HvJ EU 21 mei 2026, C-717/24, ECLI:EU:C:2026:411
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
21 mei 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Ouderdomspensioenen – Artikel 51, lid 1 – Tijdvakken van verzekering die zijn vervuld in specifieke al dan niet in loondienst of in een beroep verrichte werkzaamheden waarvoor een bijzonder stelsel geldt – Begrip ,bijzonder stelsel’ – Regels voor de samentelling van tijdvakken van verzekering – Nationale regelgeving die voorziet in een gunstigere behandeling van werknemers die tot bepaalde beroepscategorieën behoren – Artikelen 45 en 48 VWEU – Vrij verkeer van werknemers”
In zaak C‑717/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Najvyšší správny súd Slovenskej republiky (hoogste bestuursrechter van de Slowaakse Republiek) bij beslissing van 15 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 21 oktober 2024, in de procedure
BD
tegen
Sociálna poisťovňa, ústredie,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni (rapporteur) en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door P. Garofoli, avvocato dello Stato,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en A. Tokár als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 51, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 883/2004”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BD en de Sociálna poisťovňa, ústredie (socialeverzekeringskas, centrale administratie, Slowakije) betreffende de afwijzing van BD’s verzoek om toekenning van een ouderdomspensioen vanaf de leeftijd van 55 jaar uit hoofde van de werkzaamheden die hij als mijnwerker in ondergrondse mijnen heeft verricht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1408/71
3 Artikel 45, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), bepaalde: „Indien de wetgeving van een lidstaat de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering uitsluitend in een aan een bijzonder stelsel voor werknemers onderworpen beroep of eventueel met het verrichten van bepaalde werkzaamheden zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wetgevingen van andere lidstaten zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstig stelsel of, bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep of eventueel met het verrichten van dezelfde werkzaamheden zijn vervuld. Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het recht opgenoemde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens het algemene stelsel, of, bij gebreke daarvan, volgens het stelsel van toepassing op arbeiders, respectievelijk bedienden, mits de betrokkene bij één van deze stelsels aangesloten is geweest.”
Verordening nr. 883/2004
4 De overwegingen 1, 4 en 13 van verordening nr. 883/2004 luiden als volgt: „(1) De voorschriften ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels behoren tot de regelingen betreffende het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen aan de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden. […] (4) Het is noodzakelijk dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode wordt uitgewerkt. […] (13) De coördinatievoorschriften moeten garanderen dat personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, alsmede hun rechthebbenden en nabestaanden de verworven en in wording zijnde rechten en voordelen behouden.”
5 Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Gelijkstelling van prestaties, inkomsten, feiten en gebeurtenissen”, bepaalt: „Tenzij in deze verordening anders is bepaald en rekening houdend met de bijzondere uitvoeringsbepalingen, geldt het volgende: a) indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat bepaalde rechtsgevolgen toekent aan socialezekerheidsprestaties of andere inkomsten, zijn de betreffende bepalingen van die wetgeving ook van toepassing op gelijkgestelde prestaties die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat toegekend zijn alsmede op de inkomsten die in een andere lidstaat verworven zijn; b) indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, houdt die lidstaat rekening met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan.”
6 Artikel 6 van deze verordening, met als opschrift „Samentelling van tijdvakken”, luidt als volgt: „Tenzij in deze verordening anders is bepaald, houdt het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving: – het verkrijgen, het behoud, de duur of het herstel van het recht op prestaties, […] afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.”
7 Artikel 51 van deze verordening heeft als opschrift „Bijzondere bepalingen inzake samentelling van tijdvakken van verzekering of van wonen met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering” en bepaalt in lid 1 het volgende: „Indien de wetgeving van een lidstaat de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering uitsluitend zijn vervuld in specifieke al dan niet in loondienst of in een beroep verrichte werkzaamheden waarvoor een bijzonder stelsel geldt dat op personen wordt toegepast die al dan niet in loondienst die specifieke werkzaamheden verrichten, houdt het bevoegde orgaan van die lidstaat alleen rekening met de tijdvakken welke vervuld zijn onder de wetgeving van een andere lidstaat in het kader van een overeenkomstig stelsel of bij gebreke daarvan, in hetzelfde beroep of, in voorkomend geval, van dezelfde al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden. Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voorwaarden om de betrokken uitkeringen te ontvangen krachtens een bijzonder stelsel, worden deze in aanmerking genomen bij de toekenning van de uitkeringen volgens het algemene stelsel of, bij gebreke daarvan, het stelsel dat, naar gelang van het geval, van toepassing is op arbeiders, respectievelijk bedienden, op voorwaarde dat de betrokkene aan een van die stelsels onderworpen is geweest.”
8 Artikel 87 van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Overgangsbepalingen”, bepaalt in lid 2: „Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, dat krachtens de wetgeving van de betrokken lidstaat de datum van haar toepassing in deze lidstaat is vervuld.”
Tsjechoslowaaks recht
9 § 1 van zákon č. 100/1988 Zb. o sociálnom zabezpečení (wet nr. 100/1988 inzake sociale zekerheid) van 16 juni 1988, met als opschrift „Grondbeginselen”, in de versie die van toepassing was tussen 1 oktober 1988 en 31 mei 1992, bepaalde het volgende: „[…] (2) Krachtens de onderhavige wet heeft elke burger recht op de sociale zekerheid. Uitkeringen en diensten op het gebied van de sociale zekerheid worden verzorgd door de staat. […] (4) De hoogte van het ouderdomspensioen hangt voornamelijk af van […] de duur van deze werkzaamheden […] en de categorie werkzaamheden.”
10 § 14 van wet nr. 100/1988, in de versie die van toepassing was tussen 1 oktober 1988 en 31 mei 1992, bepaalde: „(1) Ten behoeve van de pensioenverzekering worden werkzaamheden in loondienst naar de aard van het verrichte werk ingedeeld in drie categorieën. (2) Tot categorie I behoren de werkzaamheden in loondienst waarin ononderbroken en gedurende een kalendermaand overwegend gevaarlijke werkzaamheden worden verricht waarbij de gezondheid van de werknemers veelvuldig en permanent verslechtert ten gevolge van blootstelling aan schadelijke fysische en chemische agentia, daaronder begrepen: a) de werkzaamheden in loondienst in de mijnbouwsector met een permanente ondergrondse werkplek in diepe mijnen, b) andere werkzaamheden in de mijnbouwsector die ondergronds in diepe mijnen worden verricht, […] (4) De werkzaamheden in loondienst die niet zijn ingedeeld in categorie I of II, behoren tot categorie III.”
11 § 21 van wet nr. 100/1988, in de versie die van toepassing was tussen 1 oktober 1988 en 31 mei 1992, met als opschrift „Voorwaarden voor de verwerving van het recht op ouderdomspensioen”, bepaalde in lid 1: „Een burger heeft recht op een ouderdomspensioen indien hij ten minste 25 jaar in loondienst is geweest en een leeftijd heeft bereikt van ten minste a) 55 jaar, indien hij ten minste 15 jaar werkzaamheden in loondienst heeft verricht als bedoeld in § 14, lid 2, onder a) […], c) 55 jaar, indien hij ten minste 20 jaar werkzaamheden in loondienst heeft verricht als bedoeld in § 14, lid 2, onder b) tot en met h), d) 58 jaar, indien hij ten minste 20 jaar werkzaamheden in loondienst heeft verricht als bedoeld in § 14, lid 2, onder i) tot en met l), of e) 60 jaar.”
12 Wet nr. 100/1988 is gewijzigd bij zákon č. 235/1992 Zb. o zrušení pracovných kategórií (wet nr. 235/1992 tot afschaffing van de beroepscategorieën) van 28 april 1992, die op 1 juni 1992 in werking is getreden.
13 § 14, lid 1, van wet nr. 100/1988, zoals gewijzigd bij wet nr. 235/1992, bepaalde het volgende: „Ten behoeve van de pensioenverzekering wordt arbeid, tot en met 31 december 1992, naar de aard van de werkzaamheden ingedeeld in drie categorieën. Arbeid van de categorieën I en II is opgenomen in de vóór 1 juni 1992 gepubliceerde sectorale lijsten van arbeid van de categorieën I en II; categorie III omvat de arbeid die niet is ingedeeld in categorie I of II.”
14 § 15 van wet nr. 100/1988, zoals gewijzigd bij wet nr. 235/1992, bepaalde het volgende: „Na 31 december 1992 verrichte arbeid wordt ten behoeve van de pensioenverzekering gekwalificeerd als arbeid uit categorie III.”
15 § 175 van wet nr. 100/1988, zoals gewijzigd bij wet nr. 235/1992, luidde: „Rechten die voortvloeien uit de indeling van arbeid in de categorieën I en II of uit de indeling van een dienst in de categorieën I en II worden toegekend tot en met 31 december 2016.”
Slowaaks recht
16 Wet nr. 100/1988 is ingetrokken bij zákon č. 461/2003 Z. z. o sociálnom poistení (wet nr. 461/2003 inzake de sociale verzekering) van 30 oktober 2003, die in de op het hoofgeding toepasselijke versie (hierna: „wet nr. 461/2003”) in artikel 1, met als opschrift „Onderwerp en werkingssfeer van de wet”, het volgende bepaalt: „(1) De onderhavige wet stelt de sociale verzekering vast [en] beheerst de werkingssfeer ervan […]. […] (3) De onderhavige wet is niet van toepassing op leden van het politiekorps, de Slowaakse inlichtingendienst, de nationale veiligheidsdienst, het korps van gevangenisbewakers en politiebeveiliging bij rechtbanken, het brandweer- en reddingsdienstenkorps, de bergreddingsdienst, gewapende leden van de financiële administratie […], beroepsmilitairen van de strijdkrachten, militairen in buitengewone dienst […] wier sociale zekerheid bij afzonderlijke wetgeving wordt geregeld […].”
17 Artikel 65 van wet nr. 461/2003, met als opschrift „Voorwaarden voor het ouderdomspensioen”; luidt als volgt: „(1) Een verzekerde verwerft het recht op een ouderdomspensioen indien hij ten minste 15 jaar pensioenpremie heeft betaald en de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. (2) Tenzij uit § 274 van de onderhavige wet anders voortvloeit […], wordt de pensioengerechtigde leeftijd van een verzekerde overeenkomstig bijlage 3a vastgesteld.”
18 § 112 van wet nr. 461/2003, met als opschrift „Wijzigingen in het recht op een uitkering, wijzigingen in het recht op uitbetaling van een uitkering en wijzigingen in de hoogte van een uitkering”, luidt: „(1) Een uitkering wordt toegekend […] vanaf de datum waarop de uitkering […] verschuldigd is, […] tot maximaal 3 jaar teruggerekend vanaf de aanvraagdatum […] indien achteraf wordt vastgesteld dat de uitkering […]: […] d) is toegekend vanaf een latere datum dan de datum vanaf welke de uitkering is verschuldigd.”
19 § 274 van deze wet bepaalt: „(1) Rechten die voortvloeien uit de indeling van arbeid in de categorieën I en II zijn verworven. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20 Verzoeker in het hoofdgeding heeft van 1 juli 1976 tot 31 augustus 1995 gewerkt als mijnwerker in een ondergrondse mijn in Karviná, op het grondgebied van de huidige Tsjechische Republiek. Vervolgens heeft hij andere arbeid verricht in de Tsjechische Republiek en daarna in de Slowaakse Republiek.
21 Volgens de wetgeving van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek werd arbeid afhankelijk van de risico- en zwaartegraad ervan ingedeeld in drie categorieën. In dat stelsel viel het beroep van mijnwerker onder categorie I, die vanaf de leeftijd van 55 jaar recht gaf op een ouderdomspensioen, voor zover de betrokkene 25 jaar had gewerkt, waarvan 15 jaar ondergronds in een diepe mijn.
22 In de loop van 1992 heeft de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek nieuwe wetgeving vastgesteld die voorzag in de afschaffing van de verschillende categorieën arbeid met ingang van 31 december 1992, aangezien alle arbeid vanaf die datum onder de voor categorie III geldende regels zou vallen. De rechten die voortvloeiden uit de verrichting van arbeid uit categorie I of II tot en met 31 december 1992 bleven behouden tot en met 31 december 2016.
23 Op 31 december 1992 heeft de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek opgehouden te bestaan en is zij opgevolgd door twee onafhankelijke staten. In de Tsjechische Republiek zijn de verschillende categorieën arbeid op die datum afgeschaft. In de Slowaakse Republiek is deze afschaffing daarentegen uitgesteld tot en met 31 december 1999.
24 In 2013 heeft de toen 55 jaar oude verzoeker in het hoofgeding, nadat de sociale zekerheidsinstanties in de Tsjechische Republiek hem van een ouderdomspensioen hadden toegekend op grond van de wetgeving van die lidstaat, in de Slowaakse Republiek een aanvraag ingediend tot vaststelling van zijn ouderdomspensioen. Deze aanvraag werd echter door verweerster in het hoofdgeding afgewezen omdat verzoeker de voor het verkrijgen van een dergelijk pensioen vereiste leeftijd nog niet had bereikt.
25 Uiteindelijk werd hem vanaf 2 oktober 2020, toen hij 62 jaar en 8 maanden oud was, een ouderdomspensioen toegekend. Verweerster in het hoofgeding bleef echter bij haar standpunt dat hij geen recht had op het ouderdomspensioen dat onder gunstigere voorwaarden geldt voor personen die gedurende 15 jaar als mijnwerker in ondergrondse mijnen hebben gewerkt. In dit verband meende verweerster dat, aangezien verzoeker in het hoofgeding dergelijke werkzaamheden had verricht op het grondgebied van de huidige Tsjechische Republiek, hij pas vanaf de leeftijd van 55 jaar aanspraak kon maken op een ouderdomspensioen, mits hij kon aantonen dat hij gedurende 15 jaar arbeid had verricht die krachtens de wetgeving van die lidstaat was ingedeeld in categorie I. Volgens verweerster in het hoofgeding had verzoeker in het hoofgeding op 31 december 1992, de datum waarop de categorieën arbeid in de Tsjechische Republiek zijn afgeschaft, slechts iets meer dan 14 jaar als mijnwerker in ondergrondse mijnen gewerkt.
26 Dit heeft geleid tot een geschil, waarin verzoeker in het hoofgeding heeft aangevoerd dat verweerster in het hoofgeding, om te bepalen of was voldaan aan de voorwaarde dat ten minste 15 jaar werkzaamheden waren verricht, het tijdvak van 1 januari 1993 tot en met 31 augustus 1995 – waarin hij in de Tsjechische Republiek als mijnwerker in ondergrondse mijnen was blijven werken – in aanmerking moest nemen als tijdvak van arbeid van categorie I, ondanks dat de beroepscategorieën in die lidstaat met ingang van 31 december 1992 waren afgeschaft.
27 De Najvyšší správny súd Slovenskej republiky (hoogste bestuursrechter van de Slowaakse Republiek), de verwijzende rechter, bij wie verzoeker in het hoofgeding een hogere voorziening heeft ingesteld, vraagt zich af hoe artikel 51, lid 1, van verordening nr. 883/2004, betreffende de samentelling van tijdvakken voor de berekening van het ouderdomspensioen, moet worden uitgelegd ingeval de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel heeft ingevoerd of wanneer deze lidstaat, zonder een dergelijk bijzonder stelsel te hebben ingevoerd, regels toepast die specifiek zijn voor bepaalde werkzaamheden.
28 Deze rechter heeft twijfels, met name vanwege de uiteenlopende formuleringen in de verschillende taalversies van deze bepaling. Deze bepaling kan op twee manieren letterlijk worden uitgelegd. Volgens een eerste uitlegging, die met name voortvloeit uit de Slowaakse, de Engelse, de Franse en de Poolse taalversie, is deze bepaling niet alleen van toepassing in het geval waarin de wetgeving van de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel invoert, maar ook, meer in het algemeen, in het met de staat van het recht in Slowakije overeenkomende geval waarin deze wetgeving bepaalde voordelen verbindt aan de verrichting van specifieke werkzaamheden. Volgens een tweede uitlegging, die overeenstemt met de Tsjechische en de Duitse taalversie van deze bepaling, wordt deze bepaling daarentegen alleen geacht van toepassing te zijn wanneer in de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder stelsel bestaat dat verschilt van het algemene stelsel.
29 De verwijzende rechter benadrukt onder verwijzing naar de overwegingen 1 en 13 van verordening nr. 883/2004 dat, indien deze tweede uitlegging werd aanvaard, dit zou kunnen leiden tot een belemmering van het vrije verkeer van werknemers, aangezien de rechten en voordelen die door hen worden dan wel reeds zijn verworven niet zouden worden gewaarborgd. Een werknemer die specifieke werkzaamheden verricht in een lidstaat en die krachtens de wetgeving van die staat bijzondere voordelen geniet die in het algemene stelsel aan die werkzaamheden zijn verbonden, zonder dat hij evenwel onder een bijzonder stelsel valt, zou namelijk kunnen worden ontmoedigd om die werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten wanneer de in het kader van de verrichting van die werkzaamheden vervulde tijdvakken van verzekering in die andere lidstaat niet op een even gunstige manier in aanmerking zouden worden genomen.
30 Zelfs indien artikel 51, lid 1, van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het slechts van toepassing is wanneer er sprake is van een bijzonder socialezekerheidsstelsel, kan op basis van deze verordening niet duidelijk worden vastgesteld aan de hand van welke kenmerken een dergelijk stelsel kan worden geïdentificeerd. Dit leidt tot onzekerheid over de vraag of de regels op het gebied van pensioenuitkeringen die alleen van toepassing zijn op bepaalde specifieke werkzaamheden, zoals die waarin de Slowaakse wetgeving voorziet, als een „bijzonder stelsel” in de zin van die bepaling kunnen worden aangemerkt.
31 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat met de betrokken nationale wetgeving in casu geen afzonderlijk stelsel is ingevoerd dat alleen van toepassing is op mijnwerkers in ondergrondse mijnen, maar dat daarentegen een socialezekerheidsstelsel is ingevoerd dat op alle werknemers van toepassing is. Deze rechter verduidelijkt echter dat, ongeacht deze enige regeling, de pensioenleeftijd is verlaagd voor het beroep van mijnwerker in ondergrondse mijnen en beroepen van categorie I.
32 Tegen die achtergrond heeft de Najvyšší súd Slovenskej republiky de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd: „1) Moet artikel 51, lid 1, van verordening [nr. 883/2004] aldus worden uitgelegd dat het enkel van toepassing is op een ouderdomspensioen waarover een bevoegd orgaan van een lidstaat beslist indien de wetgeving van deze lidstaat voorziet in een ‚bijzonder stelsel dat wordt toegepast op personen die al dan niet in loondienst werkzaamheden verrichten’? Zo ja, wat kenmerkt een dergelijk ‚bijzonder stelsel’ (bijvoorbeeld dat het door een afzonderlijk orgaan wordt beheerd, dat het autonoom wordt gefinancierd, dat het enkel bestemd is voor een bepaalde categorie personen die al dan niet in loondienst werkzaamheden verrichten)? 2) Of moet artikel 51, lid 1, van deze verordening aldus worden uitgelegd dat een dergelijk pensioen onder de toepassing ervan valt, zelfs wanneer de wetgeving van deze lidstaat niet in een dergelijk ‚bijzonder stelsel’ voorziet, maar enkel bepaalt dat een specifieke categorie personen die de verzekeringstijdvakken hebben vervuld door uitsluitend het verrichten van specifieke werkzaamheden (bijvoorbeeld mijnwerkers in ondergrondse mijnen), op basis van dergelijke tijdvakken in aanmerking kan komen voor een ouderdomspensioen onder gunstigere voorwaarden dan andere personen die al dan niet in loondienst andere werkzaamheden hebben verricht?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
33 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 51, lid 1, van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin neergelegde specifieke mechanisme voor de samentelling van tijdvakken zowel van toepassing is wanneer de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel heeft ingevoerd dat formeel losstaat van het algemene stelsel en specifiek geldt voor bepaalde beroepen of werkzaamheden, als wanneer deze lidstaat, zonder een dergelijk bijzonder stelsel te hebben ingevoerd, bij de toekenning van een dergelijke uitkering bepaalde voordelen voorbehoudt aan een specifieke categorie van personen die tijdvakken van verzekering hebben vervuld in het kader van de verrichting van een specifiek beroep of specifieke werkzaamheden. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter te vernemen aan de hand van welke elementen kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijk bijzonder stelsel in de zin van deze bepaling.
34 Om te beginnen zij er wat de toepasselijkheid van verordening nr. 883/2004 op het hoofgeding betreft aan herinnerd dat artikel 87, lid 2, van deze verordening bepaalt dat voor de vaststelling van het recht op uitkering rekening moet worden gehouden met elk tijdvak van verzekering, elk tijdvak van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen dat vóór de datum van de toepassing van deze verordening op het grondgebied van deze lidstaat is vervuld. Bijgevolg verhindert de omstandigheid dat de in het hoofgeding aan de orde zijnde tijdvakken van bijdragebetaling dateren van vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 883/2004 en de toetreding van de betrokken lidstaten – in casu de Slowaakse Republiek en de Tsjechische Republiek – tot de Europese Unie niet dat deze verordening in een situatie als in het hoofgeding wordt toegepast (zie in die zin en naar analogie arresten van 18 april 2002, Duchon, C‑290/00, EU:C:2002:234, punten 32‑34, en 22 januari 2015, Balazs, C‑401/13, EU:C:2015:26, punten 31 en 32).
35 Met betrekking tot de beantwoording van de gestelde vragen moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 883/2004 in de Franse taalversie, die verwijzen naar „la condition que les périodes d’assurance aient été accomplies uniquement dans une activité salariée ou non salariée spécifique ou dans une occupation soumise à un régime spécial”, door het gebruik van het enkelvoud in de uitdrukking „soumise à une régime spécial”, de indruk wekken dat de daarin neergelegde samentellingsregel van toepassing is wanneer het gaat om een beroep dat in de bevoegde lidstaat onder een bijzonder socialezekerheidsstelsel valt, of wanneer de wetgeving van die lidstaat het recht op bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering in specifieke al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden, zonder dat deze werkzaamheden noodzakelijkerwijs onder een bijzonder stelsel vallen. Deze bewoordingen stemmen met name overeen met de Slowaakse, de Engelse, de Italiaanse, de Letse, de Poolse en de Sloveense versie van deze bepaling.
36 Daarentegen lijken de bewoordingen van andere taalversies van deze bepaling, met name de Spaanse („sujetas a un régimen especial”), de Duitse („für die ein Sondersystem […] gilt”) en de Griekse („για τα οποία ισχύει ειδικό σύστημα που εφαρμόζεται”), gelet op het gebruik van het meervoud, erop te duiden dat de toepassing van deze bepaling in alle gevallen veronderstelt dat de betrokken werkzaamheden en beroepen in de bevoegde lidstaat onder een bijzonder stelsel vallen.
37 Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen, noch voorrang krijgen boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht. Ingeval de taalversies uiteenlopen, moet de desbetreffende bepaling worden uitgelegd aan de hand van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie in die zin arresten van 27 maart 1990, Cricket St Thomas, C‑372/88, EU:C:1990:140, punten 18 en 19, en 20 november 2025, Lolach, C‑327/24, EU:C:2025:901, punt 29).
38 Gelet op de verschillen tussen de taalversies van artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 883/2004, zoals vermeld in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest, moeten bij de uitlegging van deze bepaling, in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof, de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt worden onderzocht (zie in die zin arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C‑339/22, EU:C:2025:108, punt 27).
39 Met betrekking tot de algemene opzet van de regeling waarbinnen deze bepaling is opgenomen, zij opgemerkt dat artikel 6 van deze verordening, dat deel uitmaakt van titel I ervan („Algemene bepalingen”), een algemene regel bevat voor de samentelling van tijdvakken. Krachtens deze regel en tenzij anders is bepaald, moet het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving het verkrijgen van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, rekening houden met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde gelijkwaardige tijdvakken, alsof die overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.
40 Deze algemene regel voor de samentelling van tijdvakken wordt op het gebied van pensioenuitkeringen geconcretiseerd en aangevuld in artikel 51 van verordening nr. 883/2004, waarvan lid 1 meer in het bijzonder waarborgt dat personen die werkzaamheden hebben verricht die recht geven op specifieke voordelen op het gebied van pensioenuitkeringen, deze voordelen niet verliezen op de enkele grond dat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer door deze werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten.
41 Deze bepaling komt overeen met artikel 45, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat bij verordening nr. 883/2004 is ingetrokken en vervangen om het te moderniseren en te vereenvoudigen, zonder de doelstelling ervan te wijzigen (zie in die zin arrest van 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C‑551/16, EU:C:2018:200, punt 31).
42 Artikel 45, lid 2, van verordening nr. 1408/71 stelde het daarin voorziene mechanisme voor de samentelling van tijdvakken niet afhankelijk van de voorwaarde dat in de bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel bestond dat formeel losstond van het algemene stelsel. Dit artikel bepaalde namelijk dat wanneer de toekenning van bepaalde uitkeringen door de wetgeving van deze lidstaat afhankelijk was van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering waren vervuld in een aan een bijzonder stelsel onderworpen beroep of eventueel met het verrichten van bepaalde werkzaamheden, voor de toekenning van deze uitkeringen rekening werd gehouden met de tijdvakken die krachtens de wetgeving van andere lidstaten waren vervuld, indien zij waren vervuld krachtens een overeenkomstig stelsel of, bij afwezigheid ervan, in hetzelfde beroep of eventueel met het verrichten van dezelfde werkzaamheden.
43 Aangezien de Uniewetgever, zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bij de vaststelling van artikel 51, lid 1, van verordening nr. 883/2004 niet heeft willen kiezen voor een restrictievere samentellingsmethode, moet worden geoordeeld dat deze bepaling van toepassing is telkens wanneer er specifieke regels voor de vaststelling van het ouderdomspensioen zijn bepaald voor sommige beroepen of werkzaamheden in de voor de toekenning van die uitkering bevoegde lidstaat, ook wanneer er geen bijzonder socialezekerheidsstelsel bestaat dat formeel losstaat van het algemene stelsel.
44 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 51, lid 1, tweede alinea, van deze verordening verwijst naar het geval dat de betrokkene, met inachtneming van de aldus in een andere lidstaat vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voorwaarden om deze uitkering „krachtens een bijzonder stelsel” te ontvangen, aangezien deze bepaling eveneens bepaalt dat deze tijdvakken bij gebreke daarvan in aanmerking kunnen worden genomen voor de toekenning van uitkeringen op grond van andere stelsels.
45 Wat bovendien de doelstelling van deze verordening betreft, zij eraan herinnerd dat deze, zoals blijkt uit overweging 4 ervan, niet beoogt om een gemeenschappelijk socialezekerheidsstelsel in te voeren, maar enkel om de coördinatie van de socialezekerheidsstelsel van de lidstaten te verzekeren, waarbij de lidstaten de bevoegdheid wordt gelaten om hun stelsels in te richten, mits zij die bevoegdheid uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en met name van de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie in die zin en naar analogie arresten van 21 februari 2013, Salgado Gonzalez, C‑282/11, EU:C:2013:86, punten 35‑37, en 7 december 2017, Zaniewicz-Dybeck, C‑189/16, EU:C:2017:946, punten 38‑40).
46 In dit verband komt uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat het Unierecht weliswaar niet vereist dat de uitoefening door een werknemer van zijn recht op vrij verkeer neutraal is op het gebied van de sociale zekerheid, maar dat de naleving van de artikelen 45 en 48 VWEU niettemin impliceert dat de werknemers van andere lidstaten niet worden benadeeld ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden in de betrokken lidstaat verrichten of hebben verricht (zie in die arrest van 14 maart 2019, Vester, C‑134/18, EU:C:2019:212, punten 32 en 33).
47 Zo gezien is het van weinig belang dat de lidstaat die bevoegd is voor de toekenning van de pensioenuitkering een bijzonder socialezekerheidsstelsel heeft ingevoerd dat formeel verschilt van het algemene stelsel dan wel ervoor heeft gekozen om een geheel van regels vast te stellen die specifiek gelden voor bepaalde werkzaamheden of beroepen binnen het algemene stelsel. Dergelijke verschillen vormen immers enkel de afspiegeling van keuzen in organisatie en financiering van socialezekerheidsstelsels, die per lidstaat aanzienlijk kunnen verschillen.
48 Bovendien zou een uitlegging van artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 883/2004 in die zin dat deze bepaling enkel van toepassing is op beroepen en werkzaamheden die onder een bijzonder socialezekerheidsstelsel vallen dat noodzakelijkerwijs verschilt van het algemene stelsel in de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat, indruisen tegen de doelstelling van het vrije verkeer van werknemers, aangezien deze uitlegging werknemers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend in het kader van de verrichting van een beroep of werkzaamheden die in die lidstaat recht geven op een ouderdomspensioen onder gunstigere voorwaarden dan die welke gelden voor andere werknemers, zou benadelen ten opzichte van hen die dezelfde werkzaamheden uitsluitend in laatstgenoemde lidstaat hebben verricht.
49 Hieruit volgt dat artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is in alle gevallen waarin de wetgeving van de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat voorziet in specifieke regels op het gebied van pensioenuitkeringen voor bepaalde beroepen of werkzaamheden, ook wanneer deze regels geen bijzonder socialezekerheidsstelsel dat formeel verschilt van het algemene stelsel vormen of daarvan deel uitmaken.
50 Ook moet erop worden gewezen dat, anders dan de Commissie stelt, de vervulling van tijdvakken van bijdragebetaling in een andere lidstaat in het kader van de verrichting van een beroep of specifieke werkzaamheden niet in aanmerking kan worden genomen op grond van artikel 5, onder b), van deze verordening, dat bepaalt dat, wanneer de wetgeving van de bevoegde lidstaat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, die lidstaat rekening houdt met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt immers dat zij betrekking heeft op de inaanmerkingneming in de bevoegde lidstaat van specifieke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat hebben voorgedaan, zoals geboorte, overlijden of ongeval, en dat zij niet de samentelling van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van bijdragebetaling regelt.
51 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich afvraagt of, krachtens artikel 51, lid 1, eerste lid, van verordening nr. 883/2004, in de Slowaakse Republiek rekening moet worden gehouden met de tijdvakken die verzoeker in het hoofgeding tussen 1 januari 1993 en 31 augustus 1995 als mijnwerker in ondergrondse mijnen heeft vervuld in de Tsjechische Republiek, om te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde dat gedurende 15 jaar bijdragen zijn betaald als mijnwerker in ondergrondse mijnen, hetgeen recht geeft op bepaalde voordelen op het gebied van pensioenuitkeringen in die lidstaat. In dit verband moet, gelet op de gegevens in de verwijzingsbeslissing, worden opgemerkt dat de Slowaakse wetgeving voor de betrokken periode voorzag in specifieke regels op het gebied van pensioenuitkeringen voor werkzaamheden als mijnwerker in ondergrondse mijnen, en dat de door verzoeker in het hoofgeding in de Tsjechische Republiek vervulde tijdvakken in die activiteit waren vervuld, zodat – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – deze tijdvakken in aanmerking moeten worden genomen.
52 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin neergelegde specifieke mechanisme voor de samentelling van tijdvakken zowel van toepassing is wanneer de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel heeft ingevoerd dat formeel losstaat van het algemene stelsel en specifiek geldt voor bepaalde beroepen of werkzaamheden, als wanneer deze lidstaat, zonder een dergelijk bijzonder stelsel te hebben ingevoerd, bij de toekenning van een dergelijke uitkering bepaalde voordelen voorbehoudt aan een specifieke categorie van personen die de tijdvakken van verzekering hebben vervuld in het kader van de verrichting van een specifiek beroep of specifieke werkzaamheden.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 51, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
moet aldus worden uitgelegd dat
het daarin neergelegde specifieke mechanisme voor de samentelling van tijdvakken zowel van toepassing is wanneer de voor de toekenning van de pensioenuitkering bevoegde lidstaat een bijzonder socialezekerheidsstelsel heeft ingevoerd dat formeel losstaat van het algemene stelsel en specifiek geldt voor bepaalde beroepen of werkzaamheden, als wanneer deze lidstaat, zonder een dergelijk bijzonder stelsel te hebben ingevoerd, bij de toekenning van een dergelijke uitkering bepaalde voordelen voorbehoudt aan een specifieke categorie van personen die de tijdvakken van verzekering hebben vervuld in het kader van de verrichting van een specifiek beroep of specifieke werkzaamheden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Slowaaks.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 november 2025, C-327/24, ECLI:EU:C:2025:901
- HvJ EU 25 februari 2025, C-339/22, ECLI:EU:C:2025:108
- HvJ EU 14 maart 2019, C-134/18, ECLI:EU:C:2019:212
- HvJ EU 21 maart 2018, C-551/16, ECLI:EU:C:2018:200
- HvJ EU 7 december 2017, C-189/16, ECLI:EU:C:2017:946
- HvJ EU 22 januari 2015, C-401/13, ECLI:EU:C:2015:26
- HvJ EU 21 februari 2013, C-282/11, ECLI:EU:C:2013:86
- HvJ EU 18 april 2002, C-290/00, ECLI:EU:C:2002:234
- HvJ EU 27 maart 1990, 372/88, ECLI:EU:C:1990:140