ygeias,

in tegenwoordigheid van:

Panellinios Farmakeftikos Syllogos,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Farmakeio YZ & Sia OE, vertegenwoordigd door K. Chrysogonos, dikigoros,

– Panellinios Farmakeftikos Syllogos, vertegenwoordigd door I. Dimitrellos, dikigoros,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis, V. Karra en K. Konsta als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door E. Cicatelli, procuratore dello Stato, en M. Russo, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis, E. Mathieu, A. Spina en J. Szczodrowski als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 85 quater, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 (PB 2011, L 174, blz. 74) (hierna: „richtlijn 2001/83”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Farmakeio YZ & Sia OE, een vennootschap naar Grieks recht, en anderzijds de Ypourgos Anaptyxis kai Ependyseon (minister van Ontwikkeling en Investeringen, Griekenland) en de Ypourgos Ygeias (minister van Volksgezondheid, Griekenland) in verband met een beroep tot nietigverklaring dat deze vennootschap heeft ingesteld tegen een ministerieel besluit waarin wordt bepaald welke categorieën geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan de bevolking te koop kunnen worden aangeboden door gecertificeerde onlineapotheken.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2011/62

3 In de overwegingen 21 tot en met 24 van richtlijn 2011/62 staat het volgende te lezen: „(21) De illegale verkoop van geneesmiddelen aan de bevolking via internet is een groot gevaar voor de volksgezondheid, doordat op deze manier vervalste geneesmiddelen bij de bevolking terecht kunnen komen. Dit gevaar moet worden aangepakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de specifieke voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen aan de bevolking via de kleinhandel niet op het niveau van de [Europese] Unie zijn geharmoniseerd en dat de lidstaten bijgevolg binnen de grenzen van het [VWEU] voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen aan de bevolking kunnen opleggen. (22) Bij zijn onderzoek naar de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarden voor de verstrekking van geneesmiddelen via de kleinhandel heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (‚Hof van Justitie’) erkend dat geneesmiddelen een zeer bijzondere aard hebben, die hen door de therapeutische werking ervan wezenlijk doet verschillen van andere goederen. Het Hof van Justitie was ook van mening dat gezondheid en het leven van personen de eerste plaats innemen onder de goederen en belangen die door het VWEU worden beschermd en dat het de lidstaten toebehoort te bepalen welk niveau van bescherming zij de volksgezondheid wensen te verlenen en hoe dit niveau moet worden gehaald. Aangezien dit niveau per lidstaat kan verschillen, moeten de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken wat betreft de voorwaarden waarop geneesmiddelen op hun grondgebied aan de bevolking mogen worden verstrekt. (23) Met name wordt in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkend, gelet op de risico’s voor de volksgezondheid en op de bevoegdheid die aan de lidstaten is verleend om het niveau van de bescherming van de volksgezondheid te bepalen, dat de lidstaten de detailverkoop van geneesmiddelen in beginsel mogen voorbehouden aan apothekers. (24) Om deze reden, en gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie, moeten de lidstaten voorwaarden die door de bescherming van de volksgezondheid worden verantwoord, kunnen opleggen voor de verkoop in de kleinhandel van geneesmiddelen die via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop worden aangeboden. Deze voorwaarden mogen de werking van de interne markt niet onnodig beperken.”

Richtlijn 2001/83

4 De overwegingen 2 tot en met 5 van richtlijn 2001/83 luiden als volgt: „(2) Elke regeling op het gebied van de productie, distributie en gebruik van geneesmiddelen moet de bescherming van de volksgezondheid tot voornaamste doelstelling hebben. (3) Evenwel moet dit doel worden bereikt door maatregelen die de ontwikkeling van de farmaceutische industrie en de handel in geneesmiddelen binnen de Gemeenschap niet mogen afremmen. (4) De verschillen tussen sommige nationale voorschriften, inzonderheid tussen de voorschriften inzake geneesmiddelen, […], hebben ten gevolge dat de handel in geneesmiddelen binnen de Gemeenschap wordt belemmerd en daardoor rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt. (5) Het is derhalve van belang deze belemmeringen op te heffen en, om deze doelstelling te verwezenlijken, is een aanpassing van de betreffende voorschriften noodzakelijk.”

5 Titel VII A van die richtlijn heeft als opschrift „Verkoop op afstand aan de bevolking” en daarin bepaalt artikel 85 quater in de leden 1 en 2 het volgende: „1. Onverminderd de nationale wetgeving die verbiedt de bevolking aan een recept onderworpen geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop aan te bieden, zorgen de lidstaten ervoor dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij, zoals gedefinieerd in richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij [(PB 1998, L 204, blz. 37)], op afstand te koop worden aangeboden onder de volgende voorwaarden: a) de natuurlijke of rechtspersoon die de geneesmiddelen te koop aanbiedt, is overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaat waar deze persoon is gevestigd, gemachtigd of gerechtigd de bevolking geneesmiddelen te verstrekken, ook op afstand; b) de onder a) bedoelde persoon heeft de lidstaat waar hij is gevestigd, op zijn minst de volgende informatie verstrekt: […] c) de geneesmiddelen die via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop worden aangeboden, voldoen aan de nationale wetgeving van de lidstaat van bestemming overeenkomstig artikel 6, lid 1; d) onverminderd de informatievereisten van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‚richtlijn inzake elektronische handel’) [(PB 2000, L 178, blz. 1)] bevat de website die geneesmiddelen te koop aanbiedt, op zijn minst: […] 2. De lidstaten kunnen voorwaarden verantwoord door de bescherming van de volksgezondheid, opleggen voor de verkoop in de kleinhandel op hun grondgebied van geneesmiddelen die op afstand via diensten van de informatiemaatschappij aan de bevolking te koop worden aangeboden.”

Grieks recht

6 De ypourgiki apofasi G.P. oik. 22609 „Tropopoiisi tou arthrou 116 tis ypo stoicheia D.YG3a/G.P.32221/2013 koinis apofaseos ton Ypourgon Anaptyxis, Antagonistikotitas, Ypodomon, Metaforon kai Diktyon kai Ygeias […]” (ministerieel besluit G.P. oik. 22609 „Wijziging van artikel 116 van het gezamenlijk besluit D.YG3a/G.P.32221/2013 van de ministers van Ontwikkeling, Mededinging, Infrastructuur, Vervoer en Netwerken enerzijds, en de minister van Volksgezondheid anderzijds […]”) van 19 april 2022, gezamenlijk vastgesteld door de minister van Ontwikkeling en Investeringen en de minister van Volksgezondheid (FEK B’ 1965/20.4.2022) (hierna: „ministerieel besluit”) noemt de categorieën geneesmiddelen die op afstand door onlineapotheken aan de bevolking mogen worden verkocht via diensten van de informatiemaatschappij. In artikel 1 van dat ministerieel besluit staat het volgende vermeld: „Het is verboden om op medisch recept verkrijgbare geneesmiddelen op afstand aan de bevolking te koop aan te bieden. Bij de overige geneesmiddelen is de verkoop op afstand aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij, door onlineapotheken die daartoe door [de Panellinios Farmakeftikos Syllogos (orde van apothekers)] zijn gecertificeerd krachtens [de koini apofasi G5(b)/G.P. oik. 20293 ton Ypourgon Oikonomias, Anaptyxis kai Tourismou kai Ygeias ‚Orismos armodias Archis gia tin Pistopoiisi ilektronikon katastimaton farmakeion’ (gemeenschappelijk ministerieel besluit G5(b)/G.P. oik. 20293 van de ministers van Economie, Ontwikkeling en Toerisme enerzijds en de minister van Volksgezondheid anderzijds tot ‚aanwijzing van de bevoegde autoriteit voor de certificering van onlineapotheken’ van 15 maart 2016 (FEK B’ 787/23.3.2016)], uitsluitend toegestaan voor geneesmiddelen die volgens de vergunning voor het in de handel brengen ervan zijn ingedeeld in de subcategorie van algemeen verkrijgbare farmaceutische producten (algemeen verkrijgbare geneesmiddelen […]) van de categorie receptvrij verkrijgbare geneesmiddelen, overeenkomstig de bepalingen van [de apofasi G5(a)51194 tou Ypourgou Ygeias [besluit G5(a)51194 van 14 juli 2016 van de minister van Volksgezondheid (FEK B’ 2219/18.7.2016)]. Overtredingen worden door het bestuur van de [Ethnikos Organismos Farmakon (nationaal geneesmiddelenbureau) (hierna: „EOF”)] bestraft met een geldboete van twintigduizend (20000) EUR tot honderdduizend (100000) EUR en, in geval van recidive, een geldboete van vijftigduizend (50000) EUR tot tweehonderdduizend (200000) EUR. Deze straffen kunnen worden gecumuleerd met eventuele andere straffen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7 Verzoekster in het hoofdgeding exploiteert een fysieke apotheek in Griekenland en verkoopt ook online door een apotheek aangeboden producten in overeenstemming met de toepasselijke nationale farmaceutische regelgeving.

8 Op 25 mei 2022 heeft zij bij de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland), de verwijzende rechter, een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het ministerieel besluit waarbij de eerder vastgestelde nationale regelgeving werd gewijzigd. Zij voert aan dat op grond daarvan voortaan slechts een subcategorie van receptvrije geneesmiddelen door gecertificeerde onlineapotheken op afstand via diensten van de informatiemaatschappij aan de bevolking mag worden verkocht, namelijk alleen de categorie algemeen verkrijgbare geneesmiddelen, met uitsluiting van de overige receptvrije geneesmiddelen. Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter wordt de subcategorie van algemeen verkrijgbare geneesmiddelen gedefinieerd als receptvrije geneesmiddelen die zowel in apotheken kunnen worden verkocht als bij andere verkooppunten, zonder dat de aanwezigheid van een apotheker of assistent-apotheker vereist is. Bovendien blijkt uit de uiteenzetting van het nationaal reglementair kader dat van kracht was voordat dat besluit werd vastgesteld, zoals omschreven door de verwijzende rechter, dat gecertificeerde onlineapotheken voorheen zonder onderscheid alle receptvrije geneesmiddelen en alle niet door de socialezekerheidsinstellingen terugbetaalde geneesmiddelen online mochten verkopen aan de bevolking.

9 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in het hoofdgeding aan dat de beperking die bij het ministerieel besluit is ingevoerd ten opzichte van de eerdere nationale regelgeving met name in strijd is met artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83. Bovendien is er volgens haar in casu geen enkele reden in verband met de bescherming van de volksgezondheid die een dergelijke maatregel kan verantwoorden in de zin van artikel 85 quater, lid 2, van die richtlijn. Ze voegt eraan toe dat de nieuwe nationale regelgeving die bij het ministerieel besluit is ingevoerd, in de praktijk een dode letter zou blijven omdat op de Griekse markt geen enkel geneesmiddel door de bevoegde nationale instantie is ingedeeld in de subcategorie van algemeen verkrijgbare geneesmiddelen.

10 De nationale autoriteiten die het ministerieel besluit hebben vastgesteld, alsmede de Panellinios Farmakeftikos Syllogos stellen daarentegen dat redenen van algemeen belang in verband met de bescherming van de volksgezondheid de vaststelling van deze nieuwe nationale regelgeving vereisten overeenkomstig artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83. Zij betogen meer bepaald dat de in de eerdere nationale regeling aan onlineapotheken geboden mogelijkheid om alle receptvrije geneesmiddelen en alle niet-terugbetaalde geneesmiddelen zonder onderscheid te verkopen, ervoor zorgde dat meer dan 1000 soorten geneesmiddelen online beschikbaar werden. Dit bemoeilijkt zowel de controle op polyfarmacie, dat wil zeggen het overmatige gebruik van geneesmiddelen, als de strijd tegen handel in namaakgeneesmiddelen en niet-conforme geneesmiddelen. De onlineverkoop van geneesmiddelen, ook van receptvrije geneesmiddelen, brengt risico’s voor de volksgezondheid mee omdat de apotheker in feite de mogelijkheid verliest om de eindgebruiker te identificeren. Volgens hen kan het ministerieel besluit eveneens bijdragen tot het beperken van de aantasting van de „veiligheidswaarborg” die inherent is aan het verstrekken van geneesmiddelen door de apotheker in persoon, aangezien dit risico bij algemeen verkrijgbare geneesmiddelen vanwege hun specifieke kenmerken niet bestaat. Bovendien voorziet de afgifte door onlineapotheken van alle receptvrije geneesmiddelen en van alle niet-terugbetaalde geneesmiddelen in Griekenland in geen enkele bijzondere behoefte, gezien de uitstekende en verantwoorde geografische spreiding van de apotheken over het Griekse grondgebied. Tot slot voert de orde van apothekers ter ondersteuning van zijn betoog de in Cyprus en Portugal geldende regelgeving aan, die – aldus die orde – de onlineverkoop van receptvrije geneesmiddelen beperkt.

11 De verwijzende rechter is de mening toegedaan dat de vraag of het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die de verkoop op afstand aan de bevolking via internet slechts toestaat voor een subcategorie van receptvrije geneesmiddelen met name moet worden beoordeeld in het licht van de arresten van 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband (C‑322/01, EU:C:2003:664), en 29 februari 2024, Doctipharma (C‑606/21, EU:C:2024:179). Uit deze rechtspraak leidt hij af dat artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 niet aldus kan worden uitgelegd dat het de nationale wetgever is toegestaan om de verkoop via internet van receptvrije geneesmiddelen te verbieden. Daarom is deze rechter van mening dat het ministerieel besluit nietig moet worden verklaard.

12 Bij gebrek aan uitdrukkelijke rechtspraak van het Hof hieromtrent en gezien het betoog van de orde van apothekers over het bestaan van Cypriotische en Portugese regelgeving ter zake, vraagt deze rechter zich af of artikel 85 quater, lid 2, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten op grond daarvan om redenen die verband houden met de bescherming van de volksgezondheid de verkoop op afstand aan de bevolking van bepaalde receptvrije geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij mogen verbieden.

13 Daarop heeft de Symvoulio tis Epikrateias de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn [2001/83] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke bepaling die niet voor alle receptvrije geneesmiddelen toestaat dat zij op afstand, via diensten van de informatiemaatschappij, door onlineapotheken aan de bevolking te koop worden aangeboden, maar slechts voor een subcategorie daarvan (in casu de algemeen verkrijgbare geneesmiddelen)? 2) Of laat artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83 de nationale wetgever daarentegen de ruimte om, op grond van de volksgezondheid, te verbieden dat bepaalde geneesmiddelen waarvoor geen medisch recept is vereist door onlineapotheken op afstand aan de bevolking worden verkocht via diensten van de informatiemaatschappij? 3) Indien het antwoord op de [tweede] prejudiciële vraag […] bevestigend luidt, vormen de gronden waarop de Griekse [regering] en de orde van apothekers zich beroepen om de litigieuze beperking te rechtvaardigen (het tegengaan van polyfarmacie en de verhandeling van vervalste of ongeschikte geneesmiddelen enz.) dan redenen van bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83? 4) Indien het antwoord op de [derde] prejudiciële vraag […] bevestigend luidt, moet de nationale rechter de evenredigheid van de beperkende maatregel dan in negatieve zin toetsen, dat wil zeggen dat slechts wordt onderzocht of de beperking kennelijk ongeschikt of kennelijk niet noodzakelijk is, dan wel in positieve zin, dat wil zeggen dat wordt onderzocht of de beperking hem als een geschikte en volstrekt noodzakelijke maatregel ter bescherming van de volksgezondheid voorkomt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

14 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 85 quater, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen een nationale regeling die om redenen van bescherming van de volksgezondheid verbiedt dat receptvrije geneesmiddelen, met uitzondering van een subcategorie van dergelijke geneesmiddelen, door onlineapotheken die gebruikmaken van diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan de bevolking worden verkocht.

15 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 bepaalt dat de lidstaten „[o]nverminderd de nationale wetgeving die verbiedt de bevolking aan een recept onderworpen geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop aan te bieden, [ervoor] zorgen […] dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij, […], op afstand te koop worden aangeboden onder de […] voorwaarden[] [die zijn opgesomd onder a) tot en met d) van dat lid 1]”.

16 Uit het tweede zinsdeel van deze bepaling volgt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat „geneesmiddelen” op afstand aan de bevolking te koop worden aangeboden via diensten van de informatiemaatschappij. Het algemene karakter van deze term en het gebruik van het bepaald lidwoord „de” in bepaalde taalversies, zoals de Franse, de Spaanse, de Italiaanse en de Portugese, duiden erop dat de op de lidstaten rustende verplichting alle geneesmiddelen betreft. Dit zinsdeel bevat namelijk geen enkele verwijzing naar de wil van de Uniewetgever om een onderscheid te maken tussen mogelijke categorieën van geneesmiddelen.

17 Het eerste zinsdeel van die bepaling laat evenwel een uitzondering toe op die verplichting. Het op afstand receptplichtige geneesmiddelen te koop aanbieden aan de bevolking mag namelijk op grond van nationale wetgeving worden verboden (zie in die zin arrest van 27 februari 2025, Apothekerkammer Nordrhein, C‑517/23, EU:C:2025:122, punt 74).

18 Derhalve volgt uit de bewoordingen van artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 dat de daarin vervatte verplichting slaat op het op afstand te koop aanbieden via diensten van de informatiemaatschappij van alle receptvrije geneesmiddelen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Doctipharma, C‑606/21, EU:C:2024:179, punt 41).

19 Een nationale regeling die verbiedt dat receptvrije geneesmiddelen, met uitzondering van een subcategorie daarvan, op afstand aan de bevolking te koop worden aangeboden via diensten van de informatiemaatschappij, gaat dan ook voorbij aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83.

20 Een dergelijke nationale regeling kan daarenboven niet gebaseerd zijn op artikel 85 quater, lid 2, van die richtlijn, op basis waarvan de lidstaten voorwaarden verantwoord door de bescherming van de volksgezondheid kunnen opleggen voor de verkoop in de kleinhandel op hun grondgebied van geneesmiddelen die op afstand via diensten van de informatiemaatschappij aan de bevolking te koop worden aangeboden.

21 Gelet op het gebruik van de term „voorwaarde” in zowel lid 1 als lid 2 van artikel 85 quater van genoemde richtlijn kan worden geoordeeld dat de lidstaten voor de verkoop op afstand aan de bevolking van alle receptvrije geneesmiddelen aanvullende voorwaarden kunnen opleggen ten opzichte van de voorwaarden die uitdrukkelijk worden opgesomd in lid 1, onder a) tot en met d). Evenwel moet worden opgemerkt dat een nationale regeling die het verbiedt om online aan de bevolking receptvrije geneesmiddelen te koop aan te bieden, met uitzondering van een subcategorie van dergelijke geneesmiddelen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, niet kan worden aangemerkt als een „voorwaarde” voor de verkoop in de kleinhandel van geneesmiddelen in de zin van artikel 85 quater, lid 2, van die richtlijn.

22 Een dergelijke regeling staat het op afstand te koop aanbieden aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij van receptvrije geneesmiddelen namelijk slechts gedeeltelijk toe. De voorwaarden die worden genoemd in artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83 mogen evenwel niet tot gevolg hebben dat de verplichting inhoudsloos wordt die op grond van lid 1 van artikel 85 quater op de lidstaten rust om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen, of op zijn minst alle receptvrije geneesmiddelen, op afstand aan de bevolking te koop worden aangeboden via diensten van de informatiemaatschappij en dat daarbij de in laatstgenoemde bepaling vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Doctipharma, C‑606/21, EU:C:2024:179, punten 55 en 56).

23 Deze uitlegging wordt bevestigd door zowel de ontstaansgeschiedenis van artikel 85 quater van richtlijn 2001/83 als de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen.

24 Wat in de eerste plaats deze ontstaansgeschiedenis betreft, moet in herinnering worden gebracht dat bij richtlijn 2011/62 titel VII A werd ingevoegd in richtlijn 2001/83. Titel VII A heeft als opschrift „Verkoop op afstand aan de bevolking” en bevat onder meer artikel 85 quater van deze richtlijn.

25 Uit overweging 24 van richtlijn 2011/62, die in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van artikel 85 quater, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/83, volgt dat de lidstaten voorwaarden die door de bescherming van de volksgezondheid worden verantwoord, moeten kunnen opleggen voor de verkoop in de kleinhandel van geneesmiddelen die via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop worden aangeboden en dat die voorwaarden de werking van de interne markt evenwel niet onnodig mogen beperken. Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 35 van zijn conclusie, kan een dergelijke beperking zich voordoen indien de reikwijdte van de verplichting om de onlineverkoop van geneesmiddelen toe te staan eenzijdig door een bepaalde lidstaat ter discussie zou worden gesteld.

26 In deze context moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in de punten 76 en 124 van het arrest van 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband (C‑322/01, EU:C:2003:664), het verbod op de postorderverkoop van geneesmiddelen, in casu op de verkoop via internet, zoals die in een nationale regeling was vastgelegd, heeft gekwalificeerd als een „maatregel van gelijke werking” als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 28 EG, thans artikel 34 VWEU. Het heeft tevens geoordeeld dat een dergelijke maatregel weliswaar gerechtvaardigd kan zijn wegens de bescherming van de volksgezondheid bedoeld in artikel 30 EG, thans artikel 36 VWEU, voor zover de maatregel betrekking heeft op geneesmiddelen die alleen op recept verkrijgbaar zijn, maar dat dit artikel niet kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een absoluut verbod op de postorderverkoop van geneesmiddelen die in de betrokken lidstaat receptvrij zijn.

27 Hieruit volgt dat de Uniewetgever bij de vaststelling van artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 rekening wilde houden met de lessen die konden worden getrokken uit de rechtspraak van het Hof in verband met de onlineverkoop van geneesmiddelen. Met deze bepaling heeft de Uniewetgever namelijk de aan de lidstaten toegekende beoordelingsmarge ter zake verder beperkt door de verplichting in te voeren om alle receptvrije geneesmiddelen op afstand aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij te koop aan te bieden.

28 Dit betekent dat de lidstaten zich niet kunnen baseren op artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83 om wegens redenen van bescherming van de volksgezondheid voorwaarden te stellen aan de verkoop in de kleinhandel op hun grondgebied van receptvrije geneesmiddelen die op afstand aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij te koop worden aangeboden, wanneer de in lid 1 van dat artikel neergelegde verplichting door die voorwaarden haar nuttig effect verliest.

29 Wat betreft in de tweede plaats de doelstellingen die worden nagestreefd met richtlijn 2001/83, blijkt uit overweging 2 ervan dat zij beoogt de volksgezondheid te beschermen, met name via de strijd tegen de illegale verkoop van geneesmiddelen aan de bevolking via internet, zoals bepaald in overweging 21 van richtlijn 2011/62. Zoals volgt uit overweging 3 van richtlijn 2001/83 mag deze doelstelling van bescherming van de volksgezondheid evenwel de handel in geneesmiddelen binnen de Unie niet afremmen.

30 Vanuit dat laatste oogpunt verplicht artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 de lidstaten ertoe om de verkoop op afstand aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij voor alle receptvrije geneesmiddelen toe te staan. In het kader van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid en rekening houdend met het arrest van 19 mei 2009, Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316), aangehaald in de voetnoten bij de overwegingen 22 en 23 van richtlijn 2011/62, in welk arrest het Hof de lidstaten de mogelijkheid heeft toegekend om het niveau van de bescherming van de volksgezondheid te bepalen, legt deze bepaling onder a) tot en met d) de voorwaarden vast die inzake de personen, de geneesmiddelen en de websites gelden voor de verkoop op afstand aan de bevolking van geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij. In dit verband is volgens de genoemde bepaling, in overeenstemming met deze rechtspraak, de bevoegdheid om vast te stellen aan welke eisen deze personen moeten voldoen voorbehouden aan de lidstaten.

31 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 20 van zijn conclusie, een lidstaat het op afstand te koop aanbieden van receptvrije geneesmiddelen aan de bevolking via diensten van de informatiemaatschappij niet mag verbieden, indien is voldaan aan de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83.

32 Bijgevolg mogen de lidstaten op grond van artikel 85 quater, lid 2, van deze richtlijn weliswaar om redenen van bescherming van de volksgezondheid voorwaarden opleggen in verband met de verkoop in de kleinhandel op hun grondgebied van geneesmiddelen die op afstand via diensten van de informatiemaatschappij aan de bevolking te koop worden aangeboden, maar een „voorwaarde” in de zin van deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten om die redenen een verbod kunnen invoeren om receptvrije geneesmiddelen via dergelijke diensten op afstand aan de bevolking te koop aan te bieden, met uitzondering van een subcategorie ervan. Een dergelijk verbod zou namelijk betekenen dat de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar worden gebracht omdat artikel 85 quater, lid 1, ervan zijn nuttig effect zou verliezen.

33 De in artikel 85 quater, lid 2, van richtlijn 2001/83 bedoelde voorwaarden kunnen geen invloed hebben op de reikwijdte van de in artikel 85 quater, lid 1, van deze richtlijn omschreven doelstelling of op de voorwaarden die opgesomd zijn onder de punten a) tot en met d) van deze bepaling. Daarom is de bevoegdheid van lidstaten om de inhoud te bepalen van de „voorwaarden verantwoord door de bescherming van de volksgezondheid voor de verkoop in de kleinhandel” in de zin van lid 2 van voornoemd artikel dan ook noodzakelijkerwijze beperkt. Zij kan namelijk alleen betrekking hebben op het in de handel brengen van die geneesmiddelen bij de bevolking, dat wil zeggen op de voorwaarden in verband met de handelingen die worden verricht met het oog op de verkoop in de kleinhandel op hun grondgebied van genoemde geneesmiddelen.

34 Deze voorwaarden, die gerechtvaardigd moeten zijn om redenen van bescherming van de volksgezondheid, kunnen gelden voor maatregelen die bestemd zijn om de risico’s die gepaard gaan met de onlineverkoop van geneesmiddelen te beperken. Zoals verzoekster in het hoofdgeding suggereert, zouden die voorwaarden kunnen bestaan in de vaststelling van efficiënte mechanismen om het gebruik van geneesmiddelen te controleren, zoals de invoering van bovengrenzen voor bestellingen per consument of het opzetten van een onlinesysteem voor de identificatie en registratie van gegevens over de gezondheid van de consument ter bestrijding van polyfarmacie.

35 In deze context is het niet uitgesloten dat de lidstaten een specifieke categorie van receptvrije geneesmiddelen aan dergelijke voorwaarden onderwerpen, bijvoorbeeld vanwege hun bijzondere therapeutische eigenschappen, mits deze voorwaarden geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om deze geneesmiddelen te koop aan te bieden, zoals dat volgt uit artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83.

36 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 85 quater, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen een nationale regeling die om redenen van bescherming van de volksgezondheid verbiedt dat receptvrije geneesmiddelen, met uitzondering van een subcategorie van dergelijke geneesmiddelen, door onlineapotheken die gebruikmaken van diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan de bevolking worden verkocht.

Derde en vierde vraag

37 Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag hoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 85 quater, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011,

moet aldus worden uitgelegd dat

die bepaling zich verzet tegen een nationale regeling die om redenen van bescherming van de volksgezondheid verbiedt dat receptvrije geneesmiddelen, met uitzondering van een subcategorie van dergelijke geneesmiddelen, door onlineapotheken die gebruikmaken van diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan de bevolking worden verkocht.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Grieks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken