HvJ EU 16 april 2026, C-752/24, ECLI:EU:C:2026:307

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de kredietovereenkomst – Vorderingen tot terugbetaling – Verjaringstermijn voor de vordering van verkoper – Stuiting van de verjaringstermijn – Doeltreffendheidsbeginsel – Rechtzekerheidsbeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Recht op toegang tot de rechter – Ongerechtvaardigde verrijking”

In zaak C‑752/24 [Jangielak] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 30 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

mBank S.A.

tegen

KŁ,

JŁ,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– mBank S.A., vertegenwoordigd door A. Cudna-Wagner, radca prawny, en B. Miąskiewicz, adwokat,

– KŁ en JŁ, vertegenwoordigd door I. Gabrysiak en J. Kmieć, adwokaci,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door A. Pimenta en A. Rodrigues als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en B. Sasinowska als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid, rechtszekerheid en recht op toegang tot de rechter.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen mBank S.A., een bankinstelling, enerzijds, en KŁ en JŁ, twee kredietnemers, anderzijds, over de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit de ongeldigheid van een hypothecaire leningsovereenkomst wegens de oneerlijke bedingen die daarin zijn opgenomen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 93/13 bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Pools recht

5 In artikel 58, § 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. 2024, volgnr. 1061), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), is het volgende bepaald: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de ongeldige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”

6 Artikel 118 van dit wetboek luidt als volgt: „Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, bedraagt de verjaringstermijn zes jaar; voor vorderingen inzake periodieke prestaties en vorderingen in verband met de uitoefening van een commerciële activiteit bedraagt de termijn drie jaar. De verjaringstermijn verstrijkt echter op de laatste dag van het kalenderjaar, tenzij deze korter is dan twee jaar.”

7 In artikel 123, § 1, punt 1, van het burgerlijk wetboek is het volgende bepaald: „De verjaring wordt gestuit: 1) door elke handeling die bedoeld is om de vordering op te eisen, vast te stellen, in te vorderen of veilig te stellen, en die rechtstreeks wordt verricht voor een rechter of een andere autoriteit die is aangewezen om zaken te behandelen of om vorderingen van bepaalde aard af te dwingen, of een scheidsgerecht”.

8 Artikel 124, §§ 1 en 2, van dit wetboek is als volgt geformuleerd: „§ 1. Na iedere stuiting begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen. § 2. Indien de verjaring wordt gestuit door een proceshandeling voor een rechter of een andere autoriteit die is aangewezen om zaken te behandelen of om vorderingen van bepaalde aard af te dwingen, of een scheidsgerecht, vangt de verjaringstermijn niet opnieuw aan zolang deze procedure niet is beëindigd.”

9 Artikel 3851, §§ 1 en 2, van dat wetboek bepaalt: „§ 1. Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd. § 2. Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig § 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden aan de overige bepalingen van de overeenkomst.”

10 Artikel 405 van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten nadele van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is verplicht hem het voordeel in natura terug te geven en, indien dit niet mogelijk is, de waarde ervan te vergoeden.”

11 Artikel 410, §§ 1 en 2, van dit wetboek luidt als volgt: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn in het bijzonder van toepassing op onverschuldigde prestaties. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe niet verplicht was of niet gebonden was ten aanzien van de begunstigde, of indien de grondslag van de prestatie is verdwenen of het doel van de prestatie niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij de prestatie wordt verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat de prestatie is verricht.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 In september 2008 hebben KŁ en JŁ met mBank een leningsovereenkomst gesloten die was gekoppeld aan de Zwitserse frank (CHF). Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft mBank hun een bedrag van 226000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 53000 EUR) gestort.

13 Aangezien de twee kredietnemers van mening waren dat de leningsovereenkomst oneerlijke bedingen bevatte, hebben zij, bij een procesakte die op 28 september 2017 aan mBank is betekend, in het kader van een collectieve procedure bij de Sąd Okręgowy w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź, Polen) de ongeldigverklaring van deze overeenkomst gevorderd. De samenstelling van de groep waar KŁ en JŁ zich bij hebben aangesloten is vastgesteld bij beschikking van de Sąd Okręgowy w Łodzi van 13 maart 2018.

14 Op 13 december 2021 heeft mBank bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tegen KŁ en JŁ. Zij vordert dat, indien de leningsovereenkomst na afloop van de collectieve procedure ongeldig wordt verklaard, de kredietnemers worden veroordeeld om haar op grond van artikel 405 van het burgerlijk wetboek, gelezen in samenhang met artikel 410, § 1, ervan, de geleende hoofdsom terug te betalen, vermeerderd met de wettelijk vertragingsrente.

15 KŁ en JŁ concluderen tot afwijzing van deze vordering, waarbij zij met name opwerpen dat de schuldvordering van mBank verjaard is. Zij wijzen erop dat de bank vordert dat zij worden veroordeeld tot betaling van die schuldvordering indien de kredietovereenkomst in het kader van de collectieve procedure ongeldig wordt verklaard, en dat zij haar schuldvordering dus niet rechtstreeks geldend maakt voor de aangezochte rechter. Bijgevolg heeft de instelling van de vordering van mBank niet geleid tot stuiting van de verjaring van haar schuldvordering in de zin van artikel 123, § 1, van het burgerlijk wetboek.

16 De verwijzende rechter merkt op dat het bestaan van de schuldvordering van mBank op zichzelf geen twijfels doet rijzen, maar dat het voor de beslechting van het hoofdgeding van belang is te weten of de verjaring van die schuldvordering daadwerkelijk is gestuit door de instelling van de vordering tot terugbetaling van mBank.

17 In dit verband legt deze rechter uit dat de verjaringstermijn van drie jaar voor de schuldvordering van een verkoper volgens de rechtspraak van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) ingaat op de datum waarop de consument voor het eerst bij die verkoper heeft betwist dat hij gebonden was door de bedingen van de overeenkomst. In casu is dat de datum waarop de Sąd Okręgowy w Łodzi de beschikking houdende vaststelling van de samenstelling van de groep in de collectieve procedure tegen mBank heeft gegeven, namelijk 13 maart 2018.

18 Indien de instelling van de vordering tot terugbetaling van mBank op 13 december 2021 kan worden beschouwd als een grond voor stuiting van de verjaring in de zin van artikel 123, § 1, punt 1, van het burgerlijk wetboek, is de schuldvordering van mBank dus niet verjaard in de zin van artikel 118 van het burgerlijk wetboek. Indien de instelling van die vordering de verjaring daarentegen niet rechtsgeldig heeft gestuit, zoals KŁ en JŁ aanvoeren, is de schuldvordering van mBank thans verjaard.

19 De verwijzende rechter wijst erop dat mBank in het kader van de collectieve procedure aanvoert dat de betrokken leningsovereenkomst geen oneerlijke bedingen bevat, zodat de vordering tot ongeldigverklaring ervan moet worden afgewezen. In het hoofdgeding vordert zij evenwel veroordeling van de kredietnemers tot terugbetaling van de geleende hoofdsom, vermeerderd met vertragingsrente, voor het geval die overeenkomst ongeldig wordt verklaard, wetende dat deze kwestie zal worden beslecht in het kader van de collectieve vordering waarbij deze kredietnemers partij zijn.

20 In die omstandigheden vraagt deze rechter zich af of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich ertegen verzet dat de instelling van een vordering tot terugbetaling van de bank de verjaring van haar schuldvordering stuit.

21 Hij merkt op dat deze vordering enerzijds leidt tot een onzekere situatie voor de kredietnemer, die verplicht is zich daartegen te verweren en er tegelijkertijd belang bij heeft die vordering te erkennen en de gestorte hoofdsom onverwijld terug te betalen om te voorkomen dat hij in het kader van de collectieve procedure wordt veroordeeld tot betaling van rente en de kosten in geval van afwijzing van de vordering tot ongeldigverklaring van de kredietovereenkomst.

22 Anderzijds is de verwijzende rechter van oordeel dat het gedrag van mBank wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de verjaring van haar schuldvordering te stuiten vóór de uitkomst van de collectieve procedure, aangezien de verjaringstermijn op 13 maart 2018 is ingegaan. Deze kredietverlener mag niet de mogelijkheid worden ontnomen om zijn schuldvordering en daarmee zijn recht op toegang tot de rechter daadwerkelijk geldend te maken. Een dermate vergaande beperking van de procedurele rechten van die kredietverlener zou verder kunnen gaan dan het doel van consumentenbescherming vereist en daardoor het evenredigheidsbeginsel kunnen schenden.

23 Bovendien vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat artikel 123, § 1, punt 1, van het burgerlijk wetboek in elke situatie identiek wordt uitgelegd, dat wil zeggen dat de instelling van een vordering tot betaling hoe dan ook de verjaringstermijn stuit, aldus nog deze rechter.

24 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] alsmede de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid en rechtszekerheid alsook het recht op toegang tot de rechter aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een uitlegging van een nationale wettelijke regeling volgens welke de verjaringstermijn voor een vordering van een verkoper tegen een consument tot terugbetaling van prestaties die onverschuldigd zijn verricht krachtens een overeenkomst die wegens oneerlijke contractuele bedingen nietig is, wordt gestuit door een vordering tot betaling die door de bank wordt ingesteld voordat een eerder door de consument ingestelde procedure tot vaststelling van de nietigheid van de kredietovereenkomst definitief is afgerond[?]”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid

25 KŁ en JŁ stellen dat, anders dan in de verwijzingsbeslissing is aangegeven, de verjaringstermijn voor de schuldvordering van mBank volgens de nationale rechtspraak is ingegaan op de datum waarop de vordering tot ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst in het kader van de collectieve procedure aan mBank is betekend, namelijk op 28 september 2017. De schuldvordering die in het hoofdgeding aan de orde is, was dus reeds verjaard op het moment van de instelling van de vordering tot terugbetaling van deze bank, zodat de prejudiciële vraag hypothetisch en dus niet-ontvankelijk is.

26 In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het Hof, volgens vaste rechtspraak, in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen laatstgenoemde en de rechterlijke instanties van de lidstaten dient uit te gaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen worden gesteld. Een prejudiciële verwijzing kan bijgevolg niet worden onderzocht in het licht van de door de regering van een lidstaat of een partij in het hoofdgeding aangevoerde uitlegging van het nationale recht (arrest van 21 december 2021, Trapeza Peiraios, C‑243/20, EU:C:2021:1045, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de verjaringstermijn voor de schuldvordering van mBank volgens de nationale regels is ingegaan op de datum waarop in het kader van de collectieve procedure de beschikking houdende vaststelling van de samenstelling van de groep waarbij KŁ en JŁ zich hebben aangesloten, is gegeven, namelijk 13 maart 2018, en dat de schuldvordering van mBank dus nog niet was verjaard op de datum waarop zij haar vordering tot terugbetaling heeft ingesteld, namelijk 13 december 2021.

28 Derhalve is de gestelde vraag niet hypothetisch en is zij dus ontvankelijk.

Ten gronde

29 De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de instelling door een kredietverlener van een vordering tot terugbetaling van de prestaties die zijn verricht krachtens een kredietovereenkomst die het voorwerp vormt van een afzonderlijke procedure die de kredietnemer heeft ingesteld om die overeenkomst wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen ongeldig te laten verklaren, de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener stuit vóór de definitieve beëindiging van deze laatste procedure.

30 Deze rechter wijst erop dat, ten eerste, de verjaringstermijn van drie jaar voor het recht van mBank om de uit de ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst voortvloeiende terugbetalingsplicht te laten gelden, indien mBank niets had ondernomen, zou zijn verstreken voordat de beslissing op de door de kredietnemers ingestelde vordering tot ongeldigverklaring van die overeenkomst was gegeven. Ten tweede zijn de kredietnemers door de instelling van de vordering tot terugbetaling van mBank verplicht om zich daartegen te verweren, ook al stelt mBank in het kader van deze nog aanhangige procedure tot ongeldigverklaring dat de leningsovereenkomst geldig is.

31 Dienaangaande moet er allereerst aan worden herinnerd dat volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten erop moeten toezien dat er in hun nationale rechtsstelsel doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

32 Volgens eveneens vaste rechtspraak moet een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding in beginsel worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dat geldt ook wanneer het oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper niet alleen leidt tot nietigheid van die bedingen, maar ook tot nietigheid van die overeenkomst in haar geheel [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33 Die doelstelling om de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder oneerlijke bedingen zou hebben bevonden, moet worden nagestreefd met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en vereist dat de nationale regeling waarbij dit recht ten uitvoer wordt gelegd, niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken (arrest van 23 november 2023, Provident Polska, C‑321/22, EU:C:2023:911, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Dit evenredigheidsbeginsel zou echter worden geschonden indien herstel in de vorige toestand ten aanzien van de verkoper zou worden uitgesloten. De verplichting tot terugbetaling ingevolge de ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat moet dus wederzijds zijn, zonder dat de bank evenwel het recht heeft om van de kredietnemer een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst gestorte kapitaal en de betaling van de wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling [zie in die zin arrest van 7 december 2023, mBank (Verklaring van de consument),C‑140/22, EU:C:2023:965, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35 Bovendien kan de terugbetalingsplicht die de ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen met zich brengt, die ook de vordering tot terugbetaling van de bankinstelling rechtvaardigt, ervoor zorgen dat de bescherming van de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de kredietnemer (zie naar analogie arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 94).

36 Ten slotte zij eraan herinnerd dat het beginsel van wapengelijkheid – dat een logisch uitvloeisel is van het begrip „eerlijk proces” en tot doel heeft het evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen – volgens de rechtspraak inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij niet wezenlijk wordt benadeeld ten opzichte van de tegenpartij (arrest van 28 juli 2016, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., C‑543/14, EU:C:2016:605, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), ook, zoals in casu, door een afzonderlijke vordering tot terugbetaling die de kredietverlener naast een parallelle procedure tot ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen instelt teneinde de verjaring van zijn schuldvordering te sluiten.

37 De instelling van een dergelijke vordering doet immers niet alleen in beginsel geen afbreuk aan de uitoefening door de consument van zijn recht op terugbetaling van de voordelen die deze kredietverlener op grond van oneerlijke bedingen onverschuldigd heeft verkregen, maar draagt ook bij tot het herstel van de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder die bedingen zou hebben verkeerd.

38 Wat voorts het rechtszekerheidsbeginsel betreft, waarnaar de verwijzende rechter eveneens verwijst, beoogt dit volgens vaste rechtspraak te waarborgen dat rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (arrest van 16 oktober 2019, Agrárminiszter, C‑490/18, EU:C:2019:863, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit beginsel verzet zich dus niet tegen een regel van nationaal recht, zoals artikel 123, § 1, punt 1, van het burgerlijk wetboek, volgens welke de instelling van een vordering tot betaling de verjaring van het recht op die betaling hoe dan ook stuit.

39 De verwijzende rechter merkt evenwel op dat indien de verjaring van de schuldvordering van de kredietverlener wordt gestuit doordat deze een afzonderlijke vordering tot terugbetaling instelt vóór de definitieve beëindiging van de procedure betreffende de vordering tot ongeldigverklaring die de kredietnemers eerder bij een andere rechter hebben ingesteld, deze laatsten verplicht zijn om een verweerschrift in te dienen en, indien zij de procedure zouden verliezen, vertragingsrente en kosten te betalen in het kader van de door die kredietverlener ingeleide procedure.

40 Wat betreft de verjaringstermijn die geldt voor de terugvordering door de kredietverlener moet in herinnering worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat bij het ontbreken van specifieke Unieregelgeving ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten zijn. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling),C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat procedurele regelingen die te hoge kosten met zich brengen voor de consument ertoe kunnen leiden dat hij ervan wordt weerhouden om zijn rechten op een nuttige manier te verdedigen voor de door de verkoper aangezochte rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punt 54).

42 Het staat dus aan de verwijzende rechter om het nationale recht, met inbegrip van procedureregels op grond waarvan in voorkomend geval de procedure betreffende de vordering tot terugbetaling van de kredietverlener kan worden geschorst in afwachting van een definitieve uitkomst van de procedure betreffende de eerder door de kredietnemers ingestelde vordering tot ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst, voor zover mogelijk op een zodanige wijze toe te passen dat de gevolgen die volgens dat recht voortvloeien uit de stuiting door mBank van de verjaring van haar schuldvordering vóór de vaststelling van de ongeldigheid van de leningsovereenkomst wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, geen afbreuk doen aan de doelstelling van richtlijn 93/13 om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen. Deze rechter moet er bovendien voor zorgen dat de kosten die voortvloeien uit de door de bank vóór de ongeldigverklaring van de overeenkomst ingestelde vordering tot terugbetaling, die de kredietnemers zouden moeten dragen indien zij in het kader van die vordering in het ongelijk zouden worden gesteld, niet onevenredig hoog zijn, waardoor de kredietnemers ervan zouden worden weerhouden de rechten die zij aan deze richtlijn ontlenen, te doen gelden.

43 Wat betreft het feit dat, zoals de verwijzende rechter onderstreept, de kredietnemer verplicht zou zijn om een verweerschrift in te dienen in de procedure betreffende de door de kredietverlener ingestelde vordering tot terugbetaling, moet worden opgemerkt dat dit enkele feit, dat overigens het beginsel van hoor en wederhoor beoogt te waarborgen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.

44 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich in beginsel niet verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de instelling door een kredietverlener van een vordering tot terugbetaling van de prestaties die zijn verricht krachtens een kredietovereenkomst die het voorwerp vormt van een afzonderlijke procedure die de kredietnemer heeft ingesteld om die overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van daarin opgenomen bedingen ongeldig te laten verklaren, de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener stuit vóór de definitieve beëindiging van deze laatste procedure, op voorwaarde dat de nationale rechter met inachtneming van het volledige nationale recht alle maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de uitoefening van de rechten die de kredietnemer aan richtlijn 93/13 ontleent, niet uiterst moeilijk of onmogelijk wordt gemaakt.

Kosten

45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich in beginsel niet verzetten tegen een rechterlijke uitlegging van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de instelling door een kredietverlener van een vordering tot terugbetaling van de prestaties die zijn verricht krachtens een kredietovereenkomst die het voorwerp vormt van een afzonderlijke procedure die de kredietnemer heeft ingesteld om die overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van daarin opgenomen bedingen ongeldig te laten verklaren, de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener stuit vóór de definitieve beëindiging van deze laatste procedure, op voorwaarde dat de nationale rechter met inachtneming van het volledige nationale recht alle maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de uitoefening van de rechten die de kredietnemer aan richtlijn 93/13 ontleent, niet uiterst moeilijk of onmogelijk wordt gemaakt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken