HvJ EU 13 mei 2026, C-488/24, ECLI:EU:C:2026:399
Tekst
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
13 mei 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2011/83/EU – Artikel 5, lid 1, onder a) en c) – Informatieverplichting voor andere dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten – Verplichting voor de handelaar om aan de consument informatie te verstrekken over de voornaamste kenmerken van de dienst – Douanerechten – Verplichting voor de handelaar om aan de consument informatie te verstrekken over de totale prijs van de dienst – Extra kosten – Inhoud van de aan de consument te verstrekken informatie – Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR‑verdrag) – Artikelen 6 en 11 ”
In zaak C‑488/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen) bij beslissing van 11 juli 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
D.V.
tegen
„Kigas” MB,
in tegenwoordigheid van:
Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en S. Grigonis als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Rubene en A. Steiblytė als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 (PB 2019, L 328, blz. 7) (hierna: „richtlijn 2011/83”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen D.V., een consument, en „Kigas” MB, een vervoerbedrijf, over de betaling van een factuur voor een dienst inzake internationaal vervoer van goederen over de weg, waar door Kigas betaalde douanerechten op waren vermeld.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het op 5 juli 1978 te Genève ondertekende protocol (hierna: „CMR‑verdrag”), is onderhandeld in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties. Meer dan 50 staten, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie, zijn tot het CMR‑verdrag toegetreden.
4 Artikel 1 van het CMR‑verdrag bepaalt het volgende:
„1. Dit verdrag is van toepassing op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan tenminste één een bij het verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen.
[...]
4. Dit verdrag is niet van toepassing:
[...]
c) op verhuizingen.
[...]”
5 Artikel 4 van het CMR‑verdrag luidt als volgt:
„De vervoerovereenkomst wordt vastgelegd in een vrachtbrief. De afwezigheid, de onregelmatigheid of het verlies van de vrachtbrief tast noch het bestaan noch de geldigheid aan van de vervoerovereenkomst, die onderworpen blijft aan de bepalingen van dit verdrag.”
6 Artikel 6, lid 1, van het CMR‑verdrag bepaalt het volgende:
„De vrachtbrief moet de volgende aanduidingen bevatten:
[...]
i) de op het vervoer betrekking hebbende kosten (vrachtprijs, bijkomende kosten, douanerechten en andere vanaf de sluiting van de overeenkomst tot aan de aflevering opkomende kosten);
[...]”
7 Artikel 11, leden 1 en 2, van het CMR‑verdrag bepaalt:
„1. Ter voldoening aan douane‑ en andere formaliteiten, welke vóór de aflevering van de goederen moeten worden vervuld, moet de afzender de nodige bescheiden bij de vrachtbrief voegen of ter beschikking van de vervoerder stellen en hem alle gewenste inlichtingen verschaffen.
2. De vervoerder is niet gehouden de nauwkeurigheid en de volledigheid van deze bescheiden en inlichtingen te onderzoeken. De afzender is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle schaden, die kunnen voortspruiten uit de afwezigheid, onvolledigheid of onregelmatigheid van deze bescheiden en inlichtingen, behoudens in geval van schuld van de vervoerder.”
Unierecht
8 De overwegingen 4, 5 en 7 van richtlijn 2011/83 luiden als volgt:
„(4) [...] Harmonisatie van bepaalde aspecten van overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten consumentenovereenkomsten is noodzakelijk voor de bevordering van een echte interne markt voor de consument, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven [...].
(5) [...] De volledige harmonisatie van consumenteninformatie en van het herroepingsrecht voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten zal [...] bijdragen tot een hoog beschermingsniveau voor de consument en een beter functioneren van de b2c‑interne markt.
[...]
(7) Volledige harmonisatie van een aantal centrale regelgevingsaspecten moet de rechtszekerheid voor zowel de consumenten als de handelaren aanzienlijk verbeteren. Zowel de consumenten als de handelaren moeten kunnen vertrouwen op één enkel regelgevend kader, dat op basis van duidelijk omschreven rechtsbegrippen bepaalde aspecten van b2c‑overeenkomsten in de gehele Unie regelt. Het effect van dergelijke harmonisatie zou moeten zijn de barrières op te heffen die het gevolg zijn van de versnippering van de regelgeving en de interne markt op dit terrein te voltooien. Het wegnemen van die barrières is alleen mogelijk door uniforme regels op Unieniveau vast te stellen. Bovendien moeten de consumenten een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming genieten in de gehele Unie.”
9 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn bepaalt:
„Het doel van deze richtlijn is om door de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen consumenten en handelaren gesloten overeenkomsten onderling aan te passen.”
10 Artikel 2 van die richtlijn bevat de volgende definities:
„1. ‚consument’: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen;
2. ‚handelaar’: iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts‑ of beroepsactiviteit;
[...]
6. ‚dienstenovereenkomst’: iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst, met inbegrip van een digitale dienst, levert of zich ertoe verbindt deze te leveren;
[...]
7. ‚overeenkomst op afstand’: iedere overeenkomst die tussen de handelaar en de consument wordt gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van handelaar en consument en waarbij, tot op en met inbegrip van het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand;
[...]”
11 Artikel 3 („Toepassingsgebied”) van die richtlijn bepaalt in lid 1:
„Deze richtlijn is van toepassing, onder de voorwaarden en in die mate als aangegeven in de bepalingen ervan, op alle tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomsten [...].”
12 Artikel 5 („Informatieverplichtingen voor andere dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”) van richtlijn 2011/83 bepaalt in lid 1:
„Voordat de consument door enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, dan wel een daarmee overeenstemmend aanbod is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie, indien die informatie al niet duidelijk is uit de context:
a) de voornaamste kenmerken van de goederen of de diensten, voor zover aangepast is aan de gebruikte drager en de goederen of diensten;
[...]
c) de totale prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings‑ of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn;
[...]”
Litouws recht
13 Artikel 6.2286 van de Lietuvos Respublikos civilinio kodekso patvirtinimo, įsigaliojimo ir įgyvendinimo įstatymas Nr. VIII‑1864 (wet nr. VIII‑1864 betreffende de goedkeuring, inwerkingtreding en tenuitvoerlegging van het burgerlijk wetboek van de Republiek Litouwen) van 18 juli 2000 (Žin., 2000, nr. 74‑2262), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, met als opschrift „Algemene verplichtingen in verband met het recht van de consument op informatie”, bepaalt in lid 1:
„Voorafgaand aan de sluiting van enige andere consumentenovereenkomst dan een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de nodige, juiste, volledige en niet-misleidende informatie. De informatie wordt in de officiële taal aan de consument verstrekt. De handelaar verstrekt de consument, door een markering aan te brengen op de goederen of op een andere wijze, de volgende informatie, tenzij die informatie al duidelijk is uit de context:
1) de voornaamste kenmerken van de goederen of de diensten (rekening houdend met de gebruikte drager en de goederen of diensten);
[...]
3) de totale prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings‑ of portokosten of, indien deze extra kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval de vermelding dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn;
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 D.V., een consument, heeft met Kigas, een vervoerbedrijf, telefonisch een overeenkomst gesloten om goederen die hem toebehoorden, namelijk twee motorfietsen, een vierwieler, twee wasmachines en twee wasdrogers, van Noorwegen naar Litouwen te vervoeren voor de prijs van 450 EUR. Partijen in het hoofdgeding hebben dus geen schriftelijke vervoerovereenkomst ondertekend en ook geen vrachtbrief opgesteld.
15 Op 16 juni 2020 heeft D.V. zijn goederen aan Kigas in Noorwegen overhandigd en in antwoord op een vraag van Kigas daaromtrent aangegeven dat het niet nodig was om voor deze goederen een douaneaangifte in te dienen, aangezien de vervoerde goederen voor privégebruik waren bestemd.
16 Op 17 juni 2020 hebben de Zweedse douaneautoriteiten zich bij een controle aan de grens tussen Noorwegen en Zweden op het standpunt gesteld dat deze goederen bij binnenkomst op het grondgebied van de Unie bij de douane moesten worden aangegeven. Bijgevolg is er een douaneaangifte opgesteld en zijn op de vervoerde goederen douanerechten van 40 899 Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 3 890,59 EUR) geheven, die door Kigas zijn voldaan.
17 Op 18 juni 2020 heeft Kigas aan verzoeker een factuur gestuurd met zowel het bedrag van 450 EUR dat oorspronkelijk was overeengekomen voor het vervoer van de goederen, als het bedrag voor de rechten die door de Zweedse douaneautoriteiten op de goederen waren geheven.
18 Op 20 juni 2020 heeft Kigas alle goederen die haar door D.V. waren toevertrouwd op de overeengekomen plaats in Litouwen afgeleverd, met uitzondering van een motorfiets die zij in afwachting van de betaling van de factuur heeft achtergehouden.
19 D.V. heeft bij de Kauno apylinkės teismas (rechter in eerste aanleg Kaunas, Litouwen) een vordering ingesteld tegen Kigas en die rechter in essentie verzocht te erkennen dat hij het bedrag dat op die factuur was vermeld uit hoofde van de terugbetaling van de douanerechten, niet hoefde te betalen. Daarnaast heeft D.V. die rechter verzocht Kigas te gelasten de achtergehouden motorfiets onverwijld aan hem terug te geven.
20 Kigas heeft een tegenvordering ingesteld waarbij zij die rechter heeft verzocht om D.V. te veroordelen tot betaling aan haar van 450 EUR voor het vervoer van de goederen en 3 876,76 EUR voor kosten.
21 Bij beslissing van 17 mei 2023 heeft de Kauno apylinkės teismas deze tegenvordering toegewezen en Kigas gelast de niet-geleverde motorfiets aan D.V. terug te geven.
22 Bij beschikking van 16 november 2023 heeft de Kauno apygardos teismas (rechter in tweede aanleg Kaunas, Litouwen) die beslissing in hoger beroep bevestigd.
23 Deze twee rechterlijke instanties hebben in essentie ten eerste geoordeeld dat het hoofdgeding niet alleen onder de bepalingen van wet nr. VIII-1864 betreffende de goedkeuring, inwerkingtreding en tenuitvoerlegging van het burgerlijk wetboek van de Republiek Litouwen, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, inzake vervoerovereenkomsten viel, maar ook onder die van het CMR‑verdrag, en dat in geval van strijdigheid de bepalingen van het CMR‑verdrag moesten prevaleren.
24 Ten tweede hebben die rechterlijke instanties geoordeeld dat D.V., als afzender van de goederen, niet had voldaan aan zijn verplichting om de vervoerder de bescheiden en alle inlichtingen te verschaffen die nodig waren om de douaneformaliteiten te vervullen. Daarom was het gerechtvaardigd dat hij werd veroordeeld om de door Kigas betaalde douanerechten terug te betalen. Volgens die rechters konden deze douanerechten niet worden geacht deel uit te maken van de voor deze goederen bepaalde vervoerprijs.
25 In deze context heeft D.V. tegen de beslissing van de Kauno apygardos teismas beroep ingesteld bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen), de verwijzende rechter.
26 D.V. betoogt dat de in artikel 5 van richtlijn 2011/83 neergelegde verplichting van de handelaar om aan de consument informatie te verstrekken, in het kader van de met Kigas gesloten overeenkomst inhoudt dat aan de consument gedetailleerde informatie moet worden verschaft over douanerechten en -tarieven en over de nodige bescheiden voor de douaneprocedures. De in artikel 11 van het CMR‑verdrag neergelegde verplichting voor de afzender om de vervoerder de bescheiden en inlichtingen te verschaffen ter voldoening aan douane‑ en andere formaliteiten, geldt alleen wanneer de consument vooraf de gedetailleerde informatie heeft ontvangen die hem overeenkomstig dat artikel 5 moet worden verstrekt.
27 Kigas betoogt op haar beurt dat een handelaar die voor een consument een vervoerdienst verricht, krachtens artikel 5 van richtlijn 2011/83 niet verplicht is om de consument informatie te verstrekken over douaneprocedures, douanerechten en de documenten die nodig zijn om de douaneformaliteiten te vervullen. Volgens Kigas moet de consument deze informatie overeenkomstig artikel 11 van het CMR‑verdrag in zijn hoedanigheid van afzender aan de handelaar verstrekken.
28 De verwijzende rechter herinnert eraan dat het hoofdgeding betrekking heeft op internationaal vervoer van goederen over de weg die bestemd waren voor privégebruik door de afzender. Bijgevolg hebben de litigieuze contractuele verhoudingen betrekking op een consument en een handelaar en vallen zij onder de werkingssfeer van richtlijn 2011/83.
29 Daarnaast merkt de verwijzende rechter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoerdienst onder het CMR‑verdrag valt, aangezien deze dienst geen verhuizing vormt in de zin van artikel 1, lid 4, van dat verdrag. In dit verband herinnert de verwijzende rechter eraan dat de afzender volgens artikel 11, lid 1, van het CMR‑verdrag, ter voldoening aan douane‑ en andere formaliteiten, die vóór de aflevering van de goederen moeten worden vervuld, de nodige bescheiden bij de vrachtbrief moet voegen of ter beschikking van de vervoerder moet stellen en hem alle gewenste inlichtingen moet verschaffen. Artikel 11, lid 2, van het CMR‑verdrag bepaalt dat de vervoerder niet gehouden is de nauwkeurigheid en de volledigheid van deze bescheiden en inlichtingen te onderzoeken en dat de afzender jegens de vervoerder aansprakelijk is voor alle schaden die kunnen voortspruiten uit de afwezigheid, onvolledigheid of onregelmatigheid van deze bescheiden en inlichtingen, behoudens in geval van schuld van de vervoerder.
30 In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/83, dat de handelaar verplicht om de consument informatie te verstrekken over de voornaamste kenmerken van de diensten, strikt moet worden uitgelegd, in die zin dat het uitsluitend betrekking heeft op informatie over de plaats van aflevering van de goederen, de route en de prijs, dan wel ruim, in die zin dat de handelaar die ten behoeve van een consument een dienst van internationaal goederenvervoer verricht ook gehouden is de consument te informeren over de douaneprocedures die op het vervoer van toepassing zijn. In dit tweede geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of het volstaat dat de handelaar de afzender-consument erop wijst dat hij voor de nodige bescheiden voor de douaneprocedures moet zorgen en de douanerechten moet betalen, dan wel of die handelaar gedetailleerde informatie moet verstrekken over de concrete documenten die aan de douaneautoriteiten moeten worden overgelegd en over de tarieven en bedragen van de douanerechten. Die rechter is geneigd te oordelen dat het opleggen van een dergelijke last aan de handelaar onevenredig zou kunnen zijn.
31 In beginsel is het namelijk de afzender die het meest vertrouwd is met de kenmerken en bijzonderheden van de aan de vervoerder overgedragen goederen en het doel van het vervoer. De verplichting voor de handelaar om aan de consument informatie te verstrekken over de voornaamste kenmerken van de dienst omvat weliswaar informatie over de douaneprocedures die op de te vervoeren goederen kunnen worden toegepast, maar deze informatie is volgens de verwijzende rechter slechts van algemene aard. Van de handelaar kan niet worden verlangd dat hij de consument wijst op de specifieke documenten die aan de douaneautoriteiten moeten worden overgelegd, en evenmin dat hij de specifieke bedragen van de toepasselijke douanerechten berekent en aan de consument meedeelt.
32 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de in artikel 5, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83 neergelegde verplichting voor de handelaar om de consument informatie te verstrekken over de prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings‑ of portokosten of indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke kosten verschuldigd kunnen zijn, voor de handelaar die een internationale vervoerdienst verricht de verplichting met zich meebrengt om de consument in te lichten over de douanerechten en de tarieven en bedragen van de rechten die op dat vervoer van toepassing zijn.
33 Die rechter is eveneens van oordeel dat die bepaling ofwel strikt kan worden uitgelegd – in dat geval is de handelaar dus vrijgesteld van de verplichting om de consument informatie te verstrekken over de tarieven en bedragen van de douanerechten – ofwel ruim kan worden uitgelegd – in dat geval is de handelaar dus wel verplicht om deze informatie te verstrekken.
34 In die omstandigheden heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/83], hetwelk de handelaar verplicht om de consument informatie te verstrekken over de kenmerken van de diensten, aldus worden uitgelegd dat een handelaar die een internationale vervoerdienst aan een consument verleent, gehouden is om deze consument te informeren over de douaneprocedures die van toepassing zijn op het vervoer? Indien artikel 5, lid 1, onder a), van [de richtlijn consumentenrechten] aldus moet worden uitgelegd dat het de handelaar de verplichting oplegt om de consument te informeren over de douaneprocedures die van toepassing zijn op internationaal vervoer, is het dan voldoende dat de handelaar vermeldt dat de afzender (de consument) voor de nodige bescheiden voor de douaneprocedures moet zorgen en de douanerechten moet betalen, of moet de handelaar gedetailleerde informatie (een lijst) verstrekken betreffende de specifieke documenten die aan de douaneautoriteiten moeten worden overgelegd en de toepasselijke tarieven (bedragen) van de douanerechten?
2) Brengt de in artikel 5, lid 1, onder c), van richtlijn [2011/83] neergelegde verplichting voor de handelaar om de consument informatie te verstrekken over de prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings‑ of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke kosten verschuldigd kunnen zijn, voor de handelaar die de internationale vervoerdienst verricht de verplichting met zich mee om de consument in te lichten over de douanerechten (de tarieven en bedragen van de rechten) die van toepassing zijn op het specifieke vervoer?”
Procedure bij het Hof
35 In herinnering moet worden gebracht dat het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechter moet uitgaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst. Aangezien de verwijzende rechter het feitelijke en wettelijke kader heeft afgebakend waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst, staat het dus niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken (arrest van 19 maart 2026, Almirall, C‑589/24, EU:C:2026:217, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak),
36 In dit verband heeft het Hof de verwijzende rechter verzocht te verduidelijken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoerovereenkomst, die telefonisch is gesloten, moet worden beschouwd als een andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, zodat de volgens artikel 5 van richtlijn 2011/83 door de handelaar aan de consument te verstrekken informatie moet worden verstrekt, dan wel of deze overeenkomst daarentegen moet worden beschouwd als een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van deze richtlijn. In antwoord op dit verzoek om inlichtingen heeft de verwijzende rechter bevestigd dat hij, als cassatierechter, gebonden is aan de vaststellingen van de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep, zodat hij niet zelf de feiten beoordeelt en uitsluitend over rechtsvragen beslist. Hij heeft erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst op basis van de aldus vastgestelde feiten niet kan worden beschouwd als een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst in de zin van artikel 2, punt 7, van die richtlijn en dat de door de handelaar aan de consument te verstrekken informatie dus onder artikel 5 ervan viel.
37 Gelet op een en ander moet voor een antwoord op de twee vragen van de verwijzende rechter artikel 5 van richtlijn 2011/83 worden uitgelegd.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
38 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat, in het kader van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg vanuit een derde land naar een lidstaat van de Unie, de informatieverplichting die krachtens deze bepaling op de handelaar rust, inhoudt dat hij verplicht is de afzender-consument te informeren dat er voor invoer van goederen op het grondgebied van de Unie mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld en douanerechten verschuldigd kunnen zijn. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of de handelaar gedetailleerde informatie moet verstrekken over de documenten die aan de douane moeten worden overgelegd, alsook over de tarieven en bedragen van de toepasselijke douanerechten.
39 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het geding tussen D.V. en Kigas volgens de verwijzende rechter binnen de werkingssfeer van het CMR‑verdrag valt.
40 Volgens artikel 1, lid 1, ervan is dat CMR‑verdrag namelijk van toepassing op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het verdrag partij zijnd land is.
41 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding betrekking heeft op een overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg vanuit Noorwegen naar Litouwen, die beide partij zijn bij het CMR‑verdrag, en dat deze vervoerdienst geen verhuizing vormt in de zin van artikel 1, lid 4, van het CMR‑verdrag.
42 Voorts is richtlijn 2011/83, zoals artikel 3, lid 1, ervan bepaalt, van toepassing op alle tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomsten. Uit de in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt dat D.V. – die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoerovereenkomst heeft gesloten met Kigas, een professionele vervoerder – een consument was in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn, aangezien hij heeft gehandeld voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vielen. Bijgevolg valt deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 2011/83.
43 In de eerste plaats beoogt richtlijn 2011/83, zoals blijkt uit artikel 1 van die richtlijn, gelezen in het licht van de overwegingen 4, 5 en 7 ervan, een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken door de consumenten informatie en veiligheid in hun transacties met handelaren te garanderen. Voorts is de consumentenbescherming in het kader van het beleid van de Unie zowel in artikel 169 VWEU als in artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd (arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C‑430/17, EU:C:2019:47, punt 34).
44 Richtlijn 2011/83 beoogt consumenten een ruime bescherming te bieden door hun bepaalde rechten te verlenen. In dit verband is de vóór sluiting van een overeenkomst verstrekte informatie met betrekking tot de contractvoorwaarden en de gevolgen van de sluiting van de overeenkomst voor de consument van wezenlijk belang. De consument beslist immers op basis van deze informatie of hij met een handelaar een overeenkomst wil aangaan (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C‑430/17, EU:C:2019:47, punten 35 en 36).
45 Daartoe bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2011/83 dat de handelaar, voordat de consument door enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, dan wel een daarmee overeenstemmend aanbod is gebonden, de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moet verstrekken, indien die informatie niet al duidelijk is uit de context. Deze bepaling beoogt ervoor te zorgen dat aan de consument, voordat er een overeenkomst wordt gesloten, informatie wordt verstrekt over de contractvoorwaarden en de gevolgen van de sluiting van de overeenkomst, zodat hij kan beslissen of hij met een handelaar een overeenkomst wil aangaan, alsook informatie die vereist is voor de goede uitvoering van deze overeenkomst en vooral voor de uitoefening van zijn rechten (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, Victorinox, C‑179/21, EU:C:2022:353, punt 26).
46 Wat meer in het bijzonder de precontractuele informatieverplichting betreft, bepaalt artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/83 dat de handelaar de consument informatie moet verstrekken over de voornaamste kenmerken van de goederen of de diensten, voor zover dit passend is voor de gebruikte drager.
47 Hieruit volgt dat de omvang van de informatie die een handelaar vooraf in het kader van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen moet verstrekken met name aan de hand van de aard van de dienst moet worden beoordeeld.
48 De omstandigheid dat voor de invoer van de vervoerde goederen mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld, kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de verrichte vervoerdienst, doordat de levering van de goederen wordt vertraagd of zelfs verhinderd, of doordat er extra kosten ontstaan. Aangezien overeenkomsten tot internationaal vervoer van goederen een grensoverschrijdend karakter hebben en op deze goederen eventueel douanerechten worden geheven, kan derhalve – zoals de advocaat-generaal in punt 62 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt – redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de douaneformaliteiten een van de voornaamste kenmerken van dit soort overeenkomsten in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2011/83 vormen, waarvan de handelaar een consument vóór de sluiting van de overeenkomst in kennis moet stellen.
49 Bijgevolg is de professionele vervoerder in het kader van een vervoerovereenkomst als aan de orde in het hoofdgeding gehouden de consument ervan in kennis te stellen dat voor de invoer van de vervoerde goederen mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld.
50 Wanneer deze handelaar zich uitsluitend bezighoudt met het vervoer van de goederen zonder verder douane-expeditiediensten aan te bieden, hoeft hij daarentegen geen gedetailleerde informatie te verstrekken over de documenten die aan de douane moeten worden overgelegd. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat uit artikel 11, leden 1 en 2, van het CMR‑verdrag volgt dat het aan de afzender staat om de voor de voldoening van de douaneformaliteiten noodzakelijke bescheiden ter beschikking van de vervoerder te stellen en dat de vervoerder niet gehouden is de nauwkeurigheid en de volledigheid van deze bescheiden te onderzoeken.
51 Wat in de tweede plaats artikel 5, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83 betreft, zij eraan herinnerd dat de handelaar de consument volgens deze bepaling informatie moet verstrekken over de totale prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings‑ of portokosten of indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn.
52 Uit de bewoordingen van dit artikel blijkt om te beginnen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de vermelding van de eindprijs en de vermelding van de berekeningswijze, vervolgens dat het soort dienst bepalend is voor de situatie waarin die prijs redelijkerwijs niet vooraf door de handelaar kan worden berekend, en ten slotte dat de handelaar, wanneer hij die prijs niet kan vermelden, moet aangeven op welke wijze deze prijs wordt berekend of, met andere woorden, de manier waarop de eindprijs wordt berekend (zie naar analogie arrest van 23 januari 2025, NEW Niederrhein Energie und Wasser, C‑518/23, EU:C:2025:35, punt 30). Bovendien moet, ongeacht de vermelding van de totale prijs of de wijze waarop deze prijs wordt berekend, rekening worden gehouden met de extra kosten die eventueel bij de totale prijs van de dienst moeten worden opgeteld en die, indien zij niet vooraf kunnen worden berekend, aan de consument moeten worden vermeld als kosten die verschuldigd kunnen zijn.
53 Voorts blijkt uit artikel 6, lid 1, onder i), van het CMR‑verdrag dat de douanerechten behoren tot de „op het vervoer betrekking hebbende kosten” die in de vrachtbrief voor internationaal goederenvervoer over de weg moeten worden aangeduid.
54 Voor zover de douanerechten niet verschuldigd zijn voor de uitvoering van de vervoerdienst als zodanig maar wegens het binnenbrengen van de vervoerde goederen in het douanegebied van de Unie, moeten zij worden beschouwd als extra kosten in de zin van artikel 5, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83, die boven op de totale prijs van de vervoerdienst komen.
55 Aangezien de douanerechten worden berekend op basis van de te vervoeren goederen, is het mogelijk dat de handelaar niet in staat is alle componenten van de totale prijs vooraf nauwkeurig te kennen, zodat het mogelijk is dat hij de consument de wijze van berekening van deze prijs niet kan meedelen op een zodanige wijze dat de betrokkene deze berekening zelf kan verrichten (zie naar analogie arrest van 23 januari 2025, NEW Niederrhein Energie und Wasser, C‑518/23, EU:C:2025:35, punt 38).
56 In dit verband is het voor de handelaar in de context van overeenkomsten tot internationaal vervoer van goederen niet altijd mogelijk om de totale prijs van de dienst „met inbegrip van alle belastingen” vóór de sluiting van de vervoerovereenkomst te berekenen, met name omdat het exacte bedrag van de douanerechten kan afhangen van bepaalde elementen die mogelijk niet vooraf bekend zijn, zoals de waarde van de goederen, de tariefindeling en de oorsprong ervan.
57 In het kader van de informatieplicht van artikel 5, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83 hoeft de handelaar de consument dus alleen te informeren over het feit dat er douanerechten kunnen worden geheven, die voor de consument extra kosten vormen die redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend en in de prijs van de vervoerdienst kunnen worden opgenomen.
58 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat de informatieverplichting die krachtens deze bepaling op de handelaar rust, in het kader van sluiting van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg vanuit een derde land naar een lidstaat van de Unie inhoudt dat hij verplicht is de afzender-consument te informeren dat er voor de invoer van goederen op het grondgebied van de Unie mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld en douanerechten verschuldigd kunnen zijn. De handelaar hoeft daarentegen noch gedetailleerde informatie te verstrekken over de documenten die aan de douane moeten worden overgelegd, noch de toepasselijke tarieven en bedragen van de douanerechten te vermelden.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019,
moet aldus worden uitgelegd dat
de informatieverplichting die krachtens deze bepaling op de handelaar rust, in het kader van sluiting van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg vanuit een derde land naar een lidstaat van de Unie inhoudt dat hij verplicht is de afzender-consument te informeren dat er voor de invoer van goederen op het grondgebied van de Unie mogelijk douaneformaliteiten moeten worden vervuld en douanerechten verschuldigd kunnen zijn. De handelaar hoeft daarentegen noch gedetailleerde informatie te verstrekken over de documenten die aan de douane moeten worden overgelegd, noch de toepasselijke tarieven en bedragen van de douanerechten te vermelden.
ondertekeningen
* Procestaal: Litouws.