HvJ EU 16 april 2026, C-901/24, ECLI:EU:C:2026:309
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
16 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 7, lid 1 – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de overeenkomst – Vorderingen tot terugbetaling – Verjaringstermijn voor de vordering van de verkoper – Stuiting van de verjaringstermijn – Erkenning door een consument van een schuld jegens een kredietinstelling – Doeltreffendheidsbeginsel – Rechtzekerheidsbeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Recht op toegang tot de rechter – Ongerechtvaardigde verrijking”
In zaak C‑901/24 [Falucka] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 16 december 2024, ingekomen bij het Hof op 22 december 2024, in de procedure
mBank S.A.
tegen
TK,
DJ en JJ,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– mBank S.A., vertegenwoordigd door A. Cudna-Wagner, radca prawny, en B. Miąskiewicz, adwokat,
– TK, en DJ en JJ, vertegenwoordigd door P. Wójcik, radca prawny,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door A. Pimenta en A. Rodrigues als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid, rechtszekerheid en recht op toegang tot de rechter.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen mBank S.A., een bankinstelling, enerzijds, en TK, en DJ en JJ, drie kredietnemers, anderzijds, over de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit de ongeldigheid van een hypothecaire leningsovereenkomst wegens de oneerlijke bedingen die daarin zijn opgenomen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 93/13 bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Pools recht
5 In artikel 58, § 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. 2024, volgnr. 1061), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), is het volgende bepaald: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de ongeldige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”
6 Artikel 117, §§ 1 en 21, van dit wetboek bepaalt: „§ 1. Behoudens de bij wet vastgestelde uitzonderingen zijn vermogensrechtelijke vorderingen onderhevig aan verjaring. […] § 21. Na het verstrijken van de verjaringstermijn kan een schuldvordering op een consument niet meer geldend worden gemaakt.”
7 Artikel 1171, §§ 1 en 2, van dat wetboek luidt als volgt: „§ 1. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter, na afweging van de belangen van de partijen, het verstrijken van de verjaringstermijn van een vordering tegen een consument buiten beschouwing laten indien de billijkheid dit vereist. § 2. Bij de uitoefening van de in § 1 bedoelde bevoegdheid houdt de rechter met name rekening met: 1) de duur van de verjaringstermijn; 2) de duur van de periode tussen het verstrijken van de verjaringstermijn en het instellen van de vordering; 3) de aard van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de schuldeiser zijn vordering niet heeft kunnen instellen, met inbegrip van de invloed van het gedrag van de schuldenaar op de vertraging die de schuldeiser bij het instellen van zijn vordering heeft opgelopen.”
8 Artikel 118 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, bedraagt de verjaringstermijn zes jaar; voor vorderingen inzake periodieke prestaties en vorderingen in verband met de uitoefening van een commerciële activiteit bedraagt de termijn drie jaar. De verjaringstermijn verstrijkt echter op de laatste dag van het kalenderjaar, tenzij deze korter is dan twee jaar.”
9 Artikel 120, § 1, van dit wetboek bepaalt: „De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de schuldvordering opeisbaar is geworden. Indien een schuldvordering pas opeisbaar is als de rechthebbende een specifieke handeling heeft verricht, gaat de termijn in op de dag waarop de schuldvordering opeisbaar zou zijn geworden indien de rechthebbende de handeling zo snel mogelijk had verricht.”
10 Artikel 123, § 1, punten 1 en 2, van dat wetboek luidt als volgt: „De verjaring wordt gestuit: 1) door elke handeling die bedoeld is om de vordering op te eisen, vast te stellen, in te vorderen of veilig te stellen, en die rechtstreeks wordt verricht voor een rechter of een andere autoriteit die is aangewezen om zaken te behandelen of om vorderingen van bepaalde aard af te dwingen, of een scheidsgerecht; 2) wanneer de schuldenaar de schuldvordering erkent”.
11 Artikel 124, § 1, van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „Na iedere stuiting begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen.”
12 Artikel 3851, § 1, van dit wetboek bepaalt: „Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd.”
13 Artikel 405 van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten nadele van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is verplicht hem het voordeel in natura terug te geven en, indien dit niet mogelijk is, de waarde ervan te vergoeden.”
14 Artikel 410, §§ 1 en 2, van dit wetboek luidt als volgt: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn in het bijzonder van toepassing op onverschuldigde prestaties. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe niet verplicht was of niet gebonden was ten aanzien van de begunstigde, of indien de grondslag van de prestatie is verdwenen of het doel van de prestatie niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij de prestatie wordt verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat de prestatie is verricht.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15 In 2007 heeft mBank met TK alsook met DJ en JJ een hypothecaire leningsovereenkomst voor een bedrag van 1958800 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 460700 EUR) gesloten die was gekoppeld aan de Zwitserse frank (CHF). Dit bedrag werd aan TK gestort. De contractuele verbintenis van DJ en JJ strekte er enkel toe de kredietwaardigheid van TK te waarborgen met het oog op toekenning van de lening.
16 Bij een vordering die is ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) en op 15 januari 2018 aan mBank is betekend, hebben de drie kredietnemers verzocht om ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst.
17 In de loop van de gerechtelijke procedure heeft TK op 9 januari 2019 en op 3 oktober 2019 voor deze rechter verklaard dat zij zich bewust was van de gevolgen van de ongeldigverklaring van de overeenkomst, namelijk de verplichting tot terugbetaling aan de bank van het volledige ontvangen kredietbedrag, dat zij deze gevolgen accepteerde, en dat zij instemde met de nietigverklaring van de overeenkomst (hierna ook: „verklaringen van TK”). Bij vonnis van 5 november 2019 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de leningsovereenkomst nietig verklaard op grond dat deze oneerlijke bedingen bevatte zonder welke de overeenkomst niet kon worden gehandhaafd.
18 Op 2 december 2022 heeft mBank bij de Sąd Okręgowy w Warszawie, de verwijzende rechter, tegen TK alsmede tegen DJ en JJ een procedure ingeleid tot terugvordering van het aan TK gestorte kredietbedrag, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.
19 Op 16 december 2024 heeft de verwijzende rechter bij een deelvonnis de vordering van mBank afgewezen voor zover deze tegen DJ en JJ was gericht.
20 TK concludeert tot afwijzing van de vordering en werpt met name een exceptie van verjaring van de schuldvordering van mBank op.
21 Meer in het bijzonder betoogt TK dat de vordering tot ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst die zij samen met DJ en JJ heeft ingesteld, op 15 januari 2018 aan mBank is betekend en dat de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 118 en artikel 120, § 1, van het burgerlijk wetboek op die dag was ingegaan en op 31 december 2021 was verstreken.
22 De verwijzende rechter merkt vooraf op dat het bestaan van de schuldvordering van mBank op zich geen twijfels doet rijzen, maar dat het voor de beslechting van het hoofdgeding van belang is te weten of de verjaring van die schuldvordering geldig is gestuit door de verklaringen die TK heeft afgelegd tijdens de procedure die de drie kredietnemers hebben ingeleid.
23 In dit verband zet deze rechter uiteen dat de verjaringstermijn voor de schuldvordering van een verkoper krachtens artikel 118 van het burgerlijk wetboek drie jaar bedraagt en op de laatste dag van het kalenderjaar afloopt, en dat deze termijn volgens een beslissing van 2024 van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) ingaat op de dag waarop de consument voor het eerst jegens de verkoper heeft betwist dat hij gebonden was aan de bedingen van de overeenkomst, in casu 15 januari 2018.
24 In die context is de verwijzende rechter van oordeel dat er twee mogelijke benaderingen bestaan met betrekking tot de vraag of de schuldvordering van de bank verjaard is.
25 Ten eerste zou kunnen worden aangenomen dat de verklaringen die TK heeft afgelegd in de procedure die mede door haar was ingeleid, een erkenning van haar schuld inhouden, hetgeen leidt tot stuiting van de verjaring van de schuldvordering overeenkomstig artikel 123, § 1, punt 2, van het burgerlijk wetboek. In dat geval is de verjaringstermijn opnieuw ingegaan op 3 oktober 2019 en is de schuldvordering van de bank niet verjaard, zodat de verwijzende rechter de vordering in het hoofdgeding moet toewijzen.
26 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat die erkenning mBank zou hebben kunnen doen geloven dat TK haar schuld vrijwillig zou voldoen, en de bank zou hebben kunnen doen besluiten om geen vordering tot betaling in te stellen. In dergelijke omstandigheden zou de afwijzing van de vordering van mBank wegens verjaring van de schuldvordering een beperking van haar recht op toegang tot de rechter en schending van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid kunnen opleveren.
27 Ten tweede zou volgens de verwijzende rechter kunnen worden aangenomen dat TK met de verklaringen die zij heeft afgelegd teneinde de ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst te verkrijgen, onbewust in haar eigen nadeel heeft gehandeld door daarmee haar schuld te erkennen. De stuiting van de verjaring van de schuldvordering van de bank zou dan in strijd kunnen zijn met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel omdat de stuiting van de verjaring als gevolg van een dergelijke erkenning het voor verkopers gemakkelijker zou maken om hun rechten geldend te maken.
28 Mocht het Hof oordelen dat de verklaringen van TK de verjaring niet hebben gestuit, zou volgens de verwijzende rechter nog moeten worden onderzocht of die verklaringen kunnen worden beschouwd als een gedraging van de schuldenaar die van invloed is geweest op de vertraging die de schuldeiser bij het instellen van zijn vordering heeft opgelopen, in welk geval het verstrijken van de verjaringstermijn voor de schuldvordering van mBank buiten beschouwing mag worden gelaten op grond van artikel 1171, § 2, punt 3, van het burgerlijk wetboek.
29 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] en de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid, rechtszekerheid en recht op toegang tot de rechter aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van een nationale wettelijke regeling op grond waarvan: – de verjaringstermijn van een vordering van een verkoper op een consument tot terugbetaling van prestaties die onverschuldigd zijn verricht uit hoofde van een overeenkomst die wegens de daarin opgenomen oneerlijke contractuele bedingen nietig is geworden, wordt gestuit doordat de consument een verklaring heeft afgelegd dat hij zich ervan bewust is dat hij wegens de nietigheid van de overeenkomst verplicht is tot terugbetaling van prestaties die hij van de verkoper uit hoofde van de nietige overeenkomst heeft ontvangen; – de omstandigheid dat de consument de bovengenoemde verklaring heeft afgelegd, kan rechtvaardigen dat het verstrijken van de verjaringstermijn van de vordering van de verkoper op de consument buiten beschouwing wordt gelaten?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
30 Met het eerste deel van de vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van de nationale wetgeving op grond waarvan de verjaringstermijn voor de schuldvordering van de kredietverlener wordt gestuit door een verklaring die een kredietnemer in het kader van een eerdere procedure betreffende een vordering tot ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen heeft gedaan en volgens welke deze kredietnemer zich ervan bewust is dat hij als gevolg van die ongeldigverklaring verplicht zal zijn de betaling die hij van de kredietverlener heeft ontvangen te restitueren.
31 Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dienen de lidstaten erop toe te zien dat er in hun nationale rechtsstelsel doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.
32 Krachtens het beginsel van procedurele autonomie is het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia,C‑485/19, EU:C:2021:313, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Er zij in de eerste plaats aan herinnerd dat een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding volgens vaste rechtspraak in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dat geldt ook wanneer het oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper niet alleen leidt tot nietigheid van die bedingen, maar ook tot nietigheid van die overeenkomst in haar geheel [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Die doelstelling om de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder oneerlijke bedingen zou hebben bevonden, moet worden nagestreefd met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en vereist dat de nationale regeling, waarbij dit recht ten uitvoer wordt gelegd, niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken (arrest van 23 november 2023, Provident Polska,C‑321/22, EU:C:2023:911, punt 85).
35 Dit evenredigheidsbeginsel zou echter worden geschonden indien herstel in de vorige toestand ten aanzien van de verkoper zou worden uitgesloten. De verplichting tot terugbetaling ingevolge de ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat, moet dus wederzijds zijn, zonder dat de bank evenwel het recht heeft om van de kredietnemer een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst gestorte kapitaal en de betaling van de wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling [zie in die zin arrest van 7 december 2023, mBank (Verklaring van de consument),C‑140/22, EU:C:2023:965, punt 62].
36 Bovendien kan de terugbetalingsplicht die de nietigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen met zich brengt, die ook de vordering tot terugbetaling van de bankinstelling rechtvaardigt, ervoor zorgen dat de bescherming van de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de kredietnemer (zie naar analogie arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a.,C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 94).
37 In deze context zij er in de tweede plaats op gewezen dat de stuiting van de verjaringstermijn voor de terugvordering door de verkoper ingevolge de erkenning door de consument, deze consument in beginsel niet belet om zijn recht op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van oneerlijke bedingen onverschuldigd heeft verkregen, uit te oefenen, waardoor de situatie waarin hij rechtens en feitelijk zonder die bedingen zou hebben verkeerd, zal worden hersteld.
38 Wat in de derde plaats de verplichting van de nationale rechter betreft om oneerlijke bedingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 indien nodig ambtshalve terzijde te schuiven, volgt uit de rechtspraak dat deze rechter niet verplicht is een beding buiten toepassing te laten indien de consument, nadat hij door die rechter is voorgelicht, niet van plan is zich op het oneerlijke en niet-bindende karakter ervan te beroepen en dus vrijwillig en met kennis van zaken met dat beding instemt (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Dziubak,C‑260/18, EU:C:2019:819, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Teneinde de consument in staat te stellen vrijwillig en goed geïnformeerd in te stemmen met de niet-toepassing van een oneerlijk beding of de toepassing van een beding ondanks het oneerlijke karakter ervan, staat het dus aan de nationale rechter om de partijen in het kader van het nationale procesrecht en met inachtneming van het beginsel van billijkheid in burgerlijke zaken objectief en uitputtend te wijzen op de juridische gevolgen die de schrapping van het oneerlijke beding kan hebben [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 48]. Dergelijke informatie is van nog groter belang wanneer de niet-toepassing van het oneerlijke beding kan leiden tot de nietigverklaring van de gehele overeenkomst, waardoor de consument eventueel met vorderingen tot terugbetaling kan worden geconfronteerd [arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑6/22, EU:C:2023:216, punt 40].
40 Dienaangaande volgt uit de verwijzingsbeslissing dat TK, die tweemaal door de met het oog op de ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst aangezochte rechter is ondervraagd, heeft verklaard dat zij begreep en accepteerde dat de ongeldigheid van de overeenkomst tot gevolg had dat zij het ontvangen kredietbedrag aan mBank moest terugbetalen, en dat zij desalniettemin haar vordering heeft gehandhaafd.
41 In dit verband moet worden gepreciseerd dat de verplichting van de nationale rechter om de consument aanwijzingen te geven als bedoeld in de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet met zich kan brengen dat hij verplicht is om gedetailleerd alle rechtsregels uit te leggen die van toepassing kunnen zijn op een vordering tot terugbetaling van de verkoper, zoals die betreffende de stuiting van de verjaringstermijn voor de schuldvordering van de verkoper. Het feit dat de consument in kennis wordt gesteld van zijn verplichting om de geleende hoofdsom terug te betalen met vertragingsrente, volstaat immers om hem in staat te stellen de rechtsgevolgen van de ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen te begrijpen en te beoordelen en aldus vrijwillig en goed geïnformeerd met die ongeldigverklaring in te stemmen. Dat de verklaringen van die consument klaarblijkelijk tot doel hadden de ongeldigverklaring van de overeenkomst te verkrijgen en niet om de verjaring van de schuldvordering van de verkoper te stuiten is in die omstandigheden niet relevant.
42 In de vierde plaats zij eraan herinnerd dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel, waarnaar de verwijzende rechter eveneens verwijst, volgens vaste rechtspraak van het Hof beoogt te waarborgen dat rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (arrest van 16 oktober 2019, Agrárminiszter,C‑490/18, EU:C:2019:863, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit beginsel staat dan ook niet in de weg aan een regel van nationaal recht die bepaalt dat de verjaringstermijn voor de schuldvordering van de verkoper wordt gestuit wanneer de consument zijn schuld erkent, des te meer daar, zoals de verwijzende rechter aangeeft, die verkoper ingevolge een dergelijke erkenning mogelijk verwacht dat de consument zijn schuld vrijwillig zal voldoen, en daarom misschien het instellen van een rechtsvordering met het oog op opeising van zijn schuldvordering uitstelt.
43 Een dergelijke regel is ook geschikt om het recht van de verkoper op toegang tot de rechter te waarborgen, aangezien die verkoper ingevolge de erkenning van de schuld van de consument kan voorzien dat de verjaringstermijn voor zijn schuldvordering overeenkomstig het nationale recht opnieuw zal ingaan en hij zijn recht op toegang tot de rechter in voorkomend geval rekening houdend met die termijn kan uitoefenen.
44 Gelet op een en ander moet op het eerste deel van de vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van de nationale wetgeving op grond waarvan de verjaringstermijn voor de schuldvordering van de kredietverlener wordt gestuit door een verklaring die een kredietnemer in het kader van een eerdere procedure betreffende een vordering tot ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen heeft gedaan en volgens welke deze kredietnemer zich ervan bewust is dat hij als gevolg van die ongeldigverklaring verplicht zal zijn de betaling die hij van de kredietverlener heeft ontvangen te restitueren.
45 Gelet op het antwoord dat op het eerste deel van de vraag is gegeven, hoeft het tweede deel ervan, dat is gebaseerd op de veronderstelling dat de stuiting van de verjaring van de schuldvordering van de kredietverlener onverenigbaar is met het Unierecht, niet te worden beantwoord.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van de nationale wetgeving op grond waarvan de verjaringstermijn voor de schuldvordering van de kredietverlener wordt gestuit door een verklaring die een kredietnemer in het kader van een eerdere procedure betreffende een vordering tot ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen heeft gedaan en volgens welke deze kredietnemer zich ervan bewust is dat hij als gevolg van die ongeldigverklaring verplicht zal zijn de betaling die hij van de kredietverlener heeft ontvangen te restitueren.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 december 2023, C-140/22, ECLI:EU:C:2023:965
- HvJ EU 23 november 2023, C-321/22, ECLI:EU:C:2023:911
- HvJ EU 15 juni 2023, C-520/21, ECLI:EU:C:2023:478
- HvJ EU 16 maart 2023, C-6/22, ECLI:EU:C:2023:216
- HvJ EU 22 april 2021, C-485/19, ECLI:EU:C:2021:313
- HvJ EU 16 oktober 2019, C-490/18, ECLI:EU:C:2019:863
- HvJ EU 3 oktober 2019, C-260/18, ECLI:EU:C:2019:819
- HvJ EU 13 juli 2006, C-295/04, ECLI:EU:C:2006:461