HvJ EU 16 april 2026, C-58/24, ECLI:EU:C:2026:300

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna – Artikel 12 – Systeem van strikte bescherming van bepaalde diersoorten – Artikel 16 – Besluit om een afwijking toe te staan in afwachting van een bouwvergunningaanvraag voor een project dat onder richtlijn 2011/92/EU valt – Artikel 11 – Verdrag van Aarhus – Artikel 9 – Procedurele autonomie – Gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel – Als autonome rechtshandeling aangemerkt afwijkingsbesluit – Procedureregels die voorzien in een termijn van drie maanden om te verzoeken om nietigverklaring van de afwijkende vergunning”

In zaak C‑58/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 21 december 2023, ingekomen bij het Hof op 26 januari 2024, in de procedure

NE,

MY,

HJ,

XF,

WB,

UV,

VK,

JU,

RJ,

DZ

tegen

An Coimisiún Pleanála, voorheen An Bord Pleanála,

minister for Housing, Local Government and Heritage,

Ireland,

The Attorney General,

in tegenwoordigheid van:

Drumakilla Limited,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– NE, MY, HJ, XF, WB, UV, VK, JU, RJ, DZ, vertegenwoordigd door N. Steen, SC, J. Kenny, BL, en F. Logue, solicitor,

– de minister for Housing, Local Government and Heritage, Ierland en de Attorney General, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, A. Burke, A. Joyce en B. Slattery als gemachtigden, bijgestaan door D. Browne, SC, en J. Fitzsimons, SC,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Milanowska, M. Noll-Ehlers en N. Ruiz García als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van met name artikel 16, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7; hierna: „habitatrichtlijn”) en artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 124, blz. 1) (hierna: „MEB-richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen een aantal natuurlijke personen, enerzijds, en de An Coimisiún Pleanála, voorheen de An Bord Pleanála (agentschap voor ruimtelijke ordening, Ierland) en de minister for Housing, Local Government and Heritage (minister van Huisvesting, Lokaal Bestuur en Erfgoed, Ierland), Ierland en de Attorney General (procureur-generaal, Ierland), anderzijds, betreffende de rechtmatigheid van een aan Drumakilla Limited (hierna: „opdrachtgever”) verleende afwijkende vergunning, met het oog op een aanvraag van een bouwvergunning voor wooneenheden.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus (Denemarken) op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1; hierna: „Verdrag van Aarhus”) bepaalt in de leden 2, 3 en 5 het volgende: „2. Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a) die een voldoende belang hebben, dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt, wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel om aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, lid 5, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onder a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onder b). De bepalingen van dit lid 2 sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht. 3. Aanvullend op en onverminderd de in de voorgaande leden 1 en 2, bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu. […] 5. Om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel te bevorderen waarborgt elke partij dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures en overweegt zij het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen.”

Unierecht

Habitatrichtlijn

4 Artikel 12 van de habitatrichtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, [onder] a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op: […] b) het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek; […] d) de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen. […]”

5 In artikel 16, lid 1, van die richtlijn is bepaald: „Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen [de] lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, [onder] a) en b): a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; […]”

MEB-richtlijn

6 Artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn luidt als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚project’: – de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken, – andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten; […] c) ‚vergunning’: het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren; […] g) ‚milieueffectbeoordeling’: een proces bestaande uit: i) de voorbereiding van een milieueffectbeoordelingsrapport door de opdrachtgever, zoals bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2; ii) de uitvoering van raadplegingen zoals bedoeld in artikel 6 en, voor zover relevant, artikel 7; iii) het onderzoek door de bevoegde instantie van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en in voorkomend geval van alle aanvullende informatie die door de opdrachtgever wordt verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 3, en van alle via de raadplegingen op grond van de artikelen 6 en 7, ontvangen relevante informatie; iv) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie inzake de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek als bedoeld onder iii), en, indien van toepassing, haar eigen aanvullende onderzoek, en v) de integratie van de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie in een van de besluiten als bedoeld in artikel 8 bis.”

7 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten op het milieu plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.”

8 In artikel 4, leden 2 en 5, van die richtlijn is bepaald: „2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, zulks: a) door middel van een onderzoek per geval, of b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria. De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen. […] 5. De bevoegde instantie neemt haar besluit op basis van de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 4 verstrekte informatie waarbij zij, voor zover relevant, rekening houdt met de resultaten van voorafgaande controles of op grond van andere milieuwetgeving van de Unie dan deze richtlijn uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu. Het besluit wordt openbaar gemaakt en: a) bevat, indien besloten wordt dat het project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project aan een dergelijke beoordeling moet worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van bijlage III, of b) bevat, indien besloten wordt dat het project niet aan een milieueffectbeoordeling hoeft te worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project niet aan een dergelijke beoordeling hoeft te worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van de lijst van bijlage III, en, indien de opdrachtgever deze heeft voorgesteld, kenmerken van het project en/of geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.”

9 Artikel 11 van die richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die: a) een voldoende belang hebben, dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten. 2. De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten. […] 5. Ter verhoging van de effectiviteit van het bepaalde in dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties.”

Iers recht

Regulations 2011

10 Regulation 51 van de European Communities (Birds and Natural Habitats) Regulations 2011 (besluit van 2011 ter uitvoering van de voorschriften van de Europese Gemeenschap inzake het behoud van de vogelstand en de natuurlijke habitats; hierna: „Regulations 2011”) bepaalt in lid 2: „Niettegenstaande een wettelijke of andere vergunning die door een overheidsorgaan aan een persoon is verleend of die een persoon in zijn bezit heeft, behoudens overeenkomstig een afwijking die door de [minister for Housing, Local Government and Heritage] is toegestaan op grond van regulation 54, pleegt eenieder die, wat de in deel 1 van bijlage I vermelde soorten betreft, […] (b) deze soorten opzettelijk verstoort, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek, […] (d) voortplantings- of rustplaatsen van een dergelijk dier beschadigt of vernielt, […] […] een strafbaar feit.”

11 In regulation 54 van Regulations 2011 is bepaald: „(1) Eenieder kan de [minister for Housing, Local Government and Heritage], of de minister of ministers die in de regering bevoegd zijn voor de in deel II van bijlage I genoemde vissoorten, verzoeken om een afwijking van de naleving van de vereisten van de regulations 51, 52 en 53. (2) Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de soort [bedoeld in de habitatrichtlijn] in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, kunnen de [minister for Housing, Local Government and Heritage], of de minister of ministers die in de regering bevoegd zijn voor de in bijlage IV genoemde vissoorten, aan een of meerdere personen een dergelijke afwijking toestaan (a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats, […] (c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten, […] (3) Voor een afwijking die op grond van lid 2 wordt toegestaan gelden de voorwaarden, beperkingen, begrenzingen of vereisten die de [minister for Housing, Local Government and Heritage] passend acht. (4) Alle voorwaarden, beperkingen, begrenzingen of vereisten die gelden voor een afwijking die op grond van lid 2 wordt toegestaan, moeten daarin worden vermeld. […]”

RSC

12 Order 84, rule 21, van de Rules of the Superior Courts (procesreglement voor de hoogste gerechten) (Statutory Instruments 691/2011), in de versie zoals van toepassing op het hoofdgeding (hierna: „RSC”) bepaalt: „(1) Een verzoek om toestemming voor rechterlijke toetsing moet worden ingediend binnen drie maanden na het tijdstip waarop de gronden voor het verzoek zijn ontstaan. (2) Indien een ‚order of certiorari’ [(beschikking tot nietigverklaring)] wordt gevorderd met betrekking tot een vonnis, beschikking, veroordeling of andere procedure, wordt de datum waarop de gronden van het verzoek voor het eerst zijn ontstaan, geacht de datum van dat vonnis, die beschikking, die veroordeling of die procedure te zijn. (3) Onverminderd lid 1 kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek de termijn voor de indiening van een verzoek om toestemming voor rechterlijke toetsing verlengen indien hij van oordeel is dat: a) daartoe een geldige en afdoende grond bestaat, en b) de omstandigheden op grond waarvan het verzoek om toestemming niet binnen de in lid 1 genoemde termijn is ingediend: i) zich hebben voorgedaan buiten toedoen van, of ii) redelijkerwijs niet konden worden voorzien door de aanvrager van die verlenging. (4) Bij de beoordeling of er een geldige en afdoende grond in de zin van lid 3 bestaat, kan de rechter rekening houden met de gevolgen die een verlenging van de in dat lid voorgeschreven termijn kan hebben voor een verweerder of een derde. (5) Het in lid 3 bedoelde verzoek om verlenging wordt gestaafd met een door of namens de aanvrager onder ede afgelegde verklaring, waarin wordt uiteengezet waarom de aanvrager de vergunningsaanvraag niet binnen de in lid 1 gestelde termijn heeft ingediend, en waarin alle ter staving van die redenen aangevoerde feiten worden aangetoond. […]”

Wet inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw

13 Section 50 van de Planning and Development Act 2000 (wet van 2000 inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, heeft als opschrift „Rechterlijke toetsing van verzoeken, beroepen, verwijzingen en andere aangelegenheden” en bepaalt in de leden 6 en 8: „(6) Behoudens het bepaalde in lid 8, wordt een verzoek […] om toestemming voor rechterlijke toetsing van een beslissing of andere handeling waarop lid 2, onder a) van toepassing is, ingediend binnen acht weken na de datum van de beslissing of de datum waarop, naargelang van het geval, de met ruimtelijke ordening belaste instantie, de plaatselijke overheid of de [An Coimisiún Pleanála] de handeling heeft verricht. […] (8) De High Court [(rechter in eerste aanleg, Ierland)] kan de in de leden 6 of 7 genoemde termijn voor de indiening van het in dat lid bedoelde verzoek om toestemming verlengen indien hij van oordeel is dat: a) daartoe een geldige en afdoende grond bestaat, en b) de omstandigheden op grond waarvan het verzoek om toestemming niet binnen de gestelde termijn is ingediend, zich hebben voorgedaan buiten toedoen van de aanvrager van de verlenging.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 Het hoofdgeding betreft een bouwproject van wooneenheden in het voormalige karmelietenklooster te Delgany, gelegen in het graafschap Wicklow (Ierland).

15 Vooruitlopend op een aanvraag voor een bouwvergunning voor dit project heeft de opdrachtgever op 17 januari 2020 bij de bevoegde diensten een aanvraag ingediend voor een afwijkende vergunning voor vleermuizen op grond van regulation 54 van de Regulations 2011. Deze diersoort wordt strikt beschermd krachtens bijlage IV bij de habitatrichtlijn. Deze vergunning werd hem op 4 maart 2020 verleend. Op 21 juli 2020 werd aan de opdrachtgever een herziene afwijkende vergunning (hierna: „afwijkende vergunning”) verleend, naar aanleiding van zijn daartoe strekkende aanvraag, teneinde daarin ook de bruine grootoorvleermuis op te nemen.

16 Op 21 oktober 2020 heeft de opdrachtgever een bouwvergunning aangevraagd. Deze aanvraag ging vergezeld van een vooronderzoek naar de noodzaak om een milieueffectbeoordeling uit te voeren. De afwijkende vergunning was als bijlage bij het aanvraagdossier gevoegd.

17 Op 15 februari 2021 heeft de An Coimisiún Pleanála de bouwvergunning afgegeven, nadat dit agentschap tot de conclusie was gekomen dat het voorgestelde project wegens de aard en de ligging van de site geen aanzienlijke milieueffecten kon hebben.

18 Op 25 maart 2021 zijn beroepen ingesteld tot nietigverklaring van het besluit tot afgifte van de bouwvergunning en de afwijkende vergunning.

19 Op 19 april 2021 heeft de High Court, de verwijzende rechter, toestemming verleend om beroep in rechte in te stellen en opschorting gelast van de uitvoering van de werken waarvoor de bouwvergunning was afgegeven.

20 Op 5 juli 2023 heeft de verwijzende rechter het beroep tot nietigverklaring van het besluit tot afgifte van de bouwvergunning verworpen en het onderzoek naar de afwijkende vergunning uitgesteld. Hij merkt in dit verband op dat, alhoewel verzoekers in het hoofdgeding deze afwijkende vergunning hebben betwist en die betwisting nog steeds aanhangig is, zij deze niet hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun beroep tegen het besluit tot afgifte van de bouwvergunning, zodat dit beroep is verworpen.

21 Wat het verzoek tot nietigverklaring van de afwijkende vergunning betreft, stelt de verwijzende rechter ten eerste vast dat die afwijkende vergunning weliswaar uitsluit dat er andere bevredigende oplossingen bestaan dan de verlening van de afwijking, maar dat uit het dossier niet blijkt dat andere oplossingen die minder verregaande gevolgen hebben voor strikt beschermde soorten, of zelfs een oplossing waarbij geen afwijkende vergunning wordt verleend, zijn bekeken. Ten tweede merkt hij op dat deze vergunning volgens haar bewoordingen wordt verleend in het belang van de bescherming van de betrokken soorten. De verwijzende rechter acht deze conclusie in casu echter kennelijk onredelijk of zelfs absurd.

22 Deze rechter wijst er evenwel op dat een afwijkende vergunning op grond van regulation 54 van de Regulations 2011 naar Iers recht geen tussentijds besluit is, maar integendeel een afzonderlijk besluit ten gronde, en dat een dergelijke vergunning bijgevolg afzonderlijk moet worden aangevochten binnen de wettelijke termijn van drie maanden, die in casu is vastgesteld in order 84, rule 21, RSC. In beginsel gaat deze termijn in op de datum waarop de afwijking is toegestaan. De verwijzende rechter preciseert evenwel dat de in order 84, rule 21, lid 3, RSC neergelegde bevoegdheid tot verlenging van die termijn aldus kan en moet worden uitgeoefend dat die termijn ingaat op de datum waarop de verzoekende partij kennis van het bestreden besluit heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen. In dit verband wijst hij erop dat deze datum in casu de datum is waarop de aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend, waarbij een dossier is gevoegd dat met name deze afwijkende vergunning bevat, en dat verzoekers in het hoofdgeding deze vergunning niet binnen drie maanden na die datum hebben betwist.

23 De verwijzende rechter leidt hieruit af dat het beroep, voor zover het strekt tot nietigverklaring van de afwijkende vergunning, te laat is ingediend en moet worden verworpen, behoudens een Unierechtelijke regel die een tegengestelde uitkomst zou vereisen. Hij is geneigd te oordelen dat een dergelijke regel niet bestaat, maar dat dit niet boven elke twijfel is verheven, en dat onderstaande vragen derhalve aan het Hof moet worden voorgelegd.

24 Tegen deze achtergrond heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Heeft artikel 11 van [de MEB-richtlijn], gelezen in het licht van het beginsel van ruime toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus, tot gevolg dat wanneer een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van die richtlijn dat het voorwerp van een aanvraag voor een bouwvergunning (de ‚primaire vergunning’) is, niet kan worden uitgevoerd zonder dat de opdrachtgever eerst een andere toestemming verkrijgt (de ‚secundaire vergunning’), en wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het verlenen van de primaire vergunning voor een dergelijk project, de mogelijkheid behoudt om het milieueffect van het project strikter te beoordelen dan bij de secundaire vergunning, een dergelijke secundaire vergunning (indien verleend voorafgaand aan de primaire vergunning) moet worden behandeld als onderdeel van de bouwvergunningsprocedure voor andere doeleinden dan die welke betrekking hebben op zaken die moeten worden overwogen of beoordeeld in het kader van die richtlijn, hetzij in het algemeen, hetzij wanneer de secundaire vergunning een besluit is dat is vastgesteld op grond van artikel 16, lid 1, van [de habitatrichtlijn] en dat een opdrachtgever machtigt om af te wijken van de toepasselijke soortbeschermingsmaatregelen om het project uit te voeren? 2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, heeft artikel 11 van [de MEB-richtlijn], gelezen in het licht van het beginsel van ruime toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus, dan tot gevolg dat de nationale regels met betrekking tot de datum waarop de termijn begint te lopen om de geldigheid van een krachtens artikel 16, lid 1, van [de habitatrichtlijn] genomen besluit (de ‚secundaire vergunning’) te betwisten, zo moeten worden uitgelegd dat die termijn niet vóór de afgiftedatum van de betrokken bouwvergunning (de ‚primaire vergunning’) begint te lopen, hetzij in het algemeen, hetzij wanneer: i) het project werd onderworpen aan een onderzoek per geval als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), van [de MEB-richtlijn], en/of ii) de vaststelling op grond van artikel 4, lid 5, voor de doeleinden van de primaire vergunning werd gedaan nadat de secundaire vergunning was verleend en tegelijkertijd met het besluit over de primaire vergunning, en/of iii) in de procedure waarmee de geldigheid van de secundaire vergunning wordt betwist, geen grondslag geldend wordt gemaakt waarmee de relevante primaire vergunning wordt betwist onder verwijzing naar de gestelde ongeldigheid van de secundaire vergunning, en/of iv) de verzoeker geen verlenging van de termijn aanvraagt om de secundaire vergunning te betwisten, welke aanvraag volgens het nationale recht vereist is voor een late betwisting bij afwezigheid van een andersluidende Unierechtelijke bepaling? 3) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt en het antwoord op de tweede vraag in zijn algemeenheid ontkennend is, heeft [de MEB-richtlijn], gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’) en/of het beginsel van ruime toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus, dan tot gevolg dat een door het nationale recht van een lidstaat gestelde termijn voor het instellen van een procedure om een recht uit hoofde van die richtlijn te doen gelden, redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn, maar niet uitdrukkelijk hoeft te zijn gespecificeerd in wetgeving overeenkomstig artikel 11, lid 2, van [de MEB-richtlijn] en/of in praktische informatie over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 11, lid 5, van deze richtlijn aan het publiek wordt verstrekt, en/of definitief met zekerheid door de nationale rechtspraak hoeft te worden bepaald, zodat het antwoord op de tweede vraag niet wordt beïnvloed door een bepaling in het nationale recht van een lidstaat die voorziet in een voorzienbare termijn van algemene aard die van toepassing is op publiekrechtelijke vorderingen in het algemeen, inclusief voor het instellen van beroep tegen een besluit dat is vastgesteld op grond van artikel 16, lid 1, van [de habitatrichtlijn] en dat een opdrachtgever machtigt om af te wijken van de toepasselijke soortbeschermingsmaatregelen om het project uit te voeren, zij het dat dit impliciet is in plaats van expliciet in het betreffende nationale recht? 4) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt en het antwoord op de tweede vraag ook bevestigend is dan wel het antwoord op de derde vraag ontkennend is, heeft artikel 16, lid 1, van [de habitatrichtlijn] dan tot gevolg dat een bevoegde autoriteit niet tot de slotsom kan komen dat er ‚geen andere bevredigende oplossing’ bestaat voor een besluit dat een opdrachtgever machtigt om af te wijken van de toepasselijke soortbeschermingsmaatregelen om een project uit te voeren in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van [de MEB-richtlijn], tenzij die autoriteit daadwerkelijk andere oplossingen overweegt, zoals een alternatieve locatie of een ander ontwerp dan wel weigering van de afwijking? 5) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt en het antwoord op de tweede vraag ook bevestigend is dan wel het antwoord op de derde vraag ontkennend is, heeft artikel 16, lid 1, van [de habitatrichtlijn] dan tot gevolg dat een bevoegde autoriteit niet tot de slotsom kan komen dat het ‚in het belang van de bescherming van wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats’ is om een besluit af te geven dat een opdrachtgever machtigt om af te wijken van de toepasselijke soortbeschermingsmaatregelen om een project uit te voeren in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van [de MEB-richtlijn], tenzij een welbepaalde bescherming wordt gecreëerd door de afwijking zelf in plaats van door beperkende maatregelen die worden vastgesteld om de schade te verminderen of te compenseren die wordt veroorzaakt door de stappen die zijn toegestaan door het afwijkingsbesluit?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste drie vragen

25 Met zijn eerste drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11 van de MEB-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regel van het recht van een lidstaat volgens welke een beroep tot nietigverklaring van een krachtens artikel 16 van de habitatrichtlijn verleende afwijkende vergunning die valt onder de vergunningsprocedure voor een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn, door het betrokken publiek moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat dit publiek kennis heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen van een dergelijke afwijking.

26 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat het Hof heeft geoordeeld dat in het specifieke geval waarin ten eerste – ter verwezenlijking van een project dat is onderworpen aan de dubbele beoordelings- en vergunningsplicht van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn – de opdrachtgever een afwijking moet aanvragen en verkrijgen van de maatregelen ter bescherming van de dier- en plantensoorten die zijn vastgesteld in de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van de artikelen 12 en 13 van de habitatrichtlijn, en ten tweede waarin een lidstaat de bevoegdheid om een dergelijke afwijking toe te staan opdraagt aan een andere instantie dan die welke bevoegd is om de vergunning voor dat project te verlenen, die afwijking noodzakelijkerwijs moet worden vastgesteld alvorens de vergunning voor dat project wordt verleend. Anders zou deze vergunning immers worden verleend op grond van een onvolledig dossier en dus niet voldoen aan de toepasselijke vereisten (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Namur-Est Environnement, C‑463/20, EU:C:2022:121, punten 52 en 59).

27 Het Hof heeft ook geoordeeld dat met de aldus verrichte gedeeltelijke beoordeling door een andere instantie dan die welke door de betrokken lidstaat bevoegd is verklaard voor de verlening van de vergunning voor het project, en met de door die instantie vastgestelde afwijking, niet vooruit kan worden gelopen op de algemene beoordeling die de voor de vergunningverlening bevoegde instantie hoe dan ook moet verrichten, noch op het besluit dat aan het einde van deze algemene beoordeling wordt vastgesteld. Op grond van deze algemene beoordeling kan de bevoegde instantie namelijk tot de slotsom komen dat, gelet op de wisselwerking of het onderlinge verband tussen de verschillende milieueffecten van een project, deze effecten strenger of in voorkomend geval minder streng moeten worden beoordeeld dan een welbepaald effect, afzonderlijk beschouwd, eerder werd beoordeeld (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Namur-Est Environnement, C‑463/20, EU:C:2022:121, punten 61 en 62).

28 Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat een krachtens artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn genomen besluit waarbij een opdrachtgever toestemming wordt verleend om af te wijken van de toepasselijke maatregelen inzake de bescherming van de soorten met het oog op het uitvoeren van een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn, onder de vergunningsprocedure voor dat project in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van die richtlijn valt wanneer het project niet kan worden verwezenlijkt zonder afwijking op grond van de habitatrichtlijn, en de voor de vergunning van een dergelijk project bevoegde instantie de mogelijkheid behoudt om de milieueffecten ervan strenger te beoordelen dan in dat besluit is gebeurd (arrest van 24 februari 2022, Namur-Est Environnement, C‑463/20, EU:C:2022:121, punt 66).

29 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die een voldoende belang hebben in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten. Voorts is in artikel 11, lid 5, van die richtlijn bepaald dat ter verhoging van de effectiviteit van het bepaalde in dit artikel de lidstaten er zorg voor dragen dat aan het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties.

30 Op die wijze geeft artikel 11, leden 1 en 5, in de specifieke context van de MEB-richtlijn, uitvoering aan artikel 9, leden 2 en 5, van het Verdrag van Aarhus. Dit verdrag, waarvan de bepalingen een bestanddeel vormen van de rechtsorde van de Unie (arrest van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C‑240/09, EU:C:2011:125, punt 30), voorziet immers in artikel 9, leden 2 en 5, dat elke partij bij dit verdrag met name waarborgt dat, ten eerste, de leden van het betrokken publiek die een voldoende belang hebben, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie om de rechtmatigheid aan te vechten van enig besluit vallend onder artikel 6 van dat verdrag, en ten tweede, om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel 9 te bevorderen, aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures.

31 Bovendien concretiseert artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelet op de inhoud ervan, ook de in artikel 47 van het Handvest bedoelde verplichting van de lidstaten om een effectieve rechterlijke bescherming van de door het Unierecht verleende rechten te waarborgen.

32 Daarnaast bevat de habitatrichtlijn weliswaar geen bepaling die vergelijkbaar is met artikel 11 van de MEB-richtlijn waarin de nadere regels worden vastgesteld voor de procedures om beroep in te stellen tegen een afwijkingsbesluit, maar moet eraan worden herinnerd dat het – teneinde een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen op de onder het milieurecht van de Unie vallende gebieden, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest – aan de nationale rechter staat om, wanneer het gaat om een door de habitatrichtlijn beschermde soort, het nationale recht zo veel mogelijk uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus, volgens hetwelk elke partij bij dit verdrag waarborgt dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van particulieren en overheidsinstanties te bestrijden die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale milieurecht [zie in die zin arresten van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C‑240/09, EU:C:2011:125, punt 50, en 8 november 2022, Deutsche Umwelthilfe (Typegoedkeuring van motorvoertuigen), C‑873/19, EU:C:2022:857, punt 66].

33 Hieruit volgt dat in het in de punten 26 tot en met 28 van het onderhavige arrest bedoelde specifieke geval beroep moet kunnen worden ingesteld tegen het krachtens artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vastgestelde afwijkingsbesluit en tegen het vergunningsbesluit in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn, en dit overeenkomstig artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus respectievelijk op grond van artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn.

34 Deze verplichting om de mogelijkheid van beroep tegen deze besluiten te waarborgen, houdt echter niet in dat dit beroep tegen deze besluiten tezamen moet worden ingesteld, noch dat het afzonderlijk tegen elk ervan moet worden ingesteld.

35 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat noch in de MEB-richtlijn, noch in andere Unierechtelijke bepalingen is gepreciseerd hoe beroep kan worden ingesteld tegen een op grond van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vastgesteld afwijkingsbesluit of tegen een vergunningsbesluit in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn. In het bijzonder schrijft het Unierecht niet voor wat de beroepstermijn is, en evenmin wanneer deze ingaat.

36 Bijgevolg vereist het Unierecht in het specifieke geval bedoeld in de punten 26 tot en met 28 van het onderhavige arrest niet dat deze besluiten, met het oog op de uitoefening van het recht om daartegen beroep in te stellen, als één enkel besluit, met één enkele beroepstermijn, worden behandeld.

37 Evenmin schrijft het Unierecht voor dat, wanneer op grond van artikel 16 van de habitatrichtlijn een afwijking wordt toegestaan die deel uitmaakt van de vergunningsprocedure voor een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn, de beroepstermijn pas begint te lopen vanaf de vaststelling of bekendmaking van die vergunning.

38 Volgens vaste rechtspraak is het bij ontbreken van een desbetreffende Unieregeling echter een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, waarbij die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 15 juni 2023, Eco Advocacy, C‑721/21, EU:C:2023:477, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Wat in de eerste plaats het doeltreffendheidsbeginsel betreft, lijkt een termijn van drie maanden voor het instellen van beroep vanaf de datum van de vaststelling van een afwijkingsbesluit op grond van artikel 16 van de habitatrichtlijn of, in voorkomend geval, vanaf het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis van die vaststelling heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.

40 Ten eerste lijkt de omstandigheid dat een dergelijke beroepstermijn in beginsel loopt voordat de in artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn bedoelde vergunningsprocedure is afgerond, namelijk niet van dien aard te zijn dat de beroepen die aldus kunnen worden ingesteld, hun doeltreffendheid verliezen.

41 Deze omstandigheid staat er niet aan in de weg dat de verenigbaarheid van een krachtens artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vastgesteld afwijkingsbesluit met alle vereisten die volgens deze bepaling gelden voor de vaststelling ervan, door het betrokken publiek kan worden bestreden en door de bevoegde rechter kan worden getoetst.

42 Daarnaast heeft deze omstandigheid weliswaar tot gevolg dat een dergelijke afwijking na het verstrijken van de beroepstermijn definitief wordt, maar die omstandigheid staat er daarom nog niet aan in de weg dat de vergunning voor het project in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn door het betrokken publiek kan worden bestreden en door een rechter doeltreffend kan worden getoetst, met name in het licht van de eventuele wisselwerking tussen de verschillende milieueffecten van een project, zoals bedoeld in punt 27 van het onderhavige arrest.

43 Het is juist dat de afzonderlijke betwisting van een afwijkingsbesluit vóór de voltooiing van de vergunningsprocedure een zekere coördinatie tussen de bevoegde administratieve en rechterlijke instanties kan vereisen om te waarborgen dat de instantie die bevoegd is om een vergunning te verlenen voor een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn, naar behoren rekening houdt met gedeeltelijke beoordelingen waartegen reeds beroep in rechte is ingesteld, en dat het vergunningsbesluit in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van die richtlijn door de rechter kan worden getoetst. Deze omstandigheid kan op zich echter geen afbreuk doen aan het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien krachtens de toepasselijke nationale wetgeving zowel de verenigbaarheid van het afwijkingsbesluit op grond van artikel 16 van de habitatrichtlijn als die van het vergunningsbesluit in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn in het licht van alle Unierechtelijke bepalingen door het betrokken publiek kan worden bestreden en door de bevoegde rechter kan worden getoetst, rekening houdend met artikel 47 van het Handvest.

44 Ten tweede zij eraan herinnerd dat het Hof heeft erkend dat het met het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid, dat zowel de belanghebbende als de betrokken overheidsdienst beschermt, op straffe van verval van recht redelijke termijnen voor het instellen van een beroep worden vastgesteld, ook al leidt het verstrijken van deze termijnen per definitie tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingestelde vordering (arrest van 7 november 2019, Flausch e.a., C‑280/18, EU:C:2019:928, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Afgezien van het feit dat een beroepstermijn van drie maanden vanaf het tijdstip waarop een persoon kennis heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen van een handeling, volstaat om deze persoon in staat te stellen zijn beroep voor te bereiden, acht het Hof het niet buitensporig moeilijk wanneer beroepstermijnen worden opgelegd die pas ingaan op de datum waarop de betrokkene kennis heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen van de vaststelling van het betrokken besluit (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Flausch e.a., C‑280/18, EU:C:2019:928, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Om deze beroepstermijn te doen ingaan, is het echter van belang dat deze kennisneming, of zelfs deze mogelijkheid om kennis te nemen, niet alleen betrekking heeft op het dispositief, maar ook op de motivering van het betrokken besluit. Een dergelijke kennisneming is namelijk een voorwaarde voor de doeltreffendheid van het recht van beroep.

47 Voorts is het voor de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel ook van belang dat verzoekers in het hoofdgeding in het in de punten 26 tot en met 28 van het onderhavige arrest bedoelde specifieke geval de rechtsmiddelen en de daarvoor geldende termijnen redelijkerwijs konden voorzien.

48 Aangezien artikel 9, lid 5, van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat, om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel 9, waaronder ook lid 3, te bevorderen elke partij bij dit verdrag waarborgt dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke en herzieningsprocedures, welke vereisten overigens in de specifieke context van de MEB-richtlijn zijn omgezet in artikel 11, lid 5, ervan, moet in dit verband worden opgemerkt dat, in het in de punten 26 tot en met 28 van dit arrest bedoelde geval, in deze informatie met name moet worden vermeld dat een beroep tegen een afwijkingsbesluit op grond van artikel 16 van de habitatrichtlijn moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat de verzoeker redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de vaststelling van dat besluit.

49 Het feit dat dergelijke informatie niet ter beschikking van het publiek is gesteld, volstaat op zich echter niet om aan te nemen dat het doeltreffendheidsbeginsel is geschonden. Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 9, lid 5, van het Verdrag van Aarhus beoogt de terbeschikkingstelling van deze informatie immers enkel de doeltreffendheid van de bepalingen van dat artikel 9 te bevorderen. Dit wordt overigens ook bevestigd door de bewoordingen van artikel 11, lid 5, van de MEB-richtlijn.

50 In casu wordt niet betwist dat de beroepstermijn van drie maanden vanaf het moment waarop de verzoeker redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de vaststelling van dat besluit, overeenkomt met de beroepstermijn bedoeld in de RSC, een wetgevingshandeling waarvan de bekendmaking waarborgt dat het publiek kennis van die termijn heeft kunnen nemen.

51 Aangezien de lidstaten in het in de punten 26 tot en met 28 van het onderhavige arrest bedoelde specifieke geval kunnen bepalen dat de beroepen tegen het krachtens artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vastgestelde afwijkingsbesluit moeten worden ingesteld binnen drie maanden na de vaststelling ervan of dat zij moeten worden ingesteld na de vaststelling van het vergunningsbesluit in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn, is het evenwel aan de verwijzende rechter om te beoordelen of verzoekers in het hoofdgeding, gelet op alle omstandigheden van het geval, uiterlijk op het tijdstip waarop zij kennis konden nemen van het krachtens artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vastgestelde afwijkingsbesluit redelijkerwijs konden weten dat zij tegen dat besluit beroep konden instellen binnen drie maanden na de vaststelling ervan of vanaf het tijdstip waarop zij er kennis van hebben genomen.

52 Wat in de tweede plaats het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat er in het Ierse recht een bepaling bestaat die voorziet in een termijn die gunstiger is dan die van order 84, rule 21, RSC.

53 Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11 van de MEB-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regel van het recht van een lidstaat volgens welke een beroep tot nietigverklaring van een krachtens artikel 16 van de habitatrichtlijn verleende afwijkende vergunning die valt onder de vergunningsprocedure voor een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn, door het betrokken publiek moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat dit publiek kennis heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen van een dergelijke afwijking, voor zover die regel niet minder gunstig is dan die welke betrekking hebben op soortgelijke interne rechtsmiddelen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel).

Vierde en vijfde vraag

54 Gelet op het antwoord op de eerste drie vragen hoeven de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014, gelezen in het licht van artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een regel van het recht van een lidstaat volgens welke een beroep tot nietigverklaring van een krachtens artikel 16 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna verleende afwijkende vergunning die valt onder de vergunningsprocedure voor een project in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 2011/92, zoals gewijzigd door richtlijn 2014/52, door het betrokken publiek moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat dit publiek kennis heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen krijgen van een dergelijke afwijking, voor zover die regel niet minder gunstig is dan die welke betrekking hebben op soortgelijke interne rechtsmiddelen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel).

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken