HvJ EU 22 januari 2026, C-413/24, ECLI:EU:C:2026:30

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

22 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EEG) nr. 4055/86 – Toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen – Artikel 56 VWEU – Artikel 191 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds – Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Nationale regeling die voorziet in de betaling van een vergoeding voor het verplichte gebruik van de diensten van het systeem voor de begeleiding van het scheepvaartverkeer [‚verkeersbegeleidingssysteem (VBS)’], waarvan het bedrag wordt bepaald door de lengte van het vaartuig – Regeling die wel van toepassing is op het scheepvaartverkeer naar de in dat begeleidingssysteem ingeschakelde havens van het Vlaamse Gewest (België) afkomstig uit een haven van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België, maar die niet van toepassing is op het verkeer tussen deze Vlaamse havens – Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Brexit)”

In zaak C‑413/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende (België) bij vonnis van 6 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 13 juni 2024, in de procedures

Vlaams Gewest

tegen

P&O North Sea Ferries Limited,

P&O Ferries Limited,

in tegenwoordigheid van:

P&O North Sea Ferries Limited,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door J. Joos en J. Stuyck, advocaten,

– P&O North Sea Ferries Limited en P&O Ferries Limited, vertegenwoordigd door A. Vroninks, advocaat,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Jacob, S. Baeyens en C. Pochet als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet en J. L. Buendía Sierra als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB 1986, L 378, blz. 1), artikel 56 VWEU en artikel 191 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB 2021, L 149, blz. 10; hierna: „handels- en samenwerkingsovereenkomst”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen het Vlaamse Gewest (België) en, respectievelijk, P&O North Sea Ferries Limited en P&O Ferries Limited (hierna samen: „vennootschappen P&O”) over de betaling van facturen voor een vergoeding die verschuldigd is door schepen die varen naar de havens van het Vlaamse Gewest die ingeschakeld zijn in het systeem voor de begeleiding van het scheepvaartverkeer (hierna: „Vlaamse havens”), en afkomstig zijn uit een haven van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België, voor het verplichte gebruik van de diensten van dat begeleidingssysteem.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Terugtrekkingsakkoord

3 De artikelen 126 en 127 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: „terugtrekkingsakkoord”), bepalen: „Artikel 126 Overgangsperiode Op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord begint een overgangs- of uitvoeringsperiode, die eindigt op 31 december 2020 [(hierna: ‚overgangsperiode’)]. Artikel 127 Omvang van de overgang 1. Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, is tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk. [...]”

Handels‑ en samenwerkingsovereenkomst

4 Artikel 4 van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst heeft als opschrift „Internationaal publiekrecht” en luidt als volgt: „1. De bepalingen van deze overeenkomst en van elke aanvullende overeenkomst worden te goeder trouw uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis ervan in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van de overeenkomst volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 [(United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331)]. 2. Voor alle duidelijkheid: noch deze overeenkomst noch enige aanvullende overeenkomst houdt een verplichting in om de bepalingen ervan in overeenstemming met het interne recht van een van beide Partijen uit te leggen. 3. Voor alle duidelijkheid: een uitlegging van deze overkomst of van een aanvullende overeenkomst door de rechter van een van beide Partijen is niet bindend voor de rechter van de andere Partij.”

5 Artikel 5 van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst heeft als opschrift „Particuliere rechten” en bepaalt: „1. Onverminderd artikel SSC.67 van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid [bij deze overeenkomst] en, waar het de [Europese] Unie betreft, met uitzondering van deel drie van deze overeenkomst, wordt niets in deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten aldus uitgelegd dat daarbij aan personen rechten worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd, anders dan die welke tussen de Partijen uit hoofde van internationaal publiekrecht in het leven zijn geroepen, of aldus uitgelegd dat op deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten een rechtstreeks beroep kan worden gedaan binnen de interne rechtsorden van de Partijen. 2. De Partijen voorzien in hun recht niet in een recht om tegen de andere Partij op te treden op grond van het feit dat de andere Partij in strijd met deze overeenkomst of enige aanvullende overeenkomst heeft gehandeld.”

6 Artikel 191 van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst heeft als opschrift „Verplichtingen” en luidt: „1. Onverminderd niet-conforme maatregelen of andere maatregelen als bedoeld in de artikelen 133 en 139, past elke Partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale maritieme markten en handel op commerciële en niet-discriminerende basis toe [...]. [...]”

Unierecht

7 Artikel 1 van verordening nr. 4055/86 bepaalt: „1. Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht. 2. Deze verordening geldt eveneens voor de onderdanen van de lidstaten die buiten de [Europese] Gemeenschap zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een lidstaat, indien hun schepen in deze lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat. 3. De artikelen 55 tot en met 58 en 62 van het Verdrag zijn van toepassing op de onder deze verordening vallende aangelegenheden. 4. In de zin van deze verordening wordt, indien deze normaal tegen vergoeding worden verricht, onder diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen verstaan: a) intracommunautaire vervoerdiensten: vervoer over zee van reizigers of goederen tussen een haven van een lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere lidstaat; b) verkeer met derde landen: vervoer over zee van reizigers of goederen tussen de havens van een lidstaat en havens of offshore-installaties van een derde land.”

8 Artikel 8 van deze verordening bepaalt het volgende: „Onverminderd de bepalingen van het Verdrag betreffende het recht van vestiging, kan degene die een dienst inzake zeevervoer verricht, zijn activiteit in de lidstaat waar de dienst wordt verricht daartoe tijdelijk voortzetten onder dezelfde voorwaarden als die welke door de betrokken Staat worden opgelegd aan zijn eigen onderdanen.”

Belgisch recht

9 Artikel 37 van het decreet betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum van 16 juni 2006 (Belgisch Staatsblad, 26 oktober 2006, blz. 57703), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „decreet van 16 juni 2006”), bepaalt: „Artikel 37 § 1. Voor het gebruik van de dienstverlening van het verkeersbegeleidingssysteem [(hierna: ‚VBS’)] door vaartuigen met als bestemming een haven, waterweg, lig- of ankerplaats in het VBS-werkingsgebied of in een gebied, beheerd door een waterweg- of havenbestuur in België, is een VBS-retributie verschuldigd. [...]”

10 Artikel 37 bis van het decreet van 16 juni 2006 luidt als volgt: „§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: 1° VBS-vergoeding: de VBS-retributie, vermeld in artikel 37; 2° tariefgebied: het gebied waarbinnen verkeersbegeleiding verstrekt wordt; [...] § 2. Een VBS-vergoeding is verschuldigd voor ieder vaartuig dat uit zee komt, met als bestemming een Vlaamse haven die in het [VBS] is ingeschakeld; ze geldt als vergoeding voor in- en uitvaart. Als het vaartuig gedurende één kalenderdag meer dan eenmaal het tariefgebied binnenvaart, is het tarief maar eenmaal verschuldigd. De VBS-vergoeding is niet verschuldigd bij scheepvaartverkeer tussen Vlaamse havens. § 3. Voor de volgende categorieën van vaartuigen is geen vergoeding verschuldigd: 1° binnenschepen; 2° schepen tot 41 meter lengte; [...]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

11 Het decreet van 16 juni 2006 bevat een aantal regels die van toepassing zijn op het zeevervoer naar Vlaamse havens. Artikel 37 van dit decreet bepaalt dat een vergoeding moet worden betaald voor het verplichte gebruik door de betrokken schepen van de dienstverlening van het VBS. Deze vergoeding is verschuldigd voor alle vaartuigen met een lengte van 41 meter of meer met als bestemming een haven in het werkingsgebied van dat begeleidingssysteem. Deze vergoeding is slechts eenmaal verschuldigd door de betrokken schepen wanneer zij de Vlaamse havens meer dan eenmaal op dezelfde kalenderdag binnenvaren. Wanneer deze schepen uitsluitend tussen Vlaamse havens varen, is die vergoeding echter niet verschuldigd.

12 Het VBS omvat onder meer radarmonitoring, telecommunicatie, een geavanceerd gegevensverwerkingssysteem en een automatisch identificatiesysteem. Al deze diensten beogen in wezen aan de scheepsleiding van de betrokken schepen alle nodige adviezen en volledige informatie te verstrekken over de belemmeringen voor de scheepvaart, zodat deze schepen de betrokken haven veilig en ongehinderd kunnen bereiken of verlaten.

13 P&O North Sea Ferries is volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing een vennootschap naar Engels recht die in België actief is in de sector van het passagiers- en vrachtvervoer over zee tussen het Verenigd Koninkrijk en het Europese vasteland. Zij verzorgt met name de verbinding tussen de haven van Zeebrugge (België) en het Verenigd Koninkrijk.

14 Sinds 1996 stuurt het Vlaamse Gewest de vennootschappen P&O facturen voor de vergoeding die verschuldigd is voor het verplichte gebruik van VBS-diensten. De vennootschappen P&O hebben stelselmatig geweigerd deze facturen te betalen voor het scheepvaartverkeer van en naar Zeebrugge.

15 Het Vlaamse Gewest heeft bij de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende (België), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot veroordeling van de vennootschappen P&O tot betaling van die facturen, die sinds 30 april 1996 onbetaald zijn gebleven, in voorkomend geval vermeerderd met de wettelijke interesten. De vordering van het Vlaamse Gewest bedraagt in totaal meer dan 13 miljoen EUR.

16 De vennootschappen P&O voeren in wezen aan dat de krachtens het decreet van 16 juni 2006 verschuldigde vergoeding voor het verplichte gebruik van VBS-diensten in het licht van artikel 56 VWEU en artikel 1 van verordening nr. 4055/86 in strijd is met het vrij verrichten van vervoerdiensten inzake het zeevervoer van of naar de haven van Zeebrugge. De vrijstelling van deze vergoeding voor schepen die tussen Vlaamse havens varen, vormt volgens de vennootschappen P&O namelijk een verboden discriminatie. Bovendien wordt bij de vergoeding geen rekening gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de VBS-diensten. Ten slotte betogen de vennootschappen P&O dat zij zich krachtens artikel 191 van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst ook na het einde van de overgangsperiode, waarin het Unierecht van toepassing was gebleven, te weten vanaf 1 januari 2021, op deze fundamentele vrijheid kunnen beroepen.

17 Het Vlaamse Gewest betoogt dat gerechtvaardigde beperkingen van het vrij verrichten van diensten krachtens het Unierecht toegelaten zijn, zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen (C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364). Bovendien heeft de vrijstelling van die vergoeding voor het verkeer tussen de Vlaamse havens tot doel te voorkomen dat deze heffing meerdere malen wordt betaald in gevallen waarin een schip eerst vanuit zee een Vlaamse haven binnenvaart en vanuit die eerste haven naar een volgende Vlaamse haven vaart. Het wijst erop dat het VBS in wezen tot doel heeft de scheepvaart veilig en vlot te laten verlopen op de maritieme toegangswegen naar en van de Vlaamse zeehavens.

18 In die omstandigheden heeft de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vormt een regeling van VBS-diensten met het daaraan verbonden forfaitair tarief in functie van de lengte van het schip dat van toepassing is op zeeverkeer naar een Vlaamse haven en komende van een haven in een andere lidstaat [dan het Koninkrijk België], maar dat niet van toepassing is op verkeer tussen Vlaamse havens doordat dit verkeer van het tarief is vrijgesteld, een belemmering op de vrijheid van diensten in toepassing van de [verordening nr. 4055/86], in combinatie met artikel 56 VWEU? 2) Heeft de toepassing van een eenvormig VBS-tarief gebaseerd enkel op de lengte van het schip voor toegang tot havens die wezenlijk verschillen voor gevolg dat het VBS-tarief strijdig is met de vrijheid van diensten in artikel 56 VWEU en [verordening nr. 4055/86], doordat geen rekening wordt gehouden met andere belangrijke factoren eigen aan de vaarroute naar de [betrokken] haven, zoals de afstand die het schip aflegt in het VBS-gebied, de afstand tussen de open zee en de haven, de complexiteit en de eigenheid van de haven? 3) Dient artikel 191 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst [...] aldus uitgelegd [te worden] dat ook na de uittreding [van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie] dienstverstrekkers gevestigd in het Verenigd Koninkrijk [...] zich op het Unierecht kunnen beroepen en de [eerste en de tweede vraag] op dezelfde wijze dienen beantwoord te worden zowel voor als na de uittreding van het Verenigd Koninkrijk [...] [uit de Unie]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

19 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1 van verordening nr. 4055/86, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor scheepvaartverkeer naar aangewezen havens van een lidstaat vanuit havens van andere lidstaten voor het verplichte gebruik van VBS-diensten een vergoeding wordt betaald die uitsluitend wordt berekend op basis van de lengte van het schip, met uitsluiting van elke andere factor, en waarvan het scheepvaartverkeer tussen die aangewezen havens is vrijgesteld.

20 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in verordening nr. 4055/86, die is vastgesteld op basis van artikel 84, lid 2, EEG-Verdrag (thans artikel 100 VWEU), de maatregelen zijn vastgesteld tot toepassing in de sector zeevervoer van het in artikel 59 EEG-Verdrag (thans artikel 56 VWEU) neergelegde beginsel van het vrij verrichten van diensten. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 1, lid 1, van deze verordening – in bewoordingen die in wezen niet verschillen van die van artikel 59 EEG-Verdrag – omschrijft wie in aanmerking komt voor het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punt 30).

21 Bovendien volgt met name uit artikel 1, lid 3, en artikel 8 van verordening nr. 4055/86 dat ingevolge die verordening alle in het Verdrag neergelegde regels inzake het vrij verrichten van diensten op de door haar geregelde materie van toepassing zijn (arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punt 31).

22 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 56 VWEU niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit verlangt, maar tevens de opheffing van iedere beperking – ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten – die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt of anderszins belemmert (arresten van 25 juli 1991, Säger, C‑76/90, EU:C:1991:331, punt 12, en 5 juni 1997, SETTG, C‑398/95, EU:C:1997:282, punt 16).

23 Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 een lidstaat verbiedt, voor identieke loodsdiensten verschillende tarieven toe te passen naargelang een – zelfs in die staat gevestigde – onderneming die diensten inzake zeevervoer verricht tussen die staat en een andere lidstaat, al dan niet een schip exploiteert dat is gerechtigd tot cabotage, die is voorbehouden aan schepen die de vlag van die staat voeren (arrest van 17 mei 1994, Corsica Ferries, C‑18/93, EU:C:1994:195, punt 35).

24 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat krachtens de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling de vergoeding voor het verplichte gebruik van VBS-diensten wordt opgelegd aan schepen met een lengte van 41 meter of meer die afkomstig zijn uit een andere lidstaat dan het Koninkrijk België, terwijl schepen die tussen de Vlaamse havens varen van de vergoeding zijn vrijgesteld. De VBS-diensten worden dus gratis verleend aan elk schip dat een binnenlandse route (oftewel een route tussen Vlaamse havens) aflegt terwijl zij betalend zijn voor een schip met een bepaalde lengte dat tussen een haven van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België en een Vlaamse haven vaart.

25 Door deze vergoeding alleen op te leggen aan schepen met een bepaalde lengte die tussen een haven van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België en een Vlaamse haven varen, leidt een dergelijke nationale regeling dus tot een verschil in behandeling naargelang de vaarroute van het betrokken schip al dan niet een binnenlandse route is. Daarmee past zij op vervoerdiensten tussen een Vlaamse haven en de haven van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België een minder gunstige regeling toe dan die welke geldt voor vervoerdiensten tussen Vlaamse havens.

26 In dit verband moet worden opgemerkt dat zelfs indien het bij het verkeer op die binnenlandse scheepvaartroutes slechts ging om een beperkt aantal schepen, zoals het Vlaamse Gewest stelt, dit geen invloed zou hebben op de toepasselijkheid van artikel 56 VWEU. De uniforme toepassing van artikel 56 VWEU binnen de Unie zou namelijk in gevaar worden gebracht door de toepasselijkheid van dit artikel afhankelijk te maken van een kwantitatief criterium, zodat een dergelijk criterium niet kan worden aanvaard (arrest van 3 december 2020, BONVER WIN, C‑311/19, EU:C:2020:981, punt 29).

27 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een regeling van een lidstaat, zoals die welke in punt 24 van het onderhavige arrest is beschreven, het verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter belemmert of althans minder aantrekkelijk maakt. Een dergelijke regeling beperkt dus het vrij verrichten van diensten (zie in die zin arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Het vrij verrichten van diensten, als fundamenteel verdragsbeginsel, kan evenwel slechts worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang en die van toepassing zijn op alle personen of ondernemingen die een activiteit uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst. Bovendien is de betrokken nationale regeling slechts gerechtvaardigd indien zij de verwezenlijking van het gestelde doel waarborgt en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punt 39).

29 In casu wijst het Vlaamse Gewest erop dat het VBS, waarvan het gebruik verplicht is en waarvoor de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde vergoeding moet worden betaald, in wezen tot doel heeft de scheepvaart veilig en vlot te laten verlopen op de maritieme toegangswegen naar en van de Vlaamse zeehavens.

30 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het garanderen van de veiligheid in havens een dwingende reden van algemeen belang vormt (arresten van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punten 41 en 42, en 17 maart 2011, Naftiliaki Etaireia Thasou en Amaltheia I Naftiki Etaireia, C‑128/10 en C‑129/10, EU:C:2011:163, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Vervolgens vormt, zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een begeleidingssysteem, zoals het VBS, een nautische dienst die essentieel is voor het behoud van de openbare veiligheid in de kustwateren en in de havens. Het opleggen van een vergoeding voor het verplichte gebruik van deze dienst, waaraan schepen met een lengte van 41 meter of meer als gebruikers zijn onderworpen, lijkt in beginsel geschikt om bij te dragen aan de doelstelling van algemeen belang van de veiligheid in de havens.

32 Wat betreft ten slotte de evenredigheid van een dergelijke vergoeding, die uitsluitend afhankelijk is van de lengte van de betrokken schepen, zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat een nationale regeling waarbij voor zeeschepen met een lengte van meer dan 41 meter een vergoeding moet worden betaald, evenredig is voor zover er een daadwerkelijk verband bestaat tussen de kosten van de dienst ten behoeve van deze schepen en het bedrag van die vergoeding, maar dat dit niet het geval zou zijn indien in dat bedrag kostenfactoren waren opgenomen die zijn toe te rekenen aan andere categorieën schepen dan zeeschepen met een lengte van meer dan 41 meter (arrest van 13 juni 2002, Sea-Land Service en Nedlloyd Lijnen, C‑430/99 en C‑431/99, EU:C:2002:364, punt 43).

33 In het licht van deze rechtspraak moet worden geoordeeld dat de lengte van de betrokken schepen weliswaar een criterium kan zijn voor het opleggen van een verplichting om het VBS te gebruiken, waarvoor de desbetreffende vergoeding geldt, maar dat het bedrag van deze vergoeding ook daadwerkelijk verband moet houden met de kosten van de verrichte diensten om het nagestreefde doel te bereiken.

34 In casu wijst de verwijzende rechter er in dit verband op dat er sprake is van grote regionale verschillen, en hij merkt op dat de toegang tot de haven van Antwerpen (België) en de toegang tot de haven van Zeebrugge wezenlijk van verschillende aard en complexiteit zijn, aangezien de haven van Zeebrugge gemakkelijk toegankelijk is vanuit de open zee, terwijl de haven van Antwerpen enkel kan worden bereikt via de Westerschelde, een moeilijk te navigeren estuarium, en de toegang tot deze haven dus een intensiever gebruik van het VBS vereist.

35 In dergelijke omstandigheden zou de toepassing van een verschillend tarief naargelang van de betrokken haven en de objectieve moeilijkheden om naar die haven te varen en daar aan te meren, meer in overeenstemming zijn met het nagestreefde doel. Derhalve gaat de toepassing van een uniform tarief voor schepen met een bepaalde lengte – zonder rekening te houden met de objectieve moeilijkheden om naar de aangewezen havens te varen en daar aan te meren, en gelet op het feit dat dit tarief niet wordt toegepast ten aanzien van vergelijkbare schepen op een binnenlandse route van of naar een haven die even moeilijk toegankelijk kan zijn als voor schepen die afkomstig zijn van of op weg zijn naar een andere lidstaat dan het Koninkrijk België – verder dan noodzakelijk is om het gestelde veiligheidsdoel te bereiken.

36 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 1 van verordening nr. 4055/86, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor scheepvaartverkeer naar aangewezen havens van een lidstaat vanuit havens van andere lidstaten voor het verplichte gebruik van VBS-diensten een vergoeding wordt betaald die uitsluitend wordt berekend op basis van de lengte van het schip, met uitsluiting van elke andere factor, en waarvan het scheepvaartverkeer tussen die aangewezen havens is vrijgesteld, tenzij er een daadwerkelijk verband bestaat tussen de kosten van de verleende diensten en het bedrag van die vergoeding.

Derde vraag

37 Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 191 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dienstverrichters zich ook na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie kunnen beroepen op de toepassing van het Unierecht, in het bijzonder artikel 1 van verordening nr. 4055/86, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU.

38 Om te beginnen zij opgemerkt dat de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord voorzagen in de overgangsperiode. In die periode moest het Verenigd Koninkrijk als een lidstaat worden beschouwd en werden de betrekkingen tussen de Unie en die toekomstige voormalige lidstaat dus beheerst door het Unierecht, tenzij anders bepaald. De partijen bij die overeenkomst hadden dus voorzien in de voortzetting van de toepassing van een aanzienlijk deel van het acquis van de Unie teneinde de onzekerheid te verkleinen en de ontregeling die wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat de Verdragen met ingang van de datum van de terugtrekking uit de Unie niet langer van toepassing zijn op de zich terugtrekkende staat, zo veel mogelijk te beperken (zie in die zin arresten van 16 november 2021, Governor of Cloverhill Prison e.a., C‑479/21 PPU, EU:C:2021:929, punt 51, en 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 43).

39 Sinds het einde van de overgangsperiode worden de rechtsbetrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie geregeld door de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

40 Artikel 191, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat „elke Partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale maritieme markten en handel op commerciële en niet-discriminerende basis [toepast]”.

41 Volgens de vennootschappen P&O volgt uit deze bepaling dat scheepvaartverkeer vanuit het Verenigd Koninkrijk naar de Unie niet minder gunstig mag worden behandeld dan scheepvaartverkeer tussen de lidstaten. De vennootschappen P&O betogen dat, gelet op die bepaling, de vrijheid van dienstverrichting na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie van toepassing blijft en dat de verwijzende rechter verordening nr. 4055/86 dus moet toepassen op het deel van de facturen dat betrekking heeft op de periode na die terugtrekking.

42 Evenwel moet worden opgemerkt dat luidens artikel 4, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst de bepalingen van deze overeenkomst „te goeder trouw [moeten worden] uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis ervan in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van de overeenkomst volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht”. Artikel 4, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat „[de handels- en samenwerkingsovereenkomst] [g]een verplichting [inhoudt] om de bepalingen ervan in overeenstemming met het interne recht van een van beide Partijen uit te leggen”. Artikel 5, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bepaalt bovendien dat, behoudens uitzonderingen, „niets in deze overeenkomst [...] aldus [wordt] uitgelegd dat daarbij aan personen rechten worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd, anders dan die welke tussen de Partijen uit hoofde van internationaal publiekrecht in het leven zijn geroepen, of aldus [wordt] uitgelegd dat op deze overeenkomst [...] een rechtstreeks beroep kan worden gedaan binnen de interne rechtsorden van de Partijen”.

43 In dit verband zij opgemerkt dat de instellingen van de Unie die bevoegd zijn om over een internationale overeenkomst te onderhandelen en deze te sluiten, overeenkomstig de beginselen van het internationale recht, met de betrokken derde staten mogen overeenkomen welke werking de bepalingen van de overeenkomst in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen zullen hebben. Slechts wanneer deze kwestie in de overeenkomst niet is geregeld, dienen de bevoegde rechterlijke instanties en in het bijzonder het Hof, deze kwestie evenals alle andere uitleggingskwesties in verband met de toepassing van de overeenkomst in de Unie te beslechten (arrest van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C‑366/10, EU:C:2011:864, punt 49). Zoals blijkt uit punt 42 van het onderhavige arrest, wordt de kwestie van de toepassing van artikel 191 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst evenwel in die overeenkomst zelf geregeld.

44 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het acquis van de Unie vanaf de datum van toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomst niet langer de betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk beheerst. De vennootschappen P&O kunnen zich voor de verwijzende rechter dus niet rechtstreeks op het recht van de Unie of op de handels- en samenwerkingsovereenkomst beroepen.

45 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 191 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, gelezen in samenhang met artikel 5 ervan en met artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord, aldus moet worden uitgelegd dat, na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde aanbieders van zeevervoerdiensten zich voor de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten niet meer kunnen beroepen op de toepassing van het Unierecht, in het bijzonder artikel 1 van verordening nr. 4055/86, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU, wat betreft feiten of rechtssituaties die zich na 31 december 2020 hebben voorgedaan.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor scheepvaartverkeer naar aangewezen havens van een lidstaat vanuit havens van andere lidstaten voor het verplichte gebruik van diensten van een systeem voor begeleiding van het scheepvaartverkeer een vergoeding wordt betaald die uitsluitend wordt berekend op basis van de lengte van het schip, met uitsluiting van elke andere factor, en waarvan het scheepvaartverkeer tussen die aangewezen havens is vrijgesteld, tenzij er een daadwerkelijk verband bestaat tussen de kosten van de verleende diensten en het bedrag van die vergoeding.

2) Artikel 191 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, gelezen in samenhang met artikel 5 ervan en met artikel 127, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, moet aldus worden uitgelegd dat, na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie, de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde aanbieders van zeevervoerdiensten zich voor de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten niet meer kunnen beroepen op de toepassing van het Unierecht, in het bijzonder artikel 1 van verordening nr. 4055/86, gelezen in samenhang met artikel 56 VWEU, wat betreft feiten of rechtssituaties die zich na 31 december 2020 hebben voorgedaan.

Jürimäe Lenaerts Schalin Gavalec Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 januari 2026. De griffier A. Calot Escobar De kamerpresident K. Jürimäe

( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken