HvJ EU 22 januari 2026, C-453/24, ECLI:EU:C:2026:31
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
22 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Kaderbesluit 2005/214/JBZ – Wederzijdse erkenning van geldelijke sancties – Artikel 7, lid 2, onder g) – Grond tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging – Kennisgeving aan de betrokkene van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en van de termijn daarvoor – Artikel 7, lid 3 – Verplichting om de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen”
Zaak C‑453/24 [Hadenov] ( i )
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 26 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2024, in de strafprocedure tegen
BC,
in tegenwoordigheid van:
Sofiyska gradska prokuratura,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB 2005, L 76, blz. 16), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2005/214”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die door de Bezirkshauptmannschaft Neusiedl am See (districtsbestuur Neusiedl am See, Oostenrijk) (hierna: „BHM”) is ingeleid met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging in Bulgarije van een geldelijke sanctie die aan BC, een Bulgaars staatsburger, werd opgelegd wegens niet-betaling van tolgeld voor een autosnelweg in Oostenrijk.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 1, 2, 4 en 5 van kaderbesluit 2005/214 luiden als volgt: „(1) De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft het beginsel van wederzijdse erkenning onderschreven, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de [Europese] Unie moet worden in zowel burgerlijke als strafzaken. (2) Het beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast op geldelijke sancties die door rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten zijn opgelegd, zodat dergelijke sancties in een andere lidstaat dan die waar zij worden opgelegd, gemakkelijker ten uitvoer kunnen worden gelegd. [...] (4) Dit kaderbesluit dient zich uit te strekken tot geldelijke sancties die ten aanzien van inbreuken op de verkeerswetgeving worden opgelegd. (5) Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [...].”
4 Artikel 1 van dit kaderbesluit, „Definities”, bepaalt: „In dit kaderbesluit wordt verstaan onder: a) ‚beslissing’: een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door: [...] iii) een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter ten aanzien van een feit dat naar het nationale recht van de beslissingsstaat wordt bestraft als inbreuk op de rechtsvoorschriften, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter; [...] [...]”
5 Artikel 4 van dat kaderbesluit, „Toezending van beslissingen en inschakeling van de centrale autoriteit”, bepaalt: „1. Een beslissing, vergezeld van het in dit artikel bedoelde certificaat, kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen wie de beslissing is gegeven, eigendom heeft of inkomsten geniet, gewoonlijk verblijf houdt of, in geval van een rechtspersoon, zijn statutaire zetel heeft. 2. Het certificaat, waarvan het model in de bijlage staat, wordt ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud juist is. [...]”
6 Artikel 6 van kaderbesluit 2005/214, „Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen”, luidt als volgt: „De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent de overeenkomstig artikel 4 toegezonden beslissing zonder verdere formaliteiten en neemt onverwijld alle nodige maatregelen tot tenuitvoerlegging ervan, tenzij zij beslist zich te beroepen op een van de in artikel 7 genoemde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging.”
7 Artikel 7 van dit kaderbesluit, „Gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging”, bepaalt: „1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan weigeren de beslissing te erkennen of ten uitvoer te leggen, indien het in artikel 4 bedoelde certificaat niet wordt overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met de beslissing. 2. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan tevens weigeren de beslissing te erkennen of ten uitvoer te leggen, indien vaststaat dat: [...] g) volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene, in het geval van een schriftelijke procedure, niet in overeenstemming met het recht van de beslissingsstaat persoonlijk of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend; [...] 3. In de gevallen bedoeld in lid 1 en in lid 2, onder c), g), i) en j), raadpleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit een beslissing geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, in voorkomend geval met het verzoek onverwijld alle noodzakelijke gegevens te verstrekken.”
8 Artikel 9 van dat kaderbesluit, „De op de tenuitvoerlegging toepasselijke wet”, bepaalt in lid 1: Onverminderd lid 3 en artikel 10 wordt de tenuitvoerlegging van de beslissing beheerst door de wet van de tenuitvoerleggingsstaat, op dezelfde wijze als een geldelijke sanctie die door de tenuitvoerleggingsstaat wordt opgelegd. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn bij uitsluiting bevoegd de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen te bepalen, met inbegrip van de gronden tot beëindiging van de tenuitvoerlegging.”
9 Artikel 12 van dat kaderbesluit „Beëindiging van de tenuitvoerlegging” luidt als volgt: „1. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld in kennis van iedere beslissing of maatregel waardoor de beslissing niet meer uitvoerbaar is of om een andere reden aan de tenuitvoerleggingsstaat onttrokken wordt. 2. De tenuitvoerleggingsstaat beëindigt de tenuitvoerlegging van de beslissing zodra hij door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in kennis is gesteld van die beslissing of maatregel.”
10 Artikel 20 van kaderbesluit 2005/214, „Uitvoering”, bepaalt in lid 3: „Iedere lidstaat kan zich verzetten tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, indien het in artikel 4 bedoelde certificaat doet vermoeden dat de grondrechten of de fundamentele rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 van het [VEU], niet zijn geëerbiedigd. De in artikel 7, lid 3, bedoelde procedure is dan van toepassing.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Bij beslissing van 24 november 2023 heeft de BHM een geldelijke sanctie van 350 EUR opgelegd aan BC, Bulgaars staatsburger, wegens overtreding van verschillende bepalingen van het Bundesstraβen-Mautgesetz 2002 (wet van 2002 inzake federale tolwegen) van 16 juli 2002 (BGBl. I, 155/2021).
12 Bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter in deze zaak, is door de BHM als autoriteit die bevoegd is voor de tenuitvoerlegging in de zin van kaderbesluit 2005/214, een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing van 24 november 2023.
13 Uit het op grond van artikel 4 van kaderbesluit 2005/214 vastgestelde en bij het besluit van 24 november 2023 gevoegde certificaat blijkt dat de zaak in een schriftelijke procedure is behandeld en dat BC in overeenstemming met het Oostenrijkse recht op 28 december 2023 persoonlijk of via een bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en van de termijn daarvoor. In dit certificaat staat dat BC binnen de gestelde termijn geen rechtsmiddel heeft ingesteld en dat de beslissing van 24 november 2023 op 12 januari 2024 onherroepelijk is geworden.
14 Dit certificaat bevat echter de vermelding „zonder ontvangstbevestiging”. Dat was voor de verwijzende rechter de aanleiding om vragen te stellen over de daadwerkelijke betekening aan BC van deze beslissing.
15 Deze rechter merkt bovendien op dat niets in het dossier erop wijst dat een dergelijke betekening heeft plaatsgevonden. Tijdens de procedure van erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing stelt hij in dit verband dat BC niet woont op het adres waarnaar deze is verzonden, dat evenmin vaststaat dat hij woont op het tweede adres dat aan de gemeentelijke autoriteiten is opgegeven, en dat hij geen contact heeft opgenomen met de advocaat die hem ambtshalve is toegewezen.
16 De verwijzende rechter leidt daaruit af dat BC noch persoonlijk, noch via een gemachtigde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van de beslissing van 24 november 2023 en van zijn recht om daar een rechtsmiddel tegen in te stellen. Volgens deze rechter mag in die omstandigheden op grond van artikel 7, lid 2, onder g), van kaderbesluit 2005/214 de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing worden geweigerd.
17 Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat dit gebrek aan informatie ook impliceert dat artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214 niet is nageleefd.
18 Aangezien deze grond voor niet-erkenning facultatief is, stelt de verwijzende rechter evenwel vast dat hij in de praktijk een keuze zal moeten maken: ofwel kan hij weigeren om de beslissing van 24 november 2023 te erkennen en ten uitvoer te leggen, met het risico dat afbreuk wordt gedaan aan het mechanisme van justitiële samenwerking in strafzaken en de straffeloosheid wordt bevorderd, ofwel kan hij deze beslissing erkennen en ten uitvoer leggen ten koste van de rechten die BC aan het Unierecht ontleend.
19 In die omstandigheden overweegt deze rechter een derde optie, namelijk samenwerking met de beslissingsautoriteit om na te gaan of BC, gelet op het ontbreken van een regelmatige betekening van de beslissing van 24 november 2023, nog beschikt over het recht om daar een rechtsmiddel tegen in te stellen. Zo ja, dan overweegt de verwijzende rechter om, met gebruikmaking van de middelen waarover hij krachtens het Bulgaarse recht beschikt, zelf over te gaan tot betekening van de beslissing van 24 november 2023 aan BC en hem in kennis te stellen van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel.
20 De verwijzende rechter vraagt zich echter af of kaderbesluit 2005/214 in die zin kan worden uitgelegd.
21 In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „Kunnen de plicht tot erkenning krachtens artikel 6 van kaderbesluit 2005/214, de bevoegdheid tot raadpleging krachtens artikel 7, lid 3, van dit kaderbesluit, en het beginsel van het vermijden van straffeloosheid aldus worden uitgelegd, dat ze de uitvoerende autoriteit, voor zover deze heeft vastgesteld dat er sprake is van een facultatieve weigeringsgrond in de zin van artikel 7, lid 2, onder g), van [genoemd] kaderbesluit, de bevoegdheid verlenen: 1) overeenkomstig artikel 7, lid 3, van [dit] kaderbesluit de beslissingsautoriteit te raadplegen, teneinde na te gaan of voor de persoon aan wie een sanctie is opgelegd, een actuele mogelijkheid bestaat om een rechtsmiddel tegen de beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie in te stellen; 2) zo ja, om de beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie aan de persoon aan wie de sanctie is opgelegd te betekenen of ter kennis te geven en om hem te informeren over het recht om hiertegen een rechtsmiddel in te stellen; 3) de uitkomst van een eventueel rechtsmiddel af te wachten en deze in aanmerking te nemen wanneer zij over de zaak beslist?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
22 De Commissie stelt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk is omdat de eerste vraag een hypothetisch karakter heeft, en betoogt dat deze vraag moet worden geherformuleerd om de tweede en de derde vraag te kunnen beantwoorden.
23 De Commissie is namelijk van mening dat de verwijzende rechter het bestaan van de in artikel 7, lid 2, onder g), van kaderbesluit 2005/214 bedoelde facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging reeds heeft vastgesteld zonder eerst verplicht de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen zoals voorgeschreven in artikel 7, lid 3, van dit kaderbesluit.
24 In dit verband zij eraan herinnerd dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties vormt, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding (zie arresten van 1 december 1965, Schwarze, 16/65, EU:C:1965:117, blz. 1117, 18 oktober 1990, Dzodzi, C‑297/88 en C‑197/89, EU:C:1990:360, punt 33, en 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 44).
25 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag duidelijkheid wenst te verkrijgen over het voorwerp en de omvang van de in artikel 7, lid 3, van kaderbesluit 2005/214 vastgelegde verplichting om de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen, teneinde na die raadpleging uitspraak te kunnen doen over de eventuele toepassing van de in artikel 7, lid 2, onder g), van dit kaderbesluit genoemde grond tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging.
26 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter nog geen uitspraak heeft gedaan over de toepassing van deze facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging en voornemens is om pas na de verplichte raadpleging van de beslissingsstaat een standpunt in te nemen. Hieruit volgt dat de eerste vraag niet hypothetisch is.
27 Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Eerste vraag
28 Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in het kader van de verplichting om eerst de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen alvorens te weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen of ten uitvoer te leggen, in geval van twijfel over de doeltreffendheid van de aan de betrokkene verstrekte informatie over zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd en over de termijn daarvoor, bij die bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet nagaan of een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld.
29 Vooraf zij eraan herinnerd dat kaderbesluit 2005/214, zoals in het bijzonder uit de artikelen 1 en 6 en de overwegingen 1 en 2 ervan blijkt, tot doel heeft om een doeltreffend mechanisme tot stand te brengen voor de grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging van onherroepelijke beslissingen waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten gevolge van het plegen van een van de in artikel 5 van het kaderbesluit opgesomde inbreuken (arrest van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 27).
30 Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat ten grondslag ligt aan de opzet van kaderbesluit 2005/214, vereist ingevolge artikel 6 van dit kaderbesluit dat de lidstaten in beginsel een overeenkomstig artikel 4 ervan toegezonden beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, zonder verdere formaliteiten erkennen en onverwijld alle nodige maatregelen nemen tot tenuitvoerlegging daarvan, waarbij de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging strikt moeten worden uitgelegd [zie in die zin arresten van 14 november 2013, Baláž, C‑60/12, EU:C:2013:733, punt 29, en 6 oktober 2021, LU (Invordering van verkeersboeten), C‑136/20, EU:C:2021:804, punt 38].
31 Artikel 7, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2005/214 bevat een opsomming van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen die onder dit kaderbesluit vallen.
32 Met name bepaalt artikel 7, lid 2, onder g), van dat kaderbesluit dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen of ten uitvoer te leggen indien vaststaat dat de betrokkene volgens het in artikel 4 van dat kaderbesluit bedoelde certificaat, in het geval van een schriftelijke procedure, niet in overeenstemming met het recht van de beslissingsstaat persoonlijk of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd en de termijn daarvoor.
33 Door te verwijzen naar de wettelijke regeling van de lidstaten, heeft de Uniewetgever het aan hen overgelaten om te beslissen over de manier waarop de betrokkene in kennis wordt gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd en van de termijn daarvoor, alsook de datum waarop die termijn ingaat, voor zover de kennisgeving doeltreffend is en het recht op effectieve rechterlijke bescherming en de uitoefening van de rechten van de verdediging worden gewaarborgd [zie in die zin arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 35].
34 Opgemerkt dient te worden dat die beschikking volgens artikel 3 van het kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast. Om die reden bepaalt artikel 20, lid 3, van het kaderbesluit eveneens dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in geval van schending van de in artikel 6 VEU bepaalde grondrechten of fundamentele rechtsbeginselen kan weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen en ten uitvoer te leggen [zie arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 37].
35 Dienaangaande is het beginsel van daadwerkelijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen en waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, een algemeen beginsel van Unierecht dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit en dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op 4 november 1950 te Rome is ondertekend en thans in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten is bevestigd [arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 35 en 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 38].
36 Het Hof heeft geoordeeld dat de eerbiediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming vereist dat elke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd daadwerkelijk en snel door de betrokkene wordt ontvangen, dat wil zeggen dat de beslissing hem ter kennis wordt gebracht op zodanige wijze dat hij nauwkeurig kennis kan nemen van de gronden waarop zij is gebaseerd, de rechtsmiddelen die openstaan in de zin van artikel 1, onder a), iii), van kaderbesluit 2005/214, en de termijn om deze uit te oefenen, zodat hij in staat is zijn rechten op doeltreffende wijze te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of het zinvol is deze beslissing in rechte aan te vechten (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty, C‑338/20, EU:C:2021:805, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Het staat dus aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat om, alvorens een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd te erkennen en ten uitvoer te leggen, na te gaan of een daadwerkelijke en snelle ontvangst, zoals beschreven in het vorig punt, heeft plaatsgevonden.
38 Overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning dat, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, ten grondslag ligt aan de opzet van kaderbesluit 2005/214, moet dit worden nagegaan op basis van de gegevens in het in artikel 4 van kaderbesluit 2005/214 bedoelde certificaat.
39 Zoals de advocaat-generaal in de punten 50 en 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, wanneer dit certificaat tegenstrijdige vermeldingen bevat die twijfels kunnen doen rijzen over de kennisgeving van de beslissing waarvan om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van dat kaderbesluit evenwel eerst de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat raadplegen alvorens de grond tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van artikel 7, lid 2, onder g), van dat kaderbesluit toe te passen. In het kader van deze raadpleging moet de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gegevens trachten te verkrijgen waarmee de onzekerheid kan worden weggenomen over de vraag of de betrokkene daadwerkelijk in overeenstemming met de wetgeving van de beslissingsstaat in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede de termijn daarvoor.
40 Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan bovendien volgens de wetgeving van de beslissingsstaat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel pas ingaan vanaf de datum waarop de beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, daadwerkelijk aan de betrokkene is meegedeeld en deze in kennis is gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en de termijn daarvoor. In dat geval kan het feit dat de betrokkene niet van dit recht in kennis is gesteld, afbreuk doen aan het onherroepelijke karakter van die beslissing.
41 Als voorwaarde voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van een dergelijke beslissing in de tenuitvoerleggingsstaat geldt dat die beslissing onherroepelijk is. In de context van kaderbesluit 2005/214 definieert artikel 1, onder a), ervan de „beslissing” als „een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon”. Het feit dat deze bepaling verwijst naar het „onherroepelijke” karakter van de betrokken beslissing, benadrukt het bijzondere belang dat wordt gehecht aan de onaantastbaarheid van die beslissing (zie naar analogie arrest van 25 januari 2017, van Vemde, C‑582/15, EU:C:2017:37, punt 27). Deze elementen ondersteunen de in punt 39 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van de raadplegingsverplichting.
42 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in het kader van de verplichting om eerst de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen alvorens te weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen of ten uitvoer te leggen, in geval van twijfel over de doeltreffendheid van de aan de betrokkene verstrekte informatie over zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd en over de termijn daarvoor, bij die bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet nagaan of een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld.
Tweede en derde vraag
43 Met zijn tweede en derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer uit de raadpleging van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat blijkt dat de betrokkene niet in kennis is gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd, noch van de termijn daarvoor, en een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, ten eerste, die gegevens aan de betrokkene kan verstrekken en, ten tweede, de bij haar ingeleide procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing kan opschorten in afwachting van de uitkomst van dat rechtsmiddel of van het verstrijken van de termijn voor de uitoefening ervan.
44 In de eerste plaats moet over de verstrekking van gegevens aan de betrokkene worden vastgesteld dat kaderbesluit 2005/214 geen enkele bepaling bevat waarin wordt verduidelijkt welke autoriteit bevoegd is om daarvoor te zorgen. Uit artikel 7, lid 2, onder g), van dit kaderbesluit blijkt daarentegen dat de betrokkene in overeenstemming met de wetgeving van de beslissingsstaat in kennis moet worden gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en van de daartoe gestelde termijn.
45 Voorts moet worden opgemerkt dat artikel 6 van kaderbesluit 2005/214 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat een overeenkomstig artikel 4 van dit kaderbesluit toegezonden beslissing moeten erkennen en onverwijld alle nodige maatregelen moeten nemen tot tenuitvoerlegging ervan. In dit verband bepaalt artikel 9, lid 1, van dit kaderbesluit dat de procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging op dezelfde wijze wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat als een geldelijke sanctie van die staat, en dat de autoriteiten van die staat bij uitsluiting bevoegd zijn de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen te bepalen, met inbegrip van de gronden tot beëindiging van de tenuitvoerlegging.
46 Uit deze bepalingen volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, een onderscheid moet worden gemaakt tussen de fase van de oplegging van de geldelijke sanctie en de fase van de erkenning en tenuitvoerlegging van die sanctie. De autoriteiten van de beslissingsstaat zijn dus bevoegd voor de eerste fase, terwijl de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat bevoegd zijn voor de tweede fase.
47 De kennisgeving waarbij de betrokkene op de hoogte werd gebracht van de beslissing om hem een geldelijke sanctie op te leggen en van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en de termijn daarvoor, behoren tot de fase van de oplegging van de geldelijke sanctie en vallen dus onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat. Hieruit volgt dat de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van kaderbesluit 2005/214 over geen enkele bevoegdheid beschikt om de betrokkene in kennis te stellen van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen en de termijn daarvoor.
48 Wat in de tweede plaats de mogelijkheid betreft om de procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd op te schorten, verleent kaderbesluit 2005/214 de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat geen dergelijke mogelijkheid.
49 Daarentegen kan, zoals uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt, wanneer uit de raadpleging op grond van artikel 7, lid 3, van dit kaderbesluit blijkt dat de betrokkene nog steeds een rechtsmiddel kan instellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd, de procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging niet worden voortgezet bij gebreke van een onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 1, onder a), van dat kaderbesluit.
50 In een dergelijk geval kan een nieuwe procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging pas worden ingeleid wanneer de beslissing waarbij de geldelijke sanctie wordt opgelegd, onherroepelijk is geworden. Het is dan aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat om, indien zij de tenuitvoerlegging van die beslissing in een lidstaat wenst te verkrijgen, een nieuw certificaat uit hoofde van artikel 4 van kaderbesluit 2005/214 te verstrekken zodra de betrokkene, in voorkomend geval, een rechtsmiddel heeft ingesteld en daarover is beslist of de termijn voor het instellen ervan is verstreken.
51 Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 12, lid 1, van dit kaderbesluit, dat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat verplicht de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingstaat onverwijld in kennis te stellen van iedere beslissing of maatregel waardoor de beslissing niet meer uitvoerbaar is of om een andere reden aan de tenuitvoerleggingsstaat wordt onttrokken. Krachtens lid 2 van dat artikel, dat in de onvoltooid tegenwoordige tijd is opgesteld, heeft de tenuitvoerleggingsstaat geen andere keuze dan de tenuitvoerlegging van de beslissing te beëindigen zodra hij door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in kennis is gesteld van die beslissing of maatregel.
52 Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd niet kan opschorten in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel dat de betrokkene kan instellen tegen die beslissing of in afwachting van het verstrijken van de termijn daarvoor.
53 Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer uit de raadpleging van de bevoegde autoriteit blijkt dat de betrokkene niet in kennis is gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd, noch van de termijn daarvoor, en een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat deze gegevens niet zelf aan de betrokkene mag verstrekken, noch de bij haar ingeleide procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging mag opschorten in afwachting van de uitkomst van dat rechtsmiddel of het verstrijken van de termijn voor de uitoefening ervan. Deze autoriteit is daarentegen verplicht om die procedure te beëindigen.
Kosten
54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in het kader van de verplichting om eerst de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat te raadplegen alvorens te weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen of ten uitvoer te leggen, in geval van twijfel over de doeltreffendheid van de aan de betrokkene verstrekte informatie over zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd en over de termijn daarvoor, bij die bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet nagaan of een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld.
2) Artikel 6 en artikel 7, lid 2, onder g), en lid 3, van kaderbesluit 2005/214, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moeten in die zin worden uitgelegd dat wanneer uit de raadpleging van de bevoegde autoriteit blijkt dat de betrokkene niet in kennis is gesteld van zijn recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing waarbij hem een geldelijke sanctie wordt opgelegd, noch van de termijn daarvoor, en een dergelijk rechtsmiddel nog steeds kan worden ingesteld, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat deze gegevens niet zelf aan de betrokkene mag verstrekken, noch de bij haar ingeleide procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging mag opschorten in afwachting van de uitkomst van dat rechtsmiddel of het verstrijken van de termijn voor de uitoefening ervan. Deze autoriteit is daarentegen verplicht om die procedure te beëindigen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-338/20, ECLI:EU:C:2021:805
- HvJ EU 26 maart 2020, C-558/18, ECLI:EU:C:2020:234
- HvJ EU 5 december 2019, C-671/18, ECLI:EU:C:2019:1054
- HvJ EU 27 februari 2018, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117
- HvJ EU 25 januari 2017, C-582/15, ECLI:EU:C:2017:37
- HvJ EU 14 november 2013, C-60/12, ECLI:EU:C:2013:733
- HvJ EU 18 oktober 1990, 297/88, ECLI:EU:C:1990:360