HvJ EU 30 april 2026, C-127/24, ECLI:EU:C:2026:355
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
30 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3, lid 1 – Mededeling aan het publiek – Begrip – Doorgifte van een signaal met behulp van een eigen kabelnetwerk van een bejaardenhuis – Specifieke technische werkwijze – Nieuw publiek”
In zaak C‑127/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 8 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 15 februari 2024, in de procedure
Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA)
tegen
VHC 2 Seniorenresidenz und Pflegeheim gGmbH,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, en I. Ziemele (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: R. Șereș, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 april 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA), vertegenwoordigd door T. Winter, Rechtsanwalt,
– VHC 2 Seniorenresidenz und Pflegeheim gGmbH, vertegenwoordigd door A. Conrad, R. Grzybowska, T. Schubert en W. Spoerr, Rechtsanwälte,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, P. Boccanfuso, B. Dourthe, M. B. Fodda en E. Timmermans als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA), een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten, en VHC 2 Seniorenresidenz und Pflegeheim gGmbH (hierna: „VHC 2”) over de vermeende verplichting om over een licentie te beschikken voor de wederdoorgifte van omroepprogramma’s binnen een bejaardenhuis.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 4, 9, 10 en 23 van richtlijn 2001/29 luiden: „(4) Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie […] bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, […]. […] (9) Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend. (10) Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ,diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele-eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen. […] (23) Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.”
4 Artikel 3 („Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”) van die richtlijn bepaalt in de leden 1 en 3: „1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden. […] 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”
Duits recht
5 Overeenkomstig § 15, lid 2, punt 3, van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten) van 9 september 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 1273), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „UrhG”), houdt het uitsluitende recht van de auteur om zijn werk aan het publiek mee te delen in de zin van § 15, lid 2, eerste volzin, UrhG, onder meer het recht in om het werk uit te zenden, dat wil zeggen, overeenkomstig § 20 UrhG, het recht om het werk door middel van omroep – en met name via radio- en televisie-, satelliet- en kabelomroep of andere technische middelen – voor het publiek beschikbaar te stellen.
6 Overeenkomstig § 20b, lid 1, eerste volzin, UrhG omvat het uitzendrecht het recht op doorgifte via de kabel, dat wil zeggen het recht om een uitgezonden werk in het kader van een gelijktijdig, ongewijzigd en integraal doorgegeven programma door middel van een kabel- of microgolfsysteem door te zenden.
7 Volgens § 15, lid 3, eerste volzin, UrhG wordt de mededeling gedaan aan het publiek wanneer zij bestemd is voor meerdere leden van het publiek. Overeenkomstig § 15, lid 3, tweede volzin, UrhG behoort tot het publiek eenieder die geen persoonlijke banden heeft met degene die het werk exploiteert of met andere personen voor wie het werk in een immateriële vorm waarneembaar of toegankelijk wordt gemaakt.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 GEMA is een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten op muziekgebied.
9 VHC 2 exploiteert een bejaarden- en verpleeghuis, waar permanent 89 hulpbehoevende ouderen wonen die volledige verzorging en verpleging ontvangen. Deze inrichting bestaat uit 88 eenpersoons- en 3 tweepersoonskamers, die zijn onderverdeeld in vier residentiële zones en beschikt verder over verschillende gemeenschappelijke ruimten, zoals restaurants en huiskamers.
10 VHC 2 ontvangt via een eigen satellietontvangstinstallatie omroepuitzendingen, dat wil zeggen televisie- en radioprogramma’s, die gelijktijdig, volledig en ongewijzigd via haar kabelnetwerk worden doorgegeven aan de aansluitingen in de kamers van de bewoners en de verpleegkamers.
11 Aangezien GEMA van mening is dat voor deze doorgifte van de programma’s een licentie vereist is, heeft zij tegen VHC 2 een vordering ingesteld tot staking van de uitzending van de muziekwerken uit haar repertoire. Het Landgericht Frankenthal (rechter in eerste aanleg Frankenthal, Duitsland) heeft die vordering toegewezen.
12 In het door VHC 2 tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Zweibrücken (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Zweibrücken, Duitsland) dat vonnis vernietigd en de vordering van GEMA afgewezen op grond dat de wederdoorgiften van VHC 2 geen „mededeling aan het publiek” vormden. Die rechter heeft in wezen geoordeeld dat er weliswaar sprake was van een mededeling maar dat die niet bestemd was voor het publiek, aangezien zij was gericht tot de beperkte kring van bewoners van het betrokken tehuis, een structureel zeer homogene groep die daar duurzaam verbleef en waarvan het aantal vrij stabiel was. Volgens die rechter is de betrokken mededeling dus beperkt tot specifieke personen die tot een private groep behoren.
13 Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, waarbij GEMA beroep in Revision heeft ingesteld, vraagt zich in de eerste plaats af of de bewoners van een bejaardenhuis zoals VHC 2 exploiteert, een onbepaald aantal potentiële ontvangers zijn in de zin van de rechtspraak van het Hof over het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 bedoelde begrip „mededeling aan het publiek”, of dat zij een private en beperkte groep van specifieke personen zijn, zoals het Oberlandesgericht Zweibrücken heeft geoordeeld.
14 In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het in het algemeen voor de kwalificatie van een handeling als „mededeling aan het publiek” relevant is om het gebruikte uitzendingsprocedé in aanmerking te nemen, ook al werd de mededeling in casu volgens een specifieke technische werkwijze verricht. Uit het arrest van 16 maart 2017, AKM (C‑138/16, EU:C:2017:218, punten 26‑30), blijkt namelijk dat het Hof in de zaak die tot dat arrest heeft geleid geen rekening heeft gehouden met het feit dat het uitzendingsprocedé verschilde van dat van de oorspronkelijke mededeling, te weten een eenvoudige gelijktijdige, volledige en onveranderde wederdoorgifte door middel van kabels van een via een antenne ontvangen signaal, zoals in casu, maar zich heeft gebaseerd op het criterium van het bestaan van een „nieuw publiek”, dat bepalend is om vast te stellen of er sprake is van een „mededeling aan het publiek”.
15 Ook in de arresten van 7 december 2006, SGAE (C‑306/05, EU:C:2006:764, punten 37‑47), 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a. (C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punten 197‑199), 27 februari 2014, OSA (C‑351/12, EU:C:2014:110, punten 27‑33), en 31 mei 2016, Reha Training (C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 57), heeft het Hof enkel het criterium van het „nieuwe publiek” onderzocht, zonder rekening te houden met het technische procedé dat voor de uitzending is gebruikt.
16 De verwijzende rechter merkt op dat die rechtspraak van het Hof volgens een uitlegging in de rechtsleer suggereert dat het specifieke technische procedé het bestaan van een mededeling aan het publiek slechts rechtvaardigt wanneer de wederdoorgifte van oorspronkelijk via antenne, satelliet of kabel ontvangen content plaatsvindt via internet.
17 In de derde plaats wenst die rechter te vernemen of een wederdoorgifte zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de voorwaarde met betrekking tot het criterium van het „nieuwe publiek”. Hij vraagt zich tevens af welke gevolgen het in dat verband zou kunnen hebben dat de bewoners van de betrokken inrichting, los van die wederdoorgifte, op hun kamers zelf radio- en televisieprogramma’s via de antenne kunnen ontvangen, en dat de rechthebbenden reeds een vergoeding hebben ontvangen voor de oorspronkelijke uitzending.
18 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vormen de bewoners van een commercieel geëxploiteerd bejaardenhuis die in hun kamers over een radio‑ en televisieaansluiting beschikken waaraan de exploitant van het bejaardenhuis via zijn kabelnet gelijktijdig, onveranderd en volledig omroepprogramma’s doorgeeft die hij via een eigen satellietontvangstsysteem heeft ontvangen, een ‚onbepaald aantal potentiële ontvangers’ in de zin van de definitie van ‚mededeling aan het publiek’ als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn [2001/29]? 2) Is de tot dusver door het Hof gehanteerde definitie, volgens welke voor de kwalificatie als ‚mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn [2001/29] vereist is dat de ‚mededeling van een beschermd werk [plaatsvindt] volgens een specifieke technische werkwijze die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, bij gebreke daarvan, gericht [is] tot een „nieuw publiek”, dat wil zeggen een publiek dat door de houder van het auteursrecht nog niet in aanmerking werd genomen toen hij toestemming verleende voor de oorspronkelijke mededeling van zijn werk aan het publiek’, nog steeds algemeen geldig, of is de gebruikte technische werkwijze alleen nog van belang bij doorgifte op het open internet van inhoud die voorheen via de ether, satelliet of kabel is ontvangen? 3) Is er sprake van een ‚nieuw publiek’ in de zin van de definitie van ‚mededeling aan het publiek’ als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn [2001/29], wanneer een persoon die een bejaardenhuis met winstoogmerk exploiteert, via zijn kabelnet omroepprogramma’s die hij via een eigen satellietontvangstsysteem heeft ontvangen, gelijktijdig, onveranderd en volledig doorgeeft aan de aanwezige radio- en televisieaansluitingen in de kamers van de bewoners? Is het voor deze beoordeling van belang of de bewoners de radio‑ en televisieprogramma’s ook zonder kabeldoorgifte via de ether in hun kamers kunnen ontvangen? Is het voor deze beoordeling verder van belang of de rechthebbenden reeds een vergoeding ontvangen voor de toestemming die is gegeven voor de oorspronkelijke uitzending?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede en derde vraag
19 Met zijn tweede en derde vraag, die samen en als eerste dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling bedoelde begrip „mededeling aan het publiek” betrekking heeft op de gelijktijdige, volledige en ongewijzigde wederdoorgifte door de exploitant van een bejaardenhuis van omroepprogramma’s die worden ontvangen via een satellietontvangstinstallatie die door middel van het binnen het tehuis aangelegde kabelnetwerk verbonden is met de radio- en televisieaansluitingen in de kamers van de bewoners.
20 De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen of een dergelijke wederdoorgifte onder dat begrip valt, hetzij als mededeling die is verricht volgens een „specifieke technische werkwijze”, hetzij als mededeling die is bestemd voor een „nieuw publiek”.
21 In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van auteurs voorzien in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.
22 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, beschikken auteurs krachtens deze bepaling over een recht van preventieve aard om te interveniëren tussen eventuele gebruikers van hun werk en de mededeling aan het publiek die deze gebruikers overwegen te doen teneinde deze mededeling te verbieden (arresten van 15 maart 2012, SCF,C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 75, en 20 juni 2024, GEMA,C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 17).
23 Wat betreft de inhoud van het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, moet aan dit begrip – zoals wordt benadrukt in overweging 23 van die richtlijn – een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan een niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan, en dient dit begrip zich derhalve uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Uit de overwegingen 4, 9 en 10 van deze richtlijn volgt immers dat deze als belangrijkste doelstelling heeft om een hoog beschermingsniveau voor auteurs te verwezenlijken, zodat zij met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen (zie in die zin arresten van 7 december 2006, SGAE,C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 36, en 11 april 2024, Citadines,C‑723/22, EU:C:2024:289, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Dienaangaande verbindt het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, volgens vaste rechtspraak twee cumulatieve elementen met elkaar, te weten een handeling bestaande in de mededeling van een werk en de mededeling van dit werk aan een publiek, en vergt dit begrip een individuele beoordeling (arresten van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punt 66, en 20 juni 2024, GEMA,C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 21).
25 Bij een dergelijke beoordeling dienen meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria in aanmerking te worden genomen. Aangezien deze criteria in verschillende concrete situaties met een zeer wisselende intensiteit een rol kunnen spelen, moeten deze criteria zowel individueel als in hun onderling verband worden toegepast (arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 35, en 20 juni 2024, GEMA,C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 22).
26 Volgens vaste rechtspraak behoort tot deze criteria dat een beschermd werk, om te kunnen spreken van een „mededeling aan het publiek”, met name moet worden meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze, die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, bij gebreke daarvan, gericht moet zijn tot een nieuw publiek, dat wil zeggen een publiek dat door de auteursrechthebbende nog niet in aanmerking werd genomen toen hij toestemming verleende voor de oorspronkelijke mededeling van zijn werk aan het publiek (arresten van 8 september 2016, GS Media,C‑160/15, EU:C:2016:644, punt 37, en 20 juni 2024, GEMA, C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 43).
27 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de vragen van de verwijzende rechter, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, berusten op de premisse dat een wederdoorgifte van uitzendingen als aan de orde in het hoofdgeding plaatsvindt volgens een specifieke technische werkwijze die verschilt van de werkwijze voor de oorspronkelijke mededeling.
28 Er moet evenwel worden opgemerkt dat het Hof, om te bepalen of dat criterium relevant is voor de kwalificatie van de handeling van een exploitant als „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zich met name heeft gebaseerd op artikel 3, lid 3, van die richtlijn, op grond waarvan het recht om andere mededelingen van deze werken aan het publiek toe te staan of te verbieden niet wordt uitgeput door de toestemming om de beschermde werken in een mededeling aan het publiek op te nemen (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 23).
29 Het Hof heeft daaruit afgeleid dat de Uniewetgever, door een regeling vast te stellen voor situaties waarin een bepaald werk meermaals wordt gebruikt, heeft gewild dat elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk waarbij een „specifieke technische werkwijze” wordt gebruikt, in beginsel individueel door de auteur van het betrokken werk wordt toegestaan (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 24).
30 Op basis daarvan heeft het Hof geoordeeld dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen situaties waarin een ondernemer door zijn bewuste interventie een uitzending met beschermde werken toegankelijk maakt voor een nieuw publiek waarmee de betrokken auteurs geen rekening hebben gehouden toen zij de betrokken doorgifte door middel van uitzending hebben toegestaan en die waarin twee doorgiften onder specifieke technische omstandigheden via uiteenlopende methoden plaatsvinden en elk bestemd is voor een publiek (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punten 38 en 39).
31 Uit de rechtspraak van het Hof, en met name uit het arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a. (C‑607/11, EU:C:2013:147), volgt dus dat een dergelijke handeling slechts kan worden geacht te zijn verricht volgens een „specifieke technische werkwijze” in de zin van de in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak indien het gebruik van een bepaalde technische werkwijze impliceert dat er een nieuwe doorgifte of een wederdoorgifte van omroepuitzendingen plaatsvindt die losstaat van de oorspronkelijke mededeling.
32 Zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof is dit met name het geval bij wederdoorgifte op internet van een via zendmasten uitgezonden televisie-uitzending (zie in die zin arresten van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 26, en 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punten 14, 46 en 48). Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat een situatie zoals die welke heeft geleid tot het arrest van 7 december 2006, SGAE (C‑306/05, EU:C:2006:764), te weten de distributie van een signaal door middel van televisietoestellen aan gasten die in kamers van een hotel verblijven, niet onder die hypothese valt maar onder het eerste in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde geval (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punten 37 en 38).
33 Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is die laatste situatie vergelijkbaar met die in het hoofdgeding. Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing geeft de exploitant van het bejaardenhuis in deze zaak, net als de exploitant van een hotel, met het in zijn inrichting geïnstalleerde kabelsysteem het via zijn satellietantenne ontvangen signaal door aan de verschillende zones van die inrichting.
34 Hieruit volgt dat de wederdoorgifte van uitzendingen zoals aan de orde in het hoofdgeding niet kan worden geacht te zijn verricht volgens een „specifieke technische werkwijze” in de zin van de in punt 26 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
35 Volgens die rechtspraak moet in de tweede plaats worden nagegaan of de betrokken wederdoorgifte bestemd is voor een „nieuw publiek”, dat verschilt van het publiek voor wie de oorspronkelijke uitzendingen bestemd waren.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de auteur, wanneer hij in de radio-uitzending van zijn werk toestemt, slechts het oog heeft op de directe consumenten, dat wil zeggen de bezitters van televisietoestellen die, individueel of in hun privé‑ of gezinssfeer, de uitzendingen ontvangen (zie in die zin arresten van 7 december 2006, SGAE Broadcasting e.a., C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 41, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 198).
37 Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de gasten van een hotel, de klanten van een horecagelegenheid, de patiënten van een kuurinrichting of een revalidatiecentrum en de huurders van appartementen in een gebouw dat voor korte perioden wordt verhuurd, bijvoorbeeld als toeristische accommodatie, een dergelijk nieuw publiek vormen (zie in die zin met name arresten van 7 december 2006, SGAE, C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 42; 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 199; 27 februari 2014, OSA, C‑351/12, EU:C:2014:110, punt 32; 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 61, en 20 juni 2024, GEMA, C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 44).
38 In die omstandigheden heeft het Hof met name in essentie geoordeeld dat de ontvangers van de mededeling een „nieuw publiek” vormden, aangezien zij in beginsel alleen van het uitgezonden werk profiteren door de tussenkomst van de exploitant van de betrokken inrichting, die hun, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, toegang tot dat werk verleent wanneer zij zich binnen het betrokken uitzendgebied bevinden.
39 Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat dit niet het geval is voor huurders die hun verblijfplaats hebben in een appartementsgebouw, die niet kunnen worden geacht een „nieuw publiek” in de zin van de in punt 26 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak te vormen (zie in die zin arrest van 20 juni 2024, GEMA, C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 45).
40 Die situatie is vergelijkbaar met die in het hoofdgeding, waarin de bewoners van een bejaardenhuis daar permanent wonen, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat dergelijke bewoners geen „nieuw publiek” vormen.
41 Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat de exploitant van een bejaardenhuis, anders dan de eigenaar van een woning die hij verhuurt, de bewoners meerdere diensten verleent, aangezien hun autonomie beperkt is. Zoals de advocaat-generaal in de punten 37 tot en met 39 in essentie heeft opgemerkt, maken de ontvangers van de betrokken wederdoorgifte van uitzendingen, als bezitters van ontvangsttoestellen die deze uitzendingen in hun privésfeer ontvangen, in beide gevallen namelijk deel uit van het publiek dat de auteursrechthebbenden beoogden toen zij toestemming gaven voor de oorspronkelijke mededeling van hun werken aan het publiek in de vorm van een uitzending.
42 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de exploitant van een dergelijk bejaardenhuis geen „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verricht door met een kabelsysteem de via een satellietantenne ontvangen televisie- en radioprogramma’s door te geven aan de kamers van dat tehuis.
43 Dienaangaande is de door de verwijzende rechter aangevoerde omstandigheid dat de activiteit van een dergelijke exploitant een winstoogmerk heeft, niet bepalend. Hoewel dat winstgevende karakter niet zonder belang is, is dat niet noodzakelijkerwijs een onmisbare voorwaarde voor het bestaan van een dergelijke mededeling (zie in die zin arrest van 20 juni 2024, GEMA, C‑135/23, EU:C:2024:526, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Tot slot moet hieraan worden toegevoegd dat een dergelijke uitlegging geen afbreuk doet aan de in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van richtlijn 2001/29. Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou het erkennen dat er in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding sprake is van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 er namelijk toe leiden dat aan auteursrechthebbenden een onverschuldigde beloning wordt toegekend, terwijl zij – zoals in overweging 10 van richtlijn 2001/29 uitdrukkelijk wordt vermeld – enkel recht hebben op een passende beloning voor het gebruik van hun werk (zie in die zin arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 108).
45 Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling bedoelde begrip „mededeling aan het publiek” geen betrekking heeft op de gelijktijdige, volledige en ongewijzigde wederdoorgifte door de exploitant van een bejaardenhuis van omroepprogramma’s die worden ontvangen via een satellietontvangstinstallatie die door middel van het binnen het tehuis aangelegde kabelnetwerk verbonden is met de radio- en televisieaansluitingen in de kamers van de bewoners.
Eerste vraag
46 Gelet op het antwoord op de tweede en de derde vraag behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij
moet aldus worden uitgelegd dat
het in deze bepaling bedoelde begrip „mededeling aan het publiek” geen betrekking heeft op de gelijktijdige, volledige en ongewijzigde wederdoorgifte door de exploitant van een bejaardenhuis van omroepprogramma’s die worden ontvangen via een satellietontvangstinstallatie die door middel van het binnen het tehuis aangelegde kabelnetwerk verbonden is met de radio- en televisieaansluitingen in de kamers van de bewoners.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 juni 2024, C-135/23, ECLI:EU:C:2024:526
- HvJ EU 11 april 2024, C-723/22, ECLI:EU:C:2024:289
- HvJ EU 22 juni 2021, C-682/18, ECLI:EU:C:2021:503
- HvJ EU 29 november 2017, C-265/16, ECLI:EU:C:2017:913
- HvJ EU 16 maart 2017, C-138/16, ECLI:EU:C:2017:218
- HvJ EU 8 september 2016, C-160/15, ECLI:EU:C:2016:644
- HvJ EU 31 mei 2016, C-117/15, ECLI:EU:C:2016:379
- HvJ EU 27 februari 2014, C-351/12, ECLI:EU:C:2014:110
- HvJ EU 7 maart 2013, C-607/11, ECLI:EU:C:2013:147
- HvJ EU 15 maart 2012, C-135/10, ECLI:EU:C:2012:140
- HvJ EU 4 oktober 2011, C-403/08, ECLI:EU:C:2011:631
- HvJ EU 7 december 2006, C-306/05, ECLI:EU:C:2006:764