HvJ EU 21 mei 2026, C-626/24, ECLI:EU:C:2026:414
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
21 mei 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van goederen – Officiële controles van levensmiddelen – Verordening (EU) 2017/625 – Artikel 9, lid 7 – Volledige harmonisatie – Nationale regeling die voorziet in een meldingsplicht bij aankomst van voedingssupplementen uit andere lidstaten – Voorwaarde dat de doeltreffende organisatie van officiële controles strikt noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en van de consument”
In zaak C‑626/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 17 september 2024, ingekomen bij het Hof op 24 september 2024, in de procedure
PRAGON s.r.o.
tegen
Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 september 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– PRAGON s.r.o., vertegenwoordigd door M. Kadlec, advokát,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Očková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Salyková en F. Thiran als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 34 en 36 VWEU en artikel 9, lid 7, van verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB 2017, L 95, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen PRAGON s.r.o. (hierna: „Pragon”), een vennootschap naar Tsjechisch recht, en de Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze (nationale toezichthouder voor landbouwproducten en levensmiddelen, inspectie Praag, Tsjechië; hierna: „nationale toezichthouder voor landbouwproducten en levensmiddelen”) over een verzoek van deze vennootschap om bescherming tegen een vermeende onrechtmatige inmenging bestaande in een door deze toezichthouder verrichte controle.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Primair recht
3 Artikel 26, lid 1, VWEU bepaalt: „De [Europese] Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren, overeenkomstig de bepalingen ter zake van de Verdragen.”
4 Artikel 34 VWEU luidt als volgt: „Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.”
5 Artikel 36 VWEU luidt: „De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.”
6 Artikel 43, lid 2, VWEU bepaalt: „Het Europees Parlement en de Raad [van de Europese Unie] stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het [Europees] Economisch en Sociaal Comité de in artikel 40, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in en stellen de overige bepalingen vast die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven.”
7 Artikel 114, lid 1, VWEU luidt: „Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 26. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het [Europees] Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.”
8 Artikel 168, lid 4, onder b), VWEU bepaalt: „In afwijking van artikel 2, lid 5, en artikel 6, onder a), en overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder k), dragen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure, na raadpleging van het [Europees] Economisch en Sociaal Comité en het [Europees] Comité van de Regio’s, bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, om gemeenschappelijke veiligheidskwesties het hoofd te bieden, door: […] b) maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid”.
Afgeleid recht
– Verordening nr. 178/2002
9 Artikel 2 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB 2002, L 31, blz. 1) bepaalt: „In deze verordening wordt verstaan onder ‚levensmiddel’ (of ‚voedingsmiddel’): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. […]”
– Richtlijn 2002/46
10 Artikel 10 van richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB 2002, L 183, blz. 51) luidt: „Teneinde een efficiënt toezicht op voedingssupplementen te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten eisen dat de fabrikant of degene die voor het op de markt brengen van het product op hun grondgebied verantwoordelijk is, de bevoegde instantie van deze commercialisering in kennis stelt, door deze een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken.”
– Verordening 2017/625
11 In de overwegingen 1 tot en met 3, 15, 19, 20, 37, 38, 43 en 99 van verordening 2017/625 staat te lezen: „(1) Het [VWEU] eist dat bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu wordt verzekerd. Die doelstelling moet onder meer worden nagestreefd door middel van maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied met de bescherming van de menselijke gezondheid als einddoel. (2) Het VWEU bepaalt ook dat de Unie moet bijdragen aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van maatregelen die zij in het kader van de totstandbrenging van de interne markt neemt. (3) De Uniewetgeving voorziet in een reeks geharmoniseerde voorschriften om ervoor te zorgen dat levensmiddelen en diervoeders veilig en heilzaam zijn, en dat activiteiten die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van de agro-voedselketen of de bescherming van consumentenbelangen met betrekking tot levensmiddelen en informatie over levensmiddelen worden uitgevoerd overeenkomstig specifieke voorschriften. Er zijn ook Unievoorschriften om te zorgen voor een hoog niveau van gezondheid van mensen, dieren en planten alsmede van dierenwelzijn in de agro-voedselketen en op alle activiteitengebieden waar een van de hoofddoelen bestaat in de bestrijding van de eventuele verspreiding van dierziekten, die in sommige gevallen op mensen overdraagbaar zijn, of van schadelijke organismen bij planten of plantaardige producten, en om te zorgen voor de bescherming van het milieu tegen risico’s die kunnen ontstaan door het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) of gewasbeschermingsmiddelen. De correcte toepassing van die voorschriften, die hierna gezamenlijk worden aangeduid met de term ‚agro-voedselketenwetgeving van de Unie’, draagt bij aan de werking van de interne markt. […] (15) De verantwoordelijkheid om de agro-voedselketenwetgeving van de Unie te handhaven berust bij de lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteiten door de organisatie van officiële controles de effectieve naleving en handhaving van de desbetreffende voorschriften van de Unie monitoren en verifiëren. […] (19) Om het algehele wetgevingskader te rationaliseren en te vereenvoudigen en tegelijkertijd te streven naar betere regelgeving, moeten de voorschriften die gelden voor officiële controles op specifieke gebieden worden geïntegreerd in één enkel wetgevingskader voor officiële controles. […] (20) Deze verordening beoogt de totstandbrenging van een geharmoniseerd Uniekader voor de organisatie van officiële controles, en andere officiële activiteiten dan officiële controles, in de hele agro-voedselketen, rekening houdend met de voorschriften inzake officiële controles van verordening (EG) nr. 882/2004 [van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB 2004, L 165, blz. 1)] en van de desbetreffende sectorale wetgeving, en met de ervaring die bij de toepassing van die voorschriften is opgedaan. […] (37) Onverminderd de traceerbaarheidsvoorschriften van sectorale wetgeving en voor zover dat strikt noodzakelijk is voor het organiseren van officiële controles, moeten de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van exploitanten uitzonderlijk kunnen verlangen dat zij de aankomst van dieren en goederen uit een andere lidstaat melden. (38) Om ervoor te zorgen dat de agro-voedselketenwetgeving van de Unie correct wordt gehandhaafd, moeten de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om officiële controles uit te voeren in alle stadia van productie, verwerking en distributie van dieren en goederen waarop die wetgeving betrekking heeft. Om ervoor te zorgen dat officiële controles grondig en effectief worden uitgevoerd, moeten de bevoegde autoriteiten ook de bevoegdheid hebben om officiële controles uit te voeren in alle stadia van productie en distributie van goederen, stoffen, materialen of voorwerpen die niet onder de agro-voedselketenwetgeving van de Unie vallen, voor zover dat nodig is om eventuele schendingen van die wetgeving volledig te onderzoeken en de oorzaak van dergelijke schendingen te bepalen. Teneinde deze officiële controles op efficiënte wijze uit te voeren, dienen de bevoegde autoriteiten een lijst of register van te controleren exploitanten op te stellen en bij te houden. […] (43) Deze verordening stelt één enkel wetgevingskader vast voor de organisatie van officiële controles om te verifiëren of de agro-voedselketenwetgeving van de Unie worden nageleefd op alle gebieden waarop die wetgeving betrekking heeft. […] […] (99) Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de agro-voedselketenwetgeving van de Unie te waarborgen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege het effect, de complexiteit, het grensoverschrijdende en internationale karakter ervan beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. […]”
12 Artikel 1, lid 1, onder a), en lid 2, onder a), van verordening 2017/625 bepaalt: „1. Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld voor: a) de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten; […] 2. Deze verordening is van toepassing op officiële controles op naleving van de op Unieniveau of door de lidstaten ter uitvoering van Uniewetgeving vastgestelde regels op de volgende gebieden: a) levensmiddelen en voedselveiligheid, integriteit en heilzaamheid in elk stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, met inbegrip van voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren, alsook betreffende de vervaardiging en het gebruik van materialen en voorwerpen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen”.
13 Artikel 3, punten 11, 12 en 29, van deze verordening luidt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 11. ‚goederen’: alles waarop de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels of een deel daarvan van toepassing zijn, met uitzondering van dieren; 12. ‚levensmiddel’: een levensmiddel als gedefinieerd in artikel 2 van verordening [nr. 178/2002]; […] 29. ‚exploitant’: elke natuurlijke of rechtspersoon die onderworpen is aan een of meer verplichtingen die zijn vervat in de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels”.
14 Artikel 9 van verordening 2017/625 bepaalt in de leden 1, 2 en 4 tot en met 7: „1. De bevoegde autoriteiten verrichten regelmatig met passende frequentie risicogebaseerde officiële controles met betrekking tot alle exploitanten, […]: […] 2. De bevoegde autoriteiten verrichten regelmatig officiële controles met passende risicogebaseerde frequentie om mogelijke opzettelijke schendingen door frauduleuze of bedrieglijke praktijken van de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels op te sporen, waarbij zij rekening houden met informatie over dergelijke schendingen die via de in de artikelen 102 tot en met 108 beschreven mechanismen voor administratieve bijstand wordt gedeeld, alsook met elke andere informatie die op de mogelijkheid van dergelijke schendingen wijst. […] 4. Officiële controles worden zonder voorafgaande kennisgeving uitgevoerd, behalve wanneer die kennisgeving noodzakelijk en naar behoren gerechtvaardigd is om de officiële controle te kunnen uitvoeren. Wat officiële controles op verzoek van de exploitant betreft, kan de bevoegde autoriteit beslissen of de officiële controles met of zonder voorafgaande kennisgeving moeten worden uitgevoerd. Het uitvoeren van officiële controles met voorafgaande kennisgeving betekent niet dat er geen officiële controles zonder voorafgaande kennisgeving kunnen worden uitgevoerd. 5. De officiële controles worden zo veel mogelijk zodanig uitgevoerd dat de administratieve lasten en de verstoring van het werk van de exploitanten tot het noodzakelijke minimum worden beperkt, zonder dat dit de doeltreffendheid van die controles nadelig beïnvloedt. 6. De bevoegde autoriteiten verrichten alle officiële controles op dezelfde wijze, rekening houdend met de noodzaak om de controles aan te passen aan de specifieke situatie, ongeacht of de betrokken dieren of goederen: a) op de markt van de Unie beschikbaar zijn en afkomstig zijn uit de lidstaat waar de officiële controles worden verricht of uit een andere lidstaat; […] 7. Voor zover dit strikt noodzakelijk is voor de organisatie van de officiële controles, kunnen de lidstaten van bestemming exploitanten die dieren of goederen uit een andere lidstaat laten leveren, verplichten de aankomst van die dieren of goederen te melden.”
15 Artikel 10, lid 1, onder a) en c), en lid 2, van deze verordening luidt: „1. Voor zover dit noodzakelijk is om na te gaan of de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels worden nageleefd, verrichten de bevoegde autoriteiten officiële controles op: a) dieren en goederen, in alle stadia van de productie, verwerking, distributie en gebruik; […] c) exploitanten, wat betreft activiteiten, met inbegrip van het houden van dieren, uitrusting, vervoersmiddelen, gebouwen en andere plaatsen die onder hun gezag staan en de omgeving ervan, en op ter zake dienende documentatie. 2. Onverminderd de regels betreffende bestaande lijsten of registers die zijn opgesteld op basis van de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels, stellen de bevoegde autoriteiten een lijst van exploitanten op en actualiseren die. Indien een dergelijke lijst of register reeds voor andere doeleinden voorhanden is, kunnen zij ook voor de toepassing van deze verordening worden gebruikt.”
16 Artikel 11, lid 1, van die verordening luidt als volgt: „De bevoegde autoriteiten verrichten officiële controles met een hoge mate van transparantie en maken, ook via bekendmaking op het internet, ten minste een keer per jaar relevante informatie over de organisatie en uitvoering van officiële controles openbaar. Zij zorgen er tevens voor dat regelmatig en tijdig informatie wordt gepubliceerd over: a) de soort en het aantal officiële controles en de uitkomst ervan; b) de soort en het aantal vastgestelde gevallen van niet-naleving; c) de soort en het aantal gevallen waarin de bevoegde autoriteiten maatregelen hebben genomen overeenkomstig artikel 138, en d) de soort en het aantal gevallen waarin de in artikel 139 bedoelde sancties zijn opgelegd. […]”
17 De artikelen 102 tot en met 108 van verordening 2017/625 bevatten de regels voor administratieve bijstand en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in het kader van de procedures die onder die verordening vallen.
18 Artikel 111, lid 1, van deze verordening bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat het in artikel 109, lid 1, bedoelde [meerjarig nationaal controleplan (MNCP)] openbaar wordt gemaakt, met uitzondering van de delen van het plan waarvan de openbaarmaking de doeltreffendheid van de officiële controles zou ondermijnen.”
Tsjechisch recht
Levensmiddelenwet
19 § 3d, lid 3, van zákon č. 110/1997 Sb., o potravinách a tabákových výrobcích a o změně a doplnění některých souvisejících zákonů (wet nr. 110/1997 inzake levensmiddelen en tabaksproducten en tot wijziging en aanvulling van bepaalde gerelateerde wetten) (hierna: „levensmiddelenwet”) luidt: „Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die op de plaats van bestemming levensmiddelen zoals gedefinieerd in de uitvoeringsregeling ontvangen uit een andere lidstaat van de Unie of een derde land moeten de ingevolge § 16, lid 4 of lid 5, bevoegde toezichthoudende autoriteit in kennis stellen van de levering van die producten overeenkomstig de uitvoeringsregeling. Deze autoriteit bepaalt, op basis van de risicoanalyse van artikel 3 van verordening [nr. 178/2002], het soort levensmiddel, de datum en de omvang en wijze van de kennisgeving, voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de organisatie van officiële controles.”
Besluit nr. 172/2015
20 § 1 van vyhláška č. 172/2015 Sb., o informační povinnosti příjemce potravin v místě určení (besluit nr. 172/2015 inzake de informatieplicht van ontvangers van levensmiddelen op de plaats van bestemming), in die versie die van kracht was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „besluit nr. 172/2015”), bepaalt: „(1) Dit besluit regelt de omvang van de verplichting tot informatieverstrekking van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf op de plaats van bestemming […] overeenkomstig de rechtstreeks toepasselijke Uniewetgeving. (2) Dit besluit is van toepassing op: […] e) voedingssupplementen, […] (3) Dit besluit is slechts van toepassing wanneer de plaats van bestemming de plaats van eerste ontvangst is, met inbegrip van elke eerste be- of verwerking in Tsjechië van de in lid 2 genoemde levensmiddelen.”
21 § 2, lid 1, van besluit nr. 172/2015 luidt: „De ontvanger op de plaats van bestemming van levensmiddelen die afkomstig zijn uit een andere lidstaat of een derde land moet – indien het gaat om levensmiddelen als bedoeld in § 1, lid 2, onder a) tot en met e), en de plaats van bestemming bedoeld in § 1, lid 3, ervan – uiterlijk 24 uur vóór de aankomst van de levensmiddelen op de plaats van bestemming via het informatiesysteem van de nationale toezichthouder voor landbouwproducten en levensmiddelen melding maken van: a) het soort levensmiddelen dat op de plaats van bestemming zal aankomen, b) de hoeveelheid levensmiddelen die op de plaats van bestemming zal aankomen, c) de lidstaat van de Unie of het derde land, de naam en het adres van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf die de levensmiddelen op de plaats van bestemming zal afleveren, d) de naam, het adres en het identificatienummer van de plaats van bestemming en van de ontvanger van de levensmiddelen op de plaats van bestemming, en e) de datum van aankomst van de levensmiddelen op de plaats van bestemming.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
22 Op 7 juni 2021 heeft de nationale toezichthouder voor landbouwproducten en levensmiddelen op grond van besluit nr. 172/2015, waarbij uitvoering wordt gegeven aan de levensmiddelenwet, een officiële controle uitgevoerd met betrekking tot de veiligheid van de door Pragon ontvangen voedingssupplementen. Deze controle heeft plaatsgevonden overeenkomstig een nationaal regelgevingskader dat krachtens § 3d, lid 3, van deze wet, gelezen in samenhang met § 1, lid 2, van dat besluit, bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bevoegde toezichthoudende autoriteiten in kennis moeten stellen van de aankomst van bepaalde levensmiddelen, waaronder voedingssupplementen, vanuit een andere lidstaat van de Unie of een derde land.
23 Pragon is opgekomen tegen de door de nationale toezichthouder voor landbouwproducten en levensmiddelen verrichte controle door bij de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) een beroep in te stellen om bescherming te verkrijgen tegen de onrechtmatige inmenging van deze toezichthoudende autoriteit in het licht van het Unierecht. Bij vonnis van 6 oktober 2022 heeft die rechter dat beroep afgewezen.
24 Daarop stelde Pragon cassatieberoep in bij de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), die dat vonnis op 10 mei 2023 heeft vernietigd op grond dat de Městský soud v Praze ten onrechte had geoordeeld dat het niet onrechtmatig was om een controle uit te voeren op basis van een met het Unierecht strijdig besluit. Deze hoogste bestuursrechter heeft de zaak terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg opdat deze zou onderzoeken of besluit nr. 172/2015 verenigbaar is met het Unierecht en of dit besluit in de bij hem aanhangige zaak moest worden toegepast.
25 Bij vonnis van 12 oktober 2023 heeft de Městský soud v Praze het beroep verworpen waarmee Pragon de rechtmatigheid van de krachtens besluit nr. 172/2015 verrichte controle betwistte. Volgens deze rechter voldoet dit besluit aan de voorwaarden van artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625, namelijk dat er sprake is van een voorafgaande kennisgeving door de betrokken exploitanten van de aankomst van voedingssupplementen op het Tsjechische grondgebied met het oog op de organisatie van officiële controles en dat die kennisgeving daartoe strikt noodzakelijk is. De evenredigheid van de verplichting tot kennisgeving zou tot uiting komen in het feit dat deze verplichting niet geldt voor alle levensmiddelen, maar enkel voor bepaalde categorieën daarvan, waarbij de lijst varieert naargelang van de beoordeling van de risico’s die zij op een bepaalde datum inhouden, waardoor er dus sprake is van een gericht en geen algemeen vereiste. Bovendien heeft die verplichting enkel betrekking op de voor de risicoanalyse noodzakelijke informatie waarover de exploitanten voor wie de verplichting geldt, beschikken. Aangezien de kennisgeving van de aankomst van levensmiddelen overeenkomstig § 2, lid 1, van besluit nr. 172/2015 ten minste 24 uur vóór die aankomst moet worden gedaan door middel van een onlineformulier, is een dergelijke verplichting voorts minder belastend dan die welke voortvloeide uit de eerdere wetgeving, die voorzag in een verplichting tot voorafgaande kennisgeving 48 uur vóór die aankomst. Zonder de informatie die volgens de geldende Tsjechische regeling moet worden verstrekt zou het niet mogelijk zijn om te voldoen aan de verplichting om regelmatig en zonder voorafgaande kennisgeving officiële controles te verrichten, zoals wordt vereist door artikel 9, leden 2 en 4, van verordening 2017/625.
26 Vervolgens heeft Pragon tegen het vonnis van 12 oktober 2023 hoger beroep ingesteld bij de Nejvyšší správní soud, de verwijzende rechter, bij wie zij in essentie aanvoert dat de in de Tsjechische regeling neergelegde verplichting tot kennisgeving kennelijk in strijd is met het vrije verkeer van goederen, aangezien goederen niet op de dag van bestelling in Tsjechië kunnen worden geleverd, wat een door het Unierecht verboden niet-tarifaire belemmering vormt. Voorts betoogt Pragon dat levensmiddelen uit gebieden buiten het grondgebied van de Tsjechische Republiek niet hetzelfde worden behandeld als goederen die afkomstig zijn uit het grondgebied van deze lidstaat, aangezien er voor deze binnenlandse goederen geen verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt en zij dus onmiddellijk in de handel kunnen worden gebracht.
27 Een van de redenen waarom de verwijzende rechter een prejudiciële vraag heeft gesteld, is dat levensmiddelen van een in besluit nr. 172/2015 genoemde categorie, wanneer zij afkomstig zijn uit Tsjechië, door de ontvanger van deze levensmiddelen zo spoedig mogelijk in de handel kunnen worden gebracht zonder dat aan enige informatieverplichting hoeft te worden voldaan. Wanneer dezelfde levensmiddelen daarentegen uit een andere lidstaat afkomstig zijn, moet overeenkomstig dit besluit ten minste 24 uur vóór de aankomst ervan in Tsjechië kennisgeving worden gedaan. Een dergelijke verplichting impliceert een complexere planning voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, aangezien de betrokken bestelling pas 24 uur nadat aan deze verplichting is voldaan kan worden geleverd, wat extra kosten en vertraging voor de betrokken exploitanten met zich brengt. Daarom geeft deze rechter aan geneigd te zijn om aan te nemen dat de informatieplicht van § 3d, lid 3, van de levensmiddelenwet, waaraan uitvoering is gegeven bij besluit nr. 172/2015, exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervan kan weerhouden om uit andere lidstaten afkomstige levensmiddelen in Tsjechië in te voeren of in de handel te brengen en dus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt in de zin van artikel 34 VWEU.
28 Volgens de verwijzende rechter moet worden vastgesteld of de in de Tsjechische regeling vastgestelde verplichting tot kennisgeving evenredig is, dat wil zeggen of er een vergelijkbare methode bestaat om de menselijke gezondheid te beschermen – welke doelstelling deze verplichting volgens de verwijzende rechter kan rechtvaardigen – die het vrije verkeer van goederen binnen de Unie minder zou belemmeren dan de bij deze regeling vastgestelde methode. Aangezien artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 het mogelijk maakt om een informatieplicht op te leggen aan de ontvanger van uit een andere lidstaat afkomstige levensmiddelen, vraagt die rechter zich af in hoeverre deze verplichting systematisch kan zijn gelet op overweging 37 van verordening 2017/625, waaruit blijkt dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden informatie over de aankomst van goederen kan worden verlangd. Hij vraagt zich ook af of een verplichting tot kennisgeving die is gericht op de actuele risico’s die uitgaan van de ontvangen levensmiddelen, of die pas wordt opgelegd op het moment dat dergelijke levensmiddelen in de lidstaat van bestemming aankomen of slechts bij bepaalde leveringen, een toereikende alternatieve maatregel zou vormen. Deze rechter sluit echter niet uit dat een vereiste van voorafgaande kennisgeving als evenredig kan worden beschouwd, aangezien een dergelijke kennisgeving de kans vergroot dat een levensmiddel dat niet aan de vereisten van het Unierecht voldoet, wordt onderschept.
29 Wat in het bijzonder voedingssupplementen betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat zij zich onderscheiden van verse levensmiddelen of levensmiddelen van dierlijke oorsprong door specifieke voorschriften inzake houdbaarheid, vervoer, opslag, vorm en gebruik. Aangezien voedingssupplementen niet bederven, is het niet nodig om binnen 24 uur een officiële controle uit te voeren. Uit de Tsjechische regeling volgt evenwel dat de handhaving van voedingssupplementen op de in besluit nr. 172/2015 vastgestelde lijst van levensmiddelen wordt gerechtvaardigd door het feit dat deze supplementen mogelijk anabole middelen, farmaceutische producten, hormonen en andere verboden stoffen bevatten, dat de vermelding op de verpakking van deze supplementen van de stoffen waaruit zij bestaan vaak niet overeenstemt met de werkelijkheid of het toegestane gehalte overschrijdt, alsmede door het feit dat zij soms gevaarlijke stoffen bevatten, zoals zware metalen of aromatische koolwaterstoffen en vitaminen of mineralen die bij overmatige consumptie via levensmiddelen bijzonder schadelijke effecten kunnen hebben. De verwijzende rechter uit echter twijfels over de noodzaak om, zelfs in het licht van deze toelichtingen, officiële controles van voedingssupplementen uit te voeren binnen een zo korte termijn na hun aankomst op het Tsjechische grondgebied als mogelijk vereist zou zijn voor bederfelijke levensmiddelen.
30 Tegen deze achtergrond heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staat artikel 34 VWEU, gelet op artikel 36 VWEU en artikel 9, lid 7, van verordening [2017/625], in de weg aan een nationale regeling die aan ontvangers van voedingssupplementen die afkomstig zijn uit een andere lidstaat de algemene verplichting oplegt om de aankomst daarvan op de plaats van bestemming ten minste 24 uur van tevoren mee te delen en om tegelijkertijd de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor het verrichten van een risicoanalyse en het plannen van officiële controles?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
31 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de artikelen 34 en 36 VWEU en artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die elke exploitant die uit een andere lidstaat afkomstige voedingssupplementen ontvangt, verplicht om de aankomst van deze supplementen op de plaats van bestemming vooraf te melden en de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor een analyse van de risico’s die zij kunnen inhouden en voor de planning van officiële controles.
32 Vooraf moet worden opgemerkt dat verordening 2017/625 volgens artikel 1, lid 1, onder a), en lid 2, ervan onder meer regels vaststelt voor de uitvoering van officiële controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op naleving van de op Unieniveau of door de lidstaten ter uitvoering van Uniewetgeving vastgestelde regels op het gebied van levensmiddelen en voedselveiligheid, integriteit en heilzaamheid in elk stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, met inbegrip van voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren.
33 Bovendien blijkt uit de overwegingen 15, 19, 20, 43 en 99 van deze verordening dat de daarbij vastgestelde regels een uniform regelgevingskader vormen dat tot doel heeft om te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak van de organisatie door de lidstaten van officiële controles op de naleving van de agro-voedselketenwetgeving van de Unie op alle onder die wetgeving vallende gebieden.
34 Binnen dit uniforme regelgevingskader bevat artikel 9 van die verordening de algemene regels voor officiële controles. In het bijzonder bepaalt lid 7 van dit artikel dat de lidstaten exploitanten die dieren of goederen uit een andere lidstaat laten leveren, kunnen verplichten om de aankomst van die dieren of goederen te melden, mits dit strikt noodzakelijk is voor de organisatie van de officiële controles.
35 In dit verband moet worden opgemerkt dat voedingssupplementen onder het begrip „goederen” in de zin van deze bepaling vallen. Dit begrip wordt in artikel 3, punt 11, van verordening 2017/625 immers gedefinieerd als alles waarop de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde regels of een deel daarvan van toepassing zijn, met uitzondering van dieren. Ten eerste vallen voedingssupplementen, zoals blijkt uit artikel 3, punt 12, van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 2 van verordening nr. 178/2002, onder het begrip „levensmiddelen” (zie in die zin arrest van 6 september 2011, Bablok e.a., C‑442/09, EU:C:2011:541, punt 69) en ten tweede verwijst artikel 1, lid 2, onder a), van verordening 2017/625 uitdrukkelijk naar de regels op het gebied van „levensmiddelen en voedselveiligheid”.
36 Uit een gezamenlijke lezing van deze bepalingen blijkt dat de voorwaarden waaronder de lidstaten in voorkomend geval een verplichting kunnen opleggen om de aankomst op de plaats van bestemming van uit een andere lidstaat afkomstige voedingssupplementen te melden, bij verordening 2017/625 volledig zijn geharmoniseerd.
37 Bijgevolg moet een nationale regeling die een dergelijke verplichting oplegt, overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof alleen worden getoetst aan de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder aan artikel 9, lid 7, ervan, en niet aan de artikelen 34 en 36 VWEU (zie naar analogie arrest van 19 januari 2023, CIHEF e.a., C‑147/21, EU:C:2023:31, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens de bewoordingen van artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 de lidstaten van bestemming exploitanten die goederen uit een andere lidstaat ontvangen slechts kunnen verplichten om de aankomst van die goederen te melden voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de organisatie van de officiële controles.
39 Bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling dient niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 19 juni 2025, Lietuvos bankas, C‑671/23, EU:C:2025:457, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Om te beginnen blijkt uit de bewoordingen van artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 dat de verplichting om de aankomst van uit een andere lidstaat afkomstige goederen te melden, die de lidstaten kunnen opleggen, niet alleen tot doel moet hebben om de organisatie van officiële controles te waarborgen, maar daartoe ook strikt noodzakelijk moet zijn.
41 De voorwaarde van „strikte noodzakelijkheid” impliceert op zich dat er voor het waarborgen van de organisatie van officiële controles geen minder ingrijpende maatregelen mogen bestaan dan een dergelijke meldingsplicht.
42 Wat vervolgens de context van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling, door de lidstaten de mogelijkheid te bieden om goederen verschillend te behandelen naargelang van hun oorsprong, voorziet in een afwijking van de algemene regel van artikel 9, lid 6, van deze verordening, volgens welke officiële controles weliswaar aan de specifieke situatie moeten worden aangepast, maar op dezelfde wijze moeten worden verricht, ongeacht of de betrokken goederen afkomstig zijn uit de lidstaat waar de officiële controles worden uitgevoerd of uit een andere lidstaat. Bijgevolg moeten de in punt 40 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden voor de uitvoering van artikel 9, lid 7, van die verordening strikt worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 18 januari 2001, Stockholm Lindöpark, C‑150/99, EU:C:2001:34, punt 25).
43 Deze oplossing vindt steun in bepaalde onderdelen van de preambule van verordening 2017/625.
44 Zo blijkt uit overweging 37 van deze verordening dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van exploitanten „uitzonderlijk” kunnen verlangen dat zij de aankomst van dieren en goederen uit een andere lidstaat melden.
45 Voorts volgt uit overweging 38 van die verordening dat officiële controles moeten kunnen worden uitgevoerd in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van dieren en goederen die onder de agro-voedselketenwetgeving van de Unie vallen. Deze overweging vermeldt daarentegen geenszins dat wanneer deze dieren en goederen afkomstig zijn uit een andere lidstaat, de desbetreffende controles systematisch en noodzakelijkerwijs moeten worden verricht vanaf de aankomst van die dieren en goederen op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
46 In dit verband vereist artikel 10, lid 1, van verordening 2017/625 dat de bevoegde autoriteiten, voor zover noodzakelijk, officiële controles van de in deze verordening bedoelde goederen uitvoeren in alle stadia van de productie, de verwerking, de distributie en het gebruik ervan.
47 Wat ten slotte de doelstelling van verordening 2017/625 betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat deze verordening volgens de overwegingen 1 tot en met 3, 15 en 20 ervan, door de totstandbrenging van een geharmoniseerd Uniekader voor de organisatie van officiële controles en andere officiële activiteiten in de hele agro-voedselketen, een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier, van het milieu en van de consumentenbelangen beoogt te verzekeren. Ten tweede is die verordening niet alleen vastgesteld op basis van artikel 168, lid 4, onder b), VWEU, dat met name betrekking heeft op de bescherming van de volksgezondheid, maar ook op grond van artikel 43, lid 2, en artikel 114 VWEU, wat erop wijst dat zij ook tot doel heeft om het vrije verkeer van goederen te waarborgen. Daarnaast wordt in overweging 3 van die verordening opgemerkt dat de correcte toepassing van de agro-voedselketenwetgeving van de Unie bijdraagt tot de goede werking van de interne markt.
48 Gelet op deze tweeledige doelstelling moet artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625, zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, aldus worden opgevat dat het een specifiek evenwicht voorschrijft tussen enerzijds het vrije verkeer van levensmiddelen en anderzijds de bescherming van de gezondheid van mens en dier alsmede van het milieu en de belangen van de consument.
49 Uit een en ander volgt dat artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat om de melding van de aankomst van dieren of goederen uit een andere lidstaat verplicht te stellen, maar alleen in uitzonderlijke omstandigheden waarin een dergelijke verplichting strikt noodzakelijk is, bij gebreke van minder belastende maatregelen, om de doeltreffendheid van officiële controles te waarborgen met het oog op de bescherming van met name de menselijke gezondheid en de consument.
50 Het staat aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde meldingsplicht in overeenstemming is met artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing de nationale rechter richtsnoeren voor zijn beslissing kan verstrekken (arrest van 12 maart 2026, Winderwill, C‑516/24, EU:C:2026:185, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de Tsjechische regering in essentie heeft aangevoerd, met een dergelijke meldingsplicht de doelstelling kan worden nagestreefd om te zorgen voor een doeltreffende organisatie van de officiële controles van levensmiddelen, namelijk door de bevoegde autoriteiten in staat te stellen om, aan de hand van de informatie uit de ontvangen meldingen, een volledige analyse te verrichten van de risico’s voor de menselijke gezondheid en de consument, zodat kan worden vastgesteld welke levensmiddelen reeds in het eerste stadium van de agro-voedselketen in Tsjechië of vóór de distributie ervan aan eindverbruikers aan dergelijke controles moeten worden onderworpen.
52 Een dergelijke doelstelling komt overeen met die welke in punt 49 van het onderhavige arrest is vermeld, ter verwezenlijking waarvan krachtens artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 aan de betrokken exploitanten een verplichting kan worden opgelegd om de aankomst van goederen uit een andere lidstaat te melden, mits deze verplichting strikt noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken.
53 Niettemin moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verplichting betrekking heeft op de aankomst van alle voedingssupplementen uit andere lidstaten op het Tsjechische grondgebied en dus geldt voor alle exploitanten die dergelijke voedingssupplementen ontvangen.
54 In dit verband moet worden opgemerkt dat de officiële controles krachtens artikel 9, lid 1, van verordening 2017/625 zodanig moeten worden georganiseerd dat alle exploitanten regelmatig en met passende frequentie risicogebaseerde controles moeten ondergaan.
55 Gelet op de mechanismen voor de bescherming, uitwisseling en verzameling van informatie waarin verordening 2017/625, en met name artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 1, en artikel 111, lid 1, daarvan, voorziet, lijkt de melding van de aankomst van alle voedingssupplementen uit een andere lidstaat door alle exploitanten die dergelijke supplementen ontvangen echter niet noodzakelijk voor de organisatie van officiële controles die voldoen aan de vereisten van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 1, van die verordening.
56 Ten eerste beschikken de lidstaten immers krachtens artikel 11, lid 1, van verordening 2017/625 in beginsel over informatie over met name het soort en het aantal officiële controles en de uitkomst ervan, alsook over het soort en het aantal van de in de loop van een jaar in de andere lidstaten vastgestelde en gesanctioneerde gevallen van niet-naleving en, krachtens artikel 111, lid 1, van die verordening, over de MNCP’s van de andere lidstaten. Bovendien blijkt uit artikel 9, lid 2, van die verordening dat de lidstaten ook beschikken over informatie over mogelijke opzettelijke schendingen van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde regels, die wordt gedeeld via de mechanismen voor administratieve bijstand waarin is voorzien in de artikelen 102 tot en met 108 van deze verordening.
57 Deze informatie stelt de betrokken lidstaat in staat om, op basis van de risico’s die uit die informatie of uit het ontbreken daarvan blijken, de verplichting op te leggen tot melding van de aankomst van voedingssupplementen uit een andere lidstaat, met als doel om de officiële controles van deze goederen te organiseren.
58 Ten tweede bepaalt artikel 10, lid 2, van verordening 2017/625 dat de bevoegde autoriteiten een lijst opstellen en actualiseren van „exploitanten” in de zin van artikel 3, punt 29, van deze verordening, met inbegrip van exploitanten die op het grondgebied van een lidstaat voedingssupplementen uit andere lidstaten ontvangen.
59 Aan de hand van deze lijst kunnen ook voedingssupplementen waarvoor bij aankomst uit andere lidstaten geen meldingsplicht geldt die is vastgesteld op basis van de risico’s die blijken uit de in punt 56 van het onderhavige arrest genoemde informatie of het ontbreken daarvan, vanaf het eerste stadium van de agro-voedselketen in de lidstaat van aankomst worden onderworpen aan officiële controles die gericht zijn op de exploitanten die deze supplementen ontvangen, mits die controles overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening 2017/625 met een passende frequentie en op basis van het risico worden georganiseerd.
60 Teneinde de lidstaten in staat te stellen om door middel van een efficiënt toezicht de specifieke risico’s te voorkomen die het in de handel brengen van een voedingssupplement met zich mee kan brengen, biedt artikel 10 van richtlijn 2002/46 bovendien de mogelijkheid om te eisen dat de fabrikant of degene die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van een dergelijk supplement op hun grondgebied, de bevoegde instantie van deze commercialisering in kennis stelt door deze een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken.
61 In dit verband stelt de Tsjechische regering niettemin dat een zo algemene regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, strikt noodzakelijk is voor de organisatie van de officiële controles van voedingssupplementen, aangezien, ten eerste, herhaaldelijk is vastgesteld dat voedingssupplementen anabole middelen, farmaceutische producten, hormonen en andere verboden stoffen bevatten, ten tweede, de vermeldingen op de verpakking vaak niet overeenstemmen met de inhoud van de supplementen, bijvoorbeeld wat het vitaminegehalte betreft, en, ten derde, in die supplementen vaak niet-toegestane vormen van gevaarlijke mineralen of verontreinigende stoffen, zoals zware metalen en aromatische koolwaterstoffen, voorkomen.
62 Gelet op de in de punten 55 tot en met 60 van het onderhavige arrest vermelde aspecten tonen dergelijke overwegingen echter niet aan dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waarin de verplichting om systematisch de aankomst van voedingssupplementen uit een andere lidstaat te melden, moet worden geacht strikt noodzakelijk te zijn om de doeltreffendheid van officiële controles te verzekeren.
63 In het bijzonder volgt uit deze overwegingen niet dat de aankomst op Tsjechisch grondgebied van voedingssupplementen uit een andere lidstaat, voordat deze voedingssupplementen de eindverbruiker bereiken, daadwerkelijke risico’s voor de bescherming van de menselijke gezondheid of consumenten met zich mee zou brengen die niet doeltreffend kunnen worden voorkomen door middel van minder belastende maatregelen, zoals een geïndividualiseerde meldingsplicht bij aankomst of officiële controles die in verschillende stadia van de agro-voedselketen worden uitgevoerd op basis van de in de punten 55 tot en met 60 van het onderhavige arrest bedoelde mechanismen.
64 Dit geldt temeer daar, zoals de Europese Commissie terecht heeft opgemerkt, het enkele feit dat een product uit een andere lidstaat komt, op zich niet betekent dat dit product automatisch een zeker risico inhoudt, aangezien producten uit andere lidstaten in die lidstaten zijn onderworpen aan de toepassing van geharmoniseerde regels van de Unie waarmee wordt beoogd de voedselveiligheid te waarborgen.
65 Gelet op het voorgaande moet artikel 9, lid 7, van verordening 2017/625 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die elke exploitant die uit een andere lidstaat afkomstige voedingssupplementen ontvangt, verplicht om de aankomst van deze supplementen op de plaats van bestemming vooraf te melden en de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor een analyse van de risico’s die zij kunnen inhouden en voor de planning van officiële controles.
Kosten
66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9, lid 7, van verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles)
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling die elke exploitant die uit een andere lidstaat afkomstige voedingssupplementen ontvangt, verplicht om de aankomst van deze supplementen op de plaats van bestemming vooraf te melden en de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor een analyse van de risico’s die zij kunnen inhouden en voor de planning van officiële controles.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.