HvJ EU 23 april 2026, C-887/24, ECLI:EU:C:2026:342
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
23 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines – Normen en technische voorschriften – Richtlijn 98/37/EG – Machines die voorzien zijn van normale stop- en noodstopinrichtingen – Fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften – Gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van personen – Onbewuste of bewuste inschakeling van een van de stopinrichtingen – Blokkering van de noodstopinrichting – Passende handeling die de blokkering van de noodstopinrichting kan opheffen”
In zaak C‑887/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) bij beslissing van 9 december 2024, ingekomen bij het Hof op 20 december 2024, in de procedure
YH
tegen
Widl GmbH,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. S. Bohr en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PB 1998, L 207, blz. 1), alsmede van de punten 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6, 1.2.7 en punt 2.3, onder c), van bijlage I bij die richtlijn.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen YH en Widl GmbH over de vergoeding van schade die YH heeft geleden door een door Widl vervaardigde machine.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 2, 6, 7 en 9 van richtlijn 98/37 luiden als volgt: „(2) Overwegende dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd; […] (6) Overwegende dat de wettelijke regelingen in de lidstaten op het gebied van ongevalspreventie zeer sterk verschillen; dat de dwingende bepalingen op dit gebied, die vaak worden aangevuld met technische specificaties die in feite verplichtingen inhouden en/of met normen met een vrijwillig karakter, niet noodzakelijkerwijs tot verschillende veiligheids- en gezondheidsniveaus leiden, maar vanwege hun ongelijkheid handelsbelemmeringen binnen de [Europese] Gemeenschap vormen; dat bovendien de nationale regelingen op het gebied van overeenstemmingsverklaring en certificatie voor machines aanzienlijk verschillen; (7) Overwegende dat de bestaande nationale bepalingen op het gebied van veiligheid en gezondheid, die moeten zorgen voor bescherming tegen de aan machines verbonden risico’s, onderling moeten worden aangepast om het vrije verkeer van machines te waarborgen, zonder dat dit tot verlaging leidt van de in de lidstaten bestaande en gerechtvaardigde beschermingsniveaus; dat er naast de in deze richtlijn opgenomen bepalingen inzake het ontwerp en de bouw van machines, die voor het streven naar een veiligere werkomgeving van fundamenteel belang zijn, bijzondere bepalingen zullen worden vastgesteld ter voorkoming van bepaalde gevaren waaraan de werknemers tijdens hun werk kunnen worden blootgesteld, alsook bepalingen die zijn gebaseerd op de organisatie van de veiligheid van de werknemers op de arbeidsplaats; […] (9) Overwegende dat het Witboek inzake de voltooiing van de interne markt, dat in juni 1985 door de Europese Raad is goedgekeurd [(COM(85) 310 final)], in de paragrafen 65 en 68 voorziet in toepassing van de nieuwe aanpak op het gebied van de onderlinge aanpassing van de wetgevingen; dat derhalve harmonisatie van wetgevingen in dit geval beperkt moet blijven tot de voorschriften die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de dwingende en fundamentele eisen die op het vlak van veiligheid en gezondheid aan machines worden gesteld; dat deze eisen vanwege hun fundamenteel karakter in de plaats moeten komen van de nationale voorschriften op dit gebied”.
4 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „De machines en veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van toepassing is, moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.”
5 Punt 1.1.2 van bijlage I bij deze richtlijn, met als opschrift „In het ontwerp van de machine verwerkte veiligheidsbeginselen”, bepaalt: „a) De machine dient zodanig te zijn gebouwd dat ze kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaar blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder de door de fabrikant vastgestelde omstandigheden. De genomen maatregelen moeten erop gericht zijn elk ongevalsrisico gedurende de te verwachten levensduur van de machine, ook bij het monteren en demonteren, volledig uit te sluiten, ook wanneer deze risico’s het gevolg zijn van te voorziene abnormale omstandigheden. b) Bij het kiezen van de meest passende oplossingen moet de fabrikant de volgende beginselen toepassen, in de gegeven volgorde: – de risico’s uitsluiten of zoveel mogelijk beperken (bij het ontwerp en de bouw in de machine verwerkte beveiliging); – de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen treffen voor risico’s die niet kunnen worden uitgesloten; – de gebruikers informeren over de risico’s die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsmaatregelen, aangeven of een bijzondere opleiding vereist is en signaleren dat persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt. c) Bij het ontwerpen en de bouw van de machine alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant niet alleen uitgaan van een normaal gebruik van de machine, maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik. De machine dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik, indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht van de gebruiker te vestigen op te ontraden gebruik van de machine dat uit de ervaring zou kunnen blijken. […]”
6 In de punten 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6 en 1.2.7 van deze bijlage is bepaald: „1.2.1. Veiligheid en betrouwbaarheid van de bedieningssystemen De bedieningssystemen moeten dusdanig ontworpen en uitgevoerd zijn dat zij zo veilig en betrouwbaar zijn dat er geen gevaarlijke situatie kan ontstaan. Meer bepaald moeten zij zo zijn ontworpen en gebouwd dat: – zij bestand zijn tegen de normale bedrijfseisen en tegen invloeden van buitenaf; – fouten in de logica bij de bedieningshandelingen niet tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. 1.2.2. Bedieningsorganen De bedieningsorganen moeten: – duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en in voorkomend geval van een passend merkteken zijn voorzien; – zodanig zijn geplaatst dat een bedieningshandeling veilig, zonder aarzeling of tijdverlies en zonder misverstand geschiedt; – zodanig zijn ontworpen dat de beweging van het bedieningsorgaan een logisch verband heeft met het bewerkstelligde effect; – buiten gevaarlijke zones geplaatst zijn behalve, voor zover noodzakelijk, bepaalde organen zoals noodstoporganen, organen voor het leren bedienen van robots; – zodanig geplaatst zijn dat hun bediening geen extra gevaren met zich brengt; – zodanig zijn ontworpen of beveiligd dat het gewenste effect, indien dat gevaar kan opleveren, niet zonder een bewuste bedieningshandeling kan optreden; – zodanig zijn vervaardigd dat zij de te voorziene belasting kunnen verdragen; bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de noodstopvoorzieningen, die sterk belast kunnen worden. […] 1.2.4. Stopinrichtingen Normale stopzetting Elke machine moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee zij op veilige wijze volledig kan worden stopgezet. Elke werkplek moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee, naargelang van het risico, hetzij alle bewegende delen van de machine, hetzij een aantal daarvan kunnen worden stilgelegd, zodat de machine in veilige toestand is. De stopopdracht aan de machine moet voorrang hebben boven startopdrachten. Wanneer de machine of de gevaarlijke onderdelen ervan tot stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijfmechanismen worden onderbroken. Noodstop Elke machine moet voorzien zijn van één of meer noodstopinrichtingen waarmede een onmiddellijk dreigende of ontstaande gevaarlijke situatie kan worden afgewend. Dit geldt niet voor: – machines waarbij het gevaar niet verminderd kan worden door de noodstopinrichting, hetzij omdat deze niet de normale tijd binnen welke de machine stopt beperkt, hetzij omdat deze het niet mogelijk maakt de in verband met het gevaar vereiste bijzondere maatregelen te nemen; – met de hand gedragen of handgeleide machines. Deze inrichting moet: – duidelijk herkenbare, goed zichtbare en snel bereikbare bedieningsorganen hebben; – stopzetting van een gevaarlijk proces binnen de kortst mogelijke tijd bewerkstelligen zonder extra risico’s te scheppen; – eventueel bepaalde veiligheidsbewegingen in gang zetten of mogelijk maken dat deze in gang worden gezet. Wanneer het in werking stellen van de noodstopbediening wordt beëindigd nadat een stopbevel is gegeven, moet het stopbevel door blokkering van de noodstopbediening gehandhaafd blijven totdat de blokkering wordt opgeheven; blokkering van de inrichting zonder dat deze een stopbevel genereert, mag niet mogelijk zijn; het opheffen van de blokkering van de inrichting mag alleen door een daartoe passende handeling kunnen geschieden en mag de machine niet in werking stellen, maar alleen een hernieuwde inschakeling mogelijk maken. […] 1.2.6. Defecten in de energievoorziening Een onderbreking, het herstel na een onderbreking of een schommeling in positieve of negatieve zin in de energievoorziening van de machine, mag niet tot gevaarlijke situaties leiden. Met name mag het niet mogelijk zijn dat: – de machine plotseling in werking wordt gesteld; – de stopzetting van de machine wordt verhinderd indien de opdracht daartoe reeds is gegeven; – een bewegend deel van de machine of een door de machine vastgehouden werkstuk valt of wordt uitgeworpen; – de automatische stopzetting of de stopzetting met de hand van enig bewegend deel wordt verhinderd; – de doelmatigheid van de beveiligingsinrichtingen wordt uitgeschakeld. 1.2.7. Defecten in het bedieningscircuit Een defect dat van invloed is op de samenhang van het bedieningscircuit of het falen van of een storing in het bedieningscircuit mag geen gevaarlijke situaties doen ontstaan. Met name mag het niet mogelijk zijn dat: – de machine plotseling in werking wordt gesteld; – de stopzetting van de machine wordt verhinderd indien de opdracht daartoe reeds is gegeven; – een bewegend deel van de machine of een door de machine vastgehouden werkstuk valt of wordt uitgeworpen; – de automatische stopzetting of de stopzetting met de hand van enig bewegend deel wordt verhinderd; – de doelmatigheid van de beveiligingsinrichtingen wordt uitgeschakeld.
7 Punt 2 van die bijlage heeft als opschrift „Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen voor bepaalde categorieën machines” en in punt 2.3, met als opschrift „Machines voor de bewerking van hout en daarmee gelijk te stellen materialen”, wordt onder c) het volgende bepaald: „De machines voor houtbewerking en de machines voor de bewerking van materialen met fysische en technologische eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van hout, zoals kurk, been, verhard rubber, harde kunststoffen en andere soortgelijke harde materialen, moeten aan onderstaande fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen voldoen: […] c) de machine moet zijn uitgerust met automatische remmen die het werktuig binnen voldoende korte tijd tot stilstand brengen, wanneer gevaar voor contact met het werktuig bestaat terwijl dit vertraagt”.
Duits recht
8 Richtlijn 98/37 is omgezet in Duits recht bij de §§ 1 en 16 van het Gesetz zur Neuordnung der Sicherheit von technischen Arbeitsmitteln und Verbraucherprodukten [wet tot herziening van de veiligheid van technische arbeidsmiddelen en consumentenproducten] van 6 januari 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 2).
9 Krachtens § 1 van deze wet heeft de Duitse wetgever het Gesetz über technische Arbeitsmittel und Verbraucherprodukte (Geräte- und Produktsicherheitsgesetz – GPSG) [wet inzake arbeidsmiddelen en consumentenproducten (wet inzake de veiligheid van apparatuur en producten – GPSG)] van 6 januari 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 2) vastgesteld.
10 Krachtens § 16 van de wet inzake de herziening van de veiligheid van technische arbeidsmiddelen en consumentenproducten heeft deze wetgever ten eerste de Neunte Verordnung zum Gerätesicherheitsgesetz [negende uitvoeringsregeling bij de wet inzake de veiligheid van apparatuur (uitvoeringsregeling machines)] van 12 mei 1993 (BGBl. 1993 I, blz. 704) [aanvankelijk vastgesteld krachtens § 1 van de Verordnung zum Gerätesicherheitsgesetz und zur Änderung von Verordnungen zum Gerätesicherheitsgesetz (uitvoeringsregeling bij de wet inzake de veiligheid van apparatuur en tot wijziging van de uitvoeringsregelingen bij de wet inzake de veiligheid van apparatuur) van 12 mei 1993 (BGBl. 1993 I, blz. 704)] en ten tweede deze negende uitvoeringsregeling omgedoopt tot „Neunte Verordnung zum Geräte- und Produktsicherheitsgesetz (Maschinenverordnung – 9e GSGV) [negende uitvoeringsregeling bij de wet inzake de veiligheid van apparatuur en producten (uitvoeringsregeling inzake machines – 9e GSGV)]”.
11 § 2 van de uitvoeringsregeling inzake machines – 9e GSGV luidt: „Machines mogen alleen op de markt worden gebracht indien zij voldoen aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van bijlage I bij richtlijn [98/37] en, mits zij correct worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen, noch voor de veiligheid van huisdieren en goederen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 In 2009 heeft YH bij een distributeur een door Widl vervaardigde cirkelzaag voor houtbewerking gekocht (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag”).
13 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag kon in zowel tafel- als kantelmodus werken. De zaag was uitgerust met een groene inschakelknop en een rode uitschakelknop (hierna: „normale stopinrichting”), die zich beide onder een klep bevonden, alsmede met een rode noodstopknop die zich boven op die klep bevond (hierna: „noodstopinrichting”).
14 Zowel met de normale stopinrichting als met de noodstopinrichting kon een elektronische rem in werking worden gesteld waarmee het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag na ongeveer tien seconden tot stilstand werd gebracht.
15 Op 14 december 2016 heeft YH een ongeval gehad met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag. Hij wilde de zaag van de kantelmodus naar de tafelmodus omschakelen en heeft de motor met een van deze stopinrichtingen stilgelegd. Bij het laden van het gezaagde hout in een kruiwagen heeft hij onopzettelijk een van deze inrichtingen in werking gesteld, hetzij eenmaal gedurende ten minste vier tot vijf seconden, hetzij meerdere malen achter elkaar gedurende in totaal ten minste vier tot vijf seconden.
16 Hierdoor is de remwerking van het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag onderbroken, zodat dit blad gedurende ongeveer elf minuten geruisloos bleef draaien en geleidelijk tot stilstand kwam.
17 YH heeft de bescherming van het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag naar voren geklapt zonder op te merken dat het zaagblad nog steeds geruisloos draaide. Zijn linker wijsvinger werd vervolgens door het blad geraakt en verwond.
18 Na dit ongeval heeft YH bij het Landgericht Deggendorf (rechter in eerste aanleg Deggendorf, Duitsland) een schadevordering tegen Widl ingesteld wegens de ernstige schade die hij had geleden als gevolg van het gebruik van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag.
19 In het kader van de procedure bij deze rechter is een deskundigenverslag opgesteld. In dat verslag heeft de deskundige vastgesteld dat, hoewel de remtijd van het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag op dertien seconden was afgesteld, het zaagblad door het inschakelen van de noodstopinrichting binnen acht tot negen seconden tot stilstand kon worden gebracht. Voorts merkte hij op dat wanneer de noodstopinrichting opnieuw in werking werd gesteld, hetzij eenmaal gedurende ten minste vier tot vijf seconden, hetzij meerdere malen achter elkaar gedurende in totaal ten minste vier tot vijf seconden, dit zaagblad niet binnen de afgestelde remtijd tot stilstand kwam, maar ongeveer elf minuten bleef draaien.
20 Het Landgericht Deggendorf heeft de schadevordering van YH afgewezen.
21 YH heeft tegen deze afwijzingsbeslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland), de verwijzende rechter. Hij betoogt in essentie dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag niet voldoet aan de in richtlijn 98/37 gestelde veiligheidsvoorschriften.
22 Deze rechter merkt op dat YH weliswaar in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot de door hem geleden schade, maar dat Widl ook aansprakelijk kan worden gesteld voor een deel van die schade ingeval de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag niet voldoet aan de in richtlijn 98/37 gestelde veiligheidsvoorschriften.
23 Dienaangaande meent de verwijzende rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag een ontwerpfout vertoont en niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van artikel 3 van en bijlage I bij richtlijn 98/37, met name omdat het opnieuw inschakelen van de noodstopinrichting, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, tot gevolg zou hebben dat het blad van de zaag gedurende ongeveer elf minuten geruisloos blijft draaien. Deze rechter merkt op dat in een noodsituatie niet kan worden uitgesloten dat een gebruiker die in paniek verkeert deze inrichting eenmaal voor langere tijd of meerdere malen achter elkaar in werking stelt en dat ook in een dergelijk geval moet worden verzekerd dat het zaagblad van deze zaag tot stilstand komt, opdat aan de veiligheidsvereisten wordt voldaan.
24 De verwijzende rechter heeft echter twijfels over de uitlegging die moet worden gegeven aan punt 1.2.4 van bijlage I bij richtlijn 98/37. Volgens hem kan de in dat punt geformuleerde zinsnede volgens welke „[w]anneer het in werking stellen van de noodstopbediening wordt beëindigd nadat een stopbevel is gegeven, […] het stopbevel door blokkering van de noodstopbediening gehandhaafd [moet] blijven totdat de blokkering wordt opgeheven”, aldus worden uitgelegd dat indien deze bediening opnieuw in werking wordt gesteld, het bevel om te remmen niet hoeft te worden gehandhaafd. Volgens een dergelijke uitlegging voldoet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag aan de in richtlijn 98/37 gestelde veiligheidsvoorschriften. Bovendien wenst deze rechter te vernemen of een dergelijke bewuste of onbewuste handeling een „passende handeling” vormt om de blokkering van de inrichting op te heffen in de zin van punt 1.2.4 van bijlage I bij richtlijn 98/37.
25 Tegen deze achtergrond heeft het Oberlandesgericht München de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3 van [richtlijn 98/37] juncto bijlage I bij [die richtlijn], in het bijzonder de punten 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6, 1.2.7 en [punt] 2.3, onder c), van deze bijlage, aldus worden uitgelegd dat de noodstopinrichting van een cirkelzaag aan de in die bepalingen opgenomen veiligheidseisen voldoet wanneer, nadat een stopbevel is gegeven, de remwerking wordt onderbroken door het – bewust of onbewust – herhaaldelijk of blijvend opnieuw in werking stellen van de noodstopbediening gedurende ten minste [vier] tot [vijf] seconden, met als gevolg dat het zaagblad niet tot stilstand komt, maar gedurende ongeveer [elf] minuten geruisloos blijft draaien? 2) a) Moet artikel 3 van [richtlijn 98/37] juncto [punt 1.2.4 van bijlage I] bij [die richtlijn] aldus worden uitgelegd dat, ook als (opnieuw) onbewust of onopzettelijk een stopbevel wordt gegeven gedurende de remperiode, sprake is van een ‚in werking stellen’ in de zin van deze [laatstgenoemde] bepaling? b) Indien de tweede vraag, onder a), bevestigend moet worden beantwoord, vormt een dergelijk onbewust of onopzettelijk in werking stellen een ‚passende handeling’ voor het opheffen van de blokkering van de inrichting in de zin van artikel 3 van [richtlijn 98/37] juncto [punt 1.2.4 van bijlage I] bij [die richtlijn]? 3) a) Moet artikel 3 van [richtlijn 98/37] juncto [punt 1.2.4 van bijlage I] bij [die richtlijn] aldus worden uitgelegd dat alleen als (opnieuw) bewust en opzettelijk de noodstopbediening in werking wordt gesteld, sprake is van een ‚in werking stellen’ in de zin van deze [laatstgenoemde] bepaling? b) Indien de derde vraag, onder a), bevestigend moet worden beantwoord, vormt een dergelijk bewust en opzettelijk in werking stellen een ‚passende handeling’ voor het opheffen van de blokkering van de inrichting in de zin van artikel 3 van [richtlijn 98/37] juncto [punt 1.2.4 van bijlage I] bij [die richtlijn]?”
Procedure bij het Hof
26 Bij beslissing van de president van het Hof van 3 maart 2025 is aan de verwijzende rechter een verzoek om inlichtingen gericht teneinde ten eerste vast te stellen of de bepalingen van richtlijn 98/37 in Duits recht waren omgezet, gelet op het feit dat in het kader van een geding tussen particulieren als dat in het hoofdgeding de bepalingen van deze richtlijn zonder omzetting in het nationaal recht voor verweerster in het hoofdgeding op zich geen verplichtingen kunnen scheppen. Ten tweede heeft het Hof deze rechter verzocht te verduidelijken of YH ten tijde van zijn ongeval de normale stopinrichting dan wel de noodstopinrichting in werking had gesteld.
27 Op 20 maart 2025 heeft de verwijzende rechter hierop geantwoord. In de eerste plaats heeft hij opgemerkt dat de bepalingen van richtlijn 98/37 in Duits recht waren omgezet bij de uitvoeringsregeling inzake machines – 9e GSGV, waarvan § 2 bepaalt dat machines alleen op de markt mogen worden gebracht indien zij voldoen aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van bijlage I bij richtlijn 98/37 en, mits zij correct worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen, noch voor de veiligheid van huisdieren en goederen, . In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter verduidelijkt dat YH voor het Landgericht Deggendorf had aangegeven dat hij ten tijde van zijn ongeval de normale stopinrichting in werking had gesteld, terwijl hij voor de verwijzende rechter had aangegeven dat hij de noodstopinrichting in werking had gesteld. Volgens de verwijzende rechter hoeft evenwel niet te worden vastgesteld welke van deze inrichtingen in werking was gesteld, aangezien beide inrichtingen in beginsel dezelfde remfunctie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag vervulden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
28 Met zijn drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 van richtlijn 98/37 en de punten 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6, 1.2.7 en punt 2.3, onder c), van bijlage I bij deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een normale en/of een noodstopinrichting van een cirkelzaag voor houtbewerking aan de in die bepalingen opgenomen veiligheids- en gezondheidseisen voldoet wanneer, nadat de stopinrichting van de machine is geactiveerd, de remwerking van deze zaag wordt onderbroken doordat de betrokken stopinrichting – bewust of onbewust – opnieuw in werking wordt gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, zodat het blad van de zaag niet tot stilstand komt, maar geruisloos blijft draaien en pas na meerdere minuten geleidelijk tot stilstand komt.
29 In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 98/37 een volledige harmonisatie op het niveau van de Unie tot stand brengt van de regels betreffende de fundamentele eisen inzake de veiligheid van machines en de verklaringen van overeenstemming van deze machines met die eisen, maar ook van de regels betreffende de wijze waarop de lidstaten machines waarvan wordt aangenomen dat zij met deze eisen overeenstemmen, mogen behandelen (zie in die zin arrest van 17 april 2007, AGM-COS.MET,C‑470/03, EU:C:2007:213, punt 53).
30 Deze richtlijn beoogt overeenkomstig de tweede, de zesde, de zevende en de negende overweging immers het vrije verkeer van machines binnen de interne markt te verzekeren en te voldoen aan de dwingende en fundamentele eisen die op het vlak van veiligheid en gezondheid aan deze machines worden gesteld door de nationale regelingen op het gebied van certificatie en de verklaring van overeenstemming te vervangen door een geharmoniseerde regeling. Daartoe bevat de richtlijn met name in artikel 3 en bijlage I een lijst van de fundamentele veiligheids‑ en gezondheidseisen waaraan de in de lidstaten geproduceerde machines en veiligheidscomponenten dienen te voldoen (arresten van 8 september 2005, Yonemoto, C‑40/04, EU:C:2005:519, punt 31, en 17 april 2007, AGM-COS.MET, C‑470/03, EU:C:2007:213, punt 52).
31 Tot deze eisen behoren in de eerste plaats de in het ontwerp van de machine verwerkte veiligheidsbeginselen die zijn vastgelegd in punt 1.1.2 van deze bijlage en waaraan de machines en de veiligheidscomponenten ervan moeten voldoen. In het bijzonder dient de machine overeenkomstig punt 1.1.2, onder a), zodanig te zijn gebouwd dat ze kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaar blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder de door de fabrikant vastgestelde omstandigheden. Deze bepaling schrijft eveneens voor dat de genomen maatregelen ertoe moeten strekken elk ongevalsrisico gedurende de te verwachten levensduur van de machine, ook bij het monteren en demonteren, volledig uit te sluiten, zelfs wanneer deze risico’s het gevolg zijn van te voorziene abnormale omstandigheden.
32 Bovendien moet de fabrikant krachtens punt 1.1.2, onder b), van bijlage I bij richtlijn 98/37, bij het kiezen van de meest passende oplossingen, in de gegeven volgorde, allereerst de risico’s voor de veiligheid of de gezondheid uitsluiten of zoveel mogelijk beperken, vervolgens, de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen treffen voor risico’s die niet kunnen worden uitgesloten, en ten slotte de gebruikers informeren over de risico’s die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsmaatregelen, aangeven of een bijzondere opleiding vereist is en signaleren dat persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt.
33 Bovendien vereist het beginsel in punt 1.1.2, onder c), van deze bijlage dat de fabrikant van de betrokken machine bij het ontwerp en de bouw ervan alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing van die machine niet alleen uitgaat van een normaal gebruik, maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik van die machine.
34 In de tweede plaats bepaalt punt 1.2.1 van deze bijlage dat de bedieningssystemen dusdanig moeten zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij zo veilig en betrouwbaar zijn dat er geen gevaarlijke situatie kan ontstaan en dat met name fouten in de logica bij de bedieningshandelingen niet tot gevaarlijke situaties kunnen leiden, terwijl punt 1.2.2 van die bijlage met name bepaalt dat de bedieningsorganen zodanig moeten zijn ontworpen dat de beweging ervan een logisch verband heeft met het bewerkstelligde effect.
35 In de derde plaats vereist punt 1.2.4 van de bijlage bij richtlijn 98/37 dat elke machine is voorzien van een bedieningsorgaan waarmee zij op veilige wijze volledig kan worden stopgezet, namelijk een normale stopinrichting en, behoudens specifieke uitzonderingen die niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, één of meer noodstopinrichtingen waarmede een onmiddellijk dreigende of ontstaande gevaarlijke situatie kan worden afgewend.
36 Wat om te beginnen de normale stopinrichting betreft, bepaalt dit punt 1.2.4 dat deze inrichting het mogelijk moet maken, naargelang het risico, hetzij alle bewegende delen van de betrokken machine, hetzij een aantal daarvan stil te leggen, zodat de machine in veilige toestand is. Bovendien moet de stopopdracht voorrang hebben boven startopdrachten aan die machine. Zodra de machine of de gevaarlijke functies ervan tot stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijvingen worden onderbroken.
37 Wat voorts de noodstopinrichting betreft, bepaalt dit punt 1.2.4 dat deze inrichting duidelijk herkenbare, goed zichtbare en snel bereikbare bedieningsorganen moet hebben. Bovendien moet deze inrichting de stopzetting van een gevaarlijk proces binnen de kortst mogelijke tijd bewerkstelligen zonder extra risico’s te scheppen en, eventueel bepaalde veiligheidsbewegingen in gang zetten of mogelijk maken dat deze in gang worden gezet.
38 In datzelfde punt 1.2.4 wordt bovendien verduidelijkt dat „[w]anneer het in werking stellen van de noodstopbediening wordt beëindigd nadat een stopbevel is gegeven, […] het stopbevel door blokkering van de noodstopbediening gehandhaafd [moet] blijven totdat de blokkering wordt opgeheven” en dat de blokkering van de inrichting zonder dat deze een stopbevel genereert, niet mogelijk mag zijn. Bovendien mag het opheffen van de blokkering van de inrichting alleen door een daartoe passende handeling kunnen geschieden en mag dit de machine niet in werking stellen, maar alleen een hernieuwde inschakeling mogelijk maken.
39 Hieruit volgt dat het inschakelen van de noodstopinrichting een stopbevel in gang moet zetten, dat door een blokkering van deze inrichting gehandhaafd moet blijven. Als de werking van die inrichting wordt gestopt, dan mag dat dus niet tot gevolg hebben dat de blokkering ervan wordt opgeheven, aangezien dit alleen door een daartoe passende handeling mag plaatsvinden. Het begrip „passende handeling” in de zin van punt 1.2.4 van bijlage I bij richtlijn 98/37 moet aldus worden opgevat dat het duidt op een specifieke handeling die losstaat van het inschakelen van dezelfde inrichting en die specifiek tot doel heeft om de blokkering van die inrichting op te heffen.
40 Bovendien moet worden benadrukt dat het opheffen van de blokkering van de noodstopinrichting door een dergelijke passende handeling de betrokken machine in geen geval opnieuw in werking mag stellen. De herstart van deze machine mag immers alleen mogelijk zijn door de daaropvolgende bediening van een ander bedieningsorgaan.
41 In de vierde plaats bepalen de punten 1.2.6 en 1.2.7 van bijlage I bij richtlijn 98/37 in wezen dat geen enkel defect in de samenhang of de energievoorziening van het bedieningscircuit tot gevaarlijke situaties mag leiden, noch mag verhinderen dat de betrokken machine tot stilstand komt indien de opdracht daartoe reeds is gegeven.
42 In de vijfde en de laatste plaats moet worden opgemerkt dat punt 2.3 van deze bijlage aanvullende eisen stelt aan machines voor houtbewerking, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag.
43 Wat in het bijzonder het remmen van dergelijke machines betreft, bepaalt punt 2.3, onder c), van bijlage I bij richtlijn 98/37 dat de betrokken machine moet zijn uitgerust met automatische remmen die het werktuig binnen voldoende korte tijd tot stilstand brengen, wanneer gevaar voor contact met dit werktuig bestaat terwijl het vertraagt.
44 Een dergelijke eis is een aanvullende veiligheidsmaatregel voor machines voor houtbewerking en beoogt te verzekeren dat aan de gezondheids- en veiligheidseisen wordt voldaan, met name door het werktuig van de betrokken machine voor houtbewerking, zoals messen, frezen enz., binnen voldoende korte tijd tot stilstand te brengen om het risico van accidenteel contact tijdens de vertragingsfase van dit werktuig uit te sluiten.
45 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat YH, nadat hij een stopbevel had gegeven, onbewust de noodstopinrichting of de normale stopinrichting in werking heeft gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, met als gevolg dat de remwerking is onderbroken en het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag gedurende meerdere minuten geruisloos is blijven draaien.
46 Gesteld al dat de blokkering van de noodstopinrichting overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de betrokken machine kan worden opgeheven door deze inrichting eenmaal voor langere tijd of meerdere malen achter elkaar in werking te stellen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, neemt dat niet weg dat het opheffen van de blokkering in geen geval deze machine opnieuw in werking mag stellen, maar enkel een herstart mogelijk mag maken, zoals uitdrukkelijk is bepaald in punt 1.2.4 van bijlage I bij richtlijn 98/37 en in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
47 Het feit dat de in punt 45 van het onderhavige arrest beschreven handelingen, al dan niet bewust, tot gevolg hebben dat de remwerking is onderbroken en dat het zaagblad van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaag gedurende meerdere minuten geruisloos is blijven draaien, lijkt dus in strijd met de in punt 1.2.4 van bijlage I bij richtlijn 98/37 bedoelde eis en kan dus geen „passende handeling” vormen om de blokkering van de noodstopinrichting op te heffen in de zin van dat punt 1.2.4.
48 Dezelfde conclusie geldt mutatis mutandis voor het geval dat YH de normale stopinrichting in werking zou hebben gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar. Zelfs indien de normale stopinrichting en de noodstopinrichting bepaalde verschillen vertonen wat hun eigen fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen betreft, zijn zij in wezen onderworpen aan dezelfde in het ontwerp van de machine verwerkte veiligheidsbeginselen en hebben zij dezelfde wezenlijke functie, namelijk de stopzetting van de betrokken machine door deze in een veilige toestand te brengen. Als de normale stopinrichting in werking wordt gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, mag dat dus in geen geval tot gevolg hebben dat het daardoor gegenereerde stopbevel wordt onderbroken en dus evenmin dat de cirkelzaag gedurende meerdere minuten kan blijven draaien.
49 Bovendien lijkt een dergelijk gevolg ook in strijd met de in het ontwerp van de machine verwerkte veiligheidsbeginselen waaraan machines en de veiligheidscomponenten ervan moeten voldoen, die in punt 1.1.2 van bijlage I bij richtlijn 98/37 zijn vastgelegd, alsmede met de uit de punten 1.2.1, 1.2.2, 1.2.6, 1.2.7, en punt 2.3, onder c), van deze bijlage voortvloeiende veiligheids- en gezondheidseisen, die in de punten 31 tot en met 34 en 41 tot en met 44 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, aangezien het de personen die de betrokken machine gebruiken blootstelt aan een verhoogd risico voor hun veiligheid en hun gezondheid. Zoals de verwijzende rechter benadrukt is het immers te verwachten dat een persoon die deze machine gebruikt en in paniek raakt, de noodstopinrichting of de normale stopinrichting ervan in werking stelt – hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar – om de machine stop te zetten. Doordat bij deze inrichtingen de mogelijkheid bestaat dat het zaagblad van de betrokken machine gedurende meerdere minuten geruisloos blijft draaien in plaats van binnen een voldoende korte tijd tot stilstand te komen, voldoen die inrichtingen niet aan alle voornoemde eisen.
50 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 3 van richtlijn 98/37 en de punten 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6, 1.2.7 en punt 2.3, onder c), van bijlage I bij deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een normale en/of een noodstopinrichting van een cirkelzaag voor houtbewerking niet voldoen aan de in die bepalingen opgenomen veiligheids- en gezondheidseisen wanneer, nadat de stopinrichting van de machine is geactiveerd, de remwerking van deze zaag wordt onderbroken doordat de betrokken stopinrichting – bewust of onbewust – opnieuw in werking wordt gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, zodat het blad van de zaag niet tot stilstand komt, maar geruisloos blijft draaien en pas na meerdere minuten geleidelijk tot stilstand komt.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3 van richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines, alsmede de punten 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.4, 1.2.6, 1.2.7 en punt 2.3, onder c), van bijlage I bij deze richtlijn
moeten aldus worden uitgelegd dat
een normale en/of een noodstopinrichting van een cirkelzaag voor houtbewerking niet voldoen aan de in die bepalingen opgenomen veiligheids- en gezondheidseisen wanneer, nadat de stopinrichting van de machine is geactiveerd, de remwerking van deze zaag wordt onderbroken doordat de betrokken stopinrichting – bewust of onbewust – opnieuw in werking wordt gesteld, hetzij eenmaal voor langere tijd, hetzij meerdere malen achter elkaar, zodat het blad van de zaag niet tot stilstand komt, maar geruisloos blijft draaien en pas na meerdere minuten geleidelijk tot stilstand komt.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.