HvJ EU 16 april 2026, C-549/23, ECLI:EU:C:2026:295
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Betalingsdiensten in de interne markt – Verordening (EU) 2015/751 – Artikel 2, punt 10 – Afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties – Artikel 2, punt 11 – Nettocompensatie – Artikel 4 – Maximumbedrag voor deze afwikkelingsvergoedingen – Artikel 5 – Omzeilingsverbod – Door een co‑brandingpartner ontvangen vergoedingen uit een driepartijenbetaalkaartschema – Toepassing van dit maximumbedrag op deze vergoedingen – Aftrek van de waarde van de prestaties van de co‑brandingpartner”
In zaak C‑549/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij beslissing van 29 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
American Express Europe SA,
American Express Carte France SA,
Visa Europe Ltd,
Mastercard Europe SA,
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV
tegen
Autoriteit Consument en Markt,
in tegenwoordigheid van:
International Card Services BV,
en
Autoriteit Consument en Markt
tegen
American Express Europe SA,
American Express Carte France SA,
Visa Europe Ltd,
Mastercard Europe SA,
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV,
in tegenwoordigheid van:
International Card Services BV,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– American Express Europe SA en American Express Carte France SA, vertegenwoordigd door J. K. de Pree, advocaat, en A. Komninos, dikigoros,
– Visa Europe Ltd, vertegenwoordigd door M. H. J. M. Immerzeel, W. Knibbeler en E. S. Lambooij, advocaten,
– Mastercard Europe SA, vertegenwoordigd door D. P. Kuipers, J. van Roosmalen en P. M. Waszink, advocaten,
– Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, vertegenwoordigd door R. P. Raas, S. Ramsanjhal en J. R. van Angeren, advocaten,
– Autoriteit Consument en Markt, vertegenwoordigd door J. Mulder en A. D. Röell, advocaten,
– International Card Services BV, vertegenwoordigd door J. P. Postma, Q. J. Tjeenk Willink en J. C. M. van der Beek, advocaten,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret, N. Cambien, I. V. Rogalski en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 10, tweede volzin, en punt 11, en de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PB 2015, L 123, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen, ten eerste, American Express Europe SA, American Express Carte France SA (hierna samen: „Amex”), Visa Europe Ltd, Mastercard Europe SA en Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV (hierna: „KLM”) als co‑brandingpartner van Amex, enerzijds, en de Autoriteit Consument en Markt (Nederland; hierna: „ACM”), anderzijds, alsook, ten tweede, tussen de ACM en die verschillende vennootschappen, betreffende een last onder dwangsom die de ACM aan Amex heeft opgelegd wegens overtredingen van de artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751, alsmede een invorderingsbesluit dat voortvloeit uit de niet-naleving van die last.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 10, 28, 29, 31 en 32 van verordening 2015/751 luiden: „(10) Afwikkelingsvergoedingen zijn vergoedingen die gewoonlijk worden toegepast tussen de kaartaccepterende en de kaartuitgevende betalingsdienstaanbieders die van een bepaald betaalkaartschema deel uitmaken. Afwikkelingsvergoedingen vormen een belangrijk deel van de vergoedingen die accepterende betalingsdienstaanbieders voor elke op een kaart gebaseerde betalingstransactie aan handelaren in rekening brengen. Handelaren verwerken deze kaartkosten, net als al hun andere kosten, op hun beurt in de algemene prijzen van goederen en diensten. De concurrentie tussen betaalkaartschema’s om betalingsdienstaanbieders ervan te overtuigen kaarten van hun schema uit te geven, werkt eerder een verhoging dan een verlaging van de afwikkelingsvergoedingen in de hand, terwijl concurrentie in een markteconomie normaal gezien prijsverlagend zou moeten werken. Naast een consequente toepassing van de mededingingsregels op afwikkelingsvergoedingen, zou de regulering van die vergoedingen een betere werking van de interne markt teweegbrengen en bijdragen tot een vermindering van de transactiekosten voor consumenten. [...] (28) Op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden doorgaans uitgevoerd volgens twee belangrijke bedrijfsmodellen, zogeheten ‚driepartijenbetaalkaartschema’s’ (kaarthouder – accepterend en uitgevend schema – handelaar) en ‚vierpartijenbetaalkaartschema’s’ (kaarthouder – uitgevende bank – accepterende bank – handelaar). Tal van vierpartijenbetaalkaartschema’s hanteren een expliciete, meestal multilaterale afwikkelingsvergoeding. Om het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen te erkennen en tot de verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden bij te dragen, moeten driepartijenbetaalkaartschema’s die van betalingsdienstaanbieders als uitgevers of accepteerders gebruikmaken, als vierpartijenbetaalkaartschema’s worden aangemerkt en horen zij dezelfde voorschriften in acht te nemen; transparantie‑ en andere maatregelen in verband met bedrijfsregels dienen op alle aanbieders van toepassing te zijn. Rekening houdend met de specifieke situatie die zich voor dergelijke driepartijenbetaalkaartschema’s kan voordoen, is het echter passend te voorzien in een overgangsperiode gedurende welke de lidstaten kunnen beslissen de regels voor het maximum voor afwikkelingsvergoedingen niet toe te passen indien deze schema’s in de betrokken lidstaat een zeer beperkt marktaandeel hebben. (29) De uitgiftedienst is gebaseerd op een contractuele relatie tussen de uitgever van het betaalinstrument en de betaler, ongeacht of de uitgever het geld houdt namens de betaler. De uitgever stelt betaalkaarten ter beschikking van de betaler, machtigt tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en kan betaling aan de accepteerder garanderen voor transacties die conform de regels van het desbetreffende schema worden verricht. Daarom wordt de loutere verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, niet aangemerkt als uitgifte. [...] (31) Er moet op worden toegezien dat de bepalingen betreffende de door betalingsdienstaanbieders te betalen of te ontvangen afwikkelingsvergoedingen niet worden omzeild met alternatieve vergoedingenstromen naar de uitgevers. Om dit te voorkomen dient de ‚nettocompensatie’ van de vergoedingen, met inbegrip van mogelijke vergunningskosten, die de uitgever heeft betaald aan of ontvangen van een betaalkaartschema, een accepteerder of enige andere intermediair, als de afwikkelingsvergoeding te worden aangemerkt. Om na te gaan of er van omzeiling sprake is, dient bij de berekening van de afwikkelingsvergoeding rekening te worden gehouden met het totaalbedrag aan betalingen of stimulansen die een uitgever met betrekking tot de gereglementeerde transacties van een betaalkaartschema heeft ontvangen, verminderd met de vergoedingen die de uitgever aan het betaalkaartschema heeft betaald. De in aanmerking genomen betalingen, stimulansen en vergoedingen kunnen een direct karakter (d.w.z. op basis van het volume of de specifieke transactie) of een indirect karakter (onder meer verkoopstimulansen, bonussen, kortingen voor bepaalde transactievolumes) hebben. Bij het nagaan of de bepalingen van deze verordening worden omzeild, moet met name rekening worden gehouden met de voordelen die uitgevers van kaarten halen uit speciale programma’s die gezamenlijk worden uitgevoerd door uitgevers en betaalkaartschema’s, en met de inkomsten uit verwerkings-, licentieverlenings‑ en andere vergoedingen die inkomsten opleveren voor kaartorganisaties. [...] (32) Consumenten zijn vaak niet op de hoogte van de vergoedingen die handelaren betalen voor het betaalinstrument dat zij gebruiken. Tegelijkertijd kunnen uitgevers er met een aantal stimulansen (in de vorm van onder meer reisvouchers, bonussen, kortingen, terugboekingen, gratis verzekeringen enz.) op aansturen dat consumenten gebruikmaken van betaalinstrumenten, waardoor voor uitgevers hoge vergoedingen worden gegenereerd. Om daaraan tegenwicht te bieden, mogen de maatregelen die ertoe strekken afwikkelingsvergoedingen te beperken, alleen maar betrekking hebben op betaalkaarten die massaproducten zijn geworden, en die handelaren doorgaans moeilijk kunnen weigeren omdat de uitgifte en het gebruik ervan zo wijdverspreid zijn (debet‑ en kredietkaarten van consumenten). Teneinde tot een doeltreffender marktwerking in de niet-gereglementeerde delen van de sector te komen en de overheveling van activiteiten van de gereglementeerde naar de niet-gereglementeerde delen van de sector te beperken, is het noodzakelijk een reeks maatregelen vast te stellen betreffende, onder meer, het scheiden van schema en infrastructuur, het door de begunstigde sturen van het gedrag van de betaler en de selectieve acceptatie van betaalinstrumenten door de begunstigde.”
4 Hoofdstuk I („Algemene bepalingen”) van deze verordening bevat artikel 1 („Toepassingsgebied”), waarvan de leden 3 en 5 bepalen: „3. Hoofdstuk II is niet van toepassing op: [...] c) transacties met betaalkaarten die door een driepartijenbetaalkaartschema zijn uitgegeven. [...] 5. Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, of dat samen met een co-brandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd. Wat de binnenlandse betalingstransacties betreft kan voor een dergelijk driepartijenbetaalkaartschema evenwel tot 9 december 2018 worden voorzien in een vrijstelling van de verplichtingen van hoofdstuk II, mits de op kaarten gebaseerde betalingstransacties die uit hoofde van dat driepartijenbetaalkaartschema in een lidstaat worden verricht, op jaarbasis niet meer bedragen dan 3 % van de totale waarde van de in die lidstaat verrichte op kaarten gebaseerde betalingstransacties.”
5 Artikel 2 („Definities”) van die verordening is als volgt verwoord: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: [...] 2. ‚uitgever’: een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties; [...] 10. ‚afwikkelingsvergoeding’: een vergoeding die voor elke transactie direct of indirect (d.w.z. via een derde) wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn. De nettocompensatie of andere overeengekomen vergoeding wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding; 11. ‚nettocompensatie’: het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen; 12. ‚handelarenvergoeding’: een door de begunstigde aan de accepteerder betaalde vergoeding in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties; 13. ‚begunstigde’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft; [...] 17. ‚vierpartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij de op kaarten gebaseerde betalingstransacties van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde worden verricht door tussenkomst van het schema, een uitgever (voor de betaler) en een accepteerder (voor de begunstigde); 18. ‚driepartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij het schema zelf diensten aanbiedt voor de acceptatie en de uitgifte en op kaarten gebaseerde betalingstransacties binnen het schema worden verricht van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde. Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie verleent voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, of samen met een co-brandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd; [...] 24. ‚betalingsdienstaanbieder’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die gemachtigd is tot het aanbieden van de in de lijst in bijlage bij richtlijn 2007/64/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1)] genoemde betalingsdiensten of erkend is als uitgever van elektronisch geld op grond van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/110/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG (PB 2009, L 267, blz. 7)]. Een betalingsdienstaanbieder kan een uitgever, een accepteerder of beide zijn; [...] 30. ‚betaalmerk’: elk(e) materie(ë)l(e) of digita(a)l(e) naam, term, teken, symbool of een combinatie daarvan, waaruit blijkt via welk betaalkaartschema op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden verricht; [...] 32. ‚co-branding’: het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument; [...]”
6 Hoofdstuk II („Afwikkelingsvergoedingen”) van die verordening omvat de artikelen 3 tot en met 5. Artikel 4 („Afwikkelingsvergoedingen voor kredietkaarttransacties van consumenten”) van verordening 2015/751 bepaalt: „De afwikkelingsvergoeding die betalingsdienstaanbieders voor kredietkaarttransacties bieden of verlangen, bedraagt per transactie niet meer dan 0,3 % van de transactiewaarde. Voor binnenlandse kredietkaarttransacties kunnen de lidstaten een lagere maximale afwikkelingsvergoeding per transactie vaststellen.”
7 Artikel 5 („Omzeilingsverbod”) van die verordening luidt: „Voor de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde maxima wordt elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en die een uitgever met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair, als een deel van de afwikkelingsvergoeding beschouwd.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Amex een driepartijenbetaalkaartschema in de zin van artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 exploiteert.
9 Amex is in 2010 een samenwerking aangegaan met KLM als co‑brandingpartner voor het tijdvak van 1 juni 2011 tot 1 juni 2019, in het kader waarvan Amex co‑branded kredietkaarten uitgeeft.
10 Eén van de onderdelen van de samenwerking betreft de toegang tot het loyaliteitsprogramma van KLM (hierna: „Flying Blue-programma”), waarbij klanten getrouwheidspunten (hierna: „Miles”) verdienen wanneer zij reizen met KLM of winkelen bij partners van KLM. Klanten kunnen de Miles inwisselen voor vluchten of andere diensten van KLM. KLM en Amex zijn een „Rewards program” overeengekomen, waarmee kaarthouders van Amex direct Miles sparen in het Flying Blue-programma. Amex koopt daartoe Miles van KLM en kent deze toe aan haar kaarthouders op basis van het gebruik van de kredietkaart. Amex en KLM werken daarnaast samen bij de uitgifte van co‑branded „Corporate Cards”.
11 Voor deze samenwerking als geheel heeft Amex aan KLM naast een „signing bonus” nog vier andere soorten vergoedingen betaald, namelijk, ten eerste, jaarlijkse bedragen voor het gebruik van handelsmerken van KLM en de toegang tot het Flying Blue-programma, ten tweede, percentages van de vergoedingen die Amex van de kaarthouders ontvangt voor het gebruik van die kaarten, ten derde, een percentage van de bestedingen met die kaarten en, ten vierde, vergoedingen voor de inkoop van Miles.
12 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing ook dat KLM, als begunstigde van betalingstransacties met co‑branded kaarten, aan Amex een handelarenvergoeding heeft betaald.
13 In 2018 hebben Amex en KLM nieuwe samenwerkingsovereenkomsten gesloten. Op grond van deze overeenkomsten heeft Amex in 2018 een „signing bonus” aan KLM betaald en dient zij KLM de bedragen te betalen die overeenstemmen met de jaarlijkse bedragen voor het gebruik van de handelsmerken van KLM en voor de toegang tot het Flying Blue-programma en de vergoedingen voor de inkoop van Miles.
14 Voorafgaand aan deze nieuwe overeenkomsten had de ACM in mei 2017 een onderzoek ingesteld naar de samenwerking van Amex en KLM. Op basis van dat onderzoek heeft de ACM bij besluit van 6 maart 2019 aan Amex een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4 in samenhang met artikel 5 van verordening 2015/751, omdat Amex afwikkelingsvergoedingen aan KLM had betaald die hoger zijn dan 0,3 % van de transactiewaarde (hierna: „besluit van 6 maart 2019”). De ACM heeft dit bedrag vastgesteld door, voor vier jaren van samenwerking, alle door Amex aan KLM betaalde vergoedingen per jaar op te tellen en het resultaat vervolgens te delen door het met de co‑branded kredietkaarten verrichte volume van de betalingen. Volgens de ACM oversteeg het aldus berekende percentage het maximale toegestane percentage van 0,3 % in aanzienlijke mate. De last onder dwangsom strekte ertoe dat Amex aan KLM een vergoeding betaalde die op jaarbasis per transactie niet meer bedraagt dan 0,3 % van de transactiewaarde.
15 Amex en KLM hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit en daarnaast hebben zij de rechtbank Rotterdam (Nederland) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
16 Bij uitspraak van 24 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de betrokken last geschorst op grond dat bij de berekening van het bedrag van de afwikkelingsvergoedingen geen rekening was gehouden met de waarde van de door Amex van KLM ingekochte Miles, die in mindering had moeten worden gebracht op de aan KLM betaalde vergoedingen.
17 Met het besluit van 22 januari 2020 (hierna: „bestreden besluit”) heeft de ACM de bezwaren van Amex en KLM tegen de bij besluit van 6 maart 2019 opgelegde last onder dwangsom ongegrond verklaard. De ACM heeft vastgesteld dat elke vergoeding die door een driepartijenbetaalkaartschema aan een co‑brandingpartner wordt betaald, onder het begrip „nettocompensatie” in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 valt, voor zover deze vergoeding verband houdt met op een kaart gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten. Als een betaalde vergoeding is aan te merken als nettocompensatie, dan maakt deze dus deel uit van de afwikkelingsvergoeding. In dit verband is de ACM van mening dat Amex de tegenwaarde van de Miles die zij van KLM heeft gekocht, niet in mindering mag brengen op de vergoedingen die zij aan KLM heeft betaald. Daarnaast vallen volgens de ACM de betrokken vergoedingen ook onder artikel 5 van die verordening, omdat zij een oogmerk of effect hebben dat gelijkwaardig is aan een expliciete afwikkelingsvergoeding.
18 Bovendien heeft de ACM bij besluit van 21 december 2020 een dwangsom van 10 miljoen EUR van Amex ingevorderd, omdat zij niet had voldaan aan de bij besluit van 6 maart 2019 opgelegde last. De ACM onderschreef weliswaar de door Amex ter uitvoering van deze last gehanteerde methodiek, maar meende dat Amex de waarde van de Miles verkeerd (te hoog) had vastgesteld. Amex hield bij die waardebepaling namelijk geen rekening met de omstandigheid dat niet alle kaarthouders hun Miles verzilveren. Bovendien waren niet alle door Amex uitgegeven Corporate Cards commerciële kaarten in de zin van artikel 2, punt 6, van verordening 2015/751, zodat ook die kaarten onder de werkingssfeer van de artikelen 4 en 5 van die verordening vallen. Bijgevolg is de ACM tot de slotsom gekomen dat Amex hogere vergoedingen aan KLM betaalde dan het invorderingsbesluit toestaat.
19 Amex en KLM hebben het bestreden besluit en het invorderingsbesluit van 21 december 2020 betwist bij de rechtbank Rotterdam.
20 De rechtbank Rotterdam heeft uit het arrest van 7 februari 2018, American Express (C‑304/16, EU:C:2018:66), afgeleid dat een driepartijenbetaalkaartschema dat een co‑brandingovereenkomst sluit, als een vierpartijenbetaalkaartschema moet worden aangemerkt, ook als de co‑brandingpartner niet handelt als uitgever. Bijgevolg is het door Amex geëxploiteerde driepartijenbetaalkaartschema, waarvoor de co‑brandingovereenkomst met KLM is gesloten, volgens die rechtbank gelijk te stellen aan een vierpartijenbetaalkaartschema in de zin van artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751. Hieruit volgt dat de artikelen 4 en 5 van deze verordening – die overeenkomstig artikel 1, lid 3, van die verordening in beginsel niet van toepassing zijn op driepartijenbetaalkaartschema’s – in casu van toepassing zijn.
21 Artikel 4 van verordening 2015/751 kan echter niet zelfstandig worden toegepast op de samenwerking van een driepartijenbetaalkaartschema met een co‑brandingpartner die niet handelt als uitgever, maar alleen in samenhang met artikel 5 van die verordening. Bovendien is er bij een vergoeding aan een co‑brandingpartner, anders dan bij een vergoeding aan een uitgever, niet zonder meer sprake van een afwikkelingsvergoeding. Volgens de rechtbank Rotterdam is het criterium dat de ACM hanteert om te beoordelen of een vergoeding een oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding – namelijk of deze vergoeding wordt betaald in het kader van een co‑brandingsamenwerking en erop gericht is co‑brandingpartners ervan te overtuigen samen te werken met een driepartijenbetaalkaartschema teneinde het uitgeven en het gebruik van betaalkaarten te stimuleren – onvoldoende om te beoordelen of de vergoeding gelijkwaardig is aan een afwikkelingsvergoeding. Deze rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat het gegeven dat de vergoeding mogelijk de uitgifte en het gebruik van betaalkaarten stimuleert, niet de reden kan zijn voor het maximeren van de afwikkelingsvergoeding, aangezien het gelijkwaardige oogmerk of effect van die vergoeding moet worden beoordeeld in het licht van de doelstellingen van verordening 2015/751. Die rechtbank oordeelde dan ook dat de ACM het effect van de betalingen aan de co‑brandingpartner voor de interne markt en de transactiekosten van consumenten had moeten onderzoeken.
22 Gelet daarop komt de rechtbank Rotterdam tot de conclusie dat de ACM niet aannemelijk had gemaakt dat de door Amex aan KLM betaalde vergoedingen een oogmerk of effect hadden dat gelijkwaardig is aan een afwikkelingsvergoeding, en dat derhalve niet vaststond dat Amex de artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751 heeft overtreden. Om die reden heeft deze rechtbank het bestreden besluit nietig verklaard.
23 Amex, de ACM en KLM hebben tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland), de verwijzende rechter.
24 Deze rechter vraagt zich af of en, zo ja, op welke wijze de artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751 van toepassing zijn op betalingen die een driepartijenbetaalkaartschema aan zijn co‑brandingpartner verricht, zoals in het onderhavige geval aan de orde. In het geval dat deze artikelen 4 en 5 van toepassing zijn, vraagt hij zich bovendien af of de door KLM betaalde handelarenvergoeding of de waarde van de door Amex ingekochte Miles in mindering mogen worden gebracht op het bedrag van de betalingen om te bepalen of het in artikel 4 van deze verordening bedoelde maximum wordt overschreden.
25 Tegen deze achtergrond heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 2, punt 11, van [verordening 2015/751] voor de toepassing van de materiële bepalingen van die verordening aldus worden uitgelegd dat het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten heeft ontvangen, wordt aangemerkt als nettocompensatie, ook als die co‑brandingpartner zelf geen uitgever is? 2) Moet artikel 4 van [verordening 2015/751,] gelezen in samenhang met artikel 2, punt 10, tweede zin, [van deze verordening,] aldus worden uitgelegd dat de nettocompensatie direct onder het bereik van [dit] artikel 4 valt? 3) Moet artikel 5 van [verordening 2015/751] aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op vergoedingen, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner ontvangt van het betaalkaartschema, als de co‑brandingpartner geen uitgever is? 4) a) Moet artikel 5 van [verordening 2015/751] zo worden uitgelegd dat een vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt, een oogmerk heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding, als die vergoeding de bedoeling heeft om de activiteiten van het betaalkaartschema uit te breiden? b) Moet artikel 5 van [deze verordening] aldus worden uitgelegd dat een vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt, een effect heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding, als die vergoeding ertoe leidt dat de activiteiten van het betaalkaartschema uitbreiden? c) Als het antwoord op [de vierde vraag, onder a) en b),] ontkennend luidt, dan rijst de vraag aan de hand van welke criteria en/of factoren moet worden beoordeeld of een vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt, een oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding? 5) Moet artikel 5 van [verordening 2015/751] aldus worden uitgelegd dat een vergoeding al voor de toepassing van artikel 4 van [deze verordening] beschouwd moet worden als deel van de afwikkelingsvergoeding als de vergoeding een oogmerk heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding? 6) Moet artikel 2, punt 11, van [verordening 2015/751] aldus worden uitgelegd dat een door een co‑brandingpartner aan een driepartijenbetaalkaartschema betaalde handelarenvergoeding in mindering mag worden gebracht op betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van het betaalkaartschema in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten heeft ontvangen? 7) a) Moet artikel 2, punt 11, van [verordening 2015/751] aldus worden uitgelegd dat niet alleen monetaire vergoedingen van de co‑brandingpartner, maar ook de kosten of de economische tegenwaarde van een prestatie van een co‑brandingpartner in mindering mogen worden gebracht op het totaalbedrag dat de co‑brandingpartner van het betaalkaartschema ontvangt? b) Bij bevestigende beantwoording van [de zevende vraag, onder a)], op basis van welke maatstaven moet die waarde worden vastgesteld?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema heeft ontvangen, kan worden beschouwd als een „nettocompensatie” in de zin van die bepaling, ook al is die co‑brandingpartner zelf geen „uitgever” in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening.
27 De „nettocompensatie” wordt in artikel 2, punt 11, van die verordening omschreven als „het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen”.
28 Artikel 2, punt 2, van die verordening definieert het begrip „uitgever” als „een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties”.
29 Artikel 2, punt 10, van verordening 2015/751 bepaalt dat de nettocompensatie wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding, waarop het in artikel 4 van die verordening vastgestelde maximumpercentage van toepassing is.
30 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat volgens artikel 1, lid 3, onder c), van verordening 2015/751, hoofdstuk II van die verordening – waarvan de artikelen 4 en 5 voorschriften vaststellen betreffende de maximale afwikkelingsvergoeding voor kaarttransacties van consumenten – niet van toepassing is op „transacties met betaalkaarten die door een driepartijenbetaalkaartschema zijn uitgegeven”. Artikel 1, lid 5, van die verordening bepaalt echter, zoals artikel 2, punt 18, ervan, waarin wordt gedefinieerd wat moet worden verstaan onder „driepartijenbetaalkaartschema”, dat een dergelijk schema als een vierpartijenbetaalkaartschema wordt beschouwd wanneer het samen met een co‑brandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft. Hoewel een driepartijenbetaalkaartschema er in beginsel niet toe gehouden is de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 4 en 5 van die verordening na te leven, is dit dus anders wanneer het samen met een co‑brandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten heeft uitgegeven, waardoor het in dat geval moet worden aangemerkt als een vierpartijenbetaalkaartschema (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punten 50‑52).
31 Wanneer een driepartijenbetaalkaartschema een co‑brandingovereenkomst in de zin van artikel 2, punt 32, van verordening 2015/751 sluit, dient dit schema bijgevolg overeenkomstig artikel 1, lid 5, van die verordening als een vierpartijenbetaalkaartschema te worden beschouwd, zodat de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van verordening 2015/751 op dit schema van toepassing zijn (arrest 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 72).
32 Ten tweede zij eraan herinnerd dat „co‑branding” in artikel 2, punt 32, van verordening 2015/751 wordt gedefinieerd als „het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument”.
33 Noch uit deze definitie, noch uit de bewoordingen van artikel 1, lid 5, noch uit die van artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 kan worden afgeleid dat een co‑brandingpartner die een overeenkomst heeft gesloten met een driepartijenbetaalkaartschema, noodzakelijkerwijs tussenkomt in dit schema als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening. Indien de Uniewetgever de werkingssfeer van dit artikel 1, lid 5, had willen beperken, had hij dit uitdrukkelijk kunnen vaststellen (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punten 59 en 60).
34 Bijgevolg moet artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 aldus worden uitgelegd dat het in het kader van een overeenkomst tussen een co‑brandingpartner, enerzijds, en een driepartijenbetaalkaartschema, anderzijds, niet vereist is dat die co‑brandingpartner handelt als „uitgever” in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, opdat dit schema wordt geacht samen met een co‑brandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven, en dus wordt aangemerkt als een vierpartijenbetaalkaartschema als bedoeld in artikel 1, lid 5, van die verordening.
35 In casu vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af of de vergoedingen die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema ontvangt in verband met op die kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, moeten worden beschouwd als een nettocompensatie in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751, ook al staat vast dat deze co‑brandingpartner zelf geen uitgever is in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening.
36 De definitie van het begrip „nettocompensatie”, zoals genoemd in punt 27 van dit arrest, heeft letterlijk betrekking op betalingen die een uitgever van een betaalkaartschema ontvangt.
37 Niettemin dient te worden geoordeeld dat deze definitie, uitgelegd in de context van deze verordening en in het licht van de doelstellingen ervan, aldus moet worden opgevat dat zij ziet op het nettobedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een co‑brandingpartner, die zelf geen uitgever is, van het betaalkaartschema ontvangt.
38 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de door de verwijzende rechter aangevoerde omstandigheid dat de betalingen van Amex aan KLM niet rechtstreeks gerelateerd zijn aan een betalingstransactie, maar de vergoeding vormen voor de samenwerking met KLM.
39 Het Hof heeft namelijk reeds verduidelijkt dat niet kan worden uitgesloten dat een bepaald type tegenprestatie of voordeel wordt aangemerkt als een impliciete afwikkelingsvergoeding in de zin van overweging 28 van verordening 2015/751, zonder dat de co‑brandingpartner met wie het driepartijenbetaalkaartschema een overeenkomst heeft gesloten noodzakelijkerwijs betrokken is bij de uitgifteactiviteit van dit schema. Het kan bijgevolg moeilijk zijn om de doelstellingen van verordening 2015/751, in het bijzonder de doelstelling van artikel 1, lid 5, van die verordening om voor gelijke concurrentievoorwaarden op de markt te zorgen, te verwezenlijken, mochten de situaties waarin de co‑brandingpartner niet optreedt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van genoemde verordening, hierdoor ontsnappen aan de in de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van die verordening neergelegde voorschriften (arrest 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 71).
40 Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet het begrip „nettocompensatie” in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 dus worden uitgelegd tegen de achtergrond van de gedeeltelijke gelijkstelling van driepartijenbetaalkaartschema’s met vierpartijenbetaalkaartschema’s in de zin van artikel 1, lid 5, van die verordening.
41 Zoals blijkt uit de overwegingen in punt 31 van het onderhavige arrest, heeft de Uniewetgever immers een keuze gemaakt met betrekking tot de mate waarin driepartijenbetaalkaartschema’s en vierpartijenbetaalkaartschema’s aan elkaar moesten worden gelijkgesteld, juist met het oog op de toepassing van de regels inzake afwikkelingsvergoedingen van de artikelen 3 tot en met 5 van verordening 2015/751 die opgenomen zijn in hoofdstuk II van deze verordening, opdat de doelstellingen van deze verordening kunnen worden verwezenlijkt. Volgens overweging 10 van deze verordening houden deze met name verband met een betere werking van de interne markt en de vermindering van de transactiekosten voor consumenten (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punten 67 en 84).
42 Meer in het bijzonder blijkt uit overweging 28 van verordening 2015/751 dat deze gelijkstelling – die driepartijenbetaalkaartschema’s en vierpartijenbetaalkaartschema’s aan dezelfde regels onderwerpt en zo bijdraagt aan gelijke concurrentievoorwaarden – ertoe strekt rekening te houden met het feit dat veel betaalkaartschema’s, waaronder driepartijenbetaalkaartschema’s met co‑brandingpartners die aan vierpartijenbetaalkaartschema’s gelijk worden gesteld, gebruikmaken van impliciete afwikkelingsvergoedingen (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 68).
43 Deze gelijkstelling en de verwezenlijking van deze doelstellingen impliceren dat het begrip „nettocompensatie”, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van die verordening, moet worden uitgelegd in de ruime betekenis die in punt 37 van het onderhavige arrest wordt genoemd.
44 Een dergelijke uitlegging vindt ook steun in artikel 5 van verordening 2015/751, dat voorziet in een regel die de omzeiling van de in de artikelen 3 en 4 van deze verordening bedoelde maxima verbiedt. Zo wordt volgens artikel 5 elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en die een uitgever met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair, als een deel van de afwikkelingsvergoeding beschouwd.
45 In dit verband preciseert overweging 31 van die verordening dat deze regel in ruime zin ziet op vergoedingenstromen naar uitgevers. Dit houdt in dat de „nettocompensatie’ van de vergoedingen die uitgevers hebben betaald aan of ontvangen van een betaalkaartschema, een accepteerder of enige andere intermediair, moet worden geacht onder de afwikkelingsvergoeding te vallen. Volgens die overweging dient er, om na te gaan of er van omzeiling sprake is, bij de berekening van de afwikkelingsvergoeding rekening te worden gehouden met het totaalbedrag aan betalingen of stimulansen die een uitgever met betrekking tot de gereglementeerde transacties van een betaalkaartschema heeft ontvangen, verminderd met de vergoedingen die de uitgever aan het betaalkaartschema heeft betaald. Een dergelijke regel beoogt dus rekening te houden met het feit dat betalingen, stimulansen en vergoedingen een direct karakter kunnen hebben, dat wil zeggen wanneer zij gebaseerd zijn op het volume of de specifieke transactie, of een indirect karakter, wanneer het gaat om verkoopstimulansen, bonussen of kortingen voor bepaalde transactievolumes.
46 Om ervoor te zorgen dat de verschillende soorten betaalkaartschema’s, inclusief driepartijenbetaalkaartschema’s die met vierpartijenbetaalkaartschema’s worden gelijkgesteld wanneer die driepartijenbetaalkaartschema’s co‑brandingpartners omvatten, aan dezelfde regels worden onderworpen, dient er gelet op het voorgaande te worden geoordeeld dat de vergoedingenstromen die deze co‑brandingpartners in het kader van een dergelijk driepartijenbetaalkaartschema hebben ontvangen, in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de „nettocompensatie”, zelfs in het geval dat deze partners niet handelen als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van verordening 2015/751.
47 Hieruit volgt dat een vergoeding die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema ontvangt in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, moet worden geacht onder het begrip „nettocompensatie” in de zin van artikel 2, punt 11, van die verordening te vallen wanneer die vergoeding een oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
48 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema heeft ontvangen, kan worden beschouwd als een „nettocompensatie” in de zin van die bepaling, ook al is die partner zelf geen „uitgever” in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, voor zover de vergoedingen waaruit dit bedrag bestaat een oogmerk of effect hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
Tweede vraag
49 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 10 en 11, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat de „nettocompensatie” in de zin van laatstgenoemde bepaling direct binnen de werkingssfeer van artikel 4 van deze verordening valt dan wel binnen die van het omzeilingsverbod als bedoeld in artikel 5 van die verordening.
50 Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 4 van verordening 2015/751 de afwikkelingsvergoeding die betalingsdienstaanbieders voor kredietkaarttransacties bieden of verlangen niet hoger mag zijn dan 0,3 % van de transactiewaarde. Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Omzeilingsverbod”, bepaalt dat voor de toepassing van dit maximum elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en die een uitgever met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair, als een deel van de afwikkelingsvergoeding wordt beschouwd.
51 Hieruit volgt dat deze twee bepalingen duidelijk een verschillende werkingssfeer hebben. Artikel 4 van verordening 2015/751 heeft namelijk specifiek betrekking op de „afwikkelingsvergoeding” in de zin van artikel 2, punt 10, van die verordening. Het betreft een vergoeding die voor elke transactie direct of indirect wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn. Artikel 4 bepaalt dat deze vergoeding niet hoger mag zijn dan 0,3 % van de waarde van een dergelijke transactie.
52 Artikel 5 van die verordening verbiedt het omzeilen van dit maximum, door in de afwikkelingsvergoeding alle andere overeengekomen vergoedingen op te nemen, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
53 Zoals in de punten 44 tot en met 47 van dit arrest is vastgesteld, beoogt dit verbod dus te verzekeren dat de verschillende soorten betaalkaartschema’s, waaronder driepartijenbetaalkaartschema’s die co‑brandingpartners omvatten en die worden gelijkgesteld met vierpartijenbetaalkaartschema’s, aan dezelfde regels worden onderworpen. Deze doelstelling houdt in dat in ruime zin rekening wordt gehouden met directe betalingen, stimulansen en vergoedingen, dat wil zeggen gebaseerd op het volume of de specifieke transactie, alsook met indirecte betalingen, stimulansen of vergoedingen, die binnen deze schema’s plaatsvinden en die het niveau van de afwikkelingsvergoeding kunnen beïnvloeden. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende soorten betaalkaartschema’s, moeten de binnen deze schema’s overeengekomen vergoedingen, met inbegrip van de nettocompensatie, dus in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het maximum als bedoeld in artikel 4 van verordening 2015/751, wanneer zij een oogmerk of effect hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
54 Artikel 2, punt 10, van deze verordening bepaalt weliswaar dat de nettocompensatie of andere overeengekomen vergoeding wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding, maar uit de duidelijke bewoordingen van artikel 5 van die verordening en uit het doel van de daarin vastgelegde anti-ontwijkingsregel blijkt dat deze vergoedingen voor de toepassing van die regel moeten worden meegeteld. Hieruit volgt dus dat deze compensatie of die andere vergoedingen binnen de werkingssfeer van dat artikel 5 vallen wanneer zij een oogmerk of een effect hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
55 Deze uitlegging vindt tevens steun in de ontstaansgeschiedenis van verordening 2015/751. De verwijzing naar de „overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding”, die oorspronkelijk was opgenomen in artikel 4 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende interbancaire vergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties [COM(2013) 550 final], is namelijk overgeheveld naar artikel 5 van verordening 2015/751. Zoals de ACM in haar schriftelijke opmerkingen erkent, is deze overheveling het rechtstreekse gevolg van de toevoeging, in die verordening, van een clausule waarbij bepaalde driepartijenbetaalkaartschema’s met vierpartijenbetaalkaartschema’s worden gelijkgesteld en die is opgenomen in de definitieve versie van artikel 1, lid 5, van die verordening.
56 Uit het voorgaande volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 10 en 11, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat de nettocompensatie binnen de werkingssfeer van het omzeilingsverbod als bedoeld in artikel 5 van deze verordening valt.
Derde tot en met vijfde vraag
57 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5 van verordening 2015/751 van toepassing is op vergoedingen, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner van een betaalkaartschema ontvangt wanneer deze partner geen kaartuitgever is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt hij zich in het kader van zijn vierde vraag in essentie af onder welke voorwaarden deze vergoedingen „een oogmerk of een effect [hebben dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding” in de zin van die bepaling. In dit verband vraagt hij zich in het bijzonder af of het doel van deze vergoedingen moet zijn om kaarthouders van dit schema aan te zetten tot het gebruik ervan. Ten slotte wenst hij met zijn vijfde vraag te vernemen of het effect van die vergoedingen moet worden onderzocht wanneer is vastgesteld dat zij een oogmerk hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
58 De verwijzende rechter wenst dus te vernemen hoe de voorwaarde in artikel 5 van verordening 2015/751 – namelijk dat de overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, „een oogmerk of een effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding” – moet worden uitgelegd om binnen de werkingssfeer van deze bepaling te kunnen vallen, met name wanneer het gaat om vergoedingen die een co‑brandingpartner die geen uitgever is ontvangt binnen een driepartijenbetaalkaartschema dat met een vierpartijenbetaalkaartschema wordt gelijkgesteld.
59 Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 5 van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarde dat de overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, „een oogmerk of een effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding”, vereist dat wordt nagegaan of een vergoeding die is overeengekomen tussen een co‑brandingpartner – die geen uitgever is – en een driepartijenbetaalkaartschema, met betrekking tot betalingstransacties of activiteiten die gerelateerd zijn aan die kaarten, een stimulerend oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan een dergelijke afwikkelingsvergoeding.
60 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de antwoorden op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, artikel 5 van verordening 2015/751 van toepassing is op vergoedingen, met inbegrip van de nettocompensatie, die een co‑brandingpartner ontvangt van het betaalkaartschema, wanneer die partner geen kaartuitgever is. De toepasselijkheid hiervan maakt deel uit van de gelijkstelling die wordt gemaakt tussen de driepartijenbetaalkaartschema’s met een co‑brandingpartner en de vierpartijenbetaalkaartschema’s. Deze gelijkstelling draagt bij tot de doelstelling van deze verordening om gelijke mededingingsvoorwaarden voor deze schema’s tot stand te brengen door daarop dezelfde regels toe te passen. Zoals blijkt uit punt 42 van dit arrest, beoogt deze bepaling dus rekening te houden met het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen in het kader van driepartijenbetaalkaartschema’s die met vierpartijenbetaalkaartschema’s worden gelijkgesteld, wanneer die driepartijenbetaalkaartschema’s co‑brandingpartners omvatten.
61 Artikel 5 van verordening 2015/751 is daarom van toepassing op vergoedingen die zijn overeengekomen binnen driepartijenbetaalkaartschema’s, ook wanneer deze niet uitdrukkelijk afwikkelingsvergoedingen zijn, maar een oogmerk of effect hebben dat gelijkwaardig is aan dergelijke vergoedingen.
62 Bovendien blijkt uit overweging 31 van die verordening, die in punt 45 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat de regel van dat artikel 5 beoogt rekening te houden met het feit dat betalingen, stimulansen en vergoedingen een direct karakter kunnen hebben, dat wil zeggen wanneer zij gebaseerd zijn op het volume of de specifieke transactie, of een indirect karakter, wanneer het gaat om verkoopstimulansen, bonussen of kortingen voor bepaalde transactievolumes.
63 De voorwaarde dat een vergoeding „een oogmerk of een effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding” om onder artikel 5 van verordening 2015/751 te vallen, moet dus worden uitgelegd in het licht van het begrip „afwikkelingsvergoeding” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van verordening 2015/751, alsook van overweging 31 ervan.
64 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat de „afwikkelingsvergoeding” in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening 2015/751 een vergoeding is die voor elke transactie wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die betrokken zijn bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie. Zoals blijkt uit overweging 10 van deze verordening, worden afwikkelingsvergoedingen gewoonlijk door accepterende betalingsdienstaanbieders aan handelaren in rekening gebracht voor elke op een kaart gebaseerde betalingstransactie en worden zij doorberekend in de transactiekosten voor consumenten.
65 Hieruit volgt dat, naar analogie, een vergoeding die enerzijds door het driepartijenbetaalkaartschema aan de co‑brandingpartner wordt betaald voor het volume of de transacties die verband houden met het gebruik van de kaart en die anderzijds gevolgen heeft voor de kosten van de dienst voor het gebruik van die kaart voor de consument, kan worden beschouwd als een vergoeding „waarvan het oogmerk [...] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding” in de zin van artikel 5 van verordening 2015/751.
66 Wat ten tweede de voorwaarde betreft dat een overeengekomen vergoeding een „effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding” in de zin van die bepaling, blijkt uit de bewoordingen en uit het doel ervan dat deze voorwaarde beoogt elke andere vergoeding te omvatten die binnen het betaalkaartschema is overeengekomen, met name vergoedingen tussen het driepartijenbetaalkaartschema en de co‑brandingpartner die weliswaar niet rechtstreeks zijn gebaseerd op het volume of de transacties in verband met het gebruik van de kaart, maar wel een effect hebben op dat gebruik.
67 Uit de toelichting in de overwegingen 31 en 32 van verordening 2015/751 en uit de definitie van het begrip „nettocompensatie” in artikel 2, punt 11, van die verordening volgt dat deze voorwaarde ziet op betalingen in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, die ertoe strekken stimulansen voor het gebruik van die kaart te financieren, zoals verkoopstimulansen, bonussen of kortingen en die van invloed zijn op de kosten van het gebruik van die kaart voor de consument.
68 In de tweede plaats moet worden gepreciseerd dat uit het gebruik van het voegwoord „of” in de duidelijke en ondubbelzinnige formulering van artikel 5 van deze verordening volgt dat het daarin neergelegde criterium een alternatief karakter heeft. Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volstaat het immers dat de ontvangen vergoedingen hetzij een oogmerk, hetzij een effect hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding om onder deze bepaling te vallen voor de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van die verordening genoemde maxima.
69 Het is evenwel aan de verwijzende rechter om – rekening houdend met het voorgaande en gelet op de kenmerken van de vergoeding zoals die is overeengekomen tussen het driepartijenbetaalkaartschema en de co‑brandingpartner uit het hoofdgeding – te bepalen of deze vergoeding een oogmerk of een effect heeft dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en derhalve onder artikel 5 van verordening 2015/751 valt.
70 Hieruit volgt dat op de derde tot en met de vijfde vraag moet worden geantwoord dat artikel 5 van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarde dat de overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, „een oogmerk of een effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding”, vereist dat wordt nagegaan of een vergoeding die is overeengekomen tussen een co‑brandingpartner – die geen uitgever is – en een driepartijenbetaalkaartschema, met betrekking tot betalingstransacties of activiteiten die gerelateerd zijn aan die kaarten, een stimulerend oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan een dergelijke afwikkelingsvergoeding, wat impliceert dat rekening wordt gehouden met het oogmerk of het effect van die vergoeding op de stimulans voor de consument om die kaarten te gebruiken.
Zesde vraag
71 Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat een door een co‑brandingpartner aan een driepartijenbetaalkaartschema betaalde „handelarenvergoeding” in mindering mag worden gebracht op betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van dat betaalkaartschema in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten heeft ontvangen.
72 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 het begrip „nettocompensatie” definieert als „het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen”.
73 Verder wordt in artikel 2, punt 12, van deze verordening de „handelarenvergoeding” gedefinieerd als „een door de begunstigde aan de accepteerder betaalde vergoeding in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties”. In dit verband wordt volgens artikel 2, punt 13, van die verordening onder „begunstigde” verstaan „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft”.
74 Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 2, punt 12, van verordening 2015/751 volgt dus dat de handelarenvergoeding deel uitmaakt van de verhouding tussen een handelaar – te weten de begunstigde in de zin van artikel 2, punt 13, van deze verordening – en de accepteerder. Daarentegen maakt deze vergoeding geen deel uit van de rechtsbetrekking tussen de co‑brandingpartner en de accepteerder, te weten het driepartijenbetaalkaartschema, en valt zij derhalve niet onder het begrip „nettocompensatie” in de zin van artikel 2, punt 11, van die verordening.
75 In een driepartijenbetaalkaartschema vervult dezelfde entiteit, namelijk het betaalkaartschema, de functie van accepteerder en uitgever en kan een co‑brandingpartner ook een handelaar zijn die gebruikmaakt van de diensten van dat schema, dat wil zeggen een begunstigde in de zin van die verordening. In een dergelijke configuratie kan een co‑brandingpartner gebruikmaken van de diensten van dat schema, betalingstransacties met kaarten van dat schema aanvaarden en daarvoor een handelarenvergoeding aan het schema betalen. Een dergelijke vergoeding wordt door de co‑brandingpartner evenwel niet betaald in zijn hoedanigheid van co‑brandingpartner, maar als begunstigde. Deze vergoeding houdt namelijk geen verband met de samenwerkingsovereenkomst die met het betaalkaartschema is gesloten en zou in ieder geval ook aan een ander betaalkaartschema moeten worden betaald. De vergoeding maakt dus geen deel uit van de rechtsbetrekking tussen de co‑brandingpartner en de accepteerder.
76 Bijgevolg mag de handelarenvergoeding bij de berekening van de nettocompensatie niet in mindering worden gebracht op het totaalbedrag van de betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van het driepartijenbetaalkaartschema ontvangt, ook wanneer deze partner als handelaar optreedt.
77 Uit het voorgaande volgt dat artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat een door een co‑brandingpartner aan een driepartijenbetaalkaartschema betaalde „handelarenvergoeding” niet in mindering mag worden gebracht op betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van dat betaalkaartschema in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten heeft ontvangen.
Zevende vraag
78 Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat bij de berekening van de nettocompensatie niet alleen de door een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema betaalde monetaire vergoedingen in mindering mogen worden gebracht op het totaalbedrag dat deze partner van het schema ontvangt, maar ook de niet-monetaire prestaties die de partner aan het betaalkaartschema levert, en, in voorkomend geval, op basis van welke criteria die waarde moet worden bepaald.
79 Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, komt de nettocompensatie, in het geval van een driepartijenbetaalkaartschema dat samen met een co‑brandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, overeen met het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van het betaalkaartschema heeft ontvangen.
80 Om te bepalen of en, zo ja, in hoeverre niet-monetaire prestaties in mindering kunnen worden gebracht op de vergoedingen die het driepartijenbetaalkaartschema aan de co‑brandingpartner betaalt, moet ten eerste in herinnering worden gebracht dat artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 verwijst naar „betalingen, kortingen of stimulansen”. Het begrip „stimulans” heeft echter een ruime strekking die meer omvat dan louter monetaire prikkels. Het gebruik van deze term in het meervoud, direct na betalingen en kortingen lijkt bovendien te bevestigen dat de aldus bedoelde compensatie niet beperkt is tot louter monetaire compensatie.
81 Deze ruime uitlegging van artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 wordt bevestigd door overweging 31 van deze verordening. Zoals in punt 45 van dit arrest is vastgesteld, kunnen betalingen, stimulansen en vergoedingen immers zowel een direct karakter hebben (d.w.z. op basis van het volume of de specifieke transactie) als een indirect karakter (onder meer verkoopstimulansen, bonussen, kortingen voor bepaalde transactievolumes). Het begrip „stimulans” kan derhalve niet uitsluitend worden opgevat als betrekking hebbend op monetaire vergoedingen.
82 Verder wordt in die overweging 31 verduidelijkt dat bij het nagaan of de bepalingen van deze verordening worden omzeild, met name rekening moet worden gehouden met de voordelen die uitgevers van kaarten halen uit speciale programma’s die gezamenlijk worden uitgevoerd door uitgevers en betaalkaartschema’s, en met de inkomsten uit verwerkings-, licentieverlenings‑ en andere vergoedingen die inkomsten opleveren voor kaartorganisaties.
83 Ten tweede zou een uitlegging van artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751, waarbij alleen monetaire bijdragen in mindering mogen worden gebracht op de aan de co‑brandingpartner betaalde vergoedingen, afbreuk doen aan de doelstellingen van deze verordening en aan de regel van artikel 5 van deze verordening, die tot doel heeft de omzeiling van de in de artikelen 3 en 4 van die verordening genoemde maxima te verbieden.
84 De waarde van de niet-monetaire vergoedingen moet worden bepaald aan de hand van de economische waarde ervan. Indien de waarde van niet-monetaire vergoedingen contractueel zou worden bepaald door het driepartijenbetaalkaartschema en de co‑brandingpartner, zou deze waarde namelijk kunnen worden overschat om de vergoedingen die door dat schema aan de co‑brandingpartner worden betaald te compenseren. Dit zou afbreuk doen aan de doelstelling van verordening 2015/751 om voor gelijke concurrentievoorwaarden op de markt te zorgen en de transactiekosten van betaalkaarten voor consumenten te verlagen. Het is dus aan de verwijzende rechter om bij het vaststellen van de waarde van de niet-monetaire stimulans rekening te houden met de economische waarde daarvan, waarbij alle elementen van de bij hem aanhangige zaak in aanmerking moeten worden genomen, en in het bijzonder de werkelijke economische waarde ervan wanneer de dienst door anderen kan worden aangeschaft en de prijs ervan openbaar is gemaakt.
85 Gelet op een en ander moet op de zevende vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat bij de berekening van de nettocompensatie niet alleen de door een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema betaalde monetaire vergoedingen in mindering mogen worden gebracht op het totaalbedrag dat deze partner van het schema ontvangt, maar ook de niet-monetaire prestaties die deze partner aan het betaalkaartschema levert, waarbij deze moeten worden gewaardeerd rekening houdend met de werkelijke economische waarde ervan.
Kosten
86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 2, punt 11, van verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties moet aldus worden uitgelegd dat het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema heeft ontvangen, kan worden beschouwd als een „nettocompensatie” in de zin van die bepaling, ook al is die partner zelf geen „uitgever” in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, voor zover de vergoedingen waaruit dit bedrag bestaat een oogmerk of effect hebben dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
2) De artikelen 4 en 5 van verordening 2015/751, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 10 en 11, ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat de nettocompensatie binnen de werkingssfeer van het omzeilingsverbod als bedoeld in artikel 5 van deze verordening valt.
3) Artikel 5 van verordening 2015/751 moet aldus worden uitgelegd dat de voorwaarde dat de overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, „een oogmerk of een effect [heeft dat] gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding ”, vereist dat wordt nagegaan of een vergoeding die is overeengekomen tussen een co‑brandingpartner – die geen uitgever is – en een driepartijenbetaalkaartschema, met betrekking tot betalingstransacties of activiteiten die gerelateerd zijn aan die kaarten, een stimulerend oogmerk of effect heeft dat gelijkwaardig is aan een dergelijke afwikkelingsvergoeding, wat impliceert dat rekening wordt gehouden met het oogmerk of het effect van die vergoeding op de stimulans voor de consument om die kaarten te gebruiken.
4) Artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 moet aldus worden uitgelegd dat een door een co‑brandingpartner aan een driepartijenbetaalkaartschema betaalde „handelarenvergoeding ” niet in mindering mag worden gebracht op betalingen, kortingen of stimulansen die de co‑brandingpartner van dat betaalkaartschema in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten heeft ontvangen.
5) Artikel 2, punt 11, van verordening 2015/751 moet aldus worden uitgelegd dat bij de berekening van de nettocompensatie niet alleen de door een co‑brandingpartner van een driepartijenbetaalkaartschema betaalde monetaire vergoedingen in mindering mogen worden gebracht op het totaalbedrag dat deze partner van het schema ontvangt, maar ook de niet-monetaire prestaties die deze partner aan het betaalkaartschema levert, waarbij deze moeten worden gewaardeerd rekening houdend met de werkelijke economische waarde ervan.
Jürimäe Lenaerts Schalin Gavalec Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 april 2026. De griffier A. Calot Escobar De kamerpresident K. Jürimäe
( *1 ) Procestaal: Nederlands.