HvJ EU 23 april 2026, C-528/24, ECLI:EU:C:2026:332

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

23 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Handels‑ en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds – Overlevering aan het Verenigd Koninkrijk voor strafvervolging – Artikel 524, lid 2 – Artikel 604, onder c) – Reëel risico voor de bescherming van de grondrechten – Artikel 625 – Specialiteitsbeginsel – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte”

In zaak C‑528/24 [Boothnesse] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) bij beslissing van 31 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2024, in de procedure tot tenuitvoerlegging van aanhoudingsbevelen tegen

LQ,

NT,

RM,

in tegenwoordigheid van:

Minister for Justice and Equality,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 september 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– LQ, vertegenwoordigd door M. Lynn, SC, J. Mulrean, BL, N. Eustace en P. Hannon, solicitors,

– NT en RM, vertegenwoordigd door M. Lynam, SC, R. Prendergast, BL, en J. Boyle, solicitor,

– de Minister for Justice and Equality en Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, S. Finnegan, A. Joyce en A. Shanley als gemachtigden, bijgestaan door S. Clarke, SC, en L. Dockery, BL,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid, H. Leupold, F. Ronkes Agerbeek en J. Vondung als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 december 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 625 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB 2021, L 149, blz. 10; hierna: „HSO”), gelezen in het licht van de artikelen 47 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Ierland van aanhoudingsbevelen die door de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen LQ, NT en RM zijn uitgevaardigd met het oog op strafvervolging.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 23 HSO luidt als volgt: „[In aanmerking nemend] dat samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de [Europese] Unie op het gebied van de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid, de veiligheid van het Verenigd Koninkrijk en de Unie zal kunnen versterken”.

4 Artikel 1 HSO bepaalt: „Deze overeenkomst legt de grondslag voor uitgebreide betrekkingen tussen de Partijen, binnen een ruimte van welvaart en goed nabuurschap die wordt gekenmerkt door nauwe en vreedzame betrekkingen op basis van samenwerking, met eerbiediging van de autonomie en soevereiniteit van de Partijen.”

5 Artikel 524 HSO luidt: „1. De samenwerking waarin dit deel voorziet, is gebaseerd op de jarenlange eerbiediging door de partijen en de lidstaten van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van personen, zoals onder meer vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en in het [Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM)], en op het belang de in dat Verdrag neergelegde rechten en vrijheden intern te verwezenlijken. 2. Niets in dit deel doet afbreuk aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen zoals die met name zijn neergelegd in het [EVRM] en, in het geval van de Unie en haar lidstaten, in het [Handvest].”

6 Artikel 596 HSO is verwoord als volgt: „Deze titel heeft tot doel ervoor te zorgen dat het uitleveringssysteem tussen de lidstaten enerzijds en het Verenigd Koninkrijk anderzijds gebaseerd is op een mechanisme van overlevering op grond van een aanhoudingsbevel in de zin van deze titel.”

7 In de artikelen 600 en 601 HSO worden respectievelijk de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel en de andere gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel opgesomd.

8 Artikel 604, onder c), HSO bepaalt: „De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan afhankelijk worden gesteld van een van de volgende garanties: [...] c) indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel risico bestaat voor de bescherming van de grondrechten van de gezochte persoon, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te beslissen of zij het aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, indien nodig, om aanvullende garanties verzoeken met betrekking tot de behandeling van de gezochte persoon na zijn overlevering.”

9 Artikel 606, lid 1, HSO somt de gegevens op die een op grond van die overeenkomst uitgevaardigd aanhoudingsbevel moet bevatten.

10 Artikel 611, lid 1, HSO luidt: „Indien de aangehouden persoon te kennen geeft dat hij instemt met zijn overlevering, wordt die instemming en, indien van toepassing, de uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het in artikel 625, lid 2, omschreven specialiteitsbeginsel [(hierna: ‚specialiteitsbeginsel’)] gegeven ten overstaan van de uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende staat.”

11 Artikel 625 HSO bepaalt: „1. Het Verenigd Koninkrijk en de Unie, namens elk van haar lidstaten, kunnen het Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie ervan in kennis stellen dat, in betrekkingen met andere staten waarvoor dezelfde kennisgeving geldt, wordt geacht te zijn toegestemd in de vervolging, berechting of detentie van een persoon met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, wegens een vóór de overlevering begaan feit dat niet de reden tot de overlevering van de betrokkene is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een bepaalde zaak in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt. 2. Behalve in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering van de betrokkene begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. 3. Lid 2 van dit artikel is niet van toepassing in gevallen waarin: [...] e) de gezochte persoon heeft ingestemd met overlevering, waar passend op hetzelfde tijdstip waarop hij afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig artikel 611; [...] g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de betrokkene heeft overgeleverd, overeenkomstig lid 4 van dit artikel daartoe toestemming geeft. 4. Een verzoek om toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, vergezeld van de in artikel 606, lid 1, bedoelde informatie en een vertaling als bedoeld in artikel 606, lid 2. De toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarop het verzoek betrekking heeft, op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van deze titel meebrengt. De toestemming wordt geweigerd op de gronden bedoeld in artikel 600 en kan anders alleen worden geweigerd op de gronden bedoeld in artikel 601, artikel 602, lid 2, en artikel 603, lid 2. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen. In de in artikel 604 bedoelde situaties verstrekt de uitvaardigende staat de daarin vastgestelde garanties.”

Iers recht

12 De tenuitvoerlegging in Ierland van aanhoudingsbevelen die op grond van de HSO zijn uitgevaardigd, wordt geregeld door de European Arrest Warrant Act 2003 (wet van 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel).

13 Section 22 van deze wet bepaalt: „(1) Tenzij uit de context anders voortvloeit, wordt in deze section verstaan onder ‚strafbaar feit’ ten aanzien van een persoon tegen wie een relevant aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, een volgens het recht van de uitvaardigende staat strafbaar feit (anders dan een in het relevante aanhoudingsbevel omschreven strafbaar feit met betrekking waartoe krachtens deze wet overlevering van de betrokkene wordt gelast) dat voor diens overlevering is begaan, maar niet een strafbaar feit dat in zijn geheel beschouwd bestaat uit handelen of nalaten waaruit het in het Europese aanhoudingsbevel omschreven strafbare feit geheel of gedeeltelijk bestaat. (2) Met inachtneming van deze bepaling weigert de High Court [(rechter in eerste aanleg, Ierland)] overlevering van een persoon krachtens deze wet, wanneer het vaststelt dat: (a) het recht van de uitvaardigende staat niet bepaalt dat een persoon die op grond van een relevant aanhoudingsbevel aan die staat is overgeleverd niet in verband met een strafbaar feit zal worden vervolgd, berecht of vastgehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, of anderszins in zijn of haar persoonlijke vrijheid beperkt, en (b) de persoon in verband met een strafbaar feit zal worden vervolgd, berecht of vastgehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, of anderszins in zijn of haar persoonlijke vrijheid beperkt. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 LQ, NT en RM zijn in het Verenigd Koninkrijk strafrechtelijk vervolgd wegens fraude die zij in hun hoedanigheid van mede-eigenaren en bestuurders van een vennootschap zouden hebben gepleegd.

15 In maart 2021 heeft de Reading Crown Court (strafrechter in eerste aanleg Reading, Verenigd Koninkrijk) maatregelen gelast tot bevriezing van de activa van deze vennootschap alsmede van LQ, NT en RM. Op 5 augustus 2021 heeft deze rechter geoordeeld dat LQ, NT en RM deze maatregelen niet in acht hadden genomen en hen bijgevolg elk veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens „contempt of court” (minachting van de rechter).

16 Op 6 december 2022 heeft de Magistrates’ Court van Portsmouth (rechter in eerste aanleg Portsmouth, Verenigd Koninkrijk) op grond van de HSO drie aanhoudingsbevelen uitgevaardigd tot overlevering van LQ, NT en RM, teneinde hen strafrechtelijk te vervolgen wegens fraude. Deze rechterlijke autoriteit heeft in die aanhoudingsbevelen verduidelijkt dat de vaststelling van de Reading Crown Court dat LQ, NT en RM de beslissing tot bevriezing van tegoeden hadden geschonden en zich schuldig hebben gemaakt aan „contempt of court”, geen strafrechtelijke veroordeling vormde, aangezien de schending van de maatregelen tot bevriezing van activa naar het recht van het Verenigd Koninkrijk geen strafbaar feit is. Volgens die rechterlijke autoriteit moesten de aanhoudingsbevelen dus worden geacht uitsluitend met het oog op vervolging te zijn uitgevaardigd.

17 LQ, NT en RM zijn aangehouden en voor de High Court gebracht. Bij arrest van 8 april 2024 heeft deze rechter het door LQ, NT en RM tegen hun overlevering aangevoerde bezwaar – namelijk dat er een risico op schending van het specialiteitsbeginsel bestond in geval van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk – afgewezen en bij beschikkingen van dezelfde dag hun overlevering aan het Verenigd Koninkrijk gelast.

18 Op 5 juni 2024 hebben LQ, NT en RM toestemming gekregen om beroep in te stellen bij de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland), de verwijzende rechter.

19 LQ, NT en RM betogen voor deze rechter dat hun overlevering aan het Verenigd Koninkrijk moet worden geweigerd. Zij voeren in dit verband aan dat een dergelijke overlevering hen zou blootstellen aan het risico dat zij elk een gevangenisstraf van zes maanden moeten ondergaan voor een strafbaar feit dat niet het voorwerp is van de tegen hen uitgevaardigde aanhoudingsbevelen, zodat die overlevering een schending zou inhouden van het specialiteitsbeginsel, zoals neergelegd in section 22, lid 2, van de wet van 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en in artikel 625 HSO.

20 LQ, NT en RM betogen derhalve dat het in artikel 625 HSO bedoelde begrip „strafbaar feit” autonoom moet worden uitgelegd op basis van met name de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het begrip „vervolging”. De Ierse autoriteiten zijn daarentegen, net als de High Court, van mening dat het begrip „strafbaar feit” in de zin van dat artikel 625 uitsluitend ziet op feiten die volgens het recht van de uitvaardigende staat als strafrechtelijk worden aangemerkt.

21 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 625, lid 2, HSO zich verzet tegen de overlevering van LQ, NT en RM aan het Verenigd Koninkrijk op grond dat hun de vrijheid zou kunnen worden ontnomen wegens een ander, vóór die overlevering gepleegd strafbaar feit dan het feit dat daaraan ten grondslag ligt. In dit verband vraagt hij zich in het bijzonder af aan de hand van welke criteria een „strafbaar feit” in de zin van deze bepaling moet worden gedefinieerd.

22 Deze rechter verduidelijkt voorts dat LQ, NT en RM in het kader van procedures betreffende maatregelen tot bevriezing van tegoeden alle procedurele rechten hebben genoten die zijn neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM.

23 Tegen deze achtergrond heeft de Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Zijn de bepalingen van titel VII [HSO] met betrekking tot ‚Overlevering’ alleen van toepassing op strafvervolgingen en/of vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen die worden opgelegd voor strafbare feiten (‚criminal offences’)? 2) Wordt met de term ‚strafbaar feit’(‚offence’) in artikel 625, lid 2, HSO, dat bepaalt dat behalve in de in artikel 625, leden 1 en 3, bedoelde gevallen ‚een overgeleverd persoon niet [wordt] vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering van de betrokkene begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest’ bedoeld: [ten eerste] een strafbaar feit volgens de definitie van het recht van de uitvaardigende staat, of [ten tweede] een strafbaar feit volgens de definitie van het recht van de uitvoerende staat, of [ten derde] een Unierechtelijk autonoom begrip? 3) Indien de term ‚strafbaar feit’ (‚offence’) in artikel 625, lid 2, [HSO] een autonome betekenis heeft, wat zijn dan de criteria om vast te stellen wat de bestanddelen van een dergelijk ‚strafbaar feit’ zijn? 4) Zijn artikel 47 [tot en met] 50 van het [Handvest] [betreffende een ‚doeltreffende voorziening in rechte/eerlijk proces’ (‚effective remedy/fair trial’) (artikel 47), ‚vervolging’ (‚charged’) (artikel 48), ‚strafbaar feit’ (‚criminal offence’) (artikel 49) en ‚strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit’ (‚criminal proceedings for an offence’) (artikel 50) en/of artikel 6 en artikel 13 [EVRM] [betreffende ‚vervolging’ (‚criminal charge’) en een ‚daadwerkelijk rechtsmiddel’ (‚effective remedy’)] in dat verband van belang? 5) Verzet artikel 625, lid 2, [HSO] zich tegen overlevering in de situatie waarin een persoon is veroordeeld tot zes maanden vrijheidsbeneming wegens ‚contempt of court’, maar niet om de overlevering is verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van die veroordeling, omdat het recht van de uitvaardigende staat dit geval van ‚contempt of court’ aanmerkt als ‚civil contempt’ en deze niet beschouwt als strafbaar feit of strafrechtelijke aangelegenheid?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

24 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 625 HSO aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een persoon tegen wie op grond van die overeenkomst een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging wegens een strafbaar feit, in de uitvaardigende staat is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden voor een ander strafbaar feit dat in het recht van die staat als civielrechtelijk van aard wordt beschouwd en waarop dat aanhoudingsbevel dus geen betrekking heeft, de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht dan wel toestaat de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren.

25 Om te beginnen moet worden benadrukt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit in beginsel gehouden is gevolg te geven aan een door het Verenigd Koninkrijk op grond van de HSO uitgevaardigd aanhoudingsbevel en dat zij de tenuitvoerlegging van een dergelijk aanhoudingsbevel slechts kan weigeren om redenen die voortvloeien uit die overeenkomst (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punten 46 en 48).

26 Om te bepalen of artikel 625 HSO een dergelijke reden bevat, moet deze bepaling overeenkomstig de vereisten van artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331), die de regels van internationaal gewoonterecht bevestigen, te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen ervan in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel ervan, waarbij rekening dient te worden gehouden met iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen bij de HSO kan worden toegepast (zie naar analogie arresten van 25 februari 2010, Brita, C‑386/08, EU:C:2010:91, punten 42 en 43, en 21 januari 2025, Conti 11. Container Schiffahrt II, C‑188/23, EU:C:2025:26, punt 47).

27 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 625 HSO betreft, moet worden vastgesteld dat daaruit geenszins volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel moet of mag weigeren indien zij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat het specialiteitsbeginsel in geval van overlevering niet zal worden nageleefd door de autoriteiten van de uitvaardigende staat.

28 Evenmin blijkt uit de bewoordingen van dat artikel dat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om, alvorens zich over de overlevering van de gezochte persoon uit te spreken, na te gaan of de autoriteiten van de uitvaardigende staat het specialiteitsbeginsel dienen te eerbiedigen, dan wel of deze autoriteiten zich in de praktijk daadwerkelijk aan dat beginsel houden.

29 Ten eerste voorziet artikel 625, lid 1, HSO enkel in de mogelijkheid voor een partij bij die overeenkomst om een kennisgeving te doen waarmee zij wordt geacht ermee in te stemmen om af te wijken van het specialiteitsbeginsel. Bovendien heeft deze bepaling betrekking op een situatie waarin de overlevering reeds heeft plaatsgevonden, aangezien zij uitdrukkelijk verwijst naar een „feit dat niet de reden tot de overlevering van de betrokkene is geweest”.

30 Hoewel artikel 625, lid 1, HSO voorziet in de mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om in de „beslissing tot overlevering” een standpunt in te nemen over het specialiteitsbeginsel, strekt een dergelijke standpuntbepaling er dus niet toe de overlevering te weigeren teneinde schending van dat beginsel te voorkomen, maar om te beslissen dat dat beginsel bij wijze van uitzondering in een bepaalde zaak van toepassing zal zijn, door af te wijken van een eerdere beslissing van de uitvoerende staat om in het algemeen in te stemmen met een afwijking van dat beginsel.

31 Ten tweede bevat artikel 625, leden 2 en 3, HSO regels die niet tot de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn gericht, maar tot de autoriteiten van de uitvaardigende staat. Artikel 625, lid 2, verwijst namelijk uitdrukkelijk naar het geval van een „overgeleverd persoon”. Voorts hebben deze regels uitsluitend betrekking op de repressieve maatregelen die al dan niet kunnen worden genomen tegen de gezochte persoon na zijn overlevering.

32 De uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt in artikel 625, lid 3, onder e) en g), HSO slechts incidenteel genoemd, voor zover deze autoriteit de afstand van de gezochte persoon van de bescherming van het specialiteitsbeginsel kan vaststellen, overeenkomstig artikel 611, lid 1, van die overeenkomst, of dat die autoriteit, na de overlevering van die persoon, zelf kan instemmen met een afwijking van dat beginsel, op grond van artikel 625, lid 4, van die overeenkomst.

33 Ten derde bevat artikel 625, lid 4, HSO weliswaar regels die in wezen van toepassing zijn op de uitvoerende rechterlijke autoriteit, maar deze regels hebben uitsluitend betrekking op de voorwaarden waaronder deze autoriteit ermee moet instemmen dat een eerder overgeleverde persoon kan worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd wegens een ander vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat welk de reden voor zijn overlevering is geweest, zoals bedoeld in artikel 625, lid 3, onder g), HSO.

34 In dit verband moet om te beginnen worden benadrukt dat artikel 625, lid 3, onder g), uitdrukkelijk bepaalt dat deze toestemming wordt gegeven door de „uitvoerende rechterlijke autoriteit die de betrokkene heeft overgeleverd”.

35 Vervolgens blijkt uit de eerste volzin van artikel 625, lid 4, HSO dat het bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediende verzoek tot toestemming in beginsel losstaat van het aanhoudingsbevel, zodat het niet onder de overleveringsprocedure valt. Deze volzin verduidelijkt immers dat dit verzoek verplicht „vergezeld [gaat] van de in artikel 606, lid 1, [HSO] bedoelde informatie”, dat wil zeggen de gegevens die een aanhoudingsbevel moet bevatten, welk vereiste zinloos zou zijn indien dat verzoek in het kader van een aanhoudingsbevel zou worden gedaan.

36 Ten slotte heeft het Hof in de context van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1) verduidelijkt dat een dergelijke toestemming pas vereist is wanneer de strafprocedure die in de uitvaardigende staat is gevoerd wegens een ander strafbaar feit dan dat welke de reden voor de overlevering is geweest, leidt tot de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel (zie in die zin arrest van 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, C‑388/08 PPU, EU:C:2008:669, punten 73 en 74).

37 Uit de in de punten 34 tot en met 36 van het onderhavige arrest genoemde elementen volgt dat de toestemming als bedoeld in artikel 625, lid 3, onder g), en lid 4, HSO in beginsel wordt gevraagd na de overlevering van de gezochte persoon. Dit wijst erop dat de eerbiediging van het specialiteitsbeginsel niet wordt geacht vóór de overlevering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te zijn onderzocht, en derhalve geen weigeringsgrond voor die overlevering kan opleveren.

38 Wat in de tweede plaats de context van artikel 625 HSO betreft, voorzien de artikelen 600 en 601 van deze overeenkomst, waarin de gevallen worden opgesomd waarin de tenuitvoerlegging van een op grond van die overeenkomst uitgevaardigd aanhoudingsbevel moet of kan worden geweigerd (arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 44), niet in gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel die zijn ontleend aan schending van het specialiteitsbeginsel door de autoriteiten van de uitvaardigende staat, noch, meer in het algemeen, aan schending van de regels van die overeenkomst door die autoriteiten. Bovendien bevatten de artikelen 600 en 601 geen enkele verwijzing naar artikel 625 HSO.

39 Wat in de derde plaats de doelstellingen van de HSO betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt dat deze overeenkomst de grondslag legt voor uitgebreide betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk, binnen een ruimte van welvaart en goed nabuurschap die wordt gekenmerkt door nauwe en vreedzame betrekkingen op basis van samenwerking, met eerbiediging van de autonomie en soevereiniteit van de partijen.

40 Daartoe beoogt de HSO onder meer, zoals blijkt uit overweging 23 ervan, de veiligheid van het Verenigd Koninkrijk en de Unie te versterken door samenwerking mogelijk te maken op het gebied van de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid (arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 40).

41 In het kader van die samenwerking heeft titel VII van het derde deel van de HSO overeenkomstig artikel 596 HSO tot doel ervoor te zorgen dat het uitleveringssysteem tussen de lidstaten enerzijds en het Verenigd Koninkrijk anderzijds gebaseerd is op een mechanisme van overlevering op grond van een aanhoudingsbevel in de zin van deze titel (arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 43).

42 De doeltreffendheid van dit overleveringsmechanisme zou worden belemmerd indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het algemeen, alvorens uitspraak te doen over de tenuitvoerlegging van een op grond van de HSO uitgevaardigd aanhoudingsbevel, zou moeten nagaan of de bepalingen van die overeenkomst die betrekking hebben op dat mechanisme, in de uitvaardigende staat in de praktijk volledig worden nageleefd.

43 Uit een en ander volgt dat artikel 625 HSO niet aldus kan worden uitgelegd dat het een grond voor weigering van de tenuitvoerlegging van een op grond van die overeenkomst uitgevaardigd aanhoudingsbevel invoert.

44 Artikel 524, lid 2, HSO verduidelijkt evenwel dat niets in deel drie van die overeenkomst afbreuk doet aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen, zoals die met name zijn neergelegd in het EVRM en, in het geval van de Unie en haar lidstaten, in het Handvest.

45 De in deze bepaling in herinnering gebrachte verplichting tot eerbiediging van het Handvest is bindend voor de lidstaten wanneer zij beslissen over de overlevering van een persoon aan het Verenigd Koninkrijk, aangezien een beslissing over een dergelijke overlevering een tenuitvoerbrenging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest vormt. De uitvoerende rechterlijke autoriteiten van de lidstaten zijn derhalve bij het nemen van die beslissing gehouden om de eerbiediging te verzekeren van de door het Handvest erkende grondrechten van de persoon tegen wie een aanhoudingsbevel op grond van de HSO is uitgevaardigd, waarbij het feit dat het Handvest niet van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk in dat verband niet relevant is (arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 49).

46 In het bijzonder mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit die zich moet uitspreken over een op grond van de HSO uitgevaardigd aanhoudingsbevel, overeenkomstig artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO, de overlevering van de gezochte persoon niet gelasten wanneer zij na een concreet en nauwkeurig onderzoek van de situatie van deze persoon van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel gevaar bestaat voor de bescherming van zijn grondrechten bij overlevering aan het Verenigd Koninkrijk (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 78).

47 Derhalve kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer de persoon tegen wie een aanhoudingsbevel op grond van de HSO is uitgevaardigd voor deze autoriteit aanvoert dat er bij zijn overlevering aan het Verenigd Koninkrijk een risico bestaat op schending van een of meer van zijn grondrechten, die overlevering, op straffe van schending van de in artikel 524, lid 2, van die overeenkomst neergelegde verplichting tot eerbiediging van de grondrechten, niet gelasten zonder na een passend onderzoek te zijn nagegaan of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die persoon een reëel risico op een dergelijke schending loopt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punt 79).

48 In dit verband moet worden opgemerkt dat het specialiteitsbeginsel niet in het Handvest wordt genoemd en dat het niet kan worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit een van de door het Handvest gewaarborgde rechten of uit een algemeen beginsel van het Unierecht.

49 Bovendien blijkt uit de HSO niet dat de opstellers ervan aan het vereiste van eerbiediging van het specialiteitsbeginsel een waarde hebben willen toekennen die gelijkwaardig is aan die van een grondrecht, met name voor de toepassing van artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), van deze overeenkomst.

50 Uit artikel 625 van die overeenkomst volgt immers dat de opstellers ervan hebben bepaald dat de uitvoerende lidstaat vóór de overlevering kan en na de overlevering in beginsel moet afwijken van het specialiteitsbeginsel, zonder dat een dergelijke afwijking hoeft te worden gerechtvaardigd of dat de gezochte persoon met deze afwijking hoeft in te stemmen.

51 Zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is opgemerkt, bepaalt artikel 625, lid 1, HSO namelijk dat het Verenigd Koninkrijk en de Unie, namens elk van haar lidstaten, het Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie ervan in kennis kunnen stellen dat, in betrekkingen met andere staten waarvoor dezelfde kennisgeving geldt, wordt geacht te zijn toegestemd in de vervolging, berechting of detentie van een persoon met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, wegens een vóór de overlevering begaan feit dat niet de reden tot de overlevering van de betrokkene is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een bepaalde zaak in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

52 De gebruikmaking van een dergelijke mogelijkheid stelt het Verenigd Koninkrijk of elke lidstaat er dus in de praktijk toe in staat om de personen die zij op basis van de HSO overdragen, in het algemeen uit te sluiten van het voordeel van het specialiteitsbeginsel.

53 Voorts volgt uit artikel 625, lid 4, HSO dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit er na de overlevering van de gezochte persoon mee moet instemmen om af te wijken van het specialiteitsbeginsel in situaties waarin zij verplicht zou zijn tot overlevering over te gaan indien een aanhoudingsbevel met betrekking tot het betrokken strafbare feit was uitgevaardigd.

54 Uit het voorgaande volgt dat het vereiste van eerbiediging van het specialiteitsbeginsel geen grondrecht is en dat het eventuele bestaan van een gevaar voor schending van dit beginsel als zodanig niet volstaat om de toepassing van artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO te rechtvaardigen.

55 Het bestaan van een dergelijk gevaar kan echter, naast andere factoren, relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van een reëel risico voor de bescherming van de grondrechten in de zin van laatstgenoemde bepaling.

56 In de eerste plaats vereisen artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO dus dat de tenuitvoerlegging van een op grond van die overeenkomst uitgevaardigd aanhoudingsbevel wordt geweigerd wanneer de voorzienbare schending van het specialiteitsbeginsel zou leiden tot een reëel risico op een verdere schending van de grondrechten van de gezochte persoon, bijvoorbeeld indien de straf die in strijd met dat beginsel zal worden toegepast, aan die persoon is opgelegd met schending van zijn rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming.

57 De verwijzende rechter heeft echter geen melding gemaakt van een dergelijk risico en heeft integendeel uitdrukkelijk gepreciseerd dat de procedures die hebben geleid tot de veroordeling wegens minachting van de gezochte personen volledig met inachtneming van hun grondrechten zijn gevoerd, zodat het niet aan het Hof staat om in casu een dergelijke toepassingshypothese van artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO te onderzoeken.

58 In de tweede plaats moet worden benadrukt dat onder de grondrechten waarvan het reële risico op schending, overeenkomstig artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO, de weigering van de tenuitvoerlegging van een op grond van die overeenkomst uitgevaardigd aanhoudingsbevel meebrengt, ook het recht valt dat is neergelegd in artikel 47, lid 1, van het Handvest, dat bepaalt dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte (zie naar analogie arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 97).

59 Hoewel het vereiste van eerbiediging van het specialiteitsbeginsel geen grondrecht is, neemt dit niet weg dat dit beginsel binnen de werkingssfeer ervan voorziet in een procedurele waarborg voor de gezochte persoon, waarvan deze daadwerkelijk gebruik moet kunnen maken, tenzij hij daar afstand van heeft gedaan onder de voorwaarden van artikel 611 HSO, of de tenuitvoerleggingsstaat heeft ingestemd met een afwijking van dat beginsel. Artikel 625 van deze overeenkomst voorziet dus in een „door het recht van de Unie gewaarborgd recht” in de zin van artikel 47, lid 1, van het Handvest.

60 Hieruit volgt dat artikel 47, lid 1, zou worden geschonden indien de gezochte persoon in de uitvaardigende staat niet zou beschikken over een rechtsmiddel waarmee hij dit recht kan beschermen, door zich na zijn overlevering te beroepen op een gestelde schending van het specialiteitsbeginsel, teneinde te voorkomen dat hij wordt vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd in een situatie waarin artikel 625 HSO een dergelijke vervolging, berechting, of vrijheidsbeneming uitsluit.

61 Overigens vormt, binnen de logica die inherent is aan het bij de HSO ingestelde overleveringsmechanisme, de onbevoegdheid van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om zelf het specialiteitsbeginsel toe te passen, juist het logische uitvloeisel van de verplichting die rust op de rechterlijke instanties van de uitvaardigende staat om de naleving van dat beginsel te waarborgen.

62 Benadrukt moet worden dat in casu uit de door Ierland ter terechtzitting verstrekte aanwijzingen blijkt dat een aan het Verenigd Koninkrijk overgeleverde persoon voor de rechterlijke instanties van dat land beschikt over doeltreffende rechtsmiddelen waarmee hij zich kan beroepen op een gestelde schending van het specialiteitsbeginsel en kan verkrijgen dat een rechter de gegrondheid van de in dat verband aangevoerde grief onderzoekt.

63 Het voorhanden zijn van dergelijke rechtsmiddelen – in voorkomend geval is het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan – volstaat om het bestaan van een reëel risico op schending van artikel 47, lid 1, van het Handvest in geval van overlevering uit te sluiten en om derhalve artikel 524, lid 2, en artikel 604, onder c), HSO toe te passen.

64 In geval van twijfel dienaangaande kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit hoe dan ook slechts weigeren gevolg te geven aan een op grond van de HSO uitgevaardigd aanhoudingsbevel nadat zij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om informatie over de in het Verenigd Koninkrijk beschikbare rechtsmiddelen en aanvullende waarborgen heeft verzocht (zie naar analogie arrest van 29 juli 2024, Alchaster, C‑202/24, EU:C:2024:649, punten 89‑91).

65 Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 625 HSO aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een persoon tegen wie op grond van die overeenkomst een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging wegens een strafbaar feit, in de uitvaardigende staat is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden voor een ander strafbaar feit dat in het recht van die staat als civielrechtelijk van aard wordt beschouwd en waarop dat aanhoudingsbevel dus geen betrekking heeft, op zichzelf de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaat de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren.

Kosten

66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 625 bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds,

moet aldus worden uitgelegd dat

de omstandigheid dat een persoon tegen wie op grond van die overeenkomst een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging wegens een strafbaar feit, in de uitvaardigende staat is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden voor een ander strafbaar feit dat in het recht van die staat als civielrechtelijk van aard wordt beschouwd en waarop dat aanhoudingsbevel dus geen betrekking heeft, op zichzelf de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaat de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken