HvJ EU 23 april 2026, C-132/25, ECLI:EU:C:2026:340
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
23 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Richtlijn 2004/48/EG – Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten – Artikel 9, lid 5 – Voorlopige maatregelen – Geen procedure ingesteld die leidt tot een beslissing ten principale – Nationale regeling waarbij de gevolgen worden gehandhaafd van voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale”
In zaak C‑132/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 10 februari 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
M.M. Ristorazione Srl
tegen
Villa Ramazzini Srl,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– M.M. Ristorazione Srl, vertegenwoordigd door B. Pasanisi, avvocato,
– Villa Ramazzini Srl, vertegenwoordigd door M. Machetta, avvocato,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door F. Montanaro, avvocato dello Stato, en I. Fresu, procuratore dello Stato,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Hanje en J. Langer als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Biz, J. Samnadda en J. Szczodrowski als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PBL 195, blz. 16).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M.M. Ristorazione Srl en Villa Ramazzini Srl, houder van het beeldmerk Mò Mò, over een verzoek van M.M. Ristorazione om te verklaren dat een voorlopig bevel heeft opgehouden gevolg te hebben. Bij dat voorlopig bevel werd haar het verbod opgelegd om het onderscheidende teken „Mò Mò Pizza, Sapori e Salute” en elk ander onderscheidend teken met het merk Mò Mò te gebruiken.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom is opgenomen als bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die is ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1; hierna: „TRIPs-overeenkomst”). De leden van de WTO, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie alsook de Unie zelf, zijn partij bij de TRIPs-overeenkomst.
4 Artikel 50 van deze overeenkomst, dat onder deel III ervan valt, bepaalt: „1. De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid om onmiddellijke en doeltreffende voorlopige maatregelen te gelasten: a) om te beletten dat zich een inbreuk op een recht uit hoofde van de intellectuele eigendom voordoet, en met name om te beletten dat goederen in het verkeer onder hun rechtsmacht worden gebracht, met inbegrip van ingevoerde goederen onmiddellijk na inklaring door de douane; b) om met betrekking tot de vermeende inbreuk van belang zijnd bewijsmateriaal te beschermen. 2. De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid, wanneer passend, voorlopige maatregelen te treffen zonder de wederpartij te hebben gehoord, met name wanneer uitstel vermoedelijk onherstelbare schade voor de houder van het recht zal veroorzaken, of wanneer er een aantoonbaar risico is dat bewijsmateriaal zal worden vernietigd. […] 6. Onverminderd het vierde lid, worden op grond van het eerste en het tweede lid genomen voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden zij anderszins op gevolg te hebben, indien de procedure die leidt tot een beslissing ten principale niet wordt aangevangen binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toestaat of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is. […]”
Unierecht
5 De overwegingen 4, 5 en 22 van richtlijn 2004/48 luiden: „(4) Op internationaal niveau zijn alle lidstaten, alsmede de [Europese] Gemeenschap zelf voor de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden gebonden door de [TRIPs-overeenkomst], […]. (5) De TRIPs-overeenkomst omvat met name bepalingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten die gemeenschappelijke normen vormen die op internationaal vlak van toepassing zijn en in alle lidstaten ten uitvoer worden gelegd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de lidstaten, met inbegrip van de TRIPs-overeenkomst. […] (22) Ook moet worden voorzien in voorlopige maatregelen om de inbreuk [op intellectuele-eigendomsrechten] onmiddellijk te kunnen doen ophouden zonder op een beslissing ten gronde te wachten; hierbij moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd, moet worden toegezien op de evenredigheid van de voorlopige maatregelen naargelang van het specifieke karakter van de desbetreffende zaak en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden om de kosten en de schade te dekken die de verweerder door een ongerechtvaardigd verzoek heeft geleden. Deze maatregelen zijn met name gerechtvaardigd wanneer elk uitstel voor de houder van een intellectueel eigendomsrecht onherstelbare schade zou veroorzaken.”
6 Artikel 2 van deze richtlijn heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1: „Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.”
7 Artikel 3 van die richtlijn heeft als opschrift „Algemene verplichting” en luidt: „1. De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden. 2. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”
8 Artikel 9 van deze richtlijn heeft als opschrift „Voorlopige en conservatoire maatregelen” en luidt als volgt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser: a) tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien het nationale recht hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende; onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om op een recht van intellectuele eigendom inbreuk te maken; het bevel tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of een naburig recht, wordt beheerst door richtlijn 2001/29/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10)]; b) de inbeslagneming of afgifte kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of dat zij zich daarin bevinden. 2. De lidstaten dragen er zorg voor dat, in het geval van inbreuk op commerciële schaal, de rechterlijke instanties aan de benadeelde partij die omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten. 3. De rechterlijke instanties hebben met betrekking tot de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen de bevoegdheid om van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de eiser de houder van het recht is en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt. 4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen in passende gevallen kunnen worden genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, met name indien uitstel onherstelbare schade voor de rechthebbende zou veroorzaken. In dit geval worden de partijen uiterlijk onmiddellijk na de uitvoering van de maatregelen hiervan in kennis gesteld. Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen, of deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd. 5. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de eiser niet een procedure die leidt tot een beslissing ten principale bij de bevoegde rechterlijke instantie heeft ingesteld binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toelaat of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is. […]”
Italiaans recht
CPI
9 Artikel 131 („Rechterlijk bevel”) van decreto legislativo n. 30 – Codice della proprietà industriale, a norma dell’articolo 15 della legge 12 dicembre 2002, n. 273 (wetsbesluit nr. 30 tot goedkeuring van het wetboek van industriële eigendom overeenkomstig artikel 15 van wet nr. 273 van 12 december 2002) van 10 februari 2005 (GURI nr. 52 van 4 maart 2005, gewoon supplement nr. 28), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „CPI”), bepaalt: „1. De houder van een industriële-eigendomsrecht kan verzoeken om een rechterlijk bevel tegen elke dreigende inbreuk op zijn recht en tegen de voortzetting of herhaling van lopende inbreuken. Hij kan in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering [(hierna: „CPC”)] inzake conservatoire procedures verzoeken om een rechterlijk bevel tegen de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van inbreukmakende goederen, alsmede om een bevel dat deze goederen uit de handel worden genomen, ten aanzien van eenieder die ze in zijn bezit heeft of er anderszins toegang toe heeft. Het rechterlijke bevel en het bevel om deze goederen uit de handel te nemen kunnen om dezelfde redenen worden aangevraagd tegen eenieder wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een industriële-eigendomsrecht. 2. Bij de uitvaardiging van het rechterlijke bevel kan de rechter een bedrag vaststellen dat verschuldigd is voor elke later vastgestelde schending of niet-naleving en voor elke vertraging bij de uitvoering van de maatregel.”
10 Artikel 132 CPI heeft als opschrift „Voorlopige rechtsbescherming en verband tussen de procedure in kort geding en de bodemprocedure” en bepaalt: „1. De in de artikelen 126, 128, 129, 131 en 133 bedoelde maatregelen kunnen ook worden genomen in de loop van de procedure van indiening van een octrooiaanvraag of van inschrijving, op voorwaarde dat het verzoek toegankelijk is gemaakt voor het publiek of voor de personen aan wie het ter kennis is gebracht. 2. Indien de rechterlijke instantie die de voorlopige maatregel neemt, geen termijn vaststelt waarbinnen de partijen de bodemprocedure aanhangig moeten maken, moet deze procedure worden ingeleid binnen 20 werkdagen, of binnen 31 kalenderdagen indien deze termijn langer is. De termijn gaat in op de dag waarop de beschikking is gegeven ter terechtzitting of, bij gebreke daarvan, vanaf de betekening ervan. Indien tegelijk met of subsidiair aan de beschreven voorlopige maatregelen om aanvullende voorlopige maatregelen wordt verzocht, wordt voor de berekening van de termijn rekening gehouden met de beschikking van de aangewezen rechterlijke instantie, die ook over deze aanvullende maatregelen beslist. 3. Indien de bodemprocedure niet binnen de in lid 2 gestelde dwingende termijn is ingeleid of na de inleiding ervan is beëindigd, houdt de voorlopige maatregel op gevolgen te hebben. 4. Het bepaalde in lid 3 is niet van toepassing op spoedmaatregelen die op grond van artikel 700 [CPC] zijn genomen en evenmin op andere voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale [(hierna: ‚anticiperende maatregelen’)]. In die gevallen kan elke partij de bodemprocedure inleiden. […]”
CPC
11 Artikel 700 CPC bepaalt: „Behalve in de gevallen die onder de voorgaande afdelingen van dit hoofdstuk vallen, kan eenieder die gegronde redenen heeft om te vrezen dat zijn recht, gedurende de tijd die nodig is om dit via de gewone weg te doen gelden, dreigt te worden aangetast door een onmiddellijk en onherstelbaar nadeel, de rechter verzoeken om spoedmaatregelen te gelasten die deze rechter gezien de omstandigheden het meest geschikt lijken om de gevolgen van de beslissing ten principale voorlopig te waarborgen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12 Villa Ramazzini, een in Italië gevestigde onderneming, is houder van het beeldmerk Mò Mò.
13 M.M. Ristorazione, een eveneens in Italië gevestigde onderneming, gebruikte het onderscheidende teken „Mò Mò Pizza, Sapori e Salute”.
14 Bij voorlopig bevel van 22 maart 2018 heeft de Tribunale di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) een door Villa Ramazzini ingediend verzoek om voorlopige rechtsbescherming toegewezen. In het bijzonder heeft deze rechter M.M. Ristorazione verboden het teken „Mò Mò Pizza, Sapori e Salute” en elk ander onderscheidend teken met het merk Mò Mò te gebruiken, de verwijdering van dit teken uit het uithangbord van M.M. Ristorazione gelast en M.M. Ristorazione een dwangsom opgelegd voor elke dag vertraging bij de uitvoering van zijn beslissing, te rekenen vanaf de betekening van de uitvoerbare titel ervan.
15 M.M. Ristorazione heeft de Tribunale di Roma verzocht om te verklaren dat het voorlopig bevel van 22 maart 2018 heeft opgehouden gevolg te hebben. Zij heeft betoogd dat dit bevel zijn werking had verloren op grond van artikel 132, lid 3, CPI en artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48, aangezien Villa Ramazzini geen bodemprocedure had ingeleid om haar recht te doen vaststellen.
16 Bij vonnis van 8 juli 2020 heeft de Tribunale di Roma dit verzoek om te verklaren dat het voorlopig bevel heeft opgehouden gevolg te hebben, afgewezen op grond van artikel 132, lid 4, CPI, volgens hetwelk de sanctie van verval van de voorlopige maatregel wegens niet-tijdige inleiding van de bodemprocedure niet van toepassing is op anticiperende maatregelen, zoals volgens deze rechter het tegen M.M. Ristorazione uitgevaardigde bevel tot staking. Volgens deze rechter heeft artikel 9 van richtlijn 2004/48 uitsluitend betrekking op maatregelen die naar hun aard voorlopig zijn, en niet op maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale.
17 M.M. Ristorazione heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Corte d’appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië), die het in eerste aanleg gewezen vonnis heeft bevestigd. Na de in artikel 131 CPI bedoelde bevelen tot staking als anticiperende maatregelen te hebben aangemerkt, heeft deze rechter geoordeeld dat wanneer deze maatregelen definitief zijn geworden, zij op zichzelf het recht van de verzoekende partij definitief kunnen beschermen. In dit opzicht moeten die maatregelen worden onderscheiden van de maatregelen waarop artikel 9 van richtlijn 2004/48 betrekking heeft, die worden gekenmerkt door het streven om een feitelijke situatie te handhaven opdat de beslissing ten principale in de toekomst gevolgen kan hebben. Volgens deze rechter beoogt de regeling van de anticiperende maatregelen om het in artikel 3 van deze richtlijn neergelegde beginsel van proceseconomie te eerbiedigen.
18 M.M. Ristorazione heeft cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dat beroep voert zij twee middelen aan, waarvan het eerste met name is ontleend aan schending van artikel 9 van richtlijn 2004/48 en artikel 132 CPI. Volgens M.M. Ristorazione omvat artikel 9 de anticiperende maatregelen, zoals bevelen die erop gericht zijn om inbreuken te voorkomen of te doen staken. Bovendien verzet artikel 3 van deze richtlijn zich er niet tegen dat anticiperende maatregelen kunnen ophouden gevolg te hebben.
19 De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat in artikel 132, lid 3, CPI weliswaar de algemene regel is opgenomen dat de voorlopige maatregel ophoudt gevolgen te hebben indien de bodemprocedure niet binnen de voorgeschreven dwingende termijn wordt ingeleid, maar artikel 132, lid 4, CPI bepaalt dat deze regel niet van toepassing is op krachtens artikel 700 CPC vastgestelde spoedmaatregelen en andere voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale, waarbij elke partij een bodemprocedure kan inleiden.
20 Deze rechter voegt daaraan toe dat uit artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 volgt dat de in de leden 1 en 2 bedoelde voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder moeten worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de eiser niet binnen een redelijke termijn een procedure heeft ingesteld die leidt tot een beslissing ten principale.
21 De verwijzende rechter preciseert dat volgens de rechtspraak van het Hof de in artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 bedoelde maatregelen behoren tot de door de Uniewetgever vastgestelde rechtsinstrumenten die het mogelijk maken om het risico dat de verweerder ten gevolge van de voorlopige maatregelen schade lijdt, op omvattende wijze te beperken en hem aldus te beschermen.
22 De verwijzende rechter merkt op dat tot van de in artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48 genoemde maatregelen het interlocutoir bevel behoort, dat samenvalt met het bevel tot staking van artikel 131, lid 1, CPI, alsmede de betaling van een dwangsom, die gelijkstaat aan de vaststelling van een „bedrag […] dat verschuldigd is voor elke later vastgestelde schending of niet-naleving en voor elke vertraging bij de uitvoering van de maatregel” als bedoeld in artikel 131, lid 2, CPI.
23 In de tweede plaats zet de verwijzende rechter uiteen dat op nationaal niveau noch de rechtspraak noch de rechtsleer een eenduidig antwoord biedt op de vraag of artikel 132, lid 4, CPI in strijd is met de bepalingen van richtlijn 2004/48.
24 In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 9, lid 5, van richtlijn [2004/48] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan artikel 132, lid 4, [CPI], op grond waarvan de regel van artikel 132, lid 3, [CPI] dat een voorlopige maatregel ophoudt gevolg te hebben wanneer de bodemprocedure niet binnen een dwingende termijn is ingeleid, niet van toepassing is op spoedmaatregelen die krachtens artikel 700 [CPC] zijn genomen en op andere [voorlopige] maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale, ook al kan in dergelijke gevallen elk van de partijen die bodemprocedure inleiden?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan bepaalde voorlopige maatregelen, zoals voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale, kunnen worden gehandhaafd, terwijl de eiser niet binnen de in artikel 9, lid 5, gestelde termijn een procedure heeft ingesteld die tot een dergelijke beslissing leidt en de verweerder verzoekt dat die voorlopige maatregelen worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben.
26 Vooraf zij eraan herinnerd dat de TRIPs-overeenkomst, die integrerend deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie, de Unie bindt en dus voorrang heeft op de handelingen van afgeleid Unierecht, die voor zover mogelijk in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2024:172, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 In dit verband wordt in de overwegingen 4 en 5 van richtlijn 2004/48 aangegeven dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit de TRIPs-overeenkomst, waar alle lidstaten en de Unie zelf door gebonden zijn. Bovendien weerspiegelt artikel 9 van deze richtlijn de tekst van artikel 50 van die overeenkomst. Hieruit volgt dat die richtlijn zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie die uit die overeenkomst voortvloeien.
28 Bovendien moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 19 juni 2025, CeramTec, C‑17/24, EU:C:2025:455, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In de eerste plaats dienen de lidstaten er krachtens artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 zorg voor te dragen dat de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de eiser niet een procedure die leidt tot een beslissing ten principale bij de bevoegde rechterlijke instantie heeft ingesteld binnen de door deze instantie vastgestelde termijn of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
30 Uit de bewoordingen van artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 blijkt dat het om te beginnen gaat om de voorlopige maatregelen die onder artikel 9, lid 1, onder a), van deze richtlijn vallen. Deze maatregelen zijn met name bedoeld om met een voorlopig bevel een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of, indien wenslijk en indien het nationale recht hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende.
31 Vervolgens gaat het om de voorlopige maatregelen die onder artikel 9, lid 1, onder b), van die richtlijn vallen, te weten die waarmee de inbeslagneming of afgifte wordt gelast van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of dat zij zich daarin bevinden.
32 Ten slotte gaat het om de voorlopige maatregelen die onder artikel 9, lid 2, van deze richtlijn vallen en die erin bestaan dat conservatoir beslag wordt gelegd op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden.
33 De bewoordingen van artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48, gelezen in samenhang met de leden 1 en 2, van deze bepaling, dekken dus een breed scala aan voorlopige maatregelen en sluiten voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale niet uit.
34 In de tweede plaats volgt uit de context van artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 dat deze bepaling tot doel heeft de verweerder die de adressaat van een voorlopige maatregel is, het recht te verlenen om die maatregel te beëindigen indien blijkt dat de eiser het geding niet voortzet door binnen de gestelde termijn een procedure die leidt tot een beslissing ten principale in te stellen (zie naar analogie arrest van 13 september 2001, Schieving-Nijstad e.a., C‑89/99, EU:C:2001:438, punt 42).
35 Artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 verplicht de lidstaten immers niet om te voorzien in de automatische beëindiging van de gevolgen van de betrokken voorlopige maatregelen wegens het verstrijken van de termijn die aan de eiser is gesteld om de procedure in te stellen die leidt tot een beslissing ten principale, aangezien in deze bepaling uitdrukkelijk wordt gesteld dat daartoe een verzoek van de verweerder vereist is (zie naar analogie arrest van 13 september 2001, Schieving-Nijstad e.a., C‑89/99, EU:C:2001:438, punt 60).
36 Voorts bepaalt artikel 9, lid 4, van deze richtlijn dat, zelfs indien de voorlopige maatregelen zijn gelast zonder dat de verweerder is gehoord, deze slechts op verzoek van laatstgenoemde worden herzien.
37 Wat in de derde plaats de doelstellingen en het oogmerk van richtlijn 2004/48 betreft, zij opgemerkt dat deze richtlijn aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten beoogt te regelen die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken daarop, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen (arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact, C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn moeten de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om de handhaving van deze rechten te waarborgen, met name eerlijk en billijk zijn.
38 Bovendien wordt in artikel 3, lid 2, van deze richtlijn benadrukt dat deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn en zodanig moeten worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures. Deze bepaling verplicht aldus de lidstaten en uiteindelijk de nationale rechterlijke instanties om garanties te bieden zodat met name de maatregelen en procedures van artikel 9 van richtlijn 2004/48 niet onrechtmatig worden gebruikt (arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact, C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Bovendien heeft artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48, zoals ook blijkt uit overweging 22 van deze richtlijn, tot doel ervoor te zorgen dat de betrokken voorlopige maatregelen niet eeuwig van kracht blijven zonder een beslissing ten principale. Artikel 9, lid 5, gelezen in samenhang met artikel 3 van deze richtlijn, heeft dus tot doel onevenredig gebruik of misbruik van voorlopige maatregelen te voorkomen en het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer te vermijden door de verweerder de mogelijkheid te bieden om te verzoeken dat deze maatregelen worden herroepen indien de eiser geen bodemprocedure instelt.
40 Artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48, dat geen enkele uitzondering op de daarin neergelegde regel bevat, vormt dus een van de waarborgen ten gunste van de verweerder die de Uniewetgever noodzakelijk heeft geacht als tegengewicht voor de snelle en doeltreffende voorlopige maatregelen waarin hij heeft voorzien en waardoor de belangen van de verweerder worden geschaad (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact, C‑44/21, EU:C:2022:309, punten 43‑48).
41 Dat bepaalde voorlopige maatregelen worden gehandhaafd zonder dat de eiser verplicht is een bodemprocedure in te stellen, kan leiden tot situaties waarin een voorlopige maatregel – die in het kader van een spoedprocedure gerechtvaardigd lijkt maar vervolgens mogelijkerwijs ongerechtvaardigd blijkt te zijn – de verweerder blijft raken bij gebreke van rechterlijke toetsing van de grond van de zaak en bij de toepassing van de maatregelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten afbreuk kan doen aan het door artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 nagestreefde doel en aan het in artikel 3, lid 2, van deze richtlijn neergelegde evenredigheidsbeginsel.
42 Bovendien kan het door de verwijzende rechter aangevoerde beginsel van proceseconomie geen voorrang hebben boven de uitdrukkelijke bepalingen van afgeleid Unierecht, die vereisen dat waarborgen worden ingevoerd ter bescherming van de rechten van de verdediging, zoals die zijn neergelegd in de artikelen 3 en 9 van richtlijn 2004/48, gelezen in het licht van artikel 50 van de TRIPs-overeenkomst en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
43 Ten slotte kan artikel 2, lid 1, van richtlijn 2004/48, waaruit blijkt dat deze richtlijn van toepassing is onverminderd de middelen die met name in de nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden (arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact, C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), niet aldus worden uitgelegd dat het de handhaving toestaat van bepaalde voorlopige maatregelen zonder dat de eiser die zich op een intellectuele-eigendomsrecht beroept, verplicht is een bodemprocedure in te leiden. Hoewel een nationale regel die in een dergelijke handhaving voorziet, gunstiger zou kunnen zijn voor de houders van intellectuele-eigendomsrechten, heeft de Uniewetgever in de artikelen 3 en 9 van richtlijn 2004/48 namelijk de voorwaarden voor toepassing van de voorlopige maatregelen vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met artikel 50 van de TRIPs-overeenkomst, waarbij hij er tegelijkertijd over waakt een evenwicht te verzekeren tussen de rechten van de houder van intellectuele-eigendomsrechten en de rechten van de verdediging uit hoofde van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten. Die toepassingsvoorwaarden vallen dus niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten.
44 In de vierde plaats zet de verwijzende rechter uiteen dat de anticiperende maatregelen van artikel 132, lid 4, CPI volgens een deel van de rechtsleer niet onder de in artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 bedoelde voorlopige maatregelen vallen. Anders dan voorlopige maatregelen in strikte zin worden die maatregelen geacht de intellectuele-eigendomsrechten op dezelfde wijze te beschermen als een definitieve beslissing. Door vooruit te lopen op de beslissing ten principale vormen zij atypische voorlopige maatregelen.
45 In dit verband staat het aan de nationale rechter om te bepalen of de in het kader van het hoofdgeding genomen anticiperende maatregelen voorlopige maatregelen in de zin van artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/48 vormen.
46 Evenwel kan om te beginnen worden opgemerkt dat vaststaat dat zowel de eiser als de verweerder een bodemprocedure kan instellen, zodat dergelijke anticiperende maatregelen door de wetgever niet als juridisch definitief zijn bedoeld, daar hij deze zelf als voorlopige maatregelen heeft aangemerkt (zie naar analogie arrest van 16 juni 1998, Hermès, C‑53/96, EU:C:1998:292, punt 38).
47 Voorts zij herinnerd aan de rechtspraak van het Hof volgens welke „de eventuele bereidheid van partijen om het kortgedingvonnis als ‚definitieve’ beslechting van hun geschil te aanvaarden, geen wijziging [kan] brengen in het rechtskarakter van een als ‚voorlopig’ in de zin van artikel 50 van [de TRIPs-overeenkomst] aangemerkte maatregel” (arrest van 16 juni 1998, Hermès, C‑53/96, EU:C:1998:292, punt 44).
48 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan bepaalde voorlopige maatregelen, zoals voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale, kunnen worden gehandhaafd, terwijl de eiser niet binnen de in artikel 9, lid 5, gestelde termijn een procedure heeft ingesteld die tot een dergelijke beslissing leidt en de verweerder verzoekt dat die voorlopige maatregelen worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan bepaalde voorlopige maatregelen, zoals voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale, kunnen worden gehandhaafd, terwijl de eiser niet binnen de in artikel 9, lid 5, gestelde termijn een procedure heeft ingesteld die tot een dergelijke beslissing leidt en de verweerder verzoekt dat die voorlopige maatregelen worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.